Maandelijks archief: oktober 2022

Hoe het belfort zich kritisch uitliet over de politieke situatie in het achttiende-eeuwse Gent

Door Vanessa Van Puyvelde

Wat heeft het Gentse belfort te maken met het perslandschap van de achttiende-eeuwse revolutietijd? Het oproer dat de woelige periode van de Brabantse Omwenteling (1789-90) kenmerkte, vond zijn weerklank in satirische tijdschriften, zoals het Dagelyks Nieuws van Vader Roeland (december 1792-maart 1793). In dit dagblad vertolkte dichter en publicist Karel Broeckaert (1767-1826) de positie van de ‘gewone man’. Zijn Dagelyks Nieuws vormt dan ook één van de eerste aanzetten tot het voeren van een binnenlands debat over politiek dat een zo breed mogelijk publiek wilde bereiken. Na tien afleveringen zou Broeckaert de naam van zijn blad wijzigen naar het Dagelyks Nieuws van Klokke Roeland. Deze verwijzing naar Klokke Roeland, de grootste klok van het Gentse belfort, is dan ook een teken aan de wand dat Broeckaert meerdere lagen van de samenleving bij de politieke conversatie wilde betrekken.

Père Duchêne

Nr. 2 van het Dagelyks Nieuws

In zijn Dagelyks Nieuws voerde Broeckaert zichzelf op als personage. Bijna elke aflevering ving aan met een anekdote waarin Roeland de lezer vertelde over zijn recentste bezoek aan de lokale ‘estaminet’ waar de maatschappelijke problemen van zijn tijd besproken werden. Met zijn blad richtte Broeckaert zich dus tot de lezer als lokale caféganger, één die klare taal sprak en steevast zei waar het op stond. Deze Vader Roeland-figuur was een toespeling op de Parijse Père Duchêne-figuur, een populaire figuur die afstamt van een prerevolutionaire traditie van burleske theatervoorstellingen, waarbij doortastende waarheden in de mond van personages uit de lagere klassen werden gelegd. Père Duchêne vertegenwoordigde zo de stem van het volk en werd, vanwege zijn immense populariteit, door journalisten van verschillende politieke stromingen ingezet om sociale onrechtvaardigheden aan de kaak te stellen.

Deze volkse figuur kan dan ook best als een collectief product gelezen worden: Père Duchêne werd (aanvankelijk) ingezet door journalisten van diverse politieke overtuigingen als middel om onopgeleide mannen en vrouwen aan te spreken. Onder invloed van de toenemende radicalisering van de Franse revolutie zou deze verscheidenheid geleidelijk afnemen, tot er eind 1793 nog maar één krant overbleef: de Père Duchêne van Jacques René Hébert (1757-94). Hoewel Hébert aanvankelijk een gematigd republikein was, zou hij gedurende zijn leven aanzienlijk naar links opschuiven, totdat hij uiteindelijk één van de meest gelezen woordvoerders voor de Parijse sansculottes zou worden.

Vader Roeland was dus een Vlaamse adaptatie van een succesvolle formule die door een tiental Parijse auteurs werd gebruikt om een breder publiek aan te spreken. De figuur van Vader Roeland mag dan gebaseerd zijn op een figuur die sterke wortels heeft in de Franse cultuur, het karaktertype van de dwaas die via grove waarheden de politieke actualiteit becommentarieert is niet vreemd aan andere vormen en literaturen. Deze knoopt aan bij een bredere Europese traditie, die teruggaat op figuren zoals de Shakespeareaanse fool, de Zanni van de Italiaanse commedia dell’arte en zelfs meer lokale figuren zoals Pierlala. De eenvoudige afkomst van zulke fictieve vertellers stond dan ook centraal: Vader Roeland, die ‘eenen zeer geringen man, eenen Stove-maeker’ was, profileerde zich als deel van zijn lezerspubliek. Hij beloofde ze dat hij altijd zou zeggen waar het op stond, zonder zich een blad voor de mond te nemen. Men zou ‘eerder de dulle griete doen schuyffelen als Vader Roeland zynen mond […] stoppen als hy regt heeft van te spreken’ (p. 22).

Gents gemeenschapsgevoel

‘Klokke Roeland’

Broeckaert schreef in eerste instantie voor de Vlaamse bevolking, in het bijzonder die van Gent. Cruciaal voor de verspreiding van politieke ideeën bij een minder geleerd publiek, verschafte de Vlaamse pers grotere groepen in de samenleving toegang tot maatschappelijke debatten. Broeckaert koos dan ook niet voor niets voor het Nederlands, ‘zoo dat een iegelyk die zal konnen hooren en wel verstaen’. Hoewel Broeckaert niet expliciet aangeeft waarom hij na tien afleveringen het blad omdoopte tot het Dagelyks Nieuws van Klokke Roeland, is het duidelijk dat hij van de associatie met Père Duchêne af wil. Vermoedelijk hadden de ontsporing van de Franse Revolutie en de toenemende radicalisering van de uitspraken van Héberts Père Duchêne hier iets mee te maken.

Het blad droeg niet langer ‘pendant van Père Duchêne’ als ondertitel, maar voegde een eigen motto toe: ‘Als ik kleppe ’t is brand / Als ik luye, ’t is Victorie in ’t Land’. Deze vorm van beeldspraak, waarbij de grootste klok van het Gentse belfort werd voorgesteld als een menselijke figuur, sprak vast tot de verbeelding van Broeckaerts lezers. Omdat het belfort, en tegelijk zijn klokken, sterk verbonden waren met het ruimtelijke en sociale centrum van het Gentse stadsleven, droeg deze personificatie bij aan het gemeenschapsgevoel dat Broeckaert onder zijn lezers wilde creëren. Hij profileerde zijn Dagelyks Nieuws dan ook steeds duidelijker als een lokaal nieuwsorgaan, als ‘ons Gends Nieuwsblaedjen’.

Opkomst van de publieke opinie

Prent van Karel Broeckaert (1767-1826)

Hoewel de figuur van Père Duchêne efficiënt door Broeckaert werd aangewend om een breder publiek aan te spreken, moet de democratische waarde ervan niet overschat worden. Alleen al het feit dat zijn Roeland een adaptatie was van de Père Duchêne formule toont aan dat dit tijdschrift ook nauw samenhing met de interesses van meer geschoolde lezers. Het Dagelyks Nieuws, hoewel het de bedoeling had om mensen in ‘hun’ taal te bereiken, was geen product van die cultuur, en richtte zich naar een publiek dat klassengrenzen overschreed. Het blad legt dan ook de moeilijkheden bloot die auteurs zoals Broeckaert ondervonden om de belangen van het volk te ondersteunen, wanneer bleek dat de meerderheid van dat volk haar standpunten niet of onvoldoende onder woorden kon brengen. Vermoedelijk weerhielden de eisen van het dagelijkse leven en de geringe vertrouwdheid die de gewone burger had met de politieke sfeer de meesten ervan actief deel te nemen aan intellectuele debatten.

Wat echter belangrijker is, is de mogelijkheid dat een breder publiek deze tijdschriften las of, hetgeen meer waarschijnlijk is, voorgelezen hoorde worden in de publieke ruimte. Het Dagelyks Nieuws volgde de beslissingen van de wetgevende macht op de voet, voedde politieke discussies en, omwille van de taal waarin het geschreven werd, vergrootte de schaal waarop over politiek gepraat werd. Broeckaert voerde zo een nieuwe machtsfactor op – de publieke opinie – waarmee machthebbers rekening moesten houden.

Vanessa Van Puyvelde is een doctoraatsonderzoeker met interesse voor de geschiedenis, cultuur en literatuur van de (lange) achttiende eeuw. Haar huidige onderzoek maakt deel uit van het FWO-project “Shaping ‘Belgian’ Literature before 1830”, waarbij zij zich toelegt op de rol van tijdschriften in processen van identiteitsvorming in de Zuidelijke Nederlanden. Zij behaalde een masterdiploma in Gender en Diversiteit alsook in de Engelse en Franse taal- en letterkunde aan de Universiteit Gent.

Titelafbeelding: Hôtel de Ville. Gand. The town Hall, Theodore Fourmois, 1835.

Wat een foto van een kringloopwinkel zegt over de armoedezorg in de jaren 1950

Door Els Minne

vlnr: Edouard Froidure, Charles de Jonghe d’Ardoye, Efrem Forni, Jean Goffaerts, G. Caprio. Openluchtwerken Brussel, inzegening nieuw tehuis Petits Riens, Brussel, Amerikaanse straat: openingstoespraak door Edouard Froidure. KADOC – KU Leuven.

Bezoekers van een kringloopwinkel herkennen ongetwijfeld de prullaria in de rekken op deze foto. Spullen waar je graag vanaf wil maar die nog in goede staat zijn, worden verzameld en verkocht tegen een lage prijs. Heel wat kringloopwinkels in België combineren die economische bezigheid met een sociaal project: de tewerkstelling van mensen die elders moeilijk aan een job raken. Op deze foto uit 1955 zie je de plechtige opening van Les Petits Riens, Spullenhulp in het Nederlands, een van de eerste van zulke initiatieven. Oprichter en priester Edouard Froidure (1899-1971) geeft – zichtbaar trots – een toespraak.

Abbé Froidure was een gekend figuur in het naoorlogse Brussel. Hij raakte er vanaf 1933 bekend als organisator van dagkolonies (speelpleinen) voor arme kinderen en vergrootte zijn faam als verzetsheld tijdens de oorlog. In 1952 leerde ook de rest van België Froidure kennen toen hij koning Boudewijn rondleidde in de Brusselse krottenwijken. De aandacht voor dat initiatief lag mee aan de basis van het ontstaan van Les Petits Riens: hoe bekender Froidure werd, hoe meer materiaal hem bereikte om uit te delen aan mensen in armoede. Eerst werden de spullen uitgedeeld aan de behoeftigen en met het overschot werd de tweedehandswinkel geopend. Froidure startte een inzamelpunt voor tweedehands goederen die werden opgelapt en verkocht door ex-gevangenen en daklozen. Aan de winkel van Les Petits Riens werd een tehuis verbonden waar de – steeds mannelijke – werklieden volgens een strikt dagschema leefden en een opleiding kregen.

Les stations de Plein Air. KADOC – KU Leuven, postercollectie, afbeelding kca017247

Hoewel Froidure Les Petits Riens voor de minderbegoeden oprichtte, zijn zij op bovenstaande foto nergens te bespeuren. Zo toont het beeld impliciet een van de kenmerken van de katholieke goede werken uit die periode: armoedebestrijding gebeurde voor en niet met mensen in armoede. Zij bleven het object van de goedheid van anderen en hadden vaak geen inspraak in hoe die hulp tot stand kwam. Niet de armen, maar wel de geestelijken waren zichtbaar aanwezig op de opening. De pauselijke nuntius (midden) en een Vaticaans diplomaat (rechts) vervoegden Froidure en zijn collega-priester Jean Goffaerts aan de eretafel. De soutanes, het grote kruisbeeld boven de deur en de vele christelijke beeltenissen in de rekken geven uiting aan het katholieke karakter van de organisatie.

Het meest intrigerende object op de foto is waarschijnlijk de pancarte boven het hoofd van Froidure. Op het tekstbord staat de slogan ‘Le social, plus il est politique, moins il est évangélique.’ De tekst kan gelezen worden als een aanklacht tegen de basisideologie van de expanderende welvaartsstaat, namelijk dat sociale zorg een politieke bekommernis was. Hoewel Froidure vaak contact zocht met politieke vertegenwoordigers – getuige ook de aanwezigheid van volksvertegenwoordiger Charles de Jonghe d’Ardoye bij de opening – lag de oplossing voor het armoedeprobleem volgens hem bij de gelovige gemeenschap. Als alle christenen hun solidariteit met de minderbedeelden zouden betuigen (middels giften) en een sociaal inclusievere samenleving creëerden (middels naastenliefde), zo stelde hij, dan zou armoede snel verdwijnen.

De fotograaf legde in deze foto dus niet alleen een speciaal moment voor Les Petits Riens vast, maar ook de diepe religieuze wortels van de armoedezorg in België. De utopie dat armoede volledig kon verdwijnen, ging in de jaren 1960 ten onder als gevolg van toenemende secularisering en nieuwe opvattingen over armoede. De impact van religie op armoedezorg bleef echter de hele twintigste eeuw doorwerken.

Els Minne is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar religieus geïnspireerde solidariteit in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Deze tekst verscheen eerder in het tijdschrift Koorts: Els Minne, ‘Les Petits Riens’, Koorts. Erfgoedmagazine van KADOC, 2022, 1, 18-19.