Categoriearchief: Historische cultuur & herinnering

Vijf manieren waarop weer en klimaat de geschiedenis een andere wending gaven

Gastblog door Lena Walschap.

De opwarming van de aarde is een van de grootste uitdagingen waar onze maatschappij vandaag de dag voor staat. Toch is het niet de eerste keer dat de mens met een veranderend klimaat te maken krijgt. Op verschillende momenten in de geschiedenis drukten weer en klimaat hun stempel op het gedrag van mensen en samenlevingen. Van landbouw- en economische crisissen tot migratiestromen, de uitbraak van ziektes en culturele denkbeelden; de invloed van weer en klimaat rijkt verder dan de meesten denken. Deze lijst zet enkele van de meest opvallende voorbeelden op een rijtje.

1 Hagel en heksenvervolgingen

Een weerheks doet het hagelen met behulp van het kaakbeen van een walvis (houtsnede uit Johann Vintler, Pluemen der Tugend, Augsburg 1486).

We hebben een bijzonder grillige lente achter de rug. Van zomerweer in februari tot sneeuw in april. Heeft u al bedacht dat uw buurvrouw weleens een duivelse weerheks zou kunnen zijn die ervoor gezorgd heeft dat uw tomatenplant is kapotgevroren? Neen? In het verleden was dit idee nochtans niet ondenkbaar. Sommige boeren in de zestiende en zeventiende eeuw geloofden in weerhekserij als oorzaak van zogenoemd “onnatuurlijk weer”. De beschuldigingen kwamen voornamelijk nadat slecht weer tot hongersnood had geleid. Zeker hagel, die ogenschijnlijk uit het niets kan opkomen en grote schade aan gewassen kan veroorzaken, werd als heksenwerk beschouwd.

Aangezien het moeilijk te geloven was dat één persoon zo’n weersfenomenen teweeg kon brengen, ging men op zoek naar de fictieve collectieven. Het gevolg waren vaak grootschalige vervolgingen waarbij verdachte individuen gefolterd werden om informatie over zogenaamde handlangers te verkrijgen. Honderden mensen werden terechtgesteld en geëxecuteerd. Heksenvervolgingen zijn een veel ruimer cultureel fenomeen, maar dit voorbeeld toont toch hoe hagelstormen en andere onverwachte weersfenomenen meer gevolgen hadden dan alleen misoogsten.

2 Overvloedige regenval en de terugtrekking van het Mongoolse leger

In de vroege dertiende eeuw was een Mongools leger onder leiding van Dzjengis (Genghis) Khan volop in opmars. Onder zijn opvolger Batu viel ook Europa aan invallen ten prooi. Het Mongoolse leger veroverde een groot deel van Rusland en won initieel slagen in zowel Oostenrijk als Hongarije. Na voorbereidingen voor een langdurige bezetting in Hongarije trokken de Mongolen zich in 1242 echter plots zonder duidelijke reden terug. Er bestaan veel hypotheses voor, waaronder de invloed van het klimaat. Nattere en koelere omstandigheden maakten de graslanden in Hongarije in deze periode moerassig, wat de mobiliteit van het Mongoolse leger sterk verminderde en het moeilijk maakte om voldoende grasland voor de paarden te vinden. Bijgevolg moesten de troepen zich fel verspreiden en verkeerden de paarden in een minder goede gezondheid. Voor een paardenvolk was de Hongaarse regio door dit gebrek aan grasland bovendien weinig aanlokkelijk. Het is dus ten dele aan het regenachtige weer te danken dat West-Europa van Mongoolse invallen gespaard bleef.

3 Een verstoorde habitat en de Zwarte Dood

De begrafenis van pestslachtoffers in Doornik, ca. 1349 (miniatuur van Pierart dou Tielt © KIK-IRPA, Brussel).

We hebben ondertussen al in alle seizoenen met het coronavirus te maken gehad. Daarbij werd regelmatig aangehaald dat het koude weer van de herfst en winter een uitdaging zou vormen, wanneer we met z’n allen in slecht verluchte binnenruimtes vertoeven, ons immuunsysteem verslechtert en virussen zich sneller verspreiden in droge lucht. Ook dalingen van de coronacijfers worden ten dele aan het warmere weer toegeschreven.

Ook tijdens de bekendste epidemie uit onze geschiedenis speelden weer en klimaat een rol: ze bepaalden in sterke mate de opkomst en verspreiding van de Zwarte Dood. De pestbacterie is afkomstig van de Centraal-Aziatische steppen, waar ze zich door vlooien onder gerbils (woestijnratten) verspreidde. In de vroege veertiende eeuw zorgden enkele koude droge zomers voor een plotse plantensterfte in de habitat van deze gerbils, waardoor ook de gerbilpopulatie een massale sterfte kende. Bijgevolg moesten de bijtgrage vlooien op zoek naar een nieuwe gastheer: de mens. Via de zijderoutes en het oprukkende Mongoolse leger dat hierboven al aan bod kwam, werd de pest tegen het midden van de veertiende eeuw ook tot in West-Europa verspreid. Hier bezweek naar schatting een derde van de bevolking aan de ziekte.

4 Weinig zon in de vergeten wijnregio’s

Leuven in de zestiende eeuw. De groene stippen beelden wijngaarden af (Braun en Hogenberg, Civitates orbis terrarum, 1572-1618. M – Museum Leuven (foto Dominique Provost).

België staat bekend om zijn bier, maar wist u ook dat dit gebied in het verleden een belangrijke wijnregio was? In Leuven, vandaag bekend als bakermat van Stella Artois, waren de heuvels tot de late zestiende eeuw met wijngaarden bedekt. In de overwegend warme twaalfde eeuw werden deze hier aangeplant, net als in vele andere Europese gebieden. Bij een minder gunstig klimaat is het onderhouden van wijnranken in deze klimatologische grensgebieden echter niet vanzelfsprekend.

Tijdens de Kleine ijstijd, een periode tussen 1300 en 1850 die werd gekenmerkt door overwegend koelere temperaturen maar vooral ook door grilliger weer, was de wijnteelt dan ook een risicovolle bezigheid. De kans op misoogsten was groot, en door zure, slecht gerijpte druiven ging de kwaliteit van de wijn achteruit. Wanneer ook de economische omstandigheden verslechterden, was de teelt de risico’s niet langer waard. Enkele wijnvelden bleven bestaan tot in de achttiende eeuw, maar de gouden dagen van de Leuvense wijnproductie waren voorgoed voorbij. In de laatste jaren lijkt daar verandering in te komen. In en rond Leuven zijn enkele nieuwe wijngaarden aangeplant die hoop geven op een heropbloei van de sector.

5 Het kan ook omgekeerd: de kolonisatie van Amerika en de kleine ijstijd

Geografen noemen de huidige periode in de klimaatgeschiedenis het antropoceen, de eerste periode waarin de mens het klimaat significant veranderde. Maar is dit wel de eerste keer? Een interessante hypothese stelt dat een bekende historische gebeurtenis de weersgesteldheid in het verleden al eerder stuurde: de kolonisatie van het Amerikaanse continent zou bijgedragen kunnen hebben aan de koelere atmosfeer tijdens de kleine ijstijd. In de eeuw nadat Columbus voet aan wal zetten op het nieuwe continent veroorzaakte de Europese kolonisatie een grote sterfte bij de inheemse bevolking. Landbouwgrond werd bijgevolg verlaten, waarna de natuur er opnieuw verwilderde. De bossen die hierdoor opnieuw ontstonden, zorgden voor een scherpe daling van de CO2-concentratie in de atmosfeer. Dit had het omgekeerde effect van de huidige broeikasgassen : het klimaat koelde af. De kolonisatie droeg dus mogelijk bij aan de koelere temperaturen tijdens dit deel van de kleine ijstijd.

Het klimaat en het weer waren nooit de enige, en vaak niet eens de meest belangrijke, oorzaken voor ontwikkelingen in het verleden. Toch wordt hun invloed te vaak onderschat. Ze zijn op de achtergrond van de geschiedenis aanwezig en hebben op veel momenten een doorslaggevend effect gehad op gebeurtenissen en processen. De bovenstaande voorbeelden bieden slechts een voorproefje van de interactie die tussen klimaat en samenleving bestond. Welke verraste u het meest? Kent u er nog meer? Laat het zeker weten in de reacties.

Meer lezen?

Behringer, Wolfgang. A Cultural History of Climate. Cambridge, UK ; Malden, MA: Polity, 2010.

Walschap, Lena. ‘In Vino Veritas. Klimatologische En Socio-Economische Verklaringen Voor de Neergang van de Leuvense Wijnteelt’. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 17, nr. 3 (2020): 37–73.

Koch, Alexander, Chris Brierley, Mark M. Maslin, en Simon L. Lewis. ‘Earth System Impacts of the European Arrival and Great Dying in the Americas after 1492’. Quaternary Science Reviews 207 (2019): 13–36.

Lena Walschap is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de interactie tussen klimaat en samenleving in de late middeleeuwen.

Titelafbeelding: een sneeuwballengevecht in Vlaanderen c. 1510. Bron: Walters Art Museum, inv. nr. W425, 12R.

Hoe Nonkel Bob kinderen vormde tot ‘betere Vlamingen’

De jeugd van tegenwoordig kent Nonkel Bob waarschijnlijk vooral van het liedje ‘Vrolijke vrienden’ uit het zangboekje bij het kampvuur. De oudere generaties, daarentegen, zijn opgegroeid met zijn televisieprogramma’s. Vanaf de verschijning van Nonkel Bob in de eerste jeugduitzending op de Belgische Nederlandstalige openbare omroep (Nationaal Instituut voor de Radio-omroep, NIR) in 1955 werd hij een vaste waarde binnen het ‘jeugduurtje’.

Bob Davidse en zijn co-presentatrices, vaak tantes genoemd, werden razend populair bij de Vlaamse jeugd. Kinderen zonden massaal brieven en tekeningen naar hun idolen. Tante Ria moest in een uitzending in 1963 zelfs vragen om alsjeblieft geen tekeningen en bloemen meer op te sturen. De toon van de brieven was vaak erg vertrouwelijk. Voor de jeugd van toen leek televisiekijken haast op een koffieklets bij de familie. De jeugdprogramma’s waarin Davidse verscheen waren echter niet belangeloos. Ze  hadden een belangrijk emancipatorisch doel: Het Vlaamse gemeenschapsgevoel versterken bij de jongste kijkers.

De Vlaamse tele-missie

Het NIR volgde vanaf zijn eerste televisie-uitzending in 1953 de ideologie van de Britse BBC: Educate the nation. De gemeenschap die het NIR moest onderwijzen hing, zo was het idee, nog onvoldoende samen. De Vlaamse televisiepioniers en medewerkers van het NIR, dat vanaf 1960 werd omgedoopt tot de Belgische Radio- en Televisieomroep (BRT), vonden het teweegbrengen van een gemeenschapsgevoel onder de Vlamingen een van hun belangrijkste taken. De uitzendingen van de nationale omroep moesten dus vooral de Vlaamse cultuur, waarden en geschiedenis aan de kijkers meegeven. De omroep kreeg de taak om te bedenken wat deze Vlaamse waarden dan wel waren.

Daarnaast beschouwden deze vroege televisiemedewerkers het verheffen van het Nederlands tot een cultuurtaal als een belangrijke plicht van de Vlaamse televisie. Het moest voor iedereen duidelijk zijn dat Nederlands niet minderwaardig was aan het Frans. In een tijd waarin actie werd gevoerd voor het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ (ABN) dienden televisieprogramma’s Vlamingen dus taalbewuster te maken. In de uitzendingen voor volwassenen waren deze opvoedingselementen rijkelijk aanwezig. Zo keerden het Vlaamse platteland en de koppige Vlaamse boer vaak terug als idealen in fictieseries. Ook stond in een groot aantal programma’s het ABN centraal, zoals in het educatieve televisieprogramma Hier spreekt men Nederlands (1962-1973).

Voor de buis of in de klas?

Ook in de eerste Vlaamse kinderprogramma’s waren deze elementen aanwezig. Via de televisie kregen de jongste televisiekijkers een stevige portie (‘Vlaamse’) kennis en gemeenschapsgevoel mee van ‘hun nonkel’. De openbare omroep, of toch zeker Bob Davidse, nam kinderen erg serieus. In een lijst Losse ideeën over kindertelevisie uit zijn persoonlijk archief schreef Davidse talrijke bedenkingen die dit bevestigen: “Kinderen moeten ernstig genomen worden”, “de programma’s moeten geen vragen stellen, wel antwoorden geven” en “de televisie zou moeten blijven: ‘de ogenopenaar’ en voor kinderen zeker niet: ‘de verslaving’.”

De ekster op de galg door Pieter Bruegel de Oude (1568).

Wanneer je deze eerste Vlaamse kinderprogramma’s vandaag bekijkt geloof je soms je oren en ogen niet. Nonkel Bob en zijn metgezellen spraken kinderen toe met een ontzettend keurige en complexe taal. Ze gebruikten woorden als ‘olijkerd’, ‘zeer prettig’ en ‘bevestigen’, om kinderen vertrouwd te maken met het ABN. Gasten in de uitzendingen spraken de kinderen ook eerder met ‘u’ dan met ‘gij’ aan. Daarnaast was de inhoud van fictietoneeltjes redelijk zwaar. Ze brachten vaak historische thema’s aan waarbij de acteurs woorden uit het Oudnederlands als ‘ende’ in de mond namen. Deze fictietoneeltjes gaven ook zogenaamd Vlaamse waarden mee. Zo was de conclusie van een van de uitzendingen dat een echte held zijn heldendaden dient te verzwijgen. Zulke boodschappen zochten aansluiting bij het stereotype van de stille en bescheiden Vlaming.

Verder was ook ‘Vlaamse’ geschiedenis een belangrijk onderdeel van de jeugduitzendingen. In kleine segmentjes speelden acteurs soms bijvoorbeeld historische gebeurtenissen en figuren na. Bij deze fragmentjes hoorde vaak een prijsvraag, opdat kinderen extra goed zouden opletten. Tussen de liedjes door maakten de kinderen van de jaren vijftig en zestig zo onder meer kennis met de radeloze hertog van Parma, belaagd door dappere ‘Vlaamse’ verzetsstrijders tijdens het Beleg van Antwerpen, en Pieter Bruegel die de symboliek van zijn eigen schilderij analyseert.

Door deze Vlaamse lessen, gebracht door iemand die kinderen als familie beschouwden, ontstond er bij de jeugd een soort gemeenschapsgevoel. Zij werden ‘Vrolijke Vlaamse vrienden’. De nostalgie naar Nonkel Bob, die bij veel oudere Vlamingen nog leeft, wijst op het succes van Bob Davidse en zijn programma’s. De ‘oom van Vlaanderen’ schreef niet voor niets bovenaan zijn lijst Losse ideeën over kindertelevisie : “De televisie is een sociaal ding!!!”

Giel Bosmans was in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schreef een masterproef over Bob Davidse.

Waarom het Nederlands de belangrijkste taal van Rusland had kunnen worden (of niet)

Vandaag zijn er ongeveer 25 miljoen mensen die het Nederlands als moedertaal hebben. Dat getal valt in het niet bij de ongeveer 335 miljoen Engelstaligen en 285 miljoen Franstaligen. Vier eeuwen geleden was dat anders toen de Nederlandse Republiek haar invloed aan het uitbreiden was naar overzeese gebieden als Nieuw Amsterdam (het latere New York), Brazilië en Japan. Maar wat velen niet weten, is dat het Nederlands ook in Rusland voet aan de grond kreeg.

Bom Bor Dir Piter

Berckheyde, ‘Het Bezoek van Tsaar Peter de Grote aan Amsterdam’, 16e eeuw (Nationaal Gevangenismuseum).

Er zijn bewijzen dat de Russische tsaar Peter de Grote het Nederlands goed kende. Hij zou bijvoorbeeld geen tolk nodig hebben gehad bij zijn reizen in de Nederlandse Republiek. Tijdens zijn bezoek aan Holland in 1697-1698 signeerde hij verschillende documenten in het Nederlands. Die werden ondertekend met de woorden “Bom Bar Dir Piter” (bombardier Pieter), “Iv daheleix Kneh Piter Kamondor” (uw dagelijkse knecht Pieter Commandeur) en “Iv Dinar Piter” (uw dienaar Pieter). Tijdens de tweede reis van de tsaar naar Nederland in 1716-1717 nam zijn aandacht voor het Nederlands af. In die periode van geleidelijk economisch verval was de macht van de Republiek tanende. Steeds vaker ruilde Peter de Grote het Nederlands in voor het Duits om zijn mensen aan te spreken en plaatsen te benoemen.

Het Nederlands in Rusland 

Het Nederlands werd in het zeventiende-eeuwse Rusland vooral gebruikt onder buitenlandse handelaars om met elkaar te communiceren toen de Republiek een van de grootste maritieme handelsmachten ter wereld was. Het Nederlands was wereldwijd onder zeelieden een soort lingua franca. Nederlandse handelaren hadden met name een grote invloed in de Oostzee, waar ze onder andere handel dreven met Russische partners.

Jean-Marc Nattier, ‘Portret van Peter I van Rusland’, 1717.

Naast buitenlandse koopmannen gebruikten de Russen zelf ook het Nederlands om contact te leggen met andere Europese handelaren. Hierdoor heeft de Nederlandse taal vooral sporen nagelaten in de woordenschat over handel. De Nederlandse woorden die vandaag de dag nog altijd aanwezig zijn in het Russisch hebben bijna altijd betrekking op zeemanschap. Enkele woorden zijn; akhtershteven’ (achtersteven), botsman (bootsman), brandspoyt (brandspuit), dyuym (duim), garpun (harpoen), yakhta (jacht), kayu’ta (kajuit), braloko (loods), lyuk (luik), rul’ (roer), rupor (roeper, megafoon), shkiper (schipper), shlang (sleng) en shlyupka (sloep).

Niet iedereen was te spreken over het gebruik van het Nederlands in Rusland. Zo uitten de Engelsen, die politieke rivalen van de Nederlanders waren in de achttiende eeuw, grote kritiek op het gebruik van het Nederlands bij handelaars in Rusland. Zij waren van mening dat het Engels de standaardtaal van het maritieme leven moest worden. Van haar kant meende de Russische prinses en Verlichtingsdenker Ekaterina Dasjkova, die Peter de Grote bekritiseerde, dat de Nederlandse invloed nefast was voor de Russische taal. Door de introductie van Nederlandse woorden zou het Russisch zijn ‘authenticiteit’ zijn verloren. Toen zij haar kritiek uitte, was Peter de Grote al gestorven en had het Nederlands plaatsgemaakt voor een grotere invloed van het Duits en later ook het Frans in Rusland.

Nederduits?

Het belang van het Nederlands in tsaristisch Rusland moet niet overdreven worden. Het aantal geïntroduceerde Nederlandse woorden in de Russische taal was minimaal. Slechts een aantal gegoede handelaren uit het zeventiende-eeuwse Rusland beheersten het Nederlands volledig.  Daarnaast maakte men niet altijd een onderscheid tussen het Nederlands, het Nederduits en het Duits, drie sterk verwante talen. Het is dus vandaag vaak moeilijk om te reconstrueren welk van deze drie talen werd gesproken.

Veder luisteren?

Het verhaal over het Nederlands in Rusland is één van de verhalen die uitgebreid aan bod komt in deze podcast van het Centrum van Russische Studies die tot stand kwam in samenwerking met Rusland-experts Emmanuel Waegemans en Wim Coudenys. De podcast gaat over de relatie tussen België en Rusland door de eeuwen heen.

Meer lezen.

E. Waegemans, De taal van Peter de Grote: Russisch-Nederlandse contacten en contrasten (Leuven 2006).

Joël Lammeretz is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent geschiedenis. Hij werkte mee aan een podcast over de historische relatie tussen België en Rusland tijdens zijn stage in het Centrum van Russische Studies.

Titelafbeelding: Abraham Storck, ‘Het met medewerking van tsaar Peter de Grote in januari 1698 voltooide fregat Pieter en Paul op het IJ’, 1698 (Historisch Museum Amsterdam).

Met de Duitsers naar bed of niet?

Tijdens de bevrijdingsfeesten in 1945 werden collaborateurs publiekelijk uitgejouwd en bestraft. Daaronder bevonden zich ook vrouwen die een verhouding hadden gehad met Duitse soldaten. Zij werden vernederd, kaalgeschoren en volgeklad met hakenkruisen. Deze beelden van afgeschoren haren en ontblote lichamen werden dominant in onze herinnering aan vrouwen die met de vijand hadden geheuld. Terwijl veel mannen veroordeeld werden voor collaboratie op politiek en militair vlak, leek de fout van de vrouwen voornamelijk te liggen bij wat men ‘intieme’ of ‘sentimentele’ collaboratie noemt. Maar klopt deze beeldvorming?

“Moffenmeiden”

Een “moffenmeid” wordt kaalgeschoren en ingesmeerd met pek. (Nationaal Archief Nederland).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstonden er soms vriendschappen en relaties tussen Duitse soldaten en Belgische vrouwen. Van deze laatste groep volgden enkelingen hun liefde naar Duitsland, om daar bijvoorbeeld voor het Duitse Rode Kruis te gaan werken. Er was dus effectief een groep vrouwen die aan sentimentele collaboratie deed. In Nederland ontstond zelfs de term “moffenhoer” of “moffenmeid” om hen aan te duiden.

Toch is enige nuance vereist: kunnen we hier wel echt van collaboratie spreken? Onderzoek toont aan dat vrouwen niet per se relaties aanknoopten met soldaten uit politieke overtuigingen, maar omdat er aantrekkingskracht en verliefdheid in het spel was. Vaak werden vrouwen na de oorlog ook onterecht beschuldigd van affaires met Duitsers door mensen die hen in een slecht daglicht wilden stellen. Daarnaast kwamen roddels snel op gang: sommige vrouwen werden al aangeklaagd omdat ze gesprekken hadden gevoerd met soldaten of iets van hen hadden aangenomen. Niet alle vrouwen die kaalgeschoren werden, hadden dus echt een verhouding gehad met een Duitser. De aandacht voor deze “moffenmeiden” zorgde ervoor dat andere vrouwen, die effectief de nazistische ideologie hadden gesteund en actief hadden gecollaboreerd, in de schaduw terechtkwamen.

De paradox van extreemrechtse vrouwenbewegingen

Affiche van een voordracht van Blanka Gyselen voor DeVlag (Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis).

Er waren ook vrouwen die bewust het publieke forum betraden en hun sympathieën voor het nationaalsocialisme uitten. Verschillende extreemrechtse vrouwenbewegingen collaboreerden openlijk met de Duitsers, zoals het Vlaams Nationaal Vrouwenverbond (VNVV) en de Vrouwenwerken van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag). De actieve rol die deze vrouwen speelden is minder bijgebleven, omdat de boodschappen die ze verspreidden nogal paradoxaal waren.

Centraal in de nationaalsocialistische ideologie van de nazi’s stond immers de opvatting dat de vrouw thuishoorde aan de haard en dat haar taken bestonden uit het baren en opvoeden van kinderen. Vrouwen moesten zorgen voor de uitbreiding van het Arische ras. Tegelijkertijd werden zij gestimuleerd om zich aan te sluiten bij politieke partijen door de leidsters van extreemrechtse bewegingen zoals het VNVV. Die vrouwen betraden dus het publieke forum, om te verkondigen dat de plaats van de vrouw aan de haard was.

Vrouw, auteur, collaborateur

Blanka Gyselen (KADOC Beeldarchief KFA20095).

18% van het totaal aantal veroordeelden voor collaboratie in België was vrouw. Een groot deel van deze veroordelingen was voor verklikking, waardoor het beeld van de vrouw als verraadster opkwam. Daarnaast werd een aantal vrouwen veroordeeld voor hun actief politiek en cultureel engagement. Zo werd Blanka Gyselen, een toen bekend en gerenommeerd schrijfster, bestraft met 20 jaar ‘buitengewone hechtenis’ voor haar culturele activiteiten. Tijdens de oorlog had zij meegewerkt aan tijdschriften van collaborerende organisaties, zoals Volk en Staat en Balming, waarin zij de ‘vrouwenrubrieken’ had verzorgd. Daarnaast was ze lid van de SS en schreef ze Vlaams-nationalistische strijdliederen.

Zelf beweerde Blanka Gyselen bij haar veroordeling dat ze was misleid door de “schone leuzen en beloften” van het nationaalsocialisme en dat ze bij haar rondreizen in Duitsland enkel de modelzijde van het regime te zien had gekregen. Naast haar gevangenisstraf moest ze een boete van 5.000 frank betalen aan de overheid, werd haar huis in beslag genomen, verloor ze haar burgerrechten en mocht ze haar nieuwe vriend – die in een andere gevangenis zat – niet bezoeken. Uiteindelijk werd Blanka door gezondheidsredenen in 1949 in voorlopige vrijheid gesteld. Ze leefde enkele jaren een teruggetrokken bestaan, maar werd stilaan terug geïntegreerd in het literaire milieu en kon weer publiceren. Haar label als “verbrande dichteres” is ze echter nooit echt kwijtgeraakt.

Vrouwen als Blanka Gyselen tonen aan dat de rol van vrouwen in de collaboratie veel aanzienlijker en complexer was dan velen denken. De dominante voorstelling van vrouwen als ‘intieme’ collaborateurs die met de vijand sliepen, is onvolledig en beperkt. In de herinnering aan de collaboratie heeft de repressie door het volk zelf, de ‘straatrepressie’, de overhand genomen. De choquerende beelden van vernederde en kaalgeschoren vrouwen zijn blijven hangen, terwijl de verhalen van vrouwen die ‘volgens het boekje’ veroordeeld zijn, in de vergetelheid zijn beland.

Meer lezen?

De Metsenaere, Machteld en Bollen, Sophie. “Schandelijke liefde. Sentimentele collaboratie en haar bestraffing in België na de Tweede Wereldoorlog”. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, nr. 3 (2007): 228-259.

Roeges, Mathieu. “Vrouwen in de collaboratie”, Belgium WWII, https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/artikels/vrouwen-in-de-collaboratie.html

Van Loon, Caroline. “De geschorene en de scheerster. De vrouw in de straatrepressie na de Tweede Wereldoorlog”. Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 19 (2008): 45‑78.

Hannah Smets is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schrijft een masterproef over steun en solidariteit tussen Vlaamse schrijfsters in de twintigste eeuw.

Waarom de Duitse bezetter in 1940 twee sterk verschillende Lage Landen aantrof

Gastblog door Marnix Beyen bij het verschijnen van De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag.

Op 29 mei 1940, daags na de capitulatie van het Belgische leger, verhuisde het slechts tien dagen eerder in Den Haag gevestigde Duitse militaire bestuur over België en Nederland naar Brussel. Nederland zelf kreeg een burgerlijk bestuur in de plaats onder leiding van de Oostenrijkse nazi Arthur Seyss-Inquart. In een terugblik op zijn tiendaagse bestuursperiode in Den Haag schreef de militaire bevelhebber Alexander von Falkenhausen dat hij er zorg voor had gedragen “het werk in Nederland op de vrijwillige medewerking van de Hollandse overheden te laten berusten”. En, zo voegde hij eraan toe, “het succes was verrassend groot”. De staatssecretarissen werkten als “een voorlopige en door ons niet erkende regering gewillig en loyaal mee. Een ingrijpen van onze kant was niet nodig; in enkele gevallen volstond een lichte druk”.

Politiek versus bestuur

Portiers in de Grand Casino in Limoges, waar de Verenigde Belgische Kamers stelling namen tegen de capitulatie door Leopold III (collectie RTBf).

Tegenstand van de parlementaire elites moest de conservatieve Pruisische aristocraat sowieso niet verwachten, want de Staten-Generaal (het Nederlandse parlement) hadden hun activiteiten meteen na de Duitse inval stopgezet. Dat was anders in België. Al een dag na de installatie van het militaire bestuur in Brussel stemde een groot aantal Belgische parlementairen tijdens een inderhaast geïmproviseerde bijeenkomst in het Franse Limoges tegen de beslissing van de Belgische koning Leopold III om te berusten in de Duitse overwinning. Daarmee legden zij de basis voor de Koningskwestie, die ook na de Tweede Wereldoorlog de politieke spanningen hoog zou doen oplopen en België zelfs even op de rand van de burgeroorlog zou brengen.

De inval van het Duitse leger bracht met andere woorden sterk verschillende reacties teweeg in de beide Lage Landen: waar hij in Nederland de politieke elites ertoe aanzette zichzelf (tijdelijk) buitenspel te zetten ten voordele van de administratie (en later ook van koningin Wilhelmina), daar deed hij in België integendeel hevige politieke passies ontbranden. De Duitse bezetters in België drukten er meer dan eens hun verwondering over uit. De “eigenaardige politieke, culturele en levensbeschouwelijke houding” van de Belgen werd in één van hun rapporten verklaard vanuit “de liberalistische opvoeding, die ze genoten hebben en die men hier als een wezenlijk kenmerk van de ‘vrijheid’ beschouwt”. Dat de Belgische bevolking weinig respect had voor “de staat” ondervonden ze zowel in hun voordeel als in hun nadeel. Het verzet én de collaboratie waren er radicaler, ideologischer en verdeelder dan in Nederland, waar de overheidsadministraties meer tot medewerking bereid bleken. Daarvan zou vooral de Joodse bevolking in Nederland het slachtoffer worden.

Mutaties van een politieke cultuur

Het Duitse militaire bestuur stootte daarmee op fundamentele verschillen tussen de politieke tradities van België en Nederland. Nochtans had tijdens de late middeleeuwen en de zestiende eeuw iets bestaan dat kan worden omschreven als een kenmerkende politieke cultuur van de Lage Landen. Die bood veel ruimte voor de erkenning van regionale verschillen en voor vormen van inspraak, en stond argwanend tegenover een te sterke staatsmacht. Ook vandaag leeft die traditie voort in België en Nederland. Sinds de zestiende-eeuwse scheiding tussen Noord en Zuid hebben zich echter twee zeer uiteenlopende varianten van dit grondpatroon ontwikkeld. De processen die daartoe hebben geleid waren allesbehalve rechtlijnig. In het afgescheiden Noorden vertaalde de argwaan tegenover een centraal staatsgezag zich in een unieke, federaal gestructureerde republiek. Daarin vestigde zich, met vallen en opstaan, een traditie van consensus zoeken door overleg en het gezag aanvaarden dat deze overlegcultuur respecteerde.

Spotprent uit 1830-1831 met de Nederlanders en de Belgen op een wip. Links hangen, boven een rivier van bloed, Willem I, prins Frederik, de kroonprins en minister Van Maanen. Aan de zwaardere rechterkant zitten de Vrijheid en de Belgische Maagd (collectie Rijksmuseum).

In het Zuiden bleef daarentegen een centraal staatsgezag bestaan, ook al situeerde de bron daarvan zich buiten de landsgrenzen. Ook deze buitenlandse vorsten werden aanvaard zolang ze maar de lokale tradities en vrijheden in ere hielden. Pas nadat vanaf de jaren 1780 verschillende opeenvolgende regimes deze voorwaarde schonden, nam ook in de Zuidelijke Nederlanden het wantrouwen tegenover sterke vormen van staatsgezag de bovenhand. Het mondde uit in een opstand tegen de Nederlandse vorst Willem I en in een onafhankelijke Belgische staat. De founding fathers van deze staat legden grondwettelijk vast dat hun nieuwe creatie nooit te machtig mocht worden, en schiepen zo veel ruimte voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en tegenstellingen. Compromissen tussen levensbeschouwelijke, sociale en taalkundige gemeenschappen werden weliswaar een haast spreekwoordelijk ingrediënt van de Belgische politiek, maar een op consensus gebaseerd bestuur bleef er een illusie.

In het Noorden deed zich intussen een omgekeerde evolutie voor. Precies als reactie tegen de opstandigheid van de Belgen schaarden vele Nederlanders zich achter hun Oranje-vorst, ook al hanteerde deze een autocratische en paternalistische bestuursstijl. Na Willems aftreden in 1840 verdween dit autocratische element, maar de Nederlandse politieke cultuur bleef de nadruk leggen op goed bestuur, eenheid en aanvaarding van het gezag. Haar Belgische tegenhanger zette die eenheid voortdurend onder druk door politieke tegenstellingen de publieke ruimte te laten beheersen, zonder een algemeen belang als richtsnoer of een sterk staatsgezag als scheidsrechter.

Een geschiedenis voor vandaag

Met de uitkomsten van die tegengestelde evoluties werd Von Falkenhausen geconfronteerd toen hij zijn militair bestuur van Den Haag naar Brussel verhuisde. Hij had ze misschien beter kunnen inschatten indien hij de kans had gehad het pas verschenen boek De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag te lezen. Hierin wordt immers veel uitvoeriger dan in deze blogtekst beschreven hoe zich in het deltagebied tussen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië een kenmerkende politieke cultuur kon ontwikkelen. Ook verklaart het boek hoe geopolitieke dynamieken en toevalligheden deze deed muteren tot twee weliswaar verwante, maar niettemin fundamenteel verschillende varianten. Deze processen historisch te duiden kan helpen om misverstanden te vermijden die ontstaan wanneer de vanzelfsprekende gelijkenissen het zicht op de structurele verschillen belemmeren. Dat is precies wat De Lage Landen beoogt.

Marnix Beyen is lid van Power in History. Centrum voor Politieke Geschiedenis (Universiteit Antwerpen) en doet onderzoek naar de politieke en culturele representatie van bevolkingsgroepen in het Europa van de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Samen met Judith Pollmann en Henk te Velde schreef hij De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag (2020).

Titelafbeelding: Alexander von Falkenhausen en Arthur Seyss-Inquart naast elkaar in de Ridderzaal van het Binnenhof tijdens de installatie van het bezettingsbestuur in Den Haag op 29 mei 1940. Rechts op de foto zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid (uit: Utrechts Volksblad, 30 mei 1940).

Vier redenen waarom Antwerpenaren lid werden van een broederschap

In Antwerpen zijn er op heel wat straathoeken Mariabeelden te spotten. De stad staat erom bekend. Wat minder bekend is, is dat sommige van die beelden verzamelplaatsen van een broederschap waren. Ook parochiekerken bevatten vaak nog sporen van deze oude religieuze verenigingen. Gelovigen kwamen er samen om hun religie met andere leden van een broederschap te beleven. Maar waarom werden zoveel stedelingen lid van een broederschap? Een lijstje kan helpen om de redeneringen van een katholieke achttiende-eeuwse Antwerpenaar te doorgronden.

1 In spannende tijden ben je maar beter een goed christen

Keizer Jozef II verbood in 1786 de broederschappen (B. Lorenzo, Jozef II en Leopold II, Sm.0857.02, Collectie Stad Antwerpen, Smidt van Gelder, foto: B. Huysmans & M. Wuyts).

De achttiende eeuw bracht spannende tijden voor elke Antwerpenaar. De Zuidelijke Nederlanden waren de speelbal van politiek getouwtrek en de luxemarkt van Antwerpen raakte in het slop. Deze politieke en economische spanningen zorgden voor een aanzienlijke stijging van het aantal overlijdens in de stad. Was dit de toorn van God? Om te ontkomen aan Zijn woede konden gelovigen best zo devoot mogelijk leven. En als het hen tijdens hun leven slecht verging, dan was een religieus leven in elk geval een goede garantie voor een verminderde tijd in het vagevuur.

Devoot leven was dus de boodschap, en er was geen betere manier om dat te doen dan als lid van een broederschap. Zo’n engagement ging verder dan het bijwonen van de mis. Broederschapsleden namen deel aan misvieringen, processies en begrafenissen.

2 Sociaal kapitaal kan je veel opleveren

Niet alleen het religieus leven kreeg een zetje in deze verenigingen, leden konden ook hun sociaal leven uitbouwen. Gelovigen van alle standen uit de maatschappij verenigden zich in een broederschap en hadden de plicht om voor elkaar te zorgen. Het sociaal kapitaal dat zo gevormd werd door broederschapsbanden kon tijdens het leven goed van pas komen. Bij financiële en gezondheidsproblemen konden leden rekenen op hun broeders en zusters voor hulp. Een goed christen was immers vrijgevig en steunde zijn of haar geloofsgenoten in tijden van nood. Daarnaast konden mannen die wat extra lidgeld over hadden en actief deelnamen aan alle activiteiten, hoofdman worden van hun broederschap. Dat leverde hen niet alleen beslissingsrecht op over het reilen en zeilen van hun vereniging, maar ook een boost van hun sociale status.

3 Het zielenheil van anderen is jouw bekommernis

Zielen in het vagevuur (Heur, Cornelis Joseph d’, Het vagevuur, MPM.TEK.076, Collectie Stad Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

Naast religieuze en sociale voordelen, die in alle broederschappen te verkrijgen waren, had elke religieuze vereniging ook een specialisatie die unieke voordelen kon opleveren. Het broederschap van de Gelovige Zielen van de Sint-Andriesparochie argumenteerde dat het ‘een heylig gepeys’ was om voor overledenen te bidden. Zo kon men het lijden van de zielen in het vagevuur verlichten.

Het was mogelijk dat gelovigen dat lijden zelf hadden veroorzaakt: ‘Dat sommige van die de voorzeyde pynen nu onderstaen, misschien voor zonden, daer wy occasie zyn toe geweest, misschien ook onze Ouders, onze Broeders, Zusters, andere bloedvrienden etc’. Enkel bidden voor die arme zielen, het specialisme van dit broederschap, kon ervoor zorgen dat gelovigen zich konden vrijpleiten van schuld  aan het lijden van een medegelovige. Het collectieve karakter van gebeden in dit broederschap zorgde ervoor dat ze meer impact hadden dan een individueel gebed. Het broederschap deed met andere woorden een sterk moreel appel aan het adres van de gelovige Antwerpenaar.

4 Maar je eigen zielenheil is nog belangrijker

Het broederschap van de Gelovige Zielen kon het zich, gezien het grote aanbod van broederschappen in Antwerpen, niet veroorloven om de ziel van de gelovige zelf uit het oog te verliezen. Bidden voor anderen mocht dan wel een nobele vorm van naastenliefde zijn, het was natuurlijk de bedoeling dat je zelf na je dood ook niet te lang in het vagevuur verbleef. Het sterkste argument van het broederschap van de Gelovige Zielen was dan ook dat leden extra voordelen kregen voor de redding van hun eigen ziel. Via gebedsprentjes die het broederschap voorzag, werd er gebeden voor alle ‘broeders, vrinden ende weldoeners’. Leden konden dus zeker zijn van het engagement van anderen na hun overlijden.

Als kers op de taart paste het broederschap een beproefde katholieke methode toe om gelovigen over de streep te trekken om zich aan te sluiten: het kocht een volle aflaat bij de paus voor elke gelovige die lid werd. Via die aflaat werden alle zonden die een broederschapslid in het verleden had begaan vergeven. ‘Niemand en zal voortaen in ider van deze Devotie willen mankeeren, die voor zig zelven den weg tot de genaede niet en willen afsluyten’, zo besluit het broederschapsboekje van de Gelovige Zielen van Sint-Andries zelfzeker. Voor mening Antwerpenaar was de keuze snel gemaakt. Dit was duidelijk een broederschap waar ze zich graag toe rekenden.

Meer lezen?

Verschijnt binnenkort: Els Minne, ‘Een meerwaarde voor de Gelovige Zielen. Leden en activiteiten van drie Antwerpse achttiende-eeuwse broederschappen’, Stadsgeschiedenis 2/2020.

Else Minne is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar religieus geïnspireerde solidariteit in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Cort, Hendrik Frans de (tekenaar), Antwerpen. Sinte-Walburgiskerk, het Steen en Vischmarkt ‘t jaar 1788, PK.OSB.0189.007, Collectie Stad Antwerpen, Museum Plantin-Moretus.

Wat we uit de leugens van een beroemde ontdekkingsreiziger kunnen leren

Henry Morton Stanley was een van de belangrijkste ontdekkingsreizigers uit de negentiende eeuw. Hij maakte vier expedities door Centraal-Afrika, waarvan zijn zoektocht naar de vermiste ontdekkingsreiziger David Livingstone het bekendst is. Op het einde van zijn rijkgevulde leven werkte hij aan een autobiografie: een allesomvattend levensverhaal waarin niet alleen zijn reizen, maar ook zijn persoonlijk leven aan bod moest komen. De lezers moesten de man achter de ontdekkingsreiziger leren kennen. Een schat aan informatie dus, maar wat als blijkt dat het werk vol onwaarheden staat?

Als het niet waar is, is het toch goed gevonden?

Stanley en Livingstone ontmoeten elkaar (Stanley, H.M., How I Found Livingstone, New York, 1872).

Stanleys reisverslagen stonden er al om gekend af en toe een loopje met de werkelijkheid te nemen. Een bekend voorbeeld is zijn overdreven beleefde begroeting toen hij Livingstone ontmoette in Ujiji. De woorden “Dr. Livingstone, I presume?” werden op slag beroemd, maar aan de echtheid ervan wordt hard getwijfeld. Stanley deinsde er ook niet voor terug zijn verwezenlijkingen uit te vergroten. Het is dus niet echt verrassend dat hij bij zijn autobiografie op hetzelfde elan verder ging. Vooral zijn jeugdjaren – toen Stanley trouwens nog John Rowlands heette – lezen haast als een fictieboek.

De hel van St. Asaph

Stanley, geboren in Denbigh, Wales, heeft op z’n zachtst gezegd geen gemakkelijke jeugd gehad. Hij was een buitenechtelijk kind, werd verwaarloosd door zijn beide ouders en werd op vijfjarige leeftijd door zijn pleeggezin in een werkhuis achtergelaten: het St. Asaph Union Workhouse. Daarin kregen armen en andere hulpbehoevenden onderdak, maar wel met een duidelijk doel. De bewoners mochten er allesbehalve een aangename tijd beleven en moesten zo ‘aangespoord’ worden om uit de miserie te geraken en te blijven. Een inspectieverslag van St. Asaph, opgemaakt kort voordat Stanley er aankwam, bevestigt dat. Vooral de alomtegenwoordigheid van seksueel grensoverschrijdend gedrag valt daarin op. Er is onder meer sprake van bedden gedeeld door jongens van verschillende leeftijden waar allerlei ongeoorloofde handelingen plaatsvonden.

Het St. Asaph Union Workhouse (Stanley, H.M., The Autobiography of Sir Henry Morton Stanley, 1909).

Stanley rept met geen woord over die reële problemen, maar komt in plaats daarvan met feiten waarvan bewezen is dat ze vals zijn. Die zijn vooral gericht tegen één leraar. Stanley schildert hem af als een agressieve bruut die op een dag zelfs een kind doodgeslagen heeft. Dat doet de vraag rijzen: waarom verzon Stanley die feiten en beschuldigde hij zelfs een leraar onterecht van moord? Als er dan toch zo veel slechts was aan St. Asaph, waarom heeft hij dan niet gewoon de waarheid verteld?

Waarschijnlijk deed hij dat omdat het erg moeilijk was om over zijn echte ervaringen te schrijven. Het mentale leed op jonge leeftijd was makkelijker onder woorden te brengen door het te vervangen door fysiek leed. Stanley heeft dat alles wellicht onderdrukt en ‘verschoven’ naar het verhaal van de zogenaamd gewelddadige leraar.

Een nieuw leven, een nieuwe naam

Een belangrijk punt in Stanleys autobiografie is dat hij er uiteindelijk in slaagde die vreselijke jeugd achter zich te laten. Zijn afkomst zat hem tegen, maar hij bereikte toch wereldfaam.  Een reeks feiten uit zijn late tienerjaren versterken die breuk. Dat hij daarbij soms liegt of overdrijft, moet dan ook in dat licht gezien worden. Stanley beschreef zijn vertrek uit het werkhuis bijvoorbeeld als een heldhaftige ontsnapping met een vriend. In werkelijkheid is enkel die vriend weggelopen; Stanleys vertrek vond pas een jaar later plaats en was een reguliere uitschrijving. Het beeld van een ontsnapping heeft eerder een symbolische waarde: de jongeman neemt het heft in eigen handen en ontvlucht letterlijk zijn lage komaf en moeilijke jeugd.

Stanley op 15-jarige leeftijd (Stanley, H.M., The Autobiography of Sir Henry Morton Stanley, 1909).

Niets belichaamt dat idee beter dan zijn naamsverandering van John Rowlands naar Henry Morton Stanley. Die vond plaats nadat een rijke zakenman met dezelfde naam hem in de VS geadopteerd had. Stanleys bedoeling was duidelijk: door zichzelf naar zijn succesvolle adoptievader te noemen, liet hij de naam die zijn ‘minderwaardige’ ouders hem gaven definitief achterwege. De zakenman Henry Stanley is niet verzonnen, maar was zo goed als zeker niet de echte adoptievader. Net zoals de agressieve leraar en de heroïsche ontsnapping is dus ook de naamsverandering vooral van symbolisch belang.

Stanley bleef zijn hele leven lang het valse adoptieverhaal verspreiden en dat betekende uiteindelijk de doodsteek voor zijn autobiografie. Mensen die hem als jongeman gekend hadden, konden zijn verhalen doorzien. Hij probeerde nog even tevergeefs een geloofwaardige uitleg te vinden. Het boekproject werd gestaakt, totdat zijn vrouw Dorothy het werk postuum toch afmaakte en publiceerde.

Stanleys autobiografie is dus verre van betrouwbaar, maar leert ons dat leugens evenveel betekenis kunnen hebben als feiten. Ze vertellen weinig over de werkelijkheid, maar onthullen veel over de persoon die ze verspreidt.

Meer lezen?

McLynn, F., Stanley: The Making of an African Explorer, Oxford, 1991.

Jeal, T., Stanley: The Impossible Life of Africa’s Greatest Explorer, Londen, 2007.

Leendert Acke is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

Vroegmoderne studentenstreken

Gastblog door Jarrik Van Der Biest.

Vandaag vrezen velen dat studenten door de huidige coronamaatregelen hun jeugd verliezen. Studies worden tegenwoordig gezien als een soort tussenfase op weg naar volwassenheid. Door hun ‘verlengde adolescentie’ zijn de meeste studenten nog even vrijgesteld van volwassen verantwoordelijkheden. Tegelijkertijd geeft hun verblijf in een studentenstad hen de mogelijkheid zich te bezondigen aan de geneugten van het volwassen leven (seks, drank en rock ‘n roll) zonder het alziend oog van de ouders.

Zulke ideeën over de verlengde adolescentie zijn vrij recent ontstaan. Het is immers pas sinds de democratisering van het hoger onderwijs in de tweede helft van de twintigste eeuw dat hogescholen en universiteiten jongelingen uit verschillende lagen van de samenleving begonnen aan te trekken. Vroeger was studeren voorbehouden voor studenten die konden terugvallen op een gegoede familie of op een beurzensysteem. Maar betekent dat dan ook dat het studentenleven vroeger gevrijwaard bleef van studentenstreken? Laat ons even wegdromen naar het vroegmoderne Leuven.

Vrome nerds of pilaarbijters?

De pedagogie van het Varken (Logicatraktaat van J. Wouters (1648-50). M Leuven, ms. H/16/W, fol. 109 v).

De vroegmoderne universiteit roept beelden op van vrome bollebozen die zich vol overgave aan de studie van de Bijbel en de mysteriën van de filosofie wijdden, of vlijtig Griekse, Hebreeuwse en Latijnse voorbeeldzinnen overschreven. De dagindeling die het reglement van de Artesfaculteit voorschreef in 1760 lijkt er niet om te liegen. Studenten moesten al om half vijf uit de veren voor een ochtendgebed en les, nog voor het ontbijt. Om tien uur mochten ze een half uurtje naar buiten, waarna ze zich de rest van de dag (uitgezonderd lunch en vieruurtje) weer aan de studie wijdden. Om negen uur ‘s avonds was het bedtijd. Ten laatste om half tien werd het licht gedoofd.

Dat rigoureuze regime roept bij ons helaas al te herkenbare parallellen met quarantaine, aanbevolen dagelijkse wandelingen en avondklokken op. Bedenk daarbij dat de studenten in de pedagogieën haast onophoudelijk klaagden over slechte meubels, tochtkieren en plagen van ongedierte. De hogere studie leek meer weg te hebben van een ascetisch monnikenbestaan dan van een verlengde periode van jongvolwassen vrijheid.

Beschonken escapades

Bierton (Metafysicatraktaat van Gerardus van der Masen (1661-62). Universiteitsbibliotheek Leuven, ms. 228, fol. 68r).

De handgeschreven cursussen van vroegmoderne studenten onthullen echter een heel ander verhaal. Een veelvoorkomend en bekend thema is de bierconsumptie. Studenten schreven verschillende drankliederen neer die doen denken aan hedendaagse cantusliederen. Vaak tekenden ze die liederen op in de vorm van een bierkroes of een dronken man. Om te gaan drinken, slopen de jongerlingen ‘s nachts weg uit hun slaapzalen. Vaak verlieten ze de stad, omdat ze in Leuven veel belastingen moesten betalen op hun drankconsumpties.

Dat drankgebruik leidde al eens tot baldadigheden en vechtpartijen. De universiteit moest geregeld ingrijpen wanneer het kaarten en gokken uit de hand liep. Veel studenten droegen zelfs heimelijk een mes op zich. Vergelijkbaar met huidige generaties die ‘s nachts al eens een fiets in het water werpen, sleepten sommige vroegmoderne studenten kanonnen van de stadswallen om die in de Dijle te gooien.

Een vroegmoderne studentencultuur?

Studenten met duivelshoorns lopen weg van de Verloren Kost (Aristotelestraktaat van Henricus van Cantelbeke (1669). Universiteitsbibliotheek Leuven, ms. 206, fol. 19).

Ook het minnespel was de jongemannen aan de universiteit niet vreemd. Een terugkerende tekening in de notitieboekjes is die van de Verloren Kosttoren, een grote vervallen toren op de stadsmuren van Leuven. Was dit misschien een favoriete plek voor stiekeme afspraakjes, weg van pottenkijkers? Feit is dat tegen de achttiende eeuw de mariage Louvaniste een ingeburgerd begrip was: het huwelijk tussen een student en de zwangere dochter van de ‘kotbaas’. De universiteit probeerde pastoors te verbieden om dergelijke huwelijken in te zegenen waarbij de ouders geen expliciete toestemming hadden gegeven.

Wereldlijke genoegens waren de vroegmoderne studenten duidelijk niet vreemd. Toch hoort er nog een kanttekening bij dit verhaal. De consequenties van het nachtelijke gedrag van hedendaagse studenten zijn meestal licht; ze moeten hoogstens een GAS-boete betalen of een nachtje in de cel doorbrengen om hun roes uit te slapen. De straffen voor vroegmoderne studenten werden uitgesproken door de universiteit zelf en waren vaak streng. Pedagogieën hadden eigen tuchtprocedures voor het breken van de avondklok, waaronder tijdelijke wegzending naar een klooster en een geseling met de roede. Voor de bestraffing van zwaardere overtredingen deed de universiteit beroep op haar eigen kerkers. Op 6 januari 1773 liep zo’n celstraf slecht af. Er werd een filosofiestudent dood aangetroffen, bevroren door de vrieskoude. De promotor was kennelijk de temperatuur vergeten controleren. Twee andere studenten hadden hun opsluiting overleefd door zich in dekens te wikkelen en gesmolten sneeuw te eten.

Meer weten?

Carl Vandenghoer, De rectorale rechtbank van de oude Leuvense universiteit (1425-1797), Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 123 (Brussel: Paleis der Academiën, 1987).

Emiel Lamberts en Jan Roegiers, De Universiteit te Leuven, 1425-1985 (Leuven: Universitaire Pers, 1988).

Ex Cathedra: Leuvense collegedictaten van de 16de tot de 18de eeuw, red. Geert Vanpaemel e.a. (Leuven: Universiteitsbibliotheek, 2012).

Jarrik Van Der Biest is gastblogger. Hij bereidt een doctoraat voor over de inhoud van de theologische cursussen aan de Universiteit van Leuven tijdens de Nederlandse Opstand.

Wat je altijd al hebt willen weten over communistische eetcultuur

1917 was het jaar van de Russische Revolutie. De Russische tsaar Nicolaas II werd vermoord en de bolsjewieken, de linkervleugel van de Russische Socialistische Partij, kwamen in hetzelfde jaar aan de macht. In de jaren die volgden had het communistische regime ingrijpende gevolgen op het dagelijks leven van gewone burgers. Het meest bekend zijn wellicht de hongersnoden en voedseltekorten die ontstonden door de protectionistische politiek van de overheid. Frequente voedseltekorten leidden vaak tot rantsoeneringssystemen waarbij producten, waaraan een tekort was, in beperkte dosissen werden verdeeld onder de bevolking. Velen denken dan onmiddellijk aan de beelden van aanschuivende menigtes die urenlang in rijen stonden om bijvoorbeeld toch maar een stukje vlees te bemachtigen. Rantsoenering kwam ook voor in andere volksrepublieken zoals Polen.

Lange wachtrijen aan winkels.

Daarnaast werden Sovjet-burgers ook geconfronteerd met minder variatie in de voeding. Dierlijke producten waren, onder meer door de collectivisatie van de landbouw, veel schaarser geworden. Voor luxeproducten, waar onder meer bananen toe werden gerekend, was de bevolking aangewezen op de zwarte markt of op een eigen beperkt moestuintje. Verder werd er een grootschalige propaganda op poten gezet om mensen te verhinderen thuis te koken. Dat zou immers te veel tijd in beslag nemen waardoor er minder aan de communistische staat gewerkt kon worden. Daarom richtte de overheid kantines op waar de werkkrachten konden eten. Het daar geserveerde voedsel liet echter vaak te wensen over. In de praktijk bleven de meeste mensen bijgevolg toch thuis koken, wat vooral een grote druk legde op de schouders van vrouwen. Zij werden immers gezien als volwaardige werkkrachten, terwijl ze tegelijkertijd verantwoordelijk werden geacht voor het huishouden.

Meer weten?

Robbe Verbrugge en Ellen van Laer zijn studenten geschiedenis aan de KU Leuven. Ze maakten in het kader van het vak publieksgeschiedenis een podcast over communistische eetcultuur.

Waarom Maradona een van de grootste culturele iconen van Latijns-Amerika werd

Gastblog door Enrico Castro Montes.

Drie weken geleden overleed voetbalicoon Diego Armando Maradona. Het zorgde in Argentinië voor een enorme uiting van nationale rouw, ongezien sinds de dood van Evita Perón, de populaire first lady van Argentinië in de jaren veertig en vijftig. Naar schatting kwamen ongeveer een miljoen mensen samen in Buenos Aires, in coronatijden nota bene, om een laatste groet te brengen aan deze Latijns-Amerikaanse cultheld. Maar hoe heeft Maradona deze mythische status verworven? Waarom werd hij een cultureel icoon van Latijns-Amerika? Voor een antwoord op deze vragen moeten we starten bij het prille begin van voetbal in Latijns-Amerika.

Creools voetbal

Alumni (1910), het meest succesvolle team in de beginjaren van het Argentijnse voetbal.

Britse zeelieden en immigranten introduceerden het voetbal in deze gebieden in het laatste kwart van de negentiende eeuw en het werd al snel populair bij het gewone volk. In de zoektocht naar een nationale identiteit voor de vrij recente natiestaten van Latijns-Amerika bleek voetbal een geschikt instrument. Latijns-Amerikaanse landen probeerden zich met specifieke kenmerken te onderscheiden van de vroegere Europese koloniale overheersers en nieuwe imperialistische machten zoals Groot-Brittannië.

In het voetbal kwam dat tot uiting door een “creoolse” speelstijl die de Argentijnen in de jaren 1920 definieerden in onder andere het populaire sportmagazine El Gráfico. Tegenover de rigide, gedisciplineerde, collectieve en gemechaniseerde stijl van de Britten, stond de frivole, ongedisciplineerde, individualistische manier van spelen van de latino’s. De figuur die hiervoor symbool stond in Argentinië, was de pibe, een soort onvolwassen, rebellerende jongeman uit de armste uithoeken van het land. Niet voor niets was Maradona’s bijnaam El Pibe de Oro, “het gouden jongetje”. Hij verpersoonlijkte deze “geniale onvolwassenheid” als geen ander, zowel op als naast het veld.

Straatjongen

10-jarige Maradona.

De onvolwassenheid van de pibe werd echter niet als iets negatief gezien. Het was een symbool van een geïdealiseerde vrijheid, spontaniteit en sluwheid die nodig was om als underdog te kunnen overleven in de maatschappij en op het voetbalveld. Dit was zeker het geval bij Maradona. Hij groeide in de jaren zestig op in de sloppenwijk Villa Fiorito in de industriële buitenwijken van Buenos Aires en was van zowel Italiaanse als inheemse afkomst. Je zou dus kunnen zeggen dat hij het product was van twee grote migratiestromen die Argentinië en de meeste andere Latijns-Amerikaanse landen gevormd hebben in de twintigste eeuw: massale Europese immigratie en interne inheemse migratie van de provincies naar de hoofdstad.

Toen Maradona’s ouders in 1955 van de noordoostelijke provincie Corrientes naar Buenos Aires verhuisden, maakten ze deel uit van een migratiestroom van gemarginaliseerde personen. Door hun uiterlijke kenmerken, hun donkere huidskleur en zwarte haren, werden ze door de Argentijnse elite smalend cabecitas negras (“kleine zwarthoofden”) genoemd. Kinderen uit deze gezinnen groeiden op in bittere armoede en hadden weinig kansen om uit deze situatie te ontsnappen. Maradona slaagde hier wel in dankzij de bal. Het is nog steeds een droom die veel jongens en meisjes in Latijns-Amerika delen, maar die maar weinigen kunnen verwezenlijken.

Rebel

Ondanks de veronderstelde onvolwassenheid is de figuur van de pibe toch een symbool van traditionele Latijns-Amerikaanse mannelijkheid. Deze masculiniteit wordt anders opgevat dan in het Westen. In tegenstelling tot het westerse beeld van de krachtige, gedisciplineerde man met een atletisch lichaam, heeft de pibe, net als Maradona, een klein, ongetraind lichaam. Het gebrek aan atletisch vermogen wordt tijdens voetbalwedstrijden gecompenseerd door een overdaad aan vaardigheid, sluwheid en kunstzinnigheid. Maar net als bij veel kunstenaars werd het leven van Maradona evenzeer gekenmerkt door chaos en overcompensatie. Momenten van genialiteit en zelfdestructie vormden een rode draad in zijn leven. Maradona wisselde de meest waanzinnige dribbels op het gras af met buitensporig drank-, drugs- en zelfs seksueel misbruik.

De hand van God.

In deze mannelijkheid van de pibe zit ook het rebelse karakter vervat dat Maradona verpersoonlijkte. Zijn hechte vriendschap met links-populistische en anti-imperialistische Latijns-Amerikaanse leiders zoals Hugo Chávez, Evo Morales en Fidel Castro versterkte dat beeld nog. Zijn grootste anti-imperialistische daad verrichte hij op het voetbalveld in de kwartfinales tegen Engeland op het WK 1986 in Mexico. Vier jaar eerder hadden de Britten immers de Argentijnen in de Falklandoorlog verslagen. In 1986 kregen de Argentijnen een uitgelezen kans om een symbolische revanche te nemen op de “neo-imperialistische” Engelsen. Dit gebeurde ook en hoe!

Argentinië won met 2-1 van Engeland en Maradona scoorde de twee meest besproken doelpunten aller tijden. Bij de eerste goal tikte Maradona de bal immers met zijn hand, of volgens hem “de hand van God”, over de doelman. De scheidsrechters hadden niets gezien en keurden het doelpunt goed. Voor de Engelsen was hij op dat moment de grootste valsspeler op aarde, voor de Argentijnen was hij definitief een volksheld. Zij vonden deze goal namelijk de ultieme uiting van de inventiviteit en sluwheid van de pibe. Het tweede doelpunt, later uitgeroepen tot “goal van de eeuw”, was daarentegen een weergaloze slalom waarbij Maradona de Engelse spelers een voor een op het verkeerde been zette. De bekende voetbalcommentator Victor Hugo Morales verwoordde de extase van de Argentijnen op een bijzonder geëmotioneerde manier en gaf hiermee uiting aan de immense revanchegevoelens van Argentijnen bij deze wedstrijd.

Maradona leidde zijn team in 1986 eigenhandig naar de wereldtitel en vervulde hiermee de droom van miljoenen pibes in Latijns-Amerika. Het voetbal gaf een arme jongen als Maradona de kans om zijn gemarginaliseerde buurt, Villa Fiorito, een wijk in Buenos Aires die evengoed in Quito, Medellín, of Lima had kunnen liggen, te overstijgen. Daarom spreekt Maradona’s levensverhaal, ondanks maar misschien ook net omwille van zijn zwarte periodes, tot de verbeelding van miljoenen kinderen en volwassenen. Hij wordt beschouwd als een van de grootste culturele iconen van Latijns-Amerika.

Enrico Castro Montes is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de rol van sport in de constructie van nationale identiteiten in Latijns-Amerika.

Titelafbeelding: Meme depicting the “hand of God” wearing Maradona’s Argentine jersey, from Michaelangelo’s Sistine Chapel. Credit: Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0