Maandelijks archief: mei 2022

Hoe de witte woede ontstond

Door Luc De Munck

12 mei, de geboortedag van Florence Nightingale, is sinds 1965 de Internationale Dag van de Verpleging. Dit jaar viert de Federale Neutrale Beroepsvereniging Verpleegkundigen, een van de grootste Belgische beroepsorganisaties voor verpleegkundigen, haar eeuwfeest tijdens een academische zitting in Brussel. Toch was deze vereniging niet de eerste die opkwam voor de belangen van verpleegkundigen.

Materiële en morele steun aan frontverpleegsters

In het tijdschrift Pour les Nurses pleitte Belpaire als eerste voor een beroepsorganisatie voor verpleegsters (Bijzondere Collecties, Leuven)

Het was de katholieke letterkundige Marie Elisabeth Belpaire die vanaf 1916 als eerste probeerde om een professionele organisatie voor verpleegsters op te richten. Ze pleitte voor samenwerking tussen katholieke en niet-katholieke verpleegsters, waarbij de vooroorlogse ideologische tegenstellingen naar de achtergrond verschoven. Haar poging mislukte, omdat een militair reglement van 1917 een dergelijke organisatie verbood. Toen deze maatregel later stilzwijgend werd opgeheven, was het niet Belpaire maar Thérèse Goldschmidt, de vrouw van de liberale minister Paul Heymans, die in juli 1918 La Famille de l’Infirmière oprichtte. Deze eerste beroepsorganisatie voor verpleegsters had als doel materiële en morele steun te bieden aan frontverpleegsters.

Een neutrale beroepsorganisatie in 1922

Jeanne Hellemans, de eerste voorzitster van de neutrale beroepsorganisatie (KADOC, Leuven)

Meteen na de oorlog richtte een veertigtal Brusselse verpleegsters de Union professionnelle des infirmières belges op. Deze vereniging ijverde in eerste instantie voor de aansluiting van haar leden bij een mutualiteit, een streven dat kaderde in de hoge vlucht die mutualiteiten na de oorlog in België namen. Daarnaast vroeg de vereniging om de titel van verpleegster te beschermen en om niet-gediplomeerden, die zich ten onrechte de titel van verpleegster toe-eigenden, te vervolgen (een eis die in 1946 werd gerealiseerd). Kort na de oprichting van de Brusselse unie ontstonden vergelijkbare verenigingen in Antwerpen, Mechelen, Gent en Doornik. Het waren de afgevaardigden van deze verenigingen die op 23 februari 1922 in Brussel samenkwamen om de Fédération Nationale des Infirmières Belges op te richten. Deze federatie had een neutraal profiel. Het doel was om de professionele, materiële en morele belangen van haar leden-verpleegsters te verdedigen. In september 1923 werd een bestuur verkozen, met Jeanne Hellemans van de Mechelse vereniging als voorzitster. In haar toespraak tijdens de eerste algemene vergadering – waaraan meer dan driehonderd verpleegsters deelnamen – benadrukte Hellemans dat de oorlog wel een elan aan het verpleegstersberoep had geschonken, maar stelde ze ook vast dat er nog veel werk aan de winkel was om de onwetendheid en de vooroordelen over het beroep te bestrijden.

Een katholieke tegenbeweging

Kort na de oprichting van de neutrale federatie vonden katholieke Waalse verpleegsters het nodig om een katholieke verpleegstersorganisatie op te richten. De reden daarvoor was tweeërlei: ze vonden dat niet-katholieke verpleegsters een té grote rol begonnen te spelen, en dat de pas opgerichte federatie het verpleegstersberoep als een louter materiële en technische functie beschouwde. Volgens hen maakte de neutrale vereniging ten onrechte een onderscheid tussen godsdienst en beroep, terwijl zij vonden dat het verpleegkundig beroep in de eerste plaats een roeping en een werk van naastenliefde was. Daarom werd de Association des Infirmières Catholiques de Belgique (AICB) opgericht. Naast het verdedigen van beroepsbelangen had deze vereniging vooral de geestelijke en morele vorming van zijn leden tot doel. Daarbij werd ze gesteund door de kerkelijke overheid. In 1936 ontstond de Vereeniging voor Katholieke Verpleegsters en Vroedvrouwen der Vlaamsche gouwen in België (VKVV, vanaf 1952 NVKVV), die zich onafhankelijk ging opstellen tegenover de AICB. Door haar autonome werking kon deze Vlaamse beroepsvereniging de specifieke beroepsbelangen van katholieke verpleegsters uit het Vlaamse taalgebied behartigen. Als reactie hierop richtte de neutrale federatie in 1938 ook een Vlaamse afdeling op.

Een overkoepelende verpleegstersorganisatie vanaf 1952

Ghislaine Van Massenhove lag als NVKVV- en AUVB-voorzitster aan de basis van het verpleegkundig statuut (KADOC, Leuven)

Meteen na de Tweede Wereldoorlog ontstond er opnieuw nauwere samenwerking tussen de neutrale en katholieke organisaties. Dit had tot gevolg dat de federatie weer de belangen van álle verpleegsters verdedigde, maar was minder gunstig op internationaal vlak: vanaf 1950 vertroebelde de relatie met de International Council of Nurses (ICN), waarvan de federatie al sinds haar oprichting lid was. Deze neutrale internationale beroepsorganisatie nam in delicate morele vraagstukken als euthanasie en sterilisatie geen standpunt in. Katholieke verpleegsters daarentegen vonden dat ze in dergelijke ethische kwesties de christelijke moraal voor ogen moesten houden. Dit leidde begin 1952 tot de terugtrekking van beide katholieke verenigingen uit de ICN. Om de beroepsorganisaties opnieuw op een lijn te krijgen, werd op 17 mei 1952 de Algemene Unie van Verplegenden in België (AUVB) als overkoepelende organisatie opgericht.

Jarenlange strijd voor het verpleegkundig statuut

Onder impuls van AUVB- en NVKVV-voorzitster Ghislaine Van Massenhove ontstond in de jaren zestig een beweging voor een eigen verpleegkundig statuut. Daarbij werd toenemende druk uitgeoefend op geneesheren en op de opeenvolgende ministers van Volksgezondheid, om het verpleegkundig beroep niet langer onder geneeskundige voogdij te plaatsen. Om haar eisen kracht bij te zetten, organiseerde de AUVB In februari 1971 een Staten-Generaal van de Verpleegkunde op de Heizel. Aansluitend hielden 17.000 verpleegkundigen een betoging, de grootste manifestatie uit de geschiedenis van de verpleegkunde in België en de eerste uiting van ‘witte woede’.  Het lobbywerk leidde uiteindelijk tot de wet van 20 december 1974 op de uitoefening van de verpleegkunde. Daardoor kregen de verpleegkundigen hun statuut, dat de uitoefening van de verpleegkunde duidelijk omschreef en wettelijk beschermde. Het zorgde voor een duidelijker identiteit en een groter aanzien van het beroep. De goedkeuring van deze wet illustreerde dat het meer dan een halve eeuw eerder begonnen werk van verpleegkundige beroepsorganisaties resultaat had opgeleverd.  

Meer lezen?

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, 2018.

Luc De Munck, ‘Ghislaine Van Massenhove, een leven ten dienste van de verpleegkunde’, Jaarboek 2021 Erfgoedkring 8460, Oudenburg, 2021, 70-83.

Barbara L. Brush, Joan E. Lynaugh, Geertje Boschma e.a., Nurses of All Nations. A History of the International Council of Nurses, 1899-1999, Philadelphia, 1999.

Luc De Munck is doctoraatsonderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Op 25 februari 1971 vond in Brussel de Staten-Generaal van de Verpleegkunde plaats (KADOC, Leuven).