Categoriearchief: Mentaliteiten & gevoelens

Hoe de Engelse wetenschappelijke interesse voor India op 50 jaar tijd helemaal omsloeg

Al vele eeuwen zijn Europese geleerden gefascineerd door de – in hun ogen – exotische en mysterieuze allure van verre gebieden ten oosten van Europa. Door de toename van wereldreizen tijdens de achttiende eeuw brachten Europese reizigers meer en meer Aziatische spullen en geschriften terug naar hun thuisland. Zo ontstond de ‘oriëntalistiek’, een uitgestorven quasiwetenschappelijke discipline die zich toespitste op kennis en voorwerpen uit het Oosten. In het kielzog van de Britse verovering van het Indische subcontinent grepen Engelse oriëntalisten enthousiast de kans om meer te weten te komen over de antieke Indische beschaving. Maar: hoe meer informatie werd verzameld, hoe meer die met argwaan en wantrouwen werd onthaald.  

Sanskriet in Devanagarischrift

Initiële fascinatie en Indomania

Voor geleerden uit Groot-Brittannië was de studie van het Oosten aanvankelijk nog een heel breed vakgebied, omdat Engelse reizigers zaken meebrachten uit veel verschillende regio’s. In de achttiende eeuw werd de Indologie – de studie van India – echter één van de belangrijkste takken van de Engelse oriëntalistiek. Om de openbare orde in de veroverde gebieden in India te handhaven, stelde gouverneur Warren Hastings in 1772 namelijk het ‘Judicial Plan’ op. Dit plan moedigde Engelse geleerden aan om vertalingen van inheemse wetten te maken. Tijdens hun onderzoek naar het Indisch rechtssysteem stuitten de Engelsen echter op eeuwenoude teksten die veel meer bevatten dan enkel juridische informatie. Vele van de oeroude manuscripten die ze bekeken, zaten vol met verhalen, folklore, mythes en religieuze geschriften.

De nood voor een vertaling van inheemse wetten werd dus de aanzet van oriëntalistiek onderzoek in India. De beroemde William ‘Oriental’ Jones begon zijn carrière in 1783 als rechter in Calcutta. Jones stuitte op dezelfde problemen als andere rechters: de inheemse bevolking had geen kennis van de Engelse wetten, en ook omgekeerd kwamen Engelse rechters vaak in aanraking met gewoonterecht dat hun compleet vreemd was. Het eerste probleem met de inheemse wetten was de taalbarrière. Veel oude en religieuze wetten waren niet opgeschreven in de volkstaal, maar in het Sanskriet dat enkel gekend was door de plaatselijke elitaire kaste: de Brahmanen.

William Jones (1746-1794)

Hoewel Jones de taal vanuit praktische overwegingen onderzocht, werd hij al snel enthousiast over de structuur van het Sanskriet. Hij beweerde zelfs dat die ‘perfecter’ was dan Grieks en ‘rijker’ dan Latijn. Jones’ vertaling van het Indisch toneelstuk Sakontala werd razend populair in Europa, en veroorzaakte een enorme groei in de belangstelling voor de oeroude Indische cultuur. De immense toename in Engels onderzoek naar antieke Indische teksten betekende het hoogtepunt van de ‘Indomania’ en leidde tot een ware Indische ‘renaissance’. In 1784 richtte Jones de ‘Royal Asiatick Society of Bengal’ (RAS) op, waar geleerden samen kwamen om de Indische maatschappij te bestuderen en bespreken. Hoewel de klemtoon bij Jones zelf op onderzoek naar het Sanskriet lag, waren de onderzoeksvelden van de RAS erg divers. De organisatie verenigde een rijk scala aan juridische, taalkundige en antropologische studies, en onderzoek naar Indische folklore, mythologie, en religies.

Indofobie in aantocht

Toch was India niet bij iedereen een populair onderzoeksveld. Aan het begin van de negentiende eeuw groeide in Groot-Brittannië ook de Indofobie. Een eerste bezwaar tegen het nieuwe onderzoeksterrein was dat onderzoek over het Oosten geen enkele nuttige bijdrage zou kunnen leveren aan de wetenschap of de maatschappij. Verder ontstond er in religieuze hoek bezorgdheid over de ‘heidense’ gebruiken van Oosterse volkeren. De meest invloedrijke aanval op Indomania kwam echter van de Schotse geschiedkundige James Mill. In zijn boek History of British India viel Mill elke vorm van oriëntalistiek onderzoek aan. Hij benadrukte de ‘barbaarse’ gebruiken en de lage evolutionaire rang van de inheemse bevolking. Mills bondgenoot Dugald Stewart beweerde zelfs dat Sanskriet helemaal geen échte taal was, maar een verzinsel van de Brahmanen om de lagere kasten te kunnen onderwerpen.

Taj Mahal, India

De negatieve en aanvallende literatuur over India en haar bevolking overtuigde de Britse geleerden er langzamerhand van dat de Indische cultuur en geschiedenis niet het bestuderen of bewaren waard waren. Om een veelzeggend voorbeeld te geven: in 1828 werd het plan voorgesteld om de Taj Mahal af te breken en het marmer te verkopen. De enige reden dat de afbraak niet door ging, was dat de winst van de marmerverkoop van een ander monument te laag uitviel. Door de Indofobie nam het oriëntalistiek onderzoek in Engelse wetenschappelijke kringen sterk af. Tegen het einde van de jaren 1830 kende het een ‘institutionele dood’ doorheen heel Groot-Brittannië: de colleges oriëntalistiek werden afgelast en de professoren ontslagen.

Oriëntalistiek verhuist

De Engelse wetenschapscultuur kende op vijftig jaar tijd twee uiterste vormen in haar omgang met de Indische cultuur: van het hoogtij van de Indomania sloeg ze helemaal om naar een ware Indofobie. Terwijl de studie van het Sanskriet en India in de Engelse sfeer sterk afnam, won die in andere gebieden echter wel aan populariteit. Aan het begin van de negentiende eeuw leerden de bekende linguïsten Friedrich Schlegel en Franz Bopp Sanskriet van een Engelse Sanskritist. Met die kennis werd het onderzoek naar de oude Indische taal en cultuur aan Duitse universiteiten verdergezet.

Meer lezen?

Marchand, Suzanne L. German Orientalism in the Age of Empire: Religion, Race, and Scholarship. Publications of the German Historical Institute. Cambridge: university press, 2009.

Trautmann, Thomas. Aryans and British India. Berkeley: University of California Press, 1997.

Said, Edward W. Orientalism. Routledge & Kegan Paul Ltd., 1978.

Luz Van den Bruel schrijft een doctoraat over de geschiedenis van de taalwetenschap binnen het project ‘Languages Writing History: the Impact of Languages Studies Beyond Linguistics (1700 – 1860)’.

De geboorte van de ‘nieuwe’ man

Gastblog door Seppe Schoeters

Meestal plaatsen historici de opkomst van de ‘nieuwe’ man in de jaren tachtig. Omdat steeds meer vrouwen buitenshuis gingen werken, was er nood aan een gelijke verdeling van huishoudelijke taken. Vrouwen gingen verlangen naar een man die zonder schroom luiers zou verversen of het huis zou stofzuigen.

Hoewel de media het begrip ‘nieuwe man’ pas in de jaren tachtig begonnen te gebruiken, leefde het verlangen onder vrouwen al veel langer. Ook de jaren vijftig vormden daar geen uitzondering op. In het collectief geheugen wordt deze periode – ‘de jaren stilletjes’ – gelijkgesteld met behoudsgezinde visies op mannen en vrouwen. Het idee was dat vrouwen zich moesten ontpoppen tot ideale huisvrouwen, terwijl mannen hun taak als kostwinner van het gezin vervulden. Het was alsof er twee aparte werelden bestonden: binnenshuis voor vrouwen, buitenshuis voor mannen. Toch schreven auteurs in naoorlogse vrouwentijdschriften, de belangrijkste media voor vrouwen in die tijd, iets anders.

Vrouwelijke trots versus gezinsharmonie

Vrouw controleert haar man die een van haar taken overneemt (Libelle, 1946, KBR)

Al in 1946 liet het vrouwentijdschrift Libelle blijken dat vrouwen wilden dat hun man een handje toestak in het huishouden. Het ging daarbij niet om zelfstandige taken. De man moest bijvoorbeeld de vrouw ‘bijstaan’ bij de afwas of het koken. Hij betrad daarbij het terrein van de vrouw. Het was haar verantwoordelijkheid, dus hield ze een oogje in het zeil. Vrouwentijdschriften bestempelden helpende mannen als de ‘ideale echtgenoot’, maar ook als iets unieks. Daarnaast merkten ze op dat sommige vrouwen niet wilden dat hun man meehielp, omdat huishoudelijke taken alleen iets voor vrouwen zouden zijn.  

Vrouwentijdschriften stelden het huwelijk voor als een partnerschap. Ze vonden dat vrouwen moesten verwachten dat mannen meehielpen in het huishouden. De ‘moderne’ huisvader van de jaren vijftig stond erop om de huistaken evenredig te verdelen. Deze nieuwe ingesteldheid was volgens de Libelle vooral te wijten aan de opvoeding van de jonge vrouwen. Hun moeders leerden hun dat ze de man niet meer compleet moesten gehoorzamen. De ‘nieuwe’ man was daardoor vooral een fenomeen binnen het huwelijk van jonge koppels uit die tijd.

Tegenstrijdige tijdschriften

Naast de promotie van een evenredige taakverdeling in het huishouden, probeerden vrouwentijdschriften de vrouw nog op andere manieren te emanciperen. Gedurende de jaren vijftig publiceerde Libelle verschillende rubrieken over de vrouw en haar rechten, zoals de katern Juridisch praatje. De artikels behandelden juridische vraagstukken en gaven bijpassend advies voor vrouwen. Ze leerden de vrouw dat hun echtgenoot niet almachtig was en dat de wet hem beperkte. Een artikel beschreef een man die onvoldoende geld aan zijn vrouw afstond. Het verwees de vrouw door naar een wetsartikel dat zei dat ‘echtelieden verplicht zijn tot wederzijdse trouw, hulp en bijstand.’ Met die kennis had de vrouw de macht om haar man, in het slechtste geval, te dagvaarden. Hoewel de emancipatie van de vrouw pas een decennium later prominent naar voren kwam tijdens de tweede feministische golf, deden de naoorlogse vrouwentijdschriften al een soort van voorbereidend werk.

Illustratie bij het verhaal ‘Als mijn wederhelft zorgt’ (Libelle 1953, KBR)

Ondanks de feministische insteek van sommige artikels was er ook kritiek op de emancipatie van de vrouw. Zo bleef het volgens bepaalde auteurs de opdracht van de vrouw om voor haar gezin, en dus ook haar echtgenoot, te zorgen. De vrouw maakte de man doorheen de jaren van haar afhankelijk. Door de emancipatie had de vrouw minder aandacht voor de noden van de man: ‘Helpen wij onze mannen naar een vroegtijdige dood door steeds maar te blijven vragen naar méér materieel comfort? De tegenwoordige levensstandaard dwingt ongetwijfeld duizenden mannen tot te hard werken, maar het is ongetwijfeld waar, dat ontevreden echtgenoten de zorgen en lasten van de toch al zo gekwelde mannen alleen maar vermeerderen.’

Andere artikels stelden ook de ‘nieuwe’ man in vraag. Verhalen of verslagen van mannen die zich bezighielden met het huishouden liepen bijna allemaal verkeerd af. In het kortverhaal ‘Als mijn wederhelft zorgt’ uit Libelle stond de echtgenoot erop zijn vrouw te verzorgen wanneer ze de griep had. Vol goede moed begaf hij zich naar de keuken, maar de mislukkingen stapelden zich op. Het vlees was nog rauw of te hard gebakken, hij liet een omelet aanbranden… De boodschap was dat de vrouw de meest geschikte persoon bleef om voor haar familie te zorgen. Toch schuilde daar, in zekere mate, een vorm van zelfbehoud in. Een vrouw moest kunnen uitblinken in haar vak om de baas te blijven op haar eigen terrein.

Verlangens en verkoopcijfers

Het leek wel of vrouwentijdschriften uit de jaren vijftig tussen twee vuren stonden. De redacties van vrouwentijdschriften balanceerden artikels over de juridische bewustmaking of de verlangens naar een ‘nieuwe’ man met bijdragen die de traditionele visies op mannen en vrouwen aanmoedigden. Hoe valt dat te verklaren?

Het doel van de tijdschriften was om vooral veel oplages te verkopen. Daarom moesten vrouwen zich kunnen herkennen in de artikels die ze lazen. Het merendeel van de lezeressen was tevreden met hun taak als huisvrouw. Ze voelden geen nood om dat ideaal aan te vechten. Toch was er een klein percentage dat zich niet helemaal kon schikken naar die norm. Dat deel van het lezerspubliek las liever artikels met een emanciperende insteek, al waren die maar beperkt aanwezig.

De inhoud van vrouwentijdschriften weerspiegelde de wensen van hun lezeressen. Daaruit bleek dat een beperkt aantal vrouwen in de jaren vijftig toch al droomden van een grotere gelijkheid.

Meer lezen?

Claudine Marissal, Moeders en vaders: geen vanzelfsprekende gelijkheid, Brussel: Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, 2018.

Elizabeth Patton en Mimi Choi, Home Sweat Home: Perspectives on Housework and Modern Relationships, Rowman & Littlefield, 2014.

Seppe Schoeters is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Hij schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en werkte aan een masterproef over mannelijkheid in Libelle tijdens de jaren ‘50.

Titelafbeelding: ClassicStock / Masterfile.

Levensmoeheid, (g)een kwaal van deze tijd?

Gastblog door Stefanie Meul

De flagrante tegenstelling in de titel van deze blog zal ongetwijfeld de wenkbrauwen van menig lezer doen fronsen. Want hoe kan een emotie – of beter nog – een cluster van emoties, nu tegelijkertijd wel en niet kenmerkend zijn voor onze tijd? De term levensmoeheid duikt de laatste jaren wel vaker op in de media. Ook filosofen en ethici hebben ettelijke, al dan niet digitale pagina’s aan de kwestie gewijd. Daarnaast lijkt ook de medische wereld het fenomeen van een voltooid leven nu voorzichtig te erkennen. Hoewel er absoluut geen eensgezindheid is over een definitie, aanpak, wettelijk kader of zelfs terminologie, bestempelen alle bovengenoemden het wel als een typisch eigentijds probleem. Levensmoeheid is dus een kwaal van deze tijd… Maar toch niet helemaal.

Voltooid leven in de tegenwoordige tijd

Aantal vermeldingen van ‘levensmoe’ en ‘levensmoeheid’ in literaire teksten van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Om te onderzoeken wat levensmoeheid in het verleden was, is het belangrijk om eerst na te gaan wat het begrip vandaag betekent. Specialisten zijn het erover eens dat voltooid leven een moeilijk te concretiseren concept is. Toch is het mogelijk om een profiel op te maken van ‘de levensmoede bejaarde mens’ in onze maatschappij. Zo is er de evidente link met ouderdom en (psychisch) lijden door niet-levensbedreigende ouderdomsklachten. Eenzaamheid, beperking van mobiliteit, een achteruitgang van zicht of gehoor en geheugenproblemen zijn enkele van de klachten die ouderen benoemen. Deze ouderen zijn – in meerdere of mindere mate – allen zeer actief (geweest) en hun angst voor aftakeling en afhankelijkheid bepaalt grotendeels hun stervenskeuze. Ze zijn niet depressief, maar willen zelf beslissen over hun levenseinde in plaats van hun autonomie af te staan aan zorgverleners. Kenmerkend is ook het ontbreken van strakke religieuze banden die hun actieve of passieve doodswens zouden kunnen beïnvloeden. Daarbij treden deze bejaarden vaak op als pleitbezorgers voor een wettelijk kader voor voltooid leven binnen de euthanasiewetgeving.

Een vermoeiend leven in de negentiende en vroege twintigste eeuw

Gedicht van Hélène Swarth, Het Volksbelang, 1888.

Ondanks de stellige overtuiging waarmee specialisten de problematiek als typisch hedendaags bestempelen, zijn er in de negentiende eeuw al vermeldingen van levensmoeheid terug te vinden in krantenartikelen. Nederlandstalige schrijvers uit die periode portretteerden hun personages eveneens regelmatig als levensmoe. Twee opvallende vaststellingen zijn hierbij van belang: ten eerste kon iedereen in het verleden levensmoe zijn, terwijl de term vandaag specifiek aan ouderen gelinkt is. Zo kregen bijvoorbeeld jongeren en ouderen, huisvrouwen, tot zelfs politieke partijen of continenten dit label toegekend.

Ten tweede kreeg levensmoeheid in het verleden een veel ruimere invulling. De negentiende-eeuwse mens kon ‘het leven moe zijn’ en hartstochtelijk verlangen naar de dood, waarbij religieuze motieven en de wens tot hereniging met God in het hiernamaals een rol speelden. Het thema van de passieve doodswens kwam regelmatig naar voren in de Nederlandstalige literatuur uit deze periode. Omwille van het religieuze aspect was zelfdoding bij deze auteurs uit den boze. Daarnaast leidde levensmoeheid volgens tal van krantenartikelen evenwel geregeld tot zelfmoord. Volgens poëtische teksten kon ook liefdesverdriet een mens levensmoe maken.

Reclamefolder voor ‘Sunlight’ zeep, 1888.

Anderzijds kon levensmoeheid in de bredere zin refereren naar een allesoverheersende vermoeidheid, veroorzaakt door de dagdagelijkse ‘struggle for life’. Een treffend voorbeeld in dit verband was de reclame voor Sunlight zeep uit 1888. Huisvrouwen kregen de vraag of ze ‘tired of life’ waren door al het poetsen en schrobben. De advertentie beloofde een aanzienlijke verlichting van hun werklast bij gebruik van Sunlight zeep. Een ander voorbeeld was de reclame uit 1937 die een rooskleuriger leven voorspelde na het eten van Solo margarine, omdat lekker eten levensvreugde geeft. Dat was immers hoognodig wegens de veelvoorkomende levensmoeheid in ‘onze koortsige eeuw’. Bedrijven speelden dus via gerichte marketingcampagnes in op een aangevoelde vermindering van levenskwaliteit.

Een nieuwe eeuw, nieuwe geluiden

Bovenstaande argumentatie verduidelijkt de schijnbare tegenstelling in de titel van deze blog: levensmoeheid was in de negentiende eeuw wel degelijk een gekend fenomeen. Het is echter problematisch om de toenmalige situatie als een blauwdruk of voorloper van de huidige problematiek te beschouwen. Zowel de betekenis van het concept als de toepassing ervan was veel ruimer dan vandaag. Doorheen de hele negentiende eeuw kregen ouderen bovendien weinig maatschappelijke en medische aandacht. Pas vanaf de twintigste eeuw kwam hierin verandering met de (h)erkenning van ouderen als een aparte leeftijdscategorie en de opkomst van specialismen als gerontologie en geriatrie vanaf 1950.

Tot slot is het opvallend dat medische bronnen levensmoeheid nooit vermeldden. Dit is vanuit een hedendaags perspectief verwonderlijk omdat ‘onze’ ouderen met een doodswens doorgaans bij een arts terechtkomen. De toenemende medisch-psychiatrische professionalisering kan hier een verklaring bieden. Psychiaters waren er vanaf de negentiende eeuw van overtuigd dat suïcidegedachten of een doodswens altijd het gevolg waren van onderliggende psychiatrische aandoeningen. Dit in tegenstelling tot de vorige eeuwen, waar zelfmoordenaars minstens een zondige tot zelfs een criminele inborst kregen aangemeten. Het uitgangspunt was dus dat zelfdoding kon worden voorkomen door een psychiatrische behandeling van het onderliggende pathologische probleem en een gedegen bewaking van de patiënt. Vanuit dit standpunt bestond levensmoeheid volgens de toenmalige medische wereld – tot ver in de twintigste eeuw – eenvoudigweg niet (meer). Enkel psychiatrische diagnoses, zoals melancholie en later depressie, en hun behandelingen kregen erkenning als mogelijke oorzaken en remedies voor een doodswens.

In het kielzog van hun optimisme over de schijnbaar grenzeloze mogelijkheden van de medische wetenschap verklaarden artsen de aloude levensmoeheid bijgevolg dood en begraven. Twee eeuwen later komt de term evenwel ook in medische kringen opnieuw aan de oppervlakte. Onder invloed van een vergrijzende samenleving en een meer realistische houding binnen de psychiatrie krijgt hij dan zowel een engere betekenis als een nieuwe naam. Voltooid leven symboliseert op deze manier eveneens de grenzen waartegen de psychiatrische wetenschap botste.

Meer lezen?

De Beauvoir, Simone. De ouderdom: Situatie en zingeving in de laatste levensfase. Utrecht: Uitgeverij Bijleveld, 1970.

Van Wijngaarden, Els. Voltooid leven: Over leven en willen sterven. Amsterdam en Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2016.

Stefanie Meul is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over levensmoeheid bij Belgische ouderen.

Titelafbeelding: Ferdinand Hodler, Die Lebensmüden, 1892. Afbeelding in publiek domein, olieverf op canvas.

Het einde van de man, weeral

Door Tinne Claes

Vandaag kunnen vrouwen geen kind krijgen zonder man of spermadonor. Daar komt in de toekomst misschien verandering in, want wetenschappers dromen ervan om met in-vitrogametoganese (IVG) een huidcel te laten uitgroeien tot een zaadcel. Op die manier zou een vrouw een andere vrouw kunnen bevruchten. ‘Mannen, let op, misschien zijn jullie in de toekomst overbodig’, waarschuwde een Nederlandse nieuwszender al. Het is een argument met een lange geschiedenis.

We willen toch geen matriarchaat?

Een verheugd stel haalt een baby uit een automaat in de film Just Imagine uit 1930.

Na de uitvinding van de kunstmatige bevruchting in de negentiende eeuw begon deze techniek snel een eigen leven te leiden in de populaire cultuur. Ze werd het onderwerp van romans, toneelstukken en films. Een veelvoorkomend motief was het potentieel van de kunstmatige inseminatie voor vrouwen. Ze zouden weldra geen man meer nodig hebben om kinderen te krijgen, zo luidde het idee.

In het zog van de eerste feministische golf verschenen steeds meer alarmerende teksten. In 1912 beweerde een journalist van het populaire Duitse tijdschrift Die Gegenwart bijvoorbeeld dat radicale feministen verheugd waren om het vooruitzicht van het ‘volledig elimineren van de vaderlijke component’. In de jaren 1920 schetste de Britse vrouwenhater en filosoof Anthony Ludovici het doemscenario dat Britse feministes zich de kunstmatige bevruchting zouden toe-eigenen. In het boek Lysistrata; or, Woman’s Future and Future Woman orakelde hij: ‘Eenmaal de kunstmatige inseminatie een alledaagse gebeurtenis is, zal een vrouwenparlement ongetwijfeld een wet aannemen die het voor de man onwettig maakt om op natuurlijke wijze een kind voort te brengen.’

Talrijke auteurs vreesden dat mannen in een door feministes geïnstalleerd matriarchaat niets meer zouden zijn dan wandelende spermabanken. De Franse schrijver Georges Duhamel schreef in 1930 een dystopische roman waarin vrijgevochten Amerikaanse vrouwen sperma bestelden uit een catalogus, alsof het een auto of kleding betrof. In hetzelfde jaar ging de Amerikaanse film Just Imagine in première, een futuristische komedie waarin vrouwen baby’s uit automaten haalden, waardoor ze niet langer een man nodig hadden.

Bewust alleenstaande moeders, toen nog bewust ongehuwde moeders genoemd, werden pas zichtbaar in de jaren 1980. Affiche van Dea-To, uitgegeven door het Centrum voor Seksuele Voorlichting in 1983 (bron: AMSAB, Gent)

Spermabanken zijn voor mannen

In de tweede helft van de twintigste eeuw won de kunstmatige inseminatie nog aan populariteit. In de jaren vijftig werden spermabanken uitgevonden, met diepgevroren spermastalen. De nieuwe techniek maakte kunstmatige bevruchting – die tot dan toe met ‘verse’ donaties gebeurde – minder morsig en gaf ze een serieuzer aura. De samenleving seculariseerde, waardoor oude bezwaren sneuvelden.

Toch wilden fertiliteitsartsen alleen gehuwde paren behandelen, waarvan de man onvruchtbaar was. Deze artsen benadrukten dat donorinseminatie louter therapeutisch was, slechts een middeltje tegen de onvruchtbaarheid van de echtgenoot. Vrouwen die om sperma vroegen omdat ze geen man hadden, waren verdacht.

Want fertiliteitsartsen maakten zich zorgen over feministes, die ondertussen een tweede golf deden aanzwellen. Zo hoonde de Nederlandse gynaecoloog Ton Schellen aan het begin van de jaren 1960: ‘Men kent de zogenaamde “career women”, vrouwen die een zelfstandige positie bekleden, goed ontwikkeld, zelfstandig, overheersend en wellicht te dominerend om tot een huwelijk te geraken.’ Zulke vrouwen mochten volgens hem nooit aan een kind worden geholpen. ‘De maatschappij heeft allerminst behoefte aan de instelling van een matriarchaat.’

Feministen met kleine honden

In 1973 stelde Jill Johnston de vrouwenliefde voor als de beste uitweg uit het patriarchaat.

In de jaren 1970 werden deze ‘schrikbeelden’ versterkt door het gedachtegoed van enkele radicaalfeministische actiegroepen, die de vrouwenliefde voorstelden als de beste ontsnappingsroute uit de door mannen gestuurde maatschappij. Zogenaamde lesbische separatisten streefden naar een volledig vrouwelijke samenleving, waarin voortplanting ongeslachtelijk gebeurde. De maagdelijke bevalling, die mannen overbodig zou maken, was voor hen een wensdroom.

Voor de meeste fertiliteitsartsen was deze droom een nachtmerrie. Bang als ze waren voor de omverwerping van het patriarchaat, hielpen ze ongehuwde vrouwen niet aan een baby. Op een groot wetenschappelijk congres, dat in 1973 plaatsvond in Leuven, was de consensus dat vrouwen die zonder man bij hen aanklopten ‘even gelukkig zouden zijn met een kleine hond’. Ook dachten artsen dat het gevaarlijk was om een kind te laten opgroeien bij een ‘mannenhaatster’. Lesbische en alleenstaande vrouwen verkregen pas toegang tot de spermabank in de jaren 1980, en dan nog alleen via een klein aantal fertiliteitsklinieken.

Is het einde van de man eindelijk daar?

Wat kunnen we leren uit deze geschiedenis? Angsten over het einde van de man dienden in het verleden vooral om het patriarchaat in stand te houden. Het idee dat de man overbodig zou worden, diende vooral als een waarschuwing tegen het feminisme.

Mannen kunnen dus op hun beide oren slapen. Vanuit historisch oogpunt is het onwaarschijnlijk dat de toekomstige IVG-techniek, als het al zou lukken, het einde van de mannelijke privileges zou inluiden.

Meer lezen?

Christina Benninghaus, ‘Great expectations—German debates about artificial insemination in humans around 1912’, Studies in History and Philosophy of Biological and Biomedical Sciences 38 (2007), 374–392.

Tinne Claes, Zaad zonder naam: een biografie van de spermabank (Tielt: Lannoo, 2022).

Kara Swanson, ‘The end of men: again’, Boston University Law Review Annex 93 (2013), 26-36.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van geneeskunde, gender en seksualiteit in de negentiende en twintigste eeuw. Onlangs publiceerde ze het boek Zaad zonder naam: een biografie van de spermabank.


Lachen, zingen en schrijven: de andere wapens in de Eerste Wereldoorlog

Gastblog door Leen Jongbloet

Wie op zaterdagavond in de zetel kruipt met een oorlogsfilm, weet dat het geen avond van louter plezier, vreugde en luchtigheid zal worden. Als zwarte pagina in de geschiedenisboeken, krijgt de Eerste Wereldoorlog in de filmindustrie vaak een plaats als duistere achtergrond waartegen verschillende verhaallijnen zich afspelen. Door het gewelddadige karakter en de sombere realiteit van de oorlog, domineert een negatieve sfeerschepping het beeld van het conflict. Elementen van klein geluk konden echter een bescheiden baken van verlichting vormen in duistere oorlogstijden: ook gelach, gezang en briefwisseling maakten deel uit van de individuele oorlogsbeleving van de soldaat. Ze konden blijk geven van positiviteit, maar ook een functie vervullen als wapen tegen het slopende oorlogsleven.

De oorlog

Tekening uit: Raoul Snoeck, Dans les boues de l’Yser, carnet de route du sous-lieutenant Raoul Snoeck; dessins de Nand Snoeck, Gent: Snoeck-Ducaju, 1918.

Duizenden jongemannen brachten de oorlog ver verwijderd van geliefden en familie door aan het front in België. Modder, regen, verveling en het geluid van kanongebulder behoorden tot de dagelijkse realiteit. Uitingen van emoties in dagboeken en briefwisselingen tonen ons hoe zij de oorlog beleefden en wat er in hen omging. Daaruit spreken onder andere heimwee en nostalgie, moedeloosheid, ongerustheid en angst. Afgescheiden van het thuisfront, verhalen dagboekpassages dan ook vaak over mijmeringen naar huis toe. Gemis, de verzuchting naar ouders, uitspraken over de vervloekte oorlog en het verlangen naar het einde ervan, weerspiegelen sprekend de gevoelswereld van de auteurs.

Lachen…

Naast het leeuwendeel aan negatieve emoties, bevatten deze oorlogsdagboeken ook sporen van klein geluk. Deze belichten een ander beeld van de oorlog en bieden bescheiden kanttekeningen bij het pessimistisch beeld. Zo schrijven verschillende dagboekauteurs hoe gelukkig ze zijn, hoe mooi de dag is, of hoe ze hebben gelachen.

Zo moest Modeste Eyckmans, die hulpaalmoezenier werd in het leger, lachen met een pater die zijn bril niet meer vond in het stro, waarover hij zijn beschrijving in zijn dagboek afsloot met ‘hi hi  hi.’ Ook gaf hij weer hoe er werd gelachen bij het slibberen van de mannen over een met ijs bedekte weg, of hoe zij simpelweg lachten tijdens gesprekken met vrienden. Oorlogsvrijwilliger Van den Berge schreef zelfs over de vanzelfsprekendheid van gelach onder de soldaten bij zijn terugkeer uit verlof. ‘Ik zit hier gerust en gezellig, en gedurende de 15 uren trein (…) wordt er natuurlijk, met soldaten ondereen, nogal eens gelachen…’

Gelach en humor zoals ze in de dagboeken naar voor komen, wekken een positieve sfeer op. Verder dan dat, kon het ook een strategie vormen in het emotionele gevecht van de oorlog. Militairen konden humor, cynisme en gelach in de strijd gooien in een poging hun lot te minachten.  Dat alles kon op die manier een uitlaatklep vormen en een wapen zijn om de zwaarte van het oorlogsleven enigszins te ontmantelen.

Met stem naar een betere stemming

Titelpagina van: Théophile Quoidbach, Liederenboek van den Belgischen soldaat 1914-1916, Parijs: Henry Wykes; 1916.

Het gezang van liedjes weerklinkt als een andere positieve noot uit de oorlogsdagboeken. Het had een opwekkend effect: door te zingen onderweg, leek de weg korter te zijn en de tijd sneller te gaan. Liedjes over van alles en nog wat werden zo op de juiste tonen meegezongen in grote groep.

Naast thema’s zoals het vaderland of een bepaalde streek, bestond het gamma aan liedjes binnen de frontcultuur ook uit schuine populaire liedjes. Deze zagen het licht met het verstrijken van de oorlogsjaren en binnen de context van het eentonige leven aan het front. Ze kaderden in de verveling, monotonie en de oorlogsmoeheid, die groter werd naarmate het perspectief op het einde van de oorlog uitbleef.

Hun gezang kon wijzen op een positief gemoed, maar kon ook het tegenovergestelde aangeven. Zo gebruikte het leger hun gezang als juist als strategie om zichzelf juist moed in te zingen. Het samen zingen van liedjes had dan ook een ophitsend effect op de massa. Wie de volgende keer naar een mondeling examen of sollicitatiegesprek wandelt, is er mogelijks bij gebaat luid mee te zingen met hetgeen er door de koptelefoon weerklinkt.

De rol van de postbode

Soldaat kijkt naar het portret van zijn ‘marraine de guerre’ (in: Kathleen Adriaenssens, 1914-1918. Materiële, culturele en morele aspecten van het frontleven achter de IJzer, 144.)

Afbeelding met tekst  Automatisch gegenereerde beschrijvingAfgescheiden van geliefden en familie, vormde ook het duo van pen en papier een wapen in de emotionele strijd. Het hielp soldaten tegen de verveling en vormde een manier om hun gevoelens, gedachten en ideeën van zich af te schrijven. Maar nog het meest was het krijgen van correspondentie van onschatbare waarde. Het ontvangst van brieven was daarmee misschien wel het grootste kleine geluk voor  de soldaat in de oorlog. De postbode, wiens de komst steeds ongeduldig werd afgewacht, was daarbij een geliefde man aan het front. Veelzeggend is dan ook hoe de postbode door sommigen facteur d’amour genoemd werd.

Een andere noot

Zonder de weerzinwekkende en buitengewone realiteit van de Eerste Wereldoorlog te ontkennen, laten oorlogsdagboeken toe ook verlichtende elementen van de oorlogsbeleving te ontdekken. Ondanks hun situatie, deelden de soldaten ook momenten van gelach, hoop, gezang en muziek. Waar gelach een ventiel kon vormen in de eentonige patstelling van de Eerste Wereldoorlog, konden de soldaten zichzelf moed inzingen wanneer nodig, terwijl de komst van de postbode voor de nodige opwinding zorgde.

Leen Jongbloet is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over de emotionele beleving van de Eerste Wereldoorlog in dagboeken.

Titelafbeelding: Schilderij ‘Poppies in Flanders Fields’ door Michael Creese.

Hoe achttiende-eeuwse literatuur en opera hun sporen nalaten op hedendaagse suïcidepreventie

Gastblog door Erik De Coninck

In november 2021 lanceerde de Vlaamse overheid het derde Vlaamse Actieplan Suïcidepreventie. Het doel? Tegen 2030 het aantal sterfgevallen door suïcide doen verminderen met tien procent. Een van de slagzinnen van dit actieplan is dat suïcidepreventie een zaak moet zijn van iedereen. Zelfmoordpreventie moet zich de komende jaren manifesteren binnen de brede samenleving, en niet louter binnen de psychiatrie en psychotherapie. Het actieplan ondersteunt dit inzicht met recent onderzoek, maar eigenlijk heeft het idee wortels in de achttiende eeuw.

Een nieuwe weg voor de Vlaamse suïcidepreventie

Laten we beginnen met wat context. Wanneer het om zelfdoding gaat, scoort Vlaanderen niet zo goed. Op Finland na is er geen enkel West-Europees land met hogere zelfmoordcijfers. Dit is een probleem waar Vlaanderen al langer mee kampt: reeds in 1900 lag het zelfdodingscijfer hier dubbel zo hoog als in Nederland. Sinds 1945 begonnen de Vlaamse zelfmoordcijfers bovendien gestaag te stijgen, een proces dat vanaf de jaren 1970 versnelde. Toch is er sinds de eeuwwisseling sprake van een kentering: op een kleine opflakkering tijdens de financiële crisis van 2008 na, zijn de suïcidecijfers in Vlaanderen systematisch beginnen dalen.

Gegevens van het Agentschap Zorg en Gezondheid tonen de spectaculaire daling van het Vlaamse suïcidecijfer sinds 2000. Van Landschoot, van Heeringen en Portzky. ‘Epidemiologisch rapport 2020: De Vlaamse suïcidecijfers in een nationale en internationale context’, oktober 2021.

De oorzaak van deze positieve evolutie is meerduidig. In de eerste plaats voerde de Vlaamse regering tussen 2006 en 2020 de eerste twee Vlaamse Actieplannen Suïcidepreventie uit. Met deze stap beperkte de overheid zich niet langer tot het subsidiëren van hulpverlening, maar begon ze ook een actieve rol te spelen in het preventiebeleid.

Een tweede doorslaggevende factor is de mentaliteitsverandering binnen de preventiestrategie. Suïcidepreventie had zich doorheen de negentiende en twintigste eeuw bijna uitsluitend toegelegd op de individuele begeleiding van personen die een hoog risico hadden op suïcidaal gedrag: mensen die al een zelfmoordpoging achter de rug hadden of expliciete zelfmoordgedachten uitten. Sinds het einde van de twintigste eeuw heeft onderzoek echter aangetoond dat de preventiestrategie zich best richt op de gehele samenleving. Het doelpubliek werd verbreed: ook personen met een laag tot matig risico op suïcidaal gedrag kwamen in het vizier.

De schaduw van Goethe en Mozart

Een maatschappijbrede preventiestrategie gaat ervan uit dat het taboe op zelfdoding moet worden doorbroken. In de praktijk is dit soms balanceren op een slappe koord: enerzijds kan een opener klimaat ervoor zorgen dat personen met zelfmoordgedachten deze sneller bespreekbaar durven maken. Anderzijds kan open communiceren over zelfdoding ook onbedoelde neveneffecten hebben. In 1774 schreef Goethe de roman Die Leiden des jungen Werthers, waarin het hoofdpersonage Werther zelfmoord pleegt als gevolg van een onbeantwoorde liefde. De publicatie van dit boek leidde tot één van de grootste zelfmoordgolven in de Westerse geschiedenis. Over heel Europa pleegden jongemannen die zich herkenden in de figuur van Werther zelfmoord. Ook de manier waarop Werther uit het leven stapte werd vaak gekopieerd.

Titelpagina van de eerste druk van Die Leiden des jungen Werthers.

In grote delen van Europa uitten zowel het wereldlijke als het kerkelijke gezag kritiek op Goethe, omdat ze vonden dat hij zelfmoord propageerde. In Duitse, Italiaanse en Deense gebieden was de controverse zo groot dat het boek en zelfs de kledingstijl van Werther gedurende enkele decennia verboden werden. Nadat de zeventienjarige Christiane Henriette Sophie von Laßberg, een dierbare vriendin van Goethe, in 1778 zelfmoord pleegde met zijn boek in haar hand, ging ook Goethe zelf zich meer en meer distantiëren van het werk.

Hulpverleners spreken nog steeds van een Werthereffect wanneer het aantal zelfdodingen stijgt na het verschijnen van een nieuwsbericht, populair boek of televisieprogramma. Een recent voorbeeld is de populaire Netflix-serie 13 Reasons Why, die het taboe rond zelfdoding wilde doorbreken, maar helaas geen rekening hield met het Werthereffect. Het gevolg was een stijging van dertien procent in het aantal zelfdodingen onder jongeren in de Verenigde Staten.

In 1791, enkele jaren na het verschijnen van Goethes briefroman, werd Mozarts opera Die Zauberflöte voor het eerst opgevoerd. In dit stuk worstelt het personage Papageno eveneens met zelfmoordgedachten vanwege liefdesverdriet. Dankzij de steun van vrienden slaagt hij er echter in om deze te overwinnen. Ook dit verhaal had een invloed op latere methodes van suïcidepreventie. Vandaag spreken hulpverleners van een Papageno-effect wanneer er in communicatie over zelfdoding nadruk wordt gelegd op de mogelijkheid om hulp te krijgen. Dit kan kwetsbare personen perspectief bieden en het taboe op zelfdoding op een correcte manier doorbreken. Een herkenbaar voorbeeld is de verplichte vermelding van Zelfmoordlijn 1813 na elk tv-programma of nieuwsbericht waar zelfdoding aan bod komt. Ook in de achttiende eeuw had Papageno al een belangrijk effect: het personage wekte zoveel sympathie op dat het bijdroeg aan debatten over het schrappen van zelfdoding als misdaad.

Het betrekken van de brede samenleving als noodzaak

Een gravure van de oorspronkelijke Papageno, Johann Joseph Schikaneder, vervaardigd door Ignaz Alberti in 1791.

Het gevaar van het Werthereffect toont aan dat het niet zo evident is om het taboe rond suïcide te doorbreken. De positieve resultaten die de Vlaamse Overheid de afgelopen vijftien jaar geboekt heeft bewijzen echter dat het toch de moeite loont om dit te proberen. Een preventiebeleid dat geen aandacht schenkt aan het betrekken van de volledige samenleving zal meer kosten en minder bereiken. Individuele zorg is immers duurder en heeft een kleinere reikwijdte, terwijl een maatschappijbrede strategie net kan voorkomen dat bepaalde personen ooit nood zullen hebben aan een individueel traject.

Vlaanderen zit in zijn strijd tegen het suïcideprobleem dus op het juiste spoor. Dat is ook nodig, want ondanks de gunstige cijfers van de afgelopen jaren ligt het suïcidecijfer in Vlaanderen nog steeds vijftig procent hoger dan het gemiddelde van de Europese Unie. Er is dus nog een lange weg te gaan, maar met de extra investeringen van het nieuwe actieplan en een preventiebeleid met een vleugje Mozart, is een optimistische blik op de toekomst zeker gerechtvaardigd.

Meer lezen?

Barbagli, Marzio. Farewell to the World: A History of Suicide. Cambridge: Polity Press, 2015.

Schols, Bart. Zelfmoord in Vlaanderen. Feiten en getuigenissen over verdriet, schuld en schaamte. Gent: Borgerhoff & Lamberigts, 2011.

Erik De Coninck is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Hij schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over suïcidepreventie vanaf 1970.

Titelafbeelding: De zelfmoord van Werther op een ingekleurde houtgravure uit de negentiende eeuw. Publiek domein.

Hoe de Maya’s ervoor gezorgd hebben dat er een uit insecten gewonnen kleurstof in je yoghurt zit

Door Milton Fernando Gonzalez Rodriguez; vertaald door Wouter Egelmeers

Hoe vreemd het ook mag klinken, de kans is groot dat je zonder het te weten een lepel yoghurt hebt gegeten, een hap van een cake hebt genomen, of een drankje hebt gedronken dat een uit insecten gewonnen kleurstof bevat. Het idee klinkt voor veel mensen misschien walgelijk, maar sommige van de roodste voedingsmiddelen bevatten sinds het midden van de twintigste eeuw een poeder dat is verkregen door het verwerken van cochenilleluizen (Dactylopius coccus). Een ​​aardbeienijsje moet immers qua kleur wel lijken op het fruit dat het zou bevatten, toch?

Van dierlijke oorsprong

Cochenilleluis. Leslie Seaton. Wikicommons, CC-BY-2.0.

Voedselproducenten en marketingexperts denken in ieder geval van wel. Om het visuele aspect van voedsel te verbeteren, vertrouwen ze op kleuradditieven die cosmetisch bijvoorbeeld ijs, cocktails en gebak aantrekkelijker maken zonder hun smaak of textuur te veranderen. Het rode extract dat wordt gemaakt van cochenille-insecten, oorspronkelijk afkomstig uit Meso-Amerika, reist door ons voedsel en andere producten onder verschillende pseudoniemen, zoals E120, natural red 4, C.I. 75470, of gewoon onder de Nederlandse benaming, karmijn. De cochenilleluizen waaruit deze stof gewonnen wordt, brengen hun hele leven door op stekelige cactussen. De cactusbladeren worden verzameld en vervolgens opgeslagen in magazijnen, waar werknemers de insecten van de planten schrapen. Zodra de insecten zijn gesorteerd en in de zon gedroogd, worden ze geplet, waardoor de felrode kleur in hun lichaam zichtbaar wordt. Uiteindelijk worden de geplette insecten gemengd met een zure alcoholoplossing. De zo verkregen kleur is nog net zo rood als toen de Maya’s en daarna de Azteken haar voor het eerst gebruikten om hun leven een vleugje meer kleur te geven.

Passie voor rood 

De opvallende kleur van karmijn bleef niet onopgemerkt toen de Spanjaarden in de vijftiende eeuw in Midden-Amerika arriveerden. Ze realiseerden zich al snel dat inheemse Amerikanen de sleutel in handen hadden om het Europese kleurenpalet uit te breiden en met deze felle, nieuwe roodtint de kunstwereld te hervormen. De Oude Wereld had nog nooit zo’n intense felrode kleur gezien. Spanje was dan ook niet bereid de mysteries achter zijn productie te onthullen. Het monopolie op dit handelsartikel werd angstvallig in handen van de Spaanse kroon gehouden.

Gravure van een plantage van cochenillecactussen met arbeiders die cochenille verzamelen en bereiden. Wellcome Collection, publiek domein.

Vele levens, bijvoorbeeld van spionnen en insectensmokkelaars, werden opgeofferd in een poging om elk aspect van deze lucratieve onderneming geheim te houden. Cochenille-extract was waardevol. Als gevolg van de schaarste van de rode kleurstof werd de kleur ook in Europa een statussymbool, een teken van macht, een onderscheidingsteken en een favoriet van gerechtsgebouwen, pausen en andere hooggeplaatsten, en natuurlijk kunstenaars. De stof werd het meest gebruikt in de textielindustrie, maar karmijn werd al snel ook een favoriet ingrediënt bij de fabricage van andere producten.

Een einde aan het monopolie

Na ruim twee eeuwen maakte de onafhankelijkheid van Mexico aan het begin van de 19e eeuw een einde aan het Spaanse monopolie. De Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1810-1821) had veel gevolgen en een daarvan was de onmogelijkheid om de uitbreiding van de karmijnproductie naar andere delen van de wereld te beheersen. Tijdens de meest chaotische jaren wisten de Guatemalteken de techniek met succes naar hun land over te brengen, waardoor Guatemala op de karmijnmarkt de belangrijkste concurrent van Mexico werd. Tegen de jaren 1850 werd Guatemala ’s werelds grootste exporteur van karmijn en produceerde het land meer van de kleurstof dan zijn voorgangers ooit hadden weten te exporteren. Maar het geheim van de karmijnproductie was bekend.

Dactylopius coccus. Dick Culbert. Wikicommons, CC-BY-2.0

Zowel Spanjaarden als Nederlanders waren erin geslaagd de Meso-Amerikaanse techniek over te brengen naar landbouwgronden voor de kust van Afrika en in Azië. Tegen het einde van de jaren 1830 waren er op vijf van de Canarische Eilanden en op Java plantages opgestart voor het oogsten van Dactylopius coccus. De Spaanse regering probeerde zonder veel succes de Canarische boeren aan te moedigen een deel van hun wijngaarden te vervangen door cochenille-oogstcentra. Ondertussen hoopten Nederlandse ambtenaren op Java dat de karmijnindustrie een winstgevende onderneming zou worden. In 1827 hadden ze een operatie opgezet waarbij een spion ingehuurd werd om het geheim achter de teelt en verzameling van cochenilleluizen te stelen. De overproductie van karmijn op wereldniveau deed de prijzen echter kelderen. Daar kwam nog bovenop dat er tussen 1870 en 1880 in Duitsland nieuwe technieken werden ontwikkeld die het mogelijk maakten om synthetische pigmenten te produceren. Complexe oogstcentra van insecten waren niet meer nodig en het gebruik van karmijn daalde drastisch.

Hernieuwde belangstelling

De insectenkleurstof leek zijn langste tijd dus gehad te hebben. Plotseling kwam daar echter verandering in. Vanaf 1970 begonnen Westerse consumenten namelijk de voorkeur te geven aan natuurlijke additieven in hun voedsel in plaats van synthetische, voornamelijk veroorzaakt door de angst voor potentieel kankerverwekkende stoffen die toen opkwam. Deze afkeur van E-nummers en andere kunstmatige toevoegingen gaf aanleiding tot de herintroductie van cochenille-extract. Op enkele incidenten na krijgt karmijn niet veel aandacht in de media. Gerapporteerde allergische reacties en ontevreden vegetarische klanten die zich bedrogen voelen hebben niet geleid tot een verbod op het gebruik van cochenille-extract in voedingsmiddelen.

De Maya-innovatie om een ​​kleurstof uit een insect te extraheren, later gekopieerd door de Azteken en uiteindelijk overgenomen door de Europese kolonisatoren, speelt daardoor indirect opnieuw een belangrijke rol in de productie van roodfruitproducten, zoetwaren en dranken als Jumex Apricot, Orangina Rouge en Yaggo. Zo komen er behalve een uit insecten gewonnen kleurstof dus ook sporen van een eeuwenoude Mayapraktijk in je yoghurt terecht.

Meer lezen?

Herman Pleij. Van karmijn, purper en blauw. Over kleuren van de Middeleeuwen en daarna. Amsterdam: Prometheus, 2002.

Amy Butler Greenfield. Het volmaakte rood. Macht, spionage en de zoektocht naar de kleur van passie. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

Milton Fernando Gonzalez Rodriguez is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis sinds 1750. Hij werkt als Marie Skłodowska Curie Fellow aan het project Medicinal Efficacy in Images and Words since the Advent of Mass Media in Western Europe (reMEDIAL NATURE), gefinancierd door Horizon 2020 (MSCA IF).

Titelafbeelding: Cochenillecactus (Nopalea cochenillifera) met insecten die zich ermee voeden, waaronder het cochenille-insect (Dactylopius coccus). Ingekleurde ets door J. Pass, ca. 1801, naar J. Ihle. Wellcome Collection, publiek domein.

Hoe criminologen vrouwelijke criminaliteit in de negentiende eeuw verklaarden

Door Franco Capozzi; vertaald uit het Engels door Wouter Egelmeers

Criminologisch onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat vrouwen beduidend minder misdrijven plegen dan mannen. Tussen 2010 en 2019 was bijvoorbeeld slechts 1 op de 20 volwassen gevangenen in de EU vrouwelijk. Er zijn veel theorieën voor dit verschijnsel aangedragen, variërend van hormonale verschillen tot de ondergeschikte sociale en economische rol die onze samenleving aan veel vrouwen toebedeelt, maar er is nog geen sluitende verklaring gevonden voor de vraag waarom vrouwen in verschillende landen en culturen minder geneigd zijn tot crimineel gedrag dan mannen. Veel mensen weten niet dat het debat over de ‘achterblijvende’ criminaliteit van vrouwen bijna 200 jaar oud is en dat de oorsprong ervan verweven is met die van de criminologie zelf. Hoe verklaarden vroege criminologen de genderverschillen in criminaliteit en welk vrouwbeeld komt uit hun theorieën naar voren?

De ontdekking van een astronoom

Adolphe Quetelet (Library of Congress)

Hoewel het tegenwoordig vanzelfsprekend lijkt, ontdekten sociaal wetenschappers pas aan het begin van de negentiende eeuw, toen de term “criminologie” nog niet was bedacht, dat vrouwen consequent lagere criminaliteitscijfers hadden dan mannen. De Belgische astronoom en wiskundige Adolphe Quetelet (1796-1874) berekende dat de neiging tot misdaad bij mannen vier keer zo groot was als bij vrouwen. Maar hoe kan men dit gebrek aan evenwicht tussen mannen en vrouwen verklaren?

In 1833 kwam Quetelet met de eerste allesomvattende theorie van vrouwelijke criminaliteit, die in de daaropvolgende jaren zeer invloedrijk zou worden. Ten eerste leefden vrouwen volgens hem meestal in de beslotenheid van hun gezin, onder de controle van hun vader, broer of echtgenoot, wat de mogelijkheden en verleidingen om de wet te overtreden verminderde. Ten tweede zou hun lichamelijke zwakte hen ervan weerhouden gewelddadige misdaden te plegen. Ten slotte zou hun morele superioriteit – hun aangeboren gevoelens van schaamte en bescheidenheid – een natuurlijk tegengif tegen crimineel gedrag vormen. Voor Quetelet waren vrouwen dus zelfs superieur aan mannen omdat zij van nature eerlijk en goed zouden zijn.

Gevaarlijke vrouwen

Vanaf 1850 begon de invloed van Quetelets idee dat vrouwen moreel superieur waren aan mannen echter af te nemen. De industriële revolutie leidde tot het ontstaan van een grote en arme lagere klasse en een toename van de criminaliteit in de grote steden. Daardoor ontstond er een gevoel van gevaar en onveiligheid onder de hogere klassen. Als gevolg daarvan veranderde ook de publieke perceptie van vrouwelijke criminaliteit. Prostituees en vrouwen uit achtergestelde milieus werden nu gezien als een bedreiging voor de samenleving, omdat zij geslachtsziekten onder de bevolking zouden verspreiden en kinderen ter wereld zouden brengen die later geestesziek of misdadig zouden worden.

Cesare Lombroso

De overtuiging dat criminele vrouwen en vrouwelijke gevangenen kwaadaardiger, wreder en gevaarlijker waren dan mannelijke begon ook de kop op te steken. Er waren zelfs vrouwen die vrouwelijke veroordeelden verdorvener vonden dan mannelijke. Zo schreef de Britse filantroop en gevangenishervormer Mary Carpenter (1807-1877) in 1864: “Vrouwelijke veroordeelden zijn, als klasse, zelfs moreel meer verdorven dan mannen”.

Lombroso’s De criminele man

Het idee dat vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen inspireerde het werk van de Italiaanse psychiater Cesare Lombroso (1835-1909), die algemeen beschouwd wordt als een van de grondleggers van de moderne criminologie. In 1876 publiceerde Lombroso de eerste editie van L’uomo delinquente, één van de beroemdste criminologische verhandelingen ooit geschreven. In dit werk beweerde Lombroso dat criminelen een ondersoort van het menselijk ras waren en dat zij andere lichamelijke en geestelijke kenmerken vertoonden dan burgers die zich aan de wet hielden, zoals ongewoon gevormde schedels, vooruitstekende kaken, een schuin voorhoofd en een gebrek aan moreel besef. Het boek bevatte ook een kort hoofdstuk over criminele vrouwen. Lombroso weersprak daarin de conclusies van Quetelet en beweerde dat vrouwen net zo crimineel waren als mannen, omdat prostitutie volgens hem het vrouwelijke equivalent was van mannelijke criminaliteit. Bovendien beweerde hij dat prostituees met mannelijke dieven een grote ijdelheid en een buitensporige liefde voor luxe en juwelen deelden.

…en De criminele vrouw

Titelpagina van La Donna delinquente

In 1893 publiceerde Lombroso samen met zijn jonge leerling en toekomstige schoonzoon Guglielmo Ferrero (1871-1942) La donna delinquente, la prostituta e la donna normale (De misdadige vrouw, de prostituee en de normale vrouw), een boek dat moest verklaren waarom vrouwen zo weinig misdaden pleegden. In een brief aan een vriend vatte Ferrero de belangrijkste stelling van het boek als volgt samen: de vrouw “is meer slecht dan goed, en als ze goed is, is dat vaak uit domheid”. In het boek, een opsomming van het misogyne gedachtegoed van die tijd, werd beweerd dat vrouwen duidelijk inferieur waren aan mannen: hun schedels waren kleiner, hun hersenen waren lichter, en hun lichaam zou minder gevoelig zijn voor lichamelijke prikkels.

Het werk ging ervan uit dat vrouwen van nature dom, wreed, ijdel en leugenachtig waren, maar dat hun aangeboren moederinstinct de meesten van hen ervan weerhield misdaden te plegen. Prostituees waren echter het vrouwelijke equivalent van de “geboren misdadiger” en overtroffen vaak hun mannelijke tegenhangers in wreedheid en immoraliteit. Terwijl het fundamentele kenmerk van mannelijke misdadigers hun geweld was, was dat van vrouwelijke misdadigers hun buitensporige seksuele drift. Prostituees, zo beweerden Lombroso en Ferrero, ontbeerden door een biologische afwijking elk gevoel voor fatsoen en moederlijke genegenheid, en waren daarom crimineel van aard.

Schedels van criminele Italiaanse vrouwen. Uit: Lombroso, L’uomo delinquente

Volgens Gina Lombroso (1872-1944), Cesare’s dochter, verkocht La donna delinquente in twaalf maanden evenveel exemplaren als L’uomo delinquente in tien jaar had gedaan. Het boek was een bestseller in de Verenigde Staten, maar een commerciële en kritische flop in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Het is niet verwonderlijk dat een van de scherpste kritieken van een vrouw kwam, de Russische feministe en socialiste Anna Kuliscioff (1857-1925), die er in haar recensie op wees dat de Lombrosiaanse school “een mannelijke school was, doordrenkt van mannelijke vooroordelen”.

Een belangrijke erfenis

De theorieën van Quetelet en Lombroso worden door huidige criminologen niet meer serieus genomen. In plaats van tegelijk met hun bedenkers te verdwijnen, bleven ze echter nog vele jaren de publieke opinie beïnvloeden. Toen eind jaren vijftig in Italië de afschaffing van de legale prostitutie werd besproken, gebruikten sommige senatoren Lombroso’s wetenschappelijke autoriteit om tegen deze bepaling te pleiten. Hun argument was dat de sluiting van bordelen geboren vrouwelijke misdadigers weer op de maatschappij zou loslaten. De geschiedenis van de criminologie leert ons dat fouten maken een deel is van de wetenschap en dat wetenschappers altijd een product zijn van de cultuur en het historisch tijdperk waarin zij leven. Als we ons hiervan bewust zijn, helpt dat ons om de fouten uit het verleden niet te herhalen.

Meer lezen?

Cesare Lombroso, Criminal Woman, the Prostitute, and the Normal Woman. Translated by Mary Gibson and Nicole Rafter. Duke University Press, 2004.

Adolphe Quetelet, Recherches sur le penchant au crime aux différens âges. Hayez, 1832.

Franco Capozzi is doctoraatsonderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de erfenis van Cesare Lombroso en het lot van de positivistische criminologie in het tijdperk van het totalitarisme.

Titelafbeelding: Duitse en Italiaanse criminele vrouwen. Uit Lombroso’s L’uomo delinquente.

Waarom Belgische katholieke vrouwenorganisaties feministischer waren dan je zou denken

Door Juliette Masquelier; vertaald uit het Engels door Wouter Egelmeers

In november 1972 organiseerden Vlaamse en Franstalige Belgische feministische groeperingen in Brussel de eerste Vrouwendag: een dag van ontmoeting en discussie, bedoeld om de strijd voor de bevrijding van de vrouw kracht bij te zetten. De katholieke vrouwenorganisaties schitterden door afwezigheid, maar waren allesbehalve onverschillig voor deze nieuwe vorm van vrouwenengagement. Voor Vie Féminine, de Franstalige vrouwenbond die verbonden was aan het Christelijk Werknemersverbond (MOC-ACW), was de relatie met de nieuwe feministen van meet af aan complex. Ondanks aanzienlijke meningsverschillen zou hun invloed het traject van de beweging desalniettemin ingrijpend bepalen.

De katholieke vrouwenbeweging en de nieuwe feministen

In 1970 verschenen nieuwe feministische groepen zoals de Dolle Mina’s, Marie Mineur en het Front de libération des femmes (FLF) op het Belgische activistische toneel met nieuwe eisen en nieuwe methodes die de traditionele vrouwengroepen van hun stuk brachten. De radicale acties van deze feministes, die breed werden uitgemeten in de media, boezemden de gevestigde vrouwenbewegingen angst in. Hun benadering van sociale actie stond lijnrecht tegenover die van hun radicalere evenknieën: ze waren vertegenwoordigd in enkele overheidsorganen, ze profiteerden van politieke contacten binnen de christelijke zuil en ze bouwden op een brede ledenbasis. Voor hen hadden de feministen van de tweede golf schokkende methodes en eisen. Om zich van deze “revolutionairen” te onderscheiden presenteerden de christelijke vrouwenbewegingen zich als een groep die “diepgaander maar discreter” werkte, meer verbonden met de realiteit van de vrouw. Voor de christelijke organisaties bestond deze realiteit met name uit het gezin, een fundamentele waarde die naar hun smaak te veel ontbrak in de eisen van de feministen.

Omslag van Vie feminine, januari 1970.

De gevoelige kwestie van gezin en seks

Sommige slogans van de Vrouwendag van 1972 waren verontrustend voor Vie Féminine, met name het belang dat gehecht werd aan de seksuele bevrijding en de eis van vrije abortus. Tegenover de “vrije” liefde die het Rode boekje van de Vrouw(en) in 1973 opeiste, stelden de christelijke vrouwen een “ware”, echtelijke liefde. Wel distantieerden zij zich ook van het verbod op anticonceptie dat de Kerk oplegde. Vie Féminine promootte anticonceptie zelfs informeel vanaf 1966, en openlijk vanaf 1973. Haar visie verschilde van die van de radicalere feministen: het ging er niet om de vrouw te bevrijden door haar de macht over haar lichaam te geven, maar om de nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid van de echtgenoten, die evenveel belang hadden bij het verzekeren van een gelukkig huwelijk. Vie féminine was officieel tegen de door de feministen geëiste liberalisering van abortus, maar ontwikkelde toch een relatief begripvol standpunt ten aanzien van de tragedies van ongewenste zwangerschappen en clandestiene abortussen, die lang onzichtbaar zouden blijven voor zowel de christelijke partijen PSC en CVP als de christelijke arbeidersbeweging.

Ontmoetingspunten

Ook al vielen de methodes van de feministen niet in goede aarde bij Vie féminine, toch erkende de organisatie hun onmiskenbare bijdrage aan de vrouwenzaak. Ze vestigden de aandacht op onrechtvaardigheden en brachten legitieme eisen onder de aandacht. Vie féminine had immers vergelijkbare doelstellingen: gelijkheid van mannen en vrouwen in het onderwijs, toegang tot beroepen en gelijke lonen. De niet-hiërarchische organisatiemethoden van de radicale feministen, de nadruk op de bevrijding van het woord en het bundelen van ervaringen om een “politiek vrouwenprobleem” onder woorden te brengen, brachten de leiders van Vie féminine ertoe hun eigen structuren in vraag te stellen. Onder invloed van het nieuwe feminisme won het idee dat collectieve actie noodzakelijk was voor het tot stand brengen van sociale veranderingen het langzaam van het standpunt dat deze verandering enkel door individuele aanpassingen kon worden bereikt, zoals veel christelijke groeperingen geloofden.

De weg naar autonomie voor vrouwen

In het daaropvolgende decennium sijpelden de feministische ideeën verder door in andere kringen, terwijl de kleine radicale groepen aan kracht verloren. In 1975 gaf de VN een belangrijke impuls aan de institutionele erkenning van het feminisme door het uitroepen van het Internationaal Jaar van de Vrouw. België volgde deze stimulans en richtte een commissie voor vrouwenwerk en een adviescommissie voor het statuut van de vrouw op. De katholieke vrouwenorganisaties waren zeer gevoelig voor deze erkenning van de vrouwenzaak. Samen met een brede waaier aan katholieke vrouwenorganisaties sloot Vie féminine zich aan bij de Belgische Nationale Raad voor het Internationaal Jaar van de Vrouw, waarin zij samenwerkten met vrouwen- en feministische groeperingen van andere overtuigingen. Via de groepen voor gescheiden vrouwen en de afdelingen voor jonge vrouwen binnen Vie féminine werd de kwestie van de economische zelfstandigheid van de vrouw geleidelijk een politieke doelstelling van de organisatie.

Doorgeefluik

Omslag van En Équipe, juni 1980.

In november 1981 waren financiële onafhankelijkheid, het recht op werk en het recht op werkloosheidsuitkeringen de centrale eisen van de tiende Vrouwendag. Vie féminine maakte nu deel uit van het organisatiecomité, samen met andere vrouwen-, feministische en vakbondsgroeperingen die gezamenlijk in actie kwamen tegen de heersende economische crisis. Dit programma laat zien hoe ver Vie féminine in tien jaar tijd was opgeschoven: van het vooropstellen van de belangen van het gezin en het verdedigen van maatregelen als huisvrouwentoelagen die genderspecifieke arbeidsverdelingen bevorderden tot het verdedigen van individuele rechten voor vrouwen, los van alle gezinsoverwegingen. Tijdens deze cruciale jaren was de beweging een plaats van intense uitwisseling tussen leden en leiders, tussen jong en oud. Zij speelde de rol van een doorgeefluik van de waarden van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in vrij conservatieve kringen, en bood christelijke vrouwen een plaats om zich aan te passen aan de maatschappelijke veranderingen.

Deze reis eindigt hier niet. Aan het eind van de jaren tachtig schaarde Vie féminine zich uiteindelijk achter de decriminalisering van abortus – als christelijke beweging en in naam van het pluralisme – en nog eens tien jaar later, in 2001, koos zij ervoor om zich te gaan profileren als feministische beweging. Daarmee toonde zij eens te meer de plasticiteit en het aanpassingsvermogen van deze nu honderd jaar oude beweging aan.

Meer lezen?

J. Masquelier, Femmes catholiques en mouvements. Action catholique et émancipation féminine en Belgique francophone (1955-1990), Éditions de l’Université de Bruxelles, 2021.

Juliette Masquelier is gastonderzoekster van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van het katholicisme, gender, seksualiteit en sociale bewegingen in de twintigste eeuw. Haar doctoraatsthesis, verdedigd in 2019 aan de Université Libre de Bruxelles, handelde over de emancipatie van vrouwen in katholieke organisaties in België.

Titelafbeelding: Demonstratie “Vrouwen tegen de crisis”, 6 maart 1982. © Vie feminine, gepubliceerd met vriendelijke toestemming van het nationaal bestuur.

Waarom de doden in zestiende-eeuws Antwerpen al eens door de straten getrokken werden

Gastblog door Louise Deschryver

Op 16 mei 1569 werd in de Venusstraat in Antwerpen het dode lichaam van makelaar Bartholomeus Swyndrecht uit zijn huis gesleept. De beul van de stad gooide zijn lijk met een strop rond de nek op een slijkkar en voerde het buiten de stadspoorten naar het galgenveld. Daar werden traditioneel de lichamen van ter dood veroordeelde criminelen uit de stad opgehangen en uiteindelijk begraven. Ook Bartholomeus’ lichaam werd aan de galg gehangen, zodat iedereen die langsliep zijn wegrottende lijk zou zien (en ruiken).

Nochtans had Bartholomeus niets gestolen, niemand vermoord noch een ander wereldlijk misdrijf gepleegd. Wat kon hij dan gedaan hebben om zo’n strenge straf op zijn dode lichaam af te roepen? Wel: de makelaar had op zijn doodsbed geweigerd een laatste biecht af te leggen bij de parochiepriester, of door hem gezalfd te worden met het Heilig Oliesel. In plaats daarvan had hij de priester resoluut weggestuurd van zijn ziekbed en hem bovendien ook nog eens bespot en beledigd. Als gevolg van zijn ongewone gedrag werd het lichaam van de makelaar niet begraven in de heilige grond van het kerkhof, maar ritueel onteerd en tentoongesteld buiten de stad. Bovendien werden al Swyndrechts bezittingen aangeslagen en werd zijn weduwe voor eeuwig uit de stad verbannen.

Lucas Cranach sr., Sint-Barbara, patroonheilige van de goede dood, met de doodsbedhostie in een ciborie. Ca 1530. Sammlung Würth, Schwäbisch Hall.

Dodelijke discussies    

In onze ogen lijkt Bartholomeus weinig misdaan te hebben. In het christelijk Europa van de zestiende eeuw  gold het sacrament van het Laatste Oliesel echter al eeuwen als onontbeerlijk voor het sterven van een goede christelijke dood en het bereiken van de hemel. Met behulp van kruisbeelden, brandende kaarsen, het nodige wijwater en geurige wierook moest de stervende christen zich bovendien zintuiglijk en mentaal voorbereiden op zijn laatste uren. Alleen dan zou de duivel er niet in slagen de ziel van de stervende van het doodsbed mee te voeren naar de hel.

Een halve eeuw voor de laatste uren van Bartholomeus Swyndrecht was onder invloed van Maarten Luther de Reformatie losgebarsten. Oude meningsverschillen over hoe het lichaam en de zintuigen in het geloof gebruikt mochten worden, kwamen tot een kookpunt. Ook de kunst van het sterven werd een punt van hevige discussie tussen gelovigen. Katholieken hamerden op het belang van kruisbeelden, kaarsen, wierook en bovenal het laatste Oliesel aan het doodsbed. Ze claimden dat een stervende zonder de hulp van een priester onmogelijk de hemel kon bereiken. Hun protestante tegenstanders  beweerden daarentegen dat enkel God een ziel naar de hemel of de hel kon sturen. Het vereren van kruisbeelden en heiligenprenten op het doodsbed was net gevaarlijke afgoderij.

Gravure van Marnix van St. Aldegonde door Jacques de Gheyn uit 1599.

Zo schreef de protestantse Antwerpse schrijver Marnix van Sint-Aldegonde in zijn populaire boek Den Byencorf der Heilige Roomse Kerke dat men bij een katholiek doodsbed absoluut niet met het Woord van Christus bezig was, maar enkel met paternosters, kaarsen, wijwater andere dergelijk ‘tuig’. Bovendien spotte hij met het wijdverspreide geloof dat de aanwezigheid van een geestelijke met een crucifix demonen van het doodsbed kon verjagen. ‘De duiveltjes gaan van die kruisen lopen als een hond van een broodkorf’, verkondigde hij sarcastisch. Wilde een gelovige zijn of haar ziel behoeden voor eeuwige verdoemenis, dan kon die deze afgodische objecten maar beter vermijden.

Kiezen is verliezen?

Bartholomeus Swyndrecht nam deze waarschuwing alvast ter harte. Hij was echter zeker niet de enige. In het derde kwart van de zestiende eeuw stierven in Antwerpen, althans volgens haar gefrustreerde bisschop, talloze inwoners zonder laatste sacramenten. De vurige Antwerpse kanunnik Franciscus Donckers voerde daarom vanaf 1569 de strijd voor het zielenheil van de Antwerpenaren op en vaardigde, samen met de hertog van Alva, strenge straffen op protestants sterven uit. In Antwerpen ondervond Bartholomeus dit als eerste aan den lijve. Hij was echter zeker niet de laatste. Tussen 1569 en 1575 werden in totaal 22 lichamen van ‘ketterse’ doden naar het galgenveld gebracht. Veelal ging het om arme mannen en vrouwen die weinig bezittingen te verliezen hadden, of om protestanten die al vervolgd werden en in de stadsgevangenis overleden zonder een biechtvader te willen zien.

Enkele gevallen geven ons kostbare informatie over hoe mannen en vrouwen creatieve manieren bedachten om protestants te sterven en tegelijk de ontering van hun lichaam te vermijden. Zo riep de rijke suikerbakker Dierick Bostyn in maart 1570 niet alleen de radicale protestantse predikant Herman Moded bij zijn doodsbed, maar vervolgens ook de katholieke parochiepriester. Deze weigerde vierkant langs te komen, met de mededeling dat hij wist dat Dierick enkel de sacramenten wilde om zijn wereldlijke goederen niet kwijt te raken. Vier jaar later probeerden protestantse geloofsgenoten het lichaam van een vrouw stiekem in haar kelder te begraven, maar ze werden op heterdaad betrapt en de vrouw werd alsnog naar het galgenveld gevoerd. Behalve in kelders werden ook heimelijk begraven lichamen ontdekt in het Sint-Andrieskerkhof, in tuinen (in de dorpen buiten de Antwerpse stadsmuren) en zelfs in de stadswallen.

Nicolas Hogenberg, Doodsbed van Margaretha van Oostenrijk, 1531. Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel, SI 1632

We hebben er het raden naar hoeveel dergelijke creatieve protestantse overlijdens onopgemerkt bleven. Het is goed mogelijk dat de 22 ontdekte lichamen en mislukte protestantse begrafenissen slechts het topje van de ijsberg zijn. Toen vanaf 1577 in Antwerpen steeds meer protestanten in het stadsbestuur zetelden, eisten zij in ieder geval al snel dat ook protestantse gelovigen openlijk zouden mogen sterven en begraven zoals zij dat wilden.

Ondertussen was op 4 februari Franciscus Donckers, de bezieler van de strenge galgenmaatregel, zelf overleden. In een ironische speling van het lot stierf hij onverwacht, en dus zonder de Laatste Sacramenten te ontvangen. De protestantse Antwerpse schilder Godevaert van Haecht vond dat Donckers mooi aan zijn eigen galg begraven moest worden. De kanunniken lieten hun broeder echter plechtig begraven in het koor van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal – tot frustratie van Godevaert en zijn protestantse stadsgenoten.

Meer lezen?

Truus van Bueren, Leven na de dood. Gedenken in de late middeleeuwen, Brepols, 1999.

Tiffany Bousard, ‘Aan de rand van het graf. De transformatie van het funeraire leven en landschap in Antwerpen en Brugge tijdens de Calvinistische Republieken (1577/1578-1584/1585)’, Nieuwe Tijdingen, 1 (2017), p. 63–90.

Penny Roberts, ‘Contesting Sacred Space: Burial Disputes in Sixteenth-Century France’, in: Bruce Gordon en Peter Marshall (red.), The Place of the Dead: Death and Remembrance in Late Medieval and Early Modern Europe, Cambridge University Press, 2000, p. 131-148.

Louise Deschryver is gastblogger. Louise verricht doctoraal onderzoek naar ideeën over dood en begrafenis tijdens de Nederlandse Opstand. Ze is verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven.