Alle berichten van admin

Vriendschap, vrouwen en vampiers

“Als ze al naar me verlangde, dan was het eerder vanuit een soort passie of een gewoonte van barmhartige verovering. Weet je, ze noemde de andere vrouwen Mes Vampyres en ik kon niet toestaan dat ik ook zou deel uitmaken van die groep.”

In een brief aan een goede vriendin deed de Britse schrijfster Vernon Lee haar beklag over een ogenschijnlijk brutale verleidster. De vrijpostige vrouw waar Lee naar verwees, was de Franse journaliste en schrijfster Augustine Bulteau. Zij was de spilfiguur van de beruchte Mes Vampyres, een netwerk van vrouwelijke kunstenaars in de negentiende eeuw.

De discussie over relaties tussen vrouwen in het verleden doet al lange tijd veel stof opwaaien. Namen zij enkel de vorm aan van platonische vriendschappen of moeder-dochter verbintenissen zoals lang werd gedacht, of bestonden er ook meer complexe relaties? Vernon Lee sprak namelijk over haar verlangen naar Augustine en naar haar barmhartigheid en mentorschap. Wat kunnen de Vampyres ons vertellen over de relaties tussen vrouwen in de negentiende eeuw?

Augustine

Palazzo Dario door Claude Monet.

Augustine werd op 29 februari 1860 geboren in Neuilly-sur-Seine, een rijke voorstad in het westen van Parijs. Ze was de dochter van een succesvolle katoenwever uit Roubaix en verwierf als enige erfgename het fortuin van haar vader. Op 24 september 1880 kondigde de Parijse krant Le Gil Blas het huwelijk aan van Augustine met Jules Ricard, een Franse dramaturg en schrijver. Het jonge koppel trok naar het zeventiende arrondissement in Parijs en kocht een appartement op de Boulevard Berthier. Ricard werkte voor vooraanstaande Parijse kranten zoals Le Gaulois, waar hij bylines deelde met bekende literaire figuren zoals Guy de Maupassant. De eerste jaren van hun huwelijk waren zoet en licht maar vanaf 1890 verschenen de eerste breuklijnen. Ricard was een notoire rokkenjager, die op een dag zo brutaal werd dat hij zijn zoveelste nieuwe verovering ten huwelijk vroeg. In 1896 scheidden Augustine en Ricard.

De financiële ruggensteun van haar vader gaf Augustine de kans én de vrijheid om haar leven opnieuw op te bouwen. Ze besloot resoluut te kiezen voor een eigen carrière als schrijfster. Vanaf 1899 beschreef ze elke twee weken de tijdsgeest van de Belle Epoque op meesterlijke wijze in haar column in Le Gaulois en later in Le Figaro onder het pseudoniem Foemina. In 1900 verscheen Les Histoires Amoureuses d’Odile, de debuutroman van Augustine; ze schreef in totaal vijf romans.

Naast schrijven, was reizen een van haar grote passies. Vanaf 1890 keerde ze jaarlijks terug naar Venetië, om regelmatig omwegen te maken via Rome en Milaan. In 1896 kocht ze samen met haar favoriete compagnon de route Isabelle de la Baume een bescheiden villa aan de Canal Grande: het Ca’Dario. De twee vrouwen brachten uren door op het altana van het Palazzo Dario, turend naar de voorbijdrijvende gondels. Maar uiteindelijk keerde Augustine altijd terug naar haar geliefde Parijs. In 1896 kocht ze een appartement op de Avenue de Wagram en organiseerde vanaf dat moment elke zondagmiddag een salon voor de Parijse beau monde.

Les Vampyres

Augustine en Isabelle, uit het fotoalbum van Augustine (Gallica).

Augustine was omringd door een indrukwekkend netwerk van vrouwen, waaronder de Vampyres. Haar situatie was bijzonder, aangezien ze een alleenstaande gescheiden vrouw was. In de negentiende eeuw werden vrouwen uit de Parijse bourgeoisie verwacht te trouwen, kinderen te krijgen en het leven binnenshuis te leiden. Augustine koos daarentegen voor andere (familiale) relaties. Haar gouvernante Wilhelmina Wacquez was sinds het prille begin een constante in het leven van Augustine. Ze was niet alleen haar leerkracht, maar werd uiteindelijk ook een reisgezel en huisgenoot. De moeder van Augustine was vroegtijdig gestorven, dus Wilhelmina vervulde ook de rol van moeder.

Augustine was op haar beurt een moederfiguur voor velen. De jonge schrijfster Anna de Noailles zocht regelmatig raad en bijstand bij Augustine. Maar de relatie was eveneens dubbelzinnig: ze noemden elkaar ook ‘geliefde’. Anna de Noailles maakte deel uit van de Vampyres, net zoals de Britse schrijfster Vernon Lee. In een slordig neergekrabbeld briefje aan Augustine schreef ze “(…) indien mijn voorstel u niet choqueert, kom dan langs.” Dit impliceert dat hun relatie ook een seksuele dimensie had. Over het algemeen gaf Augustine weinig prijs over haar romantische affaires met vrouwen, maar de aandachtige lezer vindt voordurend verwijzingen in haar dagboeken en correspondentie. Twee Vampyres, de Amerikaanse salonnière Winnaretta Singer-Polignac en de Britse componiste Ethel Smyth, schreven dan weer zonder schroom over hun seksuele ontmoetingen met vrouwen.

Vrijheid

Bourgeois vrouwen zoals de Vampyres vonden door hun economische positie de tijd en ruimte om te experimenteren met andere vormen van relaties dan het klassieke kerngezin. Ze onderhielden intense vriendschappen, ondersteunden elkaar op professioneel vlak en gaven een nieuwe invulling aan het moeder-dochter rollenpatroon. Bovendien ontstond in de jaren 1890 in Parijs voor de eerste keer een lesbische subcultuur. De lichtstad stond in de negentiende eeuw bekend als losbandig en seksueel vrijgevochten. De Vampyres maakten gebruik van deze nieuwe vrijheden om voorheen verboden verlangens te onderzoeken. De Vampyres blijken op vele vlakken pioniers en bieden ons een ander perspectief op de vrouw en hun onderlinge relaties in de negentiende eeuw.

Myrthe Luyten is als monitor verbonden aan de onderzoekseenheid Geschiedenis. Ze schreef recent haar masterproef over Augustine Bulteau.

De blog nu ook beschikbaar als boek en podcastreeks

Op 31 december 1853 nodigde de Britse kunstenaar en natuurhistoricus Benjamin Waterhouse Hawkins een select kransje van wetenschappers, journalisten en zakenlui uit voor een etentje in jawel, een dinosaurus. Het etentje betekende de aftrap van de negentiende-eeuwse dinomanie.

Klinkt bekend? Trouwe lezers van de blog lazen al eerder over het diner in de dinosaurus. Maar nu verschijnt dit verhaal, samen met tal van andere cultuurhistorische stukken, ook in boekvorm. Voor Het diner in de dinosaurus en andere verhalen uit de nieuwe cultuurgeschiedenis selecteerden de hoofdredacteur en de voormalige hoofdredacteur van cultuurgeschiedenis.be, Jolien Gijbels en Elwin Hofman, enkele van de meeste intrigerende blogberichten van de afgelopen jaren. Ze werden volledig herwerkt en aangevuld met verschillende nieuwe hoofdstukken. Het boek is zo een onmisbare smaakmaker voor elke geïnteresseerde in de nieuwe cultuurgeschiedenis.

Op 21 september verschijnt Het diner in de dinosaurus samen met de bijhorende podcastreeks Het geheugen van de mug van Radio 1. In de podcastreeks vertellen tien auteurs van het boek over hun cultuurhistorische ontdekkingen.

Het diner in de dinosaurus

Guillotinekapsels, gemeentefusies, een kleine geschiedenis van het gefakete orgasme en de wetenschapper die nee zei tegen Mussolini, dit boek laat zien dat de nieuwe cultuurgeschiedenis even divers als verrassend is. De bijdragen zijn afkomstig van een uitgelezen groep historici, velen van hen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Met 52 intrigerende verhalen biedt het boek leesplezier voor iedere week van het jaar.

De auteurs zijn Leendert Acke, Hein Brookhuis, Hendrik Callewier, Franco Capozzi, Enrico Castro Montes, Tinne Claes, Veronique Deblon, Raf De Bont, Chanelle Delameillieure, Luc De Munck, Louise Deschryver, Sam De Schutter, Lyvia Diser, Wouter Egelmeers, Jolien Gijbels, Elwin Hofman, Pieter Huistra, Cara Janssen, Nina Lamal, Maarten Langhendries, Andreas Stynen, Nelleke Teughels, Jo Tollebeek, Joris Vandendriessche, Timo Van Havere, Karla Vanraepenbusch, Tom Verschaffel en Kaat Wils.

Boekvoorstelling

Als trouwe lezer van cultuurgeschiedenis.be bent u van harte welkom op de boekvoorstelling van Het diner in de dinosaurus en andere verhalen uit de nieuwe cultuurgeschiedenis. Op donderdag 23 september 2021 gaat journalist Marc Reynebeau met enkele van de auteurs in gesprek over het boek, het belang van cultuurhistorisch onderzoek voor actuele debatten en de toestand en toekomst van de cultuurgeschiedenis.

Datum: donderdag 23 september 2021

Locatie: Aula Instituut voor Dierkunde, KU Leuven (ZI 02.21, toegang via C. Deberiotstraat 40, 3000 Leuven)

Aanvangsuur: 19h30

Moderator: Marc Reynebeau

Inschrijven is verplicht en kan via deze link

Cultuurgeschiedenis.be

Wie na het lezen van Het diner in de dinosaurus honger heeft naar meer cultuurgeschiedenis, kan nog steeds terecht bij onze talrijke oudere en nieuwe blogs. We hopen dat dit boek samen met de blog en podcastreeks kunnen blijven aanzetten tot verwondering over cultuurgeschiedenis in al haar facetten.

Jolien Gijbels en Elwin Hofman zijn respectievelijk als doctoraatsbursaal en postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze zijn redacteurs van het publieksboek Het diner in de dinosaurus.

Vijf manieren waarop weer en klimaat de geschiedenis een andere wending gaven

Gastblog door Lena Walschap.

De opwarming van de aarde is een van de grootste uitdagingen waar onze maatschappij vandaag de dag voor staat. Toch is het niet de eerste keer dat de mens met een veranderend klimaat te maken krijgt. Op verschillende momenten in de geschiedenis drukten weer en klimaat hun stempel op het gedrag van mensen en samenlevingen. Van landbouw- en economische crisissen tot migratiestromen, de uitbraak van ziektes en culturele denkbeelden; de invloed van weer en klimaat rijkt verder dan de meesten denken. Deze lijst zet enkele van de meest opvallende voorbeelden op een rijtje.

1 Hagel en heksenvervolgingen

Een weerheks doet het hagelen met behulp van het kaakbeen van een walvis (houtsnede uit Johann Vintler, Pluemen der Tugend, Augsburg 1486).

We hebben een bijzonder grillige lente achter de rug. Van zomerweer in februari tot sneeuw in april. Heeft u al bedacht dat uw buurvrouw weleens een duivelse weerheks zou kunnen zijn die ervoor gezorgd heeft dat uw tomatenplant is kapotgevroren? Neen? In het verleden was dit idee nochtans niet ondenkbaar. Sommige boeren in de zestiende en zeventiende eeuw geloofden in weerhekserij als oorzaak van zogenoemd “onnatuurlijk weer”. De beschuldigingen kwamen voornamelijk nadat slecht weer tot hongersnood had geleid. Zeker hagel, die ogenschijnlijk uit het niets kan opkomen en grote schade aan gewassen kan veroorzaken, werd als heksenwerk beschouwd.

Aangezien het moeilijk te geloven was dat één persoon zo’n weersfenomenen teweeg kon brengen, ging men op zoek naar de fictieve collectieven. Het gevolg waren vaak grootschalige vervolgingen waarbij verdachte individuen gefolterd werden om informatie over zogenaamde handlangers te verkrijgen. Honderden mensen werden terechtgesteld en geëxecuteerd. Heksenvervolgingen zijn een veel ruimer cultureel fenomeen, maar dit voorbeeld toont toch hoe hagelstormen en andere onverwachte weersfenomenen meer gevolgen hadden dan alleen misoogsten.

2 Overvloedige regenval en de terugtrekking van het Mongoolse leger

In de vroege dertiende eeuw was een Mongools leger onder leiding van Dzjengis (Genghis) Khan volop in opmars. Onder zijn opvolger Batu viel ook Europa aan invallen ten prooi. Het Mongoolse leger veroverde een groot deel van Rusland en won initieel slagen in zowel Oostenrijk als Hongarije. Na voorbereidingen voor een langdurige bezetting in Hongarije trokken de Mongolen zich in 1242 echter plots zonder duidelijke reden terug. Er bestaan veel hypotheses voor, waaronder de invloed van het klimaat. Nattere en koelere omstandigheden maakten de graslanden in Hongarije in deze periode moerassig, wat de mobiliteit van het Mongoolse leger sterk verminderde en het moeilijk maakte om voldoende grasland voor de paarden te vinden. Bijgevolg moesten de troepen zich fel verspreiden en verkeerden de paarden in een minder goede gezondheid. Voor een paardenvolk was de Hongaarse regio door dit gebrek aan grasland bovendien weinig aanlokkelijk. Het is dus ten dele aan het regenachtige weer te danken dat West-Europa van Mongoolse invallen gespaard bleef.

3 Een verstoorde habitat en de Zwarte Dood

De begrafenis van pestslachtoffers in Doornik, ca. 1349 (miniatuur van Pierart dou Tielt © KIK-IRPA, Brussel).

We hebben ondertussen al in alle seizoenen met het coronavirus te maken gehad. Daarbij werd regelmatig aangehaald dat het koude weer van de herfst en winter een uitdaging zou vormen, wanneer we met z’n allen in slecht verluchte binnenruimtes vertoeven, ons immuunsysteem verslechtert en virussen zich sneller verspreiden in droge lucht. Ook dalingen van de coronacijfers worden ten dele aan het warmere weer toegeschreven.

Ook tijdens de bekendste epidemie uit onze geschiedenis speelden weer en klimaat een rol: ze bepaalden in sterke mate de opkomst en verspreiding van de Zwarte Dood. De pestbacterie is afkomstig van de Centraal-Aziatische steppen, waar ze zich door vlooien onder gerbils (woestijnratten) verspreidde. In de vroege veertiende eeuw zorgden enkele koude droge zomers voor een plotse plantensterfte in de habitat van deze gerbils, waardoor ook de gerbilpopulatie een massale sterfte kende. Bijgevolg moesten de bijtgrage vlooien op zoek naar een nieuwe gastheer: de mens. Via de zijderoutes en het oprukkende Mongoolse leger dat hierboven al aan bod kwam, werd de pest tegen het midden van de veertiende eeuw ook tot in West-Europa verspreid. Hier bezweek naar schatting een derde van de bevolking aan de ziekte.

4 Weinig zon in de vergeten wijnregio’s

Leuven in de zestiende eeuw. De groene stippen beelden wijngaarden af (Braun en Hogenberg, Civitates orbis terrarum, 1572-1618. M – Museum Leuven (foto Dominique Provost).

België staat bekend om zijn bier, maar wist u ook dat dit gebied in het verleden een belangrijke wijnregio was? In Leuven, vandaag bekend als bakermat van Stella Artois, waren de heuvels tot de late zestiende eeuw met wijngaarden bedekt. In de overwegend warme twaalfde eeuw werden deze hier aangeplant, net als in vele andere Europese gebieden. Bij een minder gunstig klimaat is het onderhouden van wijnranken in deze klimatologische grensgebieden echter niet vanzelfsprekend.

Tijdens de Kleine ijstijd, een periode tussen 1300 en 1850 die werd gekenmerkt door overwegend koelere temperaturen maar vooral ook door grilliger weer, was de wijnteelt dan ook een risicovolle bezigheid. De kans op misoogsten was groot, en door zure, slecht gerijpte druiven ging de kwaliteit van de wijn achteruit. Wanneer ook de economische omstandigheden verslechterden, was de teelt de risico’s niet langer waard. Enkele wijnvelden bleven bestaan tot in de achttiende eeuw, maar de gouden dagen van de Leuvense wijnproductie waren voorgoed voorbij. In de laatste jaren lijkt daar verandering in te komen. In en rond Leuven zijn enkele nieuwe wijngaarden aangeplant die hoop geven op een heropbloei van de sector.

5 Het kan ook omgekeerd: de kolonisatie van Amerika en de kleine ijstijd

Geografen noemen de huidige periode in de klimaatgeschiedenis het antropoceen, de eerste periode waarin de mens het klimaat significant veranderde. Maar is dit wel de eerste keer? Een interessante hypothese stelt dat een bekende historische gebeurtenis de weersgesteldheid in het verleden al eerder stuurde: de kolonisatie van het Amerikaanse continent zou bijgedragen kunnen hebben aan de koelere atmosfeer tijdens de kleine ijstijd. In de eeuw nadat Columbus voet aan wal zetten op het nieuwe continent veroorzaakte de Europese kolonisatie een grote sterfte bij de inheemse bevolking. Landbouwgrond werd bijgevolg verlaten, waarna de natuur er opnieuw verwilderde. De bossen die hierdoor opnieuw ontstonden, zorgden voor een scherpe daling van de CO2-concentratie in de atmosfeer. Dit had het omgekeerde effect van de huidige broeikasgassen : het klimaat koelde af. De kolonisatie droeg dus mogelijk bij aan de koelere temperaturen tijdens dit deel van de kleine ijstijd.

Het klimaat en het weer waren nooit de enige, en vaak niet eens de meest belangrijke, oorzaken voor ontwikkelingen in het verleden. Toch wordt hun invloed te vaak onderschat. Ze zijn op de achtergrond van de geschiedenis aanwezig en hebben op veel momenten een doorslaggevend effect gehad op gebeurtenissen en processen. De bovenstaande voorbeelden bieden slechts een voorproefje van de interactie die tussen klimaat en samenleving bestond. Welke verraste u het meest? Kent u er nog meer? Laat het zeker weten in de reacties.

Meer lezen?

Behringer, Wolfgang. A Cultural History of Climate. Cambridge, UK ; Malden, MA: Polity, 2010.

Walschap, Lena. ‘In Vino Veritas. Klimatologische En Socio-Economische Verklaringen Voor de Neergang van de Leuvense Wijnteelt’. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 17, nr. 3 (2020): 37–73.

Koch, Alexander, Chris Brierley, Mark M. Maslin, en Simon L. Lewis. ‘Earth System Impacts of the European Arrival and Great Dying in the Americas after 1492’. Quaternary Science Reviews 207 (2019): 13–36.

Lena Walschap is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de interactie tussen klimaat en samenleving in de late middeleeuwen.

Titelafbeelding: een sneeuwballengevecht in Vlaanderen c. 1510. Bron: Walters Art Museum, inv. nr. W425, 12R.

Hoe Nonkel Bob kinderen vormde tot ‘betere Vlamingen’

De jeugd van tegenwoordig kent Nonkel Bob waarschijnlijk vooral van het liedje ‘Vrolijke vrienden’ uit het zangboekje bij het kampvuur. De oudere generaties, daarentegen, zijn opgegroeid met zijn televisieprogramma’s. Vanaf de verschijning van Nonkel Bob in de eerste jeugduitzending op de Belgische Nederlandstalige openbare omroep (Nationaal Instituut voor de Radio-omroep, NIR) in 1955 werd hij een vaste waarde binnen het ‘jeugduurtje’.

Bob Davidse en zijn co-presentatrices, vaak tantes genoemd, werden razend populair bij de Vlaamse jeugd. Kinderen zonden massaal brieven en tekeningen naar hun idolen. Tante Ria moest in een uitzending in 1963 zelfs vragen om alsjeblieft geen tekeningen en bloemen meer op te sturen. De toon van de brieven was vaak erg vertrouwelijk. Voor de jeugd van toen leek televisiekijken haast op een koffieklets bij de familie. De jeugdprogramma’s waarin Davidse verscheen waren echter niet belangeloos. Ze  hadden een belangrijk emancipatorisch doel: Het Vlaamse gemeenschapsgevoel versterken bij de jongste kijkers.

De Vlaamse tele-missie

Het NIR volgde vanaf zijn eerste televisie-uitzending in 1953 de ideologie van de Britse BBC: Educate the nation. De gemeenschap die het NIR moest onderwijzen hing, zo was het idee, nog onvoldoende samen. De Vlaamse televisiepioniers en medewerkers van het NIR, dat vanaf 1960 werd omgedoopt tot de Belgische Radio- en Televisieomroep (BRT), vonden het teweegbrengen van een gemeenschapsgevoel onder de Vlamingen een van hun belangrijkste taken. De uitzendingen van de nationale omroep moesten dus vooral de Vlaamse cultuur, waarden en geschiedenis aan de kijkers meegeven. De omroep kreeg de taak om te bedenken wat deze Vlaamse waarden dan wel waren.

Daarnaast beschouwden deze vroege televisiemedewerkers het verheffen van het Nederlands tot een cultuurtaal als een belangrijke plicht van de Vlaamse televisie. Het moest voor iedereen duidelijk zijn dat Nederlands niet minderwaardig was aan het Frans. In een tijd waarin actie werd gevoerd voor het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ (ABN) dienden televisieprogramma’s Vlamingen dus taalbewuster te maken. In de uitzendingen voor volwassenen waren deze opvoedingselementen rijkelijk aanwezig. Zo keerden het Vlaamse platteland en de koppige Vlaamse boer vaak terug als idealen in fictieseries. Ook stond in een groot aantal programma’s het ABN centraal, zoals in het educatieve televisieprogramma Hier spreekt men Nederlands (1962-1973).

Voor de buis of in de klas?

Ook in de eerste Vlaamse kinderprogramma’s waren deze elementen aanwezig. Via de televisie kregen de jongste televisiekijkers een stevige portie (‘Vlaamse’) kennis en gemeenschapsgevoel mee van ‘hun nonkel’. De openbare omroep, of toch zeker Bob Davidse, nam kinderen erg serieus. In een lijst Losse ideeën over kindertelevisie uit zijn persoonlijk archief schreef Davidse talrijke bedenkingen die dit bevestigen: “Kinderen moeten ernstig genomen worden”, “de programma’s moeten geen vragen stellen, wel antwoorden geven” en “de televisie zou moeten blijven: ‘de ogenopenaar’ en voor kinderen zeker niet: ‘de verslaving’.”

De ekster op de galg door Pieter Bruegel de Oude (1568).

Wanneer je deze eerste Vlaamse kinderprogramma’s vandaag bekijkt geloof je soms je oren en ogen niet. Nonkel Bob en zijn metgezellen spraken kinderen toe met een ontzettend keurige en complexe taal. Ze gebruikten woorden als ‘olijkerd’, ‘zeer prettig’ en ‘bevestigen’, om kinderen vertrouwd te maken met het ABN. Gasten in de uitzendingen spraken de kinderen ook eerder met ‘u’ dan met ‘gij’ aan. Daarnaast was de inhoud van fictietoneeltjes redelijk zwaar. Ze brachten vaak historische thema’s aan waarbij de acteurs woorden uit het Oudnederlands als ‘ende’ in de mond namen. Deze fictietoneeltjes gaven ook zogenaamd Vlaamse waarden mee. Zo was de conclusie van een van de uitzendingen dat een echte held zijn heldendaden dient te verzwijgen. Zulke boodschappen zochten aansluiting bij het stereotype van de stille en bescheiden Vlaming.

Verder was ook ‘Vlaamse’ geschiedenis een belangrijk onderdeel van de jeugduitzendingen. In kleine segmentjes speelden acteurs soms bijvoorbeeld historische gebeurtenissen en figuren na. Bij deze fragmentjes hoorde vaak een prijsvraag, opdat kinderen extra goed zouden opletten. Tussen de liedjes door maakten de kinderen van de jaren vijftig en zestig zo onder meer kennis met de radeloze hertog van Parma, belaagd door dappere ‘Vlaamse’ verzetsstrijders tijdens het Beleg van Antwerpen, en Pieter Bruegel die de symboliek van zijn eigen schilderij analyseert.

Door deze Vlaamse lessen, gebracht door iemand die kinderen als familie beschouwden, ontstond er bij de jeugd een soort gemeenschapsgevoel. Zij werden ‘Vrolijke Vlaamse vrienden’. De nostalgie naar Nonkel Bob, die bij veel oudere Vlamingen nog leeft, wijst op het succes van Bob Davidse en zijn programma’s. De ‘oom van Vlaanderen’ schreef niet voor niets bovenaan zijn lijst Losse ideeën over kindertelevisie : “De televisie is een sociaal ding!!!”

Giel Bosmans was in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schreef een masterproef over Bob Davidse.

Waarom vroegmoderne ouders hun kinderen meenamen naar executies

Gastblog door Isabel Casteels.

Tegenwoordig proberen we kinderen zoveel mogelijk af te schermen van geweld. Films, televisieprogramma’s en games hebben leeftijdsclassificaties, omdat geweld mogelijk schadelijk zou zijn voor hen en zelfs kopieergedrag zou oproepen. In de vroegmoderne tijd was dat wel anders. Het is moeilijk voor te stellen, maar het was in de zestiende-eeuwse Nederlanden normaal dat kinderen gingen kijken naar een openbare terechtstelling.

Prenten van het publiek

Frans Hogenberg, Executie van Spell, 1570, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Op zestiende-eeuwse prenten werden regelmatig kinderen afgebeeld in het executiepubliek. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de beroemde Justitia-gravure van Pieter Bruegel uit 1559 (titelafbeelding). De toeschouwers zijn weinig gedetailleerd weergegeven, maar toch zien we in het midden onmiskenbaar een ouder die een kind aan de hand meeneemt.

Hetzelfde geldt voor de nieuwsprenten afkomstig van de bekende uitgeversfirma Hogenberg. Bij de executie van Spell in 1570 (afbeelding 1) klimmen kinderen op een muur om de ophanging beter te kunnen zien. Tijdens de terechtstelling van monniken in Gent in 1578 (afbeelding 2) heeft een vader zijn zoon bij de hand. Een andere vader neemt zijn kind op de schouders zodat het beter zicht heeft. Bij de executie van Balthasar Gerards in 1584 (afbeelding 3) trekt een kind een ouder aan zijn mantel en kijkt hem vragend aan.

Dat er op de executieprenten kinderen werden afgebeeld, wil natuurlijk niet zeggen dat er bij elke terechtstelling kinderen aanwezig waren. Wel was de aanwezigheid van kinderen niet uitzonderlijk. Prentmakers volgden vanuit commerciële belangen namelijk bestaande conventies en probeerden zo aan te sluiten bij het wereldbeeld van potentiële klanten.

Vroegmoderne ideeën over kinderen en geweld

Frans Hogenberg, Terechtstelling van monniken te Gent wegens sodomie, 1578, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Waarom namen vroegmoderne ouders hun kinderen mee om executies te gaan bekijken? Lange tijd hebben historici gedacht dat zij weinig onderscheid maakten tussen kinderen en volwassenen en dat er dus geen speciale behandeling voor kinderen bestond. Ook zouden vroegmoderne ouders niet even gehecht zijn geweest aan hun kinderen als hedendaagse generaties van ouders vanwege de hoge kindersterfte. Het feit dat zij hun kinderen blootstelden aan geweld past op het eerste gezicht goed bij dit idee. Maar recent onderzoek toont aan dat dit beeld niet klopt. Net zoals nu waren ouders in de zestiende eeuw gehecht aan hun kinderen en bestonden er ideeën over hoe je je kroost het beste kon opvoeden.

Het lijkt erop dat er in de zestiende eeuw op een andere manier werd gekeken naar executies. We stellen ons het publiek bij executies vaak voor als een hysterische, bloeddorstige massa, die wreed geweld als entertainment beschouwde en ongevoelig was voor de pijn van anderen. Maar was dit wel zo? Ooggetuigenverslagen bewijzen dat toeschouwers niet onbewogen bleven bij het zien van menselijk leed. Integendeel, ze hadden juist compassie met de persoon op het schavot.

Pijn en geweld werden in de vroegmoderne tijd echter niet per definitie als negatief of wreed beschouwd. Het feit dat ouders hun kinderen meenamen wijst erop dat executies belangrijke momenten van reflectie en bezinning waren. Het publiek werd er geconfronteerd met rechtvaardigheid, orde en de wet. Het kijken naar een terechtstelling was met andere woorden een belangrijke les.

Onrust en gevaar

Frans Hogenberg, Executie van Bathasar Gerards, 1584, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Toch ging het ook wel eens mis. Zo kon de aanwezigheid van kinderen bij terechtstellingen voor onrust zorgen. Op 8 november 1526 vaardigde het Hof van Holland een ordonnantie uit dat er geen ‘kinderen of ongekwalificeerde personen’ op het schavot mochten komen tijdens een executie, omdat ze de beul in zijn werk zouden hinderen. In de roerige jaren van de Nederlandse Opstand was het bijwonen van een terechtstelling voor kinderen zelfs ronduit gevaarlijk. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage van de kroniekschrijver Marcus van Vaernewijck die een executie in 1567 beschrijft:

‘Noch esser doot bleven ter stede, een joncxkin van ontrent XIIIJ jaren, dat maer ghecommen en was van Brugghe, ende was ghestaen up eenen waghene om te beter de justicie te ziene.’

Het wekt dan ook weinig verbazing dat de ouders van de Middelburgse Pieter Joossen hun zoon in dezelfde periode verboden om te gaan kijken naar een terechtstelling. In een kroniek blikt de man terug op zijn jeugd:

‘(…) soo ick se hebbe sien hanghen, naedat sy al doot én gestorven waeren, en de sentencie volbrocht was – want de kinderen, gelijck ick was, niet weleer mochte(n) commen sien om de oploopen, die in(t) dooden van sulke lieden toe geschieden.’

Tegelijk blijkt uit deze passage dat Joossen normaal gezien wél aanwezig mocht zijn bij executies. De bezorgdheid van zijn ouders kwam voort uit het direct gevaar dat met terechtstellingen gepaard kon gaan. Hun vrees had maar weinig te maken met het ‘beschermen’ van Joossen tegen de aanblik van een bloederige executie en geweld.

Meer lezen?

Friedland, Paul, Seeing justice done: The age of spectacular capital punishment in France, Oxford, United Kingdom, 2012.

Jarzebowski, Claudia en Safley, Thomas M. (red.). Childhood and emotion: Across cultures 1450-1800, Londen, 2014.

Spierenburg, Pieter, The Spectacle of Suffering: Executions and the Evolution of Repression, from a Preindustrial Metropolis to the European Experience, Cambridge, 1984.

Isabel Casteels is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de rol van executies en terdoodveroordelingen tijdens de Nederlandse Opstand.

Titelafbeelding: Philips Galle, naar Pieter Bruegel (I), Rechtvaardigheid, 1559, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Waarom het Nederlands de belangrijkste taal van Rusland had kunnen worden (of niet)

Vandaag zijn er ongeveer 25 miljoen mensen die het Nederlands als moedertaal hebben. Dat getal valt in het niet bij de ongeveer 335 miljoen Engelstaligen en 285 miljoen Franstaligen. Vier eeuwen geleden was dat anders toen de Nederlandse Republiek haar invloed aan het uitbreiden was naar overzeese gebieden als Nieuw Amsterdam (het latere New York), Brazilië en Japan. Maar wat velen niet weten, is dat het Nederlands ook in Rusland voet aan de grond kreeg.

Bom Bor Dir Piter

Berckheyde, ‘Het Bezoek van Tsaar Peter de Grote aan Amsterdam’, 16e eeuw (Nationaal Gevangenismuseum).

Er zijn bewijzen dat de Russische tsaar Peter de Grote het Nederlands goed kende. Hij zou bijvoorbeeld geen tolk nodig hebben gehad bij zijn reizen in de Nederlandse Republiek. Tijdens zijn bezoek aan Holland in 1697-1698 signeerde hij verschillende documenten in het Nederlands. Die werden ondertekend met de woorden “Bom Bar Dir Piter” (bombardier Pieter), “Iv daheleix Kneh Piter Kamondor” (uw dagelijkse knecht Pieter Commandeur) en “Iv Dinar Piter” (uw dienaar Pieter). Tijdens de tweede reis van de tsaar naar Nederland in 1716-1717 nam zijn aandacht voor het Nederlands af. In die periode van geleidelijk economisch verval was de macht van de Republiek tanende. Steeds vaker ruilde Peter de Grote het Nederlands in voor het Duits om zijn mensen aan te spreken en plaatsen te benoemen.

Het Nederlands in Rusland 

Het Nederlands werd in het zeventiende-eeuwse Rusland vooral gebruikt onder buitenlandse handelaars om met elkaar te communiceren toen de Republiek een van de grootste maritieme handelsmachten ter wereld was. Het Nederlands was wereldwijd onder zeelieden een soort lingua franca. Nederlandse handelaren hadden met name een grote invloed in de Oostzee, waar ze onder andere handel dreven met Russische partners.

Jean-Marc Nattier, ‘Portret van Peter I van Rusland’, 1717.

Naast buitenlandse koopmannen gebruikten de Russen zelf ook het Nederlands om contact te leggen met andere Europese handelaren. Hierdoor heeft de Nederlandse taal vooral sporen nagelaten in de woordenschat over handel. De Nederlandse woorden die vandaag de dag nog altijd aanwezig zijn in het Russisch hebben bijna altijd betrekking op zeemanschap. Enkele woorden zijn; akhtershteven’ (achtersteven), botsman (bootsman), brandspoyt (brandspuit), dyuym (duim), garpun (harpoen), yakhta (jacht), kayu’ta (kajuit), braloko (loods), lyuk (luik), rul’ (roer), rupor (roeper, megafoon), shkiper (schipper), shlang (sleng) en shlyupka (sloep).

Niet iedereen was te spreken over het gebruik van het Nederlands in Rusland. Zo uitten de Engelsen, die politieke rivalen van de Nederlanders waren in de achttiende eeuw, grote kritiek op het gebruik van het Nederlands bij handelaars in Rusland. Zij waren van mening dat het Engels de standaardtaal van het maritieme leven moest worden. Van haar kant meende de Russische prinses en Verlichtingsdenker Ekaterina Dasjkova, die Peter de Grote bekritiseerde, dat de Nederlandse invloed nefast was voor de Russische taal. Door de introductie van Nederlandse woorden zou het Russisch zijn ‘authenticiteit’ zijn verloren. Toen zij haar kritiek uitte, was Peter de Grote al gestorven en had het Nederlands plaatsgemaakt voor een grotere invloed van het Duits en later ook het Frans in Rusland.

Nederduits?

Het belang van het Nederlands in tsaristisch Rusland moet niet overdreven worden. Het aantal geïntroduceerde Nederlandse woorden in de Russische taal was minimaal. Slechts een aantal gegoede handelaren uit het zeventiende-eeuwse Rusland beheersten het Nederlands volledig.  Daarnaast maakte men niet altijd een onderscheid tussen het Nederlands, het Nederduits en het Duits, drie sterk verwante talen. Het is dus vandaag vaak moeilijk om te reconstrueren welk van deze drie talen werd gesproken.

Veder luisteren?

Het verhaal over het Nederlands in Rusland is één van de verhalen die uitgebreid aan bod komt in deze podcast van het Centrum van Russische Studies die tot stand kwam in samenwerking met Rusland-experts Emmanuel Waegemans en Wim Coudenys. De podcast gaat over de relatie tussen België en Rusland door de eeuwen heen.

Meer lezen.

E. Waegemans, De taal van Peter de Grote: Russisch-Nederlandse contacten en contrasten (Leuven 2006).

Joël Lammeretz is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent geschiedenis. Hij werkte mee aan een podcast over de historische relatie tussen België en Rusland tijdens zijn stage in het Centrum van Russische Studies.

Titelafbeelding: Abraham Storck, ‘Het met medewerking van tsaar Peter de Grote in januari 1698 voltooide fregat Pieter en Paul op het IJ’, 1698 (Historisch Museum Amsterdam).

Digibete, technofobe of conservatieve leerkrachten?

Door het uitbreken van de coronapandemie zagen scholen zich het voorbije jaar meermaals genoodzaakt over te schakelen op afstandsonderwijs. De verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van het digitale klaslokaal werd grotendeels bij de leerkrachten zelf gelegd. Daarbij botsten ze vaak op problemen, zoals een tekort aan laptops, het gebrek aan digitale geletterdheid bij een deel van hun leerlingen en de leercurves die de leerkrachten zelf moesten doorlopen om zich nieuwe technologie eigen te maken. Omdat het Ministerie van Onderwijs die moeilijkheden ook niet altijd voorzien had, kon het vaak geen snelle oplossing of ondersteuning bieden. Wanneer sommige leerlingen dan sterke achterstand opliepen of zelfs helemaal van de radar verdwenen, werd niet zelden de leerkracht met de vinger gewezen.

De projectielantaarn

Projectielantaarn met glasplaatjes, aanbevolen voor het aardrijkskunde- en natuurkundeonderwijs (La lanterne de projections à l’école, 1896).

Het typeren van leerkrachten als digibeet, technofoob of simpelweg onwillig om zich aan te passen is een oud riedeltje. Toch waren het vaak net leerkrachten die als eersten de educatieve mogelijkheden van nieuwe media herkenden.

Illustratief hiervoor is de trage adoptie van geprojecteerde beelden in het Belgische lager en middelbaar onderwijs in de vroege twintigste eeuw. De projectielantaarn liet toe afbeeldingen uitvergroot op een wit scherm of witte muur te projecteren. De laat negentiende-eeuwse modellen konden enkel transparante afbeeldingen projecteren, die op kleine glazen plaatjes van doorgaans 8 x 10 cm waren geschilderd of gedrukt. Kort voor de eeuwwisseling kwamen de eerste epidiascopen op de markt. Daarmee konden ook afbeeldingen uit boeken, magazines, op postkaarten en zelfs kleine voorwerpen in groot formaat op de muur tevoorschijn getoverd worden.

Projectietechnologie sloot heel goed aan bij de nieuwe richtlijnen vanuit de overheid. In de laatste decennia van de negentiende eeuw waren opvoedkundigen het er over eens geworden dat de droge opsomming van feiten door de leerkracht en het uit het hoofd leren van lesjes door leerlingen hun beperkingen hadden. Het onderwijs moest verlevendigd worden met behulp van directe waarneming van voorwerpen of fenomenen. Als dat niet kon, waren afbeeldingen een goed alternatief. De overheid nam deze aanbevelingen over.

Zes glazen lantaarnplaatjes, 8 x 10 cm, Aardkorst – Bergen – Verkeer, gebruikt in het aardrijkskundeonderwijs (Collectie Heilig Graf Turnhout).

De ministeriële richtlijnen spraken aanvankelijk enkel over geïllustreerde handboeken, wandplaten, kaarten, opgezette dieren en verzamelingen van voorwerpen zoals mineralen, planten of nijverheidsproducten. Het waren leerkrachten die als eersten experimenteerden met lantaarnprojectie in de klas. Sommigen onder hen gingen nog een stap verder en promootten het gebruik van lichtbeelden bij hun collega’s via lezingen en publicaties. Rond de eeuwwisseling hadden lantaarn-enthousiaste leerkrachten de aandacht van de centrale en lokale overheden weten te trekken en die zelfs bereid gevonden het gebruik van de lantaarn officieel aan te moedigen. Maar veel leerkrachten die vervolgens enthousiast aan de slag wilden met lantaarnslides in de klas botsten op praktische problemen. Toen het gebruik van de projectielantaarn in het Belgisch onderwijs vervolgens onder de verwachtingen bleef, werden leerkrachten met de vinger gewezen.

Hoge verwachtingen, lage budgetten

Blauwdruk uit 1927 voor een staander voor de projectielantaarn en een scherm in de jongensschool aan de Napelsstraat in Antwerpen (Felixarchief).

Het gebruik van de projectielantaarn in de klas vereiste niet alleen dat leerkrachten hun lespraktijk veranderden. Ook het leslokaal zelf moest worden aangepast. De weinige scholen die budget hadden om zich een lantaarn en enkele reeksen projectieplaatjes aan te schaffen, merkten al snel dat het klaslokaal onvoldoende verduisterd kon worden om de lichtbeelden in alle scherpte te zien. De meest moderne, gebruiksvriendelijke modellen werkten bovendien met elektrisch licht, terwijl veel scholen voor de Eerste Wereldoorlog nog niet waren aangesloten op het elektriciteitsnet.

In een poging het gebruik van lantaarnprojectie in het gemeentelijk onderwijs een impuls te geven, beloofde de Antwerpse Schepen voor Onderwijs Victor Desguin in 1912 in een omzendbrief financiële steun: “[d]e Dames en Heeren Schoolhoofden kunnen zich zulke lantaarn aanschaffen op hun crediet voor materiaal; de zwarte gordijnen en de geleiding voor licht zullen dan bekostigd worden op het crediet voor de schoolgebouwen.” Deze suggestie viel niet in dovemansoren. Kort nadien signaleerde de Antwerpse stadsbouwmeester dat hij zoveel enthousiaste aanvragen had gekregen dat het beschikbare budget ontoereikend was om alle klaslokalen uit te rusten. Maar tot een effectieve budgetverhoging kwam het in de daaropvolgende jaren niet, al werd de oproep om lantaarnprojectie in te zetten in de klas door lokale overheden en door het Ministerie van Onderwijs regelmatig herhaald. Het resultaat was dat projectieonderwijs in de volgende jaren enkel een plaats kreeg in scholen waar een enthousiaste leerkracht of directie zelf veel tijd en middelen had kunnen besteden aan de aankoop van materiaal en de reorganisatie van het klaslokaal.

Met horten en stoten

Afbeelding van de projectie van lichtbeelden in een semi-verduisterd klaslokaal in het college van Binche, 1912 (De Watteville, “Projections lumineuses,” Nova et Vetera (1912): 480-484).

Werd er toch in projectieonderwijs geïnvesteerd, dan was die investering vaak onvolledig. Het gebruik van een lantaarn in de Antwerpse jongensschool aan de Markgravelei werd door schepen Desguin in 1912 aangehaald als voorbeeld voor andere scholen die de aanschaf van een lantaarn overwogen. Tien jaar later bleek echter dat de school nog steeds niet was uitgerust met de langverwachte projectiezaal. Andersom waren er ook scholen die weliswaar werden voorzien van moderne zalen voor projectieonderwijs, maar nog jaren moesten wachten vooraleer ze de nodige middelen ter beschikking kregen voor de aankoop van een projector. Door de sterke naoorlogse aangroei van de schoolbevolking werden vele van de nieuwe projectie- en ook turnzalen, gebouwd in de jaren twintig en dertig, bovendien noodgedwongen als extra klaslokaal gebruikt.

Pas midden jaren dertig, veertig jaar na de eerste pleidooien door leerkrachten voor projectietechnologie, werden nieuwe en vernieuwde scholen standaard voorzien van zowel projectiemateriaal als een aangepast lokaal. Sindsdien zijn veel andere (audio-)visuele leermiddelen gekomen en gegaan. Het stereotiepe beeld van de conservatieve leerkracht met koudwatervrees voor technologie is helaas blijven bestaan.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Lantaarnprojectie in de klas. © Histoire des Projections Lumineuses.

Leven na lepra in Belgisch Congo

Rond de middag van 3 april 1959 zaten een tiental Vlaamse zusters te wachten in een greppel langs de hoofdweg naar Coquilhatstad in Belgisch-Congo. Na enkele uren dwong de striemende evenaarszon hen naar de schaduw. Toen een leger aan tropische mieren hun feestelijk wit habijt beklom, hoorden ze eindelijk de verlossende roep: “Daar komen ze!” Een van de honderden leprapatiënten in het gezelschap van de zusters meende in de verte beweging te zien. Gelijk had hij, want enkele ogenblikken later reden de bolides van koning Leopold III, prinses Lilian en hun gevolg de toegangspoort van de leprozerie Iyonda binnen. Tot hun ontsteltenis wierp de prinses vervolgens een vermoeide blik op haar polshorloge. De grote vertraging had het koninklijke programma zodanig in de war doen lopen, dat werd besloten de rondleiding met een dag uit te stellen.

Dat Iyonda op het koninklijk programma stond, had alles te maken met haar imago als toonbeeld van de ‘moderne leprozenzorg’. Leprapatiënten werden er niet enkel geïsoleerd, maar ook genezen en voorbereid op een later leven in de koloniale samenleving.

“De prinses stelde vragen die sommige leprologen nog niet stellen!”

Dokter Lechat geeft prinses Lilian een handzoen (privécollectie van Edith Lechat-Dasnoy).

Dokter Lechat, de staatsarts van de leprozerie, had grootse plannen met lyonda. Hij had onder meer de ambitie om een tehuis voor buitenlandse lepraonderzoekers en een school voor fysiotherapeuten op te richten. Voor zijn projecten was er veel geld nodig, en geleide bezoeken waren hiervoor het perfecte medium. Iyonda kon zodoende tonen wat het wilde zijn en de unaniem lovende kritieken brachten de broodnodige fondsen met zich mee. Lechat werkte verschillende types rondleidingen tot in de puntjes uit. De ambassadeur van de Sovjet-Unie doorliep bijvoorbeeld een ander parcours dan de Belgische senator Joseph Pholien. Omdat koninklijk bezoek buiten categorie was, haalde de staf van Iyonda ditmaal echt alles uit de kast.

Een dag na de eerste ontmoeting stapte alleen prinses Lilian uit de koninklijke limousine aan de oprijlaan van de leprozerie. Ex-koning Leopold had andere verplichtingen. De prinses werd eerst getrakteerd op een rondrit, die haar stapvoets langs Iyonda’s vijf lanen voerde. Nadat ze de leprapatiënten had toegewuifd, hield haar bolide halt voor het hoofdgebouw van de leprozerie. Hier startte de begeleide rondleiding met een presentatie van dokter Lechat over ‘moderne’ lepraverzorging. De prinses bleek erg geïnteresseerd en stelde volgens de dokter vragen die sommige leprologen nog niet stelden. Vervolgens hield het gezelschap halt bij enkele leprozen in de ziekenzaal. De prinses schrok er niet voor terug om hun stompen aan te raken, wat duidelijk niet op de planning stond. Na de vraag van de pater of ze niet wat eau de cologne wilde na het handen wassen grapte de prinses: “U denkt zeker dat ik hier niets anders te doen heb dan m’n handen te wassen?” Prinses Lilian deed hier wat prinses Diana vele jaren later zou doen door aidspatiënten te knuffelen: het stigma helpen doorbreken.

“Die houtrozen en alle werkstukjes zijn extraordinaire!”

Geënsceneerd sfeerbeeld uit Iyonda (Collectie: KADOC).

Lechats exposé moest de prinses duidelijk maken dat de wetenschappelijke behandeling van lepra recent was gemoderniseerd. Omstreeks 1950 ontstond het besef dat de ziekte niet zo besmettelijk was als men voordien had gedacht. Veel Afrikaanse landen waar de ziekte voorkwam sloten om die reden hun leprozerieën en gingen volop voor ‘verzorging aan huis’. De Belgische kolonie, daarentegen, bleef inzetten op de isolatie van een deel van haar leprapatiënten. In de jaren vijftig liep het aantal geïsoleerde leprozen zelfs op tot verschillende tienduizenden. Het idee hierachter was dat men een meer kwalitatieve behandeling kon bieden, maar tegelijk de behandelden ook beter kon controleren. Daarnaast werd in de Belgische kolonie rond 1950 ook de sulfonentherapie gemeengoed. Na eeuwen van louter palliatieve en cosmetische behandelingen kon lepra dankzij de sulfonen eindelijk genezen worden.

Vrouwen poseren al breiend voor de ‘Foyer Social’ van Iyonda (Collectie: KADOC).

In plaats van de leprapatiënten voor te bereiden op het leven na de dood moesten de zusters en de pater hen voortaan voorbereiden op een leven na lepra. Onder het mom van ‘sociale actie’ lieten ze de patiënten kennismaken met the Belgian way of life. In de Foyer Social leerden vrouwen ‘een goede echtgenote’ worden, althans naar Belgische en katholieke normen uit de jaren vijftig. Ze leerden breien, naaien, koken, Maria vereren en kregen op de koop toe een cursus binnenhuisinrichting mee. De mannen werden dan weer aangespoord om te werken in loondienst in een Belgisch aandoende schrijnwerkerij of steenbakkerij. ‘Echte’ mannen moesten immers fysieke arbeid verrichten en bij voorkeur buitenshuis werken.

Mannelijke arbeiders poseren in de schrijnwerkerij van Iyonda (Collectie: KADOC).

Dit ‘sociale’ luik was Iyonda’s paradepaardje en stond dan ook centraal bij het bezoek van prinses Lilian. Voor de Foyer Social kreeg ze een boeketje Congolese houtrozen aangeboden om er vervolgens een tentoonstelling van handwerkjes te bezoeken. Toen prinses Lilian buitenstapte, wees dokter Lechat naar de volgende stop. De kleine constructie in de verte bleek de school van de leprozerie te zijn. In Iyonda verbleven namelijk een dertigtal kinderen met lepra en een dozijn gezonde kinderen met besmette ouders. Gespreid over de vroege voormiddag en de late namiddag leerden de kinderen er rekenen, lezen en katholieke godsdienst. Na de werkuren deden de klassen dienst voor het avondonderwijs van de volwassenen, die er ook nog lessen in het Frans bijkregen. Bij hun ‘ontslag’ uit de leprozerie werden er voor hen beroepsplaatsen geregeld als geschoold arbeider, klerk of uitzonderlijk als horlogemaker. Wanneer de patiënten de leprozerie verlieten, waren ze klaargestoomd om hun toegewezen mannelijke of vrouwelijk rol op te nemen in de koloniale samenleving. Ze vormden het toonbeeld van een succesvolle katholieke leprozenzorg.

Na het schoolbezoek kwam het gevolg, hopeloos achter op schema, aan in de refter van de zusters. Daar kreeg Lilian een drankje aangeboden onder haar eigen portret en dat van haar man. Later belde de gezelschapsdame van de prinses om te melden dat Lilian geen seconde gezwegen had over de “modelleprozerie Iyonda”. Het model van Iyonda had nu ook koninklijke bewonderaars.

Felix Deckx is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schrijft een masterproef over de zorg voor leprozen in Belgisch Congo.

Titelafbeelding: Iyonda (privécollectie van Edith Lechat-Dasnoy).

Met de Duitsers naar bed of niet?

Tijdens de bevrijdingsfeesten in 1945 werden collaborateurs publiekelijk uitgejouwd en bestraft. Daaronder bevonden zich ook vrouwen die een verhouding hadden gehad met Duitse soldaten. Zij werden vernederd, kaalgeschoren en volgeklad met hakenkruisen. Deze beelden van afgeschoren haren en ontblote lichamen werden dominant in onze herinnering aan vrouwen die met de vijand hadden geheuld. Terwijl veel mannen veroordeeld werden voor collaboratie op politiek en militair vlak, leek de fout van de vrouwen voornamelijk te liggen bij wat men ‘intieme’ of ‘sentimentele’ collaboratie noemt. Maar klopt deze beeldvorming?

“Moffenmeiden”

Een “moffenmeid” wordt kaalgeschoren en ingesmeerd met pek. (Nationaal Archief Nederland).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstonden er soms vriendschappen en relaties tussen Duitse soldaten en Belgische vrouwen. Van deze laatste groep volgden enkelingen hun liefde naar Duitsland, om daar bijvoorbeeld voor het Duitse Rode Kruis te gaan werken. Er was dus effectief een groep vrouwen die aan sentimentele collaboratie deed. In Nederland ontstond zelfs de term “moffenhoer” of “moffenmeid” om hen aan te duiden.

Toch is enige nuance vereist: kunnen we hier wel echt van collaboratie spreken? Onderzoek toont aan dat vrouwen niet per se relaties aanknoopten met soldaten uit politieke overtuigingen, maar omdat er aantrekkingskracht en verliefdheid in het spel was. Vaak werden vrouwen na de oorlog ook onterecht beschuldigd van affaires met Duitsers door mensen die hen in een slecht daglicht wilden stellen. Daarnaast kwamen roddels snel op gang: sommige vrouwen werden al aangeklaagd omdat ze gesprekken hadden gevoerd met soldaten of iets van hen hadden aangenomen. Niet alle vrouwen die kaalgeschoren werden, hadden dus echt een verhouding gehad met een Duitser. De aandacht voor deze “moffenmeiden” zorgde ervoor dat andere vrouwen, die effectief de nazistische ideologie hadden gesteund en actief hadden gecollaboreerd, in de schaduw terechtkwamen.

De paradox van extreemrechtse vrouwenbewegingen

Affiche van een voordracht van Blanka Gyselen voor DeVlag (Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis).

Er waren ook vrouwen die bewust het publieke forum betraden en hun sympathieën voor het nationaalsocialisme uitten. Verschillende extreemrechtse vrouwenbewegingen collaboreerden openlijk met de Duitsers, zoals het Vlaams Nationaal Vrouwenverbond (VNVV) en de Vrouwenwerken van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag). De actieve rol die deze vrouwen speelden is minder bijgebleven, omdat de boodschappen die ze verspreidden nogal paradoxaal waren.

Centraal in de nationaalsocialistische ideologie van de nazi’s stond immers de opvatting dat de vrouw thuishoorde aan de haard en dat haar taken bestonden uit het baren en opvoeden van kinderen. Vrouwen moesten zorgen voor de uitbreiding van het Arische ras. Tegelijkertijd werden zij gestimuleerd om zich aan te sluiten bij politieke partijen door de leidsters van extreemrechtse bewegingen zoals het VNVV. Die vrouwen betraden dus het publieke forum, om te verkondigen dat de plaats van de vrouw aan de haard was.

Vrouw, auteur, collaborateur

Blanka Gyselen (KADOC Beeldarchief KFA20095).

18% van het totaal aantal veroordeelden voor collaboratie in België was vrouw. Een groot deel van deze veroordelingen was voor verklikking, waardoor het beeld van de vrouw als verraadster opkwam. Daarnaast werd een aantal vrouwen veroordeeld voor hun actief politiek en cultureel engagement. Zo werd Blanka Gyselen, een toen bekend en gerenommeerd schrijfster, bestraft met 20 jaar ‘buitengewone hechtenis’ voor haar culturele activiteiten. Tijdens de oorlog had zij meegewerkt aan tijdschriften van collaborerende organisaties, zoals Volk en Staat en Balming, waarin zij de ‘vrouwenrubrieken’ had verzorgd. Daarnaast was ze lid van de SS en schreef ze Vlaams-nationalistische strijdliederen.

Zelf beweerde Blanka Gyselen bij haar veroordeling dat ze was misleid door de “schone leuzen en beloften” van het nationaalsocialisme en dat ze bij haar rondreizen in Duitsland enkel de modelzijde van het regime te zien had gekregen. Naast haar gevangenisstraf moest ze een boete van 5.000 frank betalen aan de overheid, werd haar huis in beslag genomen, verloor ze haar burgerrechten en mocht ze haar nieuwe vriend – die in een andere gevangenis zat – niet bezoeken. Uiteindelijk werd Blanka door gezondheidsredenen in 1949 in voorlopige vrijheid gesteld. Ze leefde enkele jaren een teruggetrokken bestaan, maar werd stilaan terug geïntegreerd in het literaire milieu en kon weer publiceren. Haar label als “verbrande dichteres” is ze echter nooit echt kwijtgeraakt.

Vrouwen als Blanka Gyselen tonen aan dat de rol van vrouwen in de collaboratie veel aanzienlijker en complexer was dan velen denken. De dominante voorstelling van vrouwen als ‘intieme’ collaborateurs die met de vijand sliepen, is onvolledig en beperkt. In de herinnering aan de collaboratie heeft de repressie door het volk zelf, de ‘straatrepressie’, de overhand genomen. De choquerende beelden van vernederde en kaalgeschoren vrouwen zijn blijven hangen, terwijl de verhalen van vrouwen die ‘volgens het boekje’ veroordeeld zijn, in de vergetelheid zijn beland.

Meer lezen?

De Metsenaere, Machteld en Bollen, Sophie. “Schandelijke liefde. Sentimentele collaboratie en haar bestraffing in België na de Tweede Wereldoorlog”. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, nr. 3 (2007): 228-259.

Roeges, Mathieu. “Vrouwen in de collaboratie”, Belgium WWII, https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/artikels/vrouwen-in-de-collaboratie.html

Van Loon, Caroline. “De geschorene en de scheerster. De vrouw in de straatrepressie na de Tweede Wereldoorlog”. Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 19 (2008): 45‑78.

Hannah Smets is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schrijft een masterproef over steun en solidariteit tussen Vlaamse schrijfsters in de twintigste eeuw.

Pest en protest in de vroegmoderne haven

Gastblog door Stan Pannier.

“Geachte leden van de regering”, schreef de Gentse ondernemer Frans Carpentier, “In het algemeen belang heb ik mij steeds zonder protest aan de gezondheidsmaatregelen gehouden, maar thans had ik graag een versoepeling bekomen. Mijn bedrijfskosten nemen onverminderd toe, en mijn koopwaar bederft nu ik ze niet mag verkopen.” Was Carpentier één van de velen die zich het voorbije jaar tot het Overlegcomité richtte? Neen. De man schreef zijn brief op 26 november 1770, tijdens een hevige uitbraak van de pest in Oost-Europa. Carpentiers schip De Vier Gebroeders lag al 46 dagen in Oostende in quarantaine, en de loonkosten, het havengeld en de onophoudelijke herfstbuien vraten gestaag aan zijn winst.

Op het moment dat Carpentier zijn veer in de inkt doopte, was de pest precies een eeuw verdwenen uit de Zuidelijke Nederlanden. Niettemin bleef de regering strikte maatregelen nemen bij uitbraken van de haestighe sieckte elders in Europa. Net als vandaag hadden die voorzorgen een economische impact – vooral in de kuststreek, waar het risico op import uit het buitenland het grootst was. Tegenwoordig vinden we het normaal dat proteststemmen uit de privésector bij de besluitvorming worden betrokken. Maar ook in een diep ondemocratische samenleving als die van het Ancien Régime konden mensen als Carpentier wegen op het beleid, mits de juiste argumenten.

De achttiende-eeuwse Wereldgezondheidsorganisatie

Een handelskantoor te Brugge, ca. 1750.

Bij een uitbraak van de pest was het voor de overheid koorddansen geblazen tussen enerzijds een te zwak en anderzijds een te streng beleid. Reageerde een staat te laks, dan riskeerde die een import van de ziekte of vergeldingsmaatregelen van buurlanden. Rond de Middellandse Zee communiceerden havensteden voortdurend met elkaar over sanitaire nieuwtjes en genomen maatregelen. Liep een land uit de pas, dan volgde al gauw een vergeldingsquarantaine tegen haar schepen. Historici hebben deze internationale coördinatie van beleid daarom wel eens bestempeld als de voorloper van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Ook in het Noordzeegebied verspreidde nieuws rond epidemieën en verdachte schepen zich als een lopend vuurtje via consuls, ambassadeurs en zeelieden. Het belang van die informatie oversteeg politiek: hoewel Versailles en Londen vrijwel de hele achttiende eeuw overhoop lagen, ging gezondheidsnieuws vlot over en weer tussen beide kanten van het Kanaal. Nieuwe maatregelen in Engeland, Frankrijk of de Republiek waren genoeg aanleiding voor Brussel om zelf de nodige wetgeving door te duwen. Rond de Noordzee gold immers dezelfde groepsdruk als in de Middellandse Zee. Vergeldingsquarantaines vormden bovendien een handig smoesje om de handel van concurrerende staten te schaden.

In augustus 1743 stelden de Oostenrijkse Nederlanden bijvoorbeeld een quarantaine in van 20 dagen tegen schepen uit Frankrijk, omdat Louis XV onvoldoende voorzorgen had genomen tegen de pest op Sicilië. Nochtans deed op dat moment in Oostende al weken het nieuws de ronde dat Frankrijk wel degelijk maatregelen had genomen, die zelfs nog strenger waren dan die aan de Vlaamse kust. Wat was dan het échte motief achter de vergeldingsquarantaine? Simpel: de Habsburgers lagen in conflict met de Franse koning, die de troonsbestijging van Maria Theresia betwistte.

Rellen in Moskou gericht tegen het gebrekkige optreden van de overheid tijdens de pest van 1770-1772.

Maar ook te streng reageren zorgde voor economische schade. Het doorbetalen van geïsoleerde en werkloze matrozen en de dagelijkse vergoeding voor het gebruik van de havenfaciliteiten kostten handelaars een fikse duit. Een quarantaine was des te problematischer als de lading bederfelijk was: het was niet voor niets dat Judocus van Iseghem in de zomer van 1752 in Brussel ging smeken om een vrijstelling voor zijn schip, dat uit Malaga onderweg was met een berg vers fruit. Tot slot betekende de vertraging in goederen- en kasstromen een bijkomende streep door de rekening van menig ondernemer.

Ook andere takken van de mariene economie hadden te lijden onder de quarantainemaatregelen. Zo mochten loodsen niet langer aan boord gaan van schepen om hen de haven in te helpen. In de Gouwelozekreek, waar schepen werden afgezonderd, vormden de vele vissersbootjes dan weer een groot risico op contact met de geïsoleerde bemanningen. Hoewel er stemmen opgingen om de visvangst in de kreek daarom volledig te verbieden, hield Oostende het bij een avondklok. Overdag vissen bij hoog water bleef toegelaten, “uyt Consideratie dat menighvuldighe menschen daar mede hunnen Cost moeten winnen”.

Preventiemaatregelen: dictaat of overleg?

Oostende ca. 1773, met in het zuidoosten de Gouwelozekreek.

Overheden konden echter geen regels opleggen zonder protest van de betrokken economische stakeholders. Handelaars trachtten voortdurend versoepelingen te bekomen op de geldende maatregelen. De vaakst aangehaalde redenen waren dat er geen ziekte heerste waar het schip vandaan kwam, of dat de bemanning zichtbaar gezond was. De aard van de lading was evenzeer van belang: textiel werd erg gevaarlijk geacht, terwijl hout of ijzer naar verluidt niet in staat waren besmetting vast te houden. Soms speelden handelaars op de gevoelens: er was een Blankenbergse loods aan boord, en die “pauvre homme” zat al weken vast enkel omdat hij het schip veilig de haven in had geholpen. Of nog creatiever: de lading wol was zeker veilig, want de matrozen hadden er zonder het minste ongemak de hele reis op geslapen.

Indien er inderdaad voldoende verzachtende omstandigheden waren, dan stond de overheid handelaars een vrijstelling of verkorting van de quarantaine toe. Wanneer het schepencollege van Oostende (dat overigens vrijwel uitsluitend uit handelaars bestond) zijn gewicht in de schaal legde, dan was er nog meer mogelijk. Eind augustus 1764 had Brussel naar aanleiding van een pestuitbraak op Sicilië een quarantaine ingesteld voor alle schepen uit de Middellandse Zee. Op 2 oktober protesteerde Oostende dat die verordening de zouthandel met Spanje schaadde, en dat er bovendien in geen enkel buurland zulke strenge maatregelen golden. Twee dagen later was het decreet aangepast.

Talenknobbels en veteranen

Epidemieën boden echter ook economische opportuniteiten voor sommige groepen. Lokale en regionale overheden spendeerden soms aanzienlijke sommen om ziekte buiten de deur te houden: in 1770-72 ging het om liefst 45 284 florijnen, zo’n 90 000 werkdagen voor een gewone arbeider. Met dat geld werden tientallen strandwachten gerekruteerd, die aangespoelde goederen en lijken moesten begraven en erop moesten toezien dat niemand per sloep aan land kwam. In Nieuwpoort en Oostende namen de stadsbesturen dan weer matrozen in dienst die op zee moesten waken en aankomende handelsschepen ondervragen over hun whereabouts en de gezondheidstoestand aan boord. Talenkennis was daarbij een pluspunt. In 1793, tijdens een gele koorts-epidemie in Noord-Amerika, bracht Nieuwpoort het heuglijke nieuws dat de stad Hendrik Bolwijn had aangeworven, een zeeman die vloeiend Nederlands, Frans, Duits, Spaans en Engels sprak. Tot slot boden de quarantainemaatregelen ook werkgelegenheid aan de invalide veteranen van de kustregimenten. Zij moesten de geïsoleerde schepen bewaken – mét opslag van soldij, opdat ze hun belangrijke taak beter zouden vervullen.

Samengevat: ook in de achttiende eeuw zorgden epidemieën voor spanningen tussen economie en volksgezondheid. Overheden zochten telkens naar maatregelen die streng genoeg waren om te ontkomen aan ziekte en represailles, maar liberaal genoeg om de handel niet te verstikken. En net als vandaag waren proteststemmen van onderuit en compromissen daarbij niet vreemd.

Stan Pannier is gastblogger. Hij bereidt een doctoraat voor over de handel met West- en Centraal-Afrika vanuit de Oostenrijkse Nederlanden. Stan is als onderzoeker verbonden aan de vakgroep Middeleeuwen van de KU Leuven en aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ).