Maandelijks archief: januari 2016

Het toilet van een archivaris

Victor Fris zat al meteen met zorgen, toen hij in april 1917 als stadsarchivaris van Gent aan de slag ging. Niet alleen moest hij het door de Eerste Wereldoorlog zonder personeel stellen, het archief was ook voortdurend in gevaar. De depots bevonden zich namelijk onder het (lekkende) dak van het stadhuis, wat een tijdige evacuatie bij brand onmogelijk zou maken. Op zijn archiefzolder ondervond de archivaris nog een urgent probleem: er was geen toilet!

De afhandeling van het sanitaire gebrek geeft een verrassend inzicht in de ervaring van de archivaris. In een klein dossier rond de toilettenkwestie – verscholen in een omvangrijke reeks over werken aan stedelijke gebouwen – geeft Fris zichzelf bloot. Samen met enkele brieven uit zijn personeelsdossier toont het hoe hij zijn werk in het archief beleefde.

Voorbeeldige archivaris

Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.
Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.

Fris wilde zichzelf een heroïsche archivarissenrol aanmeten. Zo schreef hij in 1918 aan het stadsbestuur dat hij maar al te graag aan zijn vakantie had verzaakt, maar overspanning dwong hem toch vrijaf te nemen. Deze ijver had ongetwijfeld de goedkeuring kunnen wegdragen van François Hye-Schoutheer, die honderd jaar eerder als eerste Gentse stadsarchivaris werd aangesteld. Al in 1814 had deze ambtenaar laten blijken dat hij maar al te goed wist hoe een archivaris zijn functie diende te vervullen.

Volgens Hye moest een archivaris integer, scherpzinnig en actief zijn en een vlekkeloze reputatie genieten. Bij het aanzicht van alle chaos in het archief mocht hij niet aan zijn plicht verzaken, zelfs als jaren van nooit aflatende en moeizame arbeid nodig zouden zijn, vooraleer de rijkdom van het archief in het licht zou zijn gesteld.

Een halve eeuw later stelde archiefliefhebber Jules Huyttens dat heroïsche beeld ietwat bij in zijn Mémoires d’un archiviste. Voor Huyttens vervulden archivarissen nog altijd belangrijk werk – ‘les erreurs leur sont inconnues,’ klinkt het – maar toch waren het vooral gelukzalige wezens. Ze baadden in rust en kalmte, hoewel ze het voortdurend vreselijk druk hadden. De archivaris stond immers altijd klaar om te helpen.

Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.
Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.

Veel archiefbezoekers merkten van die hulpvaardigheid soms wel maar weinig. Deze geïdealiseerde typeringen tonen dus niet noodzakelijk de alledaagse archiefpraktijk. Daarvoor is het nodig achter de schermen te duiken. De toiletklacht van de archivaris geeft daar de kans toe.

‘Pas de latrines!’

Fris was nog geen maand in dienst toen hij de stadsarchitect vroeg om een ‘water-closet hygiénique’ te installeren in het stadsarchief. In een van de archiefdepots was daar voldoende plaats voor; er was namelijk al een urinoir en een wastafel, verscholen in een hoek. Toch verkoos de architect een toilet te installeren in een ongebruikte liftschacht. De stadssecretaris herinnerde zich echter dat daar al eens een gelijkaardige installatie was ondergebracht, die een ondraaglijke stank had voortgebracht. Het project ging bijgevolg niet door.

Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.
Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.

De archivaris liet de kwestie niet rusten. Hij vond het niet kunnen dat hij, elke keer de nood zich liet voelen, het stadhuis uit moest om elders aan de ‘wetten der natuur’ te beantwoorden. De toiletten in het stadhuis waren immers verre van toereikend. Na meermaals aandringen werd uiteindelijk in september 1918 een andere oplossing gezocht. Een openbare aanbesteding werd uitgeschreven ‘voor het leveren en plaatsen van 2 gemakken, 2 pisbakken en een waschkom, in een te bouwen kabinet op het 1e verdiep ten stadhuize’. Als het einde van de oorlog de uitvoering van dit werk niet bemoeilijkt heeft, kon de archivaris op 1 december 1918 eindelijk naar een behoorlijk toilet.

Lief en leed

Hoe archiefbezoek in de negentiende eeuw eraan toeging, raakt langzaam ontsluierd. De belevenissen van Belgisch algemeen rijksarchivaris Louis-Prosper Gachard in het Spaanse Archivo General de Simancas zijn bijvoorbeeld niet onbekend. Een probleem stelt zich daarbij wel. Het perspectief van de (doortastende) archiefbezoeker reduceert archivarissen vaak tot levenloze poortwachters, die vooral hun archieven nauwlettend bewaakten. Dat beeld lijkt al te eenzijdig. Hoe voelde het archiefwerk aan voor de archivarissen zelf?

Victor Fris (1877-1925)
Victor Fris (1877-1925)

Wat Fris betreft, blijkt uit zijn loopbaan een grote beroepstrots, die hij met zijn verre voorganger deelde. Zo vond hij het niet kunnen dat het personeelsgebrek hem dwong zich te verlagen ‘tot het peil van den minste der bedienden’, zodat hij geen ‘wetenschappelijk’ werk kon verrichten. Na de oorlog zat het hem dwars dat hij ondanks zijn universitair diploma niet erg hoog stond op de ambtelijke ladder. Fris vond dat zijn bijzondere archivalische vaardigheden zich mochten vertalen in een goede positie, met een evenredig salaris.

Het sanitair gemis maakte het waarschijnlijk allemaal nog wat lastiger. Als archiefwerker diende Fris dan wel onverschrokken te zijn, het gebrek aan een toilet ging hem te ver. Uiteindelijk kon hij in 1925 – vlak voor zijn overlijden – het stadsbestuur overtuigen op zoek te gaan naar een andere archiefhuisvesting, als oplossing voor diverse problemen.

Tijdens zijn korte loopbaan probeerde Fris voortdurend het stadsarchief te verbeteren. Dit toiletverhaal was daar een eerste uiting van. Het toont ook dat niet enkel archiefbezoekers allerhande hindernissen moesten overwinnen. Alvast aan het begin van de twintigste eeuw hoefden archivarissen geen verstarde stoïcijnen te zijn. In Fris’ banale ongemak wordt dat maar al te duidelijk.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, eind negentiende eeuw.
Bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, eind negentiende eeuw.

Vandaag ligt in vele musea bij de uitgang een album waarin het publiek persoonlijke bedenkingen kan neerschrijven. Musea peilen op die manier naar de beleving van hun bezoekers. In de negentiende-eeuwse musea waren ook al bezoekersalbums in gebruik, maar die hadden toen nog een ander doel. Bezoekers werden verzocht om er hun naam, beroep en woonplaats in te noteren. De albums waren nog geen instrument om de appreciatie van het publiek te achterhalen, maar dienden in de eerste plaats om de internationale uitstraling van de museumcollecties aan te tonen.

Van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, vandaag bekend als het Memlingmuseum, is een uitzonderlijke reeks bezoekersalbums bewaard gebleven. Die albums bestrijken de periode van 1843 tot 1920 en illustreren treffend hoe het museumbezoek, dat aanvankelijk vrijwel uitsluitend een culturele activiteit van de intellectuele en sociale elite was, in de loop van de negentiende eeuw geleidelijk ingang vond bij een groter en gedifferentieerder publiek. Terwijl het museum van het Sint-Janshospitaal tot circa 1860 overwegend werd bezocht door onder meer schrijvers, notarissen, advocaten, artsen en bankiers, vonden nadien geleidelijk ook sociaal lagere bevolkingsgroepen de weg naar het museum. Steeds vaker registreerden bijvoorbeeld bakkers, landbouwers, kachelmakers en kruideniers zich in de albums. De pleidooien voor de democratisering van het museumbezoek, die in de tweede helft van de negentiende eeuw almaar luider weerklonken, leken dus een zeker succes te ressorteren.

Sommige bezoekers meenden de albums ook voor hun eigen doeleinden te kunnen aanwenden. Op bovenstaande foto is bijvoorbeeld te zien hoe de fabrikant Carl Knorr uit Heilbronn het bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in augustus 1890 gebruikte om zijn ‘Suppen’ aan te prijzen.

Tekst: Liesbet Nys. Foto: Brugge, OCMW-archief, Registre des personnes qui ont visité le Cabinet de tableaux de l’hôpital St. Jean à Bruges, renfermant les chefs d’œuvre de Jean Memling.

Toen het West-Vlaams nog barbaars was

‘Er wordt te veel West-Vlaams gesproken aan Kulak’, zo berichtte Albert Van Windekens, de decaan van de Leuvense faculteit Wijsbegeerte en Letteren, aan de Kortrijkse docenten in november 1966. Het taalgebruik van de studenten in de wandelgangen van de Leuvense afdeling deed hem pijn aan de oren. Hoezeer hij aan het begin van het eerste academiejaar van Kulak de toekomstige studenten ook had aangespoord hun ‘particularisme’ af te leggen zodat zij werkelijk als universitairen konden worden beschouwd, toch bleven de jongeren in Kortrijk zich uitdrukken in het dialect van hun streek. Zoals vele anderen was ook Van Windekens van mening dat dit niet alleen blijk gaf van een kortzichtige kerktorenmentaliteit van de West-Vlaamse jeugd, maar ook een blaam was voor de Katholieke Universiteit Leuven. Die maakte zich immers sterk met haar universitaire afdeling in Kortrijk de intellectuele ontplooiing van de kustprovincie te bevorderen.

Het wilde Westen

Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

Hoewel in de realiteit vooral politieke en katholieke druk de Katholieke Universiteit Leuven in het midden van vorige eeuw had overhaald om een afdeling in Kortrijk te stichten, werd het initiatief in de nationale en regionale pers voornamelijk voorgesteld als een ‘gunst’ van de Leuvense universiteit aan het ‘achtergestelde’ West-Vlaanderen. De universiteit bracht de kustprovincie de beschaving en creëerde er een ‘intellectueel en cultureel milieu’ waar niet alleen de West-Vlaamse jongeren maar de hele regionale bevolking van zou profiteren. Critici vroegen zich echter af of het schijnbaar grootmoedige gebaar wel zin had. Zou Kulak ooit een universitair onderwijsniveau halen, zo ver verwijderd van haar Leuvense Alma Mater?

Na zijn plaatsbezoek aan Kulak in november 1966 vreesde Van Windekens alvast even dat de criticasters het bij het rechte eind hadden. De studenten die hij aan Kulak had ontmoet, spraken volgens hem amper Algemeen Beschaafd Nederlands. Mochten zij zichzelf dan wel universitair geschoold, intellectueel ontplooid en ‘beschaafd’ noemen? Aan Kulak deelden de jonge docenten in de bezorgdheid van de Leuvense decaan. Velen van hen waren van buiten de West-Vlaamse provincie afkomstig, en vonden het taalgebruik van hun studenten ongepast. Herhaaldelijk spoorden zij hun pupillen aan correct te spreken: het zou niet alleen de studenten, maar ook het imago van Kulak ten goede komen.

ABN verheft het volk

P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

De opdracht tot taalkundige beschaving van de West-Vlaamse jeugd werd door niemand zo ernstig genomen als door de Nederlandse taalkundige Pieter Cornelis Paardekooper. De hoogleraar vormde jarenlang het gevreesde gezicht van de opleiding Germaanse filologie aan Kulak. Vóór hij in 1970 aan Kulak werd benoemd, was hij bij vakgenoten in Nederland en Vlaanderen al bekend door de introductie van zijn grammaticale ontleedmethode (de ‘methode Paardekooper’) op basis van een verzameling speciaal door hem ontworpen tekens. Bij het grote publiek in België en ook in Frans-Vlaanderen was hij dan weer beroemd en berucht als fervent voorvechter van de positie van het Nederlands in beide gebieden. Door zijn compromisloze uitspraken werd hem zelfs een tijdlang de toegang tot het Belgische grondgebied ontzegd – een verbod dat hij zorgeloos aan zijn laars lapte.

 Aan Kulak voerde Paardekooper een ware kruistocht tegen het ‘barbaarse’ West-Vlaamse dialect, dat de West-Vlamingen volgens hem beperkte in hun mogelijkheden en geloofwaardigheid. Zijn betoog vond een korte tijd gehoor bij zowel docenten als studenten uit de richting Germaanse filologie. Die laatsten hadden overigens al vóór de komst van Paardekooper een poging gedaan om het studentenblaadje ’t Kulakske om te dopen tot Het Kulakje, omdat dat nu eenmaal beter Nederlands was. Zij stootten echter op hevig verzet van hun collega-studenten uit andere, niet-filologische richtingen, die de germanisten een arrogant en betweterig gedrag verweten. Het studentenblaadje nam vrij vlug terug zijn vertrouwde naam in het dialect aan.

Een universitair onderwijsniveau

Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Het idee dat de verspreiding van het ABN tot ‘volksverheffing’ zou leiden, verloor in de loop van de jaren 1970 en verder in de jaren 1980 aan kracht. Taal werd minder gelinkt aan zware concepten als ‘beschaving’ of een ‘universitaire vorming’. Ook de Kortrijkse docenten bekommerden zich minder om taal als een exponent van het onderwijsniveau van de instelling: dat Kulak wel degelijk een universitair onderwijsniveau haalde, bewezen na verloop van tijd immers de goede slaagcijfers van de Kulakstudenten. De Katholieke Universiteit Leuven op haar beurt interpreteerde haar aanwezigheid in West-Vlaanderen niet langer als een beschavende opdracht, maar als een economische opportuniteit. Door de groeiende concurrentie tussen de universiteiten in de jaren 1980 en 1990 werd de Kortrijkse campus van voormalige ‘gunst’ van de Leuvense universiteit ten aanzien van de West-Vlaamse bevolking, steeds meer een Leuvense ‘rekruteringspost’ voor West-Vlaams talent.

Alleen Paardekooper bleef vergadering na vergadering aandringen bij zijn collega’s om de studenten te verplichten ABN te spreken. Zijn brieven en bedes werden meestal mondeling bevestigd, maar amper in de praktijk omgezet. De strenge en rechtlijnige gedachtegang van de Nederlander maakte hem tot een lastig figuur die men liever negeerde.  En ook zijn zonderlinge levensstijl droeg weinig bij aan zijn geloofwaardigheid. Zijn moestuin met worteltjes op de campusgronden, zijn onafscheidelijke fiets met zwarte tassen, de omvorming van zijn kantoor tot zijn quasi permanente verblijfplaats, en zijn gewoonte om met ontbloot bovenlijf te zonnen achter zijn kantoorraam: het reduceerde hem tot een klucht en een dankbaar onderwerp voor cartoons in ’t Kulakske.

Saartje Vanden Borre is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en verbonden aan de Lerarenopleiding Geschiedenis. In 2015 publiceerde ze naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de Kulak het boek Toga’s voor ‘t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.