Hoe de Engelse wetenschappelijke interesse voor India op 50 jaar tijd helemaal omsloeg

Al vele eeuwen zijn Europese geleerden gefascineerd door de – in hun ogen – exotische en mysterieuze allure van verre gebieden ten oosten van Europa. Door de toename van wereldreizen tijdens de achttiende eeuw brachten Europese reizigers meer en meer Aziatische spullen en geschriften terug naar hun thuisland. Zo ontstond de ‘oriëntalistiek’, een uitgestorven quasiwetenschappelijke discipline die zich toespitste op kennis en voorwerpen uit het Oosten. In het kielzog van de Britse verovering van het Indische subcontinent grepen Engelse oriëntalisten enthousiast de kans om meer te weten te komen over de antieke Indische beschaving. Maar: hoe meer informatie werd verzameld, hoe meer die met argwaan en wantrouwen werd onthaald.  

Sanskriet in Devanagarischrift

Initiële fascinatie en Indomania

Voor geleerden uit Groot-Brittannië was de studie van het Oosten aanvankelijk nog een heel breed vakgebied, omdat Engelse reizigers zaken meebrachten uit veel verschillende regio’s. In de achttiende eeuw werd de Indologie – de studie van India – echter één van de belangrijkste takken van de Engelse oriëntalistiek. Om de openbare orde in de veroverde gebieden in India te handhaven, stelde gouverneur Warren Hastings in 1772 namelijk het ‘Judicial Plan’ op. Dit plan moedigde Engelse geleerden aan om vertalingen van inheemse wetten te maken. Tijdens hun onderzoek naar het Indisch rechtssysteem stuitten de Engelsen echter op eeuwenoude teksten die veel meer bevatten dan enkel juridische informatie. Vele van de oeroude manuscripten die ze bekeken, zaten vol met verhalen, folklore, mythes en religieuze geschriften.

De nood voor een vertaling van inheemse wetten werd dus de aanzet van oriëntalistiek onderzoek in India. De beroemde William ‘Oriental’ Jones begon zijn carrière in 1783 als rechter in Calcutta. Jones stuitte op dezelfde problemen als andere rechters: de inheemse bevolking had geen kennis van de Engelse wetten, en ook omgekeerd kwamen Engelse rechters vaak in aanraking met gewoonterecht dat hun compleet vreemd was. Het eerste probleem met de inheemse wetten was de taalbarrière. Veel oude en religieuze wetten waren niet opgeschreven in de volkstaal, maar in het Sanskriet dat enkel gekend was door de plaatselijke elitaire kaste: de Brahmanen.

William Jones (1746-1794)

Hoewel Jones de taal vanuit praktische overwegingen onderzocht, werd hij al snel enthousiast over de structuur van het Sanskriet. Hij beweerde zelfs dat die ‘perfecter’ was dan Grieks en ‘rijker’ dan Latijn. Jones’ vertaling van het Indisch toneelstuk Sakontala werd razend populair in Europa, en veroorzaakte een enorme groei in de belangstelling voor de oeroude Indische cultuur. De immense toename in Engels onderzoek naar antieke Indische teksten betekende het hoogtepunt van de ‘Indomania’ en leidde tot een ware Indische ‘renaissance’. In 1784 richtte Jones de ‘Royal Asiatick Society of Bengal’ (RAS) op, waar geleerden samen kwamen om de Indische maatschappij te bestuderen en bespreken. Hoewel de klemtoon bij Jones zelf op onderzoek naar het Sanskriet lag, waren de onderzoeksvelden van de RAS erg divers. De organisatie verenigde een rijk scala aan juridische, taalkundige en antropologische studies, en onderzoek naar Indische folklore, mythologie, en religies.

Indofobie in aantocht

Toch was India niet bij iedereen een populair onderzoeksveld. Aan het begin van de negentiende eeuw groeide in Groot-Brittannië ook de Indofobie. Een eerste bezwaar tegen het nieuwe onderzoeksterrein was dat onderzoek over het Oosten geen enkele nuttige bijdrage zou kunnen leveren aan de wetenschap of de maatschappij. Verder ontstond er in religieuze hoek bezorgdheid over de ‘heidense’ gebruiken van Oosterse volkeren. De meest invloedrijke aanval op Indomania kwam echter van de Schotse geschiedkundige James Mill. In zijn boek History of British India viel Mill elke vorm van oriëntalistiek onderzoek aan. Hij benadrukte de ‘barbaarse’ gebruiken en de lage evolutionaire rang van de inheemse bevolking. Mills bondgenoot Dugald Stewart beweerde zelfs dat Sanskriet helemaal geen échte taal was, maar een verzinsel van de Brahmanen om de lagere kasten te kunnen onderwerpen.

Taj Mahal, India

De negatieve en aanvallende literatuur over India en haar bevolking overtuigde de Britse geleerden er langzamerhand van dat de Indische cultuur en geschiedenis niet het bestuderen of bewaren waard waren. Om een veelzeggend voorbeeld te geven: in 1828 werd het plan voorgesteld om de Taj Mahal af te breken en het marmer te verkopen. De enige reden dat de afbraak niet door ging, was dat de winst van de marmerverkoop van een ander monument te laag uitviel. Door de Indofobie nam het oriëntalistiek onderzoek in Engelse wetenschappelijke kringen sterk af. Tegen het einde van de jaren 1830 kende het een ‘institutionele dood’ doorheen heel Groot-Brittannië: de colleges oriëntalistiek werden afgelast en de professoren ontslagen.

Oriëntalistiek verhuist

De Engelse wetenschapscultuur kende op vijftig jaar tijd twee uiterste vormen in haar omgang met de Indische cultuur: van het hoogtij van de Indomania sloeg ze helemaal om naar een ware Indofobie. Terwijl de studie van het Sanskriet en India in de Engelse sfeer sterk afnam, won die in andere gebieden echter wel aan populariteit. Aan het begin van de negentiende eeuw leerden de bekende linguïsten Friedrich Schlegel en Franz Bopp Sanskriet van een Engelse Sanskritist. Met die kennis werd het onderzoek naar de oude Indische taal en cultuur aan Duitse universiteiten verdergezet.

Meer lezen?

Marchand, Suzanne L. German Orientalism in the Age of Empire: Religion, Race, and Scholarship. Publications of the German Historical Institute. Cambridge: university press, 2009.

Trautmann, Thomas. Aryans and British India. Berkeley: University of California Press, 1997.

Said, Edward W. Orientalism. Routledge & Kegan Paul Ltd., 1978.

Luz Van den Bruel schrijft een doctoraat over de geschiedenis van de taalwetenschap binnen het project ‘Languages Writing History: the Impact of Languages Studies Beyond Linguistics (1700 – 1860)’.

Waarom hiv nog steeds tot de taboesfeer behoort

Gastblog door Ellen Van Laer

Op de Wereldaidsdag van 2021 getuigde Christoph Ramont dat hij vindt dat er een einde moet komen aan het stigma dat nog altijd rond hiv hangt. Ramont is niet de enige die die boodschap de wereld in wil sturen. De afgelopen jaren krijgt de thematiek steeds meer algemene media-aandacht in de vorm van series zoals It’s a sin en Durf te vragen of persoonlijke getuigenissen zoals die van Ramont. Die aandacht blijft nodig omdat er onder de doorsnee bevolking nog veel onwetendheid over het virus heerst, waardoor stigma’s en stereotypen kunnen blijven overleven. Die onwetendheid en bijhorende mythes over hiv zijn echter niet nieuw. Ze kennen hun wortels maar al te vaak in verkeerde inzichten uit het verleden die zijn blijven voortleven. Over wat voor mythes gaat het precies? En waarom zijn ze tot de dag van vandaag blijven hangen?

Gay Related Immune Disease

In 1981 doken de eerste berichten over een mysterieuze ziekte op. In de Verenigde Staten trof ze vooral jonge homoseksuele mannen uit Los Angeles, San Francisco en New York. Ook in België werden in het begin van de jaren 80 de eerste gevallen van een gelijkaardige ziekte gemeld. Het ging ook hier vooral om mensen uit de gay community. In de beginjaren van de aidsepidemie had de mysterieuze ziekte nog geen officiële naam, maar vanaf het midden van 1982 kwam de naam aids (acquired immune deficiency syndrome) in omloop. Daarvoor werden de incorrecte termen grid (gay-related immune deficiency), crid (community-related immune deficiency) of gay cancer gebruikt om naar de ziekte te verwijzen. Er werd soms zelfs gesproken van de 4H-disease omdat de ziekte werd gelinkt met homoseksualiteit, hemofilie, heroïne en Haïti.

Een van de vele artikels die de dood van Freddie Mercury op 24 november 1991 meldden, een dag nadat hij zelf aan de pers had meegedeeld aidspatiënt te zijn.

Al vanaf het begin van de epidemie werden hiv en aids dus erg bestempeld als een homoziekte, wat achteraf niet terecht zou blijken. Dat kwam niet alleen door de vele besmettingen binnen de gay community en de medische onwetendheid tijdens de beginjaren, maar ook doordat de eerste grote namen die hiv-positief bleken te zijn homoseksueel geaard waren. In 1991 stierf bijvoorbeeld Freddie Mercury aan de gevolgen van aids, 25 uur nadat hij bekend had seropositief te zijn. Zulke zaken zijn sterk blijven hangen in het collectieve geheugen.

Door de link met homoseksualiteit, een thema dat in de beginjaren van de epidemie nog tot de taboesfeer behoorde, kregen hiv en aids dus ook een negatieve en stigmatiserende bijklank. Zo getuigde een seropositieve man in het kader van de tentoonstelling van Bob Reijnders over 40 jaar hiv in 2021: “Ik was 20 jaar toen de Amerikaanse acteur Rock Hudson stierf, de favoriete acteur van mijn moeder. Ze was helemaal in shock, niet alleen omdat hij aids had, maar vooral omdat toen bekend werd dat haar held gay was.”

Aangeleerde angst

Een van de eerste aidscampagnes in Vlaanderen.

De medische wetenschap had niet alleen moeilijkheden met het benoemen van de mysterieuze ziekte, maar ook met het onderzoek naar de precieze werking ervan. Het duurde bijvoorbeeld lang voor onderzoekers doorhadden dat aids door een virus werd veroorzaakt en seksueel overdraagbaar was. Dat zorgde voor mythes zoals mogelijke besmettingen door het gebruik van de drugssoort poppers. Aids stond in die beginperiode daadwerkelijk, mede door die onwetendheid, gelijk aan een doodsvonnis en dat bleek ook uit de verschillende campagnes die in die tijd werden opgestart.

De alarmerende toon van die eerste campagnes en de angst die deze heeft veroorzaakt, is sterk blijven doorleven. Vele hiv-patiënten getuigen dat ze discriminatie hebben ervaren doorheen hun leven, vaak door de angst voor het virus bij anderen. Zo zijn er vele verhalen over begrafenisondernemers die weigerden besmette personen te begraven, (tand)artsen die geen hiv-patiënten wilden behandelen of werkgevers die seropositieven ontsloegen.

Medische vooruitgang versus stigma en taboe

In de jaren 90 werd er op medisch vlak grote vooruitgang geboekt. Hiv-remmers, die in 1996 op een congres waren aangekondigd, maakten van de dramatische en dodelijke ziekte een beheersbare ziekte. Samen met andere soorten medicatie zorgden de hiv-remmers ervoor dat hiv vanaf ongeveer het jaar 2000 niet meer overdraagbaar is wanneer een positief persoon zijn medicatie juist inneemt.

Een hiv-remmer

Toch ging die vooruitgang in het medische gebied niet gepaard met een verandering van de perceptie van hiv en aids in het algemeen; ofwel bleef het beeld van de jaren 80 hangen ofwel verloor sensibilisering aan belang door de komst van de medicatie. Sinds er medicatie op de markt is, roepen organisaties zoals Sensoa toch ook op om hiv eerder te normaliseren dan te banaliseren door de medische vooruitgang. Zo geeft een groot deel van de seropositieven in Vlaanderen aan dat de dagelijkse medicatie en fysieke ongemakken slechts een beperkte impact hebben op hun levenskwaliteit, in tegenstelling tot het taboe en stigma rond het virus.  

In het verleden hebben er zich dus heel wat mythes ontwikkeld over hiv en aids. Die mythes komen vooral voort uit medische onwetendheid, fake news of angstreacties. Hoewel de wetenschap grote vooruitgang heeft geboekt in de afgelopen decennia en de basis van een aantal mythes ontkracht heeft, zijn enkele ervan toch blijven voortleven onder de bevolking. Het verleden en de eerdere omgang met het virus heeft dus ook vandaag de dag nog een grote impact op het leven van mensen met hiv.

Meer lezen?

Borghs, Paul. “Holebipioniers: Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen”. Antwerpen: ’t Verschil, 2015.

De Maeseneer, Wim. “Van dodelijke “homokanker” tot chronische aandoening: hoe aids evolueerde, maar ons beeld erover is blijven stilstaan”. VRT NWS, 1 december 2019. https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2019/11/29/wereldaidsdag-evolutie-van-dodelijke-ziekte-tot-chronische-aand/

Reijnders, Bob. “Portretreeks & getuigenissen over de impact van 40 jaar hiv”. Uitgave in eigen beheer, 2021.

Ellen Van Laer was student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en werkte aan een masterproef over informatieverwerving rond en beleving van hiv en aids tussen 1980 en 2015 .

Titelafbeelding: Ignorance = Fear / Silence = Death (1989) van Keith Haring. Met deze print kaartte Haring de stilte rond hiv en aids aan en spoorde hij de Amerikaanse overheid aan om actie te ondernemen. (© Keith Haring Foundation)

De geboorte van de ‘nieuwe’ man

Gastblog door Seppe Schoeters

Meestal plaatsen historici de opkomst van de ‘nieuwe’ man in de jaren tachtig. Omdat steeds meer vrouwen buitenshuis gingen werken, was er nood aan een gelijke verdeling van huishoudelijke taken. Vrouwen gingen verlangen naar een man die zonder schroom luiers zou verversen of het huis zou stofzuigen.

Hoewel de media het begrip ‘nieuwe man’ pas in de jaren tachtig begonnen te gebruiken, leefde het verlangen onder vrouwen al veel langer. Ook de jaren vijftig vormden daar geen uitzondering op. In het collectief geheugen wordt deze periode – ‘de jaren stilletjes’ – gelijkgesteld met behoudsgezinde visies op mannen en vrouwen. Het idee was dat vrouwen zich moesten ontpoppen tot ideale huisvrouwen, terwijl mannen hun taak als kostwinner van het gezin vervulden. Het was alsof er twee aparte werelden bestonden: binnenshuis voor vrouwen, buitenshuis voor mannen. Toch schreven auteurs in naoorlogse vrouwentijdschriften, de belangrijkste media voor vrouwen in die tijd, iets anders.

Vrouwelijke trots versus gezinsharmonie

Vrouw controleert haar man die een van haar taken overneemt (Libelle, 1946, KBR)

Al in 1946 liet het vrouwentijdschrift Libelle blijken dat vrouwen wilden dat hun man een handje toestak in het huishouden. Het ging daarbij niet om zelfstandige taken. De man moest bijvoorbeeld de vrouw ‘bijstaan’ bij de afwas of het koken. Hij betrad daarbij het terrein van de vrouw. Het was haar verantwoordelijkheid, dus hield ze een oogje in het zeil. Vrouwentijdschriften bestempelden helpende mannen als de ‘ideale echtgenoot’, maar ook als iets unieks. Daarnaast merkten ze op dat sommige vrouwen niet wilden dat hun man meehielp, omdat huishoudelijke taken alleen iets voor vrouwen zouden zijn.  

Vrouwentijdschriften stelden het huwelijk voor als een partnerschap. Ze vonden dat vrouwen moesten verwachten dat mannen meehielpen in het huishouden. De ‘moderne’ huisvader van de jaren vijftig stond erop om de huistaken evenredig te verdelen. Deze nieuwe ingesteldheid was volgens de Libelle vooral te wijten aan de opvoeding van de jonge vrouwen. Hun moeders leerden hun dat ze de man niet meer compleet moesten gehoorzamen. De ‘nieuwe’ man was daardoor vooral een fenomeen binnen het huwelijk van jonge koppels uit die tijd.

Tegenstrijdige tijdschriften

Naast de promotie van een evenredige taakverdeling in het huishouden, probeerden vrouwentijdschriften de vrouw nog op andere manieren te emanciperen. Gedurende de jaren vijftig publiceerde Libelle verschillende rubrieken over de vrouw en haar rechten, zoals de katern Juridisch praatje. De artikels behandelden juridische vraagstukken en gaven bijpassend advies voor vrouwen. Ze leerden de vrouw dat hun echtgenoot niet almachtig was en dat de wet hem beperkte. Een artikel beschreef een man die onvoldoende geld aan zijn vrouw afstond. Het verwees de vrouw door naar een wetsartikel dat zei dat ‘echtelieden verplicht zijn tot wederzijdse trouw, hulp en bijstand.’ Met die kennis had de vrouw de macht om haar man, in het slechtste geval, te dagvaarden. Hoewel de emancipatie van de vrouw pas een decennium later prominent naar voren kwam tijdens de tweede feministische golf, deden de naoorlogse vrouwentijdschriften al een soort van voorbereidend werk.

Illustratie bij het verhaal ‘Als mijn wederhelft zorgt’ (Libelle 1953, KBR)

Ondanks de feministische insteek van sommige artikels was er ook kritiek op de emancipatie van de vrouw. Zo bleef het volgens bepaalde auteurs de opdracht van de vrouw om voor haar gezin, en dus ook haar echtgenoot, te zorgen. De vrouw maakte de man doorheen de jaren van haar afhankelijk. Door de emancipatie had de vrouw minder aandacht voor de noden van de man: ‘Helpen wij onze mannen naar een vroegtijdige dood door steeds maar te blijven vragen naar méér materieel comfort? De tegenwoordige levensstandaard dwingt ongetwijfeld duizenden mannen tot te hard werken, maar het is ongetwijfeld waar, dat ontevreden echtgenoten de zorgen en lasten van de toch al zo gekwelde mannen alleen maar vermeerderen.’

Andere artikels stelden ook de ‘nieuwe’ man in vraag. Verhalen of verslagen van mannen die zich bezighielden met het huishouden liepen bijna allemaal verkeerd af. In het kortverhaal ‘Als mijn wederhelft zorgt’ uit Libelle stond de echtgenoot erop zijn vrouw te verzorgen wanneer ze de griep had. Vol goede moed begaf hij zich naar de keuken, maar de mislukkingen stapelden zich op. Het vlees was nog rauw of te hard gebakken, hij liet een omelet aanbranden… De boodschap was dat de vrouw de meest geschikte persoon bleef om voor haar familie te zorgen. Toch schuilde daar, in zekere mate, een vorm van zelfbehoud in. Een vrouw moest kunnen uitblinken in haar vak om de baas te blijven op haar eigen terrein.

Verlangens en verkoopcijfers

Het leek wel of vrouwentijdschriften uit de jaren vijftig tussen twee vuren stonden. De redacties van vrouwentijdschriften balanceerden artikels over de juridische bewustmaking of de verlangens naar een ‘nieuwe’ man met bijdragen die de traditionele visies op mannen en vrouwen aanmoedigden. Hoe valt dat te verklaren?

Het doel van de tijdschriften was om vooral veel oplages te verkopen. Daarom moesten vrouwen zich kunnen herkennen in de artikels die ze lazen. Het merendeel van de lezeressen was tevreden met hun taak als huisvrouw. Ze voelden geen nood om dat ideaal aan te vechten. Toch was er een klein percentage dat zich niet helemaal kon schikken naar die norm. Dat deel van het lezerspubliek las liever artikels met een emanciperende insteek, al waren die maar beperkt aanwezig.

De inhoud van vrouwentijdschriften weerspiegelde de wensen van hun lezeressen. Daaruit bleek dat een beperkt aantal vrouwen in de jaren vijftig toch al droomden van een grotere gelijkheid.

Meer lezen?

Claudine Marissal, Moeders en vaders: geen vanzelfsprekende gelijkheid, Brussel: Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, 2018.

Elizabeth Patton en Mimi Choi, Home Sweat Home: Perspectives on Housework and Modern Relationships, Rowman & Littlefield, 2014.

Seppe Schoeters is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Hij schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en werkte aan een masterproef over mannelijkheid in Libelle tijdens de jaren ‘50.

Titelafbeelding: ClassicStock / Masterfile.

Levensmoeheid, (g)een kwaal van deze tijd?

Gastblog door Stefanie Meul

De flagrante tegenstelling in de titel van deze blog zal ongetwijfeld de wenkbrauwen van menig lezer doen fronsen. Want hoe kan een emotie – of beter nog – een cluster van emoties, nu tegelijkertijd wel en niet kenmerkend zijn voor onze tijd? De term levensmoeheid duikt de laatste jaren wel vaker op in de media. Ook filosofen en ethici hebben ettelijke, al dan niet digitale pagina’s aan de kwestie gewijd. Daarnaast lijkt ook de medische wereld het fenomeen van een voltooid leven nu voorzichtig te erkennen. Hoewel er absoluut geen eensgezindheid is over een definitie, aanpak, wettelijk kader of zelfs terminologie, bestempelen alle bovengenoemden het wel als een typisch eigentijds probleem. Levensmoeheid is dus een kwaal van deze tijd… Maar toch niet helemaal.

Voltooid leven in de tegenwoordige tijd

Aantal vermeldingen van ‘levensmoe’ en ‘levensmoeheid’ in literaire teksten van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Om te onderzoeken wat levensmoeheid in het verleden was, is het belangrijk om eerst na te gaan wat het begrip vandaag betekent. Specialisten zijn het erover eens dat voltooid leven een moeilijk te concretiseren concept is. Toch is het mogelijk om een profiel op te maken van ‘de levensmoede bejaarde mens’ in onze maatschappij. Zo is er de evidente link met ouderdom en (psychisch) lijden door niet-levensbedreigende ouderdomsklachten. Eenzaamheid, beperking van mobiliteit, een achteruitgang van zicht of gehoor en geheugenproblemen zijn enkele van de klachten die ouderen benoemen. Deze ouderen zijn – in meerdere of mindere mate – allen zeer actief (geweest) en hun angst voor aftakeling en afhankelijkheid bepaalt grotendeels hun stervenskeuze. Ze zijn niet depressief, maar willen zelf beslissen over hun levenseinde in plaats van hun autonomie af te staan aan zorgverleners. Kenmerkend is ook het ontbreken van strakke religieuze banden die hun actieve of passieve doodswens zouden kunnen beïnvloeden. Daarbij treden deze bejaarden vaak op als pleitbezorgers voor een wettelijk kader voor voltooid leven binnen de euthanasiewetgeving.

Een vermoeiend leven in de negentiende en vroege twintigste eeuw

Gedicht van Hélène Swarth, Het Volksbelang, 1888.

Ondanks de stellige overtuiging waarmee specialisten de problematiek als typisch hedendaags bestempelen, zijn er in de negentiende eeuw al vermeldingen van levensmoeheid terug te vinden in krantenartikelen. Nederlandstalige schrijvers uit die periode portretteerden hun personages eveneens regelmatig als levensmoe. Twee opvallende vaststellingen zijn hierbij van belang: ten eerste kon iedereen in het verleden levensmoe zijn, terwijl de term vandaag specifiek aan ouderen gelinkt is. Zo kregen bijvoorbeeld jongeren en ouderen, huisvrouwen, tot zelfs politieke partijen of continenten dit label toegekend.

Ten tweede kreeg levensmoeheid in het verleden een veel ruimere invulling. De negentiende-eeuwse mens kon ‘het leven moe zijn’ en hartstochtelijk verlangen naar de dood, waarbij religieuze motieven en de wens tot hereniging met God in het hiernamaals een rol speelden. Het thema van de passieve doodswens kwam regelmatig naar voren in de Nederlandstalige literatuur uit deze periode. Omwille van het religieuze aspect was zelfdoding bij deze auteurs uit den boze. Daarnaast leidde levensmoeheid volgens tal van krantenartikelen evenwel geregeld tot zelfmoord. Volgens poëtische teksten kon ook liefdesverdriet een mens levensmoe maken.

Reclamefolder voor ‘Sunlight’ zeep, 1888.

Anderzijds kon levensmoeheid in de bredere zin refereren naar een allesoverheersende vermoeidheid, veroorzaakt door de dagdagelijkse ‘struggle for life’. Een treffend voorbeeld in dit verband was de reclame voor Sunlight zeep uit 1888. Huisvrouwen kregen de vraag of ze ‘tired of life’ waren door al het poetsen en schrobben. De advertentie beloofde een aanzienlijke verlichting van hun werklast bij gebruik van Sunlight zeep. Een ander voorbeeld was de reclame uit 1937 die een rooskleuriger leven voorspelde na het eten van Solo margarine, omdat lekker eten levensvreugde geeft. Dat was immers hoognodig wegens de veelvoorkomende levensmoeheid in ‘onze koortsige eeuw’. Bedrijven speelden dus via gerichte marketingcampagnes in op een aangevoelde vermindering van levenskwaliteit.

Een nieuwe eeuw, nieuwe geluiden

Bovenstaande argumentatie verduidelijkt de schijnbare tegenstelling in de titel van deze blog: levensmoeheid was in de negentiende eeuw wel degelijk een gekend fenomeen. Het is echter problematisch om de toenmalige situatie als een blauwdruk of voorloper van de huidige problematiek te beschouwen. Zowel de betekenis van het concept als de toepassing ervan was veel ruimer dan vandaag. Doorheen de hele negentiende eeuw kregen ouderen bovendien weinig maatschappelijke en medische aandacht. Pas vanaf de twintigste eeuw kwam hierin verandering met de (h)erkenning van ouderen als een aparte leeftijdscategorie en de opkomst van specialismen als gerontologie en geriatrie vanaf 1950.

Tot slot is het opvallend dat medische bronnen levensmoeheid nooit vermeldden. Dit is vanuit een hedendaags perspectief verwonderlijk omdat ‘onze’ ouderen met een doodswens doorgaans bij een arts terechtkomen. De toenemende medisch-psychiatrische professionalisering kan hier een verklaring bieden. Psychiaters waren er vanaf de negentiende eeuw van overtuigd dat suïcidegedachten of een doodswens altijd het gevolg waren van onderliggende psychiatrische aandoeningen. Dit in tegenstelling tot de vorige eeuwen, waar zelfmoordenaars minstens een zondige tot zelfs een criminele inborst kregen aangemeten. Het uitgangspunt was dus dat zelfdoding kon worden voorkomen door een psychiatrische behandeling van het onderliggende pathologische probleem en een gedegen bewaking van de patiënt. Vanuit dit standpunt bestond levensmoeheid volgens de toenmalige medische wereld – tot ver in de twintigste eeuw – eenvoudigweg niet (meer). Enkel psychiatrische diagnoses, zoals melancholie en later depressie, en hun behandelingen kregen erkenning als mogelijke oorzaken en remedies voor een doodswens.

In het kielzog van hun optimisme over de schijnbaar grenzeloze mogelijkheden van de medische wetenschap verklaarden artsen de aloude levensmoeheid bijgevolg dood en begraven. Twee eeuwen later komt de term evenwel ook in medische kringen opnieuw aan de oppervlakte. Onder invloed van een vergrijzende samenleving en een meer realistische houding binnen de psychiatrie krijgt hij dan zowel een engere betekenis als een nieuwe naam. Voltooid leven symboliseert op deze manier eveneens de grenzen waartegen de psychiatrische wetenschap botste.

Meer lezen?

De Beauvoir, Simone. De ouderdom: Situatie en zingeving in de laatste levensfase. Utrecht: Uitgeverij Bijleveld, 1970.

Van Wijngaarden, Els. Voltooid leven: Over leven en willen sterven. Amsterdam en Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2016.

Stefanie Meul is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over levensmoeheid bij Belgische ouderen.

Titelafbeelding: Ferdinand Hodler, Die Lebensmüden, 1892. Afbeelding in publiek domein, olieverf op canvas.

Het einde van de man, weeral

Door Tinne Claes

Vandaag kunnen vrouwen geen kind krijgen zonder man of spermadonor. Daar komt in de toekomst misschien verandering in, want wetenschappers dromen ervan om met in-vitrogametoganese (IVG) een huidcel te laten uitgroeien tot een zaadcel. Op die manier zou een vrouw een andere vrouw kunnen bevruchten. ‘Mannen, let op, misschien zijn jullie in de toekomst overbodig’, waarschuwde een Nederlandse nieuwszender al. Het is een argument met een lange geschiedenis.

We willen toch geen matriarchaat?

Een verheugd stel haalt een baby uit een automaat in de film Just Imagine uit 1930.

Na de uitvinding van de kunstmatige bevruchting in de negentiende eeuw begon deze techniek snel een eigen leven te leiden in de populaire cultuur. Ze werd het onderwerp van romans, toneelstukken en films. Een veelvoorkomend motief was het potentieel van de kunstmatige inseminatie voor vrouwen. Ze zouden weldra geen man meer nodig hebben om kinderen te krijgen, zo luidde het idee.

In het zog van de eerste feministische golf verschenen steeds meer alarmerende teksten. In 1912 beweerde een journalist van het populaire Duitse tijdschrift Die Gegenwart bijvoorbeeld dat radicale feministen verheugd waren om het vooruitzicht van het ‘volledig elimineren van de vaderlijke component’. In de jaren 1920 schetste de Britse vrouwenhater en filosoof Anthony Ludovici het doemscenario dat Britse feministes zich de kunstmatige bevruchting zouden toe-eigenen. In het boek Lysistrata; or, Woman’s Future and Future Woman orakelde hij: ‘Eenmaal de kunstmatige inseminatie een alledaagse gebeurtenis is, zal een vrouwenparlement ongetwijfeld een wet aannemen die het voor de man onwettig maakt om op natuurlijke wijze een kind voort te brengen.’

Talrijke auteurs vreesden dat mannen in een door feministes geïnstalleerd matriarchaat niets meer zouden zijn dan wandelende spermabanken. De Franse schrijver Georges Duhamel schreef in 1930 een dystopische roman waarin vrijgevochten Amerikaanse vrouwen sperma bestelden uit een catalogus, alsof het een auto of kleding betrof. In hetzelfde jaar ging de Amerikaanse film Just Imagine in première, een futuristische komedie waarin vrouwen baby’s uit automaten haalden, waardoor ze niet langer een man nodig hadden.

Bewust alleenstaande moeders, toen nog bewust ongehuwde moeders genoemd, werden pas zichtbaar in de jaren 1980. Affiche van Dea-To, uitgegeven door het Centrum voor Seksuele Voorlichting in 1983 (bron: AMSAB, Gent)

Spermabanken zijn voor mannen

In de tweede helft van de twintigste eeuw won de kunstmatige inseminatie nog aan populariteit. In de jaren vijftig werden spermabanken uitgevonden, met diepgevroren spermastalen. De nieuwe techniek maakte kunstmatige bevruchting – die tot dan toe met ‘verse’ donaties gebeurde – minder morsig en gaf ze een serieuzer aura. De samenleving seculariseerde, waardoor oude bezwaren sneuvelden.

Toch wilden fertiliteitsartsen alleen gehuwde paren behandelen, waarvan de man onvruchtbaar was. Deze artsen benadrukten dat donorinseminatie louter therapeutisch was, slechts een middeltje tegen de onvruchtbaarheid van de echtgenoot. Vrouwen die om sperma vroegen omdat ze geen man hadden, waren verdacht.

Want fertiliteitsartsen maakten zich zorgen over feministes, die ondertussen een tweede golf deden aanzwellen. Zo hoonde de Nederlandse gynaecoloog Ton Schellen aan het begin van de jaren 1960: ‘Men kent de zogenaamde “career women”, vrouwen die een zelfstandige positie bekleden, goed ontwikkeld, zelfstandig, overheersend en wellicht te dominerend om tot een huwelijk te geraken.’ Zulke vrouwen mochten volgens hem nooit aan een kind worden geholpen. ‘De maatschappij heeft allerminst behoefte aan de instelling van een matriarchaat.’

Feministen met kleine honden

In 1973 stelde Jill Johnston de vrouwenliefde voor als de beste uitweg uit het patriarchaat.

In de jaren 1970 werden deze ‘schrikbeelden’ versterkt door het gedachtegoed van enkele radicaalfeministische actiegroepen, die de vrouwenliefde voorstelden als de beste ontsnappingsroute uit de door mannen gestuurde maatschappij. Zogenaamde lesbische separatisten streefden naar een volledig vrouwelijke samenleving, waarin voortplanting ongeslachtelijk gebeurde. De maagdelijke bevalling, die mannen overbodig zou maken, was voor hen een wensdroom.

Voor de meeste fertiliteitsartsen was deze droom een nachtmerrie. Bang als ze waren voor de omverwerping van het patriarchaat, hielpen ze ongehuwde vrouwen niet aan een baby. Op een groot wetenschappelijk congres, dat in 1973 plaatsvond in Leuven, was de consensus dat vrouwen die zonder man bij hen aanklopten ‘even gelukkig zouden zijn met een kleine hond’. Ook dachten artsen dat het gevaarlijk was om een kind te laten opgroeien bij een ‘mannenhaatster’. Lesbische en alleenstaande vrouwen verkregen pas toegang tot de spermabank in de jaren 1980, en dan nog alleen via een klein aantal fertiliteitsklinieken.

Is het einde van de man eindelijk daar?

Wat kunnen we leren uit deze geschiedenis? Angsten over het einde van de man dienden in het verleden vooral om het patriarchaat in stand te houden. Het idee dat de man overbodig zou worden, diende vooral als een waarschuwing tegen het feminisme.

Mannen kunnen dus op hun beide oren slapen. Vanuit historisch oogpunt is het onwaarschijnlijk dat de toekomstige IVG-techniek, als het al zou lukken, het einde van de mannelijke privileges zou inluiden.

Meer lezen?

Christina Benninghaus, ‘Great expectations—German debates about artificial insemination in humans around 1912’, Studies in History and Philosophy of Biological and Biomedical Sciences 38 (2007), 374–392.

Tinne Claes, Zaad zonder naam: een biografie van de spermabank (Tielt: Lannoo, 2022).

Kara Swanson, ‘The end of men: again’, Boston University Law Review Annex 93 (2013), 26-36.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van geneeskunde, gender en seksualiteit in de negentiende en twintigste eeuw. Onlangs publiceerde ze het boek Zaad zonder naam: een biografie van de spermabank.


Hoe de witte woede ontstond

Door Luc De Munck

12 mei, de geboortedag van Florence Nightingale, is sinds 1965 de Internationale Dag van de Verpleging. Dit jaar viert de Federale Neutrale Beroepsvereniging Verpleegkundigen, een van de grootste Belgische beroepsorganisaties voor verpleegkundigen, haar eeuwfeest tijdens een academische zitting in Brussel. Toch was deze vereniging niet de eerste die opkwam voor de belangen van verpleegkundigen.

Materiële en morele steun aan frontverpleegsters

In het tijdschrift Pour les Nurses pleitte Belpaire als eerste voor een beroepsorganisatie voor verpleegsters (Bijzondere Collecties, Leuven)

Het was de katholieke letterkundige Marie Elisabeth Belpaire die vanaf 1916 als eerste probeerde om een professionele organisatie voor verpleegsters op te richten. Ze pleitte voor samenwerking tussen katholieke en niet-katholieke verpleegsters, waarbij de vooroorlogse ideologische tegenstellingen naar de achtergrond verschoven. Haar poging mislukte, omdat een militair reglement van 1917 een dergelijke organisatie verbood. Toen deze maatregel later stilzwijgend werd opgeheven, was het niet Belpaire maar Thérèse Goldschmidt, de vrouw van de liberale minister Paul Heymans, die in juli 1918 La Famille de l’Infirmière oprichtte. Deze eerste beroepsorganisatie voor verpleegsters had als doel materiële en morele steun te bieden aan frontverpleegsters.

Een neutrale beroepsorganisatie in 1922

Jeanne Hellemans, de eerste voorzitster van de neutrale beroepsorganisatie (KADOC, Leuven)

Meteen na de oorlog richtte een veertigtal Brusselse verpleegsters de Union professionnelle des infirmières belges op. Deze vereniging ijverde in eerste instantie voor de aansluiting van haar leden bij een mutualiteit, een streven dat kaderde in de hoge vlucht die mutualiteiten na de oorlog in België namen. Daarnaast vroeg de vereniging om de titel van verpleegster te beschermen en om niet-gediplomeerden, die zich ten onrechte de titel van verpleegster toe-eigenden, te vervolgen (een eis die in 1946 werd gerealiseerd). Kort na de oprichting van de Brusselse unie ontstonden vergelijkbare verenigingen in Antwerpen, Mechelen, Gent en Doornik. Het waren de afgevaardigden van deze verenigingen die op 23 februari 1922 in Brussel samenkwamen om de Fédération Nationale des Infirmières Belges op te richten. Deze federatie had een neutraal profiel. Het doel was om de professionele, materiële en morele belangen van haar leden-verpleegsters te verdedigen. In september 1923 werd een bestuur verkozen, met Jeanne Hellemans van de Mechelse vereniging als voorzitster. In haar toespraak tijdens de eerste algemene vergadering – waaraan meer dan driehonderd verpleegsters deelnamen – benadrukte Hellemans dat de oorlog wel een elan aan het verpleegstersberoep had geschonken, maar stelde ze ook vast dat er nog veel werk aan de winkel was om de onwetendheid en de vooroordelen over het beroep te bestrijden.

Een katholieke tegenbeweging

Kort na de oprichting van de neutrale federatie vonden katholieke Waalse verpleegsters het nodig om een katholieke verpleegstersorganisatie op te richten. De reden daarvoor was tweeërlei: ze vonden dat niet-katholieke verpleegsters een té grote rol begonnen te spelen, en dat de pas opgerichte federatie het verpleegstersberoep als een louter materiële en technische functie beschouwde. Volgens hen maakte de neutrale vereniging ten onrechte een onderscheid tussen godsdienst en beroep, terwijl zij vonden dat het verpleegkundig beroep in de eerste plaats een roeping en een werk van naastenliefde was. Daarom werd de Association des Infirmières Catholiques de Belgique (AICB) opgericht. Naast het verdedigen van beroepsbelangen had deze vereniging vooral de geestelijke en morele vorming van zijn leden tot doel. Daarbij werd ze gesteund door de kerkelijke overheid. In 1936 ontstond de Vereeniging voor Katholieke Verpleegsters en Vroedvrouwen der Vlaamsche gouwen in België (VKVV, vanaf 1952 NVKVV), die zich onafhankelijk ging opstellen tegenover de AICB. Door haar autonome werking kon deze Vlaamse beroepsvereniging de specifieke beroepsbelangen van katholieke verpleegsters uit het Vlaamse taalgebied behartigen. Als reactie hierop richtte de neutrale federatie in 1938 ook een Vlaamse afdeling op.

Een overkoepelende verpleegstersorganisatie vanaf 1952

Ghislaine Van Massenhove lag als NVKVV- en AUVB-voorzitster aan de basis van het verpleegkundig statuut (KADOC, Leuven)

Meteen na de Tweede Wereldoorlog ontstond er opnieuw nauwere samenwerking tussen de neutrale en katholieke organisaties. Dit had tot gevolg dat de federatie weer de belangen van álle verpleegsters verdedigde, maar was minder gunstig op internationaal vlak: vanaf 1950 vertroebelde de relatie met de International Council of Nurses (ICN), waarvan de federatie al sinds haar oprichting lid was. Deze neutrale internationale beroepsorganisatie nam in delicate morele vraagstukken als euthanasie en sterilisatie geen standpunt in. Katholieke verpleegsters daarentegen vonden dat ze in dergelijke ethische kwesties de christelijke moraal voor ogen moesten houden. Dit leidde begin 1952 tot de terugtrekking van beide katholieke verenigingen uit de ICN. Om de beroepsorganisaties opnieuw op een lijn te krijgen, werd op 17 mei 1952 de Algemene Unie van Verplegenden in België (AUVB) als overkoepelende organisatie opgericht.

Jarenlange strijd voor het verpleegkundig statuut

Onder impuls van AUVB- en NVKVV-voorzitster Ghislaine Van Massenhove ontstond in de jaren zestig een beweging voor een eigen verpleegkundig statuut. Daarbij werd toenemende druk uitgeoefend op geneesheren en op de opeenvolgende ministers van Volksgezondheid, om het verpleegkundig beroep niet langer onder geneeskundige voogdij te plaatsen. Om haar eisen kracht bij te zetten, organiseerde de AUVB In februari 1971 een Staten-Generaal van de Verpleegkunde op de Heizel. Aansluitend hielden 17.000 verpleegkundigen een betoging, de grootste manifestatie uit de geschiedenis van de verpleegkunde in België en de eerste uiting van ‘witte woede’.  Het lobbywerk leidde uiteindelijk tot de wet van 20 december 1974 op de uitoefening van de verpleegkunde. Daardoor kregen de verpleegkundigen hun statuut, dat de uitoefening van de verpleegkunde duidelijk omschreef en wettelijk beschermde. Het zorgde voor een duidelijker identiteit en een groter aanzien van het beroep. De goedkeuring van deze wet illustreerde dat het meer dan een halve eeuw eerder begonnen werk van verpleegkundige beroepsorganisaties resultaat had opgeleverd.  

Meer lezen?

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, 2018.

Luc De Munck, ‘Ghislaine Van Massenhove, een leven ten dienste van de verpleegkunde’, Jaarboek 2021 Erfgoedkring 8460, Oudenburg, 2021, 70-83.

Barbara L. Brush, Joan E. Lynaugh, Geertje Boschma e.a., Nurses of All Nations. A History of the International Council of Nurses, 1899-1999, Philadelphia, 1999.

Luc De Munck is doctoraatsonderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Op 25 februari 1971 vond in Brussel de Staten-Generaal van de Verpleegkunde plaats (KADOC, Leuven).

Lachen, zingen en schrijven: de andere wapens in de Eerste Wereldoorlog

Gastblog door Leen Jongbloet

Wie op zaterdagavond in de zetel kruipt met een oorlogsfilm, weet dat het geen avond van louter plezier, vreugde en luchtigheid zal worden. Als zwarte pagina in de geschiedenisboeken, krijgt de Eerste Wereldoorlog in de filmindustrie vaak een plaats als duistere achtergrond waartegen verschillende verhaallijnen zich afspelen. Door het gewelddadige karakter en de sombere realiteit van de oorlog, domineert een negatieve sfeerschepping het beeld van het conflict. Elementen van klein geluk konden echter een bescheiden baken van verlichting vormen in duistere oorlogstijden: ook gelach, gezang en briefwisseling maakten deel uit van de individuele oorlogsbeleving van de soldaat. Ze konden blijk geven van positiviteit, maar ook een functie vervullen als wapen tegen het slopende oorlogsleven.

De oorlog

Tekening uit: Raoul Snoeck, Dans les boues de l’Yser, carnet de route du sous-lieutenant Raoul Snoeck; dessins de Nand Snoeck, Gent: Snoeck-Ducaju, 1918.

Duizenden jongemannen brachten de oorlog ver verwijderd van geliefden en familie door aan het front in België. Modder, regen, verveling en het geluid van kanongebulder behoorden tot de dagelijkse realiteit. Uitingen van emoties in dagboeken en briefwisselingen tonen ons hoe zij de oorlog beleefden en wat er in hen omging. Daaruit spreken onder andere heimwee en nostalgie, moedeloosheid, ongerustheid en angst. Afgescheiden van het thuisfront, verhalen dagboekpassages dan ook vaak over mijmeringen naar huis toe. Gemis, de verzuchting naar ouders, uitspraken over de vervloekte oorlog en het verlangen naar het einde ervan, weerspiegelen sprekend de gevoelswereld van de auteurs.

Lachen…

Naast het leeuwendeel aan negatieve emoties, bevatten deze oorlogsdagboeken ook sporen van klein geluk. Deze belichten een ander beeld van de oorlog en bieden bescheiden kanttekeningen bij het pessimistisch beeld. Zo schrijven verschillende dagboekauteurs hoe gelukkig ze zijn, hoe mooi de dag is, of hoe ze hebben gelachen.

Zo moest Modeste Eyckmans, die hulpaalmoezenier werd in het leger, lachen met een pater die zijn bril niet meer vond in het stro, waarover hij zijn beschrijving in zijn dagboek afsloot met ‘hi hi  hi.’ Ook gaf hij weer hoe er werd gelachen bij het slibberen van de mannen over een met ijs bedekte weg, of hoe zij simpelweg lachten tijdens gesprekken met vrienden. Oorlogsvrijwilliger Van den Berge schreef zelfs over de vanzelfsprekendheid van gelach onder de soldaten bij zijn terugkeer uit verlof. ‘Ik zit hier gerust en gezellig, en gedurende de 15 uren trein (…) wordt er natuurlijk, met soldaten ondereen, nogal eens gelachen…’

Gelach en humor zoals ze in de dagboeken naar voor komen, wekken een positieve sfeer op. Verder dan dat, kon het ook een strategie vormen in het emotionele gevecht van de oorlog. Militairen konden humor, cynisme en gelach in de strijd gooien in een poging hun lot te minachten.  Dat alles kon op die manier een uitlaatklep vormen en een wapen zijn om de zwaarte van het oorlogsleven enigszins te ontmantelen.

Met stem naar een betere stemming

Titelpagina van: Théophile Quoidbach, Liederenboek van den Belgischen soldaat 1914-1916, Parijs: Henry Wykes; 1916.

Het gezang van liedjes weerklinkt als een andere positieve noot uit de oorlogsdagboeken. Het had een opwekkend effect: door te zingen onderweg, leek de weg korter te zijn en de tijd sneller te gaan. Liedjes over van alles en nog wat werden zo op de juiste tonen meegezongen in grote groep.

Naast thema’s zoals het vaderland of een bepaalde streek, bestond het gamma aan liedjes binnen de frontcultuur ook uit schuine populaire liedjes. Deze zagen het licht met het verstrijken van de oorlogsjaren en binnen de context van het eentonige leven aan het front. Ze kaderden in de verveling, monotonie en de oorlogsmoeheid, die groter werd naarmate het perspectief op het einde van de oorlog uitbleef.

Hun gezang kon wijzen op een positief gemoed, maar kon ook het tegenovergestelde aangeven. Zo gebruikte het leger hun gezang als juist als strategie om zichzelf juist moed in te zingen. Het samen zingen van liedjes had dan ook een ophitsend effect op de massa. Wie de volgende keer naar een mondeling examen of sollicitatiegesprek wandelt, is er mogelijks bij gebaat luid mee te zingen met hetgeen er door de koptelefoon weerklinkt.

De rol van de postbode

Soldaat kijkt naar het portret van zijn ‘marraine de guerre’ (in: Kathleen Adriaenssens, 1914-1918. Materiële, culturele en morele aspecten van het frontleven achter de IJzer, 144.)

Afbeelding met tekst  Automatisch gegenereerde beschrijvingAfgescheiden van geliefden en familie, vormde ook het duo van pen en papier een wapen in de emotionele strijd. Het hielp soldaten tegen de verveling en vormde een manier om hun gevoelens, gedachten en ideeën van zich af te schrijven. Maar nog het meest was het krijgen van correspondentie van onschatbare waarde. Het ontvangst van brieven was daarmee misschien wel het grootste kleine geluk voor  de soldaat in de oorlog. De postbode, wiens de komst steeds ongeduldig werd afgewacht, was daarbij een geliefde man aan het front. Veelzeggend is dan ook hoe de postbode door sommigen facteur d’amour genoemd werd.

Een andere noot

Zonder de weerzinwekkende en buitengewone realiteit van de Eerste Wereldoorlog te ontkennen, laten oorlogsdagboeken toe ook verlichtende elementen van de oorlogsbeleving te ontdekken. Ondanks hun situatie, deelden de soldaten ook momenten van gelach, hoop, gezang en muziek. Waar gelach een ventiel kon vormen in de eentonige patstelling van de Eerste Wereldoorlog, konden de soldaten zichzelf moed inzingen wanneer nodig, terwijl de komst van de postbode voor de nodige opwinding zorgde.

Leen Jongbloet is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over de emotionele beleving van de Eerste Wereldoorlog in dagboeken.

Titelafbeelding: Schilderij ‘Poppies in Flanders Fields’ door Michael Creese.

Hoe achttiende-eeuwse literatuur en opera hun sporen nalaten op hedendaagse suïcidepreventie

Gastblog door Erik De Coninck

In november 2021 lanceerde de Vlaamse overheid het derde Vlaamse Actieplan Suïcidepreventie. Het doel? Tegen 2030 het aantal sterfgevallen door suïcide doen verminderen met tien procent. Een van de slagzinnen van dit actieplan is dat suïcidepreventie een zaak moet zijn van iedereen. Zelfmoordpreventie moet zich de komende jaren manifesteren binnen de brede samenleving, en niet louter binnen de psychiatrie en psychotherapie. Het actieplan ondersteunt dit inzicht met recent onderzoek, maar eigenlijk heeft het idee wortels in de achttiende eeuw.

Een nieuwe weg voor de Vlaamse suïcidepreventie

Laten we beginnen met wat context. Wanneer het om zelfdoding gaat, scoort Vlaanderen niet zo goed. Op Finland na is er geen enkel West-Europees land met hogere zelfmoordcijfers. Dit is een probleem waar Vlaanderen al langer mee kampt: reeds in 1900 lag het zelfdodingscijfer hier dubbel zo hoog als in Nederland. Sinds 1945 begonnen de Vlaamse zelfmoordcijfers bovendien gestaag te stijgen, een proces dat vanaf de jaren 1970 versnelde. Toch is er sinds de eeuwwisseling sprake van een kentering: op een kleine opflakkering tijdens de financiële crisis van 2008 na, zijn de suïcidecijfers in Vlaanderen systematisch beginnen dalen.

Gegevens van het Agentschap Zorg en Gezondheid tonen de spectaculaire daling van het Vlaamse suïcidecijfer sinds 2000. Van Landschoot, van Heeringen en Portzky. ‘Epidemiologisch rapport 2020: De Vlaamse suïcidecijfers in een nationale en internationale context’, oktober 2021.

De oorzaak van deze positieve evolutie is meerduidig. In de eerste plaats voerde de Vlaamse regering tussen 2006 en 2020 de eerste twee Vlaamse Actieplannen Suïcidepreventie uit. Met deze stap beperkte de overheid zich niet langer tot het subsidiëren van hulpverlening, maar begon ze ook een actieve rol te spelen in het preventiebeleid.

Een tweede doorslaggevende factor is de mentaliteitsverandering binnen de preventiestrategie. Suïcidepreventie had zich doorheen de negentiende en twintigste eeuw bijna uitsluitend toegelegd op de individuele begeleiding van personen die een hoog risico hadden op suïcidaal gedrag: mensen die al een zelfmoordpoging achter de rug hadden of expliciete zelfmoordgedachten uitten. Sinds het einde van de twintigste eeuw heeft onderzoek echter aangetoond dat de preventiestrategie zich best richt op de gehele samenleving. Het doelpubliek werd verbreed: ook personen met een laag tot matig risico op suïcidaal gedrag kwamen in het vizier.

De schaduw van Goethe en Mozart

Een maatschappijbrede preventiestrategie gaat ervan uit dat het taboe op zelfdoding moet worden doorbroken. In de praktijk is dit soms balanceren op een slappe koord: enerzijds kan een opener klimaat ervoor zorgen dat personen met zelfmoordgedachten deze sneller bespreekbaar durven maken. Anderzijds kan open communiceren over zelfdoding ook onbedoelde neveneffecten hebben. In 1774 schreef Goethe de roman Die Leiden des jungen Werthers, waarin het hoofdpersonage Werther zelfmoord pleegt als gevolg van een onbeantwoorde liefde. De publicatie van dit boek leidde tot één van de grootste zelfmoordgolven in de Westerse geschiedenis. Over heel Europa pleegden jongemannen die zich herkenden in de figuur van Werther zelfmoord. Ook de manier waarop Werther uit het leven stapte werd vaak gekopieerd.

Titelpagina van de eerste druk van Die Leiden des jungen Werthers.

In grote delen van Europa uitten zowel het wereldlijke als het kerkelijke gezag kritiek op Goethe, omdat ze vonden dat hij zelfmoord propageerde. In Duitse, Italiaanse en Deense gebieden was de controverse zo groot dat het boek en zelfs de kledingstijl van Werther gedurende enkele decennia verboden werden. Nadat de zeventienjarige Christiane Henriette Sophie von Laßberg, een dierbare vriendin van Goethe, in 1778 zelfmoord pleegde met zijn boek in haar hand, ging ook Goethe zelf zich meer en meer distantiëren van het werk.

Hulpverleners spreken nog steeds van een Werthereffect wanneer het aantal zelfdodingen stijgt na het verschijnen van een nieuwsbericht, populair boek of televisieprogramma. Een recent voorbeeld is de populaire Netflix-serie 13 Reasons Why, die het taboe rond zelfdoding wilde doorbreken, maar helaas geen rekening hield met het Werthereffect. Het gevolg was een stijging van dertien procent in het aantal zelfdodingen onder jongeren in de Verenigde Staten.

In 1791, enkele jaren na het verschijnen van Goethes briefroman, werd Mozarts opera Die Zauberflöte voor het eerst opgevoerd. In dit stuk worstelt het personage Papageno eveneens met zelfmoordgedachten vanwege liefdesverdriet. Dankzij de steun van vrienden slaagt hij er echter in om deze te overwinnen. Ook dit verhaal had een invloed op latere methodes van suïcidepreventie. Vandaag spreken hulpverleners van een Papageno-effect wanneer er in communicatie over zelfdoding nadruk wordt gelegd op de mogelijkheid om hulp te krijgen. Dit kan kwetsbare personen perspectief bieden en het taboe op zelfdoding op een correcte manier doorbreken. Een herkenbaar voorbeeld is de verplichte vermelding van Zelfmoordlijn 1813 na elk tv-programma of nieuwsbericht waar zelfdoding aan bod komt. Ook in de achttiende eeuw had Papageno al een belangrijk effect: het personage wekte zoveel sympathie op dat het bijdroeg aan debatten over het schrappen van zelfdoding als misdaad.

Het betrekken van de brede samenleving als noodzaak

Een gravure van de oorspronkelijke Papageno, Johann Joseph Schikaneder, vervaardigd door Ignaz Alberti in 1791.

Het gevaar van het Werthereffect toont aan dat het niet zo evident is om het taboe rond suïcide te doorbreken. De positieve resultaten die de Vlaamse Overheid de afgelopen vijftien jaar geboekt heeft bewijzen echter dat het toch de moeite loont om dit te proberen. Een preventiebeleid dat geen aandacht schenkt aan het betrekken van de volledige samenleving zal meer kosten en minder bereiken. Individuele zorg is immers duurder en heeft een kleinere reikwijdte, terwijl een maatschappijbrede strategie net kan voorkomen dat bepaalde personen ooit nood zullen hebben aan een individueel traject.

Vlaanderen zit in zijn strijd tegen het suïcideprobleem dus op het juiste spoor. Dat is ook nodig, want ondanks de gunstige cijfers van de afgelopen jaren ligt het suïcidecijfer in Vlaanderen nog steeds vijftig procent hoger dan het gemiddelde van de Europese Unie. Er is dus nog een lange weg te gaan, maar met de extra investeringen van het nieuwe actieplan en een preventiebeleid met een vleugje Mozart, is een optimistische blik op de toekomst zeker gerechtvaardigd.

Meer lezen?

Barbagli, Marzio. Farewell to the World: A History of Suicide. Cambridge: Polity Press, 2015.

Schols, Bart. Zelfmoord in Vlaanderen. Feiten en getuigenissen over verdriet, schuld en schaamte. Gent: Borgerhoff & Lamberigts, 2011.

Erik De Coninck is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Hij schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over suïcidepreventie vanaf 1970.

Titelafbeelding: De zelfmoord van Werther op een ingekleurde houtgravure uit de negentiende eeuw. Publiek domein.

Hoe de Maya’s ervoor gezorgd hebben dat er een uit insecten gewonnen kleurstof in je yoghurt zit

Door Milton Fernando Gonzalez Rodriguez; vertaald door Wouter Egelmeers

Hoe vreemd het ook mag klinken, de kans is groot dat je zonder het te weten een lepel yoghurt hebt gegeten, een hap van een cake hebt genomen, of een drankje hebt gedronken dat een uit insecten gewonnen kleurstof bevat. Het idee klinkt voor veel mensen misschien walgelijk, maar sommige van de roodste voedingsmiddelen bevatten sinds het midden van de twintigste eeuw een poeder dat is verkregen door het verwerken van cochenilleluizen (Dactylopius coccus). Een ​​aardbeienijsje moet immers qua kleur wel lijken op het fruit dat het zou bevatten, toch?

Van dierlijke oorsprong

Cochenilleluis. Leslie Seaton. Wikicommons, CC-BY-2.0.

Voedselproducenten en marketingexperts denken in ieder geval van wel. Om het visuele aspect van voedsel te verbeteren, vertrouwen ze op kleuradditieven die cosmetisch bijvoorbeeld ijs, cocktails en gebak aantrekkelijker maken zonder hun smaak of textuur te veranderen. Het rode extract dat wordt gemaakt van cochenille-insecten, oorspronkelijk afkomstig uit Meso-Amerika, reist door ons voedsel en andere producten onder verschillende pseudoniemen, zoals E120, natural red 4, C.I. 75470, of gewoon onder de Nederlandse benaming, karmijn. De cochenilleluizen waaruit deze stof gewonnen wordt, brengen hun hele leven door op stekelige cactussen. De cactusbladeren worden verzameld en vervolgens opgeslagen in magazijnen, waar werknemers de insecten van de planten schrapen. Zodra de insecten zijn gesorteerd en in de zon gedroogd, worden ze geplet, waardoor de felrode kleur in hun lichaam zichtbaar wordt. Uiteindelijk worden de geplette insecten gemengd met een zure alcoholoplossing. De zo verkregen kleur is nog net zo rood als toen de Maya’s en daarna de Azteken haar voor het eerst gebruikten om hun leven een vleugje meer kleur te geven.

Passie voor rood 

De opvallende kleur van karmijn bleef niet onopgemerkt toen de Spanjaarden in de vijftiende eeuw in Midden-Amerika arriveerden. Ze realiseerden zich al snel dat inheemse Amerikanen de sleutel in handen hadden om het Europese kleurenpalet uit te breiden en met deze felle, nieuwe roodtint de kunstwereld te hervormen. De Oude Wereld had nog nooit zo’n intense felrode kleur gezien. Spanje was dan ook niet bereid de mysteries achter zijn productie te onthullen. Het monopolie op dit handelsartikel werd angstvallig in handen van de Spaanse kroon gehouden.

Gravure van een plantage van cochenillecactussen met arbeiders die cochenille verzamelen en bereiden. Wellcome Collection, publiek domein.

Vele levens, bijvoorbeeld van spionnen en insectensmokkelaars, werden opgeofferd in een poging om elk aspect van deze lucratieve onderneming geheim te houden. Cochenille-extract was waardevol. Als gevolg van de schaarste van de rode kleurstof werd de kleur ook in Europa een statussymbool, een teken van macht, een onderscheidingsteken en een favoriet van gerechtsgebouwen, pausen en andere hooggeplaatsten, en natuurlijk kunstenaars. De stof werd het meest gebruikt in de textielindustrie, maar karmijn werd al snel ook een favoriet ingrediënt bij de fabricage van andere producten.

Een einde aan het monopolie

Na ruim twee eeuwen maakte de onafhankelijkheid van Mexico aan het begin van de 19e eeuw een einde aan het Spaanse monopolie. De Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1810-1821) had veel gevolgen en een daarvan was de onmogelijkheid om de uitbreiding van de karmijnproductie naar andere delen van de wereld te beheersen. Tijdens de meest chaotische jaren wisten de Guatemalteken de techniek met succes naar hun land over te brengen, waardoor Guatemala op de karmijnmarkt de belangrijkste concurrent van Mexico werd. Tegen de jaren 1850 werd Guatemala ’s werelds grootste exporteur van karmijn en produceerde het land meer van de kleurstof dan zijn voorgangers ooit hadden weten te exporteren. Maar het geheim van de karmijnproductie was bekend.

Dactylopius coccus. Dick Culbert. Wikicommons, CC-BY-2.0

Zowel Spanjaarden als Nederlanders waren erin geslaagd de Meso-Amerikaanse techniek over te brengen naar landbouwgronden voor de kust van Afrika en in Azië. Tegen het einde van de jaren 1830 waren er op vijf van de Canarische Eilanden en op Java plantages opgestart voor het oogsten van Dactylopius coccus. De Spaanse regering probeerde zonder veel succes de Canarische boeren aan te moedigen een deel van hun wijngaarden te vervangen door cochenille-oogstcentra. Ondertussen hoopten Nederlandse ambtenaren op Java dat de karmijnindustrie een winstgevende onderneming zou worden. In 1827 hadden ze een operatie opgezet waarbij een spion ingehuurd werd om het geheim achter de teelt en verzameling van cochenilleluizen te stelen. De overproductie van karmijn op wereldniveau deed de prijzen echter kelderen. Daar kwam nog bovenop dat er tussen 1870 en 1880 in Duitsland nieuwe technieken werden ontwikkeld die het mogelijk maakten om synthetische pigmenten te produceren. Complexe oogstcentra van insecten waren niet meer nodig en het gebruik van karmijn daalde drastisch.

Hernieuwde belangstelling

De insectenkleurstof leek zijn langste tijd dus gehad te hebben. Plotseling kwam daar echter verandering in. Vanaf 1970 begonnen Westerse consumenten namelijk de voorkeur te geven aan natuurlijke additieven in hun voedsel in plaats van synthetische, voornamelijk veroorzaakt door de angst voor potentieel kankerverwekkende stoffen die toen opkwam. Deze afkeur van E-nummers en andere kunstmatige toevoegingen gaf aanleiding tot de herintroductie van cochenille-extract. Op enkele incidenten na krijgt karmijn niet veel aandacht in de media. Gerapporteerde allergische reacties en ontevreden vegetarische klanten die zich bedrogen voelen hebben niet geleid tot een verbod op het gebruik van cochenille-extract in voedingsmiddelen.

De Maya-innovatie om een ​​kleurstof uit een insect te extraheren, later gekopieerd door de Azteken en uiteindelijk overgenomen door de Europese kolonisatoren, speelt daardoor indirect opnieuw een belangrijke rol in de productie van roodfruitproducten, zoetwaren en dranken als Jumex Apricot, Orangina Rouge en Yaggo. Zo komen er behalve een uit insecten gewonnen kleurstof dus ook sporen van een eeuwenoude Mayapraktijk in je yoghurt terecht.

Meer lezen?

Herman Pleij. Van karmijn, purper en blauw. Over kleuren van de Middeleeuwen en daarna. Amsterdam: Prometheus, 2002.

Amy Butler Greenfield. Het volmaakte rood. Macht, spionage en de zoektocht naar de kleur van passie. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

Milton Fernando Gonzalez Rodriguez is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis sinds 1750. Hij werkt als Marie Skłodowska Curie Fellow aan het project Medicinal Efficacy in Images and Words since the Advent of Mass Media in Western Europe (reMEDIAL NATURE), gefinancierd door Horizon 2020 (MSCA IF).

Titelafbeelding: Cochenillecactus (Nopalea cochenillifera) met insecten die zich ermee voeden, waaronder het cochenille-insect (Dactylopius coccus). Ingekleurde ets door J. Pass, ca. 1801, naar J. Ihle. Wellcome Collection, publiek domein.

Hoe een zestiende-eeuwse opstand een achttiende-eeuwse vorst moest legitimeren

Door Vanessa Van Puyvelde

De relatie tussen Keizer Karel en zijn Gentenaars spreekt na bijna 500 jaar nog steeds tot de verbeelding. Ook in de tweede helft van de achttiende eeuw was dit niet anders. België vormde toen nog de Zuidelijke Nederlanden, en het perslandschap van die tijd kreeg vorm in samenwerking met ingeweken Franse journalisten. De meeste periodieken die destijds het licht zagen werden dan ook in het Frans opgesteld. Te Brussel kon de verlichte despoot Jozef II rekenen op de steun van Jean-Baptiste Lesbroussart, die in januari 1786 begon met de publicatie van zijn keizersgezinde Journal littéraire et politique des Pays-Bas Autrichiens. Ondanks dat het blad maar zes maanden verscheen, had het een stempel weten drukken op de geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden. Door zijn controversiële beleid had Jozef II aan populariteit moeten inboeten. Het was daarom dat Lesbroussart zich geroepen voelde om via zijn tijdschrift het beleid van Jozef II bij de bevolking ingang te doen vinden. Hoe beter dan door de herinnering aan Karel V, die in het midden van de winter dwars door Frankrijk reisde om de Gentenaren in hun opstand te bedwingen, op te roepen?

Aanloop naar de revolutie

Portret van Jozef II (ca. 1780)

In de late jaren 1780 had keizer Jozef II te kampen met weerstand tegen zijn moderniseringspolitiek. Volgens zijn bestuurlijke visie moesten de gewestelijke en feodale structuren van de Zuidelijke Nederlanden plaatsmaken voor een rationeel en gecentraliseerd staatsbestel. Deze hervormingscampagne bestond niet alleen uit administratieve vernieuwingen, maar was er onder meer ook op gericht de invloed van de katholieke kerk terug te dringen. Waar zijn voorgangster Maria Theresia rekening had gehouden met gewestelijke gevoeligheden, stelde Jozef zich autoritair en antiklerikaal op—een omstreden houding die op weinig steun van de bevolking kon rekenen.

Het Oostenrijks bewind bracht zo onder de Zuidelijke Nederlanders een proces van nationale bewustwording op gang. Er ontstond een paradoxale situatie waarbij geijverd werd voor het behoud van provinciale autonomie door een nationale geschiedenis in te roepen. Hoewel de afzonderlijke gewesten zwoeren bij hun soevereiniteit, groeide het beeld dat zij verbonden waren door een gezamenlijk volkskarakter. De vrijheidsliefde die als rode draad doorheen de proto-Belgische geschiedenis liep werd een belangrijke basis voor politieke contestatie. Deze spanningen zouden uiteindelijk uitmonden in de Brabantse Omwenteling van 1789-90. Tijdens deze revolutie kwam een conservatieve factie ter verdediging van de oude structuren en privileges. Tegelijkertijd boden democratische stemmen weerstand tegen Jozefs autoritaire regime in naam van de volkssoevereiniteit.

De spiegel van het verleden

Titelblad van het Journal littéraire et politique des Pays-Bas Autrichiens

Omwille van zijn beleid ontstond een beeld van Jozef II als een volksvreemde vorst. Waar het beeld van zijn moeder gekoesterd werd, werd Jozef afgeschilderd als een indringer die op despotische wijze de macht naar zich toetrok. In de Zuidelijke Nederlanden leefden en werkten uiteraard ook voorstanders van Jozef. Frans auteur en historicus Jean-Baptiste Lesbroussart was zo de uitgever van het Journal littéraire et politique des Pays-Bas Autrichiens, een weekblad dat het culturele leven en de politieke actualiteit van de Zuidelijke Nederlanden en daarbuiten in de kijker zette. Hoewel het verscheen voor het uitbarsten van de Brabantse Omwenteling, draagt het wel degelijk sporen van deze tumultueuze periode.

De verhulde propaganda in dit tijdschrift had als doel het publieke imago van Jozef II op te poetsen. Zo spiegelde Lesbroussart Jozef aan historische figuren uit de geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden, waaronder de zestiende-eeuwse vorst Karel V. Wanneer we onze aandacht naar de Nederlandse historische traditie verschuiven, ontdekken we voor Karel V en zijn zoon Filips II een herkenbaar beeld van goed en kwaad. Waar de in Gent geboren Karel in het collectieve geheugen kon worden ingeschreven als een ‘eigen’ en nationale vorst, werd Filips als rasechte Spanjaard afgeschilderd. Om te vermijden dat Jozef hetzelfde lot beschoren zou zijn, refereerde Lesbroussart meermaals aan de figuur van Karel V in de hoop dat diens aura op Jozef zou afstralen.

Portret van Karel V, door Titiaan (1548)

Eén episode in het leven van Karel V speelt een belangrijke rol in dit proces: de Gentse Opstand van 1539-1540. Lesbroussart baseert zich op wat Juan Ginés de Sepúlveda, de officiële historicus van Karel V, hierover schreef. Via een boekrecensie waarin Sepúlveda’s kroniek deels wordt vertaald, kan Lesbroussart zijn lezerspubliek bespelen. Zijn weergave van deze Gentse opstand vertoont immers sterke gelijkenissen met de toenmalige situatie in de Zuidelijke Nederlanden. Lesbroussart beschrijft hoe de stad Gent weigert belastingen te betalen aan landvoogdes Maria van Hongarije. Als antwoord hierop brengt Karel een leger samen waarmee hij de stad binnenvalt. Lesbroussart beschrijft hoe het er in Gent aan toegaat: “On ne [reconnaissait] plus dans la ville d’autre autorité que celle des conjurés […]. Quelques citoyens séditieux [avaient] proposé de porter une loi, pour établir une égalité parfaite dans les biens, et ils [avaient] trouvé de nombreux partisans dans la classe indigente du peuple. Cette proposition inattendue ouvrit les yeux aux citoyens [opulents] et les rendit plus circonspects dans leurs démarches. Bientôt la ville fut divisée en deux factions […]”.

Deze verwijzing naar de zestiende-eeuwse Gentse bevolking, die wordt verleid door een complot tussen twee tegengestelde ideologische facties, is ondubbelzinnig voor een achttiende-eeuws lezer. De verbeelding van Jozef als reïncarnatie van Karel V, die een revolutie in de kiem smoort, was duidelijk gericht op de delegitimering van het verzet tegen Jozefs vernieuwingen. De bespreking van de Gentse opstand en Karel V in Lesbroussarts tijdschrift kwam dus niet gewoon voort uit een historische belangstelling. Het verleden zou duidelijk toenmalige politieke standpunten ondersteunen.

Vanessa Van Puyvelde is een doctoraatsonderzoeker die deel uitmaakt van het FWO-project “Shaping ‘Belgian’ Literature before 1830”. Zij behaalde een masterdiploma in Gender en Diversiteit alsook in de Engelse en Franse taal- en letterkunde aan de Universiteit Gent. Haar huidige onderzoek legt zich toe op de rol van tijdschriften in processen van culturele en nationale identiteitsvorming in de Zuidelijke Nederlanden alsook de transferpatronen tussen deze periodieken en andere Europese literaturen.

Titelafbeelding: Fragment met vermelding van Lesbroussart uit het Journal littéraire et politique