Categoriearchief: Coronatijd

5 coronatips van Andreas Stynen

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Het einde van de zomer vieren we met de tips van Andreas Stynen.

1 Boek: The Nickel boys van Colson Whitehead

Corona beheerste de verslaggeving dit jaar, maar 2020 wordt ook getekend door Black Lives Matter. Structureel racisme en geweld vormen het leitmotiv in de met een Pulitzer bekroonde roman The Nickel boys. Protagonist Elwood Curtis, een jongeman die al zijn hoop op de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King vestigt, ziet zijn droom van universitaire studies uit elkaar spatten wanneer hij naar de Nickel Academy wordt gestuurd: een tuchtschool waar directie, leerkrachten en opzieners willekeurige agressie inzetten om de jongeren te kraken. Zwart of wit, geen enkele jongen wordt ontzien. Maar voor de zwarte leerlingen gaat de gruwel nog net een stap verder. Het verhaal van The Nickel boys is weliswaar fictie, de roman is op een pijnlijke waarheid gebaseerd: in 2013 werden in Florida op de gronden van de vroegere Dozier School for Boys tientallen lijken opgegraven, met sporen van zware verminking. Colson Whiteheads boek grijpt naar de keel en laat de lezer helemaal ontredderd achter.

2 Muziek: Debussy – Rameau van Víkingur Ólafsson

In zijn nog jonge carrière heeft de IJslandse pianist Víkingur Ólafsson al vele genres verkend. Opnames van onder meer Franz Schubert, Philip Glass en zeker Johann Sebastian Bach leverden hem heel wat lof op. Zijn zeer transparante én warme pianospel trekt hij door op Debussy – Rameau, een zowel muzikaal als historisch intrigerende plaat. Ólafsson brengt er twee baanbrekende Franse componisten met elkaar in dialoog. Aan de ene kant is er Jean-Philippe Rameau, de barokke grootmeester wiens Traité de l’harmonie (1722) de theoretische regels doorgrondde die veel muziek tot op vandaag vormt; aan de andere kant – en twee eeuwen later – is er Claude Debussy, die ondanks een grote bewondering voor Rameau verwoede pogingen deed om de muziek op nieuwe, vaak bewust vervreemdende sporen te zetten. In Ólafssons erg doordachte opeenvolging van composities worden beide componisten haast tijdgenoten van elkaar en klinken onvermoede echo’s en verbanden.

3 Televisie: Babylon Berlin

Twee afleveringen ver in Babylon Berlin: tijdens een bezwerend nummer van een androgyne performer gaat een uitzinnige menigte uit de bol in de Berlijnse nachtclub Moka Efti, terwijl danseressen in bananenrokjes (en de drummer van The Bad Seeds) het publiek verder opzwepen. Wie een traag opgebouwde politieke serie over het einde van de Weimarrepubliek verwacht, is eraan voor de moeite. Het Duitse Babylon Berlin is een intense, erg fysieke reeks die tastbaar maakt op wat voor vulkaan de Duitse samenleving anno 1929 danste. Aanvallen van links en rechts brengen alle zekerheden aan het wankelen en letterlijk tientallen personages proberen zich, met wisselend succes, in de oplopende politieke en sociale spanningen staande te houden. Snedig en bij moment oogverblindend in beeld gebracht, doet het eerste (dubbele) seizoen mij reikhalzend uitkijken naar het vervolg.

4 Fietsen langs het Antitankkanaal

Halfweg de negentiende eeuw werd Antwerpen tot réduit national ‘gepromoveerd’: de stad werd een zwaar beveiligd bolwerk waar de Belgische overheid en het leger zich bij een invasie konden terugtrekken en standhouden. Deze strategie was niet alleen omstreden maar bleek na de Duitse inval in augustus 1914 ook een mislukking: ondanks een dubbele fortengordel werd de slag om Antwerpen verloren. Eind jaren 1930 werd daarom een 33 kilometer lange en 6 meter brede gracht gegraven, in een kwart cirkel van Massenhoven tot Berendrecht. Doel: de opmars van vijandelijke tanks naar de havenstad stoppen. Dit Antitankkanaal zou zijn militaire belofte evenmin waarmaken. Maar het leverde de regio ten noordoosten van Antwerpen wel een groene ader op: het voorziene Duwvaartkanaal werd nooit gerealiseerd en is intussen afgevoerd, zodat de waterloop een rol als langgerekt natuurverbindingsgebied kan vervullen. Als kind ging ik er vaak fietsen en in de coronamaanden herontdekte ik de paden langs de gracht, eveneens uitstekend terrein om te wandelen, lopen en mountainbiken. Ecologisch beheer levert er mooie resultaten op en de vele (sluis)bunkers bleken ideaal om tijdens de lockdown de klauter- en springtechnieken van mijn kinderen te onderhouden.

5 Guilty pleasure: 7 Wonders

De wondere wereld van 7 wonders (CC BY-NC-SA 3.0).

Over kinderen gesproken: de sluiting van de scholen was het startschot om haast dagelijks een bordspel uit de kast te halen. Na enkele weken was er geen twijfel meer over de favoriet: 7 Wonders. Elke speler bouwt een stad uit en dat zadelt haar of hem drie tijdperken lang met keuzestress op. Commerciële of civiele gebouwen optrekken? In militaire of wetenschappelijke infrastructuur investeren? Zelf punten scoren of toch maar de medespelers een hak zetten? Uitbreidingen voegen onder meer leidersfiguren, vloten en collectieve projecten toe en laten de mogelijkheden nog exponentieel groeien. Vele uren pleasure, dat is duidelijk. Maar guilty? Alles bij elkaar misschien enkele seconden – mijn competitiedrang houdt weinig rekening met leeftijd…

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Kaat Wils

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Kaat Wils.

1 Boek: De Toverberg van Thomas Mann

De toverberg (CC BY 3.0).

Thomas Manns De Toverberg (1924) lag al twee jaar te wachten om gelezen te worden. Nu Corona uitbrak, was er geen excuus meer. Voor wie vermoeid of uitgeblust geraakt door de discussies onder medisch historici over de vraag of we nu een intensivering dan wel een transformatie van het ‘medisch regime’ doormaken, biedt het boek uitkomst: samen met hoofdpersoon Hans Castorp kan je je zeven jaar terugtrekken in het sanatorium van Davos. Het boek mag dan een satire zijn op het sanatoriumleven aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, het is toch vooral een ‘innerlijk portret van een tijdperk’, zoals Mann het zelf noemde. En een even leesbare als beklijvende reflectie op de ervaringen van tijd en tijdloosheid, ziekte en dood.

Voor wie na 900 pagina’s lectuur verweesd achterblijft, biedt de uitgave van De Arbeiderspers een extraatje in de vorm van een lezing die Mann over het boek gaf op uitnodiging van de universiteit van Princeton. En voor wie zoals ik schrijft aan een boek dat maar niet lijkt op te schieten, biedt deze lezing onverwacht een vorm van troost: ‘De onderschatting van een project is misschien niet alleen bij mij een telkens terugkerende ervaring. […] Het zal hier wel gaan om een noodzakelijk productief zelfbedrog. Als je je van tevoren bewust bent van alle mogelijkheden en moeilijkheden van een werk en zijn eigen wil kent, die maar al te vaak heel erg verschilt van die van de schrijver, zou je je armen in je schoot leggen en niet eens de moed hebben eraan te beginnen. Een werk heeft in sommige gevallen zijn eigen ambities, die die van de schrijver ver kunnen overtreffen, en dat is maar goed ook.’

2 Muziek: corona-concertjes

Na meer dan 80 corona-concertjes met een schare buurtbewoners in het lokale woonzorgcentrum is mijn kennis van (en soms ook appreciatie voor) de Vlaamse schlager significant toegenomen. Ook de anderstalige nummers uit ons dagelijks groeiend repertoire gaven gaandeweg hun geheimen prijs. Zo bleek Leonard Cohen’s Halleluja een stuk minder devoot dan het leek op basis van de parochiale ijver waarmee het telkens opnieuw door jong en oud werd gezongen.

Ook Joan Baez’ vrolijk klinkende Donna Donna over een kalfje dat niet wil geslacht worden, bleek minder lichtvoetig dan de melodie doet uitschijnen. De versie die Baez in 1960 opnam, gaat terug op een populair lied in het Jiddisch uit de Tweede Wereldoorlog, gecomponeerd door de Oekraïens-Joodse, naar de VS geëmigreerde componist Sholom Secunda. Het verhaal over het kalf dat naar de slachtbank wordt geleid, verwijst uiteraard naar het lot van de Joden in Duitsland en Centraal-Europa. In de Engelse vertaling uit de jaren 1950 werd het lied – explicieter dan in de oorspronkelijke tekst – een ode aan de vrijheid in gevangenschap, de durf om het eigen tragische lot te overstijgen: ‘Stop complaining, said the farmer/Who told you a calf to be/Why don’t you have wings to fly away/Like the swallow so proud and free? […] But whoever treasures freedom/Like the swallow has learned to fly.’ Een lichtvoetige meezinger zal het voor mij nooit meer worden. Mooi blijft het lied gelukkig wel.

3 Wandeling: van Wijgmaal naar Wakkerzeel

Wijgmaal (©Jeroen Vanstiphout).

Corona opende voor mij geen nieuwe wandel- of fietshorizonten. Het ging veeleer om een herhaling van zetten. Zo kan ik eenieder een cultuurhistorisch looptochtje van Wijgmaal via Rotselaar naar Wakkerzeel aanbevelen. Je vertrekt vanuit een 19de-eeuws industrieel dorp dat alle sporen draagt van de liberaal-paternalistische bouwijver van de lokale industrieel en politicus Edouard Rémy. Je doorkruist het door Natuurpunt onderhouden Wijgmaalbroek, loopt langs een kleine herdenkingssite voor de meer dan 300 doden bij de ‘Slag aan de Molen’ van 12 september 1914 en werpt een blik op de huidige molen, tevens decor van de ‘Withoeve’ in de VRT-serie Thuis. Je loopt voorbij enkele boerderijen en allerhande verkavelingsschoon en komt aan in Wakkerzeel. Bij het zien van de kerk en vooral de prachtige Norbertijnenpastorie waan je je even in de 18de eeuw. Spaar wel wat energie voor de terugweg. Zodra de ‘skyline waterline’ van Wijgmaal opduikt, concludeer je dat de (lange) 19de eeuw het toch duidelijk haalt van de 18de eeuw.

4 Film of televisiereeks: I Am Not Your Negro van Raoul Peck

Zoals zovelen keek ik naar aanleiding van de moord op George Floyd en de Black Lifes Matter beweging naar I Am Not Your Negro, Raoul Pecks documentaire over James Baldwin uit 2016. Het is een indringend, scherp maar ook poëtisch portret van de welbespraakte Baldwin en diens genadeloze analyse van de diepgewortelde anti-zwarte reflexen in de Amerikaanse politiek en cultuur. De film blijft dicht bij Baldwins eigen stem en diens herinneringen aan zijn drie vermoorde vrienden en burgerrechtenactivisten Medgar Evers, Malcolm X en Martin Luther King.

Terecht werd opgemerkt dat het vreemd is dat Baldwins homoseksualiteit – die heel wat spot en haat opwekte, ook binnen de burgerrechtenbeweging – nauwelijks aan bod komt. De moeilijke verhouding van een succesvolle zwarte Amerikaanse met de burgerrechtenbeweging was overigens ook een van de thema’s van de documentaire Josephine Baker: the story of an awakening die Canvas in dezelfde periode uitzond. Ilana Navaro’s film toont hoeveel rijker en moeilijker het leven van Baker was dan wat de exotiserende mythe over de dansende celebrity ervan heeft gemaakt. En hoe Black Lifes Matter ook over gender en seksualiteit moet gaan.

5 Guilty pleasure: smakelijke gerechten

Hoofdzakelijk van culinaire aard. Recepten verkrijgbaar op aanvraag.

Kaat wils is gewoon hoogleraar aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de onderwijsgeschiedenis en de geschiedenis van gender en lichamelijkheid. Momenteel schrijft ze een boek over de geschiedenis van hypnose in België.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Nelleke Teughels

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Nelleke Teughels.

1 Boek: The man in the red coat – Julian Barnes

Julian Barnes (CC BY-SA 4.0).

In deze rijk geïllustreerde, onconventionele biografie neemt auteur Julian Barnes het portret van de gerenommeerd gynaecoloog en dokter van de beau monde Samuel Jean Pozzi als vertrekpunt voor een reis doorheen het wijdvertakte netwerk van Pozzi’s vrienden, kennissen, zijn critici en zijn aanbidders, en hun vrienden en kennissen. Op die manier meandert zijn verhaal langs de spilfiguren van de Belle Époque in Europa en de Nieuwe Wereld. Oscar Wilde, Alfred Dreyfus, Edgar Degas, Auguste Rodin, Sarah Bernhardt en Will en Charlie Mayo (oprichters van de Mayo Clinic) zijn maar enkele van de namen die de revue passeren. Hoewel het portret, geschilderd door John Singer Sargent, de titel Dr Pozzi at home draagt, wordt al snel duidelijk dat de dokter daar in de praktijk maar weinig tijd doorbracht. Geen belangrijke gebeurtenis in die ‘verre, decadente, hectische, gewelddadige, narcistische en neurotische Belle Époque’, of Pozzi was erbij. Via deze panoramische blik geeft dit fascinerende werk je het idee alsof je het allemaal zelf beleefde. Ook is het doorspekt met kritisch meta-commentaar over de beperkingen waarmee een auteur geconfronteerd wordt bij het onderzoek naar het verleden.

2 Muziek: Charlotte de Witte at Kompass Ghent 2020 (Lockdown Session)

Geen volwaardig alternatief voor een nachtje stappen, maar volledig los gehen in de huiskamer helpt zeker en vast om wat stress van je af te schudden. Dat schoenen optioneel zijn – het danst echt veel lekkerder op blote voeten – en je het evengoed in je pyjama kan doen vind ik persoonlijk ook fijne voordelen van het huiskamerclubben.

Charlotte de Wittes lockdown session, vanuit een verlaten club Kompass in Gent, is de perfecte soundtrack om het weekend stevig in te zetten. De uitgepuurde technobeats zijn ideaal om je spieren op los te maken, je demonen uit te drijven en de wereld om je heen te vergeten.

3 Wandeling: de ‘koninklijke wandeling’ door het arboretum van Tervuren

Arboretum (CC BY 3.0).

Het geografisch ingerichte arboretum in het Kapucijnenbos, aan de rand van het Zoniënwoud in de gemeenten van Tervuren en Jezus-Eik werd in 1902 aangelegd op verzoek van Leopold II. Professor Charles Brommer, conservator van de Rijksplantentuin in Meise en hoogleraar aan de Université Libre de Bruxelles kreeg de leiding over het project. Het arboretum werd in de daaropvolgende jaren sterk uitgebreid en is vandaag ongeveer 100 hectare groot. Waar de aanplantingen in ‘traditionele’ arboreta doorgaans geordend worden volgens geslachten en soorten, werd het geografisch arboretum van Tervuren volgens geografische gebieden aangelegd. Het herbergt 460 verschillende boomsoorten, waarvan het merendeel bomen die typisch zijn voor de gematigde klimaten van het noordelijke halfrond (Nieuwe Wereld, Europa en Azië). Oorspronkelijk maakte het domein deel uit van de Koninklijke Schenking, maar nu kan je als bezoeker in het vorstelijke voetspoor treden op de Koninklijke Wandeling, die zo’n 7,5km lang is.

Mij vielen tijdens een eerste bezoek vooral de slangendennen (Araucaria) op, een boomsoort die ook bekend staat als Apenpuzzelbomen omdat hun scherpe schubachtige naalden het quasi onmogelijk maken voor apen om ze te beklimmen. Ik kende ze alleen van de opgeschoten exemplaren die Vlaamse voortuintjes, aangelegd in de jaren 70 en bevroren in de tijd, sieren. In combinatie met het gekleurde grind dat het onkruid moet weghouden, getuigen ze daar vooral van twijfelachtige smaak of regelrechte kitsch. Maar wie ze in het arboretum in groepjes van wisselende en soms imposante grootte samen ziet, beseft meteen dat de Araucaria een levend fossiel is. De nu zo vreemd aandoende bladeren waren ooit het voedsel voor plantenetende dinosauriërs. Even indrukwekkend zijn de mammoetbomen of reuzensequoia’s, die tot meer dan 45 meter hoog boven je uittorenen.

4 Tekenfilmreeks: She-Ra

In 1985 lanceerde speelgoedproducent Mattel de tekenfilmreeks She-Ra, Princess of Power, met als voornaamste doel het verkopen van de bijhorende merchandise. (Studio 100 heeft in dat opzicht niet het warm water uitgevonden.) In 2018 lanceerde Netflix een reboot van de serie onder de naam She-Ra and the Princesses of Power. Het verhaal belicht de strijd tussen de magische prinsessen van het rijk Etheria met de invallende Horde, een strijd die uiteindelijk over het lot van het gehele universum zal beslissen. Anders dan het origineel uit 1985 is elk van de 5 seizoenen grappig, intelligent opgebouwd en emotioneel diepgaand. Alle vrouwelijke karakters – die de hoofdmoot van de cast uitmaken – zijn emotioneel complex, hebben hun eigen imperfecties en maken een echte evolutie door doorheen de seizoenen. Die complexiteit beperkt zich niet tot de held(inn)en. Ook de slechteriken hebben rijke achtergrondverhalen, zodat je ook voor hen enige sympathie of op zijn minst begrip kan opbrengen. De reeks heeft empathie voor de omstandigheden die mensen dwingen om slechte morele keuzes te maken, zonder de consequenties daarvan te verbloemen.

Bovendien is She-Ra bijzonder inclusief: niet alleen is er een grote variatie wat betreft de lichaamsbouw en huidskleur van de personages, geen enkele reeks die (ook) mikt op kinderen en jongvolwassenen ging verder in queer representatie. In She-Ra zien we volwaardige liefdesrelaties en verliefdheid tussen vrouwen, een hoofdpersonage dat opgevoed wordt door twee vaders en een non-binair karakter aan wie non-binaire acteur Jacob Tobia hun stem leent. Het mooie is dat de auteur van de reeks, Noelle Stevenson, dit allemaal weet te normaliseren; ze blijft ver weg van een drammerige toon of vlakke stereotypen.

5 Guilty Pleasure: Optyfen met eenden

Het Nederlandse Twitteraccount ‘Optyfen met Eenden’ (@sayNo2Ducks) zet zich al jarenlang geheel belangeloos in om een serieuze problematiek aan de kaak te stellen: eenden moeten dringend het land uit: “ja hoor zodra er een beetje #sneeuw valt vliegen die laffe tyfuseenden naar warmere oorden maar wanneer het weer #lente is komen ze met hangende pootjes weer terug om te profiteren van onze nederlandse gastvrijheid en we staan het nog toe ook nederland is gek geworden”. Hij doet regelmatig oproepen om dit prangende probleem eindelijk op de politieke agenda te krijgen: “okee dus als je echt van nederland houdt dan tweet je de hashtag #2020eendvrij hopelijk wordt hij dan trending en krijgen we eindelijk aandacht van de politiek”.

Twitter wordt, zoals de rest van het internet, vaak misbruikt voor het verspreiden van haatdragende boodschappen, fake news of het uiten van al dan niet terechte frustraties. Martijn van Hoek, de man achter het account, besloot zich, bij het doorwaden van alle bagger op het medium, in te zetten voor een betere wereld door zich voor te doen als een, zoals hij het zelf omschrijft, “totaal van de realiteit losgeraakte stumper die een zondebok heeft gevonden voor alles dat mis is aan zijn leven: eenden. Waarom eenden? Geen idee joh.” Met zijn Twitteraccount, dat intussen meer dan 19 000 volgers telt en waarop hij dagelijks filmpjes, tekeningen en andere eend-gerelateerde ongein post, houdt hij onze verzuurde en gefrustreerde medemens op hilarische en absurde wijze een spiegel voor of laat hij de rest van ons in elk geval schaterlachen.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

5 coronatips van Tom Verschaffel

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Deze week: Tom Verschaffel.

1 Boek: Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur van Orlando Figes

Orlando Figes (CC BY 3.0).

Overal in Europa worden Chopin en Brahms als grote en belangrijke componisten beschouwd, Dickens en Flaubert als grote schrijvers, Delacroix en Van Gogh als grote kunstenaars. In Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur (2019) vertelt Orlando Figes het verhaal van hoe dat gekomen is. Dat hangt hij op aan drie bijzondere figuren die nauw met elkaar verbonden waren: de Russische schrijver Ivan Toergenjev en het koppel waarmee hij zijn leven verbonden heeft, Pauline Viardot, een beroemde zangeres en componiste, en haar man Louis, kunsthistoricus, criticus en schrijver. Of Figes’ démarche helemaal geslaagd en overtuigend is, laat ik hier in het midden, maar zijn dikke boek vind ik in elk geval heerlijke lectuur. Omdat het zoveel aspecten van het culturele leven in de negentiende eeuw beschrijft. En omdat ik al meer dan dertig jaar een voorliefde heb voor Toergenjev en Viardot (ik was een hele tijd lid van de Association des amis d’Ivan Tourgueniev, Pauline Viardot et Maria Malibran). En omdat mijn favoriete Belgische schilder Alfred Stevens (heel even) in Europeanen opduikt.

2 Muziekalbum: Diana Jones, My remembrance of you

My remembrance of you (2006) van de Amerikaanse singer-songwriter Diana Jones. Dat ze zo weinig bekend is, is volkomen onbegrijpelijk, maar heeft het voordeel dat haar concerten klein en intiem zijn. Ik vind haar geweldig, en lees ook op Facebook met instemming haar commentaren op de Amerikaanse politiek. Favoriete tracks van dit album: All my money on you en A hold on me.

3 Wandeling: Lucca en Vigevano

Piazza Ducale met de gevel van de kathedraal (CC BY-SA 3.0).

Favoriete wandelingen als die over de stadsmuren van Lucca, de hele stad rond, van het centrale plein van Santa Fiora naar beneden tot aan Pescheria, of van de Locanda San Bernardo naar de Piazza Ducale van Vigevano, één van de mooiste pleinen ter wereld en gewoonlijk mijn eerste stop op Italiaanse bodem, zitten er dit jaar niet in. Maar wandelingen hebben het voordeel dat je ze ook in gedachten kan maken. Wandelen in de natuur doe ik niet, wegens te saai.

4 Film: Intégrale van Robert Guédiguian

Intégrale, een dvd-box met (bijna) alle films van Robert Guédiguian, een cineast die ik pas nu ontdek. En wat een ontdekking: films die me recht naar het hart gaan, door de thema’s en de verhalen (over sociale strijd, migratie, engagement, familie, vriendschap), de personages, de geest en de (politieke) boodschap. En de manier waarop hij werkt, met een eenheid van plaats (Marseille) en ploeg. Zo goed als altijd worden de hoofdrollen vertolkt door dezelfde hoofdacteurs, Ariane Ascaride, ook zijn vrouw, Jean-Pierre Darroussin en Gérard Meylan, met wie Guédiguian al sinds de lagere school bevriend is. In (Sic transit) Gloria mundi (2019) zit een scène waarin een personage de gevangenis verlaat, de camera volgt stilzwijgend Meylan. De één filmt de ander, na vijftig jaar van samenwerking, vriendschap en vertrouwen: dat is iets dat me zeer ontroert.  Guédiguians bekendste en commercieel meest succesrijke film is Marius et Jeannette (1997), mijn favorieten – al is het onmogelijk te kiezen – zijn Dieu vomit les tièdes (1991), Marie-Jo et ses deux amours (2002), Les neiges du Kilimandjaro (2011) en La villa (2017).

5 Guilty pleasure: Friends

Montage met de acteurs (CC BY-SA 3.0).

Hoe guilty het is, weet ik niet, maar van Friends kan ik geen genoeg krijgen. De reeks is ongetwijfeld gedateerd en niet in alle opzichten ‘correct’, maar ze blijft een onuitputtelijke bron van genoegen, die ik in eindeloze loop tot me neem. Momenteel ben ik weer aan het vierde seizoen. We – were – on – a – break!

Tom Verschaffel is hoofd van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

Vaccinatie: goddelijk of kwaadaardig?

Gastblog door Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq.

De hele wereld hoopt dat onderzoekers zo snel mogelijk een vaccin vinden tegen COVID-19, om zo de huidige sanitaire, sociale en economische crisis in te dammen. Voor sommige gelovigen wordt deze hoop ingegeven door de verwachting dat God zal tussenkomen om het proces te versnellen. Andere gelovigen zijn de mening toegedaan dat alleen het “spirituele” vaccin van tel is, aangezien een medisch vaccin enkel het lichaam geneest. Nog anderen zijn van oordeel dat deze planetaire ziekte een teken is van goddelijke kastijding. Gelovigen hebben dus heel verschillende meningen over het recht op vaccinatie, en de legitimiteit ervan. Dat is niet nieuw. 

Pokkenepidemieën, variolatie en vaccinatie

Een vergelijking tussen de puisten bij pokken (rechts) en koepokken (links) (1896, Wellcome collection, CC BY 4.0).

Variolatie is het veroorzaken van een milde vorm van pokken bij een gezond individu om dit individu te beschermen tegen toekomstige aanvallen van de ziekte. In China vindt men hiervan sporen vanaf de zestiende eeuw. Deze gewoonte verspreidde zich vervolgens, bij het begin van de achttiende eeuw, via de zijderoute richting Frankrijk en Engeland. Hoewel het vrijwillig inenten van een gevaarlijke stof in een gezond lichaam op heel wat weerstand stuitte, waren geneesheren en leiders overtuigd  van de heilzame effecten.

Aan het eind van de achttiende eeuw stelde de Engelse chirurg Edward Jenner vast dat koeienmelksters tijdens epidemieën immuun leken tegen de pokken. Hij experimenteerde met het inenten van mensen met het vocht dat werd gewonnen uit de builen die verschenen op koeienuiers. Dit koepokvirus, verwant aan de pokken, had het voordeel veel minder gevaarlijk te zijn voor de mens, maar deze laatste toch te beschermen tegen de pokken.

De ontdekking van vaccinatie, het inenten met de mildere koepokkenvariant, veroorzaakte een gevoel van enthousiasme en opwinding in een periode waarin pokkenepidemieën de bevolking uitdunden en overlevenden gebukt gingen onder tal van misvormingen en levenslange handicaps.

God heeft de geneesmiddelen van de aarde gecreëerd 

Instruction sur la vaccine, B. P. Despeaux (Parijs, 1808).

Tot 1891, het jaar waarin de Russische arts Elie Metchinokoff het mechanisme van antilichamen ontdekte, bleef het een mysterie waarom vaccinatie leidde tot het voorkomen van ziektes. De meeste leden van de clerus beschouwden immuniteit als een zegen.

Omstreeks 1800 organiseerden Italiaanse priesters processies om mannen, vrouwen en kinderen naar publieke vaccinatiesessies in ziekenhuizen te leiden. Kerkelijke autoriteiten werkten aan pamfletten over bescherming tegen de pokken, en bisschoppen zetten priesters ertoe aan om hun volgelingen op de hoogte te brengen van de noodzaak om hun familie te laten vaccineren. In alle Europese Staten werden geestelijken uitgenodigd om deel te nemen aan de organisatie van de publieke gezondheidszorg; dit gold ook voor missionarissen in de kolonies, waar de inheemse bevolking werd gevaccineerd.

Nochtans bestond er bij bepaalde priesters en predikers een zeker ongemak. Moesten zij hun taken niet beperken tot de zielenzorg van gelovigen? Als reactie hierop herinnerden theologen eraan dat Jezus de zieken genas, en dat de Kerk zich ook steeds heeft ingezet voor de geneeskunde.

Kon men de plannen van de Goddelijke Voorzienigheid doorkruisen? Dat was wat anderen zich afvroegen. Bij theologen ontstond hierover een zekere mate van consensus: God houdt van de levenden en verbiedt hen niet zich te beschermen tegen ziektes. Werden de geneesmiddelen van de aarde immers niet door God voor de mens geschapen?

Een ander argument tegen vaccins werd gevormd door de bezorgdheid over het introduceren van delen van dierenlichamen in de menselijke soort. Deze angst dat de mens zou bedorven worden, noemde men “minotaurisering”. Maar, zo antwoordden een aantal theologen, de mens neemt al lang koeienmelk en -vlees tot zich. 

Tegenstanders van vaccinatie in de negentiende eeuw

Bestrijding der vaccine, Abraham Capadose, (Amsterdam, 1835).

Het is duidelijk dat het verzet tegen vaccinatie niet bij de clerus of bij theologen gezocht moet worden. Geneesheren, onder wie tal van katholieken, namen in de negentiende eeuw deel aan grootschalige vaccinatiecampagnes en kregen daarbij de steun van de clerus. Verder verdedigden velen onder hen verplichte vaccinatie, wat slechts langzaam op gang kwam in Frankrijk en België. Ze respecteerden tegelijkertijd ook het liberale argument van de autonomie van de huisvaders, dat dominant was in het liberale negentiende-eeuwse België. Volgens dit argument had de Staat het recht niet om verplicht een vervuilende materie in het lichaam van zijn burgers binnen te brengen.

Dit laatste principe lag aan de basis van de argumentatie van de anti-vaccinatieverenigingen die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw actief waren. De gelijkstelling van het vaccin met een vervuilende materie was trouwens niet ongefundeerd. Aangezien inentingen van arm tot arm werden uitgevoerd, hebben ze soms (door de toevallige overdracht van geïnfecteerd bloed van de ene gevaccineerde naar de andere) geleid tot de overdracht van ziektes zoals syfilis. Sommige moralisten en geneeskundigen gingen zelfs een stap verder en trachtten te bewijzen dat de invoering van het vaccin de menselijke soort aantastte en verzwakte.

Fundamentalistisch verzet, politiek verzet

Poster voor vaccination tegen pokken (Engeland, 1923, Wellcome Collection, CC BY 4.0).

Religieus gemotiveerd verzet tegen vaccinatie was meer het werk van individuen dan van bewegingen. Aan het begin van de negentiende eeuw was de Nederlandse calvinistische arts Abraham Capadose bijvoorbeeld de enige die zei dat de mens niet het recht heeft voor God te spelen door het lichaam van gezonde individuen te veranderen. Tijdens de Franse periode in België (1795-1814) zwengelde een aantal priesters op het Vlaamse platteland de vijandigheid van de bevolking tegenover vaccinatie aan, maar hun acties maakten tegelijkertijd deel uit van een breder politiek verzet. Ze waren gekant tegen het republikeinse antiklerikale regime dat vaccinatie wilde opleggen aan de bevolking. Ook in de kolonies kwam het verzet tegen vaccinatiecampagnes niet alleen voort uit lokale geloofstradities, maar wijst het ook op een verwerping van de koloniale macht door de gekoloniseerde bevolking.

Vandaag is de opkomst van de ‘vaccinofobie’ uitermate uitgesproken in protestantse landen zoals de Verenigde Staten. Het antivaccinatie-argument van de individuele vrijheid wordt er verbonden met het Amerikaanse grondrecht van “religious freedom”. De geschiedenis bewijst het: vaccinatie en religieuze bekommernissen hebben elkaars pad op verschillende manieren gekruist.

Meer weten?

Yves-Marie Bercé, « Le clergé et la diffusion de la vaccination », Revue d’histoire de l’Église de France, 69, 182, 1983, 87-106.

Françoise Salvadori et Laurent-Henri Vignaud, Antivax : Histoire de la résistance aux vaccins du XVIIIe siècle à nos jours (Parijs, Vendémiaire, 2019)

Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq zijn gastbloggers. Cécile Vanderpelen-Diagre is professor in de hedendaagse geschiedenis aan de Université libre de Bruxelles. Valérie Leclercq is postdoctoraal onderzoekster aan de Université libre de Bruxelles. Ze onderzoekt de ideologische conflicten in de vaccinatiegeschiedenis en in de psychiatrie.

Titelafbeelding: Edward Jenner vaccinating patients in the Smallpox and Inoculation Hospital at St. Pancras: the patients develop features of cows. Watercolour after J. Gillray, 1802. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

5 coronatips van Elwin Hofman

Tijdens de lockdown stond het culturele leven van de Leuvense cultuurhistorici op een lager pitje. Gelukkig waren er ook momenten van verstrooiing, beweging, luister-, kijk- en leesgenot. Deze zomer polsen we naar hun coronatips. Elwin Hofman bijt de spits af.

1 Boek: Black Leopard, Red Wolf van Marlon James

Toen de lockdown inging, kon ik ontsnappen naar de fascinerende en ongewone wereld van Marlon James. Black Leopard, Red Wolf, het eerste deel van een geplande trilogie, is geen doordeweekse fantasyroman met elfen, dwergen en hoofse romances. De roman haalt zijn inspiratie in de Afrikaanse mythologieën en telt bloedmonsters, gedaanteverwisselaars en moordzuchtige hyena’s. Het hoofdpersonage, Tracker, is begiftigd met een bijzondere reukzin. Op basis van geur kan hij zowat alles en iedereen opsporen. In een bijzondere raamvertelling volgen we zijn zoektocht naar de waarheid over een mysterieus verdwenen kind, een zoektocht die minder vanzelfsprekend blijkt dan hij hoopt. Een absolute aanrader voor wie even helemaal wil opgaan in een totaal andere wereld.

2 Muziek: Caroline Shaw, Partita for 8 singers

Caroline Shaw leerde ik kennen dankzij de serie Mozart in the Jungle, een amusante reeks die een inkijk geeft in het leven achter de schermen van een New Yorks symfonisch orkest. In het vierde seizoen van de reeks legt het hoofdpersonage Hailey Rutledge zich toe op vrouwelijke componisten en brengt ze het werk Hi van Shaw in première (Shaw verschijnt ook zelf ten tonele). Caroline Shaw is intussen een van de meest gerenommeerde Amerikaanse componisten. In 2013 won ze een Pulitzerprijs voor Partita for 8 Voices, een indrukwekkende compositie die de grenzen van de vocale muziek verlegt. Wie het liever wat minder klassiek zoekt, kan ook met haar werk kennismaken in een aantal songs van Kanye West, waaronder Wolves en Father Stretch My Hands Pt. 2.

3 Wandeling: de lanen van Heverlee Bos

Corona heeft me er ook toe gebracht mijn eigen onmiddellijke buurt opnieuw te ontdekken. Niet alleen kwam ik allerlei voetwegen en doorsteekjes op het spoor die mij voorheen onbekend waren, ik raakte ook gefascineerd door de historische oorsprong van sommige in onbruik geraakte wegen en paden. Zo ook de lanen van Heverlee Bos. Wie al eens gaat wandelen in dat mooie domein, zal ongetwijfeld de vele lange, rechte wegen die het bos doorkruisen al hebben opgemerkt. Soms zijn ze zelfs netjes omlijnd met eiken of andere bomen – ongewoon voor een bos! De lanen dateren uit de achttiende eeuw en werden tegelijk aangelegd met de Naamsesteenweg, die het bos doorkruist. Oude, slingerende wegen door het bos moesten zoveel mogelijk plaats ruimen voor een rationeel en modern dambordpatroon. Dat paste immers bij de toenmalige opvattingen over bosbeheer, die de eigenaars van het domein, de hertogen van Arenberg, geïnteresseerd volgden. Het hele bos werd heraangelegd en ingericht met oog op nut, schoonheid en vermaak. De opvattingen over bosbeheer zijn intussen sterk veranderd, maar de hedendaagse wandelaar kan nog steeds genieten van de gevolgen ervan.

4 Televisiereeks: Hollywood

In Hollywood staat de geschiedenis op z’n kop. De serie toont het reilen en zeilen in de Amerikaanse filmindustrie kort na de Tweede Wereldoorlog. De ‘gouden tijd’ van Hollywood was echter niet voor iedereen zo verguld, zien we aan het begin van de reeks. Zwarten en latino’s komen er amper aan de bak, homo’s moeten in de kast, vooroordelen en seksueel misbruik zijn er schering en inslag. Maar dan neemt Hollywood even een loopje met de geschiedenis. De onderdrukten komen in opstand – en met succes. Geloofwaardige counterfactual history is het allerminst. Een vermakelijke fantasie is het des te meer.

5 Guilty pleasure: Into the Unknown van Panic! At The Disco

Het heeft lang geduurd, maar een globale pandemie heeft ervoor gezorgd dat ook ik niet langer van Frozen 2 en de bijhorende soundtrack gespaard bleef. Frozen 2 is duidelijk een film voor onze tijd. Niet Anna, maar haar teerbeminde Kristoff maakt zich de hele film lang zorgen over een mogelijk huwelijksaanzoek. Elsa & co moeten er bovendien mee leren omgaan dat hun roemrijke voorvader eigenlijk een massamoordenaar van de lokale bevolking blijkt (hallo Leopold II!). En homeopathie blijkt echt te werken (‘water has memory!’). Ook dé song van de film (het nieuwe Let It Go, zeg maar), Into the Unkown, kreeg door de coronacrisis nieuwe dimensies. Waar we na corona heen gaan, is voor ons allemaal nog een onbekende. Into the unkown. Into the unknOOO–ooo-OO-oown

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.

Titelafbeelding: Gekleurde microfoto van een apoptotische cel (rood) die geïnfecteerd is met SARS-CoV-2-virusdeeltjes (geel).

De pandemie-vrije stad, en hoe er te geraken

Het bewogen voorjaar van 2020 zette tal van zekerheden op de helling. In de weken waarin museumbezoeken, terrasjes of (kleinschalige) voorstellingen uit den boze waren, kwam een oud spanningsveld opvallend op de voorgrond: de tegenstelling tussen stad en platteland. Het optimisme over leven in de agglomeratie – een lager energieverbruik, minder nood aan een wagen, een groter sociaal netwerk – werd nu overstemd door een lofzang op het buitenleven. Appartementen zonder noemenswaardig balkon, gesloten buurtspeeltuintjes en overvolle parken voedden de hunker naar vrijstaande woningen met een weidse tuin, omringd door akkers en bossen. In volle lockdown rekende een gevoel van beklemming af met de aloude idee dat stadslucht vrij maakt. Millennials die voordien hun zinnen op strak ingerichte studio’s en de nieuwste smartphones zetten, postten op sociale media opeens foto’s van moestuinen, een kippenren of zelfgebakken brood – zonder ironie en al dan niet gevolgd door #cottagecore. Rekende het coronavirus af met onze stadsgerichte samenleving?

De centrale Brusselse laan, naar haar grote bezieler burgemeester Jules Anspach vernoemd (E. Bruylant (ed.), La Belgique illustrée (Brussel, z.j.) vol. 1, 136).

Niet iedereen gaf de grootstad zomaar op. Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck ergerde zich in De Standaard (9 mei) aan het beeld alsof een stad per definitie kille woontorens inhoudt en pleitte voor een ándere invulling: ‘De enige goede stedenbouw is kindvriendelijk, betaalbaar én lockdownbestendig.’ Een opvallende plaats in het debat was weggelegd voor mobiliteit. Het haast stilgevallen verkeer bracht sommigen immers aan het dromen. Waarom palmt gemotoriseerd verkeer zo’n groot deel van de openbare ruimte in? Wat als koning auto zijn plaats blijvend aan voetgangers en fietsers zou afstaan? Terwijl het Brugse stadsbestuur een herstelplan uitwerkte waarin het gratis parkeren werd uitgebreid om de lokale handelaars te ondersteunen, legde men elders heel andere accenten. Milaan kondigde onder de naam Strade Aperte een plan aan om tientallen kilometers nieuwe fiets- en voetpaden aan te leggen en in Berlijn startte een proefproject waarin rijvakken tot fietspaden werden omgevormd. Tijdelijke maatregelen of een opstap naar een nieuwe manier van denken?

Weelderige straten

Als het over urbanisme gaat, zijn er precedenten voor een ‘nieuw normaal’ dat op een pandemie teruggaat. Het meest voelbaar, tot vandaag, is de impact van cholera-uitbraken in de negentiende eeuw. De bacterie richtte in opeenvolgende golven wereldwijd een ravage aan, ook in België. De epidemie van 1849 maakte enkel in ons land al ruim 23000 doden, in 1866 was de balans haast dubbel zo dramatisch. Vooral steden kregen het zwaar te verduren: in de provincie Luik bijvoorbeeld lag de sterftegraad tot in de late jaren 1800 in de agglomeraties significant hoger dan op het platteland, iets dat men behalve aan ziekten ook aan vervuiling toeschreef.

In de opvallende reportage (1864-1865) van fotografiepionier Nadar waren de Parijse riolen een verheven symbool van vooruitgang (Parijs, Caisse Nationale des Monuments Historiques et des Sites).

Aanhangers van de aloude miasmatheorie, die stelde dat ‘vervuilde’ lucht verantwoordelijk was voor de verspreiding van ziekten, benadrukten het belang van goede ventilatie en de vrije circulatie van zuivere lucht. Lange, brede en vooral kaarsrechte straten moesten plattelandslucht tot diep in de stad brengen. Wijken met smalle, bochtige steegjes stonden haaks op dat model en werden daarom door de zogenaamde hygiënisten als onverantwoord afgeschreven. Inspiratie vonden ze in Parijs: prefect Georges-Eugène Haussmann begon bij zijn aantreden in 1853 aan een doorgedreven rationalisering om de leefbaarheid van de stad te verhogen. Liefst vijfennegentig kilometer nieuwe straten, de zo kenmerkende boulevards, waren een radicale afrekening met de ‘horribles cloaques’ of weerzinwekkende open riolen waarover hij in zijn memoires repte.

Al in de jaren 1860 werd het eens geminachte Parijs als een van de mooiste steden ter wereld geprezen. Onder druk van de hygiënisten, de experts inzake openbare gezondheid, werd ook in België wetgeving gestemd die het lokale overheden mogelijk maakte om percelen te onteigenen. Dat volksgezondheid een belangrijke motivatie vormde, blijkt uit een verdere versoepeling in 1867, kort na een choleragolf (of ‘blauwe pest’) die alleen in Gent al meer dan 2700 levens kostte. Daar was het wachten tot 1880 vooraleer met het Zollikofer-De Vigneplan de aanblik van de stad grondig veranderde, maar in Brussel ging de spade haast meteen in de grond: in 1871 opende burgemeester Jules Anspach een nieuwe laan, recht door de binnenstad. De Zenne, gezien als een bron van giftige dampen, liep voortaan ondergronds. Echt feestelijk was de gebeurtenis nochtans niet: door corruptie en wanbeheer was een immens gat in de Brusselse begroting geslagen. Helemaal tragisch was dat de interieurs achter de prestigieuze gevels die langs de laan verrezen berucht werden als weinig comfortabel of zelfs ronduit ongezond. Zo ver reikte zijn bevoegdheid niet, moest Anspach in de gemeenteraad toegeven.

Moderne dromen

Paviljoen van een waterreservoir in de Verlaatstraat, klassiek vormgegeven door architect Joseph Poelaert (Brussel, 1857, © GOB-DML, http://www.irismonument.be).

De boulevards gaven de steden een nieuwe aanblik en maakten hen tot een geliefkoosd oord, zowel voor toenmalige flaneurs als voor hedendaagse city trippers. De saneringen hadden echter ook andere dimensies. Zo speelde technologie een niet minder grote rol. Ingenieurs werkten oplossingen uit voor watervoorziening én -afvoer: hun leidingen en rioleringen waren een even belangrijk instrument als de medicijnen en vaccins van artsen. Nutsvoorzieningen waren voorwerp van trots en bewondering en kregen daarom vaak een opvallende inkleding. Watertorens, pompstations, reservoirs… droegen bij tot het beeld van de moderne stad als een samenhangend, functioneel geheel waartegen de oudere, chaotische stad schril afstak. Ook de houding tegenover water zélf veranderde. In de publieke ruimte gold de aanwezigheid hoe langer hoe meer als ongewenst en ‘vuil’, want moeilijk te controleren. Het ‘nieuwe’ water zoals dat sinds halverwege de negentiende eeuw almaar vaker in (burgerlijke) woningen verscheen, met hun keukens en badkamers, was daarentegen een zuiverend element. Veelzeggend is hoe zwemmen in ongereguleerde rivieren en plassen aan sociale status moest inboeten en deze activiteit zich zoveel mogelijk naar nauwlettend gecontroleerde badhuizen verplaatste.

Anderhalve eeuw geleden vormde cholera de aanleiding tot grondige aanpassingen van het stedelijk weefsel, zichtbaar en onzichtbaar, boven- en ondergrond, in praktijken en in denkpatronen. Deze transformaties zijn nu een evidentie, die we niet langer met een pandemie in verband brengen. Of COVID-19 een even grote stempel op stedenbouw zal nalaten, valt af te wachten. Het potentieel is er alleszins.

Meer lezen.

Matthew Gandy, The fabric of space: water, modernity, and the urban imagination (Cambridge MA: MIT Press, 2014).

Maria Kaika, City of flows. Modernity, nature, and the city (New York – Londen: Routledge, 2005).

Ed Taverne en Irmin Visser (eds), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden (Nijmegen: SUN, 1993).

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Project van Léon Suys voor een boulevard dwars door Brussel (Bruxelles, Senne et boulevards. Solution du problème hygiénique et monumental (Brussel, 1865)).

Waarom veerkrachtige samenlevingen beter bestand zijn tegen pandemieën

Gastblog door Maïka De Keyzer.

Rampen lijken zeer vaak een donderslag bij heldere hemel. Weinigen konden het scenario van een dodelijke pandemie in Europa nog voor de geest halen.  De aardbeving in Lissabon in 1755 verraste de stedelingen in hun diepe slaap. De Zwarte Dood doemde op als een onbekende en snelle moordenaar. Vele hongersnoden worden veroorzaakt door episodes van extreme weersomstandigheden.

Toch zijn deze rampen minder onvoorspelbaar dan ze lijken. De inwoners van Noordwest-Europa konden de extreme droogte in de lente en zomer van 1556 en 2019 niet voorspellen. Maar weersextremen in het algemeen, daarentegen, kennen een repetitief patroon. Aardbevingen vinden vooral plaats in zones met tektonische activiteit en komen ook met een zekere regelmaat terug in deze gebieden. Nieuwe virussen en bacteriën, zoals Covid-19 vandaag, plaatsen ons voor een raadsel, maar de confrontatie met besmettelijke ziekten is een constante doorheen onze geschiedenis. Kortom, maatschappijen in het verleden en heden worden regelmatig geconfronteerd met exogene schokken en uitdagingen, die bijzonder destructief of dodelijk kunnen zijn.

Ongelijke impact van rampen

De hongersnood tijdens de bezetting van Leiden (Les Delices de Leide, Pieter van der Aa, 1712. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Toch zijn niet alle maatschappijen even kwetsbaar voor deze uitdagingen. De Zwarte Dood is hier een goed voorbeeld van.  Alle gebieden die in aanraking kwamen met de door Yersinia Pestis besmette vlooien in 1348-1349, kenden een hoge mortaliteitspiek. Toch was het effect van deze pandemie zeer verschillend doorheen Europa. Voor sommige gebieden betekende de oversterfte het begin van een langdurige economische crisis. In grote delen van Engeland bereikte de bevolking en de economie pas het 14de-eeuwse niveau tijdens de 16de eeuw. Andere gebieden vertoonden een opvallende veerkracht. In de Antwerpse Kempen, bijvoorbeeld, groeide de bevolking snel terug aan en de economie kende zijn hoogdagen doorheen een periode die doorgaans als de laatmiddeleeuwse crisis bekend staat.

Hetzelfde verhaal gaat op voor de aardappelcrisis van 1845. De aardappelziekte trof de gewassen in heel Europa; vooral de hongersnood in Ierland is welbekend. De crisis werd nog verergerd door een misoogst van graan in de zomer van 1846. Ierland was echter niet de enige zwaar getroffen regio. De gemiddelde oversterfte in Kust- en Binnen-Vlaanderen bereikte een piek van 40%. Toch was de situatie niet overal even rampzalig. Opnieuw de Kempen, op agrarisch vlak nochtans een onvruchtbare en onproductieve regio, werden minder sterk getroffen met een oversterfte van “slechts” minder dan 20%. Ook de Ardennen en grote delen van Wallonië werden minder hard getroffen.

Tekortkomingen van crisismaatregelen  

De centrale vraag is dus: wat maakt maatschappijen kwetsbaar of veerkrachtig? Waarom leiden exogene schokken zoals pandemieën of extreme weersomstandigheden bij de ene maatschappij tot een regelrechte ramp en worden rampscenario’s bij andere maatschappijen vermeden? Een aspect delen alle veerkrachtige maatschappijen. Ze hebben robuuste instellingen die schokken kunnen opvangen. Het gaat dan zowel om wetgeving of regels die ons gedrag, de politiek of economie vormgeven, als principes zoals de gezondheidszorg, sociale zekerheid, etc.

Pestmaatregelen uitgevaardigd in Ferrara in 1681 (Ferraran poster/leaflet regarding plague precautions. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Grotendeels bestaan er twee soorten instellingen. Enerzijds zijn er de instellingen die gericht zijn op directe, crisis-gerelateerde, korte-termijn oplossingen, zoals quarantainemaatregelen, de veiligheidsraad, “social distancing” en een verbod op export van voedsel ten tijde van hongersnood. Anderzijds zijn er de institutionele structuren die al langer bestaan en niet alleen in crisissituaties van belang zijn. Goed uitgeruste ziekenhuizen en een sterke sociale zekerheid zijn hedendaagse voorbeelden van de tweede categorie. Als de geschiedenis één ding kan aantonen, is het wel het essentiële belang van deze tweede categorie.

Terwijl crisis-gerelateerde maatregelen van wezenlijk belang zijn, lopen ze vaak achter de feiten aan. Overheden in het verleden vaardigden bijna steevast een verbod op het exporteren van graan uit in tijden van hongersnood. Dit brengt echter weinig zoden aan de dijk wanneer het voedselbestand  al te klein is voor de bevolking. In Binnen-Vlaanderen was er het onderliggende probleem van een sterk verarmde en geproletariseerde bevolking die volkomen afhankelijk was geworden van haar magere aardappeloogst. Hetzelfde kunnen we momenteel waarnemen in de coronacrisis. De capaciteit in de zorg snel opkrikken in landen zonder universele gezondheidszorg, onbestaande voorraden van mondmaskers aanvullen en online onderwijs voorzien zonder voldoende expertise of laptops verloopt al snel chaotisch en te traag.

Basisrecept voor veerkracht

De Meesters van de Heilige-Geesttafel delen brood uit onder de disarmen van de Sint-Jakobsparochie in Gent in 1436 (Rijksarchief Gent, Archief Sint-Jakobskerk, Reg. Nr. 649, Fol. 1).

Het geheim van veerkrachtige maatschappijen zijn de instellingen van de tweede categorie, die bestaan ongeacht het voorkomen van een ramp. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de Kempen veel minder kwetsbaar waren tegenover allerlei soorten schokken, zoals hongersnood, pandemieën en economische crisissen, doordat de maatschappij permanente institutionele schokdempers had ingebouwd. Hongersnoden werden tot een minimum beperkt doordat de meeste huishoudens een stuk land bezaten en hun privégrond konden aanvullen met uitgestrekte collectieve heide- en hooilanden. Deze combinatie garandeerde de minimum vereiste productie en stond een gemengde landbouw toe die minder vatbaar was voor misoogsten. Deze crisisbestendige voorzieningen werden bovendien aangevuld met een verregaande herverdeling en solidariteitsmechanismen. De armenzorg in de premoderne Kempen leverden de cruciale voedselvoorraden of goederen zoals brandstof en kledij voor de zwakkeren van de maatschappij.

Deze permanente instellingen waren ingebed en functioneerden goed in alle tijden. Ze bleven standhouden in tijden van crisis. Kinderfouten en problemen met de implementatie waren hier geen probleem. Eenzelfde evolutie zien we ook vandaag. Wat veel efficiënter in werking treedt dan de ad hoc maatregelen voor de COVID-19 crisis, is ons sociaal vangnet. Net zoals de Belgische bevolking in internationaal perspectief op korte termijn met verbazingwekkend weinig kleerscheuren door de economische crisis van 2008 kwam, blijft de economische schok van de coronacrisis voor onze gezinnen beperkt als we dit vergelijken met andere landen. Het systeem van tijdelijke werkloosheid is goed ingebed en kon meteen geïmplementeerd worden.

Een soortgelijk plaatje zien we in onze gezondheidzorg. Landen met een sterke en robuuste gezondheidszorg hebben voldoende opgeleid personeel, medisch materiaal en een grotere buffercapaciteit om de plotse toestroom aan patiënten op te vangen. Hoewel de druk van deze pandemie ons systeem in zijn voegen doet kraken, houdt het voorlopig goed stand. Investeren in een robuuste maatschappij die te allen tijde schokken kan opvangen zonder volkomen afhankelijk te zijn van crisismaatregelen is dus van essentieel belang. De meest robuuste en veerkrachtige maatschappijen zijn die maatschappijen die per definitie crisisbestendig zijn dankzij hun structurele instellingen.

Maïka De Keyzer is gastblogger. Zij is als docent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Ze onderzoekt de oorzaken en gevolgen van welvaart, ongelijkheid, maatschappelijke veerkracht en collectieve actie in de pre-moderne periode.

Titelafbeelding: Plague, war and famine. Etching by Sadler after M. de Vos. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

Geen applaus voor de verpleegsters van gisteren

De huidige coronacrisis vestigt volop de aandacht op het levensbelangrijke werk van verplegend personeel. Dagelijks applaus en witte lakens steken hen een hart onder de riem. Toch worden deze hedendaagse helden al jaren onderbetaald en kregen ze niet altijd maatschappelijke waardering voor hun werk. Het weinig aantrekkelijke statuut van verpleegkundigen is geen nieuw gegeven, maar een constante in de geschiedenis van de verpleegkunde in ons land. Al vanaf de twaalfde eeuw, toen religieuze gemeenschappen de verzorging van zieken en behoeftigen in gasthuizen op zich namen, hing er een stigma rond zorgverlening. Dit werd vooral veroorzaakt door de ondermaatse hygiënische omstandigheden en gebrekkige medische behandelingen, maar ook door het gebrek aan opleiding van de zorgverstrekkers.

‘De arm zal minder sterk zijn, maar het hoofd intelligenter’

In 1902 ging in Antwerpen de eerste verpleegstersschool van start (School voor Ziekenverpleging 1902-1927, Antwerpen, 1927).

Pas in het begin van de twintigste eeuw kwam hierin verandering, door de oprichting van de eerste verpleegstersscholen in Antwerpen en Brussel. In de perceptie van het grootste deel van de bevolking was die nieuwe opleiding echter vooral bedoeld voor dienstmeiden, die soms amper konden lezen en schrijven, en nauwelijks of geen Frans kenden. Het feit dat in de school van de Raad van Godshuizen in Brussel een getuigschrift van de lagere school volstond om de opleiding te volgen, bevestigde dat vooroordeel. In een rapport uit 1904 over de inhoud van de theoretische opleiding in Brussel werd zelfs voorgesteld om noties over anatomie, fysiologie, hygiëne en de observatie van zieken te laten vallen tot leerlingen een elementaire theoretische opleiding hadden doorlopen. ‘De arm zal minder sterk zijn, maar het hoofd intelligenter, aldus de laconieke reactie van geneesheren op het rapport. Ook de lage verloning was een hinderpaal om potentiële kandidaten voor de opleiding over de streep te trekken.

Geen ‘halve artsen

Dokter Van Swieten verwoordde het wantrouwen van de medische wereld tegenover verpleegsters (Haute Ecole Galilée-ISSIG, Brussel).

Pas na de Eerste Wereldoorlog kreeg het verpleegstersberoep een positieve connotatie. Het beeld van de witte engel, die met kennis van zaken dag en nacht klaarstond voor de soldaten, had zijn intrede gedaan. Het positieve oorlogsimago oefende echter geen grote aantrekkingskracht uit op jonge meisjes om een opleiding als verpleegster te starten: de verpleegstersopleidingen hadden het moeilijk om leerlingen te rekruteren. Spoedig kwam ook de al voor de oorlog geuite vrees van geneesheren naar boven: verpleegsters mochten geen ‘halve artsen’ worden, maar moesten zich schikken naar de bevelen van dokters. Op de eerste algemene vergadering van de professionele organisatie voor verpleegsters in 1924 waarschuwde dokter Raymond Van Swieten, directeur van de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus in Brussel, de driehonderd aanwezige verpleegsters ervoor dat de medische wereld wantrouwig stond tegenover de ontwikkelingen in het verpleegstersberoep. Hij benadrukte dat verpleegsters nauwgezet de doktersvoorschriften moesten uitvoeren, hun raadgevingen volgen en de doeltreffendheid van hun behandeling verzekeren. Verpleegsters mochten zich volgens Van Swieten nooit in de plaats van dokters stellen en moesten zich beperken tot een dienende rol.

Naastenliefde

Vierde uitgave van het Plichtenboekje voor verpleging (Centrum voor Bio-Medische Ethiek, Leuven).

Deze dienende rol rechtvaardigde ook de beperkte verloning van verpleegkundigen. In het veelgelezen Plichtenboekje voor ziekenverpleging, dat in 1926 in Leuven werd uitgegeven en nadien meermaals herdrukt, merkte hoogleraar zedenleer en jezuïet Jozef Salsmans op dat de vergoeding van de verpleegster een bijkomstigheid was in vergelijking met haar eerste en voornaamste beweegreden: offervaardige naastenliefde. Daarom moest haar vergoeding niet gezien worden als een loon, maar als een honorarium. ‘In den grond haars harten zal ze God zeer dankbaar zijn, omdat Hij haar een bezigheid aan de hand doet, die op de eerste plaats de uitoefening van uitstekende deugden is en daarbij haar het noodige tot levensonderhoud verschaft’, verduidelijkte de auteur. Van enige waardering voor het werk van de verpleegster was in het boekje geen sprake.

Meer dan dertig jaar Witte Woede

Ook al steeg haar maatschappelijk aanzien tijdens de Tweede Wereldoorlog, toch vertaalde zich dat niet in een groeiende professionele erkenning. Naoorlogse handboeken bleven benadrukken dat een verpleegster nooit onafhankelijk is, maar altijd ondergeschikt aan de geneesheer. Ze moest zich oefenen in volgzaamheid en gehoorzaamheid, niet alleen tegenover dokters maar ook in de contacten met haar oversten. Het duurde nog tot diep in de jaren zestig vooraleer verpleegkundigen ijverden voor een beter statuut. Na jarenlange inspanningen volgde in 1974 de aanpassing van het Koninklijk Besluit nr. 78 over de uitoefening van de geneeskunde. Daardoor werd de uitoefening van de verpleegkunde voortaan beschermd. Voor het eerst werd de maatschappelijke rol van verpleegkundigen duidelijk omschreven: de gezondheidstoestand van patiënten evalueren, verpleegkundige diagnoses opstellen en technische prestaties leveren. Deze omschrijving bood hen een vorm van autonomie ten aanzien van Belgische artsen en een gevoel van erkenning.

De vreugde was echter van relatief korte duur, want eind jaren tachtig ontstond uit onvrede met besparingen in de zorgsector de zogenaamde Witte Woede. Sindsdien kwamen verpleegkundigen regelmatig op straat om daaraan uiting te geven. Tijdens deze coronacrisis kunnen ze rekenen op veel waardering en applaus van de bevolking. De vraag is nu of deze steunbetuigingen in het post-coronatijdperk zullen leiden tot een grotere erkenning en een betere verloning.

Luc De Munck is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in het burgerlijk hospitaal van Ronse in de negentiende eeuw (Erfgoedhuis Zusters van Liefde, Gent).

Cholera, corona en de kracht van cijfers

Tijdens deze weken van coronaquarantaine schrijven we samen geschiedenis. We dijken de epidemie in met een ongekende beperking van onze vrijheid. We ervaren angsten en onzekerheden die ook voor onze groot- en overgrootouders ‘nieuw’ zijn. Zelfs de oudsten onder hen hebben immers geen herinneringen aan de Spaanse griep in 1918 – een pandemie die tot voor kort als een eindpunt gold van een tijdperk van epidemieën in Europa. Sinds die tijd is onze kennis over de verspreiding van infectieziekten enorm toegenomen. Toch vertoont onze omgang met de coronaepidemie vandaag heel wat parallellen met de manier waarop epidemieën in het verleden werden voorgesteld en beheerst.

Statistieken van cholera

De krant Het Handelsblad rapporteerde in 1866 cijfers per provincie over het aantal gevallen van cholera en het aantal overlijdens per provincie.

Cholera teisterde het 19de-eeuwse Europa via terugkerende epidemieën, soms met decennia van luwte tussen.  Vooral de uitbraken van 1848-1849 en 1866, met meer dan 43.000 slachtoffers in België, lieten diepe sporen na in het collectieve geheugen. Artsen die zichzelf ‘hygiënisten’ noemden, boden een plan van aanpak. Zij hanteerden een drievoudige strategie om het ongrijpbare te beheersen. Eerst ontkrachtten zij geruchten in de pers door een ‘choleraepidemie’ te ontkennen (bij valse geruchten) of net te bevestigen (om de overheid en bevolking tot actie aan te zetten). Vervolgens stelden zij nieuwe gevallen medisch vast. Die werden geteld in statistische bulletins, gericht op de doodsoorzaken bij de bevolking  – vergelijkbaar met de cijfergegevens die vandaag via dagelijkse persconferenties worden bekend gemaakt. Zij reageerden ten slotte met hygiënische maatregelen.

De dynamiek van benoemen, vaststellen en maatregelen nemen, maakte de epidemie tot iets tastbaars en wezenlijk. Vandaag gebeurt met de coronaepidemie iets gelijkaardigs: zij krijgt vorm als geheel in de cijfers en maatregelen van deskundigen. Of anders gesteld: de epidemie wordt geconstrueerd om haar te kunnen bestrijden. Zij is pas een ‘epidemie’ als ze ook zo wordt benoemd en voorgesteld met cijfers. De wortels van die dynamiek – en dus van de actuele coronacurve – liggen met andere woorden in de 19de-eeuwse epidemiologische statistiek.

19de-eeuwse gezondheidspolitiek    

De politieke vertaling van die cijfers was heel anders dan vandaag. De overheid legde ter bestrijding van cholera het openbare leven niet stil. Gemeentelijke besturen – het niveau dat toen de grootste bevoegdheid had op het vlak van openbare gezondheid – verboden wel openbare bals, feesten en religieuze processies. Ook kerkelijke diensten werden soms geschorst, een voor die tijd controversiële maatregel die op veel weerstand stuitte bij de bevolking. 

Twee beambten van de Antwerpse gezondheidsdienst ca. 1900 (Collectie Stadsarchief Antwerpen).

De meeste inspanningen waren echter – op aangeven van de hygiënisten – gericht tegen ‘onhygiënische toestanden’. Daarmee werden vooral de leefomstandigheden in de grootstedelijke arbeidersbuurten bedoeld. Hier vertoont zich wél een parallel met het heden: in de manier waarop epidemieën sociale verschillen hebben uitvergroot. De lagere sociale klasse werd immers het zwaarst getroffen door de cholera. Hun dichtbevolkte volksbuurten met gedeelde waterputten vormden de ideale voedingsbodem voor een bacterie (de vibrio cholerae) die zich vooral via besmet drinkwater verspreidde. Bovendien wogen ook de maatregelen ter bestrijding van de epidemie voor hen het zwaarst. Bij een geval van cholera bijvoorbeeld werden hun huizen verplicht verlucht en gedesinfecteerd (gefumigeerd), waardoor zij tijdelijk een ander onderkomen moesten vinden.

De beter beschermde bourgeoisie maakte hen daarbij tot een zondebok voor de snelle verspreiding van de epidemie. De roep om de volkswijken ‘op te kuisen’ klonk plots luid. De lockdown vandaag is weliswaar heel anders, maar treft ons – net als de maatregelen in het verleden – naargelang onze sociale situatie (alleenstaand of met partner en/of kinderen, wonend in een stad of in een landelijke gemeente enz.). Die sociale context bepaalt net als in de 19de eeuw onze ervaring van de epidemie.

Gezondheidsvoorlichting

Op korte termijn bleken de maatregelen van de hygiënisten weinig effectief. De Amerikaanse historicus David Barnes stelt zelfs dat de meeste maatregelen tegen de verspreiding van epidemieën in het verleden hun belofte tot indijking niet hebben kunnen waarmaken. Dat geldt ook voor cholera. Pas met de installatie van waterleidingen en -zuivering in de late 19de eeuw zou de verspreiding stoppen. De laatste grote uitbraak dateerde van 1892-1894. Op lange termijn bleken de politieke effecten niettemin groot. Mede dankzij de ervaring van de choleraepidemieën omarmde de 19de-eeuwse liberale klassenmaatschappij de idee van een staat die sterker kon ingrijpen, op basis van wetenschappelijke inzichten en in het algemeen belang. Epidemieën legden met andere woorden mee de basis voor het 20ste-eeuwse ‘nieuwe’ en centrale beleidsdomein van de volksgezondheid.

Affiche ter promotie van hygiëne op het werk (Repro KADOC-KU Leuven (KCB2751)).

De hygiënisten beleefden rond de eeuwwisseling hun hoogdagen. Vanaf 1908 kon je als Belgisch arts aan de universiteiten van Gent en Luik een extra diploma als ‘hygiënist’ bekomen. De introductie van de laboratoriumwetenschap leidde tot de ontwikkeling van nieuwe medische specialismen als de bacteriologie en de virologie. Een nieuwe generatie schoolartsen, arbeidsgeneesheren en gezondheidsinspecteurs bouwde de gezondheidsvoorlichting en preventieve geneeskunde uit. Hygiëne en ‘handen wassen’ geraakte ingeburgerd. De verspreiding van de kennis over micro-organismen bij het brede publiek leidde bovendien tot het beeld van een strijd tegen een ‘onzichtbare vijand’ – een mobiliserend beeld dat we vandaag volop zien terugkeren in de berichtgeving over de coronaepidemie. Maar de hygiënisten werden ook het slachtoffer van hun eigen succes. Na de Spaanse griep verdwenen de verwoestende epidemieën grotendeels uit Europa. Zij werden een zaak van verre landen. Cholera transformeerde tot een tropische ziekte. De studie van epidemieën in Europa werd een zaak van historici, zo leek het wel.

De tijden zijn intussen veranderd. Eerst met SARS en nu COVID-19 zijn epidemische infectieziekten opnieuw een realiteit geworden. Het discours van een ‘onzichtbare vijand’ en de hygiënisten – nu: virologen – zijn helemaal terug in beeld. Dat geldt ook voor hun wetenschappelijke logica die een ziekte tegelijkertijd als epidemie construeert én beheersbaar maakt. We herontdekken daarbij een stuk van ons verleden. Dat wil zeggen: we maken opnieuw kennis met een collectieve kwetsbaarheid die we ‘voorbij’ hadden gewaand, die we tot voor kort als iets van het verleden hadden beschouwd. Tegelijkertijd blijken de mechanismes waarmee we die kwetsbaarheid het hoofd bieden evenzeer historisch verankerd. Het vatten van een epidemie in cijfers is een beproefd frame waarvan de politieke en sociale vertaling om veel wijsheid vraagt.

Joris Vandendriessche is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van (wetenschappelijke) kennis, geneeskunde en universiteit. Momenteel doet hij onderzoek naar publicatiecultuur en piraterij in de negentiende-eeuwse wetenschap.

Titelafbeelding: Map Exhibiting the Progress of the Late Epidemic Cholera from Hindostan to Great Britain. Credit: Wellcome Collection. Attribution 4.0 International (CC BY 4.0).