Pornografen zonder grenzen

Gastblog door Leon Janssens.

In 2019 kondigde de Britse regering aan dat iedereen die een pornowebsite bezocht vanuit het Verenigd Koninkrijk vanaf 15 juli 2020 zijn leeftijd zou moeten bewijzen. Die wetgeving was erg onpopulair en technisch gezien een huzarenstukje. Aan de hand van een VPN (Virtual Private Network) kunnen internetgebruikers digitale landsgrenzen immers eenvoudig omzeilen. Uiteindelijk werd de regelgeving afgevoerd nog voor ze in werking trad.

Ook in de negentiende eeuw zorgden technologische ontwikkelingen ervoor dat pornografen (en hun producten) in steeds grotere getalen landsgrenzen overstaken. Deze internationalisering van de porno-industrie stelde het toenmalige politieke bestel voor een groot probleem. In de meeste Europese landen bestond er namelijk een verbod op het produceren, verspreiden of tentoonstellen van pornografie.

De vervolgingsproblematiek

Dergelijke ‘studiofoto’s’ waren in trek omstreeks 1900 (A young woman, posing naked in a photographic studio, ca. 1900. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Op 19 oktober 1912 vielen politieagenten de krantenwinkel van Jean Baptiste binnen in het station van Hollerich in Luxemburg. Ze slaagden erin een ‘aanzienlijke hoeveelheid’ foto’s met ‘volledig naakte’ mannen en vrouwen in ‘smerige losbandige houdingen’ in beslag te nemen. Jean bekende. Hij had wel ‘meer’ van dit soort ‘pornografische producten’ verkocht. Deze foto’s had hij in september van een onbekende gekocht die in het gezelschap was van Peter Hackmann, een Belg die een postkaartenfabriek uitbaatte in Luxemburg. De politie deed een huiszoeking bij Peter. Ze vonden geen foto’s, maar ze konden wel een verklaring lospeuteren bij Peters vrouw Clara. Zij vertelde dat de onbekende man die Jean beschreef haar schoonbroer was: Gerard Hackmann. Hij was fotograaf in België en had haar en haar man ‘toevertrouwd’ dat hij ‘in functie’ van zijn beroep ‘soms’ zulke foto’s maakte die hij dan aan ‘gunstige prijzen’ kon doorverkopen.

In de periode voor 1910 zou het onderzoek hier waarschijnlijk zijn gestopt. Het was moeilijk om producenten van pornografisch materiaal te vervolgen wanneer die in een ander land woonden. Dat probleem werd vaak besproken op congressen over pornografie. Zo stelde de Belgische vertegenwoordiger op het Congrès contre la mauvaise littérature in 1893 dat: ‘de slechte boeken die gemaakt worden in België bijna allemaal bedoeld zijn voor de export’. Het probleem werd erg scherp geformuleerd op een ander congres in 1908: ‘De handel [in pornografie] is internationaal, juist om de vervolgingen, huiszoekingen en inbeslagnames te voorkomen die het gevolg zouden zijn als het [de handel] nationaal zou zijn’. Er moest dus een internationale oplossing komen om het pornoprobleem aan te pakken.

Oorlog aan den pornografie

Op 4 mei 1910 ondertekende België samen met de Verenigde Staten, Brazilië, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg het ‘akkoord voor de onderdrukking van de circulatie van obscene publicaties’. Een van de afspraken was dat er een betere samenwerking moest komen tussen de gerechtelijke instanties van de deelnemende landen. Voor de fotograaf Gerard was deze samenwerking slecht nieuws; nog geen week na de inval bij Jean stond de Luxemburgse onderzoeksrechter in contact met de procureur-generaal van Arlon. Die liet Gerard op 31 oktober 1912 arresteren en ondervragen door de politiecommissaris van Athus.

Ook suggestieve postkaarten gaven aanleiding tot verontwaardiging, inbeslagnames en gerechtelijk onderzoek (Archives départementales de la Haute-Vienne, Europeana, CC BY-SA).

De haast en de ernst in deze zaak doen vermoeden dat er toch iets meer aan de hand was dan ‘soms eens’ wat foto’s zoals Gerard beweerd had. Wat bleek? De vader van Gerard en Peter, Johan Hackmann, was douanier te Athus. Met een douanier als vader, een fotograaf als zoon en een andere zoon met een drukkerij net over de grens was dit misschien een extra verdachte familie voor het Belgische gerecht. Kneep vader Hackmann een oogje dicht wanneer zijn zoon de grens overstak met een koffer vol pornografische foto’s? Of was het een goed georganiseerd familiebedrijf?

We zullen het nooit weten. Wat we wel weten is dat pornografen moeilijker hun gang konden gaan na het akkoord van mei 1910. De communicatie tussen de verantwoordelijke diensten van verschillende landen nam sterk toe. Er werden lijsten uitgewisseld met potentiële verdachten, verdachte post uit het buitenland werd geanalyseerd en het verblijf van verdachte Belgen in het buitenland werd nauwlettend in de gaten gehouden. Al deze nieuwe maatregelen konden echter niet helpen bij het vervolgen van Gerard. Bij zijn arrestatie ontkende hij alle feiten en er werd uiteindelijk geen belastend materiaal gevonden. In november van 1910 besloot de procureur des Konings dat er onvoldoende belastend materiaal was om Gerard te vervolgen.

Omwille van de gevoeligheid van dit thema werd er gekozen om alle betrokkenen een pseudoniem te geven.

Meer lezen?

Annie Stora-Lamarre, L’enfer de la IIIe République: censeurs et pornographes 1881-1914, Paris: Imago, 1990.

Leon Janssens is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de angst voor pornografie op het einde van de negentiende eeuw.

Vijf voor twaalf voor het moedertaalonderwijs?

Wanneer de media over het taalgevoel van onze jeugd spreken, is dat zelden om goed nieuws te melden. In kranten verschijnen met de regelmaat van de klok alarmerende berichten die ons moeten overtuigen van het feit dat het taalniveau van Vlaamse leerlingen en studenten in vrije val is: hun leesbegrip is ondermaats, hun woordenschat ontoereikend en hun schrijftalent belabberd. Uit onderzoeken blijkt overigens een achteruitgang ten opzichte van enkele jaren geleden.

Welke verantwoordelijkheid draagt het vak Nederlands? De tweedeling tussen kennis en taalvaardigheid in dat vak was altijd al een moeilijke evenwichtsoefening. Want wat primeert? Heeft het vak Nederlands vooral een maatschappelijke functie en moet het vak in de eerste plaats leerlingen functioneel geletterd maken? Of draait het uiteindelijk vooral om hogere, belangelozere doelen: het creatief uitdagen van jongeren en hun kritische zin, taalgevoel en een ruime culturele bagage meegeven? Met andere woorden: is Nederlands in de eerste plaats een praktisch of een humanistisch vak?

Vondel of vaardigheid?

Een lesfoto uit 1958 (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

Wie de geschiedenis van het schoolvak Nederlands bekijkt, merkt op dat dit vraagstuk leerkrachten, didactici en onderwijsverstrekkers al langer heeft beziggehouden. Een zeventienjarige die in de jaren 1950 op de schoolbanken zat, kreeg in de lessen Nederlands vooral literatuur te verwerken. Hij las een toneelstuk van Vondel, leerde gedichten uit het hoofd om nadien voor te dragen en schreef stilistisch fraaie opstellen over zijn zielenroerselen. Zakelijke teksten kreeg hij slechts bij uitzondering te lezen.

Wanneer er dan toch taalvaardigheidslessen gegeven werden, stonden die in het teken van het Algemeen Beschaafd Nederlands. In de jaren ’50, ’60 en ’70 draaide de ABN-campagne op volle toeren. De dialecten stonden destijds nog stevig in hun schoenen en met het Standaardnederlands, de geadopteerde eenheidstaal uit Nederland, waren slechts weinigen echt vertrouwd. Taaltuiniers — zoals ze zich vaak noemden — kweten zich van de ondankbare taak om het talig onkruid uit de mond van de Vlaming te wieden. Ze deden dat op de radio, op tv, in de krant en dus ook op school. Leerkrachten Nederlands leerden hun leerlingen een klankzuivere aa te maken, wezen hen op het gevaar van gallicismen en brachten hen bij dat je niet kleedje, maar jurkje hoorde te zeggen.

Een ABN-spreektoernooi medio jaren 1960 (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

In tegenstelling tot toen overheerst bij de beleidsmakers van vandaag een communicatieve visie op het vak. De kering is ingezet in de jaren ‘70 met het zogenaamde vernieuwd secundair onderwijs (vso) dat scholen nadrukkelijker de opdracht gaf om hun leerlingenpopulatie op maatschappelijk functioneren voor te bereiden. Kunnen werd belangrijker dan kennen en een leraargerichte aanpak werd ingeruild voor een leerlinggerichte pedagogie.

Sindsdien staat in de lessen Nederlands het opkrikken van de taalbeheersing centraal – een streven dat bovendien breder wordt opgevat dan de ABN-campagne uit het verleden. Dit betekent dat er grote aandacht uitgaat naar het schrijf- en spreekproces, dat er veel tijdschriftartikels gelezen worden en dat luistervaardigheid expliciet getraind wordt — allemaal zaken die in het jaarplan van de jaren ’50 ontbraken. De doelstellingen literatuur zijn in het huidige leerplan dan weer gereduceerd tot een viertal zeer open geformuleerde verwachtingen die — mochten leerkrachten dat willen — gerust in een week ingelost zouden kunnen worden.

De historicus in een actueel debat

Het is natuurlijk opmerkelijk dat onheilspellende berichten over een dalende taalvaardigheid zo luid weerklinken wanneer leerkrachten Nederlands er net meer aandacht aan geven. Wat is er vandaag precies aan de hand?

Een speelplaats uit de jaren 1960 met het opschrift “Spreek beschaafd” (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

De geschiedenis kan helpen bij het vinden van een (deel van het) antwoord. Zo speelt vermoedelijk de democratisering van het onderwijs een rol. Secundair onderwijs was lang voorbehouden voor een minderheid van de bevolking. Tot in de jaren ’80 waren Vlaamse kinderen slechts leerplichtig tot aan hun veertiende. Toch hadden de middelbare scholen na de Tweede Wereldoorlog steeds meer aantrek. Vanaf 1959 werden inschrijvingsgelden afgeschaft, wat uiteraard drempelverlagend werkte. Door de bredere instroom werden scholen bijgevolg meer en meer geconfronteerd met een publiek waarvan de thuisomgeving minder intellectueel en taalrijk was dan voorheen.

Kennis van het verleden biedt ons in dit boeiende en belangrijke debat bovendien ook de nodige relativering. Al in 1959 werd in een vaktijdschrift voor neerlandici geklaagd over de spreek- en schrijfvaardigheid van de jeugd. In 1986 organiseerde de Nederlandse Taalunie een conferentie met de veelzeggende titel “Het moedertaalonderwijs: vijf voor twaalf?”. Bij eenentwintigste-eeuwse leerkrachten met een horloge breekt ondertussen allicht blinde paniek uit. Uiteraard spelen vandaag de nieuwe media een bijkomende rol. In publicaties worden zij vaak als de oorzaak van een dalend concentratievermogen en taalgevoel aangewezen. Dat we zelfs dat al eerder hebben gehoord, blijkt uit dit citaat van 1941:

“Hoeveel is er bovendien niet, dat de leerlingen van hun dagelijkse arbeid aftrekt. De knop van de radio ligt zo dicht binnen hun bereik en verschaft zulk een gemakkelijk genot, dat het leerboek maar al te gaarne ter zijde gelegd wordt.”

Dries Cromheecke was in het academiejaar 2019-2020 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schreef een masterproef over de evoluties in leerinhouden en didactiek in het vak Nederlands sinds 1945.

Titelafbeelding: een foto van twee leerlingen in een schoolbib in het schooljaar 1985-1986 (archief van het Sint-Lievenscollege te Antwerpen).

5 coronatips van Andreas Stynen

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Het einde van de zomer vieren we met de tips van Andreas Stynen.

1 Boek: The Nickel boys van Colson Whitehead

Corona beheerste de verslaggeving dit jaar, maar 2020 wordt ook getekend door Black Lives Matter. Structureel racisme en geweld vormen het leitmotiv in de met een Pulitzer bekroonde roman The Nickel boys. Protagonist Elwood Curtis, een jongeman die al zijn hoop op de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King vestigt, ziet zijn droom van universitaire studies uit elkaar spatten wanneer hij naar de Nickel Academy wordt gestuurd: een tuchtschool waar directie, leerkrachten en opzieners willekeurige agressie inzetten om de jongeren te kraken. Zwart of wit, geen enkele jongen wordt ontzien. Maar voor de zwarte leerlingen gaat de gruwel nog net een stap verder. Het verhaal van The Nickel boys is weliswaar fictie, de roman is op een pijnlijke waarheid gebaseerd: in 2013 werden in Florida op de gronden van de vroegere Dozier School for Boys tientallen lijken opgegraven, met sporen van zware verminking. Colson Whiteheads boek grijpt naar de keel en laat de lezer helemaal ontredderd achter.

2 Muziek: Debussy – Rameau van Víkingur Ólafsson

In zijn nog jonge carrière heeft de IJslandse pianist Víkingur Ólafsson al vele genres verkend. Opnames van onder meer Franz Schubert, Philip Glass en zeker Johann Sebastian Bach leverden hem heel wat lof op. Zijn zeer transparante én warme pianospel trekt hij door op Debussy – Rameau, een zowel muzikaal als historisch intrigerende plaat. Ólafsson brengt er twee baanbrekende Franse componisten met elkaar in dialoog. Aan de ene kant is er Jean-Philippe Rameau, de barokke grootmeester wiens Traité de l’harmonie (1722) de theoretische regels doorgrondde die veel muziek tot op vandaag vormt; aan de andere kant – en twee eeuwen later – is er Claude Debussy, die ondanks een grote bewondering voor Rameau verwoede pogingen deed om de muziek op nieuwe, vaak bewust vervreemdende sporen te zetten. In Ólafssons erg doordachte opeenvolging van composities worden beide componisten haast tijdgenoten van elkaar en klinken onvermoede echo’s en verbanden.

3 Televisie: Babylon Berlin

Twee afleveringen ver in Babylon Berlin: tijdens een bezwerend nummer van een androgyne performer gaat een uitzinnige menigte uit de bol in de Berlijnse nachtclub Moka Efti, terwijl danseressen in bananenrokjes (en de drummer van The Bad Seeds) het publiek verder opzwepen. Wie een traag opgebouwde politieke serie over het einde van de Weimarrepubliek verwacht, is eraan voor de moeite. Het Duitse Babylon Berlin is een intense, erg fysieke reeks die tastbaar maakt op wat voor vulkaan de Duitse samenleving anno 1929 danste. Aanvallen van links en rechts brengen alle zekerheden aan het wankelen en letterlijk tientallen personages proberen zich, met wisselend succes, in de oplopende politieke en sociale spanningen staande te houden. Snedig en bij moment oogverblindend in beeld gebracht, doet het eerste (dubbele) seizoen mij reikhalzend uitkijken naar het vervolg.

4 Fietsen langs het Antitankkanaal

Halfweg de negentiende eeuw werd Antwerpen tot réduit national ‘gepromoveerd’: de stad werd een zwaar beveiligd bolwerk waar de Belgische overheid en het leger zich bij een invasie konden terugtrekken en standhouden. Deze strategie was niet alleen omstreden maar bleek na de Duitse inval in augustus 1914 ook een mislukking: ondanks een dubbele fortengordel werd de slag om Antwerpen verloren. Eind jaren 1930 werd daarom een 33 kilometer lange en 6 meter brede gracht gegraven, in een kwart cirkel van Massenhoven tot Berendrecht. Doel: de opmars van vijandelijke tanks naar de havenstad stoppen. Dit Antitankkanaal zou zijn militaire belofte evenmin waarmaken. Maar het leverde de regio ten noordoosten van Antwerpen wel een groene ader op: het voorziene Duwvaartkanaal werd nooit gerealiseerd en is intussen afgevoerd, zodat de waterloop een rol als langgerekt natuurverbindingsgebied kan vervullen. Als kind ging ik er vaak fietsen en in de coronamaanden herontdekte ik de paden langs de gracht, eveneens uitstekend terrein om te wandelen, lopen en mountainbiken. Ecologisch beheer levert er mooie resultaten op en de vele (sluis)bunkers bleken ideaal om tijdens de lockdown de klauter- en springtechnieken van mijn kinderen te onderhouden.

5 Guilty pleasure: 7 Wonders

De wondere wereld van 7 wonders (CC BY-NC-SA 3.0).

Over kinderen gesproken: de sluiting van de scholen was het startschot om haast dagelijks een bordspel uit de kast te halen. Na enkele weken was er geen twijfel meer over de favoriet: 7 Wonders. Elke speler bouwt een stad uit en dat zadelt haar of hem drie tijdperken lang met keuzestress op. Commerciële of civiele gebouwen optrekken? In militaire of wetenschappelijke infrastructuur investeren? Zelf punten scoren of toch maar de medespelers een hak zetten? Uitbreidingen voegen onder meer leidersfiguren, vloten en collectieve projecten toe en laten de mogelijkheden nog exponentieel groeien. Vele uren pleasure, dat is duidelijk. Maar guilty? Alles bij elkaar misschien enkele seconden – mijn competitiedrang houdt weinig rekening met leeftijd…

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Kaat Wils

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Kaat Wils.

1 Boek: De Toverberg van Thomas Mann

De toverberg (CC BY 3.0).

Thomas Manns De Toverberg (1924) lag al twee jaar te wachten om gelezen te worden. Nu Corona uitbrak, was er geen excuus meer. Voor wie vermoeid of uitgeblust geraakt door de discussies onder medisch historici over de vraag of we nu een intensivering dan wel een transformatie van het ‘medisch regime’ doormaken, biedt het boek uitkomst: samen met hoofdpersoon Hans Castorp kan je je zeven jaar terugtrekken in het sanatorium van Davos. Het boek mag dan een satire zijn op het sanatoriumleven aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, het is toch vooral een ‘innerlijk portret van een tijdperk’, zoals Mann het zelf noemde. En een even leesbare als beklijvende reflectie op de ervaringen van tijd en tijdloosheid, ziekte en dood.

Voor wie na 900 pagina’s lectuur verweesd achterblijft, biedt de uitgave van De Arbeiderspers een extraatje in de vorm van een lezing die Mann over het boek gaf op uitnodiging van de universiteit van Princeton. En voor wie zoals ik schrijft aan een boek dat maar niet lijkt op te schieten, biedt deze lezing onverwacht een vorm van troost: ‘De onderschatting van een project is misschien niet alleen bij mij een telkens terugkerende ervaring. […] Het zal hier wel gaan om een noodzakelijk productief zelfbedrog. Als je je van tevoren bewust bent van alle mogelijkheden en moeilijkheden van een werk en zijn eigen wil kent, die maar al te vaak heel erg verschilt van die van de schrijver, zou je je armen in je schoot leggen en niet eens de moed hebben eraan te beginnen. Een werk heeft in sommige gevallen zijn eigen ambities, die die van de schrijver ver kunnen overtreffen, en dat is maar goed ook.’

2 Muziek: corona-concertjes

Na meer dan 80 corona-concertjes met een schare buurtbewoners in het lokale woonzorgcentrum is mijn kennis van (en soms ook appreciatie voor) de Vlaamse schlager significant toegenomen. Ook de anderstalige nummers uit ons dagelijks groeiend repertoire gaven gaandeweg hun geheimen prijs. Zo bleek Leonard Cohen’s Halleluja een stuk minder devoot dan het leek op basis van de parochiale ijver waarmee het telkens opnieuw door jong en oud werd gezongen.

Ook Joan Baez’ vrolijk klinkende Donna Donna over een kalfje dat niet wil geslacht worden, bleek minder lichtvoetig dan de melodie doet uitschijnen. De versie die Baez in 1960 opnam, gaat terug op een populair lied in het Jiddisch uit de Tweede Wereldoorlog, gecomponeerd door de Oekraïens-Joodse, naar de VS geëmigreerde componist Sholom Secunda. Het verhaal over het kalf dat naar de slachtbank wordt geleid, verwijst uiteraard naar het lot van de Joden in Duitsland en Centraal-Europa. In de Engelse vertaling uit de jaren 1950 werd het lied – explicieter dan in de oorspronkelijke tekst – een ode aan de vrijheid in gevangenschap, de durf om het eigen tragische lot te overstijgen: ‘Stop complaining, said the farmer/Who told you a calf to be/Why don’t you have wings to fly away/Like the swallow so proud and free? […] But whoever treasures freedom/Like the swallow has learned to fly.’ Een lichtvoetige meezinger zal het voor mij nooit meer worden. Mooi blijft het lied gelukkig wel.

3 Wandeling: van Wijgmaal naar Wakkerzeel

Wijgmaal (©Jeroen Vanstiphout).

Corona opende voor mij geen nieuwe wandel- of fietshorizonten. Het ging veeleer om een herhaling van zetten. Zo kan ik eenieder een cultuurhistorisch looptochtje van Wijgmaal via Rotselaar naar Wakkerzeel aanbevelen. Je vertrekt vanuit een 19de-eeuws industrieel dorp dat alle sporen draagt van de liberaal-paternalistische bouwijver van de lokale industrieel en politicus Edouard Rémy. Je doorkruist het door Natuurpunt onderhouden Wijgmaalbroek, loopt langs een kleine herdenkingssite voor de meer dan 300 doden bij de ‘Slag aan de Molen’ van 12 september 1914 en werpt een blik op de huidige molen, tevens decor van de ‘Withoeve’ in de VRT-serie Thuis. Je loopt voorbij enkele boerderijen en allerhande verkavelingsschoon en komt aan in Wakkerzeel. Bij het zien van de kerk en vooral de prachtige Norbertijnenpastorie waan je je even in de 18de eeuw. Spaar wel wat energie voor de terugweg. Zodra de ‘skyline waterline’ van Wijgmaal opduikt, concludeer je dat de (lange) 19de eeuw het toch duidelijk haalt van de 18de eeuw.

4 Film of televisiereeks: I Am Not Your Negro van Raoul Peck

Zoals zovelen keek ik naar aanleiding van de moord op George Floyd en de Black Lifes Matter beweging naar I Am Not Your Negro, Raoul Pecks documentaire over James Baldwin uit 2016. Het is een indringend, scherp maar ook poëtisch portret van de welbespraakte Baldwin en diens genadeloze analyse van de diepgewortelde anti-zwarte reflexen in de Amerikaanse politiek en cultuur. De film blijft dicht bij Baldwins eigen stem en diens herinneringen aan zijn drie vermoorde vrienden en burgerrechtenactivisten Medgar Evers, Malcolm X en Martin Luther King.

Terecht werd opgemerkt dat het vreemd is dat Baldwins homoseksualiteit – die heel wat spot en haat opwekte, ook binnen de burgerrechtenbeweging – nauwelijks aan bod komt. De moeilijke verhouding van een succesvolle zwarte Amerikaanse met de burgerrechtenbeweging was overigens ook een van de thema’s van de documentaire Josephine Baker: the story of an awakening die Canvas in dezelfde periode uitzond. Ilana Navaro’s film toont hoeveel rijker en moeilijker het leven van Baker was dan wat de exotiserende mythe over de dansende celebrity ervan heeft gemaakt. En hoe Black Lifes Matter ook over gender en seksualiteit moet gaan.

5 Guilty pleasure: smakelijke gerechten

Hoofdzakelijk van culinaire aard. Recepten verkrijgbaar op aanvraag.

Kaat wils is gewoon hoogleraar aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de onderwijsgeschiedenis en de geschiedenis van gender en lichamelijkheid. Momenteel schrijft ze een boek over de geschiedenis van hypnose in België.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Nelleke Teughels

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Nelleke Teughels.

1 Boek: The man in the red coat – Julian Barnes

Julian Barnes (CC BY-SA 4.0).

In deze rijk geïllustreerde, onconventionele biografie neemt auteur Julian Barnes het portret van de gerenommeerd gynaecoloog en dokter van de beau monde Samuel Jean Pozzi als vertrekpunt voor een reis doorheen het wijdvertakte netwerk van Pozzi’s vrienden, kennissen, zijn critici en zijn aanbidders, en hun vrienden en kennissen. Op die manier meandert zijn verhaal langs de spilfiguren van de Belle Époque in Europa en de Nieuwe Wereld. Oscar Wilde, Alfred Dreyfus, Edgar Degas, Auguste Rodin, Sarah Bernhardt en Will en Charlie Mayo (oprichters van de Mayo Clinic) zijn maar enkele van de namen die de revue passeren. Hoewel het portret, geschilderd door John Singer Sargent, de titel Dr Pozzi at home draagt, wordt al snel duidelijk dat de dokter daar in de praktijk maar weinig tijd doorbracht. Geen belangrijke gebeurtenis in die ‘verre, decadente, hectische, gewelddadige, narcistische en neurotische Belle Époque’, of Pozzi was erbij. Via deze panoramische blik geeft dit fascinerende werk je het idee alsof je het allemaal zelf beleefde. Ook is het doorspekt met kritisch meta-commentaar over de beperkingen waarmee een auteur geconfronteerd wordt bij het onderzoek naar het verleden.

2 Muziek: Charlotte de Witte at Kompass Ghent 2020 (Lockdown Session)

Geen volwaardig alternatief voor een nachtje stappen, maar volledig los gehen in de huiskamer helpt zeker en vast om wat stress van je af te schudden. Dat schoenen optioneel zijn – het danst echt veel lekkerder op blote voeten – en je het evengoed in je pyjama kan doen vind ik persoonlijk ook fijne voordelen van het huiskamerclubben.

Charlotte de Wittes lockdown session, vanuit een verlaten club Kompass in Gent, is de perfecte soundtrack om het weekend stevig in te zetten. De uitgepuurde technobeats zijn ideaal om je spieren op los te maken, je demonen uit te drijven en de wereld om je heen te vergeten.

3 Wandeling: de ‘koninklijke wandeling’ door het arboretum van Tervuren

Arboretum (CC BY 3.0).

Het geografisch ingerichte arboretum in het Kapucijnenbos, aan de rand van het Zoniënwoud in de gemeenten van Tervuren en Jezus-Eik werd in 1902 aangelegd op verzoek van Leopold II. Professor Charles Brommer, conservator van de Rijksplantentuin in Meise en hoogleraar aan de Université Libre de Bruxelles kreeg de leiding over het project. Het arboretum werd in de daaropvolgende jaren sterk uitgebreid en is vandaag ongeveer 100 hectare groot. Waar de aanplantingen in ‘traditionele’ arboreta doorgaans geordend worden volgens geslachten en soorten, werd het geografisch arboretum van Tervuren volgens geografische gebieden aangelegd. Het herbergt 460 verschillende boomsoorten, waarvan het merendeel bomen die typisch zijn voor de gematigde klimaten van het noordelijke halfrond (Nieuwe Wereld, Europa en Azië). Oorspronkelijk maakte het domein deel uit van de Koninklijke Schenking, maar nu kan je als bezoeker in het vorstelijke voetspoor treden op de Koninklijke Wandeling, die zo’n 7,5km lang is.

Mij vielen tijdens een eerste bezoek vooral de slangendennen (Araucaria) op, een boomsoort die ook bekend staat als Apenpuzzelbomen omdat hun scherpe schubachtige naalden het quasi onmogelijk maken voor apen om ze te beklimmen. Ik kende ze alleen van de opgeschoten exemplaren die Vlaamse voortuintjes, aangelegd in de jaren 70 en bevroren in de tijd, sieren. In combinatie met het gekleurde grind dat het onkruid moet weghouden, getuigen ze daar vooral van twijfelachtige smaak of regelrechte kitsch. Maar wie ze in het arboretum in groepjes van wisselende en soms imposante grootte samen ziet, beseft meteen dat de Araucaria een levend fossiel is. De nu zo vreemd aandoende bladeren waren ooit het voedsel voor plantenetende dinosauriërs. Even indrukwekkend zijn de mammoetbomen of reuzensequoia’s, die tot meer dan 45 meter hoog boven je uittorenen.

4 Tekenfilmreeks: She-Ra

In 1985 lanceerde speelgoedproducent Mattel de tekenfilmreeks She-Ra, Princess of Power, met als voornaamste doel het verkopen van de bijhorende merchandise. (Studio 100 heeft in dat opzicht niet het warm water uitgevonden.) In 2018 lanceerde Netflix een reboot van de serie onder de naam She-Ra and the Princesses of Power. Het verhaal belicht de strijd tussen de magische prinsessen van het rijk Etheria met de invallende Horde, een strijd die uiteindelijk over het lot van het gehele universum zal beslissen. Anders dan het origineel uit 1985 is elk van de 5 seizoenen grappig, intelligent opgebouwd en emotioneel diepgaand. Alle vrouwelijke karakters – die de hoofdmoot van de cast uitmaken – zijn emotioneel complex, hebben hun eigen imperfecties en maken een echte evolutie door doorheen de seizoenen. Die complexiteit beperkt zich niet tot de held(inn)en. Ook de slechteriken hebben rijke achtergrondverhalen, zodat je ook voor hen enige sympathie of op zijn minst begrip kan opbrengen. De reeks heeft empathie voor de omstandigheden die mensen dwingen om slechte morele keuzes te maken, zonder de consequenties daarvan te verbloemen.

Bovendien is She-Ra bijzonder inclusief: niet alleen is er een grote variatie wat betreft de lichaamsbouw en huidskleur van de personages, geen enkele reeks die (ook) mikt op kinderen en jongvolwassenen ging verder in queer representatie. In She-Ra zien we volwaardige liefdesrelaties en verliefdheid tussen vrouwen, een hoofdpersonage dat opgevoed wordt door twee vaders en een non-binair karakter aan wie non-binaire acteur Jacob Tobia hun stem leent. Het mooie is dat de auteur van de reeks, Noelle Stevenson, dit allemaal weet te normaliseren; ze blijft ver weg van een drammerige toon of vlakke stereotypen.

5 Guilty Pleasure: Optyfen met eenden

Het Nederlandse Twitteraccount ‘Optyfen met Eenden’ (@sayNo2Ducks) zet zich al jarenlang geheel belangeloos in om een serieuze problematiek aan de kaak te stellen: eenden moeten dringend het land uit: “ja hoor zodra er een beetje #sneeuw valt vliegen die laffe tyfuseenden naar warmere oorden maar wanneer het weer #lente is komen ze met hangende pootjes weer terug om te profiteren van onze nederlandse gastvrijheid en we staan het nog toe ook nederland is gek geworden”. Hij doet regelmatig oproepen om dit prangende probleem eindelijk op de politieke agenda te krijgen: “okee dus als je echt van nederland houdt dan tweet je de hashtag #2020eendvrij hopelijk wordt hij dan trending en krijgen we eindelijk aandacht van de politiek”.

Twitter wordt, zoals de rest van het internet, vaak misbruikt voor het verspreiden van haatdragende boodschappen, fake news of het uiten van al dan niet terechte frustraties. Martijn van Hoek, de man achter het account, besloot zich, bij het doorwaden van alle bagger op het medium, in te zetten voor een betere wereld door zich voor te doen als een, zoals hij het zelf omschrijft, “totaal van de realiteit losgeraakte stumper die een zondebok heeft gevonden voor alles dat mis is aan zijn leven: eenden. Waarom eenden? Geen idee joh.” Met zijn Twitteraccount, dat intussen meer dan 19 000 volgers telt en waarop hij dagelijks filmpjes, tekeningen en andere eend-gerelateerde ongein post, houdt hij onze verzuurde en gefrustreerde medemens op hilarische en absurde wijze een spiegel voor of laat hij de rest van ons in elk geval schaterlachen.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Tom Verschaffel

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Tom Verschaffel.

1 Boek: Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur van Orlando Figes

Orlando Figes (CC BY 3.0).

Overal in Europa worden Chopin en Brahms als grote en belangrijke componisten beschouwd, Dickens en Flaubert als grote schrijvers, Delacroix en Van Gogh als grote kunstenaars. In Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur (2019) vertelt Orlando Figes het verhaal van hoe dat gekomen is. Dat hangt hij op aan drie bijzondere figuren die nauw met elkaar verbonden waren: de Russische schrijver Ivan Toergenjev en het koppel waarmee hij zijn leven verbonden heeft, Pauline Viardot, een beroemde zangeres en componiste, en haar man Louis, kunsthistoricus, criticus en schrijver. Of Figes’ démarche helemaal geslaagd en overtuigend is, laat ik hier in het midden, maar zijn dikke boek vind ik in elk geval heerlijke lectuur. Omdat het zoveel aspecten van het culturele leven in de negentiende eeuw beschrijft. En omdat ik al meer dan dertig jaar een voorliefde heb voor Toergenjev en Viardot (ik was een hele tijd lid van de Association des amis d’Ivan Tourgueniev, Pauline Viardot et Maria Malibran). En omdat mijn favoriete Belgische schilder Alfred Stevens (heel even) in Europeanen opduikt.

2 Muziekalbum: Diana Jones, My remembrance of you

My remembrance of you (2006) van de Amerikaanse singer-songwriter Diana Jones. Dat ze zo weinig bekend is, is volkomen onbegrijpelijk, maar heeft het voordeel dat haar concerten klein en intiem zijn. Ik vind haar geweldig, en lees ook op Facebook met instemming haar commentaren op de Amerikaanse politiek. Favoriete tracks van dit album: All my money on you en A hold on me.

3 Wandeling: Lucca en Vigevano

Piazza Ducale met de gevel van de kathedraal (CC BY-SA 3.0).

Favoriete wandelingen als die over de stadsmuren van Lucca, de hele stad rond, van het centrale plein van Santa Fiora naar beneden tot aan Pescheria, of van de Locanda San Bernardo naar de Piazza Ducale van Vigevano, één van de mooiste pleinen ter wereld en gewoonlijk mijn eerste stop op Italiaanse bodem, zitten er dit jaar niet in. Maar wandelingen hebben het voordeel dat je ze ook in gedachten kan maken. Wandelen in de natuur doe ik niet, wegens te saai.

4 Film: Intégrale van Robert Guédiguian

Intégrale, een dvd-box met (bijna) alle films van Robert Guédiguian, een cineast die ik pas nu ontdek. En wat een ontdekking: films die me recht naar het hart gaan, door de thema’s en de verhalen (over sociale strijd, migratie, engagement, familie, vriendschap), de personages, de geest en de (politieke) boodschap. En de manier waarop hij werkt, met een eenheid van plaats (Marseille) en ploeg. Zo goed als altijd worden de hoofdrollen vertolkt door dezelfde hoofdacteurs, Ariane Ascaride, ook zijn vrouw, Jean-Pierre Darroussin en Gérard Meylan, met wie Guédiguian al sinds de lagere school bevriend is. In (Sic transit) Gloria mundi (2019) zit een scène waarin een personage de gevangenis verlaat, de camera volgt stilzwijgend Meylan. De één filmt de ander, na vijftig jaar van samenwerking, vriendschap en vertrouwen: dat is iets dat me zeer ontroert.  Guédiguians bekendste en commercieel meest succesrijke film is Marius et Jeannette (1997), mijn favorieten – al is het onmogelijk te kiezen – zijn Dieu vomit les tièdes (1991), Marie-Jo et ses deux amours (2002), Les neiges du Kilimandjaro (2011) en La villa (2017).

5 Guilty pleasure: Friends

Montage met de acteurs (CC BY-SA 3.0).

Hoe guilty het is, weet ik niet, maar van Friends kan ik geen genoeg krijgen. De reeks is ongetwijfeld gedateerd en niet in alle opzichten ‘correct’, maar ze blijft een onuitputtelijke bron van genoegen, die ik in eindeloze loop tot me neem. Momenteel ben ik weer aan het vierde seizoen. We – were – on – a – break!

Tom Verschaffel is hoofd van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

Vaccinatie: goddelijk of kwaadaardig?

Gastblog door Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq.

De hele wereld hoopt dat onderzoekers zo snel mogelijk een vaccin vinden tegen COVID-19, om zo de huidige sanitaire, sociale en economische crisis in te dammen. Voor sommige gelovigen wordt deze hoop ingegeven door de verwachting dat God zal tussenkomen om het proces te versnellen. Andere gelovigen zijn de mening toegedaan dat alleen het “spirituele” vaccin van tel is, aangezien een medisch vaccin enkel het lichaam geneest. Nog anderen zijn van oordeel dat deze planetaire ziekte een teken is van goddelijke kastijding. Gelovigen hebben dus heel verschillende meningen over het recht op vaccinatie, en de legitimiteit ervan. Dat is niet nieuw. 

Pokkenepidemieën, variolatie en vaccinatie

Een vergelijking tussen de puisten bij pokken (rechts) en koepokken (links) (1896, Wellcome collection, CC BY 4.0).

Variolatie is het veroorzaken van een milde vorm van pokken bij een gezond individu om dit individu te beschermen tegen toekomstige aanvallen van de ziekte. In China vindt men hiervan sporen vanaf de zestiende eeuw. Deze gewoonte verspreidde zich vervolgens, bij het begin van de achttiende eeuw, via de zijderoute richting Frankrijk en Engeland. Hoewel het vrijwillig inenten van een gevaarlijke stof in een gezond lichaam op heel wat weerstand stuitte, waren geneesheren en leiders overtuigd  van de heilzame effecten.

Aan het eind van de achttiende eeuw stelde de Engelse chirurg Edward Jenner vast dat koeienmelksters tijdens epidemieën immuun leken tegen de pokken. Hij experimenteerde met het inenten van mensen met het vocht dat werd gewonnen uit de builen die verschenen op koeienuiers. Dit koepokvirus, verwant aan de pokken, had het voordeel veel minder gevaarlijk te zijn voor de mens, maar deze laatste toch te beschermen tegen de pokken.

De ontdekking van vaccinatie, het inenten met de mildere koepokkenvariant, veroorzaakte een gevoel van enthousiasme en opwinding in een periode waarin pokkenepidemieën de bevolking uitdunden en overlevenden gebukt gingen onder tal van misvormingen en levenslange handicaps.

God heeft de geneesmiddelen van de aarde gecreëerd 

Instruction sur la vaccine, B. P. Despeaux (Parijs, 1808).

Tot 1891, het jaar waarin de Russische arts Elie Metchinokoff het mechanisme van antilichamen ontdekte, bleef het een mysterie waarom vaccinatie leidde tot het voorkomen van ziektes. De meeste leden van de clerus beschouwden immuniteit als een zegen.

Omstreeks 1800 organiseerden Italiaanse priesters processies om mannen, vrouwen en kinderen naar publieke vaccinatiesessies in ziekenhuizen te leiden. Kerkelijke autoriteiten werkten aan pamfletten over bescherming tegen de pokken, en bisschoppen zetten priesters ertoe aan om hun volgelingen op de hoogte te brengen van de noodzaak om hun familie te laten vaccineren. In alle Europese Staten werden geestelijken uitgenodigd om deel te nemen aan de organisatie van de publieke gezondheidszorg; dit gold ook voor missionarissen in de kolonies, waar de inheemse bevolking werd gevaccineerd.

Nochtans bestond er bij bepaalde priesters en predikers een zeker ongemak. Moesten zij hun taken niet beperken tot de zielenzorg van gelovigen? Als reactie hierop herinnerden theologen eraan dat Jezus de zieken genas, en dat de Kerk zich ook steeds heeft ingezet voor de geneeskunde.

Kon men de plannen van de Goddelijke Voorzienigheid doorkruisen? Dat was wat anderen zich afvroegen. Bij theologen ontstond hierover een zekere mate van consensus: God houdt van de levenden en verbiedt hen niet zich te beschermen tegen ziektes. Werden de geneesmiddelen van de aarde immers niet door God voor de mens geschapen?

Een ander argument tegen vaccins werd gevormd door de bezorgdheid over het introduceren van delen van dierenlichamen in de menselijke soort. Deze angst dat de mens zou bedorven worden, noemde men “minotaurisering”. Maar, zo antwoordden een aantal theologen, de mens neemt al lang koeienmelk en -vlees tot zich. 

Tegenstanders van vaccinatie in de negentiende eeuw

Bestrijding der vaccine, Abraham Capadose, (Amsterdam, 1835).

Het is duidelijk dat het verzet tegen vaccinatie niet bij de clerus of bij theologen gezocht moet worden. Geneesheren, onder wie tal van katholieken, namen in de negentiende eeuw deel aan grootschalige vaccinatiecampagnes en kregen daarbij de steun van de clerus. Verder verdedigden velen onder hen verplichte vaccinatie, wat slechts langzaam op gang kwam in Frankrijk en België. Ze respecteerden tegelijkertijd ook het liberale argument van de autonomie van de huisvaders, dat dominant was in het liberale negentiende-eeuwse België. Volgens dit argument had de Staat het recht niet om verplicht een vervuilende materie in het lichaam van zijn burgers binnen te brengen.

Dit laatste principe lag aan de basis van de argumentatie van de anti-vaccinatieverenigingen die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw actief waren. De gelijkstelling van het vaccin met een vervuilende materie was trouwens niet ongefundeerd. Aangezien inentingen van arm tot arm werden uitgevoerd, hebben ze soms (door de toevallige overdracht van geïnfecteerd bloed van de ene gevaccineerde naar de andere) geleid tot de overdracht van ziektes zoals syfilis. Sommige moralisten en geneeskundigen gingen zelfs een stap verder en trachtten te bewijzen dat de invoering van het vaccin de menselijke soort aantastte en verzwakte.

Fundamentalistisch verzet, politiek verzet

Poster voor vaccination tegen pokken (Engeland, 1923, Wellcome Collection, CC BY 4.0).

Religieus gemotiveerd verzet tegen vaccinatie was meer het werk van individuen dan van bewegingen. Aan het begin van de negentiende eeuw was de Nederlandse calvinistische arts Abraham Capadose bijvoorbeeld de enige die zei dat de mens niet het recht heeft voor God te spelen door het lichaam van gezonde individuen te veranderen. Tijdens de Franse periode in België (1795-1814) zwengelde een aantal priesters op het Vlaamse platteland de vijandigheid van de bevolking tegenover vaccinatie aan, maar hun acties maakten tegelijkertijd deel uit van een breder politiek verzet. Ze waren gekant tegen het republikeinse antiklerikale regime dat vaccinatie wilde opleggen aan de bevolking. Ook in de kolonies kwam het verzet tegen vaccinatiecampagnes niet alleen voort uit lokale geloofstradities, maar wijst het ook op een verwerping van de koloniale macht door de gekoloniseerde bevolking.

Vandaag is de opkomst van de ‘vaccinofobie’ uitermate uitgesproken in protestantse landen zoals de Verenigde Staten. Het antivaccinatie-argument van de individuele vrijheid wordt er verbonden met het Amerikaanse grondrecht van “religious freedom”. De geschiedenis bewijst het: vaccinatie en religieuze bekommernissen hebben elkaars pad op verschillende manieren gekruist.

Meer weten?

Yves-Marie Bercé, « Le clergé et la diffusion de la vaccination », Revue d’histoire de l’Église de France, 69, 182, 1983, 87-106.

Françoise Salvadori et Laurent-Henri Vignaud, Antivax : Histoire de la résistance aux vaccins du XVIIIe siècle à nos jours (Parijs, Vendémiaire, 2019)

Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq zijn gastbloggers. Cécile Vanderpelen-Diagre is professor in de hedendaagse geschiedenis aan de Université libre de Bruxelles. Valérie Leclercq is postdoctoraal onderzoekster aan de Université libre de Bruxelles. Ze onderzoekt de ideologische conflicten in de vaccinatiegeschiedenis en in de psychiatrie.

Titelafbeelding: Edward Jenner vaccinating patients in the Smallpox and Inoculation Hospital at St. Pancras: the patients develop features of cows. Watercolour after J. Gillray, 1802. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

5 coronatips van Elwin Hofman

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Elwin Hofman bijt de spits af.

1 Boek: Black Leopard, Red Wolf van Marlon James

Toen de lockdown inging, kon ik ontsnappen naar de fascinerende en ongewone wereld van Marlon James. Black Leopard, Red Wolf, het eerste deel van een geplande trilogie, is geen doordeweekse fantasyroman met elfen, dwergen en hoofse romances. De roman haalt zijn inspiratie in de Afrikaanse mythologieën en telt bloedmonsters, gedaanteverwisselaars en moordzuchtige hyena’s. Het hoofdpersonage, Tracker, is begiftigd met een bijzondere reukzin. Op basis van geur kan hij zowat alles en iedereen opsporen. In een bijzondere raamvertelling volgen we zijn zoektocht naar de waarheid over een mysterieus verdwenen kind, een zoektocht die minder vanzelfsprekend blijkt dan hij hoopt. Een absolute aanrader voor wie even helemaal wil opgaan in een totaal andere wereld.

2 Muziek: Caroline Shaw, Partita for 8 singers

Caroline Shaw leerde ik kennen dankzij de serie Mozart in the Jungle, een amusante reeks die een inkijk geeft in het leven achter de schermen van een New Yorks symfonisch orkest. In het vierde seizoen van de reeks legt het hoofdpersonage Hailey Rutledge zich toe op vrouwelijke componisten en brengt ze het werk Hi van Shaw in première (Shaw verschijnt ook zelf ten tonele). Caroline Shaw is intussen een van de meest gerenommeerde Amerikaanse componisten. In 2013 won ze een Pulitzerprijs voor Partita for 8 Voices, een indrukwekkende compositie die de grenzen van de vocale muziek verlegt. Wie het liever wat minder klassiek zoekt, kan ook met haar werk kennismaken in een aantal songs van Kanye West, waaronder Wolves en Father Stretch My Hands Pt. 2.

3 Wandeling: de lanen van Heverlee Bos

Corona heeft me er ook toe gebracht mijn eigen onmiddellijke buurt opnieuw te ontdekken. Niet alleen kwam ik allerlei voetwegen en doorsteekjes op het spoor die mij voorheen onbekend waren, ik raakte ook gefascineerd door de historische oorsprong van sommige in onbruik geraakte wegen en paden. Zo ook de lanen van Heverlee Bos. Wie al eens gaat wandelen in dat mooie domein, zal ongetwijfeld de vele lange, rechte wegen die het bos doorkruisen al hebben opgemerkt. Soms zijn ze zelfs netjes omlijnd met eiken of andere bomen – ongewoon voor een bos! De lanen dateren uit de achttiende eeuw en werden tegelijk aangelegd met de Naamsesteenweg, die het bos doorkruist. Oude, slingerende wegen door het bos moesten zoveel mogelijk plaats ruimen voor een rationeel en modern dambordpatroon. Dat paste immers bij de toenmalige opvattingen over bosbeheer, die de eigenaars van het domein, de hertogen van Arenberg, geïnteresseerd volgden. Het hele bos werd heraangelegd en ingericht met oog op nut, schoonheid en vermaak. De opvattingen over bosbeheer zijn intussen sterk veranderd, maar de hedendaagse wandelaar kan nog steeds genieten van de gevolgen ervan.

4 Televisiereeks: Hollywood

In Hollywood staat de geschiedenis op z’n kop. De serie toont het reilen en zeilen in de Amerikaanse filmindustrie kort na de Tweede Wereldoorlog. De ‘gouden tijd’ van Hollywood was echter niet voor iedereen zo verguld, zien we aan het begin van de reeks. Zwarten en latino’s komen er amper aan de bak, homo’s moeten in de kast, vooroordelen en seksueel misbruik zijn er schering en inslag. Maar dan neemt Hollywood even een loopje met de geschiedenis. De onderdrukten komen in opstand – en met succes. Geloofwaardige counterfactual history is het allerminst. Een vermakelijke fantasie is het des te meer.

5 Guilty pleasure: Into the Unknown van Panic! At The Disco

Het heeft lang geduurd, maar een globale pandemie heeft ervoor gezorgd dat ook ik niet langer van Frozen 2 en de bijhorende soundtrack gespaard bleef. Frozen 2 is duidelijk een film voor onze tijd. Niet Anna, maar haar teerbeminde Kristoff maakt zich de hele film lang zorgen over een mogelijk huwelijksaanzoek. Elsa & co moeten er bovendien mee leren omgaan dat hun roemrijke voorvader eigenlijk een massamoordenaar van de lokale bevolking blijkt (hallo Leopold II!). En homeopathie blijkt echt te werken (‘water has memory!’). Ook dé song van de film (het nieuwe Let It Go, zeg maar), Into the Unkown, kreeg door de coronacrisis nieuwe dimensies. Waar we na corona heen gaan, is voor ons allemaal nog een onbekende. Into the unkown. Into the unknOOO–ooo-OO-oown

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

Waarom Joachim Coens het moeilijk heeft met de versoepeling van de abortuswet

Vandaag dreigde CD&V-voorzitter Joachim Coens ermee zijn opdracht stop te zetten om een nieuwe federale regering te vormen als de Kamer zich zou uitspreken over de versoepeling van de abortuswetgeving. Het wetsvoorstel, dat al enkele maanden op weerstand stuit van de Belgische partijen CD&V, cdH, N-VA en Vlaams Belang, wil de termijn voor abortus optrekken van twaalf naar achttien weken.

Opvallend is dat ook de uitvoerders van abortus verdeeld zijn over de optrekking van de termijn. Afgelopen november spraken meer dan 750 artsen, vroedvrouwen en andere zorgverleners zich in een open brief aan de Kamerleden uit tegen de verruiming van de wet. De ondertekenaars deelden verschillende geloofsovertuigingen, maar de brief werd bijzonder goed ontvangen en verspreid via katholieke media. Op hun beurt betuigden ruim 1500 hulpverleners hun steun voor het wetsvoorstel. Deze laatste open brief was een initiatief van vrijzinnige humanistische organisaties en verenigingen van abortuscentra.

Het gebrek aan eensgezindheid bij artsen en gezondheidswerkers is zeker niet nieuw. Al in de negentiende eeuw, toen het eerste grote abortusdebat werd gevoerd, waren artsen rond levensbeschouwelijke breuklijnen verdeeld.

Twee debatten

Het Paleis der Academiën in Brussel waar de leden van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde debatteerden over medische abortus in 1852.

In de negentiende eeuw bestrafte het strafwetboek dokters die bij abortus betrokken waren, maar sprak zich niet uit over zwangerschapsonderbreking om medische redenen. Artsen konden met andere woorden zelf bepalen of medische abortus in levensbedreigende omstandigheden volgens hen geoorloofd was. Het eerste abortusdebat dat omstreeks 1850 in medische verenigingen werd gevoerd, boog zich over deze kwestie en werd vanaf het begin getekend door levensbeschouwelijke spanningen. De meeste liberale artsen spraken zich pro medische abortus uit, terwijl een aantal katholieke artsen zich daar uitdrukkelijk tegen verzette.

Vandaag is de vraag of (medische) abortus legaal is, al lang niet meer aan de orde. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw, toen voor- en tegenstanders van de decriminalisering ervan diep verdeeld raakten langs levensbeschouwelijke breuklijnen, werd abortus het voorwerp van een breder politiek en maatschappelijk debat. Vanaf de gedeeltelijke depenalisering van abortus in 1990 zijn we zelfs getuige van een verschuiving van de abortuskwestie. De klemtoon is komen te liggen op de ethische grenzen van abortus: de wettelijke abortustermijn en de bijhorende medische implicaties.

Meer dan een medische ingreep

Zes diagrammen van abortussen in verschillende stadia. Gravure door Campbell (Wellcome collectie, CC BY 4.0).

Abortus is geen medische handeling als een andere, omdat er een bijkomende belanghebbende partij – de foetus – bij betrokken is. De ethische afwegingen die uit deze situatie voortvloeien, het respect voor het ongeboren leven en het begrip voor de complexe situatie van vrouwen die ongewenst zwanger zijn, werden verwoord in de open brief tegen de verruiming van de abortustermijn. Ook artsen die hun steun voor de versoepeling van de wetgeving in de tweede open brief duidelijk maakten, beschouwen een zwangerschapsafbreking allesbehalve als een onbeduidende ingreep.

In de negentiende eeuw waren de tegengestelde belangen van vrouw en foetus nog meer uitgesproken. Zonder preventieve medische abortus liepen vrouwen met een smal bekken het gevaar om te sterven tijdens de bevalling. Het enige alternatief voor zo’n dodelijke ingreep op foetussen, de keizersnede, bracht doorgaans levende kinderen ter wereld, maar bood amper overlevingskansen aan vrouwen. Kortom, dokters die voor dit verloskundig dilemma stonden, moesten een keuze maken tussen het leven van de vrouw (medische abortus) en dat van de foetus (keizersnede).

Leve de foetus

De anatomie van de baarmoeder tijdens de zwangerschap (Wellcome collectie, CC BY 4.0).

Als er twee tegengestelde belangen in het spel zijn, dan rijst de vraag natuurlijk hoe dokters hun keuze hebben verantwoord en in hoeverre de stem van de vrouw bij deze afweging doorwoog. In grote lijnen waren er in de negentiende eeuw twee posities. Katholieke artsen die de katholieke doctrine als uitgangspunt namen, voerden een pleidooi tegen medische abortus. Zij verwezen naar het katholieke gebod “gij zult niet doden” dat in hun ogen de fundamentele basis van de christelijke moraal vormde. Volgens deze artsen had ieder wezen, hoe klein of zwak ook, recht op leven. In de praktijk slaagden zij er echter moeilijk in om toestemming te verkrijgen van vrouwen (en hun families) om de keizersnede uit te voeren.

Liberale artsen rechtvaardigden medische abortus door te wijzen op de minderwaardigheid van ongeboren leven. Foetussen, vegetatieve wezens en parasieten die ten koste van de moeder leven, moeten volgens hen nog bewijzen dat ze buiten de baarmoeder kunnen leven, laat staan dat ze een maatschappelijke bijdrage kunnen leveren. Liberale artsen waren bij een keuze tussen twee levens geneigd om te kiezen voor wat zij als het minste kwaad beschouwden: de dood van de foetus. Naar eigen zeggen hadden zij, in tegenstelling tot hun katholieke collega’s, weinig moeite om vrouwen en hun naasten te overtuigen om een medische abortus te ondergaan.

Ook in het actuele abortusdebat is het statuut van de ongeboren foetus een belangrijk discussiepunt in de bijdragen van dokters. Tegenstanders van de verruiming haalden onder meer aan dat foetussen van 18 weken zich gevaarlijk dichtbij de grens van levensvatbaarheid bevinden. Voorstanders stelden daar tegenover dat het stadium van levensvatbaarheid – vanaf ongeveer 22 weken – bij een late abortus nog voldoende ver verwijderd is en dat foetussen van 18 weken nog steeds heel klein zijn.

Leve de vrouw

Affiche voor de legalisering van abortus (1979, AVG-Carhif: Archief en onderzoekscentrum voor vrouwengeschiedenis).

Bij een vergelijking tussen beide debatten is vooral de aandachtsverschuiving naar het perspectief van de vrouw opvallend. In de negentiende eeuw was het voor alle artsen evident dat het leven van vrouwen in het teken stond van hun kroost. Katholieke artsen gingen in deze redenering het verst. Volgens hen moesten vrouwen ook hun ongeboren kinderen op de eerste plaats zetten. Liberale artsen verwachtten, daarentegen, geen onvoorwaardelijke liefde van een vrouw ten aanzien van een foetus in levensbedreigende situaties. Maar in normale omstandigheden vonden ook zij dat vrouwen bovenal moeder moesten zijn.

Sinds de tweede feministische golf in de jaren 60, 70 en 80 is het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen centraal komen te staan in maatschappelijke debatten over abortus. In de actuele discussie over de optrekking van de abortustermijn ging veel aandacht naar de psychosociale gevolgen van abortus en ongewenste kinderen voor de vrouw. Tegenstanders van de verruiming van de abortuswet benadrukken onder meer de psychologische impact van abortus voor vrouwen. Voorstanders gaan uit van de keuzevrijheid van vrouwen en hun individuele, soms moeilijke situaties die verklaren waarom zij soms later dan de wettelijk toegelaten termijn van 12 weken beslissen om hun zwangerschap af te breken.

Er zijn duidelijk veel verschillen tussen het negentiende-eeuwse debat over zwangerschapsonderbreking om medische redenen en het actuele abortusdebat. Discussies over abortus, die in de negentiende eeuw enkel in medische kringen werden gevoerd, belangen nu de hele samenleving aan. Ook de wetgeving, de focus en argumenten zijn veranderd. Toch is de levensbeschouwelijke breuklijn, die de deelnemers nog steeds in twee kampen verdeelt, overeind gebleven.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van verloskundigen en gynaecologen in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Tab. XXVIII, Geburtshulflicher Atlas, 1844. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

De pandemie-vrije stad, en hoe er te geraken

Het bewogen voorjaar van 2020 zette tal van zekerheden op de helling. In de weken waarin museumbezoeken, terrasjes of (kleinschalige) voorstellingen uit den boze waren, kwam een oud spanningsveld opvallend op de voorgrond: de tegenstelling tussen stad en platteland. Het optimisme over leven in de agglomeratie – een lager energieverbruik, minder nood aan een wagen, een groter sociaal netwerk – werd nu overstemd door een lofzang op het buitenleven. Appartementen zonder noemenswaardig balkon, gesloten buurtspeeltuintjes en overvolle parken voedden de hunker naar vrijstaande woningen met een weidse tuin, omringd door akkers en bossen. In volle lockdown rekende een gevoel van beklemming af met de aloude idee dat stadslucht vrij maakt. Millennials die voordien hun zinnen op strak ingerichte studio’s en de nieuwste smartphones zetten, postten op sociale media opeens foto’s van moestuinen, een kippenren of zelfgebakken brood – zonder ironie en al dan niet gevolgd door #cottagecore. Rekende het coronavirus af met onze stadsgerichte samenleving?

De centrale Brusselse laan, naar haar grote bezieler burgemeester Jules Anspach vernoemd (E. Bruylant (ed.), La Belgique illustrée (Brussel, z.j.) vol. 1, 136).

Niet iedereen gaf de grootstad zomaar op. Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck ergerde zich in De Standaard (9 mei) aan het beeld alsof een stad per definitie kille woontorens inhoudt en pleitte voor een ándere invulling: ‘De enige goede stedenbouw is kindvriendelijk, betaalbaar én lockdownbestendig.’ Een opvallende plaats in het debat was weggelegd voor mobiliteit. Het haast stilgevallen verkeer bracht sommigen immers aan het dromen. Waarom palmt gemotoriseerd verkeer zo’n groot deel van de openbare ruimte in? Wat als koning auto zijn plaats blijvend aan voetgangers en fietsers zou afstaan? Terwijl het Brugse stadsbestuur een herstelplan uitwerkte waarin het gratis parkeren werd uitgebreid om de lokale handelaars te ondersteunen, legde men elders heel andere accenten. Milaan kondigde onder de naam Strade Aperte een plan aan om tientallen kilometers nieuwe fiets- en voetpaden aan te leggen en in Berlijn startte een proefproject waarin rijvakken tot fietspaden werden omgevormd. Tijdelijke maatregelen of een opstap naar een nieuwe manier van denken?

Weelderige straten

Als het over urbanisme gaat, zijn er precedenten voor een ‘nieuw normaal’ dat op een pandemie teruggaat. Het meest voelbaar, tot vandaag, is de impact van cholera-uitbraken in de negentiende eeuw. De bacterie richtte in opeenvolgende golven wereldwijd een ravage aan, ook in België. De epidemie van 1849 maakte enkel in ons land al ruim 23000 doden, in 1866 was de balans haast dubbel zo dramatisch. Vooral steden kregen het zwaar te verduren: in de provincie Luik bijvoorbeeld lag de sterftegraad tot in de late jaren 1800 in de agglomeraties significant hoger dan op het platteland, iets dat men behalve aan ziekten ook aan vervuiling toeschreef.

In de opvallende reportage (1864-1865) van fotografiepionier Nadar waren de Parijse riolen een verheven symbool van vooruitgang (Parijs, Caisse Nationale des Monuments Historiques et des Sites).

Aanhangers van de aloude miasmatheorie, die stelde dat ‘vervuilde’ lucht verantwoordelijk was voor de verspreiding van ziekten, benadrukten het belang van goede ventilatie en de vrije circulatie van zuivere lucht. Lange, brede en vooral kaarsrechte straten moesten plattelandslucht tot diep in de stad brengen. Wijken met smalle, bochtige steegjes stonden haaks op dat model en werden daarom door de zogenaamde hygiënisten als onverantwoord afgeschreven. Inspiratie vonden ze in Parijs: prefect Georges-Eugène Haussmann begon bij zijn aantreden in 1853 aan een doorgedreven rationalisering om de leefbaarheid van de stad te verhogen. Liefst vijfennegentig kilometer nieuwe straten, de zo kenmerkende boulevards, waren een radicale afrekening met de ‘horribles cloaques’ of weerzinwekkende open riolen waarover hij in zijn memoires repte.

Al in de jaren 1860 werd het eens geminachte Parijs als een van de mooiste steden ter wereld geprezen. Onder druk van de hygiënisten, de experts inzake openbare gezondheid, werd ook in België wetgeving gestemd die het lokale overheden mogelijk maakte om percelen te onteigenen. Dat volksgezondheid een belangrijke motivatie vormde, blijkt uit een verdere versoepeling in 1867, kort na een choleragolf (of ‘blauwe pest’) die alleen in Gent al meer dan 2700 levens kostte. Daar was het wachten tot 1880 vooraleer met het Zollikofer-De Vigneplan de aanblik van de stad grondig veranderde, maar in Brussel ging de spade haast meteen in de grond: in 1871 opende burgemeester Jules Anspach een nieuwe laan, recht door de binnenstad. De Zenne, gezien als een bron van giftige dampen, liep voortaan ondergronds. Echt feestelijk was de gebeurtenis nochtans niet: door corruptie en wanbeheer was een immens gat in de Brusselse begroting geslagen. Helemaal tragisch was dat de interieurs achter de prestigieuze gevels die langs de laan verrezen berucht werden als weinig comfortabel of zelfs ronduit ongezond. Zo ver reikte zijn bevoegdheid niet, moest Anspach in de gemeenteraad toegeven.

Moderne dromen

Paviljoen van een waterreservoir in de Verlaatstraat, klassiek vormgegeven door architect Joseph Poelaert (Brussel, 1857, © GOB-DML, http://www.irismonument.be).

De boulevards gaven de steden een nieuwe aanblik en maakten hen tot een geliefkoosd oord, zowel voor toenmalige flaneurs als voor hedendaagse city trippers. De saneringen hadden echter ook andere dimensies. Zo speelde technologie een niet minder grote rol. Ingenieurs werkten oplossingen uit voor watervoorziening én -afvoer: hun leidingen en rioleringen waren een even belangrijk instrument als de medicijnen en vaccins van artsen. Nutsvoorzieningen waren voorwerp van trots en bewondering en kregen daarom vaak een opvallende inkleding. Watertorens, pompstations, reservoirs… droegen bij tot het beeld van de moderne stad als een samenhangend, functioneel geheel waartegen de oudere, chaotische stad schril afstak. Ook de houding tegenover water zélf veranderde. In de publieke ruimte gold de aanwezigheid hoe langer hoe meer als ongewenst en ‘vuil’, want moeilijk te controleren. Het ‘nieuwe’ water zoals dat sinds halverwege de negentiende eeuw almaar vaker in (burgerlijke) woningen verscheen, met hun keukens en badkamers, was daarentegen een zuiverend element. Veelzeggend is hoe zwemmen in ongereguleerde rivieren en plassen aan sociale status moest inboeten en deze activiteit zich zoveel mogelijk naar nauwlettend gecontroleerde badhuizen verplaatste.

Anderhalve eeuw geleden vormde cholera de aanleiding tot grondige aanpassingen van het stedelijk weefsel, zichtbaar en onzichtbaar, boven- en ondergrond, in praktijken en in denkpatronen. Deze transformaties zijn nu een evidentie, die we niet langer met een pandemie in verband brengen. Of COVID-19 een even grote stempel op stedenbouw zal nalaten, valt af te wachten. Het potentieel is er alleszins.

Meer lezen.

Matthew Gandy, The fabric of space: water, modernity, and the urban imagination (Cambridge MA: MIT Press, 2014).

Maria Kaika, City of flows. Modernity, nature, and the city (New York – Londen: Routledge, 2005).

Ed Taverne en Irmin Visser (eds), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden (Nijmegen: SUN, 1993).

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Project van Léon Suys voor een boulevard dwars door Brussel (Bruxelles, Senne et boulevards. Solution du problème hygiénique et monumental (Brussel, 1865)).