Categoriearchief: Lichaam & wetenschap

De grenzen van Big Science

Door Hein Brookhuis

In Mol werd in 1952 een onderzoekscentrum voor kernenergie opgericht. Vier onderzoeksinstallaties, hoogwaardige laboratoria en een woonwijk verrezen in de Kempen. De komst van het centrum paste in een bredere trend van Big Science die eerder was ontstaan in de Verenigde Staten: wetenschappelijk onderzoek in de kernfysica gebeurde niet langer in alle eenzaamheid in een geïsoleerde werkkamer. Integendeel, honderden technici en wetenschappers moesten op gecoördineerde wijze leren samenwerken. Big science werd ondersteund met miljoenen aan overheidssteun en had nationale prestige. In kranten was te lezen dat men in Mol het “grootste Atoomcentrum in West-Europa” aan het bouwen was, en dat de mysteries van het vreedzame atoomonderzoek in België “slechts ontwrongen kunnen worden met behulp van miljoenen verslindende, geweldige installaties.”

Oneindig optimisme?

Bouw van BR3 (Belgian Reactor 3) op het terrein van SCK CEN. (Beeldarchief SCK CEN, Mol.)

Bleef deze tijd van groei en optimisme dan voortduren? Dat zeker niet. Op verschillende terreinen ontstonden er moeilijkheden. Nationale belangen vormden een eerste grote hindernis. Jarenlang was er getracht om de Europese krachten te bundelen om op mondiaal niveau een belangrijke speler te worden. Dit bleek echter niet eenvoudig. Terwijl fundamenteel onderzoek in het CERN (Genève) op basis van internationale samenwerking plaatsvond, bleef het toepassingsgerichte onderzoek altijd een nationale aangelegenheid. Hoe nauwer het onderzoek verwant was met de nationale economie, hoe moeilijker het was om samen te werken. Bijgevolg bleef een gecoördineerd programma op Europees niveau uit.

Ook de communautaire spanningen en de herverdeling van bevoegdheden in België lieten zich voelen in het nucleaire centrum. Zo werd in 1971 de afdeling van isotopenproductie overgeheveld naar Fleurus, waar het als “Instituut voor Radio-Elementen” de Waalse tegenhanger werd van het onderzoekscentrum in Mol. Niet-nucleair onderzoek werd in 1991 een Vlaamse bevoegdheid. Het strikt nucleaire onderzoek bleef echter onder de federale vlag. De onderbrenging van de drie onderzoeksterreinen – nucleair, niet nucleair en technologisch onderzoek – bij de verschillende overheden, bemoeilijkte politieke discussies over hun financiering.

De omslag

Bouw van de BR2 (Belgian Reactor 2). (Beeldarchief SCK CEN, Mol.)

In Mol brachten politieke discussies over de financiering van kernonderzoek een grote verandering teweeg. In 1983 werden consultants van het Amerikaanse Stanford Research Institute gecontacteerd om het onderzoekscentrum te adviseren over toekomstige onderzoekspaden. Zij adviseerden dat de onderzoekers meer aandacht moest hebben voor de ‘vermarketing’ van hun kennis. Kennis moest met andere woorden een onmiddellijk nut hebben in de maatschappij. Tegelijkertijd moest het centrum ook bezuinigen, maar dit paste moeilijk in de cultuur van Big Science in de jaren 80. Men was toen van mening dat een scherpe controle op budgetten en voortgang ten koste zouden kunnen gaan van de creativiteit en motivatie van de wetenschappers.

Voor de nieuwe staatssecretaris voor Energie Firmin Aerts ging deze omslag niet snel genoeg. In 1986 besloot hij dat het ministerie externe consulenten in zou huren om het onderzoekscentrum in Mol door te lichten. Ze moesten ook een plan  schrijven over de toekomst van het centrum. De tussenkomst van consulenten kan gezien worden als een laatste fase in de transitie die het centrum al een tijd doormaakte. Niet langer kon het zelf bepalen hoe het zijn onderzoek wilde organiseren, maar moest externe expertise het onderzoekscentrum zo rendabel mogelijk maken. Deze omslag is exemplarisch voor de kritische blik waarmee Big Science voortaan werd beoordeeld.

Het rapport van de consulenten schetste een beeld van een centrum dat Big Science vertegenwoordigde, maar daardoor op relatief ongecontroleerde wijze was uitgedijd. In de jaren 60 en 70 hadden wetenschappers de vrijheid gehad om verschillende onderzoeksprojecten te lanceren en bestaande projecten verder te zetten. De consulenten adviseerden om het onderzoek voortaan terug te brengen tot enkele ‘Centers of Excellence’. Ook de onderzoeksfaciliteiten werden nu door een andere bril bekeken. Twee onderzoeksreactoren moesten in de ogen van de consulenten niet sluiten omwille van wetenschappelijke redenen, maar vanwege hun hoge kosten. Hoewel wetenschappers in Mol van mening waren dat de consultants wetenschappelijk onderzoek te veel vanuit een financieel perspectief en te weinig vanuit de wetenschap beoordeelden, zou het rapport uiteindelijk wel de basis vormen van de transformatie van het centrum vanaf 1988. Deze transformatie kwam bovendien hoog op de politieke agenda te staan door het Transnuklear-schandaal. Dit schandaal bracht  een netwerk van frauduleuze praktijken met nucleair afval aan het licht.

Na de opstartperiode van het onderzoekscentrum in Mol in de jaren 50 brak er eind jaren ’70 dus een fase aan waarin nucleair onderzoek niet zonder meer op de onvoorwaardelijke steun van de overheid kon rekenen. Van het centrum werden directe technologische toepassingen verwacht. Ook deed een meer economische visie op onderzoek zijn intrede. Grote uitgaven werden in toenemende mate als een probleem gezien. Dit had ook gevolgen voor de manier waarop kernwetenschappers onderzoek deden. Strikte opvolging en verantwoording van kosten werden gedurende de jaren 90 een inherent aspect van hun loopbaan.

Meer lezen?

Hein Brookhuis, Transforming Big Science in Belgium: Management Consultants and the Reorganization of the Belgian Nuclear Research Centre (SCK CEN), 1980–1990, Centaurus: Journal of the European Society for the History of Science 64 (2). p. 483 – 508. (Open Access)

Amke Maes, Het Atoomdorp Mol. Bouwen voor het kerntijdperk, Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen, 2008.

Hein Brookhuis is als onderzoeker verbonden aan het project over de geschiedenis van het nucleaire onderzoek in België (KU Leuven en SCK-CEN). Hij richt zich op veranderingen in het (inter)nationale onderzoeksbestel vanaf de jaren tachtig en hoe een onderzoeksinstituut als het SCK-CEN zich heeft ontwikkeld in deze periode van zogeheten ‘New Big Science’.

Titelafbeelding: Koeltorens van de BR2 in Mol (Michael Weinold)

Wat een foto van een kringloopwinkel zegt over de armoedezorg in de jaren 1950

Door Els Minne

vlnr: Edouard Froidure, Charles de Jonghe d’Ardoye, Efrem Forni, Jean Goffaerts, G. Caprio. Openluchtwerken Brussel, inzegening nieuw tehuis Petits Riens, Brussel, Amerikaanse straat: openingstoespraak door Edouard Froidure. KADOC – KU Leuven.

Bezoekers van een kringloopwinkel herkennen ongetwijfeld de prullaria in de rekken op deze foto. Spullen waar je graag vanaf wil maar die nog in goede staat zijn, worden verzameld en verkocht tegen een lage prijs. Heel wat kringloopwinkels in België combineren die economische bezigheid met een sociaal project: de tewerkstelling van mensen die elders moeilijk aan een job raken. Op deze foto uit 1955 zie je de plechtige opening van Les Petits Riens, Spullenhulp in het Nederlands, een van de eerste van zulke initiatieven. Oprichter en priester Edouard Froidure (1899-1971) geeft – zichtbaar trots – een toespraak.

Abbé Froidure was een gekend figuur in het naoorlogse Brussel. Hij raakte er vanaf 1933 bekend als organisator van dagkolonies (speelpleinen) voor arme kinderen en vergrootte zijn faam als verzetsheld tijdens de oorlog. In 1952 leerde ook de rest van België Froidure kennen toen hij koning Boudewijn rondleidde in de Brusselse krottenwijken. De aandacht voor dat initiatief lag mee aan de basis van het ontstaan van Les Petits Riens: hoe bekender Froidure werd, hoe meer materiaal hem bereikte om uit te delen aan mensen in armoede. Eerst werden de spullen uitgedeeld aan de behoeftigen en met het overschot werd de tweedehandswinkel geopend. Froidure startte een inzamelpunt voor tweedehands goederen die werden opgelapt en verkocht door ex-gevangenen en daklozen. Aan de winkel van Les Petits Riens werd een tehuis verbonden waar de – steeds mannelijke – werklieden volgens een strikt dagschema leefden en een opleiding kregen.

Les stations de Plein Air. KADOC – KU Leuven, postercollectie, afbeelding kca017247

Hoewel Froidure Les Petits Riens voor de minderbegoeden oprichtte, zijn zij op bovenstaande foto nergens te bespeuren. Zo toont het beeld impliciet een van de kenmerken van de katholieke goede werken uit die periode: armoedebestrijding gebeurde voor en niet met mensen in armoede. Zij bleven het object van de goedheid van anderen en hadden vaak geen inspraak in hoe die hulp tot stand kwam. Niet de armen, maar wel de geestelijken waren zichtbaar aanwezig op de opening. De pauselijke nuntius (midden) en een Vaticaans diplomaat (rechts) vervoegden Froidure en zijn collega-priester Jean Goffaerts aan de eretafel. De soutanes, het grote kruisbeeld boven de deur en de vele christelijke beeltenissen in de rekken geven uiting aan het katholieke karakter van de organisatie.

Het meest intrigerende object op de foto is waarschijnlijk de pancarte boven het hoofd van Froidure. Op het tekstbord staat de slogan ‘Le social, plus il est politique, moins il est évangélique.’ De tekst kan gelezen worden als een aanklacht tegen de basisideologie van de expanderende welvaartsstaat, namelijk dat sociale zorg een politieke bekommernis was. Hoewel Froidure vaak contact zocht met politieke vertegenwoordigers – getuige ook de aanwezigheid van volksvertegenwoordiger Charles de Jonghe d’Ardoye bij de opening – lag de oplossing voor het armoedeprobleem volgens hem bij de gelovige gemeenschap. Als alle christenen hun solidariteit met de minderbedeelden zouden betuigen (middels giften) en een sociaal inclusievere samenleving creëerden (middels naastenliefde), zo stelde hij, dan zou armoede snel verdwijnen.

De fotograaf legde in deze foto dus niet alleen een speciaal moment voor Les Petits Riens vast, maar ook de diepe religieuze wortels van de armoedezorg in België. De utopie dat armoede volledig kon verdwijnen, ging in de jaren 1960 ten onder als gevolg van toenemende secularisering en nieuwe opvattingen over armoede. De impact van religie op armoedezorg bleef echter de hele twintigste eeuw doorwerken.

Els Minne is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar religieus geïnspireerde solidariteit in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Deze tekst verscheen eerder in het tijdschrift Koorts: Els Minne, ‘Les Petits Riens’, Koorts. Erfgoedmagazine van KADOC, 2022, 1, 18-19.

Hoe de Engelse wetenschappelijke interesse voor India op 50 jaar tijd helemaal omsloeg

Door Luz Van den Bruel

Al vele eeuwen zijn Europese geleerden gefascineerd door de – in hun ogen – exotische en mysterieuze allure van verre gebieden ten oosten van Europa. Door de toename van wereldreizen tijdens de achttiende eeuw brachten Europese reizigers meer en meer Aziatische spullen en geschriften terug naar hun thuisland. Zo ontstond de ‘oriëntalistiek’, een uitgestorven quasiwetenschappelijke discipline die zich toespitste op kennis en voorwerpen uit het Oosten. In het kielzog van de Britse verovering van het Indische subcontinent grepen Engelse oriëntalisten enthousiast de kans om meer te weten te komen over de antieke Indische beschaving. Maar: hoe meer informatie werd verzameld, hoe meer die met argwaan en wantrouwen werd onthaald.  

Sanskriet in Devanagarischrift

Initiële fascinatie en Indomania

Voor geleerden uit Groot-Brittannië was de studie van het Oosten aanvankelijk nog een heel breed vakgebied, omdat Engelse reizigers zaken meebrachten uit veel verschillende regio’s. In de achttiende eeuw werd de Indologie – de studie van India – echter één van de belangrijkste takken van de Engelse oriëntalistiek. Om de openbare orde in de veroverde gebieden in India te handhaven, stelde gouverneur Warren Hastings in 1772 namelijk het ‘Judicial Plan’ op. Dit plan moedigde Engelse geleerden aan om vertalingen van inheemse wetten te maken. Tijdens hun onderzoek naar het Indisch rechtssysteem stuitten de Engelsen echter op eeuwenoude teksten die veel meer bevatten dan enkel juridische informatie. Vele van de oeroude manuscripten die ze bekeken, zaten vol met verhalen, folklore, mythes en religieuze geschriften.

De nood voor een vertaling van inheemse wetten werd dus de aanzet van oriëntalistiek onderzoek in India. De beroemde William ‘Oriental’ Jones begon zijn carrière in 1783 als rechter in Calcutta. Jones stuitte op dezelfde problemen als andere rechters: de inheemse bevolking had geen kennis van de Engelse wetten, en ook omgekeerd kwamen Engelse rechters vaak in aanraking met gewoonterecht dat hun compleet vreemd was. Het eerste probleem met de inheemse wetten was de taalbarrière. Veel oude en religieuze wetten waren niet opgeschreven in de volkstaal, maar in het Sanskriet dat enkel gekend was door de plaatselijke elitaire kaste: de Brahmanen.

William Jones (1746-1794)

Hoewel Jones de taal vanuit praktische overwegingen onderzocht, werd hij al snel enthousiast over de structuur van het Sanskriet. Hij beweerde zelfs dat die ‘perfecter’ was dan Grieks en ‘rijker’ dan Latijn. Jones’ vertaling van het Indisch toneelstuk Sakontala werd razend populair in Europa, en veroorzaakte een enorme groei in de belangstelling voor de oeroude Indische cultuur. De immense toename in Engels onderzoek naar antieke Indische teksten betekende het hoogtepunt van de ‘Indomania’ en leidde tot een ware Indische ‘renaissance’. In 1784 richtte Jones de ‘Royal Asiatick Society of Bengal’ (RAS) op, waar geleerden samen kwamen om de Indische maatschappij te bestuderen en bespreken. Hoewel de klemtoon bij Jones zelf op onderzoek naar het Sanskriet lag, waren de onderzoeksvelden van de RAS erg divers. De organisatie verenigde een rijk scala aan juridische, taalkundige en antropologische studies, en onderzoek naar Indische folklore, mythologie, en religies.

Indofobie in aantocht

Toch was India niet bij iedereen een populair onderzoeksveld. Aan het begin van de negentiende eeuw groeide in Groot-Brittannië ook de Indofobie. Een eerste bezwaar tegen het nieuwe onderzoeksterrein was dat onderzoek over het Oosten geen enkele nuttige bijdrage zou kunnen leveren aan de wetenschap of de maatschappij. Verder ontstond er in religieuze hoek bezorgdheid over de ‘heidense’ gebruiken van Oosterse volkeren. De meest invloedrijke aanval op Indomania kwam echter van de Schotse geschiedkundige James Mill. In zijn boek History of British India viel Mill elke vorm van oriëntalistiek onderzoek aan. Hij benadrukte de ‘barbaarse’ gebruiken en de lage evolutionaire rang van de inheemse bevolking. Mills bondgenoot Dugald Stewart beweerde zelfs dat Sanskriet helemaal geen échte taal was, maar een verzinsel van de Brahmanen om de lagere kasten te kunnen onderwerpen.

Taj Mahal, India

De negatieve en aanvallende literatuur over India en haar bevolking overtuigde de Britse geleerden er langzamerhand van dat de Indische cultuur en geschiedenis niet het bestuderen of bewaren waard waren. Om een veelzeggend voorbeeld te geven: in 1828 werd het plan voorgesteld om de Taj Mahal af te breken en het marmer te verkopen. De enige reden dat de afbraak niet door ging, was dat de winst van de marmerverkoop van een ander monument te laag uitviel. Door de Indofobie nam het oriëntalistiek onderzoek in Engelse wetenschappelijke kringen sterk af. Tegen het einde van de jaren 1830 kende het een ‘institutionele dood’ doorheen heel Groot-Brittannië: de colleges oriëntalistiek werden afgelast en de professoren ontslagen.

Oriëntalistiek verhuist

De Engelse wetenschapscultuur kende op vijftig jaar tijd twee uiterste vormen in haar omgang met de Indische cultuur: van het hoogtij van de Indomania sloeg ze helemaal om naar een ware Indofobie. Terwijl de studie van het Sanskriet en India in de Engelse sfeer sterk afnam, won die in andere gebieden echter wel aan populariteit. Aan het begin van de negentiende eeuw leerden de bekende linguïsten Friedrich Schlegel en Franz Bopp Sanskriet van een Engelse Sanskritist. Met die kennis werd het onderzoek naar de oude Indische taal en cultuur aan Duitse universiteiten verdergezet.

Meer lezen?

Marchand, Suzanne L. German Orientalism in the Age of Empire: Religion, Race, and Scholarship. Publications of the German Historical Institute. Cambridge: university press, 2009.

Trautmann, Thomas. Aryans and British India. Berkeley: University of California Press, 1997.

Said, Edward W. Orientalism. Routledge & Kegan Paul Ltd., 1978.

Luz Van den Bruel schrijft een doctoraat over de geschiedenis van de taalwetenschap binnen het project ‘Languages Writing History: the Impact of Languages Studies Beyond Linguistics (1700 – 1860)’.

Waarom hiv nog steeds tot de taboesfeer behoort

Gastblog door Ellen Van Laer

Op de Wereldaidsdag van 2021 getuigde Christoph Ramont dat hij vindt dat er een einde moet komen aan het stigma dat nog altijd rond hiv hangt. Ramont is niet de enige die die boodschap de wereld in wil sturen. De afgelopen jaren krijgt de thematiek steeds meer algemene media-aandacht in de vorm van series zoals It’s a sin en Durf te vragen of persoonlijke getuigenissen zoals die van Ramont. Die aandacht blijft nodig omdat er onder de doorsnee bevolking nog veel onwetendheid over het virus heerst, waardoor stigma’s en stereotypen kunnen blijven overleven. Die onwetendheid en bijhorende mythes over hiv zijn echter niet nieuw. Ze kennen hun wortels maar al te vaak in verkeerde inzichten uit het verleden die zijn blijven voortleven. Over wat voor mythes gaat het precies? En waarom zijn ze tot de dag van vandaag blijven hangen?

Gay Related Immune Disease

In 1981 doken de eerste berichten over een mysterieuze ziekte op. In de Verenigde Staten trof ze vooral jonge homoseksuele mannen uit Los Angeles, San Francisco en New York. Ook in België werden in het begin van de jaren 80 de eerste gevallen van een gelijkaardige ziekte gemeld. Het ging ook hier vooral om mensen uit de gay community. In de beginjaren van de aidsepidemie had de mysterieuze ziekte nog geen officiële naam, maar vanaf het midden van 1982 kwam de naam aids (acquired immune deficiency syndrome) in omloop. Daarvoor werden de incorrecte termen grid (gay-related immune deficiency), crid (community-related immune deficiency) of gay cancer gebruikt om naar de ziekte te verwijzen. Er werd soms zelfs gesproken van de 4H-disease omdat de ziekte werd gelinkt met homoseksualiteit, hemofilie, heroïne en Haïti.

Een van de vele artikels die de dood van Freddie Mercury op 24 november 1991 meldden, een dag nadat hij zelf aan de pers had meegedeeld aidspatiënt te zijn.

Al vanaf het begin van de epidemie werden hiv en aids dus erg bestempeld als een homoziekte, wat achteraf niet terecht zou blijken. Dat kwam niet alleen door de vele besmettingen binnen de gay community en de medische onwetendheid tijdens de beginjaren, maar ook doordat de eerste grote namen die hiv-positief bleken te zijn homoseksueel geaard waren. In 1991 stierf bijvoorbeeld Freddie Mercury aan de gevolgen van aids, 25 uur nadat hij bekend had seropositief te zijn. Zulke zaken zijn sterk blijven hangen in het collectieve geheugen.

Door de link met homoseksualiteit, een thema dat in de beginjaren van de epidemie nog tot de taboesfeer behoorde, kregen hiv en aids dus ook een negatieve en stigmatiserende bijklank. Zo getuigde een seropositieve man in het kader van de tentoonstelling van Bob Reijnders over 40 jaar hiv in 2021: “Ik was 20 jaar toen de Amerikaanse acteur Rock Hudson stierf, de favoriete acteur van mijn moeder. Ze was helemaal in shock, niet alleen omdat hij aids had, maar vooral omdat toen bekend werd dat haar held gay was.”

Aangeleerde angst

Een van de eerste aidscampagnes in Vlaanderen.

De medische wetenschap had niet alleen moeilijkheden met het benoemen van de mysterieuze ziekte, maar ook met het onderzoek naar de precieze werking ervan. Het duurde bijvoorbeeld lang voor onderzoekers doorhadden dat aids door een virus werd veroorzaakt en seksueel overdraagbaar was. Dat zorgde voor mythes zoals mogelijke besmettingen door het gebruik van de drugssoort poppers. Aids stond in die beginperiode daadwerkelijk, mede door die onwetendheid, gelijk aan een doodsvonnis en dat bleek ook uit de verschillende campagnes die in die tijd werden opgestart.

De alarmerende toon van die eerste campagnes en de angst die deze heeft veroorzaakt, is sterk blijven doorleven. Vele hiv-patiënten getuigen dat ze discriminatie hebben ervaren doorheen hun leven, vaak door de angst voor het virus bij anderen. Zo zijn er vele verhalen over begrafenisondernemers die weigerden besmette personen te begraven, (tand)artsen die geen hiv-patiënten wilden behandelen of werkgevers die seropositieven ontsloegen.

Medische vooruitgang versus stigma en taboe

In de jaren 90 werd er op medisch vlak grote vooruitgang geboekt. Hiv-remmers, die in 1996 op een congres waren aangekondigd, maakten van de dramatische en dodelijke ziekte een beheersbare ziekte. Samen met andere soorten medicatie zorgden de hiv-remmers ervoor dat hiv vanaf ongeveer het jaar 2000 niet meer overdraagbaar is wanneer een positief persoon zijn medicatie juist inneemt.

Een hiv-remmer

Toch ging die vooruitgang in het medische gebied niet gepaard met een verandering van de perceptie van hiv en aids in het algemeen; ofwel bleef het beeld van de jaren 80 hangen ofwel verloor sensibilisering aan belang door de komst van de medicatie. Sinds er medicatie op de markt is, roepen organisaties zoals Sensoa toch ook op om hiv eerder te normaliseren dan te banaliseren door de medische vooruitgang. Zo geeft een groot deel van de seropositieven in Vlaanderen aan dat de dagelijkse medicatie en fysieke ongemakken slechts een beperkte impact hebben op hun levenskwaliteit, in tegenstelling tot het taboe en stigma rond het virus.  

In het verleden hebben er zich dus heel wat mythes ontwikkeld over hiv en aids. Die mythes komen vooral voort uit medische onwetendheid, fake news of angstreacties. Hoewel de wetenschap grote vooruitgang heeft geboekt in de afgelopen decennia en de basis van een aantal mythes ontkracht heeft, zijn enkele ervan toch blijven voortleven onder de bevolking. Het verleden en de eerdere omgang met het virus heeft dus ook vandaag de dag nog een grote impact op het leven van mensen met hiv.

Meer lezen?

Borghs, Paul. “Holebipioniers: Een geschiedenis van de holebi- en transgenderbeweging in Vlaanderen”. Antwerpen: ’t Verschil, 2015.

De Maeseneer, Wim. “Van dodelijke “homokanker” tot chronische aandoening: hoe aids evolueerde, maar ons beeld erover is blijven stilstaan”. VRT NWS, 1 december 2019. https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2019/11/29/wereldaidsdag-evolutie-van-dodelijke-ziekte-tot-chronische-aand/

Reijnders, Bob. “Portretreeks & getuigenissen over de impact van 40 jaar hiv”. Uitgave in eigen beheer, 2021.

Ellen Van Laer was student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en werkte aan een masterproef over informatieverwerving rond en beleving van hiv en aids tussen 1980 en 2015 .

Titelafbeelding: Ignorance = Fear / Silence = Death (1989) van Keith Haring. Met deze print kaartte Haring de stilte rond hiv en aids aan en spoorde hij de Amerikaanse overheid aan om actie te ondernemen. (© Keith Haring Foundation)

Levensmoeheid, (g)een kwaal van deze tijd?

Gastblog door Stefanie Meul

De flagrante tegenstelling in de titel van deze blog zal ongetwijfeld de wenkbrauwen van menig lezer doen fronsen. Want hoe kan een emotie – of beter nog – een cluster van emoties, nu tegelijkertijd wel en niet kenmerkend zijn voor onze tijd? De term levensmoeheid duikt de laatste jaren wel vaker op in de media. Ook filosofen en ethici hebben ettelijke, al dan niet digitale pagina’s aan de kwestie gewijd. Daarnaast lijkt ook de medische wereld het fenomeen van een voltooid leven nu voorzichtig te erkennen. Hoewel er absoluut geen eensgezindheid is over een definitie, aanpak, wettelijk kader of zelfs terminologie, bestempelen alle bovengenoemden het wel als een typisch eigentijds probleem. Levensmoeheid is dus een kwaal van deze tijd… Maar toch niet helemaal.

Voltooid leven in de tegenwoordige tijd

Aantal vermeldingen van ‘levensmoe’ en ‘levensmoeheid’ in literaire teksten van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Om te onderzoeken wat levensmoeheid in het verleden was, is het belangrijk om eerst na te gaan wat het begrip vandaag betekent. Specialisten zijn het erover eens dat voltooid leven een moeilijk te concretiseren concept is. Toch is het mogelijk om een profiel op te maken van ‘de levensmoede bejaarde mens’ in onze maatschappij. Zo is er de evidente link met ouderdom en (psychisch) lijden door niet-levensbedreigende ouderdomsklachten. Eenzaamheid, beperking van mobiliteit, een achteruitgang van zicht of gehoor en geheugenproblemen zijn enkele van de klachten die ouderen benoemen. Deze ouderen zijn – in meerdere of mindere mate – allen zeer actief (geweest) en hun angst voor aftakeling en afhankelijkheid bepaalt grotendeels hun stervenskeuze. Ze zijn niet depressief, maar willen zelf beslissen over hun levenseinde in plaats van hun autonomie af te staan aan zorgverleners. Kenmerkend is ook het ontbreken van strakke religieuze banden die hun actieve of passieve doodswens zouden kunnen beïnvloeden. Daarbij treden deze bejaarden vaak op als pleitbezorgers voor een wettelijk kader voor voltooid leven binnen de euthanasiewetgeving.

Een vermoeiend leven in de negentiende en vroege twintigste eeuw

Gedicht van Hélène Swarth, Het Volksbelang, 1888.

Ondanks de stellige overtuiging waarmee specialisten de problematiek als typisch hedendaags bestempelen, zijn er in de negentiende eeuw al vermeldingen van levensmoeheid terug te vinden in krantenartikelen. Nederlandstalige schrijvers uit die periode portretteerden hun personages eveneens regelmatig als levensmoe. Twee opvallende vaststellingen zijn hierbij van belang: ten eerste kon iedereen in het verleden levensmoe zijn, terwijl de term vandaag specifiek aan ouderen gelinkt is. Zo kregen bijvoorbeeld jongeren en ouderen, huisvrouwen, tot zelfs politieke partijen of continenten dit label toegekend.

Ten tweede kreeg levensmoeheid in het verleden een veel ruimere invulling. De negentiende-eeuwse mens kon ‘het leven moe zijn’ en hartstochtelijk verlangen naar de dood, waarbij religieuze motieven en de wens tot hereniging met God in het hiernamaals een rol speelden. Het thema van de passieve doodswens kwam regelmatig naar voren in de Nederlandstalige literatuur uit deze periode. Omwille van het religieuze aspect was zelfdoding bij deze auteurs uit den boze. Daarnaast leidde levensmoeheid volgens tal van krantenartikelen evenwel geregeld tot zelfmoord. Volgens poëtische teksten kon ook liefdesverdriet een mens levensmoe maken.

Reclamefolder voor ‘Sunlight’ zeep, 1888.

Anderzijds kon levensmoeheid in de bredere zin refereren naar een allesoverheersende vermoeidheid, veroorzaakt door de dagdagelijkse ‘struggle for life’. Een treffend voorbeeld in dit verband was de reclame voor Sunlight zeep uit 1888. Huisvrouwen kregen de vraag of ze ‘tired of life’ waren door al het poetsen en schrobben. De advertentie beloofde een aanzienlijke verlichting van hun werklast bij gebruik van Sunlight zeep. Een ander voorbeeld was de reclame uit 1937 die een rooskleuriger leven voorspelde na het eten van Solo margarine, omdat lekker eten levensvreugde geeft. Dat was immers hoognodig wegens de veelvoorkomende levensmoeheid in ‘onze koortsige eeuw’. Bedrijven speelden dus via gerichte marketingcampagnes in op een aangevoelde vermindering van levenskwaliteit.

Een nieuwe eeuw, nieuwe geluiden

Bovenstaande argumentatie verduidelijkt de schijnbare tegenstelling in de titel van deze blog: levensmoeheid was in de negentiende eeuw wel degelijk een gekend fenomeen. Het is echter problematisch om de toenmalige situatie als een blauwdruk of voorloper van de huidige problematiek te beschouwen. Zowel de betekenis van het concept als de toepassing ervan was veel ruimer dan vandaag. Doorheen de hele negentiende eeuw kregen ouderen bovendien weinig maatschappelijke en medische aandacht. Pas vanaf de twintigste eeuw kwam hierin verandering met de (h)erkenning van ouderen als een aparte leeftijdscategorie en de opkomst van specialismen als gerontologie en geriatrie vanaf 1950.

Tot slot is het opvallend dat medische bronnen levensmoeheid nooit vermeldden. Dit is vanuit een hedendaags perspectief verwonderlijk omdat ‘onze’ ouderen met een doodswens doorgaans bij een arts terechtkomen. De toenemende medisch-psychiatrische professionalisering kan hier een verklaring bieden. Psychiaters waren er vanaf de negentiende eeuw van overtuigd dat suïcidegedachten of een doodswens altijd het gevolg waren van onderliggende psychiatrische aandoeningen. Dit in tegenstelling tot de vorige eeuwen, waar zelfmoordenaars minstens een zondige tot zelfs een criminele inborst kregen aangemeten. Het uitgangspunt was dus dat zelfdoding kon worden voorkomen door een psychiatrische behandeling van het onderliggende pathologische probleem en een gedegen bewaking van de patiënt. Vanuit dit standpunt bestond levensmoeheid volgens de toenmalige medische wereld – tot ver in de twintigste eeuw – eenvoudigweg niet (meer). Enkel psychiatrische diagnoses, zoals melancholie en later depressie, en hun behandelingen kregen erkenning als mogelijke oorzaken en remedies voor een doodswens.

In het kielzog van hun optimisme over de schijnbaar grenzeloze mogelijkheden van de medische wetenschap verklaarden artsen de aloude levensmoeheid bijgevolg dood en begraven. Twee eeuwen later komt de term evenwel ook in medische kringen opnieuw aan de oppervlakte. Onder invloed van een vergrijzende samenleving en een meer realistische houding binnen de psychiatrie krijgt hij dan zowel een engere betekenis als een nieuwe naam. Voltooid leven symboliseert op deze manier eveneens de grenzen waartegen de psychiatrische wetenschap botste.

Meer lezen?

De Beauvoir, Simone. De ouderdom: Situatie en zingeving in de laatste levensfase. Utrecht: Uitgeverij Bijleveld, 1970.

Van Wijngaarden, Els. Voltooid leven: Over leven en willen sterven. Amsterdam en Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2016.

Stefanie Meul is student in het Masterproefseminarie Cultuurgeschiedenis na 1750. Ze schreef deze blogtekst als opdracht in dit seminarie en bereidt een masterproef voor over levensmoeheid bij Belgische ouderen.

Titelafbeelding: Ferdinand Hodler, Die Lebensmüden, 1892. Afbeelding in publiek domein, olieverf op canvas.

Het einde van de man, weeral

Door Tinne Claes

Vandaag kunnen vrouwen geen kind krijgen zonder man of spermadonor. Daar komt in de toekomst misschien verandering in, want wetenschappers dromen ervan om met in-vitrogametoganese (IVG) een huidcel te laten uitgroeien tot een zaadcel. Op die manier zou een vrouw een andere vrouw kunnen bevruchten. ‘Mannen, let op, misschien zijn jullie in de toekomst overbodig’, waarschuwde een Nederlandse nieuwszender al. Het is een argument met een lange geschiedenis.

We willen toch geen matriarchaat?

Een verheugd stel haalt een baby uit een automaat in de film Just Imagine uit 1930.

Na de uitvinding van de kunstmatige bevruchting in de negentiende eeuw begon deze techniek snel een eigen leven te leiden in de populaire cultuur. Ze werd het onderwerp van romans, toneelstukken en films. Een veelvoorkomend motief was het potentieel van de kunstmatige inseminatie voor vrouwen. Ze zouden weldra geen man meer nodig hebben om kinderen te krijgen, zo luidde het idee.

In het zog van de eerste feministische golf verschenen steeds meer alarmerende teksten. In 1912 beweerde een journalist van het populaire Duitse tijdschrift Die Gegenwart bijvoorbeeld dat radicale feministen verheugd waren om het vooruitzicht van het ‘volledig elimineren van de vaderlijke component’. In de jaren 1920 schetste de Britse vrouwenhater en filosoof Anthony Ludovici het doemscenario dat Britse feministes zich de kunstmatige bevruchting zouden toe-eigenen. In het boek Lysistrata; or, Woman’s Future and Future Woman orakelde hij: ‘Eenmaal de kunstmatige inseminatie een alledaagse gebeurtenis is, zal een vrouwenparlement ongetwijfeld een wet aannemen die het voor de man onwettig maakt om op natuurlijke wijze een kind voort te brengen.’

Talrijke auteurs vreesden dat mannen in een door feministes geïnstalleerd matriarchaat niets meer zouden zijn dan wandelende spermabanken. De Franse schrijver Georges Duhamel schreef in 1930 een dystopische roman waarin vrijgevochten Amerikaanse vrouwen sperma bestelden uit een catalogus, alsof het een auto of kleding betrof. In hetzelfde jaar ging de Amerikaanse film Just Imagine in première, een futuristische komedie waarin vrouwen baby’s uit automaten haalden, waardoor ze niet langer een man nodig hadden.

Bewust alleenstaande moeders, toen nog bewust ongehuwde moeders genoemd, werden pas zichtbaar in de jaren 1980. Affiche van Dea-To, uitgegeven door het Centrum voor Seksuele Voorlichting in 1983 (bron: AMSAB, Gent)

Spermabanken zijn voor mannen

In de tweede helft van de twintigste eeuw won de kunstmatige inseminatie nog aan populariteit. In de jaren vijftig werden spermabanken uitgevonden, met diepgevroren spermastalen. De nieuwe techniek maakte kunstmatige bevruchting – die tot dan toe met ‘verse’ donaties gebeurde – minder morsig en gaf ze een serieuzer aura. De samenleving seculariseerde, waardoor oude bezwaren sneuvelden.

Toch wilden fertiliteitsartsen alleen gehuwde paren behandelen, waarvan de man onvruchtbaar was. Deze artsen benadrukten dat donorinseminatie louter therapeutisch was, slechts een middeltje tegen de onvruchtbaarheid van de echtgenoot. Vrouwen die om sperma vroegen omdat ze geen man hadden, waren verdacht.

Want fertiliteitsartsen maakten zich zorgen over feministes, die ondertussen een tweede golf deden aanzwellen. Zo hoonde de Nederlandse gynaecoloog Ton Schellen aan het begin van de jaren 1960: ‘Men kent de zogenaamde “career women”, vrouwen die een zelfstandige positie bekleden, goed ontwikkeld, zelfstandig, overheersend en wellicht te dominerend om tot een huwelijk te geraken.’ Zulke vrouwen mochten volgens hem nooit aan een kind worden geholpen. ‘De maatschappij heeft allerminst behoefte aan de instelling van een matriarchaat.’

Feministen met kleine honden

In 1973 stelde Jill Johnston de vrouwenliefde voor als de beste uitweg uit het patriarchaat.

In de jaren 1970 werden deze ‘schrikbeelden’ versterkt door het gedachtegoed van enkele radicaalfeministische actiegroepen, die de vrouwenliefde voorstelden als de beste ontsnappingsroute uit de door mannen gestuurde maatschappij. Zogenaamde lesbische separatisten streefden naar een volledig vrouwelijke samenleving, waarin voortplanting ongeslachtelijk gebeurde. De maagdelijke bevalling, die mannen overbodig zou maken, was voor hen een wensdroom.

Voor de meeste fertiliteitsartsen was deze droom een nachtmerrie. Bang als ze waren voor de omverwerping van het patriarchaat, hielpen ze ongehuwde vrouwen niet aan een baby. Op een groot wetenschappelijk congres, dat in 1973 plaatsvond in Leuven, was de consensus dat vrouwen die zonder man bij hen aanklopten ‘even gelukkig zouden zijn met een kleine hond’. Ook dachten artsen dat het gevaarlijk was om een kind te laten opgroeien bij een ‘mannenhaatster’. Lesbische en alleenstaande vrouwen verkregen pas toegang tot de spermabank in de jaren 1980, en dan nog alleen via een klein aantal fertiliteitsklinieken.

Is het einde van de man eindelijk daar?

Wat kunnen we leren uit deze geschiedenis? Angsten over het einde van de man dienden in het verleden vooral om het patriarchaat in stand te houden. Het idee dat de man overbodig zou worden, diende vooral als een waarschuwing tegen het feminisme.

Mannen kunnen dus op hun beide oren slapen. Vanuit historisch oogpunt is het onwaarschijnlijk dat de toekomstige IVG-techniek, als het al zou lukken, het einde van de mannelijke privileges zou inluiden.

Meer lezen?

Christina Benninghaus, ‘Great expectations—German debates about artificial insemination in humans around 1912’, Studies in History and Philosophy of Biological and Biomedical Sciences 38 (2007), 374–392.

Tinne Claes, Zaad zonder naam: een biografie van de spermabank (Tielt: Lannoo, 2022).

Kara Swanson, ‘The end of men: again’, Boston University Law Review Annex 93 (2013), 26-36.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van geneeskunde, gender en seksualiteit in de negentiende en twintigste eeuw. Onlangs publiceerde ze het boek Zaad zonder naam: een biografie van de spermabank.


Hoe de witte woede ontstond

Door Luc De Munck

12 mei, de geboortedag van Florence Nightingale, is sinds 1965 de Internationale Dag van de Verpleging. Dit jaar viert de Federale Neutrale Beroepsvereniging Verpleegkundigen, een van de grootste Belgische beroepsorganisaties voor verpleegkundigen, haar eeuwfeest tijdens een academische zitting in Brussel. Toch was deze vereniging niet de eerste die opkwam voor de belangen van verpleegkundigen.

Materiële en morele steun aan frontverpleegsters

In het tijdschrift Pour les Nurses pleitte Belpaire als eerste voor een beroepsorganisatie voor verpleegsters (Bijzondere Collecties, Leuven)

Het was de katholieke letterkundige Marie Elisabeth Belpaire die vanaf 1916 als eerste probeerde om een professionele organisatie voor verpleegsters op te richten. Ze pleitte voor samenwerking tussen katholieke en niet-katholieke verpleegsters, waarbij de vooroorlogse ideologische tegenstellingen naar de achtergrond verschoven. Haar poging mislukte, omdat een militair reglement van 1917 een dergelijke organisatie verbood. Toen deze maatregel later stilzwijgend werd opgeheven, was het niet Belpaire maar Thérèse Goldschmidt, de vrouw van de liberale minister Paul Heymans, die in juli 1918 La Famille de l’Infirmière oprichtte. Deze eerste beroepsorganisatie voor verpleegsters had als doel materiële en morele steun te bieden aan frontverpleegsters.

Een neutrale beroepsorganisatie in 1922

Jeanne Hellemans, de eerste voorzitster van de neutrale beroepsorganisatie (KADOC, Leuven)

Meteen na de oorlog richtte een veertigtal Brusselse verpleegsters de Union professionnelle des infirmières belges op. Deze vereniging ijverde in eerste instantie voor de aansluiting van haar leden bij een mutualiteit, een streven dat kaderde in de hoge vlucht die mutualiteiten na de oorlog in België namen. Daarnaast vroeg de vereniging om de titel van verpleegster te beschermen en om niet-gediplomeerden, die zich ten onrechte de titel van verpleegster toe-eigenden, te vervolgen (een eis die in 1946 werd gerealiseerd). Kort na de oprichting van de Brusselse unie ontstonden vergelijkbare verenigingen in Antwerpen, Mechelen, Gent en Doornik. Het waren de afgevaardigden van deze verenigingen die op 23 februari 1922 in Brussel samenkwamen om de Fédération Nationale des Infirmières Belges op te richten. Deze federatie had een neutraal profiel. Het doel was om de professionele, materiële en morele belangen van haar leden-verpleegsters te verdedigen. In september 1923 werd een bestuur verkozen, met Jeanne Hellemans van de Mechelse vereniging als voorzitster. In haar toespraak tijdens de eerste algemene vergadering – waaraan meer dan driehonderd verpleegsters deelnamen – benadrukte Hellemans dat de oorlog wel een elan aan het verpleegstersberoep had geschonken, maar stelde ze ook vast dat er nog veel werk aan de winkel was om de onwetendheid en de vooroordelen over het beroep te bestrijden.

Een katholieke tegenbeweging

Kort na de oprichting van de neutrale federatie vonden katholieke Waalse verpleegsters het nodig om een katholieke verpleegstersorganisatie op te richten. De reden daarvoor was tweeërlei: ze vonden dat niet-katholieke verpleegsters een té grote rol begonnen te spelen, en dat de pas opgerichte federatie het verpleegstersberoep als een louter materiële en technische functie beschouwde. Volgens hen maakte de neutrale vereniging ten onrechte een onderscheid tussen godsdienst en beroep, terwijl zij vonden dat het verpleegkundig beroep in de eerste plaats een roeping en een werk van naastenliefde was. Daarom werd de Association des Infirmières Catholiques de Belgique (AICB) opgericht. Naast het verdedigen van beroepsbelangen had deze vereniging vooral de geestelijke en morele vorming van zijn leden tot doel. Daarbij werd ze gesteund door de kerkelijke overheid. In 1936 ontstond de Vereeniging voor Katholieke Verpleegsters en Vroedvrouwen der Vlaamsche gouwen in België (VKVV, vanaf 1952 NVKVV), die zich onafhankelijk ging opstellen tegenover de AICB. Door haar autonome werking kon deze Vlaamse beroepsvereniging de specifieke beroepsbelangen van katholieke verpleegsters uit het Vlaamse taalgebied behartigen. Als reactie hierop richtte de neutrale federatie in 1938 ook een Vlaamse afdeling op.

Een overkoepelende verpleegstersorganisatie vanaf 1952

Ghislaine Van Massenhove lag als NVKVV- en AUVB-voorzitster aan de basis van het verpleegkundig statuut (KADOC, Leuven)

Meteen na de Tweede Wereldoorlog ontstond er opnieuw nauwere samenwerking tussen de neutrale en katholieke organisaties. Dit had tot gevolg dat de federatie weer de belangen van álle verpleegsters verdedigde, maar was minder gunstig op internationaal vlak: vanaf 1950 vertroebelde de relatie met de International Council of Nurses (ICN), waarvan de federatie al sinds haar oprichting lid was. Deze neutrale internationale beroepsorganisatie nam in delicate morele vraagstukken als euthanasie en sterilisatie geen standpunt in. Katholieke verpleegsters daarentegen vonden dat ze in dergelijke ethische kwesties de christelijke moraal voor ogen moesten houden. Dit leidde begin 1952 tot de terugtrekking van beide katholieke verenigingen uit de ICN. Om de beroepsorganisaties opnieuw op een lijn te krijgen, werd op 17 mei 1952 de Algemene Unie van Verplegenden in België (AUVB) als overkoepelende organisatie opgericht.

Jarenlange strijd voor het verpleegkundig statuut

Onder impuls van AUVB- en NVKVV-voorzitster Ghislaine Van Massenhove ontstond in de jaren zestig een beweging voor een eigen verpleegkundig statuut. Daarbij werd toenemende druk uitgeoefend op geneesheren en op de opeenvolgende ministers van Volksgezondheid, om het verpleegkundig beroep niet langer onder geneeskundige voogdij te plaatsen. Om haar eisen kracht bij te zetten, organiseerde de AUVB In februari 1971 een Staten-Generaal van de Verpleegkunde op de Heizel. Aansluitend hielden 17.000 verpleegkundigen een betoging, de grootste manifestatie uit de geschiedenis van de verpleegkunde in België en de eerste uiting van ‘witte woede’.  Het lobbywerk leidde uiteindelijk tot de wet van 20 december 1974 op de uitoefening van de verpleegkunde. Daardoor kregen de verpleegkundigen hun statuut, dat de uitoefening van de verpleegkunde duidelijk omschreef en wettelijk beschermde. Het zorgde voor een duidelijker identiteit en een groter aanzien van het beroep. De goedkeuring van deze wet illustreerde dat het meer dan een halve eeuw eerder begonnen werk van verpleegkundige beroepsorganisaties resultaat had opgeleverd.  

Meer lezen?

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, 2018.

Luc De Munck, ‘Ghislaine Van Massenhove, een leven ten dienste van de verpleegkunde’, Jaarboek 2021 Erfgoedkring 8460, Oudenburg, 2021, 70-83.

Barbara L. Brush, Joan E. Lynaugh, Geertje Boschma e.a., Nurses of All Nations. A History of the International Council of Nurses, 1899-1999, Philadelphia, 1999.

Luc De Munck is doctoraatsonderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Op 25 februari 1971 vond in Brussel de Staten-Generaal van de Verpleegkunde plaats (KADOC, Leuven).

Hoe de Maya’s ervoor gezorgd hebben dat er een uit insecten gewonnen kleurstof in je yoghurt zit

Door Milton Fernando Gonzalez Rodriguez; vertaald door Wouter Egelmeers

Hoe vreemd het ook mag klinken, de kans is groot dat je zonder het te weten een lepel yoghurt hebt gegeten, een hap van een cake hebt genomen, of een drankje hebt gedronken dat een uit insecten gewonnen kleurstof bevat. Het idee klinkt voor veel mensen misschien walgelijk, maar sommige van de roodste voedingsmiddelen bevatten sinds het midden van de twintigste eeuw een poeder dat is verkregen door het verwerken van cochenilleluizen (Dactylopius coccus). Een ​​aardbeienijsje moet immers qua kleur wel lijken op het fruit dat het zou bevatten, toch?

Van dierlijke oorsprong

Cochenilleluis. Leslie Seaton. Wikicommons, CC-BY-2.0.

Voedselproducenten en marketingexperts denken in ieder geval van wel. Om het visuele aspect van voedsel te verbeteren, vertrouwen ze op kleuradditieven die cosmetisch bijvoorbeeld ijs, cocktails en gebak aantrekkelijker maken zonder hun smaak of textuur te veranderen. Het rode extract dat wordt gemaakt van cochenille-insecten, oorspronkelijk afkomstig uit Meso-Amerika, reist door ons voedsel en andere producten onder verschillende pseudoniemen, zoals E120, natural red 4, C.I. 75470, of gewoon onder de Nederlandse benaming, karmijn. De cochenilleluizen waaruit deze stof gewonnen wordt, brengen hun hele leven door op stekelige cactussen. De cactusbladeren worden verzameld en vervolgens opgeslagen in magazijnen, waar werknemers de insecten van de planten schrapen. Zodra de insecten zijn gesorteerd en in de zon gedroogd, worden ze geplet, waardoor de felrode kleur in hun lichaam zichtbaar wordt. Uiteindelijk worden de geplette insecten gemengd met een zure alcoholoplossing. De zo verkregen kleur is nog net zo rood als toen de Maya’s en daarna de Azteken haar voor het eerst gebruikten om hun leven een vleugje meer kleur te geven.

Passie voor rood 

De opvallende kleur van karmijn bleef niet onopgemerkt toen de Spanjaarden in de vijftiende eeuw in Midden-Amerika arriveerden. Ze realiseerden zich al snel dat inheemse Amerikanen de sleutel in handen hadden om het Europese kleurenpalet uit te breiden en met deze felle, nieuwe roodtint de kunstwereld te hervormen. De Oude Wereld had nog nooit zo’n intense felrode kleur gezien. Spanje was dan ook niet bereid de mysteries achter zijn productie te onthullen. Het monopolie op dit handelsartikel werd angstvallig in handen van de Spaanse kroon gehouden.

Gravure van een plantage van cochenillecactussen met arbeiders die cochenille verzamelen en bereiden. Wellcome Collection, publiek domein.

Vele levens, bijvoorbeeld van spionnen en insectensmokkelaars, werden opgeofferd in een poging om elk aspect van deze lucratieve onderneming geheim te houden. Cochenille-extract was waardevol. Als gevolg van de schaarste van de rode kleurstof werd de kleur ook in Europa een statussymbool, een teken van macht, een onderscheidingsteken en een favoriet van gerechtsgebouwen, pausen en andere hooggeplaatsten, en natuurlijk kunstenaars. De stof werd het meest gebruikt in de textielindustrie, maar karmijn werd al snel ook een favoriet ingrediënt bij de fabricage van andere producten.

Een einde aan het monopolie

Na ruim twee eeuwen maakte de onafhankelijkheid van Mexico aan het begin van de 19e eeuw een einde aan het Spaanse monopolie. De Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1810-1821) had veel gevolgen en een daarvan was de onmogelijkheid om de uitbreiding van de karmijnproductie naar andere delen van de wereld te beheersen. Tijdens de meest chaotische jaren wisten de Guatemalteken de techniek met succes naar hun land over te brengen, waardoor Guatemala op de karmijnmarkt de belangrijkste concurrent van Mexico werd. Tegen de jaren 1850 werd Guatemala ’s werelds grootste exporteur van karmijn en produceerde het land meer van de kleurstof dan zijn voorgangers ooit hadden weten te exporteren. Maar het geheim van de karmijnproductie was bekend.

Dactylopius coccus. Dick Culbert. Wikicommons, CC-BY-2.0

Zowel Spanjaarden als Nederlanders waren erin geslaagd de Meso-Amerikaanse techniek over te brengen naar landbouwgronden voor de kust van Afrika en in Azië. Tegen het einde van de jaren 1830 waren er op vijf van de Canarische Eilanden en op Java plantages opgestart voor het oogsten van Dactylopius coccus. De Spaanse regering probeerde zonder veel succes de Canarische boeren aan te moedigen een deel van hun wijngaarden te vervangen door cochenille-oogstcentra. Ondertussen hoopten Nederlandse ambtenaren op Java dat de karmijnindustrie een winstgevende onderneming zou worden. In 1827 hadden ze een operatie opgezet waarbij een spion ingehuurd werd om het geheim achter de teelt en verzameling van cochenilleluizen te stelen. De overproductie van karmijn op wereldniveau deed de prijzen echter kelderen. Daar kwam nog bovenop dat er tussen 1870 en 1880 in Duitsland nieuwe technieken werden ontwikkeld die het mogelijk maakten om synthetische pigmenten te produceren. Complexe oogstcentra van insecten waren niet meer nodig en het gebruik van karmijn daalde drastisch.

Hernieuwde belangstelling

De insectenkleurstof leek zijn langste tijd dus gehad te hebben. Plotseling kwam daar echter verandering in. Vanaf 1970 begonnen Westerse consumenten namelijk de voorkeur te geven aan natuurlijke additieven in hun voedsel in plaats van synthetische, voornamelijk veroorzaakt door de angst voor potentieel kankerverwekkende stoffen die toen opkwam. Deze afkeur van E-nummers en andere kunstmatige toevoegingen gaf aanleiding tot de herintroductie van cochenille-extract. Op enkele incidenten na krijgt karmijn niet veel aandacht in de media. Gerapporteerde allergische reacties en ontevreden vegetarische klanten die zich bedrogen voelen hebben niet geleid tot een verbod op het gebruik van cochenille-extract in voedingsmiddelen.

De Maya-innovatie om een ​​kleurstof uit een insect te extraheren, later gekopieerd door de Azteken en uiteindelijk overgenomen door de Europese kolonisatoren, speelt daardoor indirect opnieuw een belangrijke rol in de productie van roodfruitproducten, zoetwaren en dranken als Jumex Apricot, Orangina Rouge en Yaggo. Zo komen er behalve een uit insecten gewonnen kleurstof dus ook sporen van een eeuwenoude Mayapraktijk in je yoghurt terecht.

Meer lezen?

Herman Pleij. Van karmijn, purper en blauw. Over kleuren van de Middeleeuwen en daarna. Amsterdam: Prometheus, 2002.

Amy Butler Greenfield. Het volmaakte rood. Macht, spionage en de zoektocht naar de kleur van passie. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

Milton Fernando Gonzalez Rodriguez is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis sinds 1750. Hij werkt als Marie Skłodowska Curie Fellow aan het project Medicinal Efficacy in Images and Words since the Advent of Mass Media in Western Europe (reMEDIAL NATURE), gefinancierd door Horizon 2020 (MSCA IF).

Titelafbeelding: Cochenillecactus (Nopalea cochenillifera) met insecten die zich ermee voeden, waaronder het cochenille-insect (Dactylopius coccus). Ingekleurde ets door J. Pass, ca. 1801, naar J. Ihle. Wellcome Collection, publiek domein.

Hoe criminologen vrouwelijke criminaliteit in de negentiende eeuw verklaarden

Door Franco Capozzi; vertaald uit het Engels door Wouter Egelmeers

Criminologisch onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat vrouwen beduidend minder misdrijven plegen dan mannen. Tussen 2010 en 2019 was bijvoorbeeld slechts 1 op de 20 volwassen gevangenen in de EU vrouwelijk. Er zijn veel theorieën voor dit verschijnsel aangedragen, variërend van hormonale verschillen tot de ondergeschikte sociale en economische rol die onze samenleving aan veel vrouwen toebedeelt, maar er is nog geen sluitende verklaring gevonden voor de vraag waarom vrouwen in verschillende landen en culturen minder geneigd zijn tot crimineel gedrag dan mannen. Veel mensen weten niet dat het debat over de ‘achterblijvende’ criminaliteit van vrouwen bijna 200 jaar oud is en dat de oorsprong ervan verweven is met die van de criminologie zelf. Hoe verklaarden vroege criminologen de genderverschillen in criminaliteit en welk vrouwbeeld komt uit hun theorieën naar voren?

De ontdekking van een astronoom

Adolphe Quetelet (Library of Congress)

Hoewel het tegenwoordig vanzelfsprekend lijkt, ontdekten sociaal wetenschappers pas aan het begin van de negentiende eeuw, toen de term “criminologie” nog niet was bedacht, dat vrouwen consequent lagere criminaliteitscijfers hadden dan mannen. De Belgische astronoom en wiskundige Adolphe Quetelet (1796-1874) berekende dat de neiging tot misdaad bij mannen vier keer zo groot was als bij vrouwen. Maar hoe kan men dit gebrek aan evenwicht tussen mannen en vrouwen verklaren?

In 1833 kwam Quetelet met de eerste allesomvattende theorie van vrouwelijke criminaliteit, die in de daaropvolgende jaren zeer invloedrijk zou worden. Ten eerste leefden vrouwen volgens hem meestal in de beslotenheid van hun gezin, onder de controle van hun vader, broer of echtgenoot, wat de mogelijkheden en verleidingen om de wet te overtreden verminderde. Ten tweede zou hun lichamelijke zwakte hen ervan weerhouden gewelddadige misdaden te plegen. Ten slotte zou hun morele superioriteit – hun aangeboren gevoelens van schaamte en bescheidenheid – een natuurlijk tegengif tegen crimineel gedrag vormen. Voor Quetelet waren vrouwen dus zelfs superieur aan mannen omdat zij van nature eerlijk en goed zouden zijn.

Gevaarlijke vrouwen

Vanaf 1850 begon de invloed van Quetelets idee dat vrouwen moreel superieur waren aan mannen echter af te nemen. De industriële revolutie leidde tot het ontstaan van een grote en arme lagere klasse en een toename van de criminaliteit in de grote steden. Daardoor ontstond er een gevoel van gevaar en onveiligheid onder de hogere klassen. Als gevolg daarvan veranderde ook de publieke perceptie van vrouwelijke criminaliteit. Prostituees en vrouwen uit achtergestelde milieus werden nu gezien als een bedreiging voor de samenleving, omdat zij geslachtsziekten onder de bevolking zouden verspreiden en kinderen ter wereld zouden brengen die later geestesziek of misdadig zouden worden.

Cesare Lombroso

De overtuiging dat criminele vrouwen en vrouwelijke gevangenen kwaadaardiger, wreder en gevaarlijker waren dan mannelijke begon ook de kop op te steken. Er waren zelfs vrouwen die vrouwelijke veroordeelden verdorvener vonden dan mannelijke. Zo schreef de Britse filantroop en gevangenishervormer Mary Carpenter (1807-1877) in 1864: “Vrouwelijke veroordeelden zijn, als klasse, zelfs moreel meer verdorven dan mannen”.

Lombroso’s De criminele man

Het idee dat vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen inspireerde het werk van de Italiaanse psychiater Cesare Lombroso (1835-1909), die algemeen beschouwd wordt als een van de grondleggers van de moderne criminologie. In 1876 publiceerde Lombroso de eerste editie van L’uomo delinquente, één van de beroemdste criminologische verhandelingen ooit geschreven. In dit werk beweerde Lombroso dat criminelen een ondersoort van het menselijk ras waren en dat zij andere lichamelijke en geestelijke kenmerken vertoonden dan burgers die zich aan de wet hielden, zoals ongewoon gevormde schedels, vooruitstekende kaken, een schuin voorhoofd en een gebrek aan moreel besef. Het boek bevatte ook een kort hoofdstuk over criminele vrouwen. Lombroso weersprak daarin de conclusies van Quetelet en beweerde dat vrouwen net zo crimineel waren als mannen, omdat prostitutie volgens hem het vrouwelijke equivalent was van mannelijke criminaliteit. Bovendien beweerde hij dat prostituees met mannelijke dieven een grote ijdelheid en een buitensporige liefde voor luxe en juwelen deelden.

…en De criminele vrouw

Titelpagina van La Donna delinquente

In 1893 publiceerde Lombroso samen met zijn jonge leerling en toekomstige schoonzoon Guglielmo Ferrero (1871-1942) La donna delinquente, la prostituta e la donna normale (De misdadige vrouw, de prostituee en de normale vrouw), een boek dat moest verklaren waarom vrouwen zo weinig misdaden pleegden. In een brief aan een vriend vatte Ferrero de belangrijkste stelling van het boek als volgt samen: de vrouw “is meer slecht dan goed, en als ze goed is, is dat vaak uit domheid”. In het boek, een opsomming van het misogyne gedachtegoed van die tijd, werd beweerd dat vrouwen duidelijk inferieur waren aan mannen: hun schedels waren kleiner, hun hersenen waren lichter, en hun lichaam zou minder gevoelig zijn voor lichamelijke prikkels.

Het werk ging ervan uit dat vrouwen van nature dom, wreed, ijdel en leugenachtig waren, maar dat hun aangeboren moederinstinct de meesten van hen ervan weerhield misdaden te plegen. Prostituees waren echter het vrouwelijke equivalent van de “geboren misdadiger” en overtroffen vaak hun mannelijke tegenhangers in wreedheid en immoraliteit. Terwijl het fundamentele kenmerk van mannelijke misdadigers hun geweld was, was dat van vrouwelijke misdadigers hun buitensporige seksuele drift. Prostituees, zo beweerden Lombroso en Ferrero, ontbeerden door een biologische afwijking elk gevoel voor fatsoen en moederlijke genegenheid, en waren daarom crimineel van aard.

Schedels van criminele Italiaanse vrouwen. Uit: Lombroso, L’uomo delinquente

Volgens Gina Lombroso (1872-1944), Cesare’s dochter, verkocht La donna delinquente in twaalf maanden evenveel exemplaren als L’uomo delinquente in tien jaar had gedaan. Het boek was een bestseller in de Verenigde Staten, maar een commerciële en kritische flop in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Het is niet verwonderlijk dat een van de scherpste kritieken van een vrouw kwam, de Russische feministe en socialiste Anna Kuliscioff (1857-1925), die er in haar recensie op wees dat de Lombrosiaanse school “een mannelijke school was, doordrenkt van mannelijke vooroordelen”.

Een belangrijke erfenis

De theorieën van Quetelet en Lombroso worden door huidige criminologen niet meer serieus genomen. In plaats van tegelijk met hun bedenkers te verdwijnen, bleven ze echter nog vele jaren de publieke opinie beïnvloeden. Toen eind jaren vijftig in Italië de afschaffing van de legale prostitutie werd besproken, gebruikten sommige senatoren Lombroso’s wetenschappelijke autoriteit om tegen deze bepaling te pleiten. Hun argument was dat de sluiting van bordelen geboren vrouwelijke misdadigers weer op de maatschappij zou loslaten. De geschiedenis van de criminologie leert ons dat fouten maken een deel is van de wetenschap en dat wetenschappers altijd een product zijn van de cultuur en het historisch tijdperk waarin zij leven. Als we ons hiervan bewust zijn, helpt dat ons om de fouten uit het verleden niet te herhalen.

Meer lezen?

Cesare Lombroso, Criminal Woman, the Prostitute, and the Normal Woman. Translated by Mary Gibson and Nicole Rafter. Duke University Press, 2004.

Adolphe Quetelet, Recherches sur le penchant au crime aux différens âges. Hayez, 1832.

Franco Capozzi is doctoraatsonderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de erfenis van Cesare Lombroso en het lot van de positivistische criminologie in het tijdperk van het totalitarisme.

Titelafbeelding: Duitse en Italiaanse criminele vrouwen. Uit Lombroso’s L’uomo delinquente.

Waarom katholieke schoolkinderen in de jaren ‘20 les kregen over dino’s

Het Belgische schoollandschap van de vroege twintigste eeuw werd gekenmerkt door een sterke verzuiling. Eén van de wapens waarmee de katholieken de ziel van het kind voor zich probeerden te winnen, was de zogenaamde toverlantaarn. Met behulp van deze projector en glazen slides over heiligenlevens en het Nieuwe Testament hoopten katholieke leerkrachten, vaak priesters, hun achterban aan zich te binden en te overtuigen van de katholieke geloofsleer. Maar waarom bevatte een Antwerpse katholieke slidecollectie uit 1925 dan tientallen afbeeldingen van fossielen en dinosauriërs?

Katholieke en liberale platen

De collectie in kwestie was bijeengebracht door het Werk der Lichtbeelden in het onderwijs, een organisatie die in 1908 ‘heel eenvoudig was begonnen in de studiekamer van een leeraar in de geschiedenis’ aan het Sint-Jan Berchmanscollege in Antwerpen. De liberalen, die eerder waren begonnen met het ondersteunen van hun volksvoordrachten met projecties en ook slides leverden aan scholen, moesten nu met hun eigen middelen bevochten worden. Het Antwerpse Werk zou uitgroeien tot de grootste en meest invloedrijke van de katholieke uitleendiensten van België. Tot in de jaren ‘50 leverde het tienduizenden slides aan de Antwerpse katholieke scholen, die gretig van het aanbod gebruikmaakten.

Een triceratops zoals deze was afgebeeld op één van de slides in de collectie van het Werk der Lichtbeelden

In lijn met hun geloof in de vooruitgang focusten de uitleendiensten van de liberale zuil in de collecties die ze aanboden vaak op wetenschap en technologische ontwikkelingen. Het Werk der Lichtbeelden richtte zich daarentegen vooral op de katholieke core business: het leven van Jezus Christus, het Oude Testament, tientallen series over binnenlandse en buitenlandse heiligen, de katholieke liturgie, de geschiedenis van de Kerk, plus een aantal ‘bedevaarten naar het Heilige Land’. Toch ontbraken onderwerpen als de evolutieleer en de prehistorie niet in de collectie.

Integendeel: in een sectie getiteld ‘geloofsverdediging’ greep de uitleendienst de gelegenheid aan om het publiek te overtuigen van de katholieke opvattingen over deze thema’s. Het meest expliciet gebeurde dat in een serie met de titel “Stamt de Mensch van den Aap af?”, waarin de “ongegrondheid van de evolutietheorie” werd beargumenteerd. “Een tussenschakel” tussen mens en aap zou immers niet bestaan, en de mens moest dus wel “rechtstreeks door God geschapen” zijn. Op een vergelijkbare manier liep een serie over “de eerste tijden van het menschdom” uiteraard precies gelijk met de Bijbel: ze begon met de Schepping en eindigde met de toren van Babel.

Ook de slideserie ‘Aardkorst en bergen’ van een katholieke school in Turnhout bevatte slides over dino’s. Je ziet hier de klauw van een allosaurus, met daarin een mensenhoofd om de grootte van de klauw te demonstreren. ©Heilig Graf Turnhout

Het opnemen van deze slides in de collectie van het Werk was waarschijnlijk een reactie op de slides die werden aangeboden door de liberale uitleendiensten. De collectie van de Brusselse vrijzinnige Ligue de l’Enseignement, bijvoorbeeld, bevatte vijf series over verschillende prehistorische tijdperken, met in totaal meer dan 100 lantaarnplaten. Ze toonden fossielen, prehistorische landschappen en reconstructies van dinosaurussen en andere prehistorische dieren. Deze series gaven ook bewijzen voor de evolutietheorie door skeletten van vroege mensen, moderne mensen en mensapen naast elkaar te zetten. De Antwerpse tegenhanger van het Werk der Lichtbeelden, de uitleendienst van het openbare Schoolmuzeum, bevatte zelfs tien verschillende reeksen over paleontologie met in totaal meer dan 350 platen.

Dino’s en de Schepping

En tòch bevat de katholieke collectie van het Werk ondanks al haar ontkenningen van de evolutietheorie een uitgebreide reeks van meer dan 50 slides over ‘De eerste wezens’. Volgens de beknopte beschrijving van de serie bestond deze uit afbeeldingen van verschillende ‘wervel- en wervellooze dieren’ en de ‘reuzendieren’ der ‘eerste tijden’. Wat er echter precies op de platen te zien was, is moeilijk te achterhalen. Bizar genoeg zijn de in onbruik geraakte glasplaten namelijk in de tweede helft van de twintigste eeuw met beton overgoten en zo verdwenen in de fundering van de nieuwe voorgevel van het Berchmanscollege.

Een stegosaurus zoals deze was afgebeeld op één van de slides in de collectie van het Werk der Lichtbeelden

Er is gelukkig één aanknopingspunt: volgens de beschrijving in de catalogus werd de serie vergezeld van een voordracht van de bekende Franse priester en wetenschapper Théophile Moreux. Inderdaad bood de katholieke Franse uitgeverij Maison de la Bonne Presse 126 lantaarnplaten aan die waren gebaseerd op een aantal rijk geïllustreerde boeken van Moreux. Doordat de uitgever aangeeft dat de tekst van het boek D’où venons-nous? was bedoeld om bij de slides voor te lezen, kunnen we dus toch achterhalen wat de slides toonden. Belangrijker nog: de tekst kan ons laten zien waarom de katholieke uitleendienst er überhaupt voor koos om de Antwerpse schoolkinderen naar slides over dino’s te laten kijken.

De afbeeldingen in Moreux’ boek zijn erg uiteenlopend. Ze bevatten bijvoorbeeld kaartjes die aangeven hoe de aarde er in verschillende periodes uitzag. Bovenal tonen ze een groot aantal dinosauriërs en andere prehistorische dieren. De auteur tekende bijvoorbeeld skeletten van een brontosaurus en een iguanodon. De slides bevatten echter ook tekeningen van hoe een stegosaurus en een triceratops eruit zouden kunnen hebben gezien. Een opvallendere afbeelding is een schets van een tegenwoordig minder bekend zeewezen: de twintig meter lange teleosaurus, die volgens Moreux ‘half vis, half krokodil’ was. Als klap op de vuurpijl liet hij zijn fantasie de vrije loop in een zelf vervaardigde tekening van een gevecht tussen een plesiosaurus en een ichtyosaurus.

Een einde aan een ‘periode van waanzin’

Moreux’ tekening van een teleosaurus, ‘half vis, half krokodil’

Maar waarom wilde het vrome Werk der Lichtbeelden nu juist deze slides aan schoolkinderen laten zien? Het antwoord op die vraag vinden we in de tekst van Moreux’ boek, die het Werk met deze lantaarnplaten meestuurde. De auteur ontkende namelijk helemaal niet dat dinosaurussen ooit bestaan hebben. In plaats daarvan betoogde hij dat het principe van de evolutie nooit de oorzaak voor hun verschijning kan zijn geweest. Daarvoor zou ieder bewijs ontbreken. “Beetje bij beetje, na een periode van waanzin waarin we met gesloten ogen de wildste en meest onwaarschijnlijke hypotheses over evolutie accepteerden,” zouden wetenschappers volgens hem nu eindelijk beginnen te accepteren dat geleidelijke aanpassingen nooit tot het ontstaan van deze dieren geleid zou kunnen hebben. De hand van God moest bij hun verschijning de beslissende rol hebben gespeeld.

Het is dus niet vreemd dat er prehistorische dieren als dinosaurussen op de muren van katholieke scholen werden geprojecteerd. Zij werden niet gezien als bewijs voor de evolutieleer, in tegendeel. Er was maar één conclusie mogelijk: deze monsterlijke wezens waren, voordat ze uitstierven, allemaal door God geschapen.

Meer lezen?

Lichtbeelden in ’t onderwijs. Reglement. Lijst der reeksen. Antwerpen: Werk der Lichtbeelden in ’t Onderwijs, 1933.

Moreux, Théophile. D’où venons-nous? Paris: Maison de la Bonne Presse, 1910.

Moreux, Théophile. ‘Les projections scientifiques’. Le Fascinateur. Organe des récréations instructives de la Bonne Presse 66 (1 juni 1908): 163–65.

Wouter Egelmeers is doctoraatsonderzoeker binnen het project ‘B-Magic’, dat de impact van het eerste visuele massamedium, de toverlantaarn, in kaart brengt. In het kader van dit project onderzoekt hij hoe dit medium het Belgische onderwijs tussen 1880 en 1940 ingrijpend heeft veranderd.

Titelafbeelding: gevecht tussen een plesiosaurus en een ichtyosaurus, afgebeeld in Moreux, D’où venons-nous. Foto door de auteur.