Categoriearchief: Coronatijd

5 medicijnen tegen de kwalen van de grootstad

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: tips voor stadsbewoners met lichamelijke en geestelijke problemen.

Leven in de negentiende-eeuwse stad leek soms eerder een kwestie van overleven. Beluiken met kleine, donkere woningen waren broeihaarden van ziekte en onrust. De bewoners waren niet alleen arm maar vooral ook immoreel – toch in de ogen van de dominante bourgeoisie. Vooral na 1880 werd de grootstad almaar vaker omschreven in termen als onnatuurlijk, beklemmend, beangstigend, vermoeiend en smerig. Zeker in contrast met het platteland, waar water en lucht, aarde en ruimte in overvloed aanwezig waren, kwam de stad er bekaaid vanaf. Ook in België dachten velen na over hoe de lichamelijke en geestelijke gezondheidsrisico’s konden worden ingedijkt. De oplossingen gingen heel uiteenlopende richtingen uit, waaronder de volgende vijf.

Vanaf 1895 konden kinderen uit het Antwerps stedelijk onderwijs ’s zomers twee weken terecht in het Naamse dorpje Hamois om er nieuwe krachten op te doen [Ons Woord, 9 (1902)].
  1. Vluchten

In een stad die zelf fundamenteel ongezond was, konden zieken geen genezing vinden. Nieuwe opvattingen over geestesziekte leidden tot de oprichting van psychiatrische instellingen buiten de hectische, gekmakende stad. Maar ook voor lichamelijke klachten adviseerden dokters een verblijf buiten de agglomeratie. Zuivere lucht en helder water golden als remedie voor een waaier aan klachten. Oude kuuroorden als Spa en Chaudfontaine kenden een nieuwe populariteit, kustdorpjes groeiden uit tot drukbezochte badsteden. Wie aan tuberculose leed, hoefde vanaf 1896 niet meer richting buitenland te trekken maar kon in een sanatorium in de bossen van Bokrijk terecht.

  1. Excursies

Ook stedelingen met een goede gezondheid deden er verstandig aan om hun habitat van tijd tot tijd te ontvluchten. Deze regelmatige verandering van milieu zou de zintuigen terug op scherp stellen, het lichaam sterken en de mentale weerbaarheid verhogen. Een langere vakantie, bijvoorbeeld in de Ardennen, genoot de voorkeur, maar ook een korte uitstap zou renderen. Die kon verschillende gedaanten aannemen. Rustige uitstapjes op de fiets waren ideaal om alle stress achter zich te laten én om het eigen land echt te leren kennen – steden waren toch maar anoniem en oppervlakkig. Meer pedagogisch van opzet waren zogenaamde herborisaties, verkenningen van de flora van een bepaalde regio.

De Mechelse stadstuin van François de Cannart d’Hamale, voorzitter van de Belgische federatie van tuinbouwkringen [La Belgique Horticole, 23 (1873)].
  1. Tuinieren

Omdat een tochtje buiten de stad hooguit sporadisch kon gebeuren, dachten sommigen na over een oplossing dichter bij huis. Tuinieren was daarbij the next best thing, een brug naar het platteland. Rijke stedelingen lieten zich in de loop van de negentiende eeuw almaar makkelijker overtuigen om geen tuinman aan te nemen maar zelf aan de slag te gaan: zelfverheffing, tevredenheid, rust, wijsheid maar ook gezondheid waren slechts enkele van de troeven waarmee gespecialiseerde genootschappen deze van oorsprong landelijke, natuurlijke praktijk aanraadden. Wie minder geld en ruimte had, hoefde niet te wanhopen: kamerplanten boden gelijkaardige voordelen maar dan binnenskamers. Vanaf de jaren 1890 raakten dan ook nog eens volkstuinen snel ingeburgerd. De teelt van groenten, fruit en bloemen op kleine percelen gold als een wondermiddel voor de gezondheid en moraal van arbeiders.

  1. Aanplantingen

Sommige plantenliefhebbers, maar ook politici en architecten, pleitten voor een grootschaliger aanpak: private tuinen waren goed, maar aanplantingen in de openbare ruimte waren beter. In parken, op plantsoentjes en in de schaduw van straatbomen zou elke stedeling van groene, landelijke accenten kunnen genieten. Dat genot was echter vooral esthetisch: anders dan vandaag speelde het gezondheidsargument in negentiende-eeuws België hoogst zelden mee in de keuze voor openbaar groen – opvallend, want in Engeland werd al sinds de jaren 1830 in dergelijke termen over aanplantingen gesproken. Bovendien kregen Belgische stadsbomen zelfs vaak met tegenkanting af te rekenen: velen vonden dat ze woningen duister, vochtig en dus net ongezond maakten!

Er waren vele mogelijkheden voor de aanplanting van bomenrijen, maar een vorm van regelmaat was altijd een vereiste [Nouvelles Annales de la Construction, 2 (1856)].
  1. Stadsplanning

Typisch voor het burgerlijke zelfvertrouwen van de negentiende eeuw was het geloof dat men de gezondheidsrisico’s van de grootstad ter plaatse kon verhelpen, via een ambitieuze stadsplanning. Een verwoestende opeenvolging van epidemieën, vooral cholera – alleen al in Gent eiste de ziekte doorheen de negentiende eeuw maar liefst negenduizend doden – vormde een doorslaggevende motivatie om de stad van binnenuit te vernieuwen. Saneringen zoals de overwelving van de vervuilde, stinkende Zenne in Brussel in de late jaren 1860 betekenden een radicale transformatie van het stadsbeeld. Vaak geïnspireerd door Parijs moesten ook in Belgische steden vele wijken met smalle steegjes plaats maken voor nieuwbouw met kaarsrechte, brede lanen.

De aanvoer en circulatie van zuivere lucht, afkomstig van – uiteraard – het platteland was misschien wel het voornaamste principe om de gezondheid van de stadsbewoner te verbeteren. Dat die verkeersaders een eeuw later met hun gemotoriseerd verkeer en het bijhorende lawaai en fijn stof vooral een oorzaak van gezondheidsklachten zouden vormen, was op dat ogenblik nog geheel ondenkbaar.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Begraven in tijden van epidemieën

Gastblog door Oke Dorien Hendrickx.

In 1349 werden er veel sterfgevallen opgetekend. Een oorkonde van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male uit dat jaar vermeldt dat “een menichte van volke… dagehelicx van live ter doot commen”. Het tekstfragment is geschreven in de nasleep van het uitbreken van de eerste pestepidemie in Brugge. De pestepidemieën die de stad ook de volgende drie eeuwen bleven teisteren, zorgden voor de ontwrichting van eeuwenoude begrafenisgebruiken.

Religieuze begrafenissen in epidemieloze tijden

Giovanni Boccaccio, Livre appelé Decameron, autrement surnommé le Prince Galet (14de eeuw).

Als een zieke in de middeleeuwen op het punt stond om te sterven, werd hij of zij op zijn sterfbed omringd door familieleden, die gebeden voordroegen. Een priester diende de stervende het sacrament van de ziekenzalving toe en soms kwam er een dokter of notaris langs die de laatste wil noteerde. Na de dood werd de overledene meteen voorbereid op de begrafenis. Hierbij voerde men een toilet uit, een soort zuivering van het lichaam: het lichaam werd ontkleed en gewassen. Soms werd het lijk opnieuw gehuld in mooie kledij, waarna het werd gewikkeld in een lijkwade. Bij uitgestelde kerkelijke begrafenissen verwijderde men de ingewanden of balsemde men het lichaam, om het ontbindingsproces tijdelijk tegen te gaan.

Na deze begrafenisrituelen kwamen de overledenen terecht in een individueel graf in een kerk of op het kerkhof. Ze werden thuis in een kist of op een brancard gelegd en dan naar hun laatste rustplaats getransporteerd.

Miasmatheorie

Tijdens middeleeuwse epidemieën werd de praal van dergelijke religieuze begrafenisrituelen overbodig. De dood was een alomtegenwoordig gegeven geworden. Begravingen vonden dagelijks plaats en er heerste een voortdurend besmettingsgevaar.

De Augustinessen (of Cellezusters) in het Hôtel-Dieu hospitaal in Parijs (ca. 1482; onbekende miniatuur).

De maatregelen van stadsbesturen om dergelijke epidemieën te bestrijden, vloeiden voort uit een breed gedragen geloof in de miasmatheorie, die de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne samenleving in zijn greep hield. Deze leer stelt dat epidemieën zich verder verspreiden via ‘vervuilde’ lucht. Stank werd met andere woorden gezien als het uiterlijke kenmerk van onreine lucht. Miasma was toen al een oud begrip dat reeds opdook in het oude Griekenland. Hippocrates, de bekende Griekse arts, vormde naar verluidt de basis voor de gelijknamige leer. De theorie zou eeuwenlang, tot in de negentiende eeuw, overeind blijven.

Veranderde begrafenisrituelen

Door de miasmatheorie vond men het nodig om het begrafenisritueel grondig te veranderen tijdens pestepidemieën: het lichaam werd zo snel mogelijk uit de omgeving van gezonde mensen gehaald en zo weinig mogelijk aangeraakt, om besmetting te voorkomen. De gebruikelijke handelingen – het wassen en aankleden van het lichaam – werden grotendeels opzij geschoven, maar één element werd nooit overgeslagen: het wikkelen van het lichaam in een lijkwade. Tijdens epidemieën was de lijkwade namelijk belangrijk om het lichaam herkenbaar te maken tussen de andere overledenen in een massagraf. Ook kregen de meeste pestlijders nog een kerkelijke begrafenisdienst. Een hemels leven na de dood was ook voor hen natuurlijk nog steeds belangrijk.

Bij de pestuitbraken kwamen zogenaamde besorghers naar het huis van het slachtoffer om de uitvaart te verzorgen. De Cellezusters en Cellebroeders, lekencongregaties die focusten op ziekenzorg, waren bevoegd om deze taak uit te voeren. Pestlijken werden meestal ’s nachts getransporteerd naar het kerkhof, om zo weinig mogelijk gezonde mensen in contact te brengen met geïnfecteerden. Hierbij werden de lichamen in grote karren op elkaar gestapeld.

Michaël Wolgemut, The Dance of the Death (1493).

Naarmate de pest steden als Brugge vaker teisterde, kwam er een verbod op kerkelijke begrafenissen en raakten de kerkhoven overbelast. Nieuwe kerkhoven werden aangelegd buiten de stadsmuren, niet alleen om het grote aantal doden een plaats te kunnen geven, maar vooral om besmetting van de gezonde stadsbewoners zoveel mogelijk te vermijden. Mensen die aan een andere oorzaak dan de pest stierven, kregen wel nog een begraafplaats binnen de stadsmuren. Vanaf de zestiende eeuw ging men nog een stap verder. Men deed men afstand van individuele graven en legde gemeenschappelijke begraafputten aan, omdat het aantal pestdoden bleef toenemen.

En hoe verging het de Cellebroeders of –zusters? Na de uitvaart van de pestlijders bleven ze meestal nog een tijdje ter plaatse om een boedelinventaris op te stellen en om het huis grondig te verluchten, zodat alle ‘vuile’ lucht eruit verdween. Ze werden in de volksmond dan ook de pestdragers genoemd, niet enkel omdat ze de pestlijders naar hun laatste rustplaats droegen, maar ook omdat ze zelf veel risico liepen om drager van de ziekte te worden.

Meer lezen:

Boelaert, J.R., Zes eeuwen infectie in Brugge: 1200-1800, Leuven, 2012.

Balace, S. en De Poorter, A. (red.), Tussen hemel en hel: sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Brussel, 2010.

Oke Dorien Hendrickx is bachelorstudent geschiedenis. Ze schrijft in het academiejaar 2018-2019 een bachelorpaper over epidemieën in het middeleeuwse Brugge.

Zingt allen mee over tbc

Gastblog door Christiaan Engberts.

Over de historische ervaringen van artsen met nieuwe medicijnen is weinig geweten. De introductie van een verondersteld geneesmiddel tegen tuberculose in 1890 vormt hierop een uitzondering. De controverses die dit middel opriep, vonden namelijk een plek in de liederen die deze artsen bij hun lokale bijeenkomsten zongen.

Een medicijn tegen tuberculose

Een Tuberculine-injectie in het Charité ziekenhuis in Berlijn.

Tuberculose was in de negentiende eeuw een van de meest voorkomende dodelijkste ziekten. Tot het einde van deze eeuw bleef het onduidelijk waardoor de zogenaamde “witte plaag” veroorzaakt werd. Robert Kochs ontdekking van de hiervoor verantwoordelijke bacterie in 1882 leek echter een veelbelovende eerste stap in de richting van een geneesmiddel. Acht jaar later leek het eindelijk zo ver. Op een congres in Berlijn kondigde Koch trots aan dat hij het gehoopte medicijn ontwikkeld had. De stemming onder artsen en patiënten was euforisch toen het middel onder de naam Tuberculine op de markt kwam.

De euforie duurde echter maar kort. Koch bleek niet in staat te zijn de productiemethode en werking van zijn middel helder te beschrijven en het bleek vaak niet te werken. De medische wereld raakte verdeeld in voor- en tegenstanders van de nieuwe kuur. Vooraanstaande onderzoekers voerden in vakbladen en op congressen felle debatten. De discussie bleef voortwoekeren totdat Tuberculine in de 20e eeuw enkel nog als diagnostisch hulpmiddel en niet langer meer als geneesmiddel gebruikt zou worden.

Het medisch treurlied

De dodelijke uitwerking van tuberculose en de felle debatten tussen prominente wetenschappers leidden ertoe dat het Tuberculinedebat ook ‘gewone’ artsen in zijn greep hield. Hoewel zij zelden de pretentie hadden nieuwe argumenten in de discussie aan te dragen, weerspiegelden zij de heersende onenigheid in hun liederen. Wie in de negentiende eeuw een Duits artsencongres bezocht, kon er namelijk van op aan dat er niet alleen lezingen en discussies op het programma stonden. Na een overvloedige avondmaaltijd werd er meestal ook gezongen.

Titelblad van het Liederbuch.

De liedteksten waren vaak speciaal voor de gelegenheid geschreven op bekende melodieën. De verzamelde heren zongen onder meer graag over hun liefde voor drank, voor vrouwen en voor de eigen professie. Daarnaast goten ze hun eigenliefde regelmatig in de vorm van een treurlied vanuit het oogpunt van een ziekteverwekker. In een van hun liederen doet een lintworm bijvoorbeeld verslag van de wrede verstoring van zijn vredige leven in een heerlijk knusse darm; in een ander lied herinnert een cataract zich de hem noodlottige ingreep van een oogarts.

Bijna alle treurliederen in de in 1892 uitgegeven bundel Liederbuch für Deutsche Aerzte und Naturforscher prijzen de successen van de medische wetenschap zonder voorbehoud. Er is echter één uitzondering: zodra het over de behandeling van tuberculose gaat, verandert de teneur. De hoopvolle vreugde van augustus 1890 slaat langzaam om in een gevoel van teleurstelling.

Van euforie tot vertwijfeling

Het aanvankelijke enthousiasme klinkt door in het Klaaglied van de Tuberculosebacterie. Zoals gebruikelijk in dit genre, beschrijven de eerste coupletten van het lied hoe plezierig het bacteriënleven wel niet kan zijn.  Zoals het in een treurlied nu eenmaal gaat, blijkt echter al snel dat deze idylle geen lang leven beschoren is. Een met een injectiespuit bewapende arts haalt een streep door de rekening:

“Nu rommelt en knelt mijn maag
Nu verschrompelt mijn bestaan.
En dat deed de nare dokter
Met Koch’s Tuberculine.”

Al spoedig werd dit lied gevolgd door sceptischer liederen. Het lied De Bacterie uit 1890 suggereert dat men misschien te vroeg had gejuicht. De tekst – een dialoog tussen een oude wijze en een jonge bezorgde tuberculosebacterie – bevat echter nog geen expliciete kritiek op de werkzaamheid van Kochs middel. In de slotstrofe suggereert de oude bacterie dat ze de arts te slim af kunnen zijn door zijn Tuberculine ’s nachts te stelen.

Antropomorfe microben uit het Liederbuch.

Een jaar later sijpelde er echter steeds meer openlijke kritiek op Kochs middel door in de liedteksten. Ondertussen was gebleken dat Tuberculine hoogstwaarschijnlijk geen blijvende immuniteit kon bewerkstelligen. In het licht van de opeenhoping van dergelijke teleurstellende bevindingen werden de liedteksten steeds kritischer. Het lied Tuberculinum Kochii, gezongen bij een bijeenkomst van artsen uit Hessen in 1891, wekt zelfs de suggestie dat het Koch al die tijd enkel om financieel gewin te doen was geweest:

“Het jaar is voorbij – stop de lofzangen.
Hoeveel hoop verzonk er niet in het graf!
Zij die met goede moed kwamen – ach! – ze taaiden
Met bezwaard hart en lege buidel weer af.”

Dergelijke liederen die de behandelende artsen op hun lokale bijeenkomsten zongen, illustreren hoeveel impact Kochs uitvinding op de medische wereld had. Voor een keer lieten ze liederen met titels als Nunc est bibendum en Dit glas op de vrouwen achterwege om in plaats daarvan de meest recente stand der wetenschap in liedvorm aan een kritische beschouwing te onderwerpen.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw.

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten

In de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog wordt amper aandacht besteed aan het werk van Belgische verpleegsters. Ze waren nochtans met achthonderd, en speelden een vaak levensreddende rol bij de verzorging van gewonde soldaten en burgers. ‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten stond er op hun speldje in een van de grootste Belgische fronthospitalen.

Nieuwe verpleegkundige praktijken

Jane de Launoy (links) bij de toepassing van een nieuwe techniek voor wondontsmetting (Cinematek).

De doorbraak voor de professionalisering van het verpleegstersberoep situeerde zich in België in het eerste decennium van de twintigste eeuw. De eerste opleidingen zorgden ervoor dat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 4477 verpleegsters over een diploma beschikten. Slechts van 8,27 % van dit totaal is met zekerheid bekend dat ze tijdens de oorlog als verpleegster actief waren. Dit cijfer is redelijk laag, omdat het bijna onmogelijk was om vanuit bezet België in fronthospitalen terecht te komen.

Daarom kwamen er tijdens de oorlog nieuwe opleidingen in Londen en Calais. Die moesten zorgen voor de aanvoer van Belgische verpleegsters in de verschillende fronthospitalen. De verpleegsters die in beide steden een stoomcursus volgden, kwamen nadien meteen in Belgische fronthospitalen terecht. Ze werden er geconfronteerd met uiteenlopende en vaak nieuwe praktijken, zoals amputaties, buikoperaties en ontsmetting van oorlogswonden. Ook nieuwe technieken als radiografie, fysiotherapie en bloedtransfusie werden toegepast. De verpleegkundige praktijken hadden meermaals een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van de gewonde soldaten.

‘De vermoeidheid zit diep’

Tekening van een uitgeputte Belgische verpleegster door een Britse soldaat (University of Victoria’s Special Collections Library).

De oorlogsomstandigheden stelden de Belgische verpleegsters zowel fysisch als psychisch zwaar op de proef: velen raakten oververmoeid en werden ziek. De strijd voor het overleven van de gewonden, het personeelstekort, de lange diensttijden, de vermoeiende nachtdiensten, de confrontatie met de dood en de schaarse ontspanningsmogelijkheden zorgden voor een zware fysieke en mentale belasting bij het verpleegkundig korps. De vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zoniet jaren duren om opnieuw weerstand op te bouwen,’ schreef frontverpleegster Jane de Launoy in haar dagboek. Een aantal van haar collega’s moest het werk stopzetten: tussen eind 1916 en eind 1918 dienden 113 verpleegsters hun ontslag in. In diezelfde periode werden ook 680 verpleegsters van het ene naar het andere hospitaal overgeplaatst, wat zorgde voor heel wat stress. Minstens 34 Belgische verpleegsters overleefden de oorlog niet.

Bij de uitoefening van hun werk waren er ook regelmatig spanningen met niet-opgeleide verpleegsters. Vanaf het begin van de oorlog waren er vele dames, meestal uit de burgerij, die op vrijwillige basis verpleegkundige zorgen wensten te verstrekken. Ze beschikten daarvoor meestal niet over de nodige competenties. Dit zorgde voor ergernis bij de geschoolde verpleegsters. Zij vonden dat opleiding en bekwaamheid primeerden op goede intenties.

Ook de verhoudingen tussen Belgische en Britse verpleegsters liepen niet altijd van een leien dakje. De Britse verpleegsters hanteerden een streng reglement, dat hen niet toestond om op het bed van een gewonde te gaan zitten en hen verbood om patiënten met hun naam aan te spreken. De Belgische verpleegsters vonden dat hun Britse collega’s hierdoor te weinig morele steun en troost aan de gewonden gaven. Sommige gewonden gaven daarom aan dat ze het liefst door Belgische verpleegsters werden verzorgd.

Altijd troosten

Belgische frontverpleegsters boden vooral troost (Archief Belgische Rode Kruis).

Bij de verpleegkundige praktijken van Belgische verpleegsters was het opvallend dat het troostende aspect sterk op de voorgrond trad. In zoverre de oorlogsomstandigheden dat toelieten, namen ze de tijd om met de gewonden te praten en hen moed in te spreken. De vooroorlogse traditie van katholieke zorg – waarbij naast religieuzen ook welgestelde dames morele en spirituele ondersteuning boden – speelde daarbij een belangrijke rol. Altijd troosten vat dan ook – meer dan genezen en verlichten – de essentie van het werk van de Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog goed samen. Dat werk is grotendeels onbekend gebleven, maar in de huidige herdenking van de Eerste Wereldoorlog verdient het zeker een plaats.

Meer weten.

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, 2018).

Tentoonstelling Heelkracht. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Poperinge, 30 juni-16 september 2018)

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Van prostituee tot witte engel

‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’, stond er tijdens de Eerste Wereldoorlog op het speldje van de verpleegsters van het hospitaal L’Océan in De Panne. De zin vatte perfect de rol van Belgische verpleegsters in de oorlog samen. Ze waren met enkele duizenden, vaak nog maar net opgeleid, en aan het werk in moeilijke omstandigheden. Toch slaagden ze er geleidelijk in respect af te dwingen voor het verpleegkundig beroep, dat voor de oorlog geen gunstige reputatie had.

Een moeizame start

Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in een hospice in Gent (Archief Zusters van Liefde, Gent).

Tot het einde van de negentiende eeuw waren religieuzen verantwoordelijk voor het verschaffen van verpleegkundige zorgen. Professionele scholing was daarbij onbestaande. In 1882 kwam daar voor het eerst verandering in, toen de stad Luik een theoretische en praktische cursus voor lekenverpleegsters organiseerde. Bij gebrek aan leerlingen werd deze opleiding echter twee jaar later al stopgezet. Ook Brussel gaf in dezelfde periode een eerste aanzet: in 1883 stelde de liberale burgemeester Karel Buls tevergeefs voor om een verpleegstersschool op te richten, en vier jaar later startte de socialistische arts César De Paepe met de organisatie van een beperkte verpleegstersopleiding.

Deze eerste initiatieven hadden af te rekenen met heel wat tegenstand en vooroordelen: de kloosterorden vreesden voor de aantasting van hun monopoliepositie, terwijl het geneeskundig corps bang was voor een aantasting van zijn gezag. Ook de gegoede burgerij haalde de neus op voor het in haar ogen minderwaardige beroep van verpleegster. Verpleegsters hadden toen het statuut van dienstmeid en konden soms amper lezen en schrijven.

Vooroorlogse diploma’s

Kandidaat-verpleegsters in de school van dokter Depage (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Ondanks de weerstand ging in 1902 een eenjarige opleiding voor lekenverpleegsters van start in het Stuyvenberghospitaal in Antwerpen. De echte doorbraak kwam er in 1907: in dat jaar zagen in Brussel niet minder dan drie opleidingen het licht. Onder impuls van de Raad der Godshuizen – de voorloper van het huidige OCMW – startte in het Sint-Janshospitaal een tweejarige opleiding. De Brusselse chirurg Antoine Depage begon zelfs met een driejarige opleiding. Als reactie op deze beide opleidingen voor lekenverpleegsters, ging kort daarna ook de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus van start met een eenjarige opleiding.

De wetgever reageerde opvallend snel op de nieuwe opleidingen. Op 4 april 1908 werd een koninklijk besluit goedgekeurd, waardoor verpleegsters voortaan over een bekwaamheidsdiploma moesten beschikken om hun beroep te mogen uitoefenen. De bestaande provinciale medische commissies organiseerden vanaf dan tweemaal per jaar cursussen en examens voor dit diploma. Tussen 1909 en 1914 reikten de commissies niet minder dan 4250 diploma’s uit. Ook de verpleegstersscholen van Brussel en Antwerpen leidden in dezelfde periode 300 verpleegsters op.

Een stoomcursus in Londen

Belgische verpleegsters tijdens hun opleiding in Londen (Koninklijk Legermuseum, Brussel) .

Deze verschillende verpleegstersopleidingen liepen tijdens de Eerste Wereldoorlog gewoon door. Ze ondervonden verrassend genoeg weinig tot geen hinder vanwege de Duitse bezettende overheid. Heel wat jonge vrouwen voelden zich aangesproken door het perspectief om gewonden te verzorgen, maar ook het vooruitzicht op werkzekerheid speelde een rol. De provinciale medische commissies reikten in de oorlog 1500 diploma’s uit, terwijl de verpleegstersscholen in Brussel en Antwerpen 200 verpleegsters een meerjarige opleiding verschaften. Een aantal van hen kwam terecht in hospitalen in bezet België, anderen slaagden erin om hun druk gesolliciteerde diensten aan te bieden in de fronthospitalen.

In 1915 ging onder impuls van de Belgische dokter Charles Jacobs in het King Albert’s Hospital in Londen ook een stoomcursus van start voor Belgische vrouwen die naar Groot-Brittannië waren gevlucht. Er werden 150 verpleegsters opgeleid, die dan meteen naar hospitalen in niet-bezet België of Noord-Frankrijk werden gestuurd. Ze vervingen er Britse verpleegsters, die in het begin van de oorlog hun hulp hadden aangeboden aan poor little Belgium, maar nu terug in Groot-Brittannië gingen werken.

‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’

Portret van Maria Gruwez, die als verpleegster in een Belgisch hospitaal in het Noord-Franse Gravelines werkte  (In Flanders Fields Museum, Ieper).

Door de inzet van al die gediplomeerde Belgische verpleegsters veranderde het beeld van hun beroep in de loop van de oorlog. In de eerste oorlogsmaanden heerste er nog veel wantrouwen tegenover deze jonge vrouwen, die omgingen met naakte mannenlichamen en het aandurfden hen onder de gordel te verzorgen. Grote delen van de bevolking vonden hun gedrag aanstootgevend, ze werden soms zelfs als prostituees betiteld.

Door hun deskundige zorgen en de groeiende waardering voor hun werk maakte dit wantrouwen geleidelijk plaats voor het beeld van de witte engelen: goed opgeleide vrouwen die dag en nacht klaarstonden om de gewonden te genezen, verlichten en/of troosten. ‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’, schreef een gewonde soldaat op het einde van de oorlog in het poëziealbum van een Belgische verpleegster. Het was illustratief voor de sterk gewijzigde houding tegenover het verpleegstersberoep.

Luc De Munck is student Cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over het werk van Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Titelafbeelding: Een Belgische verpleegster aan het werk in het hospitaal L’Océan (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Een onzichtbare vijand

Het waren krachtige beelden in de eindejaarsoverzichten van 2014: hulpverleners die met mondmaskers en witte pakken de strijd aanbonden met ebola in West-Afrika. De redactie van Time plaatste hen zelfs als Persons of the Year op de cover van hun kerstnummer en duidde die keuze als een eerbetoon aan hun moed en zelfopoffering. Dergelijke beelden zijn niet nieuw. Ze kunnen worden teruggevoerd tot het ontstaan van de moderne epidemiebestrijding aan het einde van de negentiende eeuw. Ook toen symboliseerden mensen in witte pakken de strijd tegen epidemieën. Anders dan nu werd die strijd echter veel optimistischer voorgesteld.

JorisVandendriessche-EenOnzichtbareVijand-CoverTime    JorisVandendriessche-EenOnzichtbareVijand-GezondheidsagentenAntwerpen

The Ebola Fighters in 2014 (l) en twee Antwerpse gezondheidsagenten in 1902 (r).

De zieke stad

In de negentiende eeuw was epidemiebestrijding het werkterrein van de ‘hygiënisten’, een diverse groep van artsen, ingenieurs en chemici die zich profileerden als ‘experts’ in de groeiende sector van de openbare gezondheidszorg. De context waarin de hygiënisten functioneerden was die van de grootstad. De teloorgang van de huisnijverheid en de opkomst van de textielindustrie had geresulteerd in een vlucht naar de stad. Een nieuwe arbeidersklasse leefde er nu in overbevolkte volkswijken. Het gebrek aan ruimte, riolering en zuiver drinkwater maakte bovendien dat epidemieën van cholera en tyfus precies in die volkswijken het sterkst toesloegen. Die realiteit leidde ertoe dat in de negentiende eeuw de stad vaak als ‘ziek’ werd omschreven. Het was een beeld waarop de hygiënisten met hun programma van stadssanering en gezondheidsmaatregelen inspeelden.

Gezondheidsagenten in Parijs, ca. 1900.
Gezondheidsagenten in Parijs, ca. 1900.

Eigentijdse foto’s moesten het project van ‘gezondmaking’ van de stad ondersteunen. Zij toonden het hygiënisme als een modern antwoord op de stedelijke gezondheidscrisis, en de hygiënisten als de voorvechters in de strijd tegen epidemieën. Dergelijke foto’s waren bovendien deel van de negentiende-eeuwse stadsmarketing. Zij representeerden de politieke wil van het stadsbestuur om te investeren in moderne gezondheidsdiensten en ondersteunden het prille sociale beleid. ‘Hygiëne’ werd in politieke kringen vooral gezien als een middel om de arbeidersklasse te verheffen en sociale spanningen te ontmijnen. Dat hele volkswijken daarbij moesten plaatsruimen voor open (en dus ‘gezonde’), maar vooral prestigieuze nieuwe boulevards werd niet als een probleem gezien.

Hygiëne als wetenschap

Opmerkelijk op de foto’s zijn ook de desinfectie-apparaten. Net als de witte pakken symboliseerden zij de wetenschappelijke basis waarop de stedelijke gezondheidspolitiek was gestoeld. Dergelijke apparaten waren nieuw in de late negentiende eeuw. Zij getuigden van de doorbraken in het laboratorium, waar voor het eerst de bacteriologische oorsprong van epidemische ziekten als cholera werd vastgesteld. Het was de tijd waarin de ontdekkingen van Robert Koch en Louis Pasteur de medische pers domineerden. Een nieuwe generatie artsen omarmde de laboratoriumwetenschap en verwierp oudere denkbeelden over het ontstaan van epidemieën. De strijd tegen ‘vuil’ werd nu een strijd tegen ‘bacteriën’. Al snel volgden experimenten met toestellen om woonkamers en kledij te ontsmetten. Het was een van de meest duidelijke toepassingen van de ontdekkingen in het labo. Ook de Antwerpse gezondheidsagenten poseerden niet zonder reden met een dergelijk apparaat.

Een desinfectie-apparaat in 1888.
Een desinfectie-apparaat in 1888.

Al deze wetenschappelijke ontdekkingen zorgden voor een sfeer van optimisme. Het was precies in deze periode dat de epidemiebestrijding bij uitstek als een ‘strijd’ werd beschreven. Onder wetenschappers van het eerste uur leefde de overtuiging dat het bacteriologisch onderzoek op termijn zou leiden tot het verdwijnen van alle epidemieën. Dat optimisme leek gegrond. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werden nieuwe onderzoeksinstituten gebouwd en geraakte het hygiënisme geïnstitutionaliseerd aan de Belgische universiteiten. Vanaf 1908 kon je er het diploma van ‘hygiënist’ behalen. Met die investeringen, zo leek het wel, zou de strijd alleen maar worden opgevoerd en vielen er op korte termijn nieuwe resultaten te verwachten.

Beelden met een boodschap

Dat optimisme spreekt vandaag veel minder uit de foto’s van de hulpverleners in West-Afrika. Succes in de strijd tegen ebola lijkt vooral afhankelijk van de inzet van geëngageerde individuen. Het ongebreidelde geloof in de vooruitgang van de wetenschap, zoals bij hygiënisten, lijkt ver weg. Eens te meer maakte de ebola-epidemie duidelijk dat de toepassing van wetenschappelijke inzichten steeds gebeurt in een specifieke maatschappelijke context. Net zoals de foto’s van rond 1900 de politieke en sociale context van die tijd weerspiegelden, zo zijn ook de beelden van mensen in witte pakken vandaag niet neutraal. Zij blijven erg krachtig en wervend, maar brengen ook een ― enigszins ontnuchterende ― boodschap van een kwetsbare wetenschap in een geglobaliseerde wereld.

Meer lezen?

Joris Vandendriessche en Kaat Wils, ‘Een traject van onderhandeling. Hygiënisme als wetenschap, Antwerpen 1880-1900’, BMGN – The Low Countries Historical Review 128:3 (2013): 3-28. http://www.bmgn-lchr.nl/index.php/bmgn/article/view/9201

David S. Barnes, The Great Stink of Paris and the Nineteenth-Century Struggle against Filth and Germs (Baltimore: Johns Hopkins University Press, 2006).

Fabienne Chevallier, Le Paris moderne: Histoire des politiques d’hygiène, 1855-1898 (Rennes: Presses universitaires de Rennes, 2010).

Joris Vandendriessche is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de geneeskunde in de negentiende en twintigste eeuw. Momenteel werkt hij aan een brede socioculturele geschiedenis van het UZ Leuven in de twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Desinfectie van een school in Parijs, ca. 1900.

Een spuwende professor

Ik maak een vreselijke crisis door. Dat liet de Luikse hoogleraar psychologie Joseph Delboeuf tijdens de zomer van 1894 aan zijn Franse collega en vriend Gabriel Tarde weten. In zijn vorige brieven was Delboeufs ergernis over de middelmatigheid van het intellectuele leven in België al uitgebreid aan bod gekomen. La Belgique est le plus triste pays du monde pour les oeuvres scientifiques. Peuple de marchands, d’industriels et de buveurs de bière, nous n’avons pas une seule revue scientifique de valeur, zo had hij enkele jaren voordien ook aan de Zwitserse arts August Forel geschreven. In de ogen van de vrijzinnige Delboeuf was het katholicisme de belangrijkste verantwoordelijke voor die treurige toestand.  Vanuit het perspectief van het vrij onderzoek zijn we morsdood, zo verwoordde hij het aan een Franse correspondent.

Maar nu, in 1894, trof la terreur noire hem persoonlijk. Aangezien de katholieken in België sinds 1884 onafgebroken aan de macht waren, nam binnen zijn universiteit, die rechtstreeks van de overheid afhing, de greep van het katholicisme toe. Delboeuf begon zichzelf als lid van een bedreigde diersoort te beschouwen. Bestuursfuncties schenen onbereikbaar geworden en kleine pesterijen stapelden zich op. Tijdens vergaderingen leek zijn stem er niet meer toe te doen. Dat zorgde voor frustratie. En die liep wel eens uit de hand. Tijdens de examenzittijd van juli kwam het tot een aanvaring met zijn collega, de historicus Eugène Hubert (die, aldus Delboeuf, in 1884 handig van politieke kleur was veranderd, een jaar nadat hij zijn liberale leermeester Paul Fredericq was opgevolgd). Na Hubert tegen het raam van het vergaderlokaal te hebben geduwd, spuwde Delboeuf hem op het gezicht. Waarop Hubert klacht indiende bij de minister en in de katholieke pers liet aansturen op Delboeufs ontslag of een vervroegd emeritaat.

Lichaam en geest

Het was niet voor het eerst in zijn academische loopbaan dat Delboeuf in moeilijkheden geraakte. In 1863 was hij als doctor in de natuurwetenschappen en in de wijsbegeerte en letteren aan de universiteit van Gent aangesteld om wijsbegeerte te doceren. Hij ondernam in die periode onderzoek naar optische illusies en vond hiervoor steun en interesse bij de beroemde Gentse fysicus Joseph Plateau. Delboeuf hoopte op die manier de van oorsprong Duitse ‘psychofysica’ voet aan de grond in België te doen krijgen. In die nieuwe discipline werden de effecten van allerhande stimuli op menselijke gewaarwordingen en sensaties onderzocht. Dat was een benadering van de menselijke geest die brak met de traditie. De psychologie werd traditioneel immers gezien als een dochter van de wijsbegeerte veeleer dan als een experimentele natuurwetenschap. Psychofysisch onderzoek leek zo een bedreiging voor het abstract, spiritueel en verheven karakter van de wijsbegeerte. Een benadering die ervan werd verdacht het mysterie van de geest te willen reduceren tot een louter materiële kwestie.  Na drie jaar werd Delboeuf, wellicht omwille van het vermeende materialistisch karakter van zijn onderwijs, overgeplaatst naar de universiteit van Luik. Daar kreeg hij – tegen zijn zin – een onderwijsopdracht in het ‘ongevaarlijke’ domein van de klassieke talen.

Een vroegere vorm van hypnose, beoefend in de vroege negentiende eeuw
Een vroegere vorm van hypnose, beoefend in de vroege negentiende eeuw

Delboeufs nieuwe leeropdracht hield hem niet lang weg van de psychologie. In zijn werk stond het verlangen centraal de tegenstelling tussen materialisme en spiritualisme, tussen experiment en reflectie en tussen lichaam en geest te overstijgen. Dat leidde hem onder meer naar vergelijkende studies van mens en dier, naar onderzoek over slaap en dromen, en ten slotte naar het terrein van de hypnose. Vanaf de late jaren 1880 ontpopte Delboeuf zich op dat laatste domein als een internationaal erkend expert. Hij experimenteerde met hypnose als een vorm van anesthesie en als therapeutisch middel bij fysieke letsels en mentale problemen. Maar ook hier botste hij op grote tegenstand. Na drie jaar van publiek debat, keurde het Belgische parlement in 1892 een wet goed die de uitoefening van hypnose nagenoeg exclusief aan artsen voorbehield. Delboeuf bleef kwaad en teleurgesteld achter.

Polemiek en mannelijke eer

In zijn correspondentie toonde Delboeuf zich een emotioneel man, op een haast kinderlijke wijze op zoek naar zielsverwanten. Zijn leven ‘in de provincie’, zoals hij het zelf omschreef, leek hem steeds minder zielsverwanten te bieden. Het verdriet om zijn jonggestorven echtgenote zette zijn eenzaamheid nog meer in de verf.

Dat Delboeuf licht ontvlambaar was, bleek niet alleen uit het spuwincident. Op congressen en in de pers kon hij bijzonder fel uit de hoek komen. Wanneer hij zich intellectueel in het defensief voelde, spaarde hij de grove bewoordingen niet. Het kwam er daarbij op aan de tegenstander buiten de wetenschap te plaatsen, door hem – vrouwelijke discussiepartners waren er nauwelijks in de toenmalige academische wereld – als onbekwaam, dogmatisch of corporatistisch af te schilderen. Die polemische toon deelde Delboeuf met strijdend vrijzinnige publicisten en wetenschappers van zijn generatie. Zijn werk kreeg er een anti-academische toets door, parallel aan zijn associatie van de academische wereld (die hem zo vaak had teleurgesteld) met starheid, conformisme en een gebrek aan durf.

Joseph Delboeuf in 1891
Joseph Delboeuf in 1891

In een recent artikel toont wetenschapshistoricus Raf de Bont aan dat manners in dispute ertoe deden in het negentiende-eeuwse wetenschappelijke bedrijf. Zij hielpen de grenzen af te bakenen tussen het academische en het niet-academische, het wetenschappelijke en het buitenwetenschappelijke. Ook Delboeuf zette zijn discussiestijl strategisch in, al valt te betwijfelen of hij er binnen de academische wereld altijd zijn voordeel mee deed. Naast het hanteren van vaste, herkenbare uitdrukkingen om het met elkaar oneens te zijn, bleven ook oudere praktijken zoals mannelijke erecodes de wetenschappelijke omgangsvormen kleuren. Delboeufs spuwincident is daar een mooi voorbeeld van.

Wanneer hij in de wandelgangen van de universiteit en op vergaderingen merkte dat hij geen vanzelfsprekend gezag meer genoot onder jongere collega’s, voelde Delboeuf zich in zijn eer als ouderdomsdeken aangetast. Daarop onteerde hij een van de vrijpostige jongelingen, door publiekelijk op hem te spuwen. Hubert zocht op zijn beurt naar een manier om zijn eer te herstellen. Hij riep de hulp in van twee gezagvolle collega’s, de historici Godefroid Kurth en Henri Francotte – les deux plus grandes canailles catholiques de la faculté, aldus Delboeuf. Zij schakelden de katholieke pers in. De embryoloog Edouard Van Beneden en de jurist Fernand Thiry wierpen zich op als verdedigers van Delboeuf. Een pendeldiplomatie kwam op gang. Hubert toonde zich bereid zijn klacht terug te trekken. Delboeuf haastte zich zijn brief met excuses als eerste te schrijven, ook al had Hubert er zich toe verbonden zich als eerste te verontschuldigen. Nu was het nog zaak de pers een halt toe te roepen, en te hopen dat de koning – de man die een eventueel ontslag door de minister kon bezegelen – belangrijker zaken aan zijn hoofd had. Delboeuf was er niet gerust in.

Zijn opgeluchte terugblik op de hele zaak bij de start van het nieuwe academiejaar getuigde van de zelfoverschatting die hem eigen was: Je reste à l’université par un miracle.

Aanbevolen literatuur

Raf de Bont, ‘“Writing in Letters of Blood”: Manners in Scientific Dispute in nineteenth-century Britain and the German Lands’, History of Science, 2013, 309-335.

Coverafbeelding: Jean-Noël Chevron, Salle académique de l’Université de Liège, 1827, Collections artistiques ULg.

(Kaat Wils)

Kaat Wils is hoofd van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Haar onderzoek betreft de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen in de negentiende en twintigste eeuw, de geschiedenis van gender, lichamelijkheid en seksualiteit, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek.

Archiefstukken als toiletpapier

Een archief is geen toilet. En archiefstukken zijn geen toiletpapier. Toch bevindt zich in het Nederlandse Nationaal Archief in Den Haag een omslag met de titel ‘Stukken betreffende een onderzoek van De Stuers naar aanleiding van een gerucht over het gebruik van een archiefstuk uit het rijksarchief in Noord-Brabant als toiletpapier’. Pardon? Dat archiefstukken in de negentiende eeuw regelmatig werden uitgeleend, is hier al eerder beschreven, maar dit is toch nog wel wat anders. Dit is een onwelriekende affaire uit het jaar 1888 over archiefstukken als toiletpapier en de bureaucratisering van de archivaris.

Archivaris-avonturier

Het toiletpapier heeft een lange geschiedenis die begint in het zesde-eeuwse China. De eerste vermelding van het gebruik is van de Chinese geleerde Yan Zhitui. Het was ook in China dat in de veertiende eeuw voor het eerst op fabrieksmatige wijze toiletpapier werd geproduceerd. Pas in de late negentiende eeuw werd toiletpapier in de westerse wereld een handelsartikel op grote schaal. Allerlei soorten papier zijn in gebruik geweest, maar vanaf het eerste begin heeft er consensus bestaan dat papier van grote waarde niet voor het toilet bestemd was. Of zoals Yan Zhitui het stelde: ‘Papier met daarop citaten van of commentaren op de Vijf Klassieke Werken of de namen van wijsgeren, zal ik niet voor toiletdoelen gebruiken’.

Victor de Stuers, (eventjes niet) aan het werk
Victor de Stuers, (eventjes niet) aan het werk.

Het enige gedocumenteerde (vermoedelijke) geval van het gebruik van archiefstukken als toiletpapier vond plaats in 1887. De kwestie betrof het Noord-Brabantse archief, maar het gerucht bereikte een jaar later het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar werd de zaak niet licht opgenomen. De minister en een van zijn ondergeschikten delibereerden uitvoerig over de brief die naar de archivaris zou worden gestuurd. De ambtenaar was niemand minder dan jonkheer Victor de Stuers.

De Stuers was referendaris (hoofdambtenaar) voor kunsten en wetenschappen op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij is bekend geworden als de grondlegger van de Nederlandse monumentenzorg, en niet ten onrechte. Zijn hele werkzame leven stond in het teken van het behoud en beheer van erfgoed: hij redde kunst van de ondergang, zorgde voor de restauratie van veel oude bouwwerken én voor de oprichting van nieuwe (het Rijksmuseum in Amsterdam is het bekendste voorbeeld). Ook de archieven waren erfgoed en dus kregen ook zij ruimschoots zijn aandacht.

Bijvoorbeeld in ons verhaal. Een van de conceptversies van de brief aan de archivaris, d.d. 7 mei 1888,  beschreef gedetailleerd wat er misschien was gebeurd:

Men verhaalt mij dat ten vorigen jare een register uit uw archief, uitgeleend aan een lid van de Commissie der Vicarien, in de woning van laatstgenoemde geworpen is op het heimelijk gemak en gedeeltelijk zelfs in den beerput, en dat dit gedeelte wel weder geheel of ten deele is tevoorschijn gebracht, doch natuurlijk in uiterst gehavenden toestand aan ’s Rijks archiefdepot is terugbezorgd.

Op de brief zijn aantekeningen in potlood te vinden. De minister was niet voor ingrijpen en vroeg naar de bron van dit verhaal. De Stuers wenste zijn bron voor dit verhaal te beschermen én achtte ingrijpen geboden. Volgens hem was het ‘niet ordelijk (…) dat dergelijke feiten – de ergste die in een archief voor kunnen komen – worden verzwegen.’

Archivaris en jachthond: Johan Adriaan Feith.
Archivaris en jachthond: Johan Adriaan Feith.

En had De Stuers geen gelijk? Historici waren in de negentiende eeuw immers steeds bezig archiefstukken te beschermen. In de praktijk betekende dat rondtrekken langs vochtige kelders en lekkende zolders om zoveel mogelijk archiefmateriaal te verzamelen. Een van de avonturiers was Antonius van Lommel, S.J., die bijkans alle archieven in Nederland en België bezocht, onder meer op zoek naar alles wat van enig belang was voor de geschiedenis van zijn Jezuïetenorde. Na zijn dood werd hij omschreven als een ‘jager’, zijn werkterrein als ‘de velden zijner jacht’.

In hun strijd tegen de vergankelijkheid richtten historici (meestal provinciale) archieven op waar de stukken veilig zouden zijn. Ook zij moesten eropuit om hun depots te vullen. Johan Adriaan Feith bijvoorbeeld, de Groninger archivaris, vond eens op de zolder van het stadhuis een eikenhouten kist, waarin oude papieren zouden zitten en daarop sloeg hij aan ‘als een jachthond, die wild heeft geroken’. De zestiende-eeuwse oorkonden werden in het Groninger archief opgenomen; voor de archivaris-avonturier volgde op de jacht steeds de redding. 

Archivaris-ambtenaar

De wereld ‘buiten’ was in de ogen van de archivaris niet alleen vernielzuchtig, maar ook wanordelijk. De archiefdepots moesten het tegengestelde daarvan zijn. De archivaris zorgde er tegelijkertijd voor rust én orde. Hij kreeg daardoor een dubbelrol. ‘Buiten’ was hij de avonturier die de ‘schatten’ – zoals hij de stukken liefkozend noemde – redde. ‘Binnen’ was hij de ambtenaar die zijn repetitieve taken vervulde: de stukken werden geordend, geïnventariseerd en keurig in het archief opgeborgen.

Aan het einde van de negentiende eeuw woog de rol van ambtenaar steeds zwaarder in het werk van de archivaris. De rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant A.C. Bondam hield zich bijvoorbeeld bezig met prozaïsche zaken als het salaris van de conciërge en het onderhoud van zijn depot. In een brief vroeg hij zijn Groningse collega Feith om raad, naar verwarming, waterleiding, een lift in het archief, het lawaai, de manier van schoonmaken enzovoort. En Bondam inventariseerde, zoals opgedragen in de ‘Instructie voor den Archivaris in Noord-Brabant’, de stukken in zijn archief.

In het Rijksarchief in de provincie Noord-Brabant heerste onder archivaris Bondam  discipline. De stukken waren gedisciplineerd door de orde van het archief, maar ook de medewerkers. In Bondams archief stond de zorg voor de stukken centraal en daartoe functioneerden alle medewerkers onder strenge tucht. Zo moest brand, de grootste vijand van de archivaris, worden voorkomen. De instructie voor de conciërge-boekbinder getuigde ervan. Hij moest de kachels enkel met ‘bijzondere voorzichtigheid’ aansteken en mocht nooit andere dan ‘Zweedsche lucifers’ gebruiken.

Hoe kon het bij zoveel voorzorg dan toch misgaan in Noord-Brabant? Het was immers Bondam die een brief ontving van de minister van Binnenlandse Zaken over een register dat ‘in uiterst gehavenden toestand’ in het archief was terugbezorgd. De uitleg van het gebeurde was niet meer zo expliciet als in de conceptbrief die De Stuers had voorgesteld, maar het ging hier wel degelijk om het gebruik van archiefstukken als toiletpapier.

Orde, rust en discipline. Een archief zoals het hoort.
Orde, rust en discipline. Een archief zoals het hoort.

Bondam reageerde binnen twee dagen. Volgens hem berustte de brief van de minister op een ‘misverstand’. Goed, er was wel door ‘den heer v. Lommel’ – de al genoemde jezuïet – een register teruggebracht met een gescheurd schutblad, maar na herstelwerkzaamheden was er geen schade meer. Bondam had het verhaal, zo gaf hij toe, wél ‘als een voorbeeld gesteld’ voor zijn medewerkers en het daarom misschien extra aangezet. Het was een middel om hen ‘tot waakzaamheid en opletten aan te sporen’ en een grond te geven het uitlenen van sommige stukken te weigeren. Maar uiteindelijk betrof het hier niet meer dan een urban legend die de archivaris nodig had om zijn ondergeschikten scherp te houden.

Archivaris-humorist

Bondam maakte kennis met de onwennige werkelijkheid van de archivaris die was opgenomen in het ambtelijk apparaat. Niet alleen hield hij zijn stukken en zijn personeel in de gaten, de archivaris-ambtenaar werd ook steeds zelf gevolgd in zijn doen en laten. Vooral nadat de provinciale archieven op instigatie van De Stuers waren omgevormd tot rijksarchieven in de provincie aan het einde van de jaren 1870, maakte de archivaris kennis met de bureaucratisering. Hij moest elk jaar een gestandaardiseerd jaarverslag opsturen naar ‘Den Haag’ en werd ook daarbuiten gecontroleerd.

Bondam had die controle ondervonden en voelde zich er ongemakkelijk bij. Naast zijn officiële brief aan de minister stuurde hij daarom een informeel schrijven rechtstreeks aan De Stuers. Van het verhaal klopte niets, moest de referendaris weten. De bron van De Stuers was niets meer dan een ‘wouwelaar’ of een ‘kwaadspreker’ die hem een hak wilde zetten. Bondam herhaalde ‘hoe blijkbaar onwaar dat geheele secreetverhaal van uw misschien secreeten maar weinig discreten prater is’. Het was kantoorhumor die kennelijk hoorde bij het ambtelijk apparaat. De toon varieerde echter naar gelang de plaats in de hiërarchie. In Den Haag had De Stuers op een van de eerdere versies van de brief aan Bondam een grap in dezelfde trant gemaakt. In groen potlood stond daar: ‘NB. Deze zaak behoort tot het privaat-leven’.

Bondams brief had geen effect omdat De Stuers overal ogen had. Zijn bron was de meest bevoorrechte, namelijk Antonius van Lommel. Hij had de feiten van nabij meegemaakt en aan De Stuers meegedeeld. Dichter bij de waarheid over de zaak zullen we waarschijnlijk niet komen. Het was zo

dat werkelijk het Register op het privaat ten huize van pastoor Spierings door hem ’s avonds is achter gelaten, dat dit den volgende ochtend is opgemerkt, dat toen bleek het titelblad in 4 deelen gescheurd en geheel of ten deele gebruikt te zijn ad usus domesticus posterioris curae; dat toen met een tang de stukken opgevischt, geclarifieerd en weer samen geplakt [zijn].

Meer lezen

Of er nog verdere stappen ondernomen zijn tegen Bondam, daarover vermeldt 2.04.13, omslag 2517 in het Nationaal Archief niets. Wie wil meer weten over Victor de Stuers kan terecht bij de knappe biografie van Jos Perry, Ons fatsoen als natie. Victor de Stuers 1843-1916. Het levensbericht van Antonius van Lommel staat hier. En Bondam, de arme Bondam, over hem is mij verder niets bekend, behalve dat hij nog tot 1905 archivaris in Noord-Brabant bleef.

(Pieter Huistra)

Pieter Huistra is postdoctoraal onderzoeker van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In 2013 behaalde hij de doctorstitel op het proefschrift Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830 en 1870. Zijn onderzoek betreft de geschiedenis van de geesteswetenschappen, de sociale en biomedische wetenschappen.