Categoriearchief: Komkommertijd

4 katholiek verantwoorde manieren om syfilis te bestrijden

De zomer is helaas voorbij. Toch trakteren we u nog op een laatste zomerblog met katholiek gezondheidsadvies om syfilis te lijf te gaan.

Syfilis was al sinds de zestiende eeuw bekend en gevreesd. Tot de negentiende eeuw werd een besmetting met syfilis echter vooral als een persoonlijk drama beschouwd, dat enkel de patiënt zelf en zijn gezin raakte. In de negentiende eeuw kwam hier verandering in. Onder invloed van het idee dat een “ras” niet alleen positief kon evolueren maar ook ten onder kon gaan aan bijvoorbeeld ziektes en immoreel gedrag – het zogenaamde degeneratiedenken – werd syfilis bij uitstek dé ziekte die heel de maatschappij schade kon berokkenen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de bezorgdheid om de gevreesde geslachtsziekte bijna een medische obsessie. Deze aandacht stond in schril contrast met de genezingskansen. Veel verder dan wat halfslachtige behandelingen met kwik en arseen kwamen artsen immers niet.

“Prevent Syphilis in Marriage”, poster van the New York State Department of Health.

Niet alle dokters hadden dezelfde visie op hoe de verspreiding van de ziekte kon worden tegengegaan. In 1922, toen de Eerste Wereldoorlog – zo werd beweerd – een nieuwe stimulans had gegeven aan het aantal besmettingen, formuleerde de Brusselse katholieke arts Fernand Daubresse een aantal richtlijnen over hoe zijn collega’s op een moreel verantwoorde manier met de ziekte konden omgaan. Katholieke artsen hadden zich net verenigd in de Société belge de Saint-Luc, waarbinnen ze morele en medische thema’s bediscussieerden. Hun discussies vonden ook een weg naar het tijdschrift van de vereniging, het Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc. De adviezen van Daubresse in het in dit tijdschrift verschenen artikel “La lutte contre les maladies vénériennes” moesten katholieke artsen helpen om “individuen, de familie en de toekomst van het ras” te beschermen tegen de ravage die syfilis kon aanrichten.

  1. Deugdelijkheid

Oude vuistregels werden over heel het medisch spectrum gedeeld. Ook katholieke dokters vonden het “beter te voorkomen dan te genezen”, maar zij vulden dit adagium anders in dan hun liberale collega’s. Die laatsten durfden al wel eens het gebruik van anticonceptie aan te raden, wat in de ogen van de katholieke artsen verderfelijk was. Naast religieuze bezwaren speelde de overtuiging dat de man zijn passies moest kunnen bedwingen hier een grote rol bij. Katholieke artsen wensten zich niet neer te leggen bij het idee dat “de menselijke passie te groot is” om seksuele matigheid te bepleiten. Zelfcontrole was cruciaal voor elke welopgevoede burger. Voor vrijgezellen was geheelonthouding dus het beste en enige sluitende preventiemiddel om niet besmet te raken met een venerische ziekte. Voor echtgenoten betekende dit vasthouden aan de huwelijkse trouw en geen genot buiten het echtelijk bed zoeken.

Prent uit 1895 die op afschrikwekkende wijze de gevolgen van syfilis moest tonen.
  1. Angst

“Maar zelfs als de geest sterk is, is het vlees soms zwak,” moesten ook deze katholieke artsen toegeven. Omdat zij beseften dat niet elke jongeman zijn driften kon bedwingen louter op basis van zijn loyaliteit aan de katholiek moraal, dienden dokters ook de negatieve gevolgen van een losse seksuele omgang te benadrukken. Deze voorlichting moest bovendien de medische gevolgen van syfilis overstijgen. Dokters moesten de jeugd inpeperen dat het te vroeg (lees: voor het huwelijk) en te gulzig verkennen van de menselijke seksuele capaciteiten niet alleen “de normale evolutie van het menselijk organisme belemmert”, maar hen ook teleurgesteld, egoïstisch, afgemat, ongevoelig, ongeïnteresseerd – kortom, gedegenereerd – zou maken. Besmetting zou bovendien niet enkel hen, maar heel hun familie schade berokkenen.

  1. Sport en spel

Niet enkel tijdens consultaties, maar ook in de openbare ruimte moest het ideaal van onthouding aangemoedigd worden. Posters op publieke plaatsen dienden de voordelen van seksuele onthouding te benadrukken. Tegelijk moesten jongeren een andere manier aangereikt krijgen om hun jeugdige energie kwijt te kunnen. Hier hadden de dokters een gezond alternatief voor ogen: “we moeten hun exuberante fysieke activiteit richting sport en spel leiden, en zo hun lichaam en geest zoveel mogelijk op peil houden.” Zo sloegen de dokters twee vliegen in één klap. Jongelingen werden namelijk weggehouden van seksuele escapades en tegelijk fysiek en mentaal fit gehouden. Immers, de jeugd vormde de toekomst van de samenleving.

Poster van het Franse Departement voor Hygiëne.
  1. Hygiëne

Katholieke artsen benadrukten wel dat zij uiteraard nog steeds dokters bleven en niet enkel moraalridders waren. Zolang het binnen de grenzen van het moreel aanvaardbare bleef, kon medisch bijgesprongen worden om de mogelijk negatieve gevolgen van seksueel contact te bestrijden. Waar condooms uit den boze waren, was het ontsmetten van de geslachtsdelen voor en na de daad wél toegestaan. Tenminste, voor mannen vormden desinfecterende middelen geen probleem. Maar “voor vrouwen is het gebruik van antiseptica, voor en na geslachtsgemeenschap, tegelijkertijd een anticonceptiepraktijk die spermatozoa vernietigt op dezelfde manier als de ziektekiemen”. Enkel in zéér uitzonderlijke situaties, zoals wanneer er sprake was van verkrachting, was het vrouwen toegestaan ontsmettingsmiddel te gebruiken.

Katholieke dokters bewandelden in hun opvattingen over syfilis soms een dunne koord tussen medisch en moreel verantwoord, maar uiteindelijk stond het matigheidsideaal voorop in hun kruistocht tegen syfilis. De morele deugdelijkheid van seksuele terughoudendheid benadrukken was de eerste taak van elke katholieke arts, onder het motto dat abstinentie de beste anticonceptie was. En als jongelingen aan dit ideaal van deugdelijk gedrag niet genoeg hadden om zich in te houden, dan moest het maar op een harde manier, met dreigende woorden en afschrikwekkende prenten van patiënten en hun symptomen om te tonen wat de ziekte kon aanrichten. Het medische kwam er slechts in laatste instantie bij kijken, in heel uitzonderlijke omstandigheden van besmetting. Pas in de jaren 1940, met de ontwikkeling en verspreiding van penicilline, werd syfilis een pak makkelijker te genezen. Ondertussen was de medische hysterie rond een mogelijke degeneratie van de samenleving ook al eventjes gaan liggen. Zowel bezorgde artsen als krolse jongelingen konden iets meer op hun beide oren slapen.

Meer lezen.

Fernand Daubresse, “La lutte contre les maladies vénériennes dans ses rapports avec la morale catholique,” Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc, 1.2 (1922), 19-31.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1900-1965.

5 medicijnen tegen de kwalen van de grootstad

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: tips voor stadsbewoners met lichamelijke en geestelijke problemen.

Leven in de negentiende-eeuwse stad leek soms eerder een kwestie van overleven. Beluiken met kleine, donkere woningen waren broeihaarden van ziekte en onrust. De bewoners waren niet alleen arm maar vooral ook immoreel – toch in de ogen van de dominante bourgeoisie. Vooral na 1880 werd de grootstad almaar vaker omschreven in termen als onnatuurlijk, beklemmend, beangstigend, vermoeiend en smerig. Zeker in contrast met het platteland, waar water en lucht, aarde en ruimte in overvloed aanwezig waren, kwam de stad er bekaaid vanaf. Ook in België dachten velen na over hoe de lichamelijke en geestelijke gezondheidsrisico’s konden worden ingedijkt. De oplossingen gingen heel uiteenlopende richtingen uit, waaronder de volgende vijf.

Vanaf 1895 konden kinderen uit het Antwerps stedelijk onderwijs ’s zomers twee weken terecht in het Naamse dorpje Hamois om er nieuwe krachten op te doen [Ons Woord, 9 (1902)].
  1. Vluchten

In een stad die zelf fundamenteel ongezond was, konden zieken geen genezing vinden. Nieuwe opvattingen over geestesziekte leidden tot de oprichting van psychiatrische instellingen buiten de hectische, gekmakende stad. Maar ook voor lichamelijke klachten adviseerden dokters een verblijf buiten de agglomeratie. Zuivere lucht en helder water golden als remedie voor een waaier aan klachten. Oude kuuroorden als Spa en Chaudfontaine kenden een nieuwe populariteit, kustdorpjes groeiden uit tot drukbezochte badsteden. Wie aan tuberculose leed, hoefde vanaf 1896 niet meer richting buitenland te trekken maar kon in een sanatorium in de bossen van Bokrijk terecht.

  1. Excursies

Ook stedelingen met een goede gezondheid deden er verstandig aan om hun habitat van tijd tot tijd te ontvluchten. Deze regelmatige verandering van milieu zou de zintuigen terug op scherp stellen, het lichaam sterken en de mentale weerbaarheid verhogen. Een langere vakantie, bijvoorbeeld in de Ardennen, genoot de voorkeur, maar ook een korte uitstap zou renderen. Die kon verschillende gedaanten aannemen. Rustige uitstapjes op de fiets waren ideaal om alle stress achter zich te laten én om het eigen land echt te leren kennen – steden waren toch maar anoniem en oppervlakkig. Meer pedagogisch van opzet waren zogenaamde herborisaties, verkenningen van de flora van een bepaalde regio.

De Mechelse stadstuin van François de Cannart d’Hamale, voorzitter van de Belgische federatie van tuinbouwkringen [La Belgique Horticole, 23 (1873)].
  1. Tuinieren

Omdat een tochtje buiten de stad hooguit sporadisch kon gebeuren, dachten sommigen na over een oplossing dichter bij huis. Tuinieren was daarbij the next best thing, een brug naar het platteland. Rijke stedelingen lieten zich in de loop van de negentiende eeuw almaar makkelijker overtuigen om geen tuinman aan te nemen maar zelf aan de slag te gaan: zelfverheffing, tevredenheid, rust, wijsheid maar ook gezondheid waren slechts enkele van de troeven waarmee gespecialiseerde genootschappen deze van oorsprong landelijke, natuurlijke praktijk aanraadden. Wie minder geld en ruimte had, hoefde niet te wanhopen: kamerplanten boden gelijkaardige voordelen maar dan binnenskamers. Vanaf de jaren 1890 raakten dan ook nog eens volkstuinen snel ingeburgerd. De teelt van groenten, fruit en bloemen op kleine percelen gold als een wondermiddel voor de gezondheid en moraal van arbeiders.

  1. Aanplantingen

Sommige plantenliefhebbers, maar ook politici en architecten, pleitten voor een grootschaliger aanpak: private tuinen waren goed, maar aanplantingen in de openbare ruimte waren beter. In parken, op plantsoentjes en in de schaduw van straatbomen zou elke stedeling van groene, landelijke accenten kunnen genieten. Dat genot was echter vooral esthetisch: anders dan vandaag speelde het gezondheidsargument in negentiende-eeuws België hoogst zelden mee in de keuze voor openbaar groen – opvallend, want in Engeland werd al sinds de jaren 1830 in dergelijke termen over aanplantingen gesproken. Bovendien kregen Belgische stadsbomen zelfs vaak met tegenkanting af te rekenen: velen vonden dat ze woningen duister, vochtig en dus net ongezond maakten!

Er waren vele mogelijkheden voor de aanplanting van bomenrijen, maar een vorm van regelmaat was altijd een vereiste [Nouvelles Annales de la Construction, 2 (1856)].
  1. Stadsplanning

Typisch voor het burgerlijke zelfvertrouwen van de negentiende eeuw was het geloof dat men de gezondheidsrisico’s van de grootstad ter plaatse kon verhelpen, via een ambitieuze stadsplanning. Een verwoestende opeenvolging van epidemieën, vooral cholera – alleen al in Gent eiste de ziekte doorheen de negentiende eeuw maar liefst negenduizend doden – vormde een doorslaggevende motivatie om de stad van binnenuit te vernieuwen. Saneringen zoals de overwelving van de vervuilde, stinkende Zenne in Brussel in de late jaren 1860 betekenden een radicale transformatie van het stadsbeeld. Vaak geïnspireerd door Parijs moesten ook in Belgische steden vele wijken met smalle steegjes plaats maken voor nieuwbouw met kaarsrechte, brede lanen.

De aanvoer en circulatie van zuivere lucht, afkomstig van – uiteraard – het platteland was misschien wel het voornaamste principe om de gezondheid van de stadsbewoner te verbeteren. Dat die verkeersaders een eeuw later met hun gemotoriseerd verkeer en het bijhorende lawaai en fijn stof vooral een oorzaak van gezondheidsklachten zouden vormen, was op dat ogenblik nog geheel ondenkbaar.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

4 to-do’s bij de eerste zorg voor prille moeders

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele voorschriften voor toekomstige verloskundigen.

Eugène Hubert in 1884 (Archief UCL).

De taak van een verloskundige stopt niet bij de geboorte, zo sprak de Leuvense hoogleraar in de geneeskunde Eugène Hubert zijn medische studenten aan het einde van de negentiende eeuw toe. De voorschriften die de diepgelovige katholieke arts tijdens zijn colleges meegaf aan toekomstige verloskundigen, zijn veelzeggend over de harde realiteit van het kraambed. Studenten die ze anderhalve eeuw geleden moesten instuderen, werden in hun latere loopbaan gegarandeerd geconfronteerd met zwangerschapscomplicaties, moeilijke bevallingen en de dood. Maar meer dan alleen in de geschiedenis van het bevallen, bieden de voorschriften ook een unieke inkijk in de toenmalige dominante denkkaders en praktijken in België. Aan u om ze te ontdekken.

Onderstaande voorschriften van Eugène Hubert zijn afkomstig uit zijn laatste verloskundige handboek voor medische studenten, Accouchements: gynécologie et déontologie (1892). Ze zijn vrij letterlijk vertaald.

De moeder van deze eenogige baby met voorhoofdkwab kon wel wat troost gebruiken.
  1. Geef peptalk

Een geboorte kan veel verdriet veroorzaken bij de moeder. Het gebeurt dat ze teleurgesteld is over het geslacht van haar pasgeboren baby. Soms is hij lelijk of misvormd. In nog andere gevallen heeft het kind de bevalling niet overleefd. Op zo’n momenten moet je de vrouw troosten en haar pijn verzachten. Wanneer het doodgeboren kind gedoopt is, is dat gemakkelijk: vrome vrouwen kunnen zich hun arme kleine moeiteloos voorstellen met vleugeltjes!

  1. Houd de prille moeders niet wakker

Sta toe dat de pas bevallen vrouw zich overgeeft aan een heilzame slaap. Je moet haar niet wakker houden, zoals dat gebeurde in de tijd van Lodewijk XIV, zogenaamd omdat vrouwen die inslapen ongemerkt zouden kunnen sterven aan bloedingen. Als er reden is tot ongerustheid, volstaat het om aan de vroedvrouw te vragen om de moeder in het oog te houden.

  1. Verplicht (ongehoorzame) vrouwen tot bedrust

In de eerste negen dagen na de bevalling is bedrust absoluut noodzakelijk. Volkse vrouwen hebben de neiging om vroeger op te staan, en het is dan ook bij hen dat er vooral complicaties en, later, verzakkingen van de baarmoeder optreden. Velen geloven namelijk dat een negende dag rust ongeluk zou brengen, wat volgens ons een ongegronde overtuiging is. Om ongehoorzame vrouwen tot rust te brengen, kan je gerust een of ander vooroordeel uitbuiten.

Een vrouw die op het punt staat te bevallen (Wellcome Collection. CC BY).
  1. Stel de kerkgang uit

In de meeste katholieke landen is het gebruikelijk dat bevallen vrouwen zich voor het eerst aan de buitenwereld tonen in de kerk. Deze kerkgang in een vaak koude en vochtige kerk vindt best 3 tot 4 weken na de bevalling plaats als de kraamvloed – het verlies van bloed, slijm en resten van de moederkoek – is gestopt. Het is ontoelaatbaar voor de 10e of de 15e dag, vooral als de kerkgang de gelegenheid vormt voor het houden van een familiemaal. Daar wordt de moeder aan allerlei verleidingen blootgesteld, gaande van “Neem een beetje van dit, en een beetje van dat, zo goed dat het is!” Maar een beetje van dit, een beetje van dat, een beetje van alles betekent een indigestie! Er is ook nog een andere reden om de terugkeer naar de geloofsgemeenschap uit te stellen. Dit moment gaat gepaard met de terugkeer naar het gemeenschappelijk bed. Maar met een onstabiele en vochtafdrijvende baarmoeder doet de prille moeder er goed aan om in een afzonderlijk bed te slapen.

Aandachtige lezers hebben gezien dat Hubert een tipje van de sluier oplicht over de schrijnende gevolgen van sociale ongelijkheid voor de gezondheid van bevallen vrouwen. In tegenstelling tot vrouwen uit de middenklasse, die zich in alle rust aan hun herstel konden wijden, moesten arbeidersvrouwen hun werk na de bevalling – met alle gevolgen van dien – snel hervatten. Negentiende-eeuwse medische teksten geven echter amper blijk van interesse in de dieperliggende oorzaken van de hoge moeder- en zuigelingensterfte. In bovenstaande voorschriften besteedt Hubert bijvoorbeeld geen aandacht aan de relatie tussen complicaties na de bevalling en de erbarmelijke leefomstandigheden van vrouwen uit lagere klassen. Structurele oplossingen voor de hoge mortaliteit van arme vrouwen en hun kinderen in het kraambed kwamen er pas na de Eerste Wereldoorlog.

Meer lezen.

Hubert, E., Accouchements: gynécologie et déontologie. Cours professés à l’Université Catholique de Louvain (volume 1). Leuven, 1892, 473-482.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van katholieke en liberale artsen die in de negentiende eeuw actief waren als verloskundigen en gynaecologen.

Titelafbeelding: Vaginaal onderzoek. Uit Maygrier, Nouvelles, 1825. Wellcome Collection. CC BY.

7 keer komaf met slaapwandelen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Wie soms al eens last heeft van slaapwandelen, vindt hieronder een aantal tips van een negentiende-eeuwse huisarts.

“Och, dat is toch een eeuwigdurende onrust, dokter! Een mijner zooner verlaat bijna elken nacht zijn bed, loopt het huis rond en somtijds ook wel de straat op. Gisteren nacht zat hij omgekleed in de dakgoot, van waar hem de knecht, met gevaar beider leven, heeft weggehaald. Eenige dagen geleden, heeft hij zonder het te weten, heel den nacht zitten schrijven. Hij heeft in zijn slaap latijnsche verzen gemaakt, die een Vergilius zouden beschamen.”

Dr. Renier Snieders, 1812-1888 (KU Leuven collectie).

Klinkt bovenstaande verzuchting jou bekend in de oren? Dan deel je waarschijnlijk het huis met een slaapwandelaar. In tegenstelling tot de slaapwandelaar die zich de volgende dag van geen kwaad bewust is, kan dit gedrag bij huisgenoten wel eens resulteren in slapeloze nachten. Zo dus ook bij deze negentiende-eeuwse dame. Uit schrik dat haar zoon zich op een volgende nachtelijke omzwerving ernstig zou verwonden, ging ze te rade bij een plaatselijke arts. Dokter Snieders gaf haar enkele aanbevelingen en die deel ik graag met jou.

  1. Vermijd lichamelijke prikkels

Om te beginnen adviseerde dokter Snieders om niet met een al te verzadigde maag in bed te kruipen: “Ik zoude hem aanraden ‘s avonds zeer weinig of liever in het geheel niets te gebruiken, over het algemeen zeer matig te leven, weinig verhittend voedsel en vooral nooit geestrijke dranken te drinken. Vermijd een al te overvloedig en prikkelend avondmaal. Probeer misbruik van sterke dranken zeker op jonge leeftijd te vermijden: het zijn voornamelijk aankomende jongelingen bij wie men het nachtwandelen het meeste aantreft. Groote menschen zijn zelden en grijsaards bijna nooit daarmede behept.”

  1. Slaap op een harde matras

Volgens de dokter kan ook je bed invloed hebben op je slaapgedrag: “Overigens geve men den slaapwandelaar eerder een hard dan een zacht bed, hem tevens aanbevelende, zijn hoofd altijd tamelijk hoog op het hoofdkussen te leggen.”

Slaapwandelende Lady Macbeth door Artus Scheinder, omstreeks 1900.
  1. Maak het hoofd vrij (figuurlijk)

Een te grote hersenactiviteit vlak voor het slapengaan zou eveneens nefast zijn. “Nachtwandelen wordt ook wel eens bevorderd door de aanhoudende en tot laat in den avond gerekte studie, alsook door de werking der driften, zooals droefheid, gramschap, woede, wraak, nijd en anderen. Tracht uw moreel gestel zoveel mogelijk bedaard te houden, verwijder uit uwen geest elke oorzaak van verdriet en hevige aandoening, welke aanleiding zou kunnen geven tot de ontroering der zenuwen.”

  1. Maak het hoofd vrij (letterlijk)

Als we dokter Snieders mogen geloven, ligt de oorzaak van slaapwandelen mogelijks bij een overschot van bloed in de hersenen. Hij gaf daarbij volgend advies: “Bij een oplettende waarnemer blijkt het somtijds dat de nachtwandelaar het hoofd niet juist vrij heeft; in andere woorden, dat er zekere aandrang naar dat orgaan plaats heeft; in dit geval kunnen eene aderlating of een applicaat van bloedzuigers aan het hoofd, of liever somtijds aan den aarsdarm zeer dienstig wezen.”

  1. Neem een fris bad en een paar pilletjes

“Hebben wij te doen met eene bovenmatige prikkelbaarheid der zenuwen, welke hier als een aanleidende oorzaak moet beschouwd worden, zoo zullen frissche baden, en eenige zenuwstillende geneesmiddelen, uiteraard enkel door een geneesheer voorgeschreven, zeer ten pas komen”, aldus de dokter.

Een dokter brengt bloedzuigers aan bij een patiënt. Wellcome Collection. CC BY.
  1. Zoek een aangenaam verzetje

Ook gezonde verstrooiing overdag was volgens hem belangrijk voor het tot rust komen van lichaam en geest bij het slapengaan. “Reizen, jagen, visschen, groote wandelingen in de vrije lucht, in een woord al wat den zieke een aangenaam verzet, gepaard met lichaamsbeweging kan verschaffen, mag niet verwaarloosd worden.”

  1. In hoogste nood: laat je slaan op doktersadvies

Als al het voorgaande geen beterschap bracht, had dokter Snieders nog een laatste hulpmiddel achter de hand. Zo schreef hij een slaapwandelaar gekend te hebben die voor altijd genezen werd door “hem telkens een geducht pak slaag te geven”. Hij voegde er wel aan toe dit middel enkel aan te wenden “in het geval dat men met minder hevige middelen den gewenschten uitslag niet heeft verkregen.”

De opvattingen over de oorzaak en behandeling van slaapwandelen ondergingen doorheen de geschiedenis een aanzienlijke verandering. Slaapwandelaars werden lange tijd beschreven als personen die bezeten waren door de duivel, of die net gezegend waren met een goddelijke aanwezigheid. In het volksgeloof werd slaapwandelen ook lang beschouwd als een vloek of het openlijk gevolg van een of andere zonde. Die perceptie veranderde zeer geleidelijk naar een focus op de mentale toestand van de slaapwandelaar, al bleven metafysische speculaties nog lang doorleven.

Slaapwandelen werd vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gezien als een geestelijke ziekte, een psychosomatische klacht. De idee dat slaapwandelen een psychiatrische aandoening is, blijkt ook uit de beschrijvingen en raadgevingen van dokter Snieders. Zo spreekt hij over “den zieke” en legt hij meerdere malen een verband tussen slaapwandelen en iemands geestelijke gesteldheid. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw werd slaapwandelen helemaal losgemaakt van paranormale of psychiatrische connotaties en werd het geclassificeerd als een slaapstoornis.

Bovenstaande adviezen tegen slaapwandelen komen uit het boek Mentor van Jan Renier Snieders. Snieders, een gediplomeerde geneesheer wonende en werkende te Turnout (1812-1888), gaf in dit boek in de vorm van (fictieve) dialogen tussen dokter en patiënt gezondheidsadvies aan ‘gewone’ mensen. Zijn interesse in en bekommernis om volksgezondheid kwam tot uiting in dit werk waarin hij heel uiteenlopende onderwerpen besprak, van bloedneuzen tot indigesties en dus ook slaapwandelen.

Meer lezen.

Snieders, J. R., Mentor: verspreide aanteekeningen over volksgeneeskunde en gezondheidsleer, ’s-Hertogenbosch, 1870.

Umanath, S., Sarezky D. en Finger, S., ‘Sleepwalking through History: Medicine, Arts, and Courts of Law’, Journal of the History of the Neurosciences, 20 (2011), 253-276.

Linde Tuybens is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

5 koloniale gezondheidstips voor trips naar de tropen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele praktische tips voor reizen in ‘De Kongo’.

Verre reizen gaan vaak gepaard met een grondige medische voorbereiding. Vandaag komt men al erg ver met een handvol vaccins en een stevige voorraad malariatabletten. Op dergelijke preventieve maatregelen kon men zich echter nog niet beroepen ten tijde van het kolonialisme, toen Belgen naar Congo werden gestuurd om grondstoffen te ontginnen, ‘de beschaving’ te brengen of de staatsadministratie uit te bouwen. Gelukkig publiceerde het Ministerie van Koloniën geregeld medische handleidingen waarin allerlei tropische ziektes, symptomen en behandelingswijzen werden opgesomd. Op die manier kon de Belgische koloniaal toch met een rits praktische tips op zak naar ‘De Kongo’ afreizen. Niet al die adviezen waren echter altijd even nuttig en duidelijk. Hieronder vindt u 5 van de merkwaardigste gezondheidstips voor trips naar de tropen uit de Beknopte geneeskundige leidraad ten dienste van den reiziger in Congo uit 1929.

Voorpagina van “Reiziger in Congo”.
  1. Seksualiteit

“De venerische ziekten [seksueel overdraagbare aandoeningen] verminderen en vernietigen soms het productievermogen van den mensch. Zij verkorten het leven en dooden het geslacht. Vermijd ze, en verzorg ze indien zulk ongeluk U trof. […] De gemeenschap met personen van gewillige zeden eindigt gewoonlijk met bevlekking van venerische ziekten.”

  1. Voeding

“Ingemaakt goed is krachteloos voedsel. Gebruik dit zoo weinig mogelijk. In Congo is het gebruik van ingemaakte groenten een onzin.”

  1. Drank

“Vermijd het gebruik van eetlustwerkende dranken. Maak u gewoon weinig te drinken, uitgenomen als gij koorts hebt. Gebruik over dag nooit alcoholische dranken, als gij in het geval zoudt zijn u aan de zon te moeten blootstellen.”

Dit gezin kleedde zich zoals het hoorde.
  1. Kledij

“Over dag als ondergoed: een flanellen, zijden of katoenen hemd, nooit een lijnwaden. Tricots en singels, enz. dienen verworpen daar zij te veel prangen, tenzij ze geweven waren met breede mazen. Draag altijd den flanellen lendeband (breede band dien men driemaal rondt het lichaam windt). De bovenkleedij moet licht zijn en van heldere kleur (wit of khaki); zij moet daarenboven wijd zijn. […] Men moet het dragen van kleederen bij de negers bevorderen.”

  1. Arbeid

“Elke overdaad is schadelijk, zoals elke oorzaak overigens die het evenwicht der levensverrichtingen dreigt te verbreken. Overmatig werken kan zoo schadelijk zijn als overdaad in drank of geslachtsverkeer. […] Het visschen over dag is voor de inlanders.”

Het medische nut van deze richtlijnen kan op z’n minst ernstig in twijfel worden getrokken. Het beschermen van de fysieke gezondheid van de Belgische koloniaal vormde niet de essentie van deze tips. Ze moesten de industrieel, missionaris of koloniaal ambtenaar in eerste instantie een gedragsideaal ter ondersteuning van het koloniale project voorspiegelen. De adviezen met betrekking tot seksualiteit en alcoholische consumpties hadden dan ook een duidelijk moraliserend objectief. Net als in het moederland werden alcoholisme en geslachtziektes in de kolonie gezien als ernstige sociale kwalen. Door te verwijzen naar de “personen van gewillige zeden” werd de Congolese vrouw indirect op een heel geseksualiseerde manier voorgesteld.

Het racisme in de geselecteerde ‘gezondheidstips’ komt echter nog op andere manieren tot uiting. Zo werd het dragen van kledij voorgesteld als een teken van beschaving en was het een onderdeel van de beschavingsmissie om deze westerse norm aan Congolese volkeren op te leggen. Ook het afserveren van de Congolese keuken met de woorden “krachteloos voedsel” en “onzin”, kan als een vorm van cultureel geweld gelden. Ten slotte blijkt het raciale machtsonevenwicht uit de passage over arbeid. Van de koloniaal werd niet verwacht dat hij grote fysieke inspanningen zou leveren. Daarvoor mocht en moest hij gebruik maken van de “diensten” van de lokale bevolking. De beschreven richtlijnen lieten de “reiziger in Congo” dus al met de verschillende facetten van de koloniale ideologie kennismaken voordat hij er voet aan de grond zette.

Meer lezen.

Ministerie van Koloniën. Beknopte geneeskundige leiddraad ten dienste van den reiziger in Congo. Brussel: Drukerij Travaux publics, 1929.

Monaville, Pedro. “‘Conseils aux partants’: Une lecture politique des manuels d’hygiène coloniale publiés en Belgique (1895-1950)”, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 1–2, nr. 36 (2006): 97-125.

Reinout Vander Hulst is als doctorandus verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij bereidt een proefschrift voor over katholieke geneeskunde in België en Congo van 1900-1965.

4 manieren om van je blaasstenen af te komen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. We starten met enkele medische behandelingen voor mannen met pijnlijke blaasstenen.

Misschien denk je dat historici een vrij gemakkelijk beroep hebben. Dat wat ze onderzoeken is immers lang geleden gebeurd en zal ze dus niet persoonlijk raken. Niets is minder waar: tijdens hun onderzoek komen ze onder meer beschrijvingen van ziektegevallen tegen waarbij ze tijdens het lezen met almaar groeiend medelijden de lijdensweg van de patiënt volgen, in de hoop dat deze de helse beproevingen uiteindelijk toch heeft overleefd. Ze zien in negentiende-eeuwse periodieken allerlei ziektebeelden en de bijbehorende behandelingen voorbijkomen: van buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en amputaties zonder verdoving tot uit de hand gelopen worminfecties. Deze zomerblog biedt een overzicht van een viertal voorbeelden van de mogelijke behandeling van blaasstenen die worden vermeld in het Nederlandse Practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang (1822-1856). Deze blaasstenen kwamen het meeste voor bij mannen, en maakten het hen soms onmogelijk om te urineren – wat zonder behandeling de dood tot gevolg kon hebben.

Dertigdelige Lithotomieset, Parijs, Frankrijk, 1820-1860. Collectie: Science Museum, London. CC BY.
  1. Het gebruik van tangen

Als de patiënt geluk had, was de blaassteen door de krampen van het urinewegstelsel al zo ver op weg naar de uitgang gebracht, dat een arts deze makkelijk kon bereiken. In 1837 berichtte een arts bijvoorbeeld over de lotgevallen van een 38-jarige man, die plotseling erge moeite had gekregen met urineren. Na drie maanden zonder medische hulp had hij ‘gedurig koude rillingen, en hij bragt de nachten voor het grootste gedeelte slapeloos door.’ Het lukte de arts niet om de steen te pakken te krijgen, en er werden daarom warme baden, ‘verzachtende pappen’, amandelmelk, ‘slijmige dranken’ en ‘eene gepaste diëet’ voorgeschreven. Veertien dagen later lukte het alsnog om de blaassteen ‘onder geringe pijnen’ met een tang naar buiten te halen.

Chirurgische verwijdering van een blaassteen door middel van een snede boven de schaamstreek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De laterale lithotomie

Volgens een andere arts was de sectio lateralis de beste en meest gangbare methode voor het verwijderen van blaasstenen. Deze bestond eruit eerst via de urinebuis een sonde tot in de blaas in te brengen en vervolgens een lange incisie in het perineum te maken richting de punt van de sonde, om zo de blaashals te openen en vervolgens de steen weg te kunnen nemen. De arts beschreef twee operaties die hij op deze manier had uitgevoerd, en die beide goed waren afgelopen. Hij was zich erg van de risico’s van de operatie bewust: deze kon leiden tot cystevorming, ‘verettering van het celweefsel’ en stuipen die het succes van de operatie en zelfs het leven van de patiënt in gevaar konden brengen.

  1. De snede boven de schaamstreek

Een andere manier om de steen te bereiken als deze nog niet in de urineleider was afgedaald, was om de blaas als het ware van de voorkant te bereiken. Deze operatie werd bijvoorbeeld uitgevoerd op een oudere patiënt die vanwege een vergrote prostaat niet op een andere manier kon worden geopereerd. Hij werd in de juiste positie gebracht – en waarschijnlijk door een aantal potige helpers in bedwang gehouden – waarna er een incisie in het huid-, vet- en spierweefsel boven het schaambeen werd gemaakt om daarna de blaas open te snijden. ‘Oogenblikkelijk stroomde nu de urien uit de wonde , en de steen konde zonder groote moeite met eene tang weggenomen worden’. Tot de achttiende dag na de operatie lekte er nog urine uit de wond, maar uiteindelijk herstelde de patiënt volledig. ‘Het doorklieven der regte buikspieren heeft den lijder niets gehinderd; hij gaat regtop als bevorens en bevindt zich volkomen wèl.’

Drie manieren om de blaas te bereiken, afgebeeld in een negentiende-eeuws medisch handboek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De proctolithotomie

Voor het opereren bij grotere stenen werd aangeraden om de blaas via de achterkant te benaderen en dus via de anus te opereren, omdat deze aan grote stenen immers ‘eenen ruimen weg opent’. Een patiënt die ‘in geene positie voor zijne pijnen eenige verligting meer konde vinden’ ondernam zelfs een zesdaagse voetreis ‘die hij als ’t ware voortkruipend had moeten afleggen’ om de arts van zijn keuze te bereiken. Hij was dus erg verzwakt, maar omdat hij niet leek aan te sterken, ging de arts toch tot een operatie over. Het mocht niet baten. ‘Aanhoudend zonken de krachten, tot aan het gevoel van vernietiging toe klom de spierzwakte, en onder onwillekeurige ontlastingen, beven [en] deliria, gaf de lijder op den 11den dag na de operatie, den geest.’

De gevolgen van de hierboven beschreven operaties waren ingrijpend. Pas omstreeks het midden van de negentiende eeuw werd mondjesmaat met narcose gewerkt. De hier beschreven patiënten moesten de beschreven operaties hoogstwaarschijnlijk nog zonder anesthesie ondergaan. De ingreep kon tot bloedingen en ontstekingen leiden die de dood tot gevolg hadden. De wonden heelden bovendien meestal langzaam, en vaak bleven patiënten nog lange tijd incontinent. Tegenwoordig komen blaasstenen in de Westerse wereld nauwelijks nog voor dankzij verbeterde leefomstandigheden. Bovendien zijn ze, wanneer ze toch opduiken, beter op te sporen vanwege nieuwe technieken. Daarna worden ze met behulp van elektriciteit, schokgolven of ultrasoon geluid vergruisd. Van een helse marteling is hun behandeling daardoor veranderd in een pijnloze aangelegenheid.

Meer lezen.

Aschendorf, H., ‘Eenige opmerkingen over den steen in de blaas en de steensnede, d.i.  blaassnede’, Nieuw practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang 29 (1850), 290-296.

Tarler, H., ‘Drie gevallen van Steenen in de Pishuis’, Nieuw practisch tijdschrift 16 (1837), 223-229.

Keeman, J.N., ‘Blaasstenen en lithotomie, een verdwenen kwaal als fundament van de urologie’, Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 150 (2006), 2805-2812. Geraadpleegd via https://www.ntvg.nl/artikelen/blaasstenen-en-lithotomie-een-verdwenen-kwaal-als-fundament-van-de-urologie/volledig op 22 mei 2019.

Wouter Egelmeers is als doctoraatstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt de impact van het eerste visuele massamedium, de toverlantaarn, op het negentiende-eeuwse Belgische onderwijs. Vorig jaar was hij verbonden aan een project over redactiepraktijken in negentiende-eeuwse wetenschappelijke tijdschriften.

Marjoleines 5 favoriete wielergedenktekens

In België verwijzen ruim 180 straatnamen, standbeelden, monumenten, gedenkplaten, muurschilderingen en andere verbeeldingen in de openbare ruimte naar wielerhelden. Hun sportieve prestaties worden vaak als moderne afgodsbeelden vereerd. Tegelijkertijd staan de wielrenners symbool voor de normen en waarden van lokale gemeenschappen die zich identificeren met hun helden. Via gedenktekens brengen ze mythes rond renners tot leven en bestendigen die in het collectieve geheugen. Marjoleine Delva maakte een selectie.

  1. Het eerste monument: Stan Ockers in Sprimont

Stan Ockers © KOERS. Museum van de Wielersport.

In april 1957 – nauwelijks een jaar na zijn vroegtijdige en bruuske overlijden – werd Antwerpenaar Stan Ockers als allereerste Belgische wielrenner vereeuwigd met een monument in de Luikse gemeente Sprimont. Tragiek maakt immers helden. Boven op de top van de Côte des Forges, precies op de plek waar Ockers in 1953 aan zijn zegetocht in de Waalse Pijl begon, staat ‘granieten Stan’ al meer dan zestig jaar te schitteren. Ockers wordt afgebeeld op zijn fiets, met aan weerszijden een gedenkplaat met zijn palmares in het Frans en het Nederlands. De oprichting van het monument betekende meteen de aanzet voor een niet te stoppen wielerdevotie in ons land.

  1. Het lelijkste gedenkteken: Eddy Merckx in Sint-Pieters-Woluwe

Eddy Merckx © KOERS. Museum van de Wielersport.

Op het Goudvinkenplein in de Brusselse gemeente Sint-Pieters-Woluwe werd op initiatief van het gemeentebestuur in 2000 een witstenen zuil ter ere van “de grote Belgische wielerkampioen” Eddy Merckx onthuld. Merckx, die geboren werd in Meensel-Kiezegem, woonde in zijn jeugdjaren lange tijd in Sint-Pieters-Woluwe, zo vermeldt de huldeplaat. Op de zuil werden enkele metalen boogconstructies aangebracht waar – weliswaar met de nodige verbeelding – een fiets in herkend kan worden. Indrukwekkend is het monument geenszins, maar gelukkig is dit slechts een van de vele Merckx-gedenktekens die ons land rijk is.

  1. Het grootste aantal herinneringen: Wielererfgoedstad Roeselare

Jempi Monseré © KOERS. Museum van de Wielersport.

Het grootste aantal wielergedenktekens valt ongetwijfeld terug te vinden in het West-Vlaamse Roeselare. De stad, die zich met wielrenners als Benoni Beheyt, Jean-Pierre Monseré, Patrick Sercu en Freddy Maertens profileert als ‘stad der Wereldkampioenen’ investeert sterk in het vereeuwigen van zijn wielerhelden. De diverse wielererfgoedplekken worden met andere woorden uitgespeeld als toeristische troef. Volkslieveling Jean-Pierre (‘Jempi’) Monseré kreeg onder meer een muurschildering in Krottegem, de Roeselaarse wijk waar hij werd geboren en opgroeide.

  1. Het ‘illegale’ straatnaambord: Philippe Gilbert in Aywaille

Philippe Gilbert © KOERS. Museum van de Wielersport.

In oktober 2013 werd in Aywaille, Gilberts geboorteplaats, de ‘Square Philippe Gilbert’ ingehuldigd door de burgemeester van de gemeente. Dat Gilbert een dergelijk eerbetoon bij leven kreeg, is op zijn minst uniek te noemen. Al sinds 1977 werden er via een decreet enkele beperkingen opgelegd om de wildgroei aan memorienamen te voorkomen. Onder andere het gebruik van namen van nog levende personen werd daarbij verboden. Dat Philippe Gilbert in 2013 een plein naar zich vernoemd kreeg, is dan ook opvallend. Omdat het zogezegd om een plein ging, kon het bordje door de beugel. Ook al vermeldt het straatnaambord ‘Square’, een plein is de ‘Square (lees: Rue) Philippe Gilbert’ allerminst.

  1. De enige vrouw: Hélène Dutrieu in Sint-Denijs-Westrem

Hélène Dutrieu © KOERS. Museum van de Wielersport.

Dat de wielerwereld er vooral een is van mannen, wordt ook in het wielererfgoedaanbod pijnlijk duidelijk. Enkel de Doornikse Hélène Dutrieu wordt herinnerd aan de hand van twee straatnaambordjes, een in Sint-Denijs-Westrem en een in Doornik. Nochtans namen vrouwen al vanaf het begin deel aan wielerwedstrijden. Dutrieu behoorde tot die eerste generatie vrouwelijke wielrijdsters. Op nauwelijks achttienjarige leeftijd vestigde zij in 1895 het werelduurrecord voor vrouwen en in 1897 en 1898 werd ze wereldkampioene op de piste in Oostende. Haar prestaties op de fiets raakten echter in de vergetelheid omwille van haar andere sportieve verdiensten. Na haar carrière als wielrenster wendde ze zich tot de auto- en vliegtuigsport en werd ze de eerste vrouwelijke Belgische pilote. Het straatnaambord in Sint-Denijs-Westrem herinnert aan dit moment.

Meer weten.

Vanaf 9 september zijn alle wielergedenktekens in België via een interactieve touchtable te ontdekken in KOERS. Museum van de Wielersport.

Delva, M., Delheye, P. en Zonneveld, W., ‘Koninginnen van de piste. De eerste wereldkampioenschappen wielrennen voor dames in Oostende, 1896-1898’, De Sportwereld. Geschiedenis en achtergronden van de sport, 85-86 (2018), 32-35.

Zwart, J., Wielermonumenten. Reisgids door de geschiedenis van de wielersport, Amsterdam, 2008.

Marjoleine Delva is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en SLO Geschiedenis.

Reinouts 4 favoriete Brusselse standbeelden

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Deze week: een wandeling door Brussel met Reinout.

Standbeelden geven kleur aan de publieke ruimte. Iedereen heeft wel eens vol verwondering voor een standbeeld halt gehouden. Naast esthetische kwaliteiten vertellen standbeelden een verhaal dat vaak te maken heeft met het verleden van de plaats waar het beeld staat. De voorstelling van dat verleden is meestal erg selectief en eenzijdig. De heldhaftige poses van de personen die afgebeeld worden, moeten ons van hun belangrijke en lovenswaardige rol in de geschiedenis overtuigen. Reinout Vander Hulst maakte tijdens een wandeling door Brussel enkele kritische kanttekeningen bij vier beelden die hij op zijn weg tegenkwam.

  1. Pierre Van Humbeeck

Op de hoek van de Antoine Dansaertstraat en de Papenvest in hartje Brussel vindt men een bas-reliëf ter ere van de liberale minister van Openbaar Onderwijs Pierre Van Humbeeck. In 1879 voerde die de tweede organieke wet op het lager onderwijs in waardoor de eerste schoolstrijd in België losbrak. Deze zogenaamde Wet-Van Humbeeck begunstigde het officiële onderwijs ten nadele van het vrije (katholieke) onderwijs. Zo mocht de godsdienstige vorming van kinderen voortaan enkel buiten de lesuren georganiseerd worden. In de ogen van vele katholieke tegenstanders had Van Humbeeck het op de christelijke ziel van het kind gemunt. Pas na de liberale verkiezingsnederlaag van 1884 zou de rust terugkeren.

Het muurvlak van beeldhouwer Charles Samuel werd in 1902 ingehuldigd. De allegorische figuur die het marmeren portret van Van Humbeeck vergezelt, stelt de Wetenschap voor die haar kennis aan een jong kind overdraagt. Op deze manier benadrukt de gedenksteen dus enkel de liberale herinnering aan de levensbeschouwelijke vete.

  1. Jean-Baptiste Van Helmont

Bij het verlaten van de Dansaertstraat richting de Beurs komt men vroeg of laat voorbij de Nieuwe Graanmarkt. Wie moeite doet om een blik te werpen achter het basketbalveld, wordt ongetwijfeld geconfronteerd met een zittende Jean-Baptiste Van Helmont. Het imposante beeld van deze 17de-eeuwse wetenschapper, arts en alchemist werd gemaakt door Gerard Vanderlinden en dateert uit 1889. “Il fut un des promoteurs de la science moderne” luidt de inscriptie bij het standbeeld.

Hoewel Van Helmont de grenzen van de medische wetenschap ongetwijfeld verlegd heeft, is dat slechts een deel van het verhaal. Dankzij Michel Foucault weten we dat Van Helmont niet echt uitblonk in het menswaardig behandelen van zijn patiënten. Hij was er bijvoorbeeld van overtuigd ‘krankzinnigen’ te kunnen genezen door ze onverwacht en zo lang mogelijk in koud water onder te dompelen. In de 17e en 19e eeuw keken weinigen daar vreemd van op. Tegenwoordig zijn artsen er echter vrij zeker van dat het quasi verdrinken van de patiënt weinig soelaas biedt met het oog op genezing.

  1. Gabrielle Petit

Wie de Beurs via de Anspachlaan en de Lombardstraat verlaat, komt voorbij het Brussels Parlement aan het Sint-Jansplein. Daar kan men niet naast het fiere beeld van Gabrielle Petit kijken. Het standbeeld van beeldhouwer Égide Rombaux werd op de nationale feestdag van 21 juli 1923 met veel patriottische bombarie ingehuldigd. Petit werd in België geroemd voor haar heldhaftig optreden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dankzij de informatie die zij aan de Belgische Geheime Diensten doorspeelde, wist men de Duitse troepenbewegingen via het treinspoor in kaart te brengen. In 1916 liep ze echter in een val en op 1 april werd ze aan de Nationale Schietbaan van Schaarbeek geëxecuteerd.

Petit wilde tonen “hoe een Belgische vrouw kan sterven”, zoals de inscriptie bij het beeld aangeeft. Een bewijs dat de herinnering aan deze verpleegster in een enorm vaderlandslievende sfeer baadt. Voor ‘de andere’ in dit verhaal, de Duitsers meer bepaald, was Petit echter eerder een vijandige spion dan een heldin.

  1. Francisco Ferrer

© SPRB-DMS (www.irismonument.be).

Om het laatste beeld te zien moet men het centrum van Brussel achter zich laten en naar de Franklin Rooseveltlaan afzakken. Daar vindt men in de middenberm ter hoogte van het rectoraat van de Université Libre de Bruxelles (ULB) een beeld ter nagedachtenis van Francisco Ferrer, een Catalaanse vrijzinnige pedagoog. Ferrer stond bekend om zijn radicaal afwijzen van dwang in de opvoeding. In zijn ogen moest een kind zich zo vrij mogelijk kunnen ontwikkelen. In 1909 werd Ferrer door een Spaanse militaire rechtbank ter dood veroordeeld voor het leiden van een gewelddadige anarchistische arbeidersopstand. Vrijdenkers in heel Europa spraken schande over de executie van hun Spaanse kameraad, en Ferrer zou al snel tot het vrijzinnige pantheon gaan behoren.

Zo ook in Brussel, want in 1911 kreeg het beeld van de hand van Auguste Puttemans een plek op het Zaterdagsplein. Na heel wat omzwervingen kwam het beeld in 1984 op haar huidige plaats te staan. Er is iets ‘evenwichtigs’ aan de hedendaagse plek van het beeld. Het staat namelijk net tegenover het beeld van Pierre-Théodore Verhaegen, de liberale stichter van de vrijzinnige ULB. Op die manier worden dus zowel het traditionele liberale vrijdenken als een “linksere” variant op korte afstand van elkaar herdacht.

Reinout Vander Hulst is als doctorandus verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij bereidt een proefschrift voor over katholieke geneeskunde in België en Congo van 1900-1965.

De 5 mooiste anatomische collecties van Europa volgens Tinne

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Deze week: de esthetiek van de dood met Tinne.

Waarom Körperwelten bezoeken, en niet het ‘origineel’? Terwijl Gunther Von Hagens rondtoert met zijn geplastineerde lichamen, kan je in Europa nog steeds de historische collecties bewonderen waarop hij zich inspireerde. Net zoals Körperwelten verbluften deze musea hun bezoekers door een bijzondere mix van kunst en wetenschap, schoonheid en weerzin, kennis en sensatie.

  1. La Specola in Firenze

Wassen anatomische modellen in La Specola.

Firenze is niet alleen de bakermat van Michelangelo en Da Vinci, maar ook van het populairwetenschappelijke museum. In 1775 opende het natuurhistorische museum La Specola haar deuren. De collectie wassen modellen van het menselijke en dierlijke lichaam stond ten dienste van de ‘verheffing’ en de ‘Verlichting’ van het volk. Typisch voor de achttiende-eeuwse tijdgeest geloofden de stichters van het museum dat wetenschappelijke kennis het publiek zowel zou beschaven als gelukkig zou maken. De bezoeker kon in het museum de natuurwetten leren kennen waarop de nieuwe politiek en cultuur van de Renaissance gestoeld was. De anatomische modellen moesten, kortom, de onwetende bezoeker transformeren in een beschaafd burger. Of het museum slaagde in deze opzet is bedenkelijk. Bezoekers vonden de modellen soms eerder sensueel dan educatief. De glazen containers waarin modellen van geslachtsorganen tentoongesteld werden, moesten opmerkelijk sneller worden vervangen dan andere objecten, wellicht door herhaalde aanrakingen van bezoekers.

  1. De Kunstkamera in Sint-Petersburg

Een weergave van een preparaat van Frederik Ruysch (Ruysch, Opera omnia anatomico- medico-chirurgica, hucusque edita, 1737 © Wellcome Collection).

Peter de Grote was diep onder de indruk toen hij het persoonlijke kabinet van de anatoom Frederik Ruysch bezocht in Amsterdam in 1697. De sierlijke en levendige manier waarop Ruysch de lichaampjes van baby’s en peuters had bewaard op sterk water beroerde de Russische tsaar sterk. Zo sterk zelfs dat hij een kind uit de pot nam en kuste op zijn wangen, die ondanks de dood nog steeds rozig waren. Twintig jaar later kocht Peter de Grote de hele collectie van Ruysch voor de aanzienlijke som van 30.000 gulden. De tsaar bouwde voor de preparaten een ‘Kunstkamera’, die het hart werd van zijn nieuwe Keizerlijke Academie van Wetenschappen. Het doel was om de Europese Verlichting en moderne wetenschappen in Rusland te introduceren.

Vandaag bevat de Kunstkamera nog steeds 916 van deze preparaten, versierd met kralenkettingen, kanten mutsjes en manchetten. De decoraties en symbolen waarmee Ruysch skeletten en andere lichaamsdelen omhulde, moesten de toeschouwers doen nadenken over hun eigen sterfelijkheid en hen er de schoonheid van doen inzien. Vaak bevatten de potten met sterk water ook een morele les. Is Sint-Petersburg een beetje te ver? Geen nood, je kan de preparaten van Ruysch sinds kort online bewonderen, en ook in Leiden zijn er enkele ‘werkjes’ van de Amsterdamse doodskunstenaar bewaard.

  1. Musée de la médecine in Brussel

Opstelling in het Musée de la médecine in Brussel.

In Brussel kan je het pathologische kabinet van het voormalige Musée de l’Homme bezichtigen. Net zoals vele gelijkaardige negentiende en vroegtwintigste-eeuwse collecties, stond dit museum vroeger op de Belgische kermis. Voor een bescheiden inkomprijs kon het grote publiek kennismaken met de werking van het menselijk lichaam en de nieuwste chirurgische ingrepen. Daarnaast waren er allerhande curiositeiten, zoals een afgietsel van een vrouw met een hoorn, een Egyptische mummie of een wassen model van de hand van Victor Hugo.

Vooral het cabinet reservé was populair. Hier werd de bezoeker geconfronteerd met de symptomen van verschillende geslachtsziekten. De idee was dat wie de gevaren van een losbandig leven kende, zich fatsoenlijker zou gedragen. Wie met gruwel de vergevorderde stadia van ziekten zoals syfilis of gonorroe had bekeken, zou minder geneigd zijn om een bordeel te bezoeken. Preventie ging zo hand in hand met moralisering: de strijd tegen syfilis was tegelijkertijd een campagne voor de huwelijksmoraal.

  1. Het Josephinum in Wenen

Anatomische Venus uit de late achttiende eeuw (© Josephinum. Sammlungen der Medizinischen Universität Wien).

Na een bezoek aan La Specola in Firenze, was Jozef II jaloers. De Keizer van het Heilig Roomse Rijk bestelde prompt 1.192 modellen van Italiaanse makelij. Na een logistiek uitdagende reis over de Alpen, arriveerden de anatomische modellen in Wenen. Daar kan je ze nog steeds in hun originele staat bezichtigen, tentoongesteld in kabinetten van palissanderhout en Venetiaans glas.

Nochtans werden de modellen in de late achttiende eeuw niet met open armen ontvangen in Wenen. Net omwille van hun sierlijkheid werden ze niet als medische instrumenten aanzien. Medici noemden de wassen modellen smalend ‘speeltjes’, zonder wetenschappelijk of didactisch belang. Hun minachting werd versterkt door de reactie van het grote publiek. Volgens eigentijdse critici beroerden de realistische lichamen met aangrijpende blikken, wulpse (echte) haren en parelkettingen niet het geheugen, maar het hart.

  1. Musée Fragonard in Parijs

De Ruiter van de Apocalypse van Honoré Fragonard.

Het museum Fragonard bevat de collecties van de Ecole Nationale Vétérinaire de Maisons-Alfort, één van de oudste dierenartsenscholen ter wereld. De collectie van dierenskeletten en preparaten genoot een grote internationale aandacht sinds haar stichting in 1766, en was bepalend voor de reputatie van de school in de achttiende eeuw.

De topstukken van het museum zijn de beroemde écorchés van de hand van Honoré Fragonard, de eerste professor anatomie van de school. Van de 700 gestroopte lichamen die hij op eigenwijze wijze prepareerde, blijven er vandaag nog 21 over. Door de dode lichamen in geanimeerde poses op te stellen – zoals een aap die in zijn handen klapt of drie dansende foetussen –  benadrukte Fragonard de bijzondere status van het anatomische preparaat, dat zweefde op de grens tussen leven en dood. Daarom gaf hij zijn preparaten ook glazen ogen met indringende uitdrukkingen.

Ook ‘De Ruiter van de Apocalypse’ balanceert tussen leven en dood, tussen kunst en wetenschap. Geïnspireerd op een lugubere tekening van de Duitse vroegmoderne kunstenaar Albrecht Dürer, bestaat dit preparaat uit een ruiter op een paard, beiden van hun vel ontdaan. De ruiter wordt omringd door menselijke foetussen op de rug van galopperende schapen- en paardenfoetussen. Körperwelten avant la lettre? Het werk van Fragonard  doet nog het meest denken aan de soms bizarre opstellingen van Gunther von Hagens, die wellicht zijn plastinaat van een man op een steigerend paard op de achttiende-eeuwse ruiter des doods baseerde.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze onderzoekt hoe onvruchtbaarheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Elwins 4 favoriete bibliotheken

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Wie de vakantieperiode werkend doorbrengt, vindt hier enkele erudiete tips van Elwin Hofman.

Nu al deze zomerse lijsten aanzetten tot toerisme, slaat bij de medemens die nog aan het werk is de wanhoop onverwijld toe. Voor hen trekken we deze week naar plaatsen waar het nuttige aan het aangename te koppelen valt: naar de meest bewonderenswaardige en indrukwekkende bibliotheken die onze planeet kent.

  1. Trinity College Library, Dublin

De ‘long room’ (CC BY-SA Diliff).

De bibliotheek van Trinity College in Dublin staat te boek als een van de mooiste historische bibliotheken in Europa. De befaamde ‘long room’, de 65 meter lange centrale ruimte van de oude bibliotheek, werd gebouwd aan het begin van de achttiende eeuw en herbergt nog steeds zo’n 200.000 oude drukken. De bibliotheek is een vaste waarde voor iedere toerist in Dublin, maar wordt ook nog steeds door onderzoekers gebruikt. Die onderzoekers moeten evenwel helaas in een andere – iets minder indrukwekkende – zaal werken.

  1. Mansueto Library, Chicago

Mansueto Library (CC BY-NC-ND Frank Kehren).

In 2011 opende in Chicago de Joe and Rika Mansueto Library – een enorme ellipsvormige glazen koepel. Het ontwerp van de Duits-Amerikaanse architect Helmut Jahn is niet alleen een prachtig staaltje hedendaagse architectuur, maar biedt ook een innovatieve bibliotheekwerking. Het hart van de bibliotheek situeert zich immers ondergronds: daar zitten magazijnen met ruimte voor 3,5 miljoen boeken. Het ophalen van die boeken gebeurt met een geautomatiseerd systeem: eens de aanvraag van een boek via de computer gebeurd is, wordt het automatisch binnen de vijf minuten in de leeszaal geleverd. De technische hoogstandjes komen evenwel met een prijs: onder de glazen koepel zijn laptopschermen vaak onleesbaar en ronkt de airconditioning ongenadig hard.

  1. Bibliothèque Nationale de France, Parijs

Bibliothèque Nationale de France (CC BY AndroidHel).

Dertig jaar geleden kondigde de Franse president François Mitterrand de bouw van een grootschalige nieuwe nationale bibliotheek aan. De nieuwe site, die uiteindelijk ook naar hem zou genoemd worden, werd in fases tussen 1996 en 1998 in gebruik genomen. Vier grote torens omgorden als opengeslagen boeken de ruime esplanades waarin zich de leeszalen bevinden. Centraal bevindt zich een wilde tuin – helaas niet toegankelijk voor het publiek. De collecties omvatten hier zo’n 11 miljoen boeken, wat het tot een van de grootste bibliotheken van Europa maakt. Bovendien worden in het gebouw ook exposities georganiseerd. In de Bibliothèque Nationale bestaat wel nog een klassensysteem: de bovenverdieping is voor iedereen toegankelijk, maar de benedenverdieping, waar het grootste deel van de collectie raadpleegbaar is, is enkel toegankelijk voor professionele onderzoekers. Een voorafgaand interview is vereist om die toegang te verkrijgen.

  1. Universiteitsbibliotheek, Leuven

De Leuvense Universiteitsbibliotheek (CC BY Theedi).

Het zou mijn eigen uitvalsbasis oneer aan doen als ik de Leuvense Universiteitsbibliotheek niet in dit lijstje zou opnemen. Na de vernietiging van de bibliotheek tijdens de Eerste Wereldoorlog werd een grootse wervingsactie opgezet om een nieuwe bibliotheek te bouwen. Die kwam er aan wat nu het Ladeuzeplein is. Het ietwat pompeuze gebouw werd ontworpen als ware het een renaissancistisch meesterwerk – al zijn er in België geen renaissancistische gebouwen van die grootteorde. De grote leeszaal, met veel hout en twee galerijen, bekoort niet alleen studenten en onderzoekers, maar ook talloze toeristen (“it looks just like it’s from Harry Potter!”). Ook hier moet echter zitcomfort wijken voor esthetiek – harde houten stoelen zijn er het lot van de onderzoeker.

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van de KU Leuven verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn huidige onderzoek betreft de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.