Alle berichten van admin

De middeleeuwse trouwring

Gastblog door Anna Boeles Rowland, vertaald naar het Nederlands door Chanelle Delameillieure.

‘Je zwoer me plechtig , toen ik hem je gaf, dat je hem tot je stervensuur zou dragen en hij met jou zou rusten in je graf. Kon je hem niet vereren en bewaren, zo niet om mij, dan om je plechtige eden?’

Dit is wat Nerissa zei toen ze ontdekte dat haar echtgenoot Gratiano een posie ring, dat is een gouden ring met een inscriptie, argeloos had weggegeven in Shakespeares De Koopman van Venetië. Nochtans had hij beloofd dat hij dit symbool van haar liefde nooit van zijn vinger zou nemen. De onbezonnen uitwisseling van deze ring onthulde dus een diep gebrek aan toewijding van Gratiano naar zijn echtgenote en hun huwelijk toe. Als hij dit object dat hun liefde en trouw aan elkaar symboliseerde zo gemakkelijk weggaf, kon hij Nerissa dan niet met een even groot gemak aan de kant schuiven? Dit voorbeeld onthult dat Gratiano’s ring niet zomaar een object was; hij belichaamde de trouw en liefde van de echtgenoot en symboliseerde de huwelijkswoorden die hij had uitgesproken tijdens de bruiloft. Dit verhaal toont op een treffende manier aan dat trouwringen als een veruitwendiging van de uitwisseling van huwelijksbeloften werden gezien, een idee dat in heel middeleeuws Europa leefde.

Trouwringen in middeleeuws Europa

De bruidegom plaatst een abnormaal grote ring rond de vinger van zijn bruid.

In de middeleeuwen creëerde het wederzijds uitspreken van de woorden ‘Ja, ik wil’ een huwelijk. Deze uitwisseling van toestemming was dus essentieel en ging dikwijls gepaard met een kerkelijke ceremonie, waarin trouwringen vanaf de dertiende eeuw een steeds belangrijkere rol speelden. De uitwisseling van de ring bestendigde de wederzijdse toestemming zowel visueel als materieel. Het huwelijkssacrament werd gevisualiseerd door de echtgenoot die een reusachtige ring plaatste rond de vinger van zijn bruid. De Engelse Maude Knyff vertelde haar vrienden en familieleden bijvoorbeeld over haar huwelijk met Thomas Torald door hen trots de gouden ring die ze van hem had gekregen te tonen. Een ring gold op zichzelf dus als een bewijs van een huwelijk. Die symboliek was zo sterk dat mannen die een huwelijk met een vrouw wilden afdwingen soms een ring van haar stalen. Die presenteerden ze dan vervolgens als bewijsmateriaal om aan te tonen dat de vrouw aan wie de ring in feite toebehoorde, huwelijksbeloften had uitgewisseld.

Ringen en de liturgie van het huwelijk

Een priester begeleidt de huwelijksmis.

Tijdens de liturgie van het huwelijk kreeg de ring een nadrukkelijke rol; hij werd gezegend alvorens hij rond de vinger van de bruid werd geschoven. De bruidegom plaatste de ring op een schotel of een boek waarop de priester hem met gewijd water besprenkelde. Die handeling maakte dat de ring een object werd dat doordrenkt was met een spirituele lading.

De trouwring werd, zoals vandaag nog steeds het geval is, aan de ringvinger gedragen omdat men geloofde dat die via een ader in directe verbinding met het hart stond. In de middeleeuwen beschouwde men het hart als het centrum van het menselijke bewustzijn. Door de trouwring met het hart te verbinden transformeerde hij in een communicerend middel dat de drager herinnerde aan de huwelijksgelofte die hij of zij was aangegaan. Beschrijvingen van de huwelijksmis tonen hoe een trouwring via rituelen versmolt met het lichaam. Het huwelijk was een sacrament en de trouwring was het instrument dat die heilige betekenis aanbracht op het lichaam.

Doordrenkt met beloften

Vijftiende-eeuwse gouden Posie ring met inscriptie ‘pour amor, say douc’ (voor liefde, zo zoet).

Een ring is ontworpen met de bedoeling om gedragen te worden. Als dusdanig herinnerde een trouwring aan de huwelijksbelofte op zowel zintuiglijk, visueel, tactiel en psychologisch niveau. De symboliek van de trouwring als een onlosmakelijk onderdeel van het lichaam van zijn of haar drager verscheen voor het eerst in twaalfde-eeuws Frankrijk, in een verhaal van Guibert de Nogent. Hij vertelt over een kindbruid en hoe de trouwring die zij droeg zo vast rond haar vinger zat dat ze hem niet meer uitkreeg. Dit beeld van de huwelijksring als een object dat volledig met het lichaam versmolt is surrealistisch maar belichaamt het idee van een fysieke intimiteit en eenheid tussen een persoon en zijn of haar trouwring.

Ook de vorm van de ring, als een ononderbroken cirkel, symboliseerde de oneindige en eeuwige liefde tussen het getrouwde koppel. De zestiende-eeuwse Henry Swinbourne schreef dat deze vorm, rond en zonder een einde, impliceert dat de liefde tussen een echtpaar ononderbroken en eeuwig moet vloeien. Soms werden er aan de binnenkant van de ring woorden van trouw gegraveerd. Zo bevatte de trouwring die Mary Porredge in 1596 aan haar verloofde John Colyer in Engeland gaf de woorden ‘jij hebt mijn hart tot de dood ons scheidt’.

Trouwringen overstegen hun louter stoffelijke eigenschappen in de late middeleeuwen. Mensen zagen ze immers als symbolen voor de materiële, spirituele en fysieke verbintenis van een gehuwd echtpaar. Ze golden als een dagelijkse herinnering aan hun drager om trouw en respectvol te zijn ten opzichte van hun partner. Een trouwring verliezen of er op een respectloze manier mee omgaan was dan ook not done. Zulk gedrag kwetste de partner, zoals we zagen in De koopman van Venetië. Huwelijksringen symboliseerden trouw, en waren bovendien heilige objecten die een spirituele band creëerden tussen de drager, de gever en het hemelse. Op die manier fungeerden ze als een dagelijkse, zichtbare herinnering van de heiligheid van een huwelijk.

Anna Boeles Rowland is gastblogger en Chanelle Delameillieure is vertaler. Anna is een research fellow met expertise in de rol van de geschenken bij huwelijksvorming in het laatmiddeleeuwse Londen. Chanelle verdedigde recent haar proefschrift over de schaking als middel om een huwelijk af te dwingen in de vijftiende-eeuwse Lage Landen. De twee onderzoeksters zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven.

Wat je altijd al hebt willen weten over communistische eetcultuur

1917 was het jaar van de Russische Revolutie. De Russische tsaar Nicolaas II werd vermoord en de bolsjewieken, de linkervleugel van de Russische Socialistische Partij, kwamen in hetzelfde jaar aan de macht. In de jaren die volgden had het communistische regime ingrijpende gevolgen op het dagelijks leven van gewone burgers. Het meest bekend zijn wellicht de hongersnoden en voedseltekorten die ontstonden door de protectionistische politiek van de overheid. Frequente voedseltekorten leidden vaak tot rantsoeneringssystemen waarbij producten, waaraan een tekort was, in beperkte dosissen werden verdeeld onder de bevolking. Velen denken dan onmiddellijk aan de beelden van aanschuivende menigtes die urenlang in rijen stonden om bijvoorbeeld toch maar een stukje vlees te bemachtigen. Rantsoenering kwam ook voor in andere volksrepublieken zoals Polen.

Lange wachtrijen aan winkels.

Daarnaast werden Sovjet-burgers ook geconfronteerd met minder variatie in de voeding. Dierlijke producten waren, onder meer door de collectivisatie van de landbouw, veel schaarser geworden. Voor luxeproducten, waar onder meer bananen toe werden gerekend, was de bevolking aangewezen op de zwarte markt of op een eigen beperkt moestuintje. Verder werd er een grootschalige propaganda op poten gezet om mensen te verhinderen thuis te koken. Dat zou immers te veel tijd in beslag nemen waardoor er minder aan de communistische staat gewerkt kon worden. Daarom richtte de overheid kantines op waar de werkkrachten konden eten. Het daar geserveerde voedsel liet echter vaak te wensen over. In de praktijk bleven de meeste mensen bijgevolg toch thuis koken, wat vooral een grote druk legde op de schouders van vrouwen. Zij werden immers gezien als volwaardige werkkrachten, terwijl ze tegelijkertijd verantwoordelijk werden geacht voor het huishouden.

Meer weten?

Robbe Verbrugge en Ellen van Laer zijn studenten geschiedenis aan de KU Leuven. Ze maakten in het kader van het vak publieksgeschiedenis een podcast over communistische eetcultuur.

Waarom Maradona een van de grootste culturele iconen van Latijns-Amerika werd

Gastblog door Enrico Castro Montes.

Drie weken geleden overleed voetbalicoon Diego Armando Maradona. Het zorgde in Argentinië voor een enorme uiting van nationale rouw, ongezien sinds de dood van Evita Perón, de populaire first lady van Argentinië in de jaren veertig en vijftig. Naar schatting kwamen ongeveer een miljoen mensen samen in Buenos Aires, in coronatijden nota bene, om een laatste groet te brengen aan deze Latijns-Amerikaanse cultheld. Maar hoe heeft Maradona deze mythische status verworven? Waarom werd hij een cultureel icoon van Latijns-Amerika? Voor een antwoord op deze vragen moeten we starten bij het prille begin van voetbal in Latijns-Amerika.

Creools voetbal

Alumni (1910), het meest succesvolle team in de beginjaren van het Argentijnse voetbal.

Britse zeelieden en immigranten introduceerden het voetbal in deze gebieden in het laatste kwart van de negentiende eeuw en het werd al snel populair bij het gewone volk. In de zoektocht naar een nationale identiteit voor de vrij recente natiestaten van Latijns-Amerika bleek voetbal een geschikt instrument. Latijns-Amerikaanse landen probeerden zich met specifieke kenmerken te onderscheiden van de vroegere Europese koloniale overheersers en nieuwe imperialistische machten zoals Groot-Brittannië.

In het voetbal kwam dat tot uiting door een “creoolse” speelstijl die de Argentijnen in de jaren 1920 definieerden in onder andere het populaire sportmagazine El Gráfico. Tegenover de rigide, gedisciplineerde, collectieve en gemechaniseerde stijl van de Britten, stond de frivole, ongedisciplineerde, individualistische manier van spelen van de latino’s. De figuur die hiervoor symbool stond in Argentinië, was de pibe, een soort onvolwassen, rebellerende jongeman uit de armste uithoeken van het land. Niet voor niets was Maradona’s bijnaam El Pibe de Oro, “het gouden jongetje”. Hij verpersoonlijkte deze “geniale onvolwassenheid” als geen ander, zowel op als naast het veld.

Straatjongen

10-jarige Maradona.

De onvolwassenheid van de pibe werd echter niet als iets negatief gezien. Het was een symbool van een geïdealiseerde vrijheid, spontaniteit en sluwheid die nodig was om als underdog te kunnen overleven in de maatschappij en op het voetbalveld. Dit was zeker het geval bij Maradona. Hij groeide in de jaren zestig op in de sloppenwijk Villa Fiorito in de industriële buitenwijken van Buenos Aires en was van zowel Italiaanse als inheemse afkomst. Je zou dus kunnen zeggen dat hij het product was van twee grote migratiestromen die Argentinië en de meeste andere Latijns-Amerikaanse landen gevormd hebben in de twintigste eeuw: massale Europese immigratie en interne inheemse migratie van de provincies naar de hoofdstad.

Toen Maradona’s ouders in 1955 van de noordoostelijke provincie Corrientes naar Buenos Aires verhuisden, maakten ze deel uit van een migratiestroom van gemarginaliseerde personen. Door hun uiterlijke kenmerken, hun donkere huidskleur en zwarte haren, werden ze door de Argentijnse elite smalend cabecitas negras (“kleine zwarthoofden”) genoemd. Kinderen uit deze gezinnen groeiden op in bittere armoede en hadden weinig kansen om uit deze situatie te ontsnappen. Maradona slaagde hier wel in dankzij de bal. Het is nog steeds een droom die veel jongens en meisjes in Latijns-Amerika delen, maar die maar weinigen kunnen verwezenlijken.

Rebel

Ondanks de veronderstelde onvolwassenheid is de figuur van de pibe toch een symbool van traditionele Latijns-Amerikaanse mannelijkheid. Deze masculiniteit wordt anders opgevat dan in het Westen. In tegenstelling tot het westerse beeld van de krachtige, gedisciplineerde man met een atletisch lichaam, heeft de pibe, net als Maradona, een klein, ongetraind lichaam. Het gebrek aan atletisch vermogen wordt tijdens voetbalwedstrijden gecompenseerd door een overdaad aan vaardigheid, sluwheid en kunstzinnigheid. Maar net als bij veel kunstenaars werd het leven van Maradona evenzeer gekenmerkt door chaos en overcompensatie. Momenten van genialiteit en zelfdestructie vormden een rode draad in zijn leven. Maradona wisselde de meest waanzinnige dribbels op het gras af met buitensporig drank-, drugs- en zelfs seksueel misbruik.

De hand van God.

In deze mannelijkheid van de pibe zit ook het rebelse karakter vervat dat Maradona verpersoonlijkte. Zijn hechte vriendschap met links-populistische en anti-imperialistische Latijns-Amerikaanse leiders zoals Hugo Chávez, Evo Morales en Fidel Castro versterkte dat beeld nog. Zijn grootste anti-imperialistische daad verrichte hij op het voetbalveld in de kwartfinales tegen Engeland op het WK 1986 in Mexico. Vier jaar eerder hadden de Britten immers de Argentijnen in de Falklandoorlog verslagen. In 1986 kregen de Argentijnen een uitgelezen kans om een symbolische revanche te nemen op de “neo-imperialistische” Engelsen. Dit gebeurde ook en hoe!

Argentinië won met 2-1 van Engeland en Maradona scoorde de twee meest besproken doelpunten aller tijden. Bij de eerste goal tikte Maradona de bal immers met zijn hand, of volgens hem “de hand van God”, over de doelman. De scheidsrechters hadden niets gezien en keurden het doelpunt goed. Voor de Engelsen was hij op dat moment de grootste valsspeler op aarde, voor de Argentijnen was hij definitief een volksheld. Zij vonden deze goal namelijk de ultieme uiting van de inventiviteit en sluwheid van de pibe. Het tweede doelpunt, later uitgeroepen tot “goal van de eeuw”, was daarentegen een weergaloze slalom waarbij Maradona de Engelse spelers een voor een op het verkeerde been zette. De bekende voetbalcommentator Victor Hugo Morales verwoordde de extase van de Argentijnen op een bijzonder geëmotioneerde manier en gaf hiermee uiting aan de immense revanchegevoelens van Argentijnen bij deze wedstrijd.

Maradona leidde zijn team in 1986 eigenhandig naar de wereldtitel en vervulde hiermee de droom van miljoenen pibes in Latijns-Amerika. Het voetbal gaf een arme jongen als Maradona de kans om zijn gemarginaliseerde buurt, Villa Fiorito, een wijk in Buenos Aires die evengoed in Quito, Medellín, of Lima had kunnen liggen, te overstijgen. Daarom spreekt Maradona’s levensverhaal, ondanks maar misschien ook net omwille van zijn zwarte periodes, tot de verbeelding van miljoenen kinderen en volwassenen. Hij wordt beschouwd als een van de grootste culturele iconen van Latijns-Amerika.

Enrico Castro Montes is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de rol van sport in de constructie van nationale identiteiten in Latijns-Amerika.

Titelafbeelding: Meme depicting the “hand of God” wearing Maradona’s Argentine jersey, from Michaelangelo’s Sistine Chapel. Credit: Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0

Waarom kerken een geliefkoosd target van protest zijn

Gastblog door Hannah Serneels.

“Chilenen ‘vieren’ een jaar protesten door kerken in brand te steken”, zo kopte De Standaard onlangs. In oktober 2019 startten in de hoofdstad Santiago de Chile grootschalige protesten, die al snel oversloegen naar andere steden in het land. De directe aanleiding voor de protesten, een verhoging van de prijs van metrokaartjes met 30 pesos (omgerekend 3 eurocent), symboliseert als  geen ander de sterke economische ongelijkheid in het land. Maar waarom staken de demonstranten  een jaar na de start van de protesten twee van de oudste kerken van de hoofdstad in brand? De media blijven het antwoord grotendeels schuldig. Misschien kan een terugblik op het verleden inspiratie bieden. Ook in de middeleeuwen waren religieuze sites immers wel vaker het toneel voor politiek protest.

De veilige kerk

De kerk van San Francisco de Borja in Chili, een van de twee parochiekerken die getroffen werd door de protesten.

Al sinds de vroege middeleeuwen stonden kerken, abdijen en andere sacrale sites bekend als toevluchtsoord. Religieuze gebouwen konden een zekere vorm van immuniteit bieden tegen het wereldlijk gezag. Een verslag van een rechtszaak uit Venetië in 1519 beschrijft bijvoorbeeld de arrestatie van een zekere Alvise die werd aangehouden aan het portaal van de San Bartomoleo kerk. Hij trok daarop naar de rechtbank om zijn arrestatie aan te vechten, aangezien de bewakers die hem hadden opgepakt de sacrale ruimte hadden geschonden.

Die bijzondere positie van sacrale sites was wellicht de reden dat opstandelingen ze graag gebruikten als ontmoetingsplaatsen. De middeleeuwse ambachten hadden de gewoonte om voor hun reguliere vergaderingen samen te komen in de abdijen van bedelorden in de stad. De mogelijke verklaringen daarvoor zijn velerlei: de abdijen zouden bijvoorbeeld genoeg fysieke vergaderruimte bieden. De bedelorden zelf stonden dicht bij de gewone stedeling en ze waren belangrijke voorstanders van het idee van inspraak in vergaderingen en beleid. Maar eigenlijk weten we nog niet precies waarom ambachten op deze plekken samenkwamen.

Religieuze vergaderplekken

Stadsbestuurders waren niet altijd blij met zulke bijeenkomsten op religieuze plekken. In perioden van onrust in de stad werd er vaak besloten dat samenkomen op het kerkhof verboden was. Het ging het stadsbestuur daarbij niet zozeer om het voorkomen van zedenverval – het kerkhof was ’s nachts een geliefde plek voor prostituees en ondadich volck –, maar om het verhinderen van ongewenste vergaderingen.

Naar religieuze plekken gaan stond bijna synoniem voor het houden van een illegale – en mogelijk gevaarlijke – vergadering. De bestraffingen na een opstand in 1311 in Aardenburg, een kleine Vlaamse stad in het huidige Nederlandse Zeeland, illustreren dat mooi. In een opsomming van misdaden, schreef het stadsbestuur neer dat bepaalde opstandelingen “ten beghinen” waren gegaan. Meer nog, de stedelingen waren van huis tot huis gegaan om iedereen op te roepen mee naar het Begijnhof te trekken, waar op dat moment nieuwe hoofdmannen (stedelijke leiders) werden verkozen zonder toestemming van het stadsbestuur. Het Aardenburgse begijnhof fungeerde dus als plek bij uitstek voor de demonstranten om samen te komen en zich te organiseren. Alleen al naar het Begijnhof gaan, werd door het stadsbestuur bestraft.

De kerk als strijdtoneel

Akte waarin de Vlaamse graaf, de straf voor de opstandige Aardenburgenaren liet optekenen na de opstand van 1328 (Gemeentearchief Sluis, Aardenburg 1201-1794, nr. 1467).

Een kleine twintig jaar later was het in verschillende Vlaamse steden en dorpen hommeles. Op het platteland was omstreeks 1323 een opstand ontstaan tegen de Vlaamse graaf en zijn aanhangers onder de lokale elites. De jaren daarop was de opstand overgeslagen naar verschillende steden, waarna de graaf in 1328 met zijn leger ten strijde trok tegen de opstandelingen. In Aardenburg kreeg vooral de Onze-lieve-vrouwkerk ervan langs in 1328. De stedelingen hadden de kerk tijdens de opstand zozeer beschadigd, dat de Doornikse bisschop de stad prompt plaatste onder een interdict, een soort kerkelijke straf die ervoor zorgde dat de Aardenburgenaren geen sacramenten meer konden ontvangen.

Uit een serie brieven van het Aardenburgse stadsbestuur aan de Vlaamse graaf blijkt dat de demonstranten het niet zomaar op de kerk gemunt hadden. Het lijkt erop dat een groep notabelen van de stad zich in de kerk verscholen had om zich te beschermen tegen de opstandelingen. De Aardenburgenaren hadden zich duidelijk niet laten tegenhouden door de eeuwenoude ideeën van immuniteit in sacrale ruimtes om hun frustratie bot te vieren op de notabelen. De Onze-lieve-vrouwkerk in Aardenburg zou naderhand overigens nooit meer dezelfde geweest zijn.

Het is duidelijk dat de vorm en uiting van protest altijd voortvloeien uit concrete plaatsgebonden bekommernissen. In Chili blijkt het dan ook niet toevallig dat juist de parochiekerk van de politie in de as werd gelegd. Die had de demonstranten immers sinds het begin van het protest gewelddadig aangepakt. Een andere verklaring is dat de progressieve opstandelingen zich tegen de kerken richten als symbool voor de ethisch conservatieve Katholieke Kerk. Dat was ook het geval bij de middeleeuwse opstanden. De kerken werden in beide tijdsperiodes het slachtoffer van protest door hun krachtige symboliek, in de middeleeuwen als toevluchtsoord, in Chili als toonbeeld van een behoudsgezind systeem. Toch zijn zo’n vergelijkingen maar tot op zekere hoogte zinvol, omdat de lokale context allesbepalend is. Geen enkele opstand is dezelfde.

Hannah Serneels is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar contestatie en verzet in de laatmiddeleeuwse stedelijke ruimte.

Medische keuzes tussen leven en dood

De piek van de tweede golf van het coronavirus ligt hopelijk alweer achter ons. Enkele weken geleden waren de vooruitzichten voor de Belgische ziekenhuizen bijzonder grimmig. Artsen waarschuwden dat de maximumcapaciteit van 2.000 bedden op de ziekenhuisdiensten intensieve zorgen bijna was bereikt. Had zo’n worstcasescenario zich voorgedaan, dan hadden artsen keuzes moeten maken tussen patiënten die intensieve verzorging nodig hebben.

Zulke dilemma’s zijn niet nieuw in de geschiedenis van de geneeskunde. In de negentiende eeuw was de keuze tussen het leven van de vrouw en dat van het ongeboren kind bijvoorbeeld vaak onvermijdelijk bij moeilijke bevallingen. Wat wel is veranderd, is de manier waarop beslissingen over leven en dood worden genomen. De ethische commissies die tegenwoordig richtlijnen opstellen voor intensivisten, waren er in de negentiende eeuw nog niet. Elke arts was aangewezen op zijn eigen beoordelingsvermogen.

Professionele en levensbeschouwelijke vrijheid

Leuvense doctoraatsstudenten in de geneeskunde aan het einde van de negentiende eeuw (Universiteitsarchief KU Leuven).

In het negentiende-eeuwse België was de vrijheid van artsen groot. De liberale Belgische overheid bemoeide zich amper met de regulering van de geneeskunde, laat staan met het opstellen van ethische richtlijnen. Eens artsen hun diploma op zak hadden, konden ze hun eigen accenten leggen bij de behandeling van patiënten. Via wetenschappelijke publicaties werden ze wel geacht om up to date te blijven van nieuwe behandelingsmethoden en aanbevelingen van wetenschappelijke autoriteiten. Maar afwijkingen van de regel werden niet als problematisch ervaren, zolang iedere arts zijn zelfgekozen therapie kon verantwoorden. Het verlangen om vrij te handelen was groter dan de zucht naar uniformiteit.

Professionele vrijheid betekende bij ethische kwesties ook levensbeschouwelijke vrijheid. In 1852 vond er bijvoorbeeld een toonaangevend debat plaats over de gerechtvaardigdheid van een ‘preventieve’ medische abortus bij zwangere vrouwen met een smal bekken in de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België. Zonder een zwangerschapsafbreking riskeerden deze vrouwen te sterven tijdens hun bevalling. Voor katholieke leden van de Academie was medische abortus een inbreuk op het katholieke gebod “gij zult niet doden”. Zij waren voorstander van de keizersnede, een operatie die in theorie twee levens kon redden maar in de praktijk vaak fataal afliep voor de vrouw. Liberale artsen waren meer geneigd om het leven van de vrouw prioriteit te geven. Na een jaar debatteren slaagden de leden er niet in om een algemeen geldend advies over medische abortus te formuleren. En dus, zo luidde het besluit van de Academie, was het aan iedere arts om zelf te beslissen of hij naargelang de situatie al dan niet een medische abortus uitvoerde.

Het bezwaarde geweten

De leden van de Academie beschouwden de uitkomst bij verloskundige dilemma’s als een gewetenskwestie van de behandelende arts. Ook aan de meeste medische faculteiten kregen studenten te horen dat ze de stem van hun geweten moesten volgen. Alleen dokters die aan de Katholieke Universiteit van Leuven hadden gestudeerd, hadden tijdens hun lessen verloskunde duidelijke ethische richtlijnen meegekregen. Medische abortus en andere operaties die met zekerheid de dood van de foetus betekenden, waren volgens hun docenten niet in overeenstemming te brengen met het katholieke geweten.

Eugène Hubert, professor in de verloskunde aan de Katholieke Universiteit van Leuven.

Dat artsen conform aan hun geweten moesten handelen, impliceerde dat ze geen operaties moesten uitvoeren waar ze niet achter stonden. Volgens het hiërarchische denkkader in de negentiende eeuw waren artsen de best geplaatste personen om een beslissing te nemen over de behandeling van hun patiënten. Vrouwen en hun entourage speelden bijgevolg maar een kleine rol in het besluitvormingsproces. In levensbedreigende omstandigheden, zoals bij moeilijke bevallingen, was het wel gebruikelijk om hun toestemming te vragen om een bepaalde ingreep uit te voeren. Maar deze toestemming betekende niet hetzelfde als keuzevrijheid. Vrouwen konden de operatie die de voorkeur van hun arts genoot wel weigeren, maar waren vaak niet in de positie om hem te overtuigen van een alternatieve ingreep.

De verantwoordelijkheid van de individuele arts bij het nemen van moeilijke beslissingen had wel een belangrijke schaduwzijde. In 1892 blikte de Leuvense hoogleraar in de verloskunde Eugène Hubert bijvoorbeeld terug op een bevalling uit zijn loopbaan die hem was blijven achtervolgen. De bevalling was op de slechtst mogelijke manier afgelopen, omdat Hubert de levende foetus niet had willen opofferen voor het leven van de moeder. Nadat een patiënt met een erg smal bekken een keizersnede had geweigerd, besliste de diepgelovige arts om te wachten op de dood van de foetus. Alleen dan vond hij het gerechtvaardigd om een destructieve operatie uit te voeren waardoor de verminkte foetus gemakkelijker kon passeren langs het geboortekanaal. Uren en dagen gingen voorbij. Alle hulp kwam uiteindelijk te laat voor de vrouw die kort na haar ongeboren kind overleed. De spijt van Hubert was groot: “Dit feit heeft me lang geobsedeerd, zoals de herinnering aan een nachtmerrie.”

Ethische handleidingen

Het eerste vak medische deontologie in België werd vanaf 1890 gedoceerd aan de Leuvense universiteit.

Omstreeks het begin van de twintigste eeuw werden de eerste stappen gezet naar ethische ‘handleidingen’ voor artsen bij het maken van moeilijke keuzes. Aan de Katholieke Universiteit van Leuven werden ethische kwesties gebundeld in een apart vak medische deontologie. In de eerste decennia van de twintigste eeuw kende het navolging aan andere medische faculteiten. Het ontwikkelen van deontologisch advies en ethische standpunten werd ook een kerntaak van de Orde der geneesheren, opgericht in 1937. Die trend zette zich verder in de tweede helft van de twintigste eeuw met de oprichting van leerstoelen medische ethiek aan universiteiten en ethische commissies in ziekenhuizen.

Vandaag weten intensivisten waar ze aan toe zijn in een worstcasescenario. Naast de FOD Volksgezondheid hebben ook de ethische commissies van ziekenhuiskoepels hun aanbevelingen voor keuzes tussen ernstig zieke corona-patiënten uiteengezet. Als er voorrang wordt gegeven aan patiënten die de meeste overlevingskansen hebben of aan patiënten die de meeste levensjaren in het verschiet hebben, dan doen artsen dat op basis van vooraf bepaalde criteria. De ethische richtlijnen zijn opgesteld met het oog op de psychologische impact van moeilijke beslissingen door artsen. Het nieuwe credo luidt, zoals professor medische filosofie Ignaas Devisch in maart verklaarde: “Dit kan en mag je niet als arts alleen beslissen”.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en ideologie in debatten tussen Belgische verloskundigen in de negentiende eeuw.

Waarom Franse vrouwen tijdens de Franse Revolutie guillotinekapsels droegen (of niet)

In het Nederlandse programma Tussen kunst en kitsch, vergelijkbaar met het Vlaamse Rijker dan je denkt, kwam vorig seizoen een Frans schilderijtje aan bod. De kunsthistoricus van dienst beredeneerde dat het van de late jaren 1790 moest dateren. Hij deed dit op basis van het kapsel van de dame die op het kunstwerk was afgebeeld. Haar haardracht, een zogenaamd kapsel à la victime, zou op het einde van de achttiende eeuw onder aristocratische vrouwen populair zijn geweest. Het achtergrondverhaal dat de expert bij dit kapsel gaf klonk dermate fantastisch dat ik het niet zonder meer voor waar kon aannemen.

De overlevering

Portret door Jacques-Louis David van de tweeëntwintigjarige Suzanne Le Peletier de Saint-Fargeau in 1804, in modieuze kleding en met kort haar.

Volgens de televisie-expert verwezen jonge adellijke dames in het Frankrijk van de late achttiende eeuw met dit kapsel naar de guillotine. In de eerste helft van de jaren 1790 waren namelijk duizenden tegenstanders van de Franse Revolutie, maar ook gematigde politici en aristocraten, gearresteerd en daarna met behulp van de guillotine onthoofd. Na de val van het regime dat de executies had aangemoedigd, het zogenaamde Schrikbewind, zouden jonge welgestelde dames met hun korte haardracht hebben verwezen naar hun geguillotineerde familieleden en vrienden. Het haar van de veroordeelden was voorafgaand aan hun executie immers ook kort afgeknipt om het werk van ‘het nationale scheermes’ te vergemakkelijken.

De legende gaat zelfs nog verder. De kortgekapte dames zouden ook zogenaamde bals des victimes hebben bezocht die ter ere van het einde van de vele executies zouden zijn georganiseerd. Op deze decadente bijeenkomsten zouden enkel familieleden van geguillotineerden welkom zijn geweest. Zij zouden hun trauma’s hebben verwerkt door met hun kleding naar de guillotine te verwijzen. Volgens de legende verschenen ze bijvoorbeeld net als de slachtoffers van de guillotine blootsvoets en droegen ze een rood lint op de plek waar het mes de nek van een terdoodveroordeelde raakte. De aanwezigen zouden hun danspartners zelfs niet hebben begroet met een vriendelijke knik, maar met een plotselinge ruk van het hoofd, als imitatie van het moment van onthoofding.

Romantische historici

De guillotine maakte veel slachtoffers onder de voormalige Franse adel. Op deze afbeelding zien we de executie van de Franse koning Lodewijk XVI.

Deze verklaring voor het in die tijd populaire kapsel werd tot vrij recent algemeen aanvaard en duikt nog steeds regelmatig op. Hoewel het een mooi verhaal is, betreft het helaas een fabel. Waarschijnlijk is de legende een negentiende-eeuwse fictie van romantische Franse auteurs. Negentiende-eeuwse historici als Jules Michelet en Louis Blanc veroordeelden de hypocrisie en de ‘respectloze lichtheid’ die uit dit ‘valse rouwproces’ van de elite zou spreken. Niet alle historici veroordeelden de bals des victimes even scherp; wel waren ze het er tot diep in de twintigste eeuw over eens dat de bals in ieder geval plaatsgevonden hadden.

De verbazing was dan ook groot toen bleek dat er geen historisch bewijsmateriaal over de bals bestaat. Eind twintigste eeuw gingen kritische historici op zoek naar direct bewijs in de Franse archieven, en vonden daar niet de grote hoeveelheden aankondigingen van bals des victimes die ze hadden verwacht. Ze vonden zelfs geen vermeldingen van de bals in de documenten van de goed geïnformeerde revolutionaire politie. Nochtans zou die toch zeker op de hoogte moeten zijn geweest van dergelijke subversieve bijeenkomsten van aristocratische jongelingen.

Vanwege de rode halsketting wordt dit portret van Madame Fouler vaak gebruikt in hedendaagse populaire teksten over de bals des victimes.

Wat blijkt nu? Er is een aannemelijke verklaring voor de populariteit van de verhalen rond de bals. Ze kwamen op in de jaren 1820, een periode waarin ook griezelverhalen als Mary Shelley’s Frankenstein en John Polidori’s Vampyre populair werden, en ze sloten mooi aan bij deze rage. Bovendien konden historici de geconstrueerde herinnering aan deze bijeenkomsten gebruiken als een levendig beeld om de chaos en complexe emoties van de Franse Revolutie aan op te hangen. Dat het bestaan van de bals vanaf de jaren 1820 als algemeen bekend werd aangenomen heeft er vervolgens voor gezorgd dat historici het niet nodig vonden om hun beweringen over de bals te onderbouwen.

En het kapsel à la victime? Dit heeft, zoals we op talloze schilderijen van rond 1800 kunnen zien, uiteraard wel echt bestaan. Dat de haardracht zou verwijzen naar het afgeknipte haar van de geguillotineerden lijkt echter onwaarschijnlijk. Het kapsel stond eind achttiende eeuw nog bekend onder de benaming “à la Titus” en was in feite geïnspireerd was op kapsels uit de Oudheid. Net als de bals des victimes is dus ook de benaming van het kapsel een later, negentiende-eeuws verzinsel.

Meer lezen?

Ronald Schechter, “Gothic Thermidor: The Bals des victimes, the Fantastic, and the Production of Historical Knowledge in Post-Terror France,” Representations, No. 61, (Winter, 1998).

David A. Bell, The First Total War (New York: Houghton Mifflin, 2007), p. 192.

Georges Duval, Souvenirs thermidoriens (Paris: V. Magen, 1844)

Wouter Egelmeers is als doctoraatstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt de invloed van het eerste visuele massamedium, de toverlantaarn, op het negentiende-eeuwse Belgische onderwijs.

Pornografen zonder grenzen

Gastblog door Leon Janssens.

In 2019 kondigde de Britse regering aan dat iedereen die een pornowebsite bezocht vanuit het Verenigd Koninkrijk vanaf 15 juli 2020 zijn leeftijd zou moeten bewijzen. Die wetgeving was erg onpopulair en technisch gezien een huzarenstukje. Aan de hand van een VPN (Virtual Private Network) kunnen internetgebruikers digitale landsgrenzen immers eenvoudig omzeilen. Uiteindelijk werd de regelgeving afgevoerd nog voor ze in werking trad.

Ook in de negentiende eeuw zorgden technologische ontwikkelingen ervoor dat pornografen (en hun producten) in steeds grotere getalen landsgrenzen overstaken. Deze internationalisering van de porno-industrie stelde het toenmalige politieke bestel voor een groot probleem. In de meeste Europese landen bestond er namelijk een verbod op het produceren, verspreiden of tentoonstellen van pornografie.

De vervolgingsproblematiek

Dergelijke ‘studiofoto’s’ waren in trek omstreeks 1900 (A young woman, posing naked in a photographic studio, ca. 1900. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Op 19 oktober 1912 vielen politieagenten de krantenwinkel van Jean Baptiste binnen in het station van Hollerich in Luxemburg. Ze slaagden erin een ‘aanzienlijke hoeveelheid’ foto’s met ‘volledig naakte’ mannen en vrouwen in ‘smerige losbandige houdingen’ in beslag te nemen. Jean bekende. Hij had wel ‘meer’ van dit soort ‘pornografische producten’ verkocht. Deze foto’s had hij in september van een onbekende gekocht die in het gezelschap was van Peter Hackmann, een Belg die een postkaartenfabriek uitbaatte in Luxemburg. De politie deed een huiszoeking bij Peter. Ze vonden geen foto’s, maar ze konden wel een verklaring lospeuteren bij Peters vrouw Clara. Zij vertelde dat de onbekende man die Jean beschreef haar schoonbroer was: Gerard Hackmann. Hij was fotograaf in België en had haar en haar man ‘toevertrouwd’ dat hij ‘in functie’ van zijn beroep ‘soms’ zulke foto’s maakte die hij dan aan ‘gunstige prijzen’ kon doorverkopen.

In de periode voor 1910 zou het onderzoek hier waarschijnlijk zijn gestopt. Het was moeilijk om producenten van pornografisch materiaal te vervolgen wanneer die in een ander land woonden. Dat probleem werd vaak besproken op congressen over pornografie. Zo stelde de Belgische vertegenwoordiger op het Congrès contre la mauvaise littérature in 1893 dat: ‘de slechte boeken die gemaakt worden in België bijna allemaal bedoeld zijn voor de export’. Het probleem werd erg scherp geformuleerd op een ander congres in 1908: ‘De handel [in pornografie] is internationaal, juist om de vervolgingen, huiszoekingen en inbeslagnames te voorkomen die het gevolg zouden zijn als het [de handel] nationaal zou zijn’. Er moest dus een internationale oplossing komen om het pornoprobleem aan te pakken.

Oorlog aan den pornografie

Op 4 mei 1910 ondertekende België samen met de Verenigde Staten, Brazilië, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg het ‘akkoord voor de onderdrukking van de circulatie van obscene publicaties’. Een van de afspraken was dat er een betere samenwerking moest komen tussen de gerechtelijke instanties van de deelnemende landen. Voor de fotograaf Gerard was deze samenwerking slecht nieuws; nog geen week na de inval bij Jean stond de Luxemburgse onderzoeksrechter in contact met de procureur-generaal van Arlon. Die liet Gerard op 31 oktober 1912 arresteren en ondervragen door de politiecommissaris van Athus.

Ook suggestieve postkaarten gaven aanleiding tot verontwaardiging, inbeslagnames en gerechtelijk onderzoek (Archives départementales de la Haute-Vienne, Europeana, CC BY-SA).

De haast en de ernst in deze zaak doen vermoeden dat er toch iets meer aan de hand was dan ‘soms eens’ wat foto’s zoals Gerard beweerd had. Wat bleek? De vader van Gerard en Peter, Johan Hackmann, was douanier te Athus. Met een douanier als vader, een fotograaf als zoon en een andere zoon met een drukkerij net over de grens was dit misschien een extra verdachte familie voor het Belgische gerecht. Kneep vader Hackmann een oogje dicht wanneer zijn zoon de grens overstak met een koffer vol pornografische foto’s? Of was het een goed georganiseerd familiebedrijf?

We zullen het nooit weten. Wat we wel weten is dat pornografen moeilijker hun gang konden gaan na het akkoord van mei 1910. De communicatie tussen de verantwoordelijke diensten van verschillende landen nam sterk toe. Er werden lijsten uitgewisseld met potentiële verdachten, verdachte post uit het buitenland werd geanalyseerd en het verblijf van verdachte Belgen in het buitenland werd nauwlettend in de gaten gehouden. Al deze nieuwe maatregelen konden echter niet helpen bij het vervolgen van Gerard. Bij zijn arrestatie ontkende hij alle feiten en er werd uiteindelijk geen belastend materiaal gevonden. In november van 1910 besloot de procureur des Konings dat er onvoldoende belastend materiaal was om Gerard te vervolgen.

Omwille van de gevoeligheid van dit thema werd er gekozen om alle betrokkenen een pseudoniem te geven.

Meer lezen?

Annie Stora-Lamarre, L’enfer de la IIIe République: censeurs et pornographes 1881-1914, Paris: Imago, 1990.

Leon Janssens is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de angst voor pornografie op het einde van de negentiende eeuw.

Vijf voor twaalf voor het moedertaalonderwijs?

Wanneer de media over het taalgevoel van onze jeugd spreken, is dat zelden om goed nieuws te melden. In kranten verschijnen met de regelmaat van de klok alarmerende berichten die ons moeten overtuigen van het feit dat het taalniveau van Vlaamse leerlingen en studenten in vrije val is: hun leesbegrip is ondermaats, hun woordenschat ontoereikend en hun schrijftalent belabberd. Uit onderzoeken blijkt overigens een achteruitgang ten opzichte van enkele jaren geleden.

Welke verantwoordelijkheid draagt het vak Nederlands? De tweedeling tussen kennis en taalvaardigheid in dat vak was altijd al een moeilijke evenwichtsoefening. Want wat primeert? Heeft het vak Nederlands vooral een maatschappelijke functie en moet het vak in de eerste plaats leerlingen functioneel geletterd maken? Of draait het uiteindelijk vooral om hogere, belangelozere doelen: het creatief uitdagen van jongeren en hun kritische zin, taalgevoel en een ruime culturele bagage meegeven? Met andere woorden: is Nederlands in de eerste plaats een praktisch of een humanistisch vak?

Vondel of vaardigheid?

Een lesfoto uit 1958 (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

Wie de geschiedenis van het schoolvak Nederlands bekijkt, merkt op dat dit vraagstuk leerkrachten, didactici en onderwijsverstrekkers al langer heeft beziggehouden. Een zeventienjarige die in de jaren 1950 op de schoolbanken zat, kreeg in de lessen Nederlands vooral literatuur te verwerken. Hij las een toneelstuk van Vondel, leerde gedichten uit het hoofd om nadien voor te dragen en schreef stilistisch fraaie opstellen over zijn zielenroerselen. Zakelijke teksten kreeg hij slechts bij uitzondering te lezen.

Wanneer er dan toch taalvaardigheidslessen gegeven werden, stonden die in het teken van het Algemeen Beschaafd Nederlands. In de jaren ’50, ’60 en ’70 draaide de ABN-campagne op volle toeren. De dialecten stonden destijds nog stevig in hun schoenen en met het Standaardnederlands, de geadopteerde eenheidstaal uit Nederland, waren slechts weinigen echt vertrouwd. Taaltuiniers — zoals ze zich vaak noemden — kweten zich van de ondankbare taak om het talig onkruid uit de mond van de Vlaming te wieden. Ze deden dat op de radio, op tv, in de krant en dus ook op school. Leerkrachten Nederlands leerden hun leerlingen een klankzuivere aa te maken, wezen hen op het gevaar van gallicismen en brachten hen bij dat je niet kleedje, maar jurkje hoorde te zeggen.

Een ABN-spreektoernooi medio jaren 1960 (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

In tegenstelling tot toen overheerst bij de beleidsmakers van vandaag een communicatieve visie op het vak. De kering is ingezet in de jaren ‘70 met het zogenaamde vernieuwd secundair onderwijs (vso) dat scholen nadrukkelijker de opdracht gaf om hun leerlingenpopulatie op maatschappelijk functioneren voor te bereiden. Kunnen werd belangrijker dan kennen en een leraargerichte aanpak werd ingeruild voor een leerlinggerichte pedagogie.

Sindsdien staat in de lessen Nederlands het opkrikken van de taalbeheersing centraal – een streven dat bovendien breder wordt opgevat dan de ABN-campagne uit het verleden. Dit betekent dat er grote aandacht uitgaat naar het schrijf- en spreekproces, dat er veel tijdschriftartikels gelezen worden en dat luistervaardigheid expliciet getraind wordt — allemaal zaken die in het jaarplan van de jaren ’50 ontbraken. De doelstellingen literatuur zijn in het huidige leerplan dan weer gereduceerd tot een viertal zeer open geformuleerde verwachtingen die — mochten leerkrachten dat willen — gerust in een week ingelost zouden kunnen worden.

De historicus in een actueel debat

Het is natuurlijk opmerkelijk dat onheilspellende berichten over een dalende taalvaardigheid zo luid weerklinken wanneer leerkrachten Nederlands er net meer aandacht aan geven. Wat is er vandaag precies aan de hand?

Een speelplaats uit de jaren 1960 met het opschrift “Spreek beschaafd” (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

De geschiedenis kan helpen bij het vinden van een (deel van het) antwoord. Zo speelt vermoedelijk de democratisering van het onderwijs een rol. Secundair onderwijs was lang voorbehouden voor een minderheid van de bevolking. Tot in de jaren ’80 waren Vlaamse kinderen slechts leerplichtig tot aan hun veertiende. Toch hadden de middelbare scholen na de Tweede Wereldoorlog steeds meer aantrek. Vanaf 1959 werden inschrijvingsgelden afgeschaft, wat uiteraard drempelverlagend werkte. Door de bredere instroom werden scholen bijgevolg meer en meer geconfronteerd met een publiek waarvan de thuisomgeving minder intellectueel en taalrijk was dan voorheen.

Kennis van het verleden biedt ons in dit boeiende en belangrijke debat bovendien ook de nodige relativering. Al in 1959 werd in een vaktijdschrift voor neerlandici geklaagd over de spreek- en schrijfvaardigheid van de jeugd. In 1986 organiseerde de Nederlandse Taalunie een conferentie met de veelzeggende titel “Het moedertaalonderwijs: vijf voor twaalf?”. Bij eenentwintigste-eeuwse leerkrachten met een horloge breekt ondertussen allicht blinde paniek uit. Uiteraard spelen vandaag de nieuwe media een bijkomende rol. In publicaties worden zij vaak als de oorzaak van een dalend concentratievermogen en taalgevoel aangewezen. Dat we zelfs dat al eerder hebben gehoord, blijkt uit dit citaat van 1941:

“Hoeveel is er bovendien niet, dat de leerlingen van hun dagelijkse arbeid aftrekt. De knop van de radio ligt zo dicht binnen hun bereik en verschaft zulk een gemakkelijk genot, dat het leerboek maar al te gaarne ter zijde gelegd wordt.”

Dries Cromheecke was in het academiejaar 2019-2020 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schreef een masterproef over de evoluties in leerinhouden en didactiek in het vak Nederlands sinds 1945.

Titelafbeelding: een foto van twee leerlingen in een schoolbib in het schooljaar 1985-1986 (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

5 coronatips van Andreas Stynen

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Het einde van de zomer vieren we met de tips van Andreas Stynen.

1 Boek: The Nickel boys van Colson Whitehead

Corona beheerste de verslaggeving dit jaar, maar 2020 wordt ook getekend door Black Lives Matter. Structureel racisme en geweld vormen het leitmotiv in de met een Pulitzer bekroonde roman The Nickel boys. Protagonist Elwood Curtis, een jongeman die al zijn hoop op de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King vestigt, ziet zijn droom van universitaire studies uit elkaar spatten wanneer hij naar de Nickel Academy wordt gestuurd: een tuchtschool waar directie, leerkrachten en opzieners willekeurige agressie inzetten om de jongeren te kraken. Zwart of wit, geen enkele jongen wordt ontzien. Maar voor de zwarte leerlingen gaat de gruwel nog net een stap verder. Het verhaal van The Nickel boys is weliswaar fictie, de roman is op een pijnlijke waarheid gebaseerd: in 2013 werden in Florida op de gronden van de vroegere Dozier School for Boys tientallen lijken opgegraven, met sporen van zware verminking. Colson Whiteheads boek grijpt naar de keel en laat de lezer helemaal ontredderd achter.

2 Muziek: Debussy – Rameau van Víkingur Ólafsson

In zijn nog jonge carrière heeft de IJslandse pianist Víkingur Ólafsson al vele genres verkend. Opnames van onder meer Franz Schubert, Philip Glass en zeker Johann Sebastian Bach leverden hem heel wat lof op. Zijn zeer transparante én warme pianospel trekt hij door op Debussy – Rameau, een zowel muzikaal als historisch intrigerende plaat. Ólafsson brengt er twee baanbrekende Franse componisten met elkaar in dialoog. Aan de ene kant is er Jean-Philippe Rameau, de barokke grootmeester wiens Traité de l’harmonie (1722) de theoretische regels doorgrondde die veel muziek tot op vandaag vormt; aan de andere kant – en twee eeuwen later – is er Claude Debussy, die ondanks een grote bewondering voor Rameau verwoede pogingen deed om de muziek op nieuwe, vaak bewust vervreemdende sporen te zetten. In Ólafssons erg doordachte opeenvolging van composities worden beide componisten haast tijdgenoten van elkaar en klinken onvermoede echo’s en verbanden.

3 Televisie: Babylon Berlin

Twee afleveringen ver in Babylon Berlin: tijdens een bezwerend nummer van een androgyne performer gaat een uitzinnige menigte uit de bol in de Berlijnse nachtclub Moka Efti, terwijl danseressen in bananenrokjes (en de drummer van The Bad Seeds) het publiek verder opzwepen. Wie een traag opgebouwde politieke serie over het einde van de Weimarrepubliek verwacht, is eraan voor de moeite. Het Duitse Babylon Berlin is een intense, erg fysieke reeks die tastbaar maakt op wat voor vulkaan de Duitse samenleving anno 1929 danste. Aanvallen van links en rechts brengen alle zekerheden aan het wankelen en letterlijk tientallen personages proberen zich, met wisselend succes, in de oplopende politieke en sociale spanningen staande te houden. Snedig en bij moment oogverblindend in beeld gebracht, doet het eerste (dubbele) seizoen mij reikhalzend uitkijken naar het vervolg.

4 Fietsen langs het Antitankkanaal

Halfweg de negentiende eeuw werd Antwerpen tot réduit national ‘gepromoveerd’: de stad werd een zwaar beveiligd bolwerk waar de Belgische overheid en het leger zich bij een invasie konden terugtrekken en standhouden. Deze strategie was niet alleen omstreden maar bleek na de Duitse inval in augustus 1914 ook een mislukking: ondanks een dubbele fortengordel werd de slag om Antwerpen verloren. Eind jaren 1930 werd daarom een 33 kilometer lange en 6 meter brede gracht gegraven, in een kwart cirkel van Massenhoven tot Berendrecht. Doel: de opmars van vijandelijke tanks naar de havenstad stoppen. Dit Antitankkanaal zou zijn militaire belofte evenmin waarmaken. Maar het leverde de regio ten noordoosten van Antwerpen wel een groene ader op: het voorziene Duwvaartkanaal werd nooit gerealiseerd en is intussen afgevoerd, zodat de waterloop een rol als langgerekt natuurverbindingsgebied kan vervullen. Als kind ging ik er vaak fietsen en in de coronamaanden herontdekte ik de paden langs de gracht, eveneens uitstekend terrein om te wandelen, lopen en mountainbiken. Ecologisch beheer levert er mooie resultaten op en de vele (sluis)bunkers bleken ideaal om tijdens de lockdown de klauter- en springtechnieken van mijn kinderen te onderhouden.

5 Guilty pleasure: 7 Wonders

De wondere wereld van 7 wonders (CC BY-NC-SA 3.0).

Over kinderen gesproken: de sluiting van de scholen was het startschot om haast dagelijks een bordspel uit de kast te halen. Na enkele weken was er geen twijfel meer over de favoriet: 7 Wonders. Elke speler bouwt een stad uit en dat zadelt haar of hem drie tijdperken lang met keuzestress op. Commerciële of civiele gebouwen optrekken? In militaire of wetenschappelijke infrastructuur investeren? Zelf punten scoren of toch maar de medespelers een hak zetten? Uitbreidingen voegen onder meer leidersfiguren, vloten en collectieve projecten toe en laten de mogelijkheden nog exponentieel groeien. Vele uren pleasure, dat is duidelijk. Maar guilty? Alles bij elkaar misschien enkele seconden – mijn competitiedrang houdt weinig rekening met leeftijd…

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Kaat Wils

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Kaat Wils.

1 Boek: De Toverberg van Thomas Mann

De toverberg (CC BY 3.0).

Thomas Manns De Toverberg (1924) lag al twee jaar te wachten om gelezen te worden. Nu Corona uitbrak, was er geen excuus meer. Voor wie vermoeid of uitgeblust geraakt door de discussies onder medisch historici over de vraag of we nu een intensivering dan wel een transformatie van het ‘medisch regime’ doormaken, biedt het boek uitkomst: samen met hoofdpersoon Hans Castorp kan je je zeven jaar terugtrekken in het sanatorium van Davos. Het boek mag dan een satire zijn op het sanatoriumleven aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, het is toch vooral een ‘innerlijk portret van een tijdperk’, zoals Mann het zelf noemde. En een even leesbare als beklijvende reflectie op de ervaringen van tijd en tijdloosheid, ziekte en dood.

Voor wie na 900 pagina’s lectuur verweesd achterblijft, biedt de uitgave van De Arbeiderspers een extraatje in de vorm van een lezing die Mann over het boek gaf op uitnodiging van de universiteit van Princeton. En voor wie zoals ik schrijft aan een boek dat maar niet lijkt op te schieten, biedt deze lezing onverwacht een vorm van troost: ‘De onderschatting van een project is misschien niet alleen bij mij een telkens terugkerende ervaring. […] Het zal hier wel gaan om een noodzakelijk productief zelfbedrog. Als je je van tevoren bewust bent van alle mogelijkheden en moeilijkheden van een werk en zijn eigen wil kent, die maar al te vaak heel erg verschilt van die van de schrijver, zou je je armen in je schoot leggen en niet eens de moed hebben eraan te beginnen. Een werk heeft in sommige gevallen zijn eigen ambities, die die van de schrijver ver kunnen overtreffen, en dat is maar goed ook.’

2 Muziek: corona-concertjes

Na meer dan 80 corona-concertjes met een schare buurtbewoners in het lokale woonzorgcentrum is mijn kennis van (en soms ook appreciatie voor) de Vlaamse schlager significant toegenomen. Ook de anderstalige nummers uit ons dagelijks groeiend repertoire gaven gaandeweg hun geheimen prijs. Zo bleek Leonard Cohen’s Halleluja een stuk minder devoot dan het leek op basis van de parochiale ijver waarmee het telkens opnieuw door jong en oud werd gezongen.

Ook Joan Baez’ vrolijk klinkende Donna Donna over een kalfje dat niet wil geslacht worden, bleek minder lichtvoetig dan de melodie doet uitschijnen. De versie die Baez in 1960 opnam, gaat terug op een populair lied in het Jiddisch uit de Tweede Wereldoorlog, gecomponeerd door de Oekraïens-Joodse, naar de VS geëmigreerde componist Sholom Secunda. Het verhaal over het kalf dat naar de slachtbank wordt geleid, verwijst uiteraard naar het lot van de Joden in Duitsland en Centraal-Europa. In de Engelse vertaling uit de jaren 1950 werd het lied – explicieter dan in de oorspronkelijke tekst – een ode aan de vrijheid in gevangenschap, de durf om het eigen tragische lot te overstijgen: ‘Stop complaining, said the farmer/Who told you a calf to be/Why don’t you have wings to fly away/Like the swallow so proud and free? […] But whoever treasures freedom/Like the swallow has learned to fly.’ Een lichtvoetige meezinger zal het voor mij nooit meer worden. Mooi blijft het lied gelukkig wel.

3 Wandeling: van Wijgmaal naar Wakkerzeel

Wijgmaal (©Jeroen Vanstiphout).

Corona opende voor mij geen nieuwe wandel- of fietshorizonten. Het ging veeleer om een herhaling van zetten. Zo kan ik eenieder een cultuurhistorisch looptochtje van Wijgmaal via Rotselaar naar Wakkerzeel aanbevelen. Je vertrekt vanuit een 19de-eeuws industrieel dorp dat alle sporen draagt van de liberaal-paternalistische bouwijver van de lokale industrieel en politicus Edouard Rémy. Je doorkruist het door Natuurpunt onderhouden Wijgmaalbroek, loopt langs een kleine herdenkingssite voor de meer dan 300 doden bij de ‘Slag aan de Molen’ van 12 september 1914 en werpt een blik op de huidige molen, tevens decor van de ‘Withoeve’ in de VRT-serie Thuis. Je loopt voorbij enkele boerderijen en allerhande verkavelingsschoon en komt aan in Wakkerzeel. Bij het zien van de kerk en vooral de prachtige Norbertijnenpastorie waan je je even in de 18de eeuw. Spaar wel wat energie voor de terugweg. Zodra de ‘skyline waterline’ van Wijgmaal opduikt, concludeer je dat de (lange) 19de eeuw het toch duidelijk haalt van de 18de eeuw.

4 Film of televisiereeks: I Am Not Your Negro van Raoul Peck

Zoals zovelen keek ik naar aanleiding van de moord op George Floyd en de Black Lifes Matter beweging naar I Am Not Your Negro, Raoul Pecks documentaire over James Baldwin uit 2016. Het is een indringend, scherp maar ook poëtisch portret van de welbespraakte Baldwin en diens genadeloze analyse van de diepgewortelde anti-zwarte reflexen in de Amerikaanse politiek en cultuur. De film blijft dicht bij Baldwins eigen stem en diens herinneringen aan zijn drie vermoorde vrienden en burgerrechtenactivisten Medgar Evers, Malcolm X en Martin Luther King.

Terecht werd opgemerkt dat het vreemd is dat Baldwins homoseksualiteit – die heel wat spot en haat opwekte, ook binnen de burgerrechtenbeweging – nauwelijks aan bod komt. De moeilijke verhouding van een succesvolle zwarte Amerikaanse met de burgerrechtenbeweging was overigens ook een van de thema’s van de documentaire Josephine Baker: the story of an awakening die Canvas in dezelfde periode uitzond. Ilana Navaro’s film toont hoeveel rijker en moeilijker het leven van Baker was dan wat de exotiserende mythe over de dansende celebrity ervan heeft gemaakt. En hoe Black Lifes Matter ook over gender en seksualiteit moet gaan.

5 Guilty pleasure: smakelijke gerechten

Hoofdzakelijk van culinaire aard. Recepten verkrijgbaar op aanvraag.

Kaat wils is gewoon hoogleraar aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de onderwijsgeschiedenis en de geschiedenis van gender en lichamelijkheid. Momenteel schrijft ze een boek over de geschiedenis van hypnose in België.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).