Plagiëren kun je leren: ‘overschrijven’ met Thomas Mann

Door Hein Brookhuis

Eén van de ogenschijnlijk saaiste aspecten van het wetenschappelijke bedrijf – het plagiaatreglement – kwam begin 2024 plots in de belangstelling te staan. In januari 2024 nam Claudine Gay ontslag als president van de prestigieuze Harvard-universiteit in de Verenigde Staten. Een van de onderwerpen die de gemoederen beroerde waren beschuldigingen van plagiaat. Interessanter dan de beschuldigingen zelf is hoe collega’s en opiniemakers dit proces observeerden. Wat wel en niet als plagiaat werd gezien, bleek niet zo vanzelfsprekend. Sommigen zagen het eerder als “duplicerende taal,” anderen spraken liever van een “onzorgvuldigheid.” Weer andere wetenschappers vonden op hun beurt dergelijke termen te vergoelijkend voor Claudine Gays werkwijze.

Deze conceptuele lenigheid van het begrip ‘plagiaat’ is niet nieuw, en interessant vanuit historisch perspectief. In deze blog zullen we aan de hand van de werkwijze van Duitse auteur Thomas Mann (1875-1955) de do’s and don’ts van het plagiëren verkennen. Ook een ogenschijnlijk droog en saai fenomeen als conventies rondom plagiaat en auteurschap biedt een inkijkje in hoe kennis verspreid en geïnterpreteerd wordt.

De onrust aan Harvard koppelen aan het werk van Thomas Mann lijkt een oneerlijke vergelijking: als romanschrijver was hij onderworpen aan andere regels dan een wetenschapper. Niettemin is de discussie informatief. Mann heeft namelijk nooit ontkent dat hij werk van anderen leende, maar verdedigde het als een “hogere vorm van overschrijven.”  Hij haalde regelmatig kennis bij anderen. Juist ook wetenschappelijke kennis.

Albert Einstein en Thomas Mann in Princeton, Leo Baeck Institute, F 3136L.

Mann ‘leende’ kennis op veel verschillende manieren. Het waarschijnlijk meest beroemde voorbeeld is zijn gebruik van muziektheorie in Doktor Faustus, wat hem op beschuldigingen van de componist Arnold Schönberg kwam te staan. In werkelijkheid kwamen deze passages van Theodor Adorno. Hij had teksten voorbereid om Mann te begeleiden bij de ingewikkelde muziektheoretische aspecten van de roman, maar uiteindelijk zouden Adorno’s teksten zelf ook in de roman belanden. Zonder verwijzing, uiteraard.

De roman Doktor Faustus staat bol van cultuurhistorische verwijzingen en toespelingen op Duitse kunstgeschiedenis. Thomas Mann verschool zich dan ook graag achter de montagemethode: het lag nou eenmaal in de aard van een dergelijk ambitieus kunstwerk besloten dat hij onmogelijk al die kennis zelf kon bezitten, laat staan produceren. Het was niet meer dan logisch dat hij dit moest lenen bij anderen. De kunstenaar monteerde allerlei bestaande elementen en creëerde zo een nieuw kunstwerk.

Volgens Tilmann Lahme, die een even tragisch als vermakelijk portret van de familie Mann schetst in zijn groepsbiografie, was de opmerkelijke werkwijze vooral voor mensen rondom Thomas Mann soms pijnlijk. Naar buiten toe moest hij een geleerde intellectueel voorstellen. Voor Katia Mann, Thomas’ echtgenoot, zou het volgens de biograaf “ondraaglijk desillusionerend” geweest zijn als het publiekelijk bekend zou worden dat de beroemde schrijver teksten had gekopieerd van Theodor Adorno. Het was beter om de illusie hoog te houden dat de beroemde schrijver zelf een “Bildungsbürger” was.

Deze werkwijze had Thomas Mann zich al vroeg eigen gemaakt. Hij maakte furore op z’n 26e met zijn familieroman Die BuddenbrooksVerfall einer Familie. Het verval van de koopmansfamilie eindigt met de kleine Hanno Buddenbrooks. Volledig begeesterd door de kunsten en geheel ongeschikt om het familiebedrijf nog van enige toekomst te voorzien vormt hij het eindpunt van de familiekroniek. Dit verval wordt verbeeld met Hanno’s ziektebed: hij overlijdt aan tyfus.

Het proces van de ziekte wordt opvallend koelbloedig beschreven en vult een volledig hoofdstuk (3e hoofdstuk van het 11e deel). Pagina’s lang leert de lezer over hoe de ziekte verloopt, uiteindelijk uitmondend in de dood. De tekst leest zo koelbloedig dat het bijna uit een soort encyclopedie lijkt te zijn gekopieerd. Dat is dan ook precies wat Thomas Mann had gedaan. Hij had de tekst, zo gaf hij later toe, “schaamteloos” overgenomen. De koude, wetenschappelijke, en afstandelijk toon van de encyclopedische tekst werd gebruikt voor een literair effect.

Doktor Faustus, 1947. Foto Wikipedia H.-P. Haack

Andermans werken waren een bron van inspiratie en kennis voor Mann. Soms werden teksten letterlijk gekopieerd, op andere momenten werden ze geherinterpreteerd en geparafraseerd. Dit proces is door de literatuurwetenschapper Malte Herwig nauwkeurig geanalyseerd. Ik zal dan ook één voorbeeld ‘schaamteloos’ uit zijn studie overnemen. (met de toevoeging dat op zijn beurt Herwig veel informatie haalde uit het werk van Gunilla Bergsten, maar dat heeft hij netjes gerefereerd!)

In onderstaande kolommen ziet u  links een populair wetenschappelijke tekst (“Dehnt sich dat Weltall aus?”) uit 1934 van Emo Descovich, een voormalig marinier en later redacteur bij de Neue Freie Presse. Vetgedrukt zijn de overeenkomstige woorden, onderstreepte tekst reflecteert de aantekeningen van Thomas Mann.  Rechts ziet u hoe het wetenschappelijke jargon door Thomas Mann werd ‘gemonteerd’ in de roman Doktor Faustus. De presentatie doet weinig onder voor hoe hedendaagse plagiaattests de resultaten afleveren:

“Der Durchmesser unseres Kosmos hätte rund eine Milliarde Lichtjahre betragen. (…) wenn man liest, daß die von Eddington behandelte Theorie die Größenordung der Gesamtzahl der Milchstraßensysteme mit hundert Milliarden angibt, von der schätzungsweise eine Million mit unseren heutigen Fernrohren erreichbar sind.”“Diese [Zustand des Weltmodells] mochte früher einmal statisch gewesen sein und einfach eine Milliarde Lichtjahre im Durchmesser betragen haben. (…) daß die Summe sämtlicher überhaupt vorhandenen Milchstraßenbildung in der Größenordnung von hundert Milliarden liege, von denen nur eine geringe Million unseren heutigen Fernrohren erreichbar sei.”

Malte Herwig toont zich overigens milder dan veel van zijn voorgangers in zijn oordeel over Manns werkwijze. Zeker in het geval van het Faust-thema was het niet meer dan logisch om de moderne wetenschap, inclusief haar taalgebruik, intensief te raadplegen en te integreren tijdens het schrijfproces. Het “hogere overschrijven” van wetenschappelijke literatuur paste dan ook in een bredere constructie van Manns wereldbeeld, analyseerde de wetenschapshistoricus Daan Wegener, voortbordurend op Herwig. Het was meer dan ‘schaamteloos’ overschrijven.

Wat voor de één als plagiaat telt, is voor de ander niet veel meer dan het gebruiken van een inspiratiebron. En in welke mate moet een tekst geparafraseerd zijn om niet langer als ‘origineel’ te gelden? De werkwijze van Thomas Mann toont aan dat de grenzen tussen origineel denkwerk en ‘schaamteloos’ overschrijven soms poreus kunnen zijn, en soms eerder gradueel dan fundamenteel van elkaar verschillen. Maar in welke mate mogen wetenschappers zich bedienen van dezelfde technieken als romanschrijvers?

Malte Herwig. Bildungsbürger auf Abwegen. Naturwissenschaft im Werk Thomas Manns. Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main, 2004.

Tilmann Lahme. De familie Mann: geschiedenis van een gezin. Arbeiderspers – Open Domein, 2017.

Hein Brookhuis promoveerde in 2024 aan de KU Leuven met een proefschrift over de geschiedenis van het nucleaire onderzoek in België. Tijdens zijn studie History & Philosophy of Science (Utrecht) onderzocht hij onder andere de relatie tussen literatuur en wetenschap in het interbellum. Momenteel werkt hij bij de Universiteit van Amsterdam als postdoctoraal onderzoeker aan een boek over de samenwerking tussen Nederlandse universiteiten en ASML op het gebied van nanolithografie.

Titelafbeelding: Thomas Mann met zijn familie, door Eduard Wasow (1929).

Een straatnaam voor de pionier van de verpleegkunde

Door Luc De Munck

Op zaterdag 25 mei vond in Leuven de inhuldiging plaats van het naambord van de Zuster Jules-Marie Heymansstraat en van een herdenkingsplaat op de vroegere ‘school van zuster Jules-Marie’. Tegelijkertijd werd ook het boek Altijd de eerste: Zuster Jules-Marie Heymans (1897-1986): Pionier van de verpleegkunde in België voorgesteld. Wie was zuster Jules-Marie Heymans en waarom wordt ze de pionier van de verpleegkunde in België genoemd?

Zuster Jules-Marie Heymans werd als Maria Bertha Augusta Heymans geboren in Gent op 3 juli 1897. Haar vader Jan Frans was de eerste docent farmacologie aan de Rijksuniversiteit Gent. In het academiejaar 1923-1924 werd hij de eerste rector van de tweetalige Gentse universiteit. Haar oudere broers Corneel en Paul bekleedden er net als hun vader een leerstoel. Corneel volgde zijn vader op als hoogleraar farmacologie en ontving in 1938 de Nobelprijs voor Geneeskunde. Paul werd hoogleraar aan de faculteit Wetenschappen en was in 1938-1939 minister van Economische Zaken, Middenstand en Landbouw. De jonge Maria groeide dus op in een bevoorrecht intellectueel milieu.

Het gezin Heymans in 1919, met Maria in verpleegstersuniform (Archief Universiteit Gent, ARUG_P00740)

Van jongs af wilde Maria verpleegster worden. Haar keuze om daarvoor in te treden bij de Gentse Zusters van Liefde was niet verwonderlijk. Deze congregatie speelde namelijk al sinds het begin van de negentiende eeuw een toonaangevende rol binnen de gezondheidszorg. Ze schreef zich daarom na haar middelbare studies in voor hun voorbereidende cursus tot ziekenverpleegster, en slaagde in 1917 met grote onderscheiding voor het examen.

Zuster Jules-Marie trad in 1922 in bij de Zusters van Liefde (Erfgoedhuis Zusters van Liefde)

Na het behalen van haar verpleegstersdiploma stimuleerde vader Heymans zijn dochter om geneeskunde te studeren. Hij vond immers dat niet alleen zijn zonen maar ook zijn dochter naar de universiteit moest kunnen gaan. In de toenmalige tijdgeest was dat een behoorlijk progressief standpunt. Maria maakte daarbij de bedenking dat een dergelijk diploma hoe dan ook nuttig zou zijn bij haar intrede in de congregatie. Zoals toen gebruikelijk volgde ze aan de Gentse universiteit eerst de twee kandidaturen natuurwetenschappen en aansluitend de kandidaturen geneeskunde. Ook hiervoor slaagde ze met grote onderscheiding.

Ondertussen was ze in 1922 ook effectief ingetreden bij de Zusters van Liefde. Op de eerste dag van haar noviciaat kreeg ze de kloosternaam Jules-Marie. Die naam was een eerbetoon aan haar broer Jules, die twee jaar eerder op 26-jarige leeftijd was overleden. Haar vader had zich oorspronkelijk tegen de intrede van zijn dochter verzet, maar gaf uiteindelijk toe op voorwaarde dat ze na haar intrede voort mocht studeren aan de universiteit. Dat was ook in het belang van haar congregatie, omdat ze op die wijze nadien kon worden ingezet voor onderwijs- en/of beheerstaken.

De pluralistische Rijksuniversiteit Gent was voor de congregatie echter niet aanvaardbaar. Daarom zette zuster Jules-Marie vanaf 1923 haar studies voort aan de Katholieke Universiteit Leuven, die pas drie jaar eerder voor het eerst meisjesstudenten had toegelaten. Na – opnieuw – telkens grote onderscheiding te hebben behaald tijdens haar drie doctoraatsjaren geneeskunde, studeerde ze in 1926 af als arts. Ze was zo één van de eerste vrouwen en de eerste religieuze die aan de Leuvense universiteit de studies geneeskunde voltooide. Als arts zou ze echter nooit werken. In deze tijd heerste een sterke congregationele discipline en hadden individuele zusters geen inspraak in hun toekomstige takenpakket. Zuster Jules-Marie werd aan het hoofd geplaatst van het Sint-Vincentiusziekenhuis en de daaraan verbonden verpleegstersschool van de congregatie in Gent. Beide functies vervulde ze tot 1939.

Zuster Jules-Marie met leerlingen van de verpleegstersschool in Gent (Erfgoedhuis Zusters van Liefde)
 

Een volgende opdracht bestond erin de leiding op te nemen van een nieuwe hogere opleiding voor katholieke verpleegsters-monitrices, die er kwam op vraag van de Belgische bisschoppen. Hiermee wenste het episcopaat een aanvullende leergang van twee jaar te kunnen aanbieden na de driejarige opleiding in katholieke verpleegstersscholen. Lesgevers in die scholen hadden geen pedagogische vorming genoten, maar ook het kaderpersoneel in katholieke ziekenhuizen miste de nodige kennis. Het idee om voor hen een opleiding te organiseren die hieraan tegemoetkwam, getuigde van een duidelijk besef van de noden op dat vlak. De Universitaire Normaalschool voor Verpleegsters-Monitrices opende zo in oktober 1939 haar deuren. Het programma van de opleiding bevatte niet alleen cursussen die specifiek betrekking hadden op het beroep van verpleegster, maar ook algemene, wetenschappelijke en pedagogische vakken. Vanaf de opening gaf zuster Jules-Marie meerdere cursussen in de Nederlands- en de Franstalige afdeling, samen met didactische oefeningen.

Studenten van de school van zuster Jules-Marie (Erfgoedhuis Zusters van Liefde)

Bij de viering van het 25-jarig bestaan van de school in 1964 kondigde de Leuvense rector Descamps de beslissing van de universiteit aan om de school te integreren in het enkele jaren eerder opgerichte Centrum voor Ziekenhuiswetenschappen. Op die wijze konden voortaan universitaire diploma’s worden uitgereikt aan A1-gediplomeerde verpleegsters. Nadat zuster Jules-Marie in 1961 al een van de eerste vrouwelijke lectoren aan de universiteit was geworden, werd ze vanaf het academiejaar 1964-1965 in het Centrum directrice van het voorbereidend jaar tot de licentie in de medisch-sociale wetenschappen en het ziekenhuisbeleid. Daarin gaf ze drie cursussen in zowel de Nederlands- als de Franstalige afdeling. Ze werd eveneens verantwoordelijk voor de seminaries, stages en studiereizen. Ze bleef directrice van het voorbereidend jaar en lector in de licenties tot ze in 1967 met emeritaat ging. Hierna werd zuster Jules-Marie  vrijwilligster bij het NVKVV (vandaag Netwerk Verpleegkunde), de beroepsorganisatie waarvan ze jarenlang technisch-pedagogisch raadgeefster was geweest. Ze bleef tot 1985 actief als vrijwilligster en overleed een jaar later.

Hoewel zuster Jules-Marie nooit als verpleegster actief was, slaagde ze erin het verpleegstersberoep naar een hoger niveau te tillen. Toen ze in 1917 haar diploma behaalde, bestonden er in België amper opleidingen en had het beroep weinig aanzien. Toen ze vijftig jaar later afscheid nam van haar actieve beroepsleven, was het mogelijk geworden om als verpleegkundige een diploma op licentiaatsniveau te behalen en stonden verpleegkundigen op het punt om via een eigen statuut de uitoefening van de verpleegkunde wettelijk te laten beschermen. In die tussenliggende periode had ze een vaak doorslaggevende bijdrage aan deze opmerkelijke evolutie geleverd. Vooral de school voor verpleegsters-monitrices in Leuven vormde daarbij een mijlpaal, door de belangrijke rol die ze speelde in de professionalisering van de katholieke gezondheidszorg en van de verpleegstersopleiding. Zuster Jules-Marie Heymans mag daarom met recht en reden een pionier van de verpleegkunde in België genoemd worden.

Luc De Munck, Altijd de eerste: Zuster Jules-Marie Heymans (1897-1986): Pionier van de verpleegkunde in België, Lubbeek, 2024.

Luc De Munck, ‘Pionier van de verpleegkunde in België. Zuster Jules-Marie Heymans’, in Koorts, nr. 1 (2024), 40-47.

Luc De Munck, ‘HEYMANS, zuster Jules-Marie’ in Nationaal Biografisch Woordenboek, Deel 24, Brussel, 2020, 614-618.

Luc De Munck is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Naambord van de Zuster Jules-Marie Heymansstraat in Leuven, met rechts de vroegere ‘school van zuster Jules-Marie’ (Luc De Munck).

De Inca’s hadden het overleefd als ze hadden ingezet op 16th-century skills

Gastblog door Adriaan Duiveman

De Inca’s hadden het kunnen overleven. Althans, dat lijkt Stan Kaatee te zeggen in een interview met het Nederlandse magazine Science Guide. De directeur-generaal Werk betoogt dat Nederland vol moet inzetten op leven lang ontwikkelen (LLO), een hippe term voor volwassenenonderwijs. Als we niet in LLO investeren, zo profeteert Kaatee, eindigen we namelijk als een oude Meso-Amerikaanse beschaving. “Wij moeten zorgen dat we over honderd jaar niet een soort Incarijk zijn in Europa dat langzaam in de geschiedenis verdwijnt.”

Kortom, als Inca-keizer Atahualpa een beetje vooruitziend was geweest, dan had hij zonder pardon alle vijftigplussers van Cuzco naar een verplichte heidag 16th-century skills gestuurd. Cursusje intergenerationeel samenwerken, een opfrisser over de nieuwste knooptechnieken in het quipu en de Incaboomers konden er weer tegenaan. Dan hadden ze in 1532 makkelijk standgehouden tegen die 168 conquistadores met kanonnen en ziektekiemen.

Het is een beetje flauw om Kaatee’s retorische schot uit de heup hier diep serieus te fileren. Ik ben namelijk zelf niet vies van ‘vroeger-vergelijkingen’ en bij elke analogie hoort nu eenmaal dat niet alle parameters hetzelfde zijn. Immers, als je twee exact dezelfde fenomenen vergelijkt, kun je ze net zo goed niet vergelijken. Toch fascineerde deze sappige quote me. Er schuilt namelijk een bepaalde visie op de geschiedenis in. Of, preciezer: er schuilen twee diametraal tegenovergestelde visies in.

Lijn in de tijd


Lijngrafiek die de menselijke technologische vooruitgang verbeeldt (© Michael Lee, Flinders University Adelaide & The Conversation)

Als we De Geschiedenis proberen te vatten, denken we in Zeitfiguren – tijdfiguren. Dat betoogt althans de Duitse historicus Lucian Hölscher. We hebben het idee dat samenlevingen een bepaalde richting in de tijd hebben, van verleden naar heden naar toekomst. Die richting, stelt Hölscher, kunnen we uittekenen. Zo hebben we het over de dalende lijn van verval of over de almaar stijgende lijn van vooruitgang.

Volgens de evolutiebioloog Michael Lee van Flinders University in Adelaide is die stijgende lijn zelfs exponentieel. Hij ontwierp een grafiek met als doel de technologische vooruitgang van de mensheid te verbeelden. Op de X-as staat de tijd, op de Y-as het “cumulatieve aantal belangrijke uitvindingen”. Starten doet hij met de abacus, een geavanceerd Babylonisch telraam, dat 2400 jaar voor onze jaartelling ontstond. Vanaf 1400 n. Chr. wipt Lee’s lijn plots omhoog om vanaf 1800 bijna recht naar boven te schieten. Beter nog: de lijn eindigt in een pijl. “De volgende twee eeuwen (2000-2200)”, zo concludeert Lee op grond van zijn grafiek, “beloven niet minder dan 150 doorbraakuitvindingen van het niveau stoommachine, antibiotica en het vliegtuig.”

Rond en rond

Naast de stijgende en dalende lijnen noemt Hölscher ook een cyclische tijdsfiguur – de cirkel. In deze visie op tijd herhaalt de geschiedenis zich telkens opnieuw. Het cyclische tijdsfiguur zit bijvoorbeeld in het ‘wiel van de tijd’ dat we in veel religies en oude mythes tegenkomen. Zo geloven hindoes en boeddhisten dat de goden de hele wereld over een paar miljoen jaar volledig zullen vernietigen en vervolgens herscheppen. En daarna nog eens. En nog eens. (Je moet er maar zin in hebben als godheid.)

Het cyclische tijdsfiguur zie je ook in sciencefiction. In de openingsaflevering van Futurama valt hoofdpersoon Fry per ongeluk in een mensenvriezer waar hij – met zijn pilsje nog in de hand – duizend jaar later weer uitstapt. De kijker zag tussendoor hoe de tijd aan Fry voorbijtrekt en de beschaving niet één maar twee keer wordt vernietigd door vliegende schotels. Na de eerste keer verschijnen er opnieuw middeleeuwse kastelen. Oftewel: als een cirkel in de tijd legt de mens telkens exact hetzelfde parcours af.

Een fragment uit de aflevering ‘New Year, New Millennium’ van Futurama (© Adult Swim, YouTube)

Terug bij af

Dit cyclische Zeitfigur zien we ook in het citaat van Kaatee, alhoewel zijn cyclus iets complexer is dan die van Futurama. De directeur-generaal stelt immers dat een rijk kan “verdwijnen in de geschiedenis”, terwijl gelijktijdig een concurrerende grootmacht opstaat. Net als de Inca’s toen Pizarro voor hun neus stond, signaleert ook Kaatee een overzeese dreiging – al is die hier economisch, en niet militair. Na de Incaquote zegt de directeur-generaal het volgende: “Het enige waar we echt beter in zijn als je het vergelijkt met onze grote concurrenten in Azië, is dat we een hoogopgeleide beroepsbevolking hebben.” Terwijl, met andere woorden, slimme arbeiders de neergang van ‘ons Europa’ nog enigszins afremmen, groeit de economie en status van het Aziatische continent gestaag naar Europese hoogtes.

Het cyclische tijdsfiguur duikt de laatste tijd ook vaak op in het publieke debat. Zo meent radicaal rechts dat Europa het einde van het Romeinse Rijk opnieuw meemaakt. Net als toen lijkt ‘een machtige Europese beschaving’ ten onder te gaan aan migratie en elitaire decadentie. Tegelijkertijd wijzen links-progressieve denkers naar de cyclische tragedie van Paaseiland. De eerste bewoners meerden aan op een paradijselijke archipel vol mogelijkheden. Maar door het overmatig kappen van bomen spoelde de vruchtbare grond onder de Paaseilanders weg. Het is een wijze les voor de huidige klimaatcrisis: als je niet in harmonie met de natuur leeft, hef je jezelf op en begin je van voren af aan.

Ontsnappen aan de cyclus

De cyclus is dus volop aanwezig in het publieke debat, zelfs in een interview over volwassenenonderwijs. Toch is de cyclus niet het enige tijdsfiguur in het interview met Kaatee. Hij stelt namelijk ook een uitweg uit de cirkel voor: investeren in volwassenenonderwijs. Daarmee zetten we een lineaire lijn door en ontsnappen Nederlanders en Europeanen aan het verval. De cyclus is dus het rampscenario, de stijgende lijn de utopie.

Doembeeld en droomland hebben elkaar dus nodig. Dit constateert ook Addie Schulte in zijn fascinerende boek Strijd om de toekomst. Hierin verzamelt hij de meest galzwarte toekomstscenario’s uit het publieke debat. Interessant genoeg komen in haast alle vervalsverhalen kleine ontsnappingsdeurtjes voor waar het publiek van de onheilsprofeten nog doorheen kan kruipen. Zelfs de meest gedeprimeerde doemdenkers kunnen klaarblijkelijk niet zonder een beetje hoop op een goede afloop. Beter nog, ze plaatsten hun tijdsgenoten in een unieke positie in de geschiedenis. Doemdenkers beantwoorden daarmee aan een breed “verlangen [om] in een buitengewone tijd te leven”. “We doen ertoe”, zegt Schultes ideaaltypische onheilsprofeet, “we zijn niet zomaar passanten in de wereldgeschiedenis, maar kunnen een hoofdrol spelen.”

Als het aan Kaatee ligt, kunnen niet alleen mensen een leven lang ontwikkelen. Zelfs hele continenten en beschavingen kunnen dat. Zo wordt zelfs een zichzelf bijscholende volwassener onderdeel van een veel groter, veel mooier verhaal; een verhaal waarin de digibete boomer op computercursus niet zomaar in de geschiedenis verdwijnt. Integendeel: hij maakt geschiedenis.

Meer lezen?

Lucian Hölscher, ‘Virtual historiography: Opening history toward the future’, History & Theory 61, nr. 1, 2022, 27-42.

Voor cyclisch en lineair tijdsbesef in de achttiende eeuw, zie: Eleá de la Porte, Verlichte verhalen: De omgang met het verleden in de Nederlandse Verlichting, Amsterdam, 2023.

Adriaan Duiveman, ‘Breaking the Cycles of Catastrophe: Disaster, Time, and Nation in Dutch Flood Commemoration Books, 1757–1800’, in: Dealing with Disasters from Early Modern to Modern Times: Cultural Responses to Catastrophes, onder redactie van: Hanneke van Asperen en Lotte Jensen, Amsterdam, 2023, 293-314.

Adriaan Duiveman is postdoc bij de Corvus Historical Consultancy van KU Leuven. Hij onderzoekt hoe het waterstaatsverleden van Nederland terugkomt in het huidige klimaatdebat. Adriaans postdocproject wordt mogelijk gemaakt door het Niels Stensen Fellowship.

Titelafbeelding: De ruïnes van de Incastad Machu Picchu in Peru.

Het geschiedenisonderwijs in Nazi-Duitsland kwam niet zomaar uit de lucht vallen

Door Brent Geerts

Na de Eerste Wereldoorlog wezen veel West-Europese landen, waaronder de pas opgerichte Duitse Weimarrepubliek, het geschiedenisonderwijs aan als medeplichtig aan de internationale vijandigheid die tot de oorlog had geleid. Hoewel er daar ambities bestonden om het geschiedenisonderwijs te moderniseren, bleven veel leraren en pedagogen trouw aan meer conservatieve opvattingen uit het Duitse Keizerrijk (1871-1918). Naarmate de politieke instabiliteit in de Weimarrepubliek toenam tegen het einde van de jaren 1920, kwam deze conservatieve grondstroom steeds sterker in nationaalsocialistisch vaarwater terecht. Het ontluikende naziregime maakte daar handig gebruik van om het geschiedenisonderwijs naar zijn hand te zetten, eens de machtsovername in 1933 een feit was. Deze ‘gelijkschakeling’ met het regime verliep zonder veel weerstand, wat historici doet spreken van een ‘zelf-gelijkschakeling’ die niet zomaar uit de lucht kwam vallen, maar getuigde van de voortzetting van een geleidelijk proces.

Wie es eigentlich gewesen ist?

Sinds de eenwording van Duitsland in 1871 werd aan het geschiedenisonderwijs als belangrijkste doel het vormen van loyale en patriottische burgers toegeschreven. Na de Eerste Wereldoorlog keerde het sociaaldemocratische Weimarbewind zich echter tegen die doelstelling en de (vermeende) gevolgen daarvan. Ze probeerde té chauvinistische passages uit leerboeken te halen, kindgericht onderwijs te introduceren en democratische republikeinse waarden te promoten. In december 1919 werden leerboeken uit het tijdperk van keizer Wilhelm II (1888-1918) dan ook ongeldig verklaard. Het geschiedenisonderwijs moest zich verwijderen van dynastieke en militaire geschiedenis, ruimte geven aan sociaal-culturele geschiedenis in combinatie met politieke geschiedenis, en wereldgeschiedenis naast nationale geschiedenis plaatsen. Hervormingsgezinde beleidsmakers en auteurs van nieuwe geschiedenisboeken streefden naar een Rankeaanse benadering: geschiedenis moest zo objectief mogelijk worden gepresenteerd (wie es eigentlich gewesen) en boven elk partijpolitiek standpunt staan.

Deze initiatieven botsten op veel weerstand bij een meer conservatieve grondstroom in het onderwijsveld zelf. Hun opvattingen bleven sterk schatplichtig aan de triniteit Kaiser, Volk und Vaterland die in het Keizerrijk centraal stond. Hevige protesten, gedragen door geschiedenisleraren in verschillende Duitse deelstaten, leidden tot het intrekken van verschillende besluiten, zoals het verbod op het gebruik van leerboeken uit het Keizerrijk. In de praktijk bleef ook de gewenste verruiming van perspectieven op het verleden in herwerkte en nieuw verschenen leerboeken grotendeels afwezig. De focus verschoof in bepaalde mate wel van ‘grote’ mannen naar ‘gewone’ mensen door het betrekken van zogenaamde alledaagse geschiedenis. Toch bleef het nationale perspectief op het verleden het meest dominant. Tegen de Rankeaanse logica in werd het heden gezien als een nieuwe morele maatstaf om het verleden tegen af te meten en werden de wortels van de huidige Weimarrepubliek gezocht in een mythisch en geromantiseerd ver verleden.

Traditie boven vernieuwing

Figuur 1: visuele voorstelling die de ongelijke militaire uitrusting van verschillende West-Europese landen na de Eerste Wereldoorlog uitdrukt in een leerboekhoofdstuk over het Verdrag van Versailles (Bron: Adolf Meyer, Die neueste Zeit von 1815 bis zur Gegenwart, München 1932, p. 171).

In 1924-1925 vond een eerste échte wijziging in de geschiedenisleerplannen plaats, geleid door de Pruisische nationaal-liberale politicus Hans Richert. Deze Pruisische hervorming gold als een voorbeeld voor de andere Duitse deelstaten, en moest het culturele bewustzijn onder jongeren aanwakkeren. Daarbij stond niet alleen de Duitse cultuur en geschiedenis centraal, maar werd er ook naar internationale verzoening gestreefd. Toch bleef, zoals al eerder bleek, de invloed op de onderwijspraktijk beperkt. Veel leraren interpreteerden de geest van de hervormingen van Richert in een enge nationalistische zin, waardoor de focus net nog meer kwam te liggen op (veelal mannelijke) helden uit het grootse Duitse verleden. Die enge interpretatie, gecombineerd met het verharde politieke klimaat aan het begin van de jaren 1930, verdrong de naoorlogse ambities en idealen van het Weimarbeleid.

Na de economische wereldcrisis van 1929 groeide de nationaalsocialistische beweging sterk. Haar visie op het geschiedenisonderwijs sloot nauwer aan bij de opvattingen uit het Keizerrijk dan bij die van de hervormingsgezinden binnen de Weimarrepubliek. Veel leraren bleven loyaal aan deze oudere opvattingen, waardoor de nazibeweging kon inspelen op hun nationalistische geschiedbeeld. Ze oefenden druk uit op leerboekauteurs om kleine wijzigingen en aanvullingen door te voeren, door bijvoorbeeld meer nadruk te leggen op, en veel uitgebreidere verhalen te vertellen over het leven van ‘grote persoonlijkheden’. Die nadruk werd versterkt door het toevoegen van paginagrote portretten. Ook werden er nieuwe hoofdstukken toegevoegd aan de leerboeken over het meest recente verleden, gericht op de ‘ongelijke’ behandeling van Duitsland in het Verdrag van Versailles (dat het resultaat vormde van de vredesonderhandelingen na de Eerste Wereldoorlog) en de ‘tegenstrijdigheden’ in de grondwet van de Weimarrepubliek. Leraren zoals Arnold Reimann, die tussen 1924 en 1933 ook voorzitter was van het verbond van Duitse geschiedenisleraren, begonnen dan ook nieuwe reeksen uit te geven. Het verbond kwam regelmatig in conflict met het onderwijsministerie in Pruisen vanwege tegenstrijdige visies.

Figuur 2: eerste pagina van een nieuw toegevoegd hoofdstuk aan het einde van een bestaand geschiedenisleerboek, handelend over de periode na de Eerste Wereldoorlog. De eerste zin, “Das Diktat von Versailles lastet schwer auf Deutschland“, zet de nogal tragische toon van het hoofdstuk onmiddellijk in (Bron: Josef Habisreutinger, Geschichte der Neuzeit, Bamberg 1932, p. 218).

Een langzame onderwijsrevolutie

Na de nationaalsocialistische machtsovername van 1933 was het duidelijk dat het geschiedenisonderwijs boven alles een Hilfsmittel der Politik moest worden. De Nationalsozialistischer Lehrerbund (NSLB) werd ingezet om het lerarenkorps  ‘uit te zuiveren’ door marxisten, joden en vrijmetselaars te weren. Mede door het organiseren van ideologische training zorgde ze ervoor dat overige leraren het regime steunden. De nadruk kwam op het nationaalsocialistische wereldbeeld te liggen, waarin de lange strijd voor een homogene Volksgemeinschaft en de zoektocht naar Lebensraum centraal stonden. In de bredere propaganda van het Derde Rijk ontstond al snel het beeld van het jaar 1933 als een glorieus revolutiejaar dat een sterke cesuur vormde in de Duitse geschiedenis. Ook in de onderwijspraktijk werd dat beeld versterkt. 1933 werd ingeschreven in de bestaande leerboeken als het hoogtepunt van een bewustwordingsproces. “Geen enkele Duitse jongen of meisje zaal ooit mooier opvoedings- en educatiemateriaal vinden over deze periode”, schreef auteur Hans Roder vooraan in zo’n publicatie.

Figuur 3: Propaganda-affiche voor het lerarenmagazine van de Nationalsozialistischer Lehrerbund (NSLB), augustus 1934 (Bron: Alamy Images).

Ondanks al die inspanningen was een algehele herziening van de leerplannen en -boeken geen prioriteit voor de nazi’s. Bestaande leerplannen en oudere leerboeken, die al sterk nationalistisch waren, bleven in gebruik. Zoals de officiële NSDAP-krant, de Völkischer Beobachter, echter aangaf was het “de plicht van elke geschiedenisleerkracht om met zijn nationaalsocialistisch getrainde overtuiging les te geven, zelfs voordat het nieuwe leermateriaal beschikbaar is.” In het afdwingen van die plicht speelde de NSLB een belangrijke rol. De organisatie stimuleerde het aanbrengen van wijzigingen in herdrukte leerboeken, waarbij gebeurtenissen en personen, door het toevoegen van korte zinnetjes, in overeenstemming met de nationaalsocialistische ideologie in een ander daglicht werden geplaatst.

Ondanks het revolutionaire beeld van het jaar 1933, tekende er zich in het geschiedenisonderwijs slechts een trage en moeizame revolutie af. Het duurde tot 1938 voor er op rijksniveau een algemene hervorming volgde, die ook het geschiedenisonderwijs helemaal in het nationaalsocialistische wereldbeeld insloot. Historici oordelen dan ook dat die, onder meer door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een jaar later, maar heel weinig impact had in de praktijk. Veel nieuwe leerboeken verschenen pas aan het begin van de jaren 1940, toen de oorlog reeds hevig woedde. Een eigen, op nazistische leest geschoeid geschiedenisonderwijs kwam dus verre van uit de lucht gevallen. Het geraakte in de eerste plaats maar moeilijk van de grond en wanneer het begin jaren 1940 dan toch zijn kruissnelheid bereikte, was de finale zwanenzang van het naziregime reeds ingezet.

Meer lezen?

Brent Geerts, ‘Het narratieve pad van de Duitse geschiedenis: geschiedenisleerboeken en historische narratieven in de Weimarrepubliek en het Derde Rijk (1918-1945)’ (Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2021).

Lisa Pine, Education in Nazi Germany (New York: Berg, 2010).

Marjori Lamberti, The politics of education: teachers and school reform in Weimar Germany (New York: Berghahn Books, 2002).

Brent Geerts is doctoraatsonderzoeker aan de Onderzoekseenheid Geschiedenis van de KU Leuven. Hij studeerde in 2021 af als master in de geschiedenis met een masterproef over het geschiedenisonderwijs in Duitsland tijdens het Interbellum. Momenteel bereidt hij een proefschrift voor in het kader van het ‘Congo-Arab Heritage in Historical Narratives’ (CAHN) project, waarin museumeducatie over koloniaal erfgoed in Belgische musea centraal staat.

Titelafbeelding: een lerares en haar leerlingen tijdens een geschiedenisles over het Verdrag van Versailles in Berlijn anno 1933 (Bron: Encyclopedia Britannica).

Hatemail in 280 tekens: van 1891 tot vandaag

Door Christiaan Aart Engberts

De klacht dat wetenschappers teveel geneigd zijn om zich terug te trekken in een ivoren toren is welbekend. Sommigen voelen zich ongetwijfeld ook door dit verwijt aangesproken. De wetenschapper die deze toren verlaat om haar licht te schijnen op maatschappelijk gevoelige onderwerpen wordt niet zelden geconfronteerd met nog veel bijtendere kritiek. In een lezing voor de Universiteit Leiden richtte hoogleraar Griekse taal en literatuur Ineke Sluiter het vizier op het klimaat op sociale media, waar wetenschappers niet zelden gestalkt, gedoxxt en soms zelfs met de dood bedreigd worden. Hoewel deze giftigheid vaak tegen vrouwen en mensen van kleur gericht lijkt, is niemand immuun voor cyberbullying. Dit schaadt bovendien zowel het gevoel van sociale veiligheid van de wetenschappers als het publieke debat.

Theodor Nöldeke (bron: Wikimedia Commons)

De hatelijkheid die zich via sociale media vaak anoniem verspreidt, lijkt op het eerste gezicht een typisch product van de 21ste eeuw: eerder waren er immers geen Facebook, Instagram of X. De verregaande polarisatie van nieuwsmedia wordt eveneens vaak als typisch hedendaags ervaren, net als het welig tieren van de complottheorieën die dit versterken. Toch zijn deze zaken niet nieuw. Dat is misschien niet zo verrassend waar het de complotten en de media betreft: de hieronder besproken antisemitische verzinsels en hetzes zijn eerder beschreven. Alle sporen van anonieme hatemail gaan echter meestal verloren: slechts weinig wetenschappers vinden het de moeite waard om deze te bewaren. Toen de semitist Theodor Nöldeke als getuige-deskundige bij een antisemitismeproces betrokken raakte in 1891, bewaarde hij de anonieme verwensingen die hij in zijn brievenbus vond wel.

Een moord in Xanten

De aanleiding van dit proces was de dood van een vijfjarig jongetje in het Duitse Xanten. Johann Hegmann werd gevonden in de schuur van een herbergier. Een eerste oppervlakkig onderzoek suggereerde dat zijn keel was opengesneden door iemand die daarin zeer bekwaam was en dat zijn bloed was afgetapt voordat hij in de schuur was achtergelaten. Op basis van die voorbarige conclusies deed al snel het verhaal de ronde dat Hegmann gedood moest zijn door een Joodse rituele slachter. In de antisemitische pers deden immers al jarenlang verhalen de ronde over duistere Joodse religieuze rituelen, waarbij christelijke kinderen om het leven gebracht zouden worden. De link met Adolf Buschhoff, de slachter van de Joodse gemeenschap van Xanten, was vervolgens snel gelegd. Het proces tegen hem werd aandachtig gevolgd in de pers. Antisemitische en liberale kranten stonden hierbij lijnrecht tegenover elkaar.

In Xanten ligt een klein kind, / God weet wie zijn moordenaars zijn. (bron: Wikimedia Commons)

Direct bewijs voor Buschhoffs schuld was er niet, dus de antisemitische pers moest het van indirect bewijs en complottheorieën hebben. Zij beweerde dat de Talmoed en andere religieuze teksten Joden zouden oproepen tot het plegen van rituele moorden. Nöldeke werd als getuige-deskundige gevraagd om zijn oordeel te geven over deze beschuldiging. Alle betrokkenen wisten vooraf wat ze van hem konden verwachten: tien jaar eerder had hij in een getuigschrift voor een gelijksoortig antisemitismeproces in Wenen reeds gesteld dat de veronderstelde moorddadige oproepen nergens in de Joodse religieuze literatuur te vinden waren. Zodra bekend werd dat hij als getuige-deskundige naar Xanten zou afreizen, begon de antisemitische pers daarom een hetze die erop gericht was om zijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken.

Een antisemitische mediahetze en persoonlijke aanvallen

Deze hetze was geworteld in een ander populair antisemitisch stereotype: Joden zouden ongehoord rijk zijn en hun financiële middelen zonder scrupules gebruiken om een buitensporige maatschappelijke invloed uit te oefenen. Nöldeke werd ervan beschuldigd dat hij zich in Wenen door rijke Joden had laten omkopen om een valse getuigenis af te leggen. De zogenaamd deskundige getuigenis van iemand die zich al eerder door Joods geld had laten omkopen zou dan natuurlijk overduidelijk onbetrouwbaar zijn. De conservatief-katholieke en antisemitische krant Germania behoorde tot de ijverigste verspreiders van deze complottheorie. Nöldeke voelde zich zelfs gedwongen om zich met een ingezonden brief in de krant te verdedigen. Over zijn Weense honorarium schreef hij dat het “slechts een kleine fractie” was van het bedrag dat de krant genoemd had. De onkostenvergoeding voor zijn aanwezigheid in Xanten beschreef hij als “een bedrag […], dat als vergoeding voor de inspanning […] nauwelijks als te hoog gezien kan worden.” Het valt te betwijfelen of de lezers van Germania ook daadwerkelijk overtuigd werden door de verdediging van Nöldeke.

De kritiek op Nöldeke bleef namelijk niet beperkt tot persoonlijke aanvallen in de antisemitische pers. Hij ontving ook venijnige brieven. Hiervoor hoefden de briefschrijvers zijn adres niet te kennen: de adressering ‘Professor Nöldeke, Strassburg’ was voldoende. Een bezorgde burger uit Stettin leerde hem de les: “In Joodse wetboeken staat niets over rituele moorden, wie daarin iets daarover zoekt is een grote ezel; toch komt het voor en dit is vaak bevestigd, maar helaas zelden bestraft. Het is u toegestaan deze kaart ingelijst in uw mooie kamer op te hangen.” Een anoniem briefje uit Halle bevatte een zeer beknopte boodschap: “Altijd zorgvuldig als een Duitse hoogleraar, huilebalk!” Een andere anonieme briefschrijver weigerde een heel blad briefpapier te verspillen en schreef zijn verwensing op een afgescheurd briefhoekje: “Zou u zich niet nog een beetje meer als Jodenagent willen laten zien? Of bent u misschien Antisemiet? Uw uur zal nog wel komen en het geld van Xanten zal bovendien wegvloeien zoals het binnengekomen is. Het zal dus doorgaan. Ook zonder u.” De suggesties dat Nöldeke’s ‘uur nog wel zou komen’ en dat het proces ‘ook zonder hem’ zou doorgaan klinken bijna even dreigend als de giftigste hedendaagse intimidatie die sommige wetenschappers op sociale media ervaren.

Anoniem schrijven aan Theodor Nöldeke, waarschijnlijk 1892. Gereproduceerd met toestemming van de Universitätsbibliothek Tübingen.

Al deze berichten hadden in 2024 keurig binnen X’s limiet van 280 tekens per bericht gepast. En hoewel deze anonieme briefjes onbenullig lijken, was de dreigende sfeer die zij creëerden niet zonder gevolgen. Om te voorkomen dat zijn reputatie schade zou oplopen, voelde Nöldeke zich gedwongen om voor zijn vertrek naar Xanten een deel van zijn vergoeding te doneren aan onberispelijke goede doelen: de Zusters van Barmhartigheid en de Evangelische Diaconessen in Straatsburg. De observatie dat anonieme bedreigende berichten aan maatschappelijk betrokken wetenschappers niks nieuws zijn, maar juist een lange geschiedenis hebben, bagatelliseert deze praktijken dus op geen enkele wijze. Integendeel! Zelfs de moeilijk te traceren sporen van zulk intimiderend gedrag in de negentiende eeuw laten zien dat het – helaas – maar al te makkelijk aantoonbare gevolgen heeft.

Meer lezen?

Hillel J. Kieval, ‘Neighbors, Strangers, Readers: The Village and the City in Jewish-Gentile Conflict at the Turn of the Nineteenth Century’. In: Jewish Studies Quarterly 12(1), 2005, 61-79.

Ineke Sluiter, Open deuren, diesrede, in verkorte vorm uitgesproken aan de Universiteit Leiden, 8 februari 2021. Zie: https://www.universiteitleiden.nl/binaries/content/assets/algemeen/dies-2021-diesrede-sluiter.pdf.

Krantenknipsels en brieven over het Buschhoffproces uit de nalatenschap van Theodor Nöldeke zijn te vinden op de website van de Universitätsbibliothek Tübingen: https://opendigi.ub.uni-tuebingen.de/opendigi/Md782-A267.

Christiaan Aerts Engberts werkt als postdoctoraal onderzoeker aan de transnationale geschiedenis van de Leuvense universiteit in het kader van haar 600-jarige jubileum in 2025. In 2019 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden met een proefschrift over wetenschappelijke deugden en wederzijdse evaluatie onder Duitse geleerden in de late 19e en vroege 20e eeuw. In de jaren voorafgaand aan het onderzoek naar de transnationale geschiedenis van de Leuvense universiteit doceerde hij cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en publiceerde hij onder meer over de geschiedenis van de oriëntalistiek en de psychologie.

Titelafbeelding: ‘De Joden verzamelen het bloed van christelijke kinderen voor hun magische handelingen’, in: Mœurs, usages et costumes au moyen âge et à l’époque de la renaissance (Parijs, 1971) (bron: Wikimedia Commons).

Zeg niet zomaar celebrity tegen een BV

Door Leendert Acke

Ze duiken ten overvloede op in televisieprogramma’s, ze sieren de cover van menig tijdschrift, hun dagelijkse belevenissen halen soms zelfs de nationale pers. Kortom, Bekende Vlamingen zijn niet weg te denken uit de media. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien vanzelfsprekend: mensen slaagden er namelijk altijd al in om bekend en beroemd te worden. Toch is een bekende Vlaming (zonder hoofdletter) daarom niet automatisch een Bekende Vlaming (met hoofdletter). Het begrip – en de al even gebruikelijke afkorting ‘BV’ – is namelijk een typisch verschijnsel van het Vlaamse medialandschap sinds de jaren 1990.

Een nieuw soort beroemdheid voor een nieuw soort televisie

Eerste logo van VTM

Bekende Vlamingen kunnen niet los gezien worden van de drastische veranderingen in het televisielandschap vanaf 1989. De eerste commerciële zender in Vlaanderen, de Vlaamse Televisie Maatschappij of VTM, sloeg meteen aan bij de kijkers met haar blitse, stijlvolle en amusementsgerichte aanpak. Daarnaast trok de zender resoluut de kaart van de vedetten: bekende mensen kregen niet alleen een prominente plaats in praat-, quiz- en spelprogramma’s, ze gedroegen zich ook toegankelijk en familiair. Dat alles stond in schril contrast met de ernstige, vaak als belerend ervaren openbare Belgische Radio- en Televisieomroep (BRT). In de hoop fors dalende kijkcijfers tegen te gaan, zou ook BRT al gauw meer inzetten op dergelijke schermgezichten.

Cover van ‘Dag Allemaal’ (26/01/1993)

Om over die nieuwe, alomtegenwoordige beroemdheden te schrijven, gebruikte journalist Alain Grootaers het begrip ‘Bekende Vlaming’ of ‘BV’, naar eigen zeggen omdat het niet altijd duidelijk was waarom ze bekend waren. Andere omschrijvingen, zoals ‘zanger’ of ‘acteur’, schoten dus te kort. In Nederland bestond al zeker een decennium langer het gelijkaardige ‘Bekende Nederlander’ (‘BN’er’), wat zeker bijgedragen heeft tot de razendsnelle inburgering van het begrip.

De intrede van VTM en de reactie van BRT deden het aantal BV’s sterk toenemen, net als de frequentie waarmee ze in tv-programma’s opdoken. Zeker voor de commerciële zender was er sprake van een wederzijdse afhankelijkheid: BV’s en VTM hadden baat bij elkaars succes. Ook de zogenaamde ‘roddelbladen’, in het bijzonder Dag Allemaal (1984-…), waren bepalend voor de opkomst van de Bekende Vlaming. Ze speelden in op de geliefde tv-figuren en vergrootten op die manier hun bekendheid nog meer.

Toegankelijk of talentloos?

De situatie voor vedetten in Vlaanderen verschilde op een aantal cruciale punten van andere celebrity cultures. Om te beginnen was er de ontegensprekelijke rol van de televisie als drijvende kracht achter het ‘BV-schap’. Vlaamse film-, musical- of theateracteurs werden slechts zelden als BV’s beschouwd, tenzij ze een passage maakten op tv. In onder meer de Britse en Amerikaanse context was dat wel anders: daar slaagden die andere sectoren er beter in hun eigen beroemdheden voort te brengen, met minder of zelfs zonder hulp van het kleine scherm.

Ook de schijnbare toegankelijkheid en alomtegenwoordigheid van BV’s stond in contrast met de Angelsaksische context. Daar hing veel meer een waas van onbereikbaarheid en geheimzinnigheid rond celebrities. Hun fans moesten vaak reikhalzend uitkijken naar hun volgende verschijning in het openbaar of optreden op tv. In dat afgeschermde leven probeerden tabloids en paparazzi op hun beurt binnen te dringen. Dat die laatsten in het Vlaamse medialandschap nauwelijks een rol van betekenis speelden, zegt veel over de fundamenteel andere status van en omgang met beroemdheden.

Tot slot is er de vaststelling dat rond de ‘Bekende Vlaming’ ook een negatieve connotatie hangt. In de herkomst van de term zat al een zekere minachting (‘zij die bekend zijn omdat ze bekend zijn’), maar vanaf 2000 leek de neergang ervan pas echt ingezet. Kantelpunt was de Vlaamse versie van het realityprogramma Big Brother, voor het eerst uitgezonden in dat jaar. De deelnemers waren allemaal gewone, onbekende Vlamingen, maar enkelen werden al snel BV’s, inclusief de nodige media-aandacht. Door die ‘democratisering van het BV-schap’ leek het meer dan ooit alsof iedereen beroemd kon worden, ook wie zogenaamd niets kon en niets verwezenlijkt had. Bovendien ging de hype ook snel liggen en verdwenen de nieuwe BV’s weer van het toneel. Meer dan voorheen én meer dan een begrip als ‘celebrity’ werd het label ‘Bekende Vlaming’ voor sommigen een synoniem voor talentloosheid en kortstondig succes.

Typisch Vlaams?

CD-hoes ‘Het beste uit Tien om te zien: 16 Vlaamse hits’ (1989). Collectie Huis van Alijn.

Is de BV een typisch Vlaams verschijnsel? Het is in ieder geval niet uniek: zo is er naast de ‘Bekende Nederlander’ ook de ‘Wallon connu’. Tegelijk valt op dat veel andere landen, zoals opnieuw de Angelsaksische wereld, maar ook Duitsland bijvoorbeeld, veel algemenere begrippen gebruiken, in het genre ‘celebrity’ of ‘star’. Het meest opvallende is misschien wel dat er geen Belgisch equivalent is, ook al zijn er wel Belgen die op nationaal niveau bekend zijn.

Dat is niet toevallig: de opkomst van de BV viel namelijk samen met de federalisering van het land en toenemende Vlaamse identiteitsvorming. Zo koos VTM bewust voor ‘Vlaams’ in haar naam, in tegenstelling tot de ‘Belgische’ BRT. De zender gaf in programma’s als Tien om te zien resoluut een podium aan Vlaamse artiesten, zoals schlagerzangers, die BRT doorgaans links liet liggen. Tegelijk zapte de kijker door de komst van VTM minder snel weg naar de populaire Nederlandse televisie, waardoor het publiek meer in contact kwam met ‘eigen’ schermgezichten. Zowel door zijn naam als door zijn ontstaansgeschiedenis was de Bekende Vlaming dus een belangrijke bouwsteen voor een ‘typisch Vlaams’ medialandschap.

Meer lezen?

Deze blogtekst is gebaseerd op: L. Acke, ‘Bekende Vlaming’, Encyclopedie van de Vlaamse beweging, 2024. https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/bekende-vlaming

O. Driessens, ‘Being a Celebrity in Times of Its Democratisation: A Case Study From the Flemish Region’. In: Celebrity Studies, 4, 2013, 249-253.

G. Van Gestel en G. De Meyer, Vedettedom. Beroemd in Vlaanderen, 2002.

B. Van Gorp, ‘It Takes Two to Tango: The Relationship Between the Press and Celebrities in Belgium’. In: Celebrity Studies, 5, 2014, 423-437.

Leendert Acke is praktijkassistent aan de Onderzoekseenheid Geschiedenis. Hij schreef enkele lemma’s voor de onlangs verschenen derde editie van de Encyclopedie van de Vlaamse beweging.

Zijn we tuberculose uit het oog verloren?

Door Tim Debroyer

Het aantal tbc-besmettingen in België stijgt: De situatie is precair.” – De Morgen (24 maart 2023)

Op 24 maart 2023 deed Damiaanactie naar aanleiding van de Wereldtuberculosedag een oproep om waakzaam te zijn voor het stijgend aantal tuberculosepatiënten in België. Hoewel jaarlijks 800 à 900 mensen worden getroffen door tuberculose, blijft de ziekte vandaag grotendeels onopgemerkt in de maatschappij. Dat komt wellicht doordat voornamelijk mensen in moeilijke sociale omstandigheden ermee geconfronteerd worden, maar ook omdat de ziekte doorheen de negentiende en twintigste eeuw aanzienlijk meer mensen trof. In de negentiende eeuw was tuberculose zelfs verantwoordelijk voor één op de vijf sterfgevallen. Waarom lijken we tuberculose al lang overwonnen te hebben? Zijn we de ziekte uit het oog verloren?

Naar ‘De Toverberg’

Patiënten van het Sanatorium Elisabeth in Sijsele rusten in de buitenlucht in een open gaanderij bovenaan het sanatorium (1932, Stadsarchief Brugge – verz. Brusselle-Traen: BRU001003293 – G/C212/2)

Door het grote aantal tuberculoseslachtoffers werd aan het einde van de negentiende eeuw een netwerk van sanatoria opgezet om de ziekte op te sporen en mensen langdurig te behandelen. Het meest bekende voorbeeld van zo’n sanatorium werd opgetekend door de schrijver Thomas Mann in De Toverberg, een roman waarin het hoofdpersonage, Hans Castorp, lange tijd in een sanatorium in het Zwitserse Davos verblijft door een onverwachtse tuberculosediagnose. De behandeling in deze sanatoria bestond voornamelijk uit een blootstelling aan frisse lucht, voldoende rust en gezond voedsel. Sanatoria in België vormden bovendien een opvangplaats voor mensen die door tuberculose in moeilijke sociale omstandigheden terechtkwamen en werden uitgesloten door de maatschappelijke stigmatisering van de ziekte.

Een goed voorbeeld van zulke instelling in België, was het Sanatorium Elisabeth in Sijsele dat in 1927 werd opgericht door het welgestelde Brugse echtpaar Désiré Monthaye en Michaëlla Grossé. Zij verloren hun zoon aan tuberculose en besloten zich in te zetten voor de zorg van andere tuberculosepatiënten. Met steun van de provincie West-Vlaanderen realiseerden ze drie sanatoriumgebouwen waarin de Zusters van Liefde de zorg voor patiënten op zich namen. Vanaf 1932 nam de congregatie zelf het beheer van de instelling in handen. Hoewel er vanaf de jaren 1930 steeds meer chirurgische ingrepen voorhanden waren om tuberculose te behandelen, bleef de traditionele behandeling met lucht, rust en gezond voedsel ook hier nog lang in stand. Zo waren er bovenaan het sanatorium open galerijen waar patiënten in de frisse lucht konden uitrusten.

De ontdekking van een ‘wondermiddel’

Een Zuster van Liefde maakt een reeks pillen in de apotheek van het Sanatorium Elisabeth in Sijsele (Jaren 1950, Erfgoedhuis Zusters van Liefde JM: A46-BEL-Sijsele-23f)

In 1943 ontdekte de Amerikaanse microbioloog Albert Schatz in het laboratorium van biochemicus en microbioloog Selman Waksman een bodemschimmel die de groei van tuberculose kon tegengaan. Deze ontdekking legde de basis voor het eerste antibioticum tegen tuberculose: streptomycine. Vanaf 1947 was dit geneesmiddel ook beschikbaar in België en in het sanatorium van Sijsele. De eerste zes patiënten die er streptomycine kregen toegediend verloren vrijwel onmiddellijk hun koorts en hoestten aanzienlijk minder slijmen op. Een arts beschreef hoe alle patiënten op de afdeling deelden in de euforie en zelf hoopvol werden voor een snel herstel.

Na enkele maanden ontwikkelden deze zes patiënten echter resistentie tegen het antibioticum waarna hun vroegere symptomen snel terugkeerden. Er kwamen verschillende nieuwe antibiotica op de markt doorheen de jaren 1950 en 1960, maar door zware bijwerkingen en resistentie moesten de patiënten vaak nog verschillende maanden in de instelling verblijven. De traditionele methoden van frisse lucht, voldoende rust en gezond voedsel bleven daardoor lange tijd de basis van de behandeling. Pas in de jaren 1970 kwamen er effectieve antibiotica op de markt die het aantal patiënten aanzienlijk deden dalen. Artsen begonnen deze antibiotica snel als een ‘wondermiddel’ te omschrijven in de ‘overwinning’ van tuberculose. Die voorstelling verhulde echter de aanhoudende uitdagingen voor patiënten die nog steeds met de ziekte geconfronteerd werden en vaak nog verschillende maanden behandeling moesten ondergaan.

Tuberculose als ‘vergeten ziekte’

Selman Waksman, The Conquest of Tuberculosis (Berkeley: University of California Press, 1964)

Door steeds betere levensomstandigheden nam het aantal tuberculosegevallen gestaag af. Nieuwe types antibiotica versnelden het herstel van patiënten bovendien aanzienlijk. Hierdoor werd het sanatorium van Sijsele vanaf het einde van de jaren 1960 stilaan omgevormd naar een algemeen ziekenhuis tot de laatste sanatoriumbedden in 1986 verdwenen. Ook in andere Europese landen en grote delen van de rest van de wereld liepen sanatoria stilaan leeg. Met het boek The Conquest of Tuberculosis uit 1964 zette de ontdekker van streptomycine, Selman Waksman, gelijktijdig een discours in gang dat tuberculose als ‘overwonnen’ beschouwde en als een ziekte uit het verleden neerzette. Ondanks een sterke heropflakkering van tuberculose in de Verenigde Staten en Europa tijdens de jaren 1980 en 1990, werd de ziekte niet langer als een gezondheidscrisis beschouwd en verdween ze stilaan uit het collectieve geheugen.

Het geleidelijke verdwijnen van tuberculose droeg samen met het doorleven van het stigma rond de ziekte bij tot een maatschappelijke stilte die het voor voormalige patiënten en personeelsleden moeilijk maakte om in het reine te komen met hun ervaringen in het sanatorium. Zo vertelde een voormalige patiënte tijdens een interview: “Het enige waar ik moeite mee heb, is dat er zo weinig te achterhalen is. Waarom? Waarom? Waarom is dat, waarom is daar niets van terug te vinden? Het is alsof het niet bestaan heeft.” Een overmatige nadruk op het verhaal van medische overwinning draagt vandaag bij tot het onderschatten van de lichamelijke en emotionele langetermijngevolgen van tuberculose voor mensen die in het verleden getroffen werden, evenals voor diegenen die er vandaag wereldwijd mee te maken krijgen. Nu Covid-19 steeds minder mensen treft, vormt tuberculose opnieuw de meest dodelijke infectieziekte met 1,6 miljoen overlijdens wereldwijd in het afgelopen jaar. Ondanks verschillende oproepen om hier verandering in te brengen, lijkt tuberculose nog steeds uit het oog verloren.

Meer lezen?

Deze blogpost is gebaseerd op: Tim Debroyer, “The End of Tuberculosis? A Belgian Sanatorium and Questionable Narratives of the Triumph Over Disease (1947–1986),” European Journal for the History of Medicine and Health, 2023.

Tim Debroyer, ‘Het Einde van Tuberculose? Behandelingen en Patiëntenervaringen in het Sanatorium Elisabeth te Sijsele (1945-1986)’ (Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2021).

Janina Kehr, Spectres de la tuberculose: Une maladie du passé au temps présent (Presses universitaires de Rennes, 2021).

Bharat Jayram Venkat, At the Limits of Cure (Durham en Londen: Duke University Press, 2021).

Tim Debroyer is als doctoraatsonderzoeker van het FWO Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven, waar hij onderzoek doet naar de geschiedenis van patiëntenorganisaties in België. In zijn masterproef bestudeerde hij de impact van antibiotica op de behandeling van tuberculose en de ervaringen van patiënten in een Belgisch sanatorium.

Titelafbeelding: Artsen van het Sanatorium Elisabeth in Sijsele bestuderen röntgenfoto’s van hun patiënten (Jaren 1950, Erfgoedhuis Zusters van Liefde JM: Fotocollectie Sanatorium Elisabeth Sijsele) .

Achttiende-eeuws academisch toerisme op eigen risico

Door Luz Van den Bruel

Waar de koloniale grootmachten zoals Engeland en Frankrijk konden rekenen op ontdekkingsreizigers om curiosa mee te brengen van hun overzeese gebieden, moesten staten die minder koloniaal actief waren dat anders aanpakken. Hun geleerden moesten op Forschungsreise naar een specifiek gebied, vaak met een wetenschappelijk doel. De Deense koning Frederik V (1723-1766) was een liefhebber van kunst en wetenschap, en sponsorde graag zo’n Deense wetenschappelijke expeditie. Zo ontstond het idee van een Deense Arabië-expeditie (1761-1767) – naar ‘Arabia Felix’ of het hedendaagse Jemen – om zo veel mogelijk wetenschappelijk materiaal terug naar Kopenhagen te schepen.

Reisbureau Michaelis

Wat moet je doen als er aan jouw universiteit niet genoeg materiaal is om onderzoek te doen? Die vraag stelde Johann David Michaelis, professor van oriëntale talen in Göttingen, zich in 1753. In een lezing sprak hij over hoe een wetenschappelijke reis naar het Indische dorp Tranquebar (nu Tharangambadi, India) een goudmijn aan oriëntale manuscripten had opgeleverd voor de universiteit van Halle (Saale). Zo’n initiatief zag hij ook zitten om de collectie van zijn eigen universiteit aan te vullen. Maar hoe krijg je oriëntaal materiaal tot in Göttingen?

In de 18de eeuw op ontdekkingsreis gaan was makkelijker gezegd dan gedaan. Er kwamen heel wat risico’s en voorbereidingen aan te pas. Michaelis nam het initiatief en stelde een plan op voor de expeditie, zonder enige intentie om er zélf op uit te trekken. Michaelis deed verder een oproep aan zijn medegeleerden, de zogenaamde Fragen an eine Gesellschaft Gelehrter Männer, die … nach Arabien reisen (1762), om te kunnen inschatten welke soorten materiaal onder de Europese onderzoekers gegeerd zou worden.

Willie Wortel, ga je mee?

Figuur 1: Niebuhr, Beschreibung von Arabien, 1772, 374a.

In het originele plan dat Michaelis voor de reis opstelde, was het de bedoeling dat het een eenmansreis werd. Dat bleek al snel erg onpraktisch. Maar wat voor mensen wilden – of moesten – mee op zo’n reis?

De eerste leden die werden goedgekeurd waren Professor Frederik Christian von Haven (1727-1763) en Professor Peter Forrskål (1732-1763). Von Haven, ‘der Philologus’, was een taalwetenschapper die zich vooral op Arabisch en Hebreeuws focuste. De Finse Forsskål, der Physicus, was student van beroemde bioloog Carl Linnaeus (1707-1778), en hield zich voornamelijk bezig met plantkunde en zoölogie. Hij kende bovendien enkele oriëntale talen, en leerde voor de expeditie ook nog Arabisch. De derde reiziger was Carsten Niebuhr (1733-1815), ‘der Mathematicus’, die instond voor de geografische en wiskundige aspecten van een ontdekkingsreis.

Andere leden strikken bleek iets moeilijker te zijn. August Ludwig Schlözer (1735-1809), een student van Michaelis, bood zich vrijwillig aan, maar werd wegens zijn gebrek aan taalkennis geweigerd. Anderen werden gevraagd, maar weigerden zelf om deel te nemen. Uiteindelijk sloten nog drie leden zich aan: ‘der Medicus’, Dr. Christian Carl Cramer (1732-1764), een Deense arts; ‘der Mahler’ Georg Wilhelm Baurenfeind (1728-1763), die vooral illustraties moest voorzien; en ten slotte Lars Berggren (?-1763), een soldaat die instond voor de veiligheid van het gezelschap. In Januari 1761 vertrokken ze met zes vanuit Kopenhagen in het schip de Grønland.  

Verwittig op voorhand, en vergeet je muggennetje niet!

Figuur 2: Niebuhr, Beschreibung von Arabien, 1772, 66a.

De eerste halte van de reis was Istanbul, waar het gezelschap kort verbleef vooraleer ze doorreisden naar Caïro. In Egypte verliep de expeditie moeizaam en werden ze een jaar opgehouden. Zelf schreven de reizigers die vertraging toe aan de terughoudendheid van de lokale bevolking om hen te helpen. Zo circuleert de anekdote dat Niebuhr en von Haven hun bedoeïene gidsen moesten omkopen om hiërogliefen op grafzerken over te mogen nemen. Ook andere oriëntale stereotypes kwamen in de dagboeken van de reizigers voor, zoals over hun gidsen, die nooit écht gehaast leken, of soms zelfs ronduit weigerden steile bergen te beklimmen.

De enige reden dat de reizigers in Egypte stopten was om het Katharinaklooster aan de voet van de Sinaïberg te bezoeken. Het Oosters-orthodoxe klooster was in het bezit van oude manuscripten die von Haven wilde overkopen. Maar het probleem was dat er speciale toestemming nodig was om dat klooster te mogen betreden. Het gezelschap had in Caïro een brief gekregen van een patriarch van de Orthodoxe Kerk, maar niet van de bisschop van Sinaï. Na een lange tocht door de woestijn, mochten ze het klooster uiteindelijk niet betreden en moesten ze met lege handen terugkeren.

Dat was niet hun laatste tegenslag. Al in Egypte ging Baurenfeinds gezondheid sterk achteruit, en ook de rest van het gezelschap werd stilaan ziek terwijl ze van Caïro langs Mekka naar Jemen reisden. Vijf maanden nadat ze daar waren aangekomen, stief von Haven in Mekka. In juli 1763 overleed ook Forsskål. De vier overblijvende leden namen van Mokka (Jemen) een passagiersschip naar Bombay: onderweg stierven ook Baurenfeind en Berggren. Cramer en Niebuhr kwamen uiteindelijk veilig aan in Bombay, maar in februari 1764 overleed Cramer, waarschijnlijk aan malaria.

Ga en verzamel!

Deze expeditie wordt vandaag ook wel de Niebuhr-expeditie genoemd, naar de enige overlevende reiziger, en wordt over het algemeen als een succesvolle expeditie omschreven. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste koos Niebuhr om de reis alleen verder te zetten, en kwam hij in 1767 levend terug aan in Kopenhagen. Daarnaast verscheepte hij drie scheepsladingen aan verzameld materiaal uiteindelijk terug naar Kopenhagen.

Figuur 3: Niebuhr, Beschreibung von Arabien, 1772, 96b.

De aard van verzameld materiaal was erg divers. Uit de op voorhand opgesteld Fragen (1762) bleek dat er vooral interesse was voor de gewoontes en gebruiken van de Arabieren: hun taal, hun cultuur, hun kledij, enzovoort. Daarnaast was er een grote vraag naar oriëntale geneeskunde, vanuit het idee dat de Arabieren een geneesmiddel voor de pokken hadden. Ten slotte was er altijd wel interesse in inheemse flora, nieuwe kaarten van de Bijbelse gebieden en gravures van moskeeën en tempels.

De verzameling van de expeditie gaf een nieuwe impuls aan de vroegmoderne wetenschap. Niebuhr publiceerde ook een reisverhaal met de gravures van de schetsen van zijn reisgenoten in. De tekeningen van Baurenfeind werden zelfs in kleur uitgegeven. De grootste verdienste van de expeditie waren mogelijks de kopieën van spijkerschiftinscripties. Het is op basis van die tekeningen van Niebuhr van de inscripties in Persepolis en Rustam dat Georg Friedrich Grotefend (1775-1853) in 1802 het spijkerschrift ontcijferde. In Göttingen was de reactie van Michaelis echter terughoudend. De professor liet het materiaal aan de kant liggen en reageerde niet erg enthousiast toen Niebuhr uiteindelijk terugkeerde. Waarom hij zo teleurgesteld reageerde, blijft tot op vandaag een mysterie.

Meer lezen?

Carhart, Michael C. The Science of Culture in Enlightenment Germany. Harvard Historical Studies 159. Cambridge (Mass.): Harvard university press, 2008.

Vermeulen, Han F. Before Boas: The Genesis of Ethnography and Ethnology in the German Enlightenment. Lincoln & London: University of Nebraska Press, 2015.

Niebuhr, Carsten. Beschreibung von Arabien: Aus eigenen Beobachtungen und in Lande selbst gesammleten Nachrichten. Kopenhagen: Nicholaus Möller, 1772.

Luz Van den Bruel studeerde geschiedenis aan de KU Leuven. Momenteel werkt ze aan het FWO-project ‘Languages Writing History: the Impact of Languages Studies Beyond Linguistics (1700 – 1860)’. De studie onderzoekt een niche binnen de geschiedenis van de linguïstiek, voordat er een duidelijke afbakening van de linguïstische discipline aanwezig was, en richt zich voornamelijk op talenstudies die niet gedaan werden ten behoeve van vroeg ‘linguïstisch’ onderzoek, maar ten behoeve van kennisvergaring en de geesteswetenschappen in de breedste betekenis van het woord.

Titelafbeelding: uit Niebuhr, Carsten. ‘Beschreibung von Arabien: Aus eigenen Beobachtungen und in Lande selbst gesammleten Nachrichten’. Kopenhagen: Nicholaus Möller, 1772.

Tijdschriftannonces als het Tinder van de jaren ‘50?

Door Felix Deckx

In de maart-editie van het Vlaamse muziekblad ‘Song Parade’ uit 1958 verscheen een contactadvertentie van een ‘meisje uit het Antwerpse’. Ze beschreef zichzelf als een ‘blondine met blauwe ogen, zeer veel houdend van dans en film’. Om haar te vergezellen tijdens deze spannende uitgaansactiviteiten was ze naarstig op zoek naar een zwartharige jongeman tussen 20 en 22 jaar, die bovendien van ‘katholieke komaf’ moest zijn en als het even kon ook nog eens ‘van het slanke type’.

De laatste decennia heeft het internet de rol van de gedrukte pers als koppelaar der singles haast volledig van de kaart geveegd. Men zou in ons digitale tijdperk bijna vergeten dat vrijgezellen niet altijd terechtkonden op Tinder. Op het profiel van deze hippe datingapp kunnen gebruikers naast een serie zo imponerend mogelijke foto’s, ook hun interesses vermelden, samen met hun leeftijd, opleiding en woonplaats. Wanneer twee gebruikers elkaars profiel naar rechts ‘swipen’ ontstaat er een ‘match’ en stelt de app de potentiële tortelduiven met elkaar in contact. De lezers bij wie de Engelse terminologie reeds verwarring en onbegrip veroorzaakt, kan ik geruststellen; het achterliggende patroon is verre van nieuw en vertoont opvallende gelijkenissen met de werking van tijdschriftannonces uit vroeger tijden.

Vrijgezellenpraatjes in Song Parade

Song Parade-cover van juni 1958 met een jonge Elvis Presley

Samen met de krant zag ook de contactadvertentie het levenslicht in het midden van de zeventiende eeuw. De eerste advertenties hadden niets met de zoektocht naar een geschikte partner te maken, maar hengelden naar te koop aangeboden paarden of beschikbaar dienstpersoneel. Zeventiende-eeuwse lolbroeken zagen hier al snel de humoristische mogelijkheden van in en lieten satirische vrijgezellenadvertenties publiceren, die bol stonden van het dubbelzinnige taalgebruik. Een halve eeuw nadien verschenen in de Engelstalige pers voor het eerst ook oprechte annonces. In België kregen ze pas later voet aan de grond, maar vanaf 1900 ging het snel en groeide het fenomeen uit tot een noemenswaardig alternatief voor wanneer de openlijke zoektocht naar een geschikte wederhelft geen evidentie bleek.

Het hoogtepunt van de annonces in de jaren 1950 viel samen met het ontstaan van de eerste Vlaamse tijdschriften voor jongvolwassenen. Voor wie de ‘Kleine Zondagsvriend’ ontgroeid was, maar tegelijkertijd nog geen kaas gegeten had van ellelange Wetstraatpolemieken op broadsheetformaat, bestond er sinds 1955 ‘Song Parade’. Het populaire tijdschrift was het geesteskind van Mechelaar Jan Torfs, die in de Vlaamse markt een gat weggelegd zag voor een muziekblad met songteksten naar Amerikaans model. Specifiek doelend op een hip en jong lezerspubliek kende het tijdschrift met ‘Song Parade Praatjes’ ook een hoekje voor contactadvertenties. Antwoorden kon door een brief te schrijven naar de redactie, die deze vervolgens doorspeelde naar de eigenaar van het ‘Praatje’.

Liefde is van alle tijden …

Een fictief Tinderprofiel voor het Meisje met de parel van Vermeer (Beeld: Tinder News)

Opvallend genoeg zijn de gelijkenissen tussen de Song Parade-annonces en hedendaagse datingprofielen legio. Hoewel de inzender volledig vrij was in de samenstelling van zijn of haar advertentie, kwamen steeds dezelfde variabelen terug die we vandaag toch vooral van Tinder kennen, namelijk: leeftijd, regio, interesses en foto’s. Na een snelle blik op het actueel onderzoek blijkt bovendien dat deze variabelen door de tijd heen ook heel gelijkaardig werden ingevuld. Net als vandaag waren mannen in de jaren 1950 doorgaans op zoek naar een vrouw die even oud of iets jonger was dan zijzelf, terwijl de vrouwelijke inzenders net het omgekeerde wensten. Song Parade-vrijgezellen zagen daarnaast hun potentiële wederhelft het liefst dicht bij de eigen kerktoren wonen. Hun creativiteit ging echter wel verder dan plaatsvermeldingen genre ‘in de omgeving van …’,  vergelijkbaar met Tinders concentrische cirkels. Sommige inzenders ambieerden zo ‘een kustbewoner’, iemand ‘van Linkeroever tot Temse’ of zelfs ‘een in Duitsland gekazerneerde soldaat’.

In hun streven om zo aantrekkelijk mogelijk over te komen hanteerden de mannelijke en vrouwelijke adverteerders andere, trouwens ook nog steeds doorlevende, vormen van zelfrepresentatie. Mannen omschreven zichzelf als krachtig en capabel door te verwijzen naar hun groot gestalte, sportiviteit en risky hobby’s zoals motorrijden en zeilen. Vrouwen probeerden daarentegen zo beminnelijk mogelijk over te komen met eerder mysterieuze omschrijvingen als ‘jong’, ‘knap’ of ‘lief’. Beide geslachten typeerden hun ideale wederhelft vaak als ‘moderne muziekliefhebber’, ‘goede danser(es)’ en ‘sportieveling’, mogelijks gewoon beleefde eufemismen voor ‘niet stijf of oubollig’, ‘levenslustig’ en ‘afgetraind’.

Het oog wil natuurlijk ook wat; ook in de jaren 1950. Om het woord snel bij de daad te kunnen voegen eindigden veel annonces dan ook met: ‘foto gewenst’, al dan niet gevolgd door: ‘één terug op erewoord’. Anders dan bij Tinder werden potentiële matches dus niet zonder weerhouden blootgesteld aan elkaars meticuleus uitgekozen beeldmateriaal. De ontvanger van een door Song Parade opgestuurde zwart-witfoto was immers steeds in de mogelijkheid zijn of haar ‘erewoord’ te doorbreken bij een visuele afknapper.

… Maar tijden veranderen

Andere omschrijvingen uit de Song Parade-annonces hebben de tand des tijds niet overleefd. Verwijzingen naar ‘ernstige karakters’ en ‘deftigheid’, bijvoorbeeld, zouden vandaag zowaar op wenkbrauwengefrons kunnen rekenen. Ook aan de bezigheden van de inzenders valt op dat de wereld de voorbije zeventig jaar niet stilstond. Haast de helft van de mannelijke adverteerders omschreef zichzelf zo als dienstplichtige ‘soldaat’, al dan niet in Duitsland. Ver weg van familie en vrienden bleek een vrouwelijke pennenvriendin zo voor velen een welgekomen afleiding, met daarbovenop een genoeglijk toekomstperspectief. Ook vermeldenswaardig zijn de jonge koloniaal die een ‘ontwikkelde’ echtgenote zocht om mee naar Congo te trekken en het vlijtig naaistertje opzoek naar een globetrotter.

Een keur aan Song Parade Praatjes uit de periode 1956-1958

Betrekkelijk vrouwvriendelijk waren de meeste annonces ook niet bepaald. Een Leuvense piloot was zo op zoek naar een meisje tussen 18 en 22 jaar, die volgens hem ‘daarom geen schoonheid moest zijn’. Een ander voorbeeld is de ‘Brabantse wittekop’ die als enige criterium meegaf ‘dat hij op zoek was naar blondjes’. Ook typisch voor het tijdsgewricht is dat er geen enkele Song Parade-advertentie buiten de lijntjes van de klassieke heteroseksuele relatie lijkt te kleuren. Hoewel homoseksualiteit in onze regio’s al sinds de Franse tijd ­– 1795 om exact te zijn – gedecriminaliseerd is, lag er in de jaren 1950 nog steeds een groot maatschappelijk stigma op relaties tussen personen van hetzelfde geslacht. Maar wat dan te denken van de jongeman die een vriend zocht om mee in het Antwerpse nachtleven te duiken of hij die graag wenste te corresponderen met een bodybuilder? Deze oproepen kunnen een slimme zet zijn geweest van homoseksuele mannen om niet te veel argwaan te wekken, maar het is evengoed mogelijk dat die redenering alleen maar opgaat omdat ze bedacht is door een eenentwintigste-eeuwer …

Nu zeven decennia later zijn we in de zoektocht naar onze potentiële geliefden duidelijk opener geworden en heersen er andere verwachtingen. Op date gaan is niet meer de voorbode van een spoedig huwelijk en een koloniale functie doet vrouwenharten al lang niet meer sneller slaan. Toch heeft de tand des tijds het ideale heteroseksuele partnerbeeld uiteindelijk niet zo erg vervormd en lijkt onze huidige presentatie van ‘mannelijkheid’ of ‘vrouwelijkheid’ nog altijd schatplichtig aan patronen die al gangbaar waren in de fifties. De zogenoemde ‘Tinder-variabelen’ waren decennia eerder al vaste kost in Song Parade Praatjes en aan hun invulling is eveneens maar weinig gesleuteld. We zijn nog steeds op zoek zijn naar een partner van ongeveer dezelfde leeftijd, uit dezelfde stad of streek, met gelijkaardige interesses en een aantrekkelijk uiterlijk. Ook door de tijd heen valt over smaken niet te twisten.

Meer lezen?

Bjørn Bojesen, “Zo werkte daten vóór Tinder”, Historianet, https://historianet.nl/maatschappij/dagelijks-leven/daten-voor-tinder, 14 februari 2023.

Kasper Demeulemeester, Tussen twee werelden: hotsende, botsende, trillende jeugd, Licentiaatsthesis, Universiteit Gent, 2003.

Douglas Kenrick en Richard Keefe, “Age preferences in mates reflect sex differences in human reproductive strategies”, Behavioral and Brain Sciences 15(01), 1992.

Gordon Ingram, Isabela Enciso, Nathalia Eraso, María José García en Antonio Olivera-la Rosa, “Looking for the right swipe: Gender differences in self-presentation on Tinder profiles”, Annual Review of Cybertherapy and Telemedicine 17(10), 2019.

Felix Deckx (FWO-aspirant aan KU Leuven) voert onderzoek naar de evolutie van de behandeling, beleving en sociaal-culturele betekenis van lepra in Congo tussen 1930 en 1980. Hij is tevens mederedacteur van de blog ‘Cultuurgeschiedenis.be’ en kleinzoon van Lou Deckx, die Jan Torfs in 1956 opvolgde als hoofdredacteur van ‘Song Parade – Film Fan’. De titelafbeelding, Elviscover en Praatjescollage komen uit de eigen collectie van de auteur.

Titelafbeelding: Enkele Song Parade-coryfeeën op zwier ergens in de loop van de jaren 1950 .

De tech-boom omhakken: de representatie van wetenschapsgeschiedenis in het videospel ‘Sid Meier’s Civilization’

Door George Bailey; vertaald door Jasper Snoeys

Recent wetenschapshistorisch onderzoek benadrukt dat de vooruitgang van wetenschappelijke kennis kan worden toegeschreven aan niet-westerse gebieden, maar ook dat de westerse wetenschap sterk afhankelijk was van de kennisproductie van niet-westerse actoren. Hoewel zulke ideeën intussen doorgedrongen zijn in academische kringen, heeft deze verschuiving zich nog niet vertaald naar de publieke sfeer. Een manier om dat wel te doen, is door middel van een meer accurate historische representatie in populaire media en, bijvoorbeeld, videogames zoals Sid Meier’s Civilization.

Wortels: Sid Meier’s Civilization en geschiedenis

Met een totaal van 40 miljoen verkochte exemplaren heeft de Civilization-serie het historisch bewustzijn van heel wat mensen beïnvloed. Het uitgangspunt van het spel is eenvoudig. Je neemt de leiding over van een leider van een beschaving door de geschiedenis heen (bv. Genghis Khan en de Mongolen) en ontwikkelt die door hun territorium uit te breiden, het land te ontginnen en tegenstanders uit te roeien, om zo ‘een beschaving op te bouwen die de tand des tijds zal doorstaan’.

Dat de Civilization-reeks invloed heeft op hoe mensen geschiedenis zien, wordt enkel nog versterkt door de in het spel ingebouwde ‘Civilopedia’. Die biedt historische context voor de beschavingen, gebouwen, wonderen en leiders in het spel. Maar welke gebouwen als wonderen worden gezien, of welke beschavingen het waard zijn om te worden gespeeld en wie die beschavingen vertegenwoordigt, dat zijn allemaal beslissingen die de ontwikkelaars van het spel al dan niet bewust hebben genomen op basis van de geschiedenis, en die vervolgens dat specifieke perspectief op de geschiedenis overbrengen op de spelers van het spel.

Stam: wetenschap op een westerse manier structureren

In Civilization wordt wetenschappelijke technologie binnen een beschaving ontwikkeld door middel van een technologieboom (technology tree). De technologiebomen in de Civilization-serie (met uitzondering van de originele editie) zijn onderverdeeld in historische tijdperken. De tijdperken in deze spellen zijn: oud (ancient), klassiek (classical), middeleeuws (medieval), renaissance (renaissance), industrieel (industrial), atomair (atomic), informatie (information) en toekomst (future), met enkele veranderingen tussen de edities.

De beslissing over de op te nemen historische tijdperken benadrukt een fundamenteel westers perspectief op de geschiedenis van de wetenschap. Neem bijvoorbeeld de renaissance en de industriële tijdperken. Dat zijn wetenschappelijke bewegingen die niet alleen geworteld zijn in Eurocentrische idealen over wat wetenschap betekende, maar ook gebaseerd zijn op Europese koloniale praktijken. Door industrialisatie voor te stellen als iets waarvoor de renaissance nodig was, wordt historisch bewijs over de industrialisatie van bepaalde gebieden, zoals de porseleinproductie die in China al eeuwen voor de renaissance gaande was, vergeten. Omgekeerd negeert zo’n voorstelling dat de onvermijdelijke uitkomst van de renaissance de industriële revolutie was, de ontginning van enorme natuurlijke rijkdommen uit gekoloniseerde gebieden die de industrialisatie in Europa voedde en financierde.

Screenshot Renaissance-tijdperk: uit Civilization 5 (copyright: George Bailey/2K Games)

Takken en bladeren: het ordenen van technologie

De technologieboom heeft van nature takken. In de praktijk betekent dit dat voor het onderzoeken van bepaalde technologieën ook andere bestudeerd moeten worden. In de meeste gevallen is dat logisch: om computers te onderzoeken, is er namelijk kennis van elektriciteit nodig. Maar, door te stellen dat ‘Schrijven’ (Writing) een noodzakelijke wetenschappelijke vooruitgang is om ‘Drama en Poëzie’ (Drama and Poetry) mogelijk te maken (zoals het geval is in Civilization 5), wordt er stilzwijgend geïmpliceerd dat de mondelinge traditie van het delen van verhalen onverenigbaar is met het concept van wetenschappelijke vooruitgang, waardoor voorrang wordt gegeven aan verwesterde vormen van kennisproductie. Een ander voorbeeld is te vinden in de technologieboom van Civilization 6, waar ‘Astronavigatie’ (Celestial Navigation) wordt voorgesteld als een overbodige technologie, omdat er geen links zijn naar andere technologieën.

Ook de positie van technologie versterkt het beeld van de westerse geschiedschrijving van de wetenschap. Neem bijvoorbeeld buskruit, een technologie die in het videospel op het tijdperk van de renaissance op de technologie boom werd geplaatst, maar die al eeuwenlang door de Chinezen werd ontdekt en gebruikt voordat Westerse wetenschappers en militairen dat deden. Daarnaast komen wetenschappelijke concepten zoals astronomie, natuurkunde en scheikunde in het videospel aan bod op basis van het moment dat deze technologieën werden opgenomen in het westerse wetenschappelijke model, waarbij Zuid-Aziatische, Oost-Aziatische en Noord-Afrikaanse wetenschappelijke gemeenschappen, die delen van deze technologieën ruim voor hun westerse tegenhangers ontwikkelden, worden overgeslagen. Door bepaalde technologieën in bepaalde tijdperken en paden te plaatsen, kiezen de Civilization-spellen er expliciet voor om een westerse wetenschapsgeschiedenis te vertellen.

Screenshot klassiek-tijdperk: uit Civilization 5 (copyright: George Bailey/2K Games)

Nieuwe groei: een polycentrische wetenschapsgeschiedenis

Tot slot is zelfs de metafoor van de boom om wetenschappelijke vooruitgang weer te geven, gebaseerd op de structuur van westerse bomen. De banyanboom, een plant die in heel Azië voorkomt, staat erom bekend dat hij meerdere verschillende stammen heeft. Als de Civilization-serie deze polycentrische theorie zou integreren in de manier waarop technologieën worden gepresenteerd en met elkaar in verband worden gebracht, zouden ze een minder westers georiënteerde kijk op de geschiedenis van de wetenschap kunnen bieden. Bovendien zou een sterkere nadruk op de interacties met andere beschavingen dan een nauwkeuriger beeld geven van de wetenschapsgeschiedenis, waarbij ideeën en expertises van verschillende groepen allemaal een rol speelden in de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis.

Kleine stappen zijn al wel gezet voor het ontwerpen van zulke videogames. In Civilization 6 wordt zo namelijk erkend dat de omgeving een belangrijke factor is in de geschiedenis van de wetenschap door middel van het Eureka-systeem, dat technologieën versnelde als aan een criterium werd voldaan (iemand die zich aan de kust vestigt, zal bijvoorbeeld makkelijker leren zeilen). Dit is het vermelden waard, omdat het niet alleen de geschiedenis in het algemeen beter weergeeft, maar Sid Meier’s Civilization ook veel interessanter en leuker maakt om te spelen. Een echte win-winsituatie.

Meer lezen?

Ganeri, Jonardon. ‘Well-Ordered Science and Indian Epistemic Cultures: Toward a Polycentered History of Science.’ Isis, vol. 104, no. 2, 2013, pp. 348–59. JSTOR, DOI: 10.1086/670953. Laatst geraadpleegd op 6 december 2023.

Chapman, Adam. ‘Is Sid Meier’s Civilization history?’, Rethinking History, Vol 17, no. 3, 2013, pp.312-332, DOI: 10.1080/13642529.2013.774719. Laatst geraadpleegd op 6 december 2023.

Poskett, James. Horizons: A Global History of Science, Viking, 2022

George Bailey behaalde een masteropleiding in Global and Comparative History aan de University of Warwick in 2022. Op dit moment is hij lid van het ERC-project ‘Global Academies’ aan KU Leuven. Hij verricht doctoraatsonderzoek naar de omgang van Indiase wetenschappelijke genootschappen met de globalisering van het wetenschappelijke veld tussen ca. 1930 en ca. 1990.

Titelafbeelding: Sceenshot van Civilization 6 (‘Celestial’) (copyright: George Bailey/2K Games).