Maandelijks archief: maart 2023

Vijf redenen om vrouwen uit de collegezaal te weren (volgens negentiende-eeuwse hoogleraren)

Door Chris Engberts

In november 1896 werden de gerenommeerde Berlijnse geschiedkundigen Heinrich von Treitschke en Erich Schmidt met een lastig probleem geconfronteerd. Er leek geen vuiltje aan de lucht tijdens hun hoorcollege, tot zij opeens zagen dat een jonge vrouw tussen de mannelijke studenten had plaatsgenomen. Direct onderbrak Von Treitschke zijn verhaal om haar de deur te wijzen. Nog altijd geïrriteerd door het voorval vertelde hij later aan een collega dat hij in het vervolg iemand bij de deur zou opstellen om te voorkomen dat iets dergelijks nog eens zou gebeuren. Deze ongeregeldheid was dusdanig ongehoord dat verschillende kranten er verslag van deden.

Heinrich von Treitschke in de collegezaal, ca. 1879.

De journalist Arthur Kirchhoff vroeg zich af hoe breed de ideeën van Treitschke en Schmidt werden gedeeld aan de Duitse universiteiten. Kort nadat het incident in het nieuws was gekomen, schreef hij vier hoogleraren aan. Zij beantwoordden zijn vragen dusdanig uitvoerig, dat hij afzag van zijn oorspronkelijke plan om het thema slechts beknopt te behandelen. Hij besloot nog veel meer hoogleraren te vragen wat zij vonden van universitair onderwijs voor vrouwen. Hun antwoorden verzamelde hij in de zomer van 1897 in een boekje.

Veel van zijn respondenten zagen zichzelf als liberaal en ruimdenkend. Ze erkenden dan ook dat het in een moderne samenleving nauwelijks te rechtvaardigen was om vrouwen van iedere vorm van academisch onderwijs uit te sluiten. Toch voelden veel van deze ruimdenkende hoogleraren zich wel wat ongemakkelijk bij het ‘radicale’ idee om vrouwen eenvoudigweg toegang te verlenen tot alle collegezalen.

Zoals geleerde heren betaamd, waren ze in staat hun twijfels te ondersteunen met een breed scala aan observaties, ervaringen en argumenten. De belangrijkste punten die zij aandroegen, heb ik hieronder in een overzichtelijk lijstje bijeengebracht.

1. Hoger onderwijs voor vrouwen zal nooit resulteren in passend werk

Uiteindelijk dient een universitaire studie ertoe te leiden dat de afgestudeerde een passende baan krijgt. Dat is vandaag de dag de hoop en was in negentiende-eeuws Duitsland niet anders. De jurist Paul Laband betoogde bijvoorbeeld dat typisch vrouwelijke volgzaamheid haar ongeschikt maakte voor het lidmaatschap van een rechtbankjury: “In het bijzonder zullen vrouwen zich bij de beantwoording van juridische vragen al te gemakkelijk schikken naar door hen gewaardeerde en vertrouwde [mannelijke] collega’s.” De arts Gustav Fritsch benadrukte dat het chirurgenvak ook al niet paste bij het typisch vrouwelijke karakter: “De onvermijdelijke hardheid die nodig is om het mes in een levend lichaam te stoten, heeft op de man niet zo’n schadelijke uitwerking als op een vrouw, waar ze al snel tot een afstotende eigenschap verwordt.”

2. De aanwezigheid van vrouwen leidt mannen af

In Zwitserland waren vrouwen al eerder welkom aan de universiteit. Deze spotprent uit het Duitse tijdschrift Kladderadatsch uit 1872 suggereert dat dit de academische sfeer niet ten goede kwam.

Sommige hoogleraren gaven toe dat vrouwen, als ze zich heel bescheiden en onopvallend gedroegen, soms prima in staat waren om colleges te volgen zonder hun mannelijke medestudenten af te leiden. Helaas was het lang niet alle vrouwen gegeven zich zo bescheiden op te stellen dat hun aanwezigheid makkelijk te negeren was. De patholoog Von Rindfleisch was tevreden over zijn eerste, zeer bescheiden, studente, maar herinnerde zich zijn tweede vrouwelijke toehoorster met minder genoegen. Hij klaagde dat zij “zich niet kon onthouden van het tot uitdrukking brengen van haar vrouwelijkheid en omdat er onder de studenten altijd enkelen waren, die daarop reageerden, waren er wrijvingen en afleidingen van het onderwijs.”

3. Vrouwen missen zelfstandigheid en originaliteit

Hoewel het in het laatste decennium van de negentiende eeuw moeilijk te ontkennen was dat vrouwen qua intelligentie niet onderdoen voor mannen, volgde hier niet in ieders ogen uit dat ze ook goede wetenschappers konden zijn. Miste hun denken immers niet de originaliteit en scheppingskracht die het mannelijk denken altijd eigen was geweest, vroeg de theoloog Georg Runze zich af: “De vrouw denkt, werkt, voelt, leeft anders dan de man. […] Als wetenschap niet simpelweg […] het doorlopen van cursussen, maar een training in zelfstandig onderzoek is […] – en dit is het karakter van de studie aan Duitse universiteiten – zal ook de meest getalenteerde vrouw (mogelijk met uitzondering van zeer zeldzame uitzonderingen) slechts middelmatigheden voortbrengen.”

4. De aanwezigheid van vrouwen is slecht voor de sfeer

De sfeer in de collegezalen werd vaak gekenmerkt door een gevoel van mannelijke saamhorigheid tussen de hoogleraar en de studenten. De gespreksonderwerpen en gewaagde humor die deze kameraadschappelijke sfeer in stand hielden, zouden volgens sommigen – helaas – niet met goed fatsoen ter tafel kunnen komen als er vrouwen in dezelfde ruimte aanwezig zouden zijn. De filosoof Arthur König verwoordde het als volgt: “De toon van menig studentengesprek zal veranderen […] en zo zouden al snel ook grappen die niet geheel passen bij de waardigheid van de academische leidsman volledig verdwijnen, en dat terwijl dezen […] vaak zeer populair zijn.”

5. De observaties van de academische vrouwenspecialisten

Spotprent uit 1899 waarop ‘s rustende studente afgebeeld wordt: “Wat heeft de studente het toch fijn; ’s ochtends ligt ze nog altijd in bed”.

De felste critici van vrouwen in het hoger onderwijs bleken de hoogst geschoolde kenners van het vrouwenlichaam: de gynaecologen. Wilhelm Alex Freund benadrukte hoe lang de verwetenschappelijking van de verloskunde teruggehouden was door vroedvrouwen: “De kraamzorg, dat kunnen we na duizenden jaren ervaring stellen, zou zich vandaag nog op het treurige niveau van vroeger bevinden, als zij uitsluitend aan vrouwenhanden overgelaten was.” Zijn collega Adolf Kehrer baseerde zijn kritische kanttekening niet op historische analyse, maar op zijn rijke praktijkervaring: “Daarbij komt iets, waaraan bij de bespreking van het vrouwenvraagstuk uit kiesheid vooralsnog grotendeels niet geraakt is, maar dat juist door een vrouwenarts sterk benadrukt dient te worden: de maandelijks voorkomende beperking van lichamelijke en geestelijke bekwaamheid, niet zelden uitlopend in een onvermogen tot arbeid en in het beste geval een meerdaagse behoefte aan rust, waarvan de veronachtzaming helaas maar al te vaak tot zware en langdurige ellende leidt.”

Arthur Kirchhoff, de man die al deze hooggeleerde meningen had verzameld en gebundeld, sympathiseerde meer met de vrouwenbeweging dan met de professionele vrouwenexperten. Hij vond echter dat het uiteindelijk aan de Duitse vrouwen zelf was om deze strijd verder te voeren. Hoewel zij in 1908 volledig toegang zouden krijgen tot het Pruisische hoger onderwijs, leek dit in 1897 nog ver weg. Kirchhoff sloot zijn inleiding dan ook af met de volgende oproep: “De wakkere voorvechterinnen voor het vrouwenrechten en vrouwenonderwijs roep ik toe: Laat de moed niet zinken, qui dura, vincit!”

Chris Engberts is verbonden aan de Onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en werkt als postdoctoraal onderzoeker aan transnationale geschiedenis van de Leuvense universiteit in het kader van haar 600-jarige jubileum in 2025.

Titelafbeelding: Elsa Neumann ontvangt in 1899 als eerste vrouw een doctoraat in de natuurkunde aan de Berlijnse universiteit.

Waarom een weinig vertellende museumopstelling net erg sprekend kan zijn

Door Brent Geerts

“Groeten wij ten slotte de talrijke trofeeën, tijdens de Arabische veldtocht veroverd door onze eerste kolonisten.” De gedrukte museumgids van het Koninklijk Museum van het Leger en van de Krijgsgeschiedenis in Brussel uit 1960 liegt er niet om. Een hele reeks in glazen kasten opgeborgen voorwerpen kruist het pad van de bezoeker. In de zaal ‘1831-1914’ mag die vooral zijn of haar oog niet onttrekken aan de ‘glorierijke relikwieën’ van voorbije veldslagen. Een hedendaagse bezoeker kan zich bijna een eeuw terug in de tijd wanen en nog steeds exact diezelfde museumopstelling aanschouwen. Of die zich daarna ook realiseert dat er weinig glorierijks achter de tentoongestelde objecten schuilt, is voer voor enige twijfel.  

Koloniaal erfgoed in een militair museum

In juli 1923 opende koning Albert I het Koninklijk Museum van het Leger in het Brusselse Jubelpark. Haar toenmalige missie schreef voor dat ze vooral “de hedendaagse nationale geschiedenis moest aanleren” en “de vaderlandsgezindheid van de menigte moest aanwakkeren”. Duidelijke getuige daarvan was de eerder genoemde zaal ‘1831-1914’, vandaag omgedoopt tot ‘de historische zaal’, die een chronologisch overzicht brengt van militaire campagnes vanaf het ontstaan van de Belgische natie. In de opstelling springen de talrijke Belgische vlaggen het meest in het oog: ze voorzien het geheel van een duidelijke nationale invalshoek.

Ingang van de huidige historische zaal met zicht op de talrijke Belgische vlaggen. (© Herman Sterckx)

Eén van die campagnes brengt ons naar een vaak vergeten episode uit de jaren 1890. In het Oosten van het huidige Congo vond een reeks veldslagen plaats die later als de ‘Arabische Campagne’ bekend zouden worden. Belgische officieren in dienst van Leopold II bestreden het socio-culturele en politieke overwicht van Arabo-Swahili handelaren in die regio. Die handelaren, onder wie Hamid bin Mohammed el Moerjebi (alias ‘Tippo Tip’), bouwden er sinds enkele decennia een handelsnetwerk in ivoor en tot slaaf gemaakte personen op. De strijd tegen de Arabo-Swahili werd gevoerd onder het mom van een humanitaire strijd tegen ‘de slavenhandelaars’. In de praktijk diende de strijd de oostelijke grens van Leopolds Onafhankelijke Congostaat te legitimeren.

Het militaire treffen resulteerde in het buitmaken van heel wat cultureel erfgoed, gaande van korans, vlaggen, kledij, sabels en degens tot de sandalen en halsketting van Tippo Tip himself. Een deel van dat erfgoed, in die tijd beschouwd als ‘oorlogstrofeeën’, kreeg een plaats in het latere Legermuseum in Brussel, zo’n 6500 kilometer verder. Die collectie springt misschien niet zo sterk in het oog bij een bezoek aan de historische zaal. Hoewel het Legermuseum niet automatisch met koloniaal erfgoed gelinkt wordt, bieden de drie vitrinekasten en bijhorende wandstukken een rijke inkijk in de werking van koloniale propaganda.

Niets te lezen is niets te leren?

Federale regelgeving rond erfgoedbescherming laat het niet toe om te raken aan de opstelling en de plaatsing van de objecten en vitrinekasten in de historische zaal. Mede daardoor blijft het nationale karakter ervan vandaag, terwijl het Belgisch-nationale bewustzijn volgens velen sterk wankelt of zelfs onbestaande is, bevroren in de tijd. De nationale invalshoek krijgt in de tentoonstelling van het Arabo-Swahili erfgoed echter nog een extra dimensie. De opstelling staat bol van koloniale stereotypen: medailles en afbeeldingen ter verering van de witte, mannelijke en heroïsche officier staan in schril contrast met de voorstelling van Congolezen als primitief, wild en meedogenloos. ‘De Arabier’ wordt als de inferieure krijger voorgesteld, niet opgewassen tegen het ‘moderne’ Europese wapenarsenaal.

Zicht op een ’trofeeënkast’, waarin naast portretten en medailles van officiers ook ‘ontnomen’ korans te zien zijn. (© Brent Geerts)

Kleine kanttekening: de museumopstelling communiceert een niet-gegidste bezoeker op geen enkele manier, door middel van bordjes of plakkaten, over dit nationale en koloniale karakter. Hoe ijverig een bezoeker ook zoekt naar enige historische contextualisering, de zoektocht is grotendeels tevergeefs. In tijden waarin debatten over de rol van het koloniale verleden in de hedendaagse maatschappij een belangrijke rol spelen, is dat op zijn minst merkwaardig te noemen. Hoewel het museum de historische zaal op haar website als een ‘museum in een museum’ omschrijft (maar tegelijkertijd nog wel spreekt van ‘exotische souvenirs’ en een ‘glorierijke periode’), moet de bezoeker zelf uitzoeken hoe dat juist tot uiting komt.

De noodzaak van educatie  

Detailfoto van een informatiekaartje bij kledij van een Arabo-Swahili. Bemerk het adjectief ‘oproerig’ in de beschrijving van de man. (© Herman Sterckx)

Toch is de zoektocht niet helemaal tevergeefs. Het kleine beetje dat het museum wél vertelt, biedt aanknopingspunten om de tentoonstelling te doorgronden. Veel objecten zijn vergezeld van handgeschreven kaartjes. Woorden zoals ‘ontnomen’ of ‘veroverd’ op die kaartjes linken objecten met hun herkomst. Ze zeggen iets over hoe een object in het museum kwam, maar niet bijster veel over de bredere omstandigheden waarin. 

Historici zullen je steeds vertellen om bordjes en kaartjes in musea met een sterk kritische ingesteldheid te benaderen. Ze vormen dan ook maar een startpunt tot het stellen van verdere vragen aan een tentoonstelling: over wie vertelt de tentoonstelling (niet)? Wat kom je (niet) te weten als je de kaartjes leest? In welke context zijn die objecten eigenlijk ‘ontnomen’ of ‘veroverd’? Welk effect heeft de onderlinge plaatsing van objecten op de boodschap van de tentoonstelling? En waarom heeft iemand die boodschap ooit willen vertellen?

Dergelijke vragen kunnen een bezoeker, zij het een jonge leerling of een doorsnee volwassene, triggeren om een tentoonstelling kritisch te bevragen. Ze moeten echter wel gesteld worden, en daarvoor is educatie nodig. Een goed uitgewerkte rondleiding of een interactief didactisch product dat in dialoog treedt met de bestaande opstelling kunnen daartoe dienen. Ze kunnen ervoor zorgen dat een als verouderd beschouwde museumopstelling niet zomaar wordt afgezworen of voorbijgelopen. Want hoe stereotiep die ook mag zijn en hoe weinig ze op het eerste zicht vertelt, ze is een waardevol tijdsdocument dat inzicht geeft in de werking van koloniale beeldvorming. Je hebt echter wel educatie nodig om ze effectief sprekend te maken.

Meer lezen?

Devos, Wannes. ‘Patriottisme achter glas. De wedergeboorte van het Koninklijk Legermuseum’. In Pierre Lierneux en Natasja Peeters (eds.), De Groote Oorlog voorbij: België 1918-1928. Tielt-Winge: Lannoo, 2018, 213-219.    

Endter, Stephanie, Nora Landkammer, en Schneider, Karin (eds.). The Museum as a Site of Unlearning: Materials and Reflections on Museum Education at the Weltkulturen Museum. 2018, online op http://www.traces.polimi.it/2018/10/08/issue-06-the-museum-as-a-site-of-unlearning/

Wastiau, Boris. ‘The Legacy of Collecting: Colonial Collecting in the Belgian Congo and the Duty of Unveiling Provenance’. In James B. Gardner en Paula Hamilton (eds.), The Oxford Handbook of Public History. Oxford University Press, 2017, 460-478.

Brent Geerts is doctoraatsonderzoeker aan de Onderzoekseenheid Geschiedenis van de KU Leuven. Hij bereidt een proefschrift voor in het kader van het ‘Congo-Arab Heritage in Historical Narratives’ (CAHN) project, waarin museumeducatie over koloniaal erfgoed in twee Belgische musea (het Koninklijk Legermuseum en het AfricaMuseum) centraal staat.

Titelafbeelding: Museumopstelling rond ‘de Arabische Campagne’ in de historische zaal van het Legermuseum. (© Brent Geerts)