Waarom vroegmoderne ouders hun kinderen meenamen naar executies

Gastblog door Isabel Casteels.

Tegenwoordig proberen we kinderen zoveel mogelijk af te schermen van geweld. Films, televisieprogramma’s en games hebben leeftijdsclassificaties, omdat geweld mogelijk schadelijk zou zijn voor hen en zelfs kopieergedrag zou oproepen. In de vroegmoderne tijd was dat wel anders. Het is moeilijk voor te stellen, maar het was in de zestiende-eeuwse Nederlanden normaal dat kinderen gingen kijken naar een openbare terechtstelling.

Prenten van het publiek

Frans Hogenberg, Executie van Spell, 1570, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Op zestiende-eeuwse prenten werden regelmatig kinderen afgebeeld in het executiepubliek. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de beroemde Justitia-gravure van Pieter Bruegel uit 1559 (titelafbeelding). De toeschouwers zijn weinig gedetailleerd weergegeven, maar toch zien we in het midden onmiskenbaar een ouder die een kind aan de hand meeneemt.

Hetzelfde geldt voor de nieuwsprenten afkomstig van de bekende uitgeversfirma Hogenberg. Bij de executie van Spell in 1570 (afbeelding 1) klimmen kinderen op een muur om de ophanging beter te kunnen zien. Tijdens de terechtstelling van monniken in Gent in 1578 (afbeelding 2) heeft een vader zijn zoon bij de hand. Een andere vader neemt zijn kind op de schouders zodat het beter zicht heeft. Bij de executie van Balthasar Gerards in 1584 (afbeelding 3) trekt een kind een ouder aan zijn mantel en kijkt hem vragend aan.

Dat er op de executieprenten kinderen werden afgebeeld, wil natuurlijk niet zeggen dat er bij elke terechtstelling kinderen aanwezig waren. Wel was de aanwezigheid van kinderen niet uitzonderlijk. Prentmakers volgden vanuit commerciële belangen namelijk bestaande conventies en probeerden zo aan te sluiten bij het wereldbeeld van potentiële klanten.

Vroegmoderne ideeën over kinderen en geweld

Frans Hogenberg, Terechtstelling van monniken te Gent wegens sodomie, 1578, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Waarom namen vroegmoderne ouders hun kinderen mee om executies te gaan bekijken? Lange tijd hebben historici gedacht dat zij weinig onderscheid maakten tussen kinderen en volwassenen en dat er dus geen speciale behandeling voor kinderen bestond. Ook zouden vroegmoderne ouders niet even gehecht zijn geweest aan hun kinderen als hedendaagse generaties van ouders vanwege de hoge kindersterfte. Het feit dat zij hun kinderen blootstelden aan geweld past op het eerste gezicht goed bij dit idee. Maar recent onderzoek toont aan dat dit beeld niet klopt. Net zoals nu waren ouders in de zestiende eeuw gehecht aan hun kinderen en bestonden er ideeën over hoe je je kroost het beste kon opvoeden.

Het lijkt erop dat er in de zestiende eeuw op een andere manier werd gekeken naar executies. We stellen ons het publiek bij executies vaak voor als een hysterische, bloeddorstige massa, die wreed geweld als entertainment beschouwde en ongevoelig was voor de pijn van anderen. Maar was dit wel zo? Ooggetuigenverslagen bewijzen dat toeschouwers niet onbewogen bleven bij het zien van menselijk leed. Integendeel, ze hadden juist compassie met de persoon op het schavot.

Pijn en geweld werden in de vroegmoderne tijd echter niet per definitie als negatief of wreed beschouwd. Het feit dat ouders hun kinderen meenamen wijst erop dat executies belangrijke momenten van reflectie en bezinning waren. Het publiek werd er geconfronteerd met rechtvaardigheid, orde en de wet. Het kijken naar een terechtstelling was met andere woorden een belangrijke les.

Onrust en gevaar

Frans Hogenberg, Executie van Bathasar Gerards, 1584, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Toch ging het ook wel eens mis. Zo kon de aanwezigheid van kinderen bij terechtstellingen voor onrust zorgen. Op 8 november 1526 vaardigde het Hof van Holland een ordonnantie uit dat er geen ‘kinderen of ongekwalificeerde personen’ op het schavot mochten komen tijdens een executie, omdat ze de beul in zijn werk zouden hinderen. In de roerige jaren van de Nederlandse Opstand was het bijwonen van een terechtstelling voor kinderen zelfs ronduit gevaarlijk. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage van de kroniekschrijver Marcus van Vaernewijck die een executie in 1567 beschrijft:

‘Noch esser doot bleven ter stede, een joncxkin van ontrent XIIIJ jaren, dat maer ghecommen en was van Brugghe, ende was ghestaen up eenen waghene om te beter de justicie te ziene.’

Het wekt dan ook weinig verbazing dat de ouders van de Middelburgse Pieter Joossen hun zoon in dezelfde periode verboden om te gaan kijken naar een terechtstelling. In een kroniek blikt de man terug op zijn jeugd:

‘(…) soo ick se hebbe sien hanghen, naedat sy al doot én gestorven waeren, en de sentencie volbrocht was – want de kinderen, gelijck ick was, niet weleer mochte(n) commen sien om de oploopen, die in(t) dooden van sulke lieden toe geschieden.’

Tegelijk blijkt uit deze passage dat Joossen normaal gezien wél aanwezig mocht zijn bij executies. De bezorgdheid van zijn ouders kwam voort uit het direct gevaar dat met terechtstellingen gepaard kon gaan. Hun vrees had maar weinig te maken met het ‘beschermen’ van Joossen tegen de aanblik van een bloederige executie en geweld.

Meer lezen?

Friedland, Paul, Seeing justice done: The age of spectacular capital punishment in France, Oxford, United Kingdom, 2012.

Jarzebowski, Claudia en Safley, Thomas M. (red.). Childhood and emotion: Across cultures 1450-1800, Londen, 2014.

Spierenburg, Pieter, The Spectacle of Suffering: Executions and the Evolution of Repression, from a Preindustrial Metropolis to the European Experience, Cambridge, 1984.

Isabel Casteels is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de rol van executies en terdoodveroordelingen tijdens de Nederlandse Opstand.

Titelafbeelding: Philips Galle, naar Pieter Bruegel (I), Rechtvaardigheid, 1559, detail (Rijksmuseum Amsterdam).

Waarom het Nederlands de belangrijkste taal van Rusland had kunnen worden (of niet)

Vandaag zijn er ongeveer 25 miljoen mensen die het Nederlands als moedertaal hebben. Dat getal valt in het niet bij de ongeveer 335 miljoen Engelstaligen en 285 miljoen Franstaligen. Vier eeuwen geleden was dat anders toen de Nederlandse Republiek haar invloed aan het uitbreiden was naar overzeese gebieden als Nieuw Amsterdam (het latere New York), Brazilië en Japan. Maar wat velen niet weten, is dat het Nederlands ook in Rusland voet aan de grond kreeg.

Bom Bor Dir Piter

Berckheyde, ‘Het Bezoek van Tsaar Peter de Grote aan Amsterdam’, 16e eeuw (Nationaal Gevangenismuseum).

Er zijn bewijzen dat de Russische tsaar Peter de Grote het Nederlands goed kende. Hij zou bijvoorbeeld geen tolk nodig hebben gehad bij zijn reizen in de Nederlandse Republiek. Tijdens zijn bezoek aan Holland in 1697-1698 signeerde hij verschillende documenten in het Nederlands. Die werden ondertekend met de woorden “Bom Bar Dir Piter” (bombardier Pieter), “Iv daheleix Kneh Piter Kamondor” (uw dagelijkse knecht Pieter Commandeur) en “Iv Dinar Piter” (uw dienaar Pieter). Tijdens de tweede reis van de tsaar naar Nederland in 1716-1717 nam zijn aandacht voor het Nederlands af. In die periode van geleidelijk economisch verval was de macht van de Republiek tanende. Steeds vaker ruilde Peter de Grote het Nederlands in voor het Duits om zijn mensen aan te spreken en plaatsen te benoemen.

Het Nederlands in Rusland 

Het Nederlands werd in het zeventiende-eeuwse Rusland vooral gebruikt onder buitenlandse handelaars om met elkaar te communiceren toen de Republiek een van de grootste maritieme handelsmachten ter wereld was. Het Nederlands was wereldwijd onder zeelieden een soort lingua franca. Nederlandse handelaren hadden met name een grote invloed in de Oostzee, waar ze onder andere handel dreven met Russische partners.

Jean-Marc Nattier, ‘Portret van Peter I van Rusland’, 1717.

Naast buitenlandse koopmannen gebruikten de Russen zelf ook het Nederlands om contact te leggen met andere Europese handelaren. Hierdoor heeft de Nederlandse taal vooral sporen nagelaten in de woordenschat over handel. De Nederlandse woorden die vandaag de dag nog altijd aanwezig zijn in het Russisch hebben bijna altijd betrekking op zeemanschap. Enkele woorden zijn; akhtershteven’ (achtersteven), botsman (bootsman), brandspoyt (brandspuit), dyuym (duim), garpun (harpoen), yakhta (jacht), kayu’ta (kajuit), braloko (loods), lyuk (luik), rul’ (roer), rupor (roeper, megafoon), shkiper (schipper), shlang (sleng) en shlyupka (sloep).

Niet iedereen was te spreken over het gebruik van het Nederlands in Rusland. Zo uitten de Engelsen, die politieke rivalen van de Nederlanders waren in de achttiende eeuw, grote kritiek op het gebruik van het Nederlands bij handelaars in Rusland. Zij waren van mening dat het Engels de standaardtaal van het maritieme leven moest worden. Van haar kant meende de Russische prinses en Verlichtingsdenker Ekaterina Dasjkova, die Peter de Grote bekritiseerde, dat de Nederlandse invloed nefast was voor de Russische taal. Door de introductie van Nederlandse woorden zou het Russisch zijn ‘authenticiteit’ zijn verloren. Toen zij haar kritiek uitte, was Peter de Grote al gestorven en had het Nederlands plaatsgemaakt voor een grotere invloed van het Duits en later ook het Frans in Rusland.

Nederduits?

Het belang van het Nederlands in tsaristisch Rusland moet niet overdreven worden. Het aantal geïntroduceerde Nederlandse woorden in de Russische taal was minimaal. Slechts een aantal gegoede handelaren uit het zeventiende-eeuwse Rusland beheersten het Nederlands volledig.  Daarnaast maakte men niet altijd een onderscheid tussen het Nederlands, het Nederduits en het Duits, drie sterk verwante talen. Het is dus vandaag vaak moeilijk om te reconstrueren welk van deze drie talen werd gesproken.

Veder luisteren?

Het verhaal over het Nederlands in Rusland is één van de verhalen die uitgebreid aan bod komt in deze podcast van het Centrum van Russische Studies die tot stand kwam in samenwerking met Rusland-experts Emmanuel Waegemans en Wim Coudenys. De podcast gaat over de relatie tussen België en Rusland door de eeuwen heen.

Meer lezen.

E. Waegemans, De taal van Peter de Grote: Russisch-Nederlandse contacten en contrasten (Leuven 2006).

Joël Lammeretz is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent geschiedenis. Hij werkte mee aan een podcast over de historische relatie tussen België en Rusland tijdens zijn stage in het Centrum van Russische Studies.

Titelafbeelding: Abraham Storck, ‘Het met medewerking van tsaar Peter de Grote in januari 1698 voltooide fregat Pieter en Paul op het IJ’, 1698 (Historisch Museum Amsterdam).

Digibete, technofobe of conservatieve leerkrachten?

Door het uitbreken van de coronapandemie zagen scholen zich het voorbije jaar meermaals genoodzaakt over te schakelen op afstandsonderwijs. De verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van het digitale klaslokaal werd grotendeels bij de leerkrachten zelf gelegd. Daarbij botsten ze vaak op problemen, zoals een tekort aan laptops, het gebrek aan digitale geletterdheid bij een deel van hun leerlingen en de leercurves die de leerkrachten zelf moesten doorlopen om zich nieuwe technologie eigen te maken. Omdat het Ministerie van Onderwijs die moeilijkheden ook niet altijd voorzien had, kon het vaak geen snelle oplossing of ondersteuning bieden. Wanneer sommige leerlingen dan sterke achterstand opliepen of zelfs helemaal van de radar verdwenen, werd niet zelden de leerkracht met de vinger gewezen.

De projectielantaarn

Projectielantaarn met glasplaatjes, aanbevolen voor het aardrijkskunde- en natuurkundeonderwijs (La lanterne de projections à l’école, 1896).

Het typeren van leerkrachten als digibeet, technofoob of simpelweg onwillig om zich aan te passen is een oud riedeltje. Toch waren het vaak net leerkrachten die als eersten de educatieve mogelijkheden van nieuwe media herkenden.

Illustratief hiervoor is de trage adoptie van geprojecteerde beelden in het Belgische lager en middelbaar onderwijs in de vroege twintigste eeuw. De projectielantaarn liet toe afbeeldingen uitvergroot op een wit scherm of witte muur te projecteren. De laat negentiende-eeuwse modellen konden enkel transparante afbeeldingen projecteren, die op kleine glazen plaatjes van doorgaans 8 x 10 cm waren geschilderd of gedrukt. Kort voor de eeuwwisseling kwamen de eerste epidiascopen op de markt. Daarmee konden ook afbeeldingen uit boeken, magazines, op postkaarten en zelfs kleine voorwerpen in groot formaat op de muur tevoorschijn getoverd worden.

Projectietechnologie sloot heel goed aan bij de nieuwe richtlijnen vanuit de overheid. In de laatste decennia van de negentiende eeuw waren opvoedkundigen het er over eens geworden dat de droge opsomming van feiten door de leerkracht en het uit het hoofd leren van lesjes door leerlingen hun beperkingen hadden. Het onderwijs moest verlevendigd worden met behulp van directe waarneming van voorwerpen of fenomenen. Als dat niet kon, waren afbeeldingen een goed alternatief. De overheid nam deze aanbevelingen over.

Zes glazen lantaarnplaatjes, 8 x 10 cm, Aardkorst – Bergen – Verkeer, gebruikt in het aardrijkskundeonderwijs (Collectie Heilig Graf Turnhout).

De ministeriële richtlijnen spraken aanvankelijk enkel over geïllustreerde handboeken, wandplaten, kaarten, opgezette dieren en verzamelingen van voorwerpen zoals mineralen, planten of nijverheidsproducten. Het waren leerkrachten die als eersten experimenteerden met lantaarnprojectie in de klas. Sommigen onder hen gingen nog een stap verder en promootten het gebruik van lichtbeelden bij hun collega’s via lezingen en publicaties. Rond de eeuwwisseling hadden lantaarn-enthousiaste leerkrachten de aandacht van de centrale en lokale overheden weten te trekken en die zelfs bereid gevonden het gebruik van de lantaarn officieel aan te moedigen. Maar veel leerkrachten die vervolgens enthousiast aan de slag wilden met lantaarnslides in de klas botsten op praktische problemen. Toen het gebruik van de projectielantaarn in het Belgisch onderwijs vervolgens onder de verwachtingen bleef, werden leerkrachten met de vinger gewezen.

Hoge verwachtingen, lage budgetten

Blauwdruk uit 1927 voor een staander voor de projectielantaarn en een scherm in de jongensschool aan de Napelsstraat in Antwerpen (Felixarchief).

Het gebruik van de projectielantaarn in de klas vereiste niet alleen dat leerkrachten hun lespraktijk veranderden. Ook het leslokaal zelf moest worden aangepast. De weinige scholen die budget hadden om zich een lantaarn en enkele reeksen projectieplaatjes aan te schaffen, merkten al snel dat het klaslokaal onvoldoende verduisterd kon worden om de lichtbeelden in alle scherpte te zien. De meest moderne, gebruiksvriendelijke modellen werkten bovendien met elektrisch licht, terwijl veel scholen voor de Eerste Wereldoorlog nog niet waren aangesloten op het elektriciteitsnet.

In een poging het gebruik van lantaarnprojectie in het gemeentelijk onderwijs een impuls te geven, beloofde de Antwerpse Schepen voor Onderwijs Victor Desguin in 1912 in een omzendbrief financiële steun: “[d]e Dames en Heeren Schoolhoofden kunnen zich zulke lantaarn aanschaffen op hun crediet voor materiaal; de zwarte gordijnen en de geleiding voor licht zullen dan bekostigd worden op het crediet voor de schoolgebouwen.” Deze suggestie viel niet in dovemansoren. Kort nadien signaleerde de Antwerpse stadsbouwmeester dat hij zoveel enthousiaste aanvragen had gekregen dat het beschikbare budget ontoereikend was om alle klaslokalen uit te rusten. Maar tot een effectieve budgetverhoging kwam het in de daaropvolgende jaren niet, al werd de oproep om lantaarnprojectie in te zetten in de klas door lokale overheden en door het Ministerie van Onderwijs regelmatig herhaald. Het resultaat was dat projectieonderwijs in de volgende jaren enkel een plaats kreeg in scholen waar een enthousiaste leerkracht of directie zelf veel tijd en middelen had kunnen besteden aan de aankoop van materiaal en de reorganisatie van het klaslokaal.

Met horten en stoten

Afbeelding van de projectie van lichtbeelden in een semi-verduisterd klaslokaal in het college van Binche, 1912 (De Watteville, “Projections lumineuses,” Nova et Vetera (1912): 480-484).

Werd er toch in projectieonderwijs geïnvesteerd, dan was die investering vaak onvolledig. Het gebruik van een lantaarn in de Antwerpse jongensschool aan de Markgravelei werd door schepen Desguin in 1912 aangehaald als voorbeeld voor andere scholen die de aanschaf van een lantaarn overwogen. Tien jaar later bleek echter dat de school nog steeds niet was uitgerust met de langverwachte projectiezaal. Andersom waren er ook scholen die weliswaar werden voorzien van moderne zalen voor projectieonderwijs, maar nog jaren moesten wachten vooraleer ze de nodige middelen ter beschikking kregen voor de aankoop van een projector. Door de sterke naoorlogse aangroei van de schoolbevolking werden vele van de nieuwe projectie- en ook turnzalen, gebouwd in de jaren twintig en dertig, bovendien noodgedwongen als extra klaslokaal gebruikt.

Pas midden jaren dertig, veertig jaar na de eerste pleidooien door leerkrachten voor projectietechnologie, werden nieuwe en vernieuwde scholen standaard voorzien van zowel projectiemateriaal als een aangepast lokaal. Sindsdien zijn veel andere (audio-)visuele leermiddelen gekomen en gegaan. Het stereotiepe beeld van de conservatieve leerkracht met koudwatervrees voor technologie is helaas blijven bestaan.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Lantaarnprojectie in de klas. © Histoire des Projections Lumineuses.

Leven na lepra in Belgisch Congo

Rond de middag van 3 april 1959 zaten een tiental Vlaamse zusters te wachten in een greppel langs de hoofdweg naar Coquilhatstad in Belgisch-Congo. Na enkele uren dwong de striemende evenaarszon hen naar de schaduw. Toen een leger aan tropische mieren hun feestelijk wit habijt beklom, hoorden ze eindelijk de verlossende roep: “Daar komen ze!” Een van de honderden leprapatiënten in het gezelschap van de zusters meende in de verte beweging te zien. Gelijk had hij, want enkele ogenblikken later reden de bolides van koning Leopold III, prinses Lilian en hun gevolg de toegangspoort van de leprozerie Iyonda binnen. Tot hun ontsteltenis wierp de prinses vervolgens een vermoeide blik op haar polshorloge. De grote vertraging had het koninklijke programma zodanig in de war doen lopen, dat werd besloten de rondleiding met een dag uit te stellen.

Dat Iyonda op het koninklijk programma stond, had alles te maken met haar imago als toonbeeld van de ‘moderne leprozenzorg’. Leprapatiënten werden er niet enkel geïsoleerd, maar ook genezen en voorbereid op een later leven in de koloniale samenleving.

“De prinses stelde vragen die sommige leprologen nog niet stellen!”

Dokter Lechat geeft prinses Lilian een handzoen (privécollectie van Edith Lechat-Dasnoy).

Dokter Lechat, de staatsarts van de leprozerie, had grootse plannen met lyonda. Hij had onder meer de ambitie om een tehuis voor buitenlandse lepraonderzoekers en een school voor fysiotherapeuten op te richten. Voor zijn projecten was er veel geld nodig, en geleide bezoeken waren hiervoor het perfecte medium. Iyonda kon zodoende tonen wat het wilde zijn en de unaniem lovende kritieken brachten de broodnodige fondsen met zich mee. Lechat werkte verschillende types rondleidingen tot in de puntjes uit. De ambassadeur van de Sovjet-Unie doorliep bijvoorbeeld een ander parcours dan de Belgische senator Joseph Pholien. Omdat koninklijk bezoek buiten categorie was, haalde de staf van Iyonda ditmaal echt alles uit de kast.

Een dag na de eerste ontmoeting stapte alleen prinses Lilian uit de koninklijke limousine aan de oprijlaan van de leprozerie. Ex-koning Leopold had andere verplichtingen. De prinses werd eerst getrakteerd op een rondrit, die haar stapvoets langs Iyonda’s vijf lanen voerde. Nadat ze de leprapatiënten had toegewuifd, hield haar bolide halt voor het hoofdgebouw van de leprozerie. Hier startte de begeleide rondleiding met een presentatie van dokter Lechat over ‘moderne’ lepraverzorging. De prinses bleek erg geïnteresseerd en stelde volgens de dokter vragen die sommige leprologen nog niet stelden. Vervolgens hield het gezelschap halt bij enkele leprozen in de ziekenzaal. De prinses schrok er niet voor terug om hun stompen aan te raken, wat duidelijk niet op de planning stond. Na de vraag van de pater of ze niet wat eau de cologne wilde na het handen wassen grapte de prinses: “U denkt zeker dat ik hier niets anders te doen heb dan m’n handen te wassen?” Prinses Lilian deed hier wat prinses Diana vele jaren later zou doen door aidspatiënten te knuffelen: het stigma helpen doorbreken.

“Die houtrozen en alle werkstukjes zijn extraordinaire!”

Geënsceneerd sfeerbeeld uit Iyonda (Collectie: KADOC).

Lechats exposé moest de prinses duidelijk maken dat de wetenschappelijke behandeling van lepra recent was gemoderniseerd. Omstreeks 1950 ontstond het besef dat de ziekte niet zo besmettelijk was als men voordien had gedacht. Veel Afrikaanse landen waar de ziekte voorkwam sloten om die reden hun leprozerieën en gingen volop voor ‘verzorging aan huis’. De Belgische kolonie, daarentegen, bleef inzetten op de isolatie van een deel van haar leprapatiënten. In de jaren vijftig liep het aantal geïsoleerde leprozen zelfs op tot verschillende tienduizenden. Het idee hierachter was dat men een meer kwalitatieve behandeling kon bieden, maar tegelijk de behandelden ook beter kon controleren. Daarnaast werd in de Belgische kolonie rond 1950 ook de sulfonentherapie gemeengoed. Na eeuwen van louter palliatieve en cosmetische behandelingen kon lepra dankzij de sulfonen eindelijk genezen worden.

Vrouwen poseren al breiend voor de ‘Foyer Social’ van Iyonda (Collectie: KADOC).

In plaats van de leprapatiënten voor te bereiden op het leven na de dood moesten de zusters en de pater hen voortaan voorbereiden op een leven na lepra. Onder het mom van ‘sociale actie’ lieten ze de patiënten kennismaken met the Belgian way of life. In de Foyer Social leerden vrouwen ‘een goede echtgenote’ worden, althans naar Belgische en katholieke normen uit de jaren vijftig. Ze leerden breien, naaien, koken, Maria vereren en kregen op de koop toe een cursus binnenhuisinrichting mee. De mannen werden dan weer aangespoord om te werken in loondienst in een Belgisch aandoende schrijnwerkerij of steenbakkerij. ‘Echte’ mannen moesten immers fysieke arbeid verrichten en bij voorkeur buitenshuis werken.

Mannelijke arbeiders poseren in de schrijnwerkerij van Iyonda (Collectie: KADOC).

Dit ‘sociale’ luik was Iyonda’s paradepaardje en stond dan ook centraal bij het bezoek van prinses Lilian. Voor de Foyer Social kreeg ze een boeketje Congolese houtrozen aangeboden om er vervolgens een tentoonstelling van handwerkjes te bezoeken. Toen prinses Lilian buitenstapte, wees dokter Lechat naar de volgende stop. De kleine constructie in de verte bleek de school van de leprozerie te zijn. In Iyonda verbleven namelijk een dertigtal kinderen met lepra en een dozijn gezonde kinderen met besmette ouders. Gespreid over de vroege voormiddag en de late namiddag leerden de kinderen er rekenen, lezen en katholieke godsdienst. Na de werkuren deden de klassen dienst voor het avondonderwijs van de volwassenen, die er ook nog lessen in het Frans bijkregen. Bij hun ‘ontslag’ uit de leprozerie werden er voor hen beroepsplaatsen geregeld als geschoold arbeider, klerk of uitzonderlijk als horlogemaker. Wanneer de patiënten de leprozerie verlieten, waren ze klaargestoomd om hun toegewezen mannelijke of vrouwelijk rol op te nemen in de koloniale samenleving. Ze vormden het toonbeeld van een succesvolle katholieke leprozenzorg.

Na het schoolbezoek kwam het gevolg, hopeloos achter op schema, aan in de refter van de zusters. Daar kreeg Lilian een drankje aangeboden onder haar eigen portret en dat van haar man. Later belde de gezelschapsdame van de prinses om te melden dat Lilian geen seconde gezwegen had over de “modelleprozerie Iyonda”. Het model van Iyonda had nu ook koninklijke bewonderaars.

Felix Deckx is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schrijft een masterproef over de zorg voor leprozen in Belgisch Congo.

Titelafbeelding: Iyonda (privécollectie van Edith Lechat-Dasnoy).

Met de Duitsers naar bed of niet?

Tijdens de bevrijdingsfeesten in 1945 werden collaborateurs publiekelijk uitgejouwd en bestraft. Daaronder bevonden zich ook vrouwen die een verhouding hadden gehad met Duitse soldaten. Zij werden vernederd, kaalgeschoren en volgeklad met hakenkruisen. Deze beelden van afgeschoren haren en ontblote lichamen werden dominant in onze herinnering aan vrouwen die met de vijand hadden geheuld. Terwijl veel mannen veroordeeld werden voor collaboratie op politiek en militair vlak, leek de fout van de vrouwen voornamelijk te liggen bij wat men ‘intieme’ of ‘sentimentele’ collaboratie noemt. Maar klopt deze beeldvorming?

“Moffenmeiden”

Een “moffenmeid” wordt kaalgeschoren en ingesmeerd met pek. (Nationaal Archief Nederland).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstonden er soms vriendschappen en relaties tussen Duitse soldaten en Belgische vrouwen. Van deze laatste groep volgden enkelingen hun liefde naar Duitsland, om daar bijvoorbeeld voor het Duitse Rode Kruis te gaan werken. Er was dus effectief een groep vrouwen die aan sentimentele collaboratie deed. In Nederland ontstond zelfs de term “moffenhoer” of “moffenmeid” om hen aan te duiden.

Toch is enige nuance vereist: kunnen we hier wel echt van collaboratie spreken? Onderzoek toont aan dat vrouwen niet per se relaties aanknoopten met soldaten uit politieke overtuigingen, maar omdat er aantrekkingskracht en verliefdheid in het spel was. Vaak werden vrouwen na de oorlog ook onterecht beschuldigd van affaires met Duitsers door mensen die hen in een slecht daglicht wilden stellen. Daarnaast kwamen roddels snel op gang: sommige vrouwen werden al aangeklaagd omdat ze gesprekken hadden gevoerd met soldaten of iets van hen hadden aangenomen. Niet alle vrouwen die kaalgeschoren werden, hadden dus echt een verhouding gehad met een Duitser. De aandacht voor deze “moffenmeiden” zorgde ervoor dat andere vrouwen, die effectief de nazistische ideologie hadden gesteund en actief hadden gecollaboreerd, in de schaduw terechtkwamen.

De paradox van extreemrechtse vrouwenbewegingen

Affiche van een voordracht van Blanka Gyselen voor DeVlag (Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis).

Er waren ook vrouwen die bewust het publieke forum betraden en hun sympathieën voor het nationaalsocialisme uitten. Verschillende extreemrechtse vrouwenbewegingen collaboreerden openlijk met de Duitsers, zoals het Vlaams Nationaal Vrouwenverbond (VNVV) en de Vrouwenwerken van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag). De actieve rol die deze vrouwen speelden is minder bijgebleven, omdat de boodschappen die ze verspreidden nogal paradoxaal waren.

Centraal in de nationaalsocialistische ideologie van de nazi’s stond immers de opvatting dat de vrouw thuishoorde aan de haard en dat haar taken bestonden uit het baren en opvoeden van kinderen. Vrouwen moesten zorgen voor de uitbreiding van het Arische ras. Tegelijkertijd werden zij gestimuleerd om zich aan te sluiten bij politieke partijen door de leidsters van extreemrechtse bewegingen zoals het VNVV. Die vrouwen betraden dus het publieke forum, om te verkondigen dat de plaats van de vrouw aan de haard was.

Vrouw, auteur, collaborateur

Blanka Gyselen (KADOC Beeldarchief KFA20095).

18% van het totaal aantal veroordeelden voor collaboratie in België was vrouw. Een groot deel van deze veroordelingen was voor verklikking, waardoor het beeld van de vrouw als verraadster opkwam. Daarnaast werd een aantal vrouwen veroordeeld voor hun actief politiek en cultureel engagement. Zo werd Blanka Gyselen, een toen bekend en gerenommeerd schrijfster, bestraft met 20 jaar ‘buitengewone hechtenis’ voor haar culturele activiteiten. Tijdens de oorlog had zij meegewerkt aan tijdschriften van collaborerende organisaties, zoals Volk en Staat en Balming, waarin zij de ‘vrouwenrubrieken’ had verzorgd. Daarnaast was ze lid van de SS en schreef ze Vlaams-nationalistische strijdliederen.

Zelf beweerde Blanka Gyselen bij haar veroordeling dat ze was misleid door de “schone leuzen en beloften” van het nationaalsocialisme en dat ze bij haar rondreizen in Duitsland enkel de modelzijde van het regime te zien had gekregen. Naast haar gevangenisstraf moest ze een boete van 5.000 frank betalen aan de overheid, werd haar huis in beslag genomen, verloor ze haar burgerrechten en mocht ze haar nieuwe vriend – die in een andere gevangenis zat – niet bezoeken. Uiteindelijk werd Blanka door gezondheidsredenen in 1949 in voorlopige vrijheid gesteld. Ze leefde enkele jaren een teruggetrokken bestaan, maar werd stilaan terug geïntegreerd in het literaire milieu en kon weer publiceren. Haar label als “verbrande dichteres” is ze echter nooit echt kwijtgeraakt.

Vrouwen als Blanka Gyselen tonen aan dat de rol van vrouwen in de collaboratie veel aanzienlijker en complexer was dan velen denken. De dominante voorstelling van vrouwen als ‘intieme’ collaborateurs die met de vijand sliepen, is onvolledig en beperkt. In de herinnering aan de collaboratie heeft de repressie door het volk zelf, de ‘straatrepressie’, de overhand genomen. De choquerende beelden van vernederde en kaalgeschoren vrouwen zijn blijven hangen, terwijl de verhalen van vrouwen die ‘volgens het boekje’ veroordeeld zijn, in de vergetelheid zijn beland.

Meer lezen?

De Metsenaere, Machteld en Bollen, Sophie. “Schandelijke liefde. Sentimentele collaboratie en haar bestraffing in België na de Tweede Wereldoorlog”. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, nr. 3 (2007): 228-259.

Roeges, Mathieu. “Vrouwen in de collaboratie”, Belgium WWII, https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/artikels/vrouwen-in-de-collaboratie.html

Van Loon, Caroline. “De geschorene en de scheerster. De vrouw in de straatrepressie na de Tweede Wereldoorlog”. Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 19 (2008): 45‑78.

Hannah Smets is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schrijft een masterproef over steun en solidariteit tussen Vlaamse schrijfsters in de twintigste eeuw.

Pest en protest in de vroegmoderne haven

Gastblog door Stan Pannier.

“Geachte leden van de regering”, schreef de Gentse ondernemer Frans Carpentier, “In het algemeen belang heb ik mij steeds zonder protest aan de gezondheidsmaatregelen gehouden, maar thans had ik graag een versoepeling bekomen. Mijn bedrijfskosten nemen onverminderd toe, en mijn koopwaar bederft nu ik ze niet mag verkopen.” Was Carpentier één van de velen die zich het voorbije jaar tot het Overlegcomité richtte? Neen. De man schreef zijn brief op 26 november 1770, tijdens een hevige uitbraak van de pest in Oost-Europa. Carpentiers schip De Vier Gebroeders lag al 46 dagen in Oostende in quarantaine, en de loonkosten, het havengeld en de onophoudelijke herfstbuien vraten gestaag aan zijn winst.

Op het moment dat Carpentier zijn veer in de inkt doopte, was de pest precies een eeuw verdwenen uit de Zuidelijke Nederlanden. Niettemin bleef de regering strikte maatregelen nemen bij uitbraken van de haestighe sieckte elders in Europa. Net als vandaag hadden die voorzorgen een economische impact – vooral in de kuststreek, waar het risico op import uit het buitenland het grootst was. Tegenwoordig vinden we het normaal dat proteststemmen uit de privésector bij de besluitvorming worden betrokken. Maar ook in een diep ondemocratische samenleving als die van het Ancien Régime konden mensen als Carpentier wegen op het beleid, mits de juiste argumenten.

De achttiende-eeuwse Wereldgezondheidsorganisatie

Een handelskantoor te Brugge, ca. 1750.

Bij een uitbraak van de pest was het voor de overheid koorddansen geblazen tussen enerzijds een te zwak en anderzijds een te streng beleid. Reageerde een staat te laks, dan riskeerde die een import van de ziekte of vergeldingsmaatregelen van buurlanden. Rond de Middellandse Zee communiceerden havensteden voortdurend met elkaar over sanitaire nieuwtjes en genomen maatregelen. Liep een land uit de pas, dan volgde al gauw een vergeldingsquarantaine tegen haar schepen. Historici hebben deze internationale coördinatie van beleid daarom wel eens bestempeld als de voorloper van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Ook in het Noordzeegebied verspreidde nieuws rond epidemieën en verdachte schepen zich als een lopend vuurtje via consuls, ambassadeurs en zeelieden. Het belang van die informatie oversteeg politiek: hoewel Versailles en Londen vrijwel de hele achttiende eeuw overhoop lagen, ging gezondheidsnieuws vlot over en weer tussen beide kanten van het Kanaal. Nieuwe maatregelen in Engeland, Frankrijk of de Republiek waren genoeg aanleiding voor Brussel om zelf de nodige wetgeving door te duwen. Rond de Noordzee gold immers dezelfde groepsdruk als in de Middellandse Zee. Vergeldingsquarantaines vormden bovendien een handig smoesje om de handel van concurrerende staten te schaden.

In augustus 1743 stelden de Oostenrijkse Nederlanden bijvoorbeeld een quarantaine in van 20 dagen tegen schepen uit Frankrijk, omdat Louis XV onvoldoende voorzorgen had genomen tegen de pest op Sicilië. Nochtans deed op dat moment in Oostende al weken het nieuws de ronde dat Frankrijk wel degelijk maatregelen had genomen, die zelfs nog strenger waren dan die aan de Vlaamse kust. Wat was dan het échte motief achter de vergeldingsquarantaine? Simpel: de Habsburgers lagen in conflict met de Franse koning, die de troonsbestijging van Maria Theresia betwistte.

Rellen in Moskou gericht tegen het gebrekkige optreden van de overheid tijdens de pest van 1770-1772.

Maar ook te streng reageren zorgde voor economische schade. Het doorbetalen van geïsoleerde en werkloze matrozen en de dagelijkse vergoeding voor het gebruik van de havenfaciliteiten kostten handelaars een fikse duit. Een quarantaine was des te problematischer als de lading bederfelijk was: het was niet voor niets dat Judocus van Iseghem in de zomer van 1752 in Brussel ging smeken om een vrijstelling voor zijn schip, dat uit Malaga onderweg was met een berg vers fruit. Tot slot betekende de vertraging in goederen- en kasstromen een bijkomende streep door de rekening van menig ondernemer.

Ook andere takken van de mariene economie hadden te lijden onder de quarantainemaatregelen. Zo mochten loodsen niet langer aan boord gaan van schepen om hen de haven in te helpen. In de Gouwelozekreek, waar schepen werden afgezonderd, vormden de vele vissersbootjes dan weer een groot risico op contact met de geïsoleerde bemanningen. Hoewel er stemmen opgingen om de visvangst in de kreek daarom volledig te verbieden, hield Oostende het bij een avondklok. Overdag vissen bij hoog water bleef toegelaten, “uyt Consideratie dat menighvuldighe menschen daar mede hunnen Cost moeten winnen”.

Preventiemaatregelen: dictaat of overleg?

Oostende ca. 1773, met in het zuidoosten de Gouwelozekreek.

Overheden konden echter geen regels opleggen zonder protest van de betrokken economische stakeholders. Handelaars trachtten voortdurend versoepelingen te bekomen op de geldende maatregelen. De vaakst aangehaalde redenen waren dat er geen ziekte heerste waar het schip vandaan kwam, of dat de bemanning zichtbaar gezond was. De aard van de lading was evenzeer van belang: textiel werd erg gevaarlijk geacht, terwijl hout of ijzer naar verluidt niet in staat waren besmetting vast te houden. Soms speelden handelaars op de gevoelens: er was een Blankenbergse loods aan boord, en die “pauvre homme” zat al weken vast enkel omdat hij het schip veilig de haven in had geholpen. Of nog creatiever: de lading wol was zeker veilig, want de matrozen hadden er zonder het minste ongemak de hele reis op geslapen.

Indien er inderdaad voldoende verzachtende omstandigheden waren, dan stond de overheid handelaars een vrijstelling of verkorting van de quarantaine toe. Wanneer het schepencollege van Oostende (dat overigens vrijwel uitsluitend uit handelaars bestond) zijn gewicht in de schaal legde, dan was er nog meer mogelijk. Eind augustus 1764 had Brussel naar aanleiding van een pestuitbraak op Sicilië een quarantaine ingesteld voor alle schepen uit de Middellandse Zee. Op 2 oktober protesteerde Oostende dat die verordening de zouthandel met Spanje schaadde, en dat er bovendien in geen enkel buurland zulke strenge maatregelen golden. Twee dagen later was het decreet aangepast.

Talenknobbels en veteranen

Epidemieën boden echter ook economische opportuniteiten voor sommige groepen. Lokale en regionale overheden spendeerden soms aanzienlijke sommen om ziekte buiten de deur te houden: in 1770-72 ging het om liefst 45 284 florijnen, zo’n 90 000 werkdagen voor een gewone arbeider. Met dat geld werden tientallen strandwachten gerekruteerd, die aangespoelde goederen en lijken moesten begraven en erop moesten toezien dat niemand per sloep aan land kwam. In Nieuwpoort en Oostende namen de stadsbesturen dan weer matrozen in dienst die op zee moesten waken en aankomende handelsschepen ondervragen over hun whereabouts en de gezondheidstoestand aan boord. Talenkennis was daarbij een pluspunt. In 1793, tijdens een gele koorts-epidemie in Noord-Amerika, bracht Nieuwpoort het heuglijke nieuws dat de stad Hendrik Bolwijn had aangeworven, een zeeman die vloeiend Nederlands, Frans, Duits, Spaans en Engels sprak. Tot slot boden de quarantainemaatregelen ook werkgelegenheid aan de invalide veteranen van de kustregimenten. Zij moesten de geïsoleerde schepen bewaken – mét opslag van soldij, opdat ze hun belangrijke taak beter zouden vervullen.

Samengevat: ook in de achttiende eeuw zorgden epidemieën voor spanningen tussen economie en volksgezondheid. Overheden zochten telkens naar maatregelen die streng genoeg waren om te ontkomen aan ziekte en represailles, maar liberaal genoeg om de handel niet te verstikken. En net als vandaag waren proteststemmen van onderuit en compromissen daarbij niet vreemd.

Stan Pannier is gastblogger. Hij bereidt een doctoraat voor over de handel met West- en Centraal-Afrika vanuit de Oostenrijkse Nederlanden. Stan is als onderzoeker verbonden aan de vakgroep Middeleeuwen van de KU Leuven en aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ).

Waarom de Duitse bezetter in 1940 twee sterk verschillende Lage Landen aantrof

Gastblog door Marnix Beyen bij het verschijnen van De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag.

Op 29 mei 1940, daags na de capitulatie van het Belgische leger, verhuisde het slechts tien dagen eerder in Den Haag gevestigde Duitse militaire bestuur over België en Nederland naar Brussel. Nederland zelf kreeg een burgerlijk bestuur in de plaats onder leiding van de Oostenrijkse nazi Arthur Seyss-Inquart. In een terugblik op zijn tiendaagse bestuursperiode in Den Haag schreef de militaire bevelhebber Alexander von Falkenhausen dat hij er zorg voor had gedragen “het werk in Nederland op de vrijwillige medewerking van de Hollandse overheden te laten berusten”. En, zo voegde hij eraan toe, “het succes was verrassend groot”. De staatssecretarissen werkten als “een voorlopige en door ons niet erkende regering gewillig en loyaal mee. Een ingrijpen van onze kant was niet nodig; in enkele gevallen volstond een lichte druk”.

Politiek versus bestuur

Portiers in de Grand Casino in Limoges, waar de Verenigde Belgische Kamers stelling namen tegen de capitulatie door Leopold III (collectie RTBf).

Tegenstand van de parlementaire elites moest de conservatieve Pruisische aristocraat sowieso niet verwachten, want de Staten-Generaal (het Nederlandse parlement) hadden hun activiteiten meteen na de Duitse inval stopgezet. Dat was anders in België. Al een dag na de installatie van het militaire bestuur in Brussel stemde een groot aantal Belgische parlementairen tijdens een inderhaast geïmproviseerde bijeenkomst in het Franse Limoges tegen de beslissing van de Belgische koning Leopold III om te berusten in de Duitse overwinning. Daarmee legden zij de basis voor de Koningskwestie, die ook na de Tweede Wereldoorlog de politieke spanningen hoog zou doen oplopen en België zelfs even op de rand van de burgeroorlog zou brengen.

De inval van het Duitse leger bracht met andere woorden sterk verschillende reacties teweeg in de beide Lage Landen: waar hij in Nederland de politieke elites ertoe aanzette zichzelf (tijdelijk) buitenspel te zetten ten voordele van de administratie (en later ook van koningin Wilhelmina), daar deed hij in België integendeel hevige politieke passies ontbranden. De Duitse bezetters in België drukten er meer dan eens hun verwondering over uit. De “eigenaardige politieke, culturele en levensbeschouwelijke houding” van de Belgen werd in één van hun rapporten verklaard vanuit “de liberalistische opvoeding, die ze genoten hebben en die men hier als een wezenlijk kenmerk van de ‘vrijheid’ beschouwt”. Dat de Belgische bevolking weinig respect had voor “de staat” ondervonden ze zowel in hun voordeel als in hun nadeel. Het verzet én de collaboratie waren er radicaler, ideologischer en verdeelder dan in Nederland, waar de overheidsadministraties meer tot medewerking bereid bleken. Daarvan zou vooral de Joodse bevolking in Nederland het slachtoffer worden.

Mutaties van een politieke cultuur

Het Duitse militaire bestuur stootte daarmee op fundamentele verschillen tussen de politieke tradities van België en Nederland. Nochtans had tijdens de late middeleeuwen en de zestiende eeuw iets bestaan dat kan worden omschreven als een kenmerkende politieke cultuur van de Lage Landen. Die bood veel ruimte voor de erkenning van regionale verschillen en voor vormen van inspraak, en stond argwanend tegenover een te sterke staatsmacht. Ook vandaag leeft die traditie voort in België en Nederland. Sinds de zestiende-eeuwse scheiding tussen Noord en Zuid hebben zich echter twee zeer uiteenlopende varianten van dit grondpatroon ontwikkeld. De processen die daartoe hebben geleid waren allesbehalve rechtlijnig. In het afgescheiden Noorden vertaalde de argwaan tegenover een centraal staatsgezag zich in een unieke, federaal gestructureerde republiek. Daarin vestigde zich, met vallen en opstaan, een traditie van consensus zoeken door overleg en het gezag aanvaarden dat deze overlegcultuur respecteerde.

Spotprent uit 1830-1831 met de Nederlanders en de Belgen op een wip. Links hangen, boven een rivier van bloed, Willem I, prins Frederik, de kroonprins en minister Van Maanen. Aan de zwaardere rechterkant zitten de Vrijheid en de Belgische Maagd (collectie Rijksmuseum).

In het Zuiden bleef daarentegen een centraal staatsgezag bestaan, ook al situeerde de bron daarvan zich buiten de landsgrenzen. Ook deze buitenlandse vorsten werden aanvaard zolang ze maar de lokale tradities en vrijheden in ere hielden. Pas nadat vanaf de jaren 1780 verschillende opeenvolgende regimes deze voorwaarde schonden, nam ook in de Zuidelijke Nederlanden het wantrouwen tegenover sterke vormen van staatsgezag de bovenhand. Het mondde uit in een opstand tegen de Nederlandse vorst Willem I en in een onafhankelijke Belgische staat. De founding fathers van deze staat legden grondwettelijk vast dat hun nieuwe creatie nooit te machtig mocht worden, en schiepen zo veel ruimte voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en tegenstellingen. Compromissen tussen levensbeschouwelijke, sociale en taalkundige gemeenschappen werden weliswaar een haast spreekwoordelijk ingrediënt van de Belgische politiek, maar een op consensus gebaseerd bestuur bleef er een illusie.

In het Noorden deed zich intussen een omgekeerde evolutie voor. Precies als reactie tegen de opstandigheid van de Belgen schaarden vele Nederlanders zich achter hun Oranje-vorst, ook al hanteerde deze een autocratische en paternalistische bestuursstijl. Na Willems aftreden in 1840 verdween dit autocratische element, maar de Nederlandse politieke cultuur bleef de nadruk leggen op goed bestuur, eenheid en aanvaarding van het gezag. Haar Belgische tegenhanger zette die eenheid voortdurend onder druk door politieke tegenstellingen de publieke ruimte te laten beheersen, zonder een algemeen belang als richtsnoer of een sterk staatsgezag als scheidsrechter.

Een geschiedenis voor vandaag

Met de uitkomsten van die tegengestelde evoluties werd Von Falkenhausen geconfronteerd toen hij zijn militair bestuur van Den Haag naar Brussel verhuisde. Hij had ze misschien beter kunnen inschatten indien hij de kans had gehad het pas verschenen boek De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag te lezen. Hierin wordt immers veel uitvoeriger dan in deze blogtekst beschreven hoe zich in het deltagebied tussen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië een kenmerkende politieke cultuur kon ontwikkelen. Ook verklaart het boek hoe geopolitieke dynamieken en toevalligheden deze deed muteren tot twee weliswaar verwante, maar niettemin fundamenteel verschillende varianten. Deze processen historisch te duiden kan helpen om misverstanden te vermijden die ontstaan wanneer de vanzelfsprekende gelijkenissen het zicht op de structurele verschillen belemmeren. Dat is precies wat De Lage Landen beoogt.

Marnix Beyen is lid van Power in History. Centrum voor Politieke Geschiedenis (Universiteit Antwerpen) en doet onderzoek naar de politieke en culturele representatie van bevolkingsgroepen in het Europa van de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Samen met Judith Pollmann en Henk te Velde schreef hij De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag (2020).

Titelafbeelding: Alexander von Falkenhausen en Arthur Seyss-Inquart naast elkaar in de Ridderzaal van het Binnenhof tijdens de installatie van het bezettingsbestuur in Den Haag op 29 mei 1940. Rechts op de foto zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid (uit: Utrechts Volksblad, 30 mei 1940).

Waarom homovaders in de kast bleven

Regenboogfamilies lijken een recent fenomeen. Pas vanaf de jaren tachtig waren lesbische koppels welkom in de spermabank. Homoseksuele mannen moesten nog tientallen jaren langer geduld oefenen.

Nochtans zijn er altijd al homoseksuele ouders geweest. In een periode waarin homoseksualiteit een taboe of zelfs een schande was, kozen vele homoseksuelen ervoor om toch te trouwen. Ze verdrongen hun seksuele voorkeur en kregen kinderen binnen klassieke man-vrouwrelaties. De seksuele revolutie bracht een nieuwe openheid, maar niet voor hen. Angstig om hun gezin te verliezen, bleven vele homoseksuele vaders in de kast.

Coming out or staying in?

Voorpagina van holebi-tijdschrift Uitkomst, 2000 (Fonds Suzan Daniel).

In de jaren zestig en zeventig groeide de holebibeweging. In het zog van de seksuele revolutie richtten homoseksuelen verenigingen op, die openlijk hun belangen verdedigden. Homo’s en lesbiennes werden aangespoord om ‘uit de kast te komen’ en fier te zijn op wie ze waren. Door een groeiend aantal organisaties, tijdschriften en ontmoetingsplaatsen konden holebi’s steeds makkelijker contact leggen met elkaar. Vooral jongere generaties plukten hier de vruchten van.

Oudere generaties konden vaak niet genieten van deze nieuwe vrijheden. Velen van hen waren getrouwd en bleven in de kast omdat ze zich verantwoordelijk voelden voor hun vrouw en kinderen. Het verlies van hun gezin was een te hoge prijs voor hun seksuele bevrijding. Want hoewel steeds meer Vlamingen homoseksualiteit (voorzichtig) goedkeurden, bleven negatieve associaties voortbestaan. Homoseksualiteit gold voor velen nog als een ziekte of perversie, en daar waren vooral homoseksuele ouders de dupe van.

Niet geschikt voor kinderen

In 1980 werd de leerkracht Eliane Morissens ontslagen nadat ze in een televisie-uitzending had verklaard lesbisch te zijn (Nationaal Archief Nederland).

Zo waren homoseksuele vaders bang om hun job te verliezen, zeker als ze de kostwinner waren van hun gezin. Nog erger was het vooroordeel dat  hun seksuele voorkeur, en de ‘levensstijl’ die daaraan vasthing, schadelijk zou zijn voor kinderen. Openlijk homoseksuele mannen werden geassocieerd met het losbandige uitgaansmilieu – met drank, drugs en seks. Dit idee won nog aan kracht tijdens de aidscrisis van de jaren tachtig. Dat een radicaal deel van de holebibeweging pleitte voor de aanvaarding van pedofilie, hielp niet om de gemoederen te bedaren.

Bovendien meenden de meeste psychologen dat een kind zowel een moeder als een vader nodig had voor een ‘normale’ –lees heteroseksuele– ontwikkeling. Kinderen moesten van hun ouders leren om te functioneren binnen een heteroseksuele relatie met duidelijk omlijnde mannelijke en vrouwelijke rollen. De vrees bestond dat kinderen die opgroeiden in een holebigezin, zelf homoseksueel zouden worden.

Dit alles leidde ertoe dat openlijk homoseksuele mannen de voogdij dreigden te verliezen. In 1981 ontnam een Brugse rechter een gescheiden homoseksuele man zelfs het recht om zijn kinderen te bezoeken. Het vonnis stelde dat ‘de kinderen best ervan verschoond moeten blijven een dergelijk milieu te moeten frequenteren’ en dat ‘er zeer weinig echte homofielen bestaan, maar dat het merendeel van hen als dusdanig gericht wordt, juist door milieu-invloeden en bepaalde ervaringen in het leven’. 

Daddies, maar geen papa’s

Column tegen het homohuwelijk in de RAF-nieuwsbrief, 1995 (Fonds Suzan Daniel).

Binnen de Vlaamse holebibeweging was er weinig aandacht voor vaders. Activistische tijdschriften waren vooral een platform voor radicale meningen, waarin een ‘conservatief’ thema zoals het gezin weinig plaats had. De holebibeweging werd vooral gedreven door jongere generaties, die fuiven en clubavonden organiseerden. Omdat mannen met een 9-to-5 en twee kinderen thuis niet mee konden feesten, bleven hun stemmen ongehoord.

Wanneer holebi-ouderschap toch aan bod kwam, was dit meestal vanuit het oogpunt van lesbisch moederschap. Maar zelfs dan was er discussie. Een belangrijk deel van de holebibeweging was gekant tegen het huwelijk en gezinsstichting. Waarom zouden holebi’s zich wringen in een kleinburgerlijk keurslijf? Zou het omarmen van heteroseksuele instituten niet leiden tot het verdwijnen van de homoseksuele ‘identiteit’? Pas na het trauma van de aidscrisis verstilden radicale stemmen. Het was pijnlijk duidelijk geworden hoe precair de wettelijke bescherming van holebikoppels was. De homoseksuele levenspartner had geen legaal zeggenschap over de medische behandeling, begrafenis of erfenis. De openstelling van het huwelijk werd een belangrijk streefdoel.

In 2003 werd België het tweede land ter wereld, na Nederland, waar same-sex koppels konden trouwen. Maar terwijl de regering deze vorm van discriminatie ophief, voerde ze een andere in. Voor 2003 was het huwelijk een juridisch instituut gericht op voortplanting. Om die reden hadden de christendemocraten liever geen burgerlijk huwelijk voor holebi’s, maar een samenlevingscontract. Het compromis was om het huwelijk te herdefiniëren: het recht op adoptie vloeide er niet langer automatisch uit voort. Uiteindelijk kregen Belgische holebikoppels pas in 2006 het recht om te adopteren, terwijl dit in Nederland al kon vanaf 1998.

En vandaag?

Vandaag zijn homovaders meestal uit de kast. Toch blijft het in België lastig voor twee homoseksuele mannen om een gezin te stichten. De wachtlijsten voor binnenlandse adoptie zijn lang. Het lukt zelden om een buitenlands kind te adopteren, omdat er te weinig afspraken zijn met herkomstlanden die holebigezinnen aanvaarden. Tot vandaag ontbreekt een wettelijk kader voor draagmoederschap, wat veel homoseksuele mannen afschrikt.

Maar homokoppels bergen hun kinderwens heus niet op omdat die niet geaccepteerd of gehoord wordt. Het verleden leert ons dat er altijd homovaders zullen zijn, wars van wetten of vooroordelen.

Meer lezen?

Borghs, Paul. Holebipioniers: Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen. 1st ed. Antwerpen: ’t Verschil, 2015.

Rivers, Daniel Winunwe. Radical Relations: Lesbian Mothers, Gay Fathers, and Their Children in the United States since World War II. Gender & American Culture. Chapel Hill: University of North Carolina Press, 2013.

Robbe Himpe is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schrijft een masterproef over holebi-ouderschap in de twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Poster uitgegeven door holebi-organisatie RAF, 1992 (Fonds Suzan Daniel).

Vier redenen waarom Antwerpenaren lid werden van een broederschap

In Antwerpen zijn er op heel wat straathoeken Mariabeelden te spotten. De stad staat erom bekend. Wat minder bekend is, is dat sommige van die beelden verzamelplaatsen van een broederschap waren. Ook parochiekerken bevatten vaak nog sporen van deze oude religieuze verenigingen. Gelovigen kwamen er samen om hun religie met andere leden van een broederschap te beleven. Maar waarom werden zoveel stedelingen lid van een broederschap? Een lijstje kan helpen om de redeneringen van een katholieke achttiende-eeuwse Antwerpenaar te doorgronden.

1 In spannende tijden ben je maar beter een goed christen

Keizer Jozef II verbood in 1786 de broederschappen (B. Lorenzo, Jozef II en Leopold II, Sm.0857.02, Collectie Stad Antwerpen, Smidt van Gelder, foto: B. Huysmans & M. Wuyts).

De achttiende eeuw bracht spannende tijden voor elke Antwerpenaar. De Zuidelijke Nederlanden waren de speelbal van politiek getouwtrek en de luxemarkt van Antwerpen raakte in het slop. Deze politieke en economische spanningen zorgden voor een aanzienlijke stijging van het aantal overlijdens in de stad. Was dit de toorn van God? Om te ontkomen aan Zijn woede konden gelovigen best zo devoot mogelijk leven. En als het hen tijdens hun leven slecht verging, dan was een religieus leven in elk geval een goede garantie voor een verminderde tijd in het vagevuur.

Devoot leven was dus de boodschap, en er was geen betere manier om dat te doen dan als lid van een broederschap. Zo’n engagement ging verder dan het bijwonen van de mis. Broederschapsleden namen deel aan misvieringen, processies en begrafenissen.

2 Sociaal kapitaal kan je veel opleveren

Niet alleen het religieus leven kreeg een zetje in deze verenigingen, leden konden ook hun sociaal leven uitbouwen. Gelovigen van alle standen uit de maatschappij verenigden zich in een broederschap en hadden de plicht om voor elkaar te zorgen. Het sociaal kapitaal dat zo gevormd werd door broederschapsbanden kon tijdens het leven goed van pas komen. Bij financiële en gezondheidsproblemen konden leden rekenen op hun broeders en zusters voor hulp. Een goed christen was immers vrijgevig en steunde zijn of haar geloofsgenoten in tijden van nood. Daarnaast konden mannen die wat extra lidgeld over hadden en actief deelnamen aan alle activiteiten, hoofdman worden van hun broederschap. Dat leverde hen niet alleen beslissingsrecht op over het reilen en zeilen van hun vereniging, maar ook een boost van hun sociale status.

3 Het zielenheil van anderen is jouw bekommernis

Zielen in het vagevuur (Heur, Cornelis Joseph d’, Het vagevuur, MPM.TEK.076, Collectie Stad Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

Naast religieuze en sociale voordelen, die in alle broederschappen te verkrijgen waren, had elke religieuze vereniging ook een specialisatie die unieke voordelen kon opleveren. Het broederschap van de Gelovige Zielen van de Sint-Andriesparochie argumenteerde dat het ‘een heylig gepeys’ was om voor overledenen te bidden. Zo kon men het lijden van de zielen in het vagevuur verlichten.

Het was mogelijk dat gelovigen dat lijden zelf hadden veroorzaakt: ‘Dat sommige van die de voorzeyde pynen nu onderstaen, misschien voor zonden, daer wy occasie zyn toe geweest, misschien ook onze Ouders, onze Broeders, Zusters, andere bloedvrienden etc’. Enkel bidden voor die arme zielen, het specialisme van dit broederschap, kon ervoor zorgen dat gelovigen zich konden vrijpleiten van schuld  aan het lijden van een medegelovige. Het collectieve karakter van gebeden in dit broederschap zorgde ervoor dat ze meer impact hadden dan een individueel gebed. Het broederschap deed met andere woorden een sterk moreel appel aan het adres van de gelovige Antwerpenaar.

4 Maar je eigen zielenheil is nog belangrijker

Het broederschap van de Gelovige Zielen kon het zich, gezien het grote aanbod van broederschappen in Antwerpen, niet veroorloven om de ziel van de gelovige zelf uit het oog te verliezen. Bidden voor anderen mocht dan wel een nobele vorm van naastenliefde zijn, het was natuurlijk de bedoeling dat je zelf na je dood ook niet te lang in het vagevuur verbleef. Het sterkste argument van het broederschap van de Gelovige Zielen was dan ook dat leden extra voordelen kregen voor de redding van hun eigen ziel. Via gebedsprentjes die het broederschap voorzag, werd er gebeden voor alle ‘broeders, vrinden ende weldoeners’. Leden konden dus zeker zijn van het engagement van anderen na hun overlijden.

Als kers op de taart paste het broederschap een beproefde katholieke methode toe om gelovigen over de streep te trekken om zich aan te sluiten: het kocht een volle aflaat bij de paus voor elke gelovige die lid werd. Via die aflaat werden alle zonden die een broederschapslid in het verleden had begaan vergeven. ‘Niemand en zal voortaen in ider van deze Devotie willen mankeeren, die voor zig zelven den weg tot de genaede niet en willen afsluyten’, zo besluit het broederschapsboekje van de Gelovige Zielen van Sint-Andries zelfzeker. Voor mening Antwerpenaar was de keuze snel gemaakt. Dit was duidelijk een broederschap waar ze zich graag toe rekenden.

Meer lezen?

Verschijnt binnenkort: Els Minne, ‘Een meerwaarde voor de Gelovige Zielen. Leden en activiteiten van drie Antwerpse achttiende-eeuwse broederschappen’, Stadsgeschiedenis 2/2020.

Else Minne is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar religieus geïnspireerde solidariteit in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Cort, Hendrik Frans de (tekenaar), Antwerpen. Sinte-Walburgiskerk, het Steen en Vischmarkt ‘t jaar 1788, PK.OSB.0189.007, Collectie Stad Antwerpen, Museum Plantin-Moretus.

Waarom je beter niet alles kan geven om gelukkig te zijn

‘Gelukkig zijn’, zong Raymond van het Groenewoud in 1975, ‘daarvoor wil ik alles geven.’ Sinds het eind van de twintigste eeuw is geluk het ultieme doel van het menselijk bestaan geworden. Het is een van de belangrijkste graadmeters in de hedendaagse samenleving. Er is niet alleen een Bruto Nationaal Product, er is ook een Bruto Nationaal Geluk. Elk jaar horen we welk land het ‘gelukkigste’ is. ‘Gelukscoaches’ en ‘welzijnsapps’ moeten ons helpen om het geluk te vinden.

Ondanks al die aandacht voor het geluk is niet onze tijd, maar de achttiende eeuw de tijd waarin het meeste geschreven werd over het geluk. De achttiende-eeuwse obsessie voor het geluk was verbonden met een toenemende waardering voor emoties en een opkomend individu. Voor het eerst werd persoonlijk geluk op aarde een nastrevenswaardig goed, dat ook voor velen bereikbaar leek. Maar dat geluk was niet hetzelfde als het vandaag is.

De eeuw van het geluk

Mensen werden in de achttiende eeuw vaker met een gelukzalige glimlach afgebeeld, zoals in dit zelfportret van de Franse schilderes Élisabeth Vigée Le Brun (1786, Louvre, Parijs).

Tot de achttiende eeuw was geluk geen grote bezorgdheid voor de meeste mensen. De christelijke leer was gericht op het eeuwig geluk in de hemel, niet op het tijdelijke geluk op aarde. Het leven, zo benadrukten talloze priesters en theologen, was hard en lijden was onvermijdelijk. Dat lijden hadden mensen bovendien zelf verdiend door hun zondigheid. Een nederige, melancholische levenshouding was gepast. Geluk op aarde was enkel weggelegd voor de meest deugdzame mensen, voor zij die zich volledig aan God onderwierpen, zichzelf opofferden en plezier lieten voor wat het was.

Aan het eind van de zeventiende eeuw begon een nieuwe opvatting over geluk echter furore te maken. Een optimistischere kijk op de mens en de wereld kwam op. Velen verwachtten dat het menselijke lijden zou kunnen worden uitgebannen. Geluk op aarde was niet langer het privilege van deugdzame enkelingen, maar iets wat iedereen kon bereiken. Sterker nog, geluk was iets waar iedereen recht op had. Geluk werd het ultieme doel, ongelukkig zijn een probleem om op te lossen. ‘Alle mensen zijn verenigd in het verlangen om gelukkig te zijn’, stond er in de toonaangevende achttiende-eeuwse Encyclopédie van Denis Diderot en Jean d’Alembert. Als nooit tevoren verschenen er boeken over het geluk en hoe het te bereiken. Geluk werd in de achttiende eeuw de maatstaf van alles.

Een staatszaak

In die omstandigheden hoeft het niet te verbazen dat ook overheden geluk tot hun business maakten. Individueel geluk, zo was immers de opvatting, was niet mogelijk zonder maatschappelijk geluk. Heel wat vooruitstrevende vorsten en regeringen wilden zoveel mogelijk mensen zo gelukkig mogelijk te maken (of dat beweerden ze toch). Ook de regering in de Oostenrijkse Nederlanden, zowat het hedendaagse België, maakte van geluk een staatszaak. Toen bijvoorbeeld Goswin de Fierlant in de jaren 1770 aan een nieuwe strafwet werkte, deed hij dat vanuit die bekommernis om geluk. In het kader van ‘preventie’ van criminaliteit benadrukte hij dat mensen moesten leren dat deugdzaam leven de enige manier was om gelukkig te worden. Een crimineel was gedoemd tot een ongelukkig bestaan.

De politieke recuperatie van het geluk was wellicht het meest zichtbaar tijdens de revoluties aan het einde van de achttiende eeuw. Belgische, Franse en vele andere succesvolle en minder succesvolle revolutionairen claimden dat hun revolutie nodig was om het geluk van het land te garanderen. Het meest bekend is ongetwijfeld de Amerikaanse Declaration of Independence uit 1776, waarin Thomas Jefferson stelde dat ‘Life, Liberty and the pursuit of Happiness’ onvervreemdbare mensenrechten waren. Daarmee bedoelde hij weliswaar niet wat we vandaag als ‘gelukszoeken’ beschouwen. Jefferson betoogde dat de Britse heerschappij in Noord-Amerika altijd voor leed en ellende zou zorgen. Onafhankelijkheid was de enige weg naar geluk. Onafhankelijkheid en streven naar geluk waren voor hem synoniemen.

Geluk voor iedereen?

Daniel Nikolaus Chodowiecki, Huiselijk geluk, 1788. (Rijksmuseum, Amsterdam).

Het nastreven – en zelfs bereiken – van geluk mocht dan een mensenrecht zijn, dat wilde nog niet zeggen dat iedereen er écht recht op had. De Amerikanen vonden het prima om de slavernij te legitimeren vanuit het recht van de slavenhouders op geluk. De mensen die tot slaaf gemaakt waren, die hadden er blijkbaar geen recht op. Ook vrouwen en mensen uit de laagste sociale groepen, laat staan bannelingen, konden weinig aanspraak maken op geluk. Aangezien zij (volgens de burgerlijke witte mannen die toen het plak zwaaiden) onmogelijk onafhankelijk konden zijn, was ook geluk voor hen niet weggelegd.

Geluk was – en is – een erg vaag begrip, dat doorheen verschillende periodes steeds nieuwe betekenissen gekregen heeft. Die vaagheid maakt het mogelijk om geluk in te zetten voor allerlei politieke en economische doeleinden. Voor het grootste deel van de achttiende eeuw werd geluk verbonden met het al even vage begrip ‘deugdelijkheid’: een deugdzaam leven was een gelukkig leven. Vanaf het eind van de achttiende eeuw, en vooral in de negentiende eeuw, kwam de nadruk meer op huiselijk geluk: huisje, tuintje, kindje; dat zorgde voor geluk. In onze huidige tijd staat het geluk vaak ten dienste van productiviteit en consumptie. Work hard, play hard: gelukkig worden we als we hard werken én hard ontspannen. Doorheen al die periodes lijkt het erop dat de zoektocht naar geluk heel vaak gebruikt is om conformisme te verkrijgen. Wie niet in de pas liep, dreigde ook het geluk te mislopen.

De geschiedenis van het geluk toont dat geluk beter niet het ultieme streefdoel van het leven wordt. Het streven naar individueel en maatschappelijk geluk is immers perfect verzoenbaar met ongelijkheid, uitbuiting en onvrijheid. Het geluk wordt maar wat graag, soms met succes, ingezet voor andere politieke doeleinden. Misschien moeten we daar toch niet álles voor geven.

Meer lezen?

Deze tekst werd in licht gewijzigde vorm gepubliceerd in Elwin Hofman (red.), De eeuw van Jan de Lichte. Misdaad, verraad en revolutie in de 18de eeuw, Vrijdag, 2020. Rep u naar de boekhandel voor meer over geluk, emoties, seks, misdaad en straf in de achttiende eeuw!

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.

Titelafbeelding: Be Happy door Capture Queen™ (CC BY 2.0).