Categoriearchief: Lichaam & wetenschap

Digibete, technofobe of conservatieve leerkrachten?

Door het uitbreken van de coronapandemie zagen scholen zich het voorbije jaar meermaals genoodzaakt over te schakelen op afstandsonderwijs. De verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van het digitale klaslokaal werd grotendeels bij de leerkrachten zelf gelegd. Daarbij botsten ze vaak op problemen, zoals een tekort aan laptops, het gebrek aan digitale geletterdheid bij een deel van hun leerlingen en de leercurves die de leerkrachten zelf moesten doorlopen om zich nieuwe technologie eigen te maken. Omdat het Ministerie van Onderwijs die moeilijkheden ook niet altijd voorzien had, kon het vaak geen snelle oplossing of ondersteuning bieden. Wanneer sommige leerlingen dan sterke achterstand opliepen of zelfs helemaal van de radar verdwenen, werd niet zelden de leerkracht met de vinger gewezen.

De projectielantaarn

Projectielantaarn met glasplaatjes, aanbevolen voor het aardrijkskunde- en natuurkundeonderwijs (La lanterne de projections à l’école, 1896).

Het typeren van leerkrachten als digibeet, technofoob of simpelweg onwillig om zich aan te passen is een oud riedeltje. Toch waren het vaak net leerkrachten die als eersten de educatieve mogelijkheden van nieuwe media herkenden.

Illustratief hiervoor is de trage adoptie van geprojecteerde beelden in het Belgische lager en middelbaar onderwijs in de vroege twintigste eeuw. De projectielantaarn liet toe afbeeldingen uitvergroot op een wit scherm of witte muur te projecteren. De laat negentiende-eeuwse modellen konden enkel transparante afbeeldingen projecteren, die op kleine glazen plaatjes van doorgaans 8 x 10 cm waren geschilderd of gedrukt. Kort voor de eeuwwisseling kwamen de eerste epidiascopen op de markt. Daarmee konden ook afbeeldingen uit boeken, magazines, op postkaarten en zelfs kleine voorwerpen in groot formaat op de muur tevoorschijn getoverd worden.

Projectietechnologie sloot heel goed aan bij de nieuwe richtlijnen vanuit de overheid. In de laatste decennia van de negentiende eeuw waren opvoedkundigen het er over eens geworden dat de droge opsomming van feiten door de leerkracht en het uit het hoofd leren van lesjes door leerlingen hun beperkingen hadden. Het onderwijs moest verlevendigd worden met behulp van directe waarneming van voorwerpen of fenomenen. Als dat niet kon, waren afbeeldingen een goed alternatief. De overheid nam deze aanbevelingen over.

Zes glazen lantaarnplaatjes, 8 x 10 cm, Aardkorst – Bergen – Verkeer, gebruikt in het aardrijkskundeonderwijs (Collectie Heilig Graf Turnhout).

De ministeriële richtlijnen spraken aanvankelijk enkel over geïllustreerde handboeken, wandplaten, kaarten, opgezette dieren en verzamelingen van voorwerpen zoals mineralen, planten of nijverheidsproducten. Het waren leerkrachten die als eersten experimenteerden met lantaarnprojectie in de klas. Sommigen onder hen gingen nog een stap verder en promootten het gebruik van lichtbeelden bij hun collega’s via lezingen en publicaties. Rond de eeuwwisseling hadden lantaarn-enthousiaste leerkrachten de aandacht van de centrale en lokale overheden weten te trekken en die zelfs bereid gevonden het gebruik van de lantaarn officieel aan te moedigen. Maar veel leerkrachten die vervolgens enthousiast aan de slag wilden met lantaarnslides in de klas botsten op praktische problemen. Toen het gebruik van de projectielantaarn in het Belgisch onderwijs vervolgens onder de verwachtingen bleef, werden leerkrachten met de vinger gewezen.

Hoge verwachtingen, lage budgetten

Blauwdruk uit 1927 voor een staander voor de projectielantaarn en een scherm in de jongensschool aan de Napelsstraat in Antwerpen (Felixarchief).

Het gebruik van de projectielantaarn in de klas vereiste niet alleen dat leerkrachten hun lespraktijk veranderden. Ook het leslokaal zelf moest worden aangepast. De weinige scholen die budget hadden om zich een lantaarn en enkele reeksen projectieplaatjes aan te schaffen, merkten al snel dat het klaslokaal onvoldoende verduisterd kon worden om de lichtbeelden in alle scherpte te zien. De meest moderne, gebruiksvriendelijke modellen werkten bovendien met elektrisch licht, terwijl veel scholen voor de Eerste Wereldoorlog nog niet waren aangesloten op het elektriciteitsnet.

In een poging het gebruik van lantaarnprojectie in het gemeentelijk onderwijs een impuls te geven, beloofde de Antwerpse Schepen voor Onderwijs Victor Desguin in 1912 in een omzendbrief financiële steun: “[d]e Dames en Heeren Schoolhoofden kunnen zich zulke lantaarn aanschaffen op hun crediet voor materiaal; de zwarte gordijnen en de geleiding voor licht zullen dan bekostigd worden op het crediet voor de schoolgebouwen.” Deze suggestie viel niet in dovemansoren. Kort nadien signaleerde de Antwerpse stadsbouwmeester dat hij zoveel enthousiaste aanvragen had gekregen dat het beschikbare budget ontoereikend was om alle klaslokalen uit te rusten. Maar tot een effectieve budgetverhoging kwam het in de daaropvolgende jaren niet, al werd de oproep om lantaarnprojectie in te zetten in de klas door lokale overheden en door het Ministerie van Onderwijs regelmatig herhaald. Het resultaat was dat projectieonderwijs in de volgende jaren enkel een plaats kreeg in scholen waar een enthousiaste leerkracht of directie zelf veel tijd en middelen had kunnen besteden aan de aankoop van materiaal en de reorganisatie van het klaslokaal.

Met horten en stoten

Afbeelding van de projectie van lichtbeelden in een semi-verduisterd klaslokaal in het college van Binche, 1912 (De Watteville, “Projections lumineuses,” Nova et Vetera (1912): 480-484).

Werd er toch in projectieonderwijs geïnvesteerd, dan was die investering vaak onvolledig. Het gebruik van een lantaarn in de Antwerpse jongensschool aan de Markgravelei werd door schepen Desguin in 1912 aangehaald als voorbeeld voor andere scholen die de aanschaf van een lantaarn overwogen. Tien jaar later bleek echter dat de school nog steeds niet was uitgerust met de langverwachte projectiezaal. Andersom waren er ook scholen die weliswaar werden voorzien van moderne zalen voor projectieonderwijs, maar nog jaren moesten wachten vooraleer ze de nodige middelen ter beschikking kregen voor de aankoop van een projector. Door de sterke naoorlogse aangroei van de schoolbevolking werden vele van de nieuwe projectie- en ook turnzalen, gebouwd in de jaren twintig en dertig, bovendien noodgedwongen als extra klaslokaal gebruikt.

Pas midden jaren dertig, veertig jaar na de eerste pleidooien door leerkrachten voor projectietechnologie, werden nieuwe en vernieuwde scholen standaard voorzien van zowel projectiemateriaal als een aangepast lokaal. Sindsdien zijn veel andere (audio-)visuele leermiddelen gekomen en gegaan. Het stereotiepe beeld van de conservatieve leerkracht met koudwatervrees voor technologie is helaas blijven bestaan.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Lantaarnprojectie in de klas. © Histoire des Projections Lumineuses.

Leven na lepra in Belgisch Congo

Rond de middag van 3 april 1959 zaten een tiental Vlaamse zusters te wachten in een greppel langs de hoofdweg naar Coquilhatstad in Belgisch-Congo. Na enkele uren dwong de striemende evenaarszon hen naar de schaduw. Toen een leger aan tropische mieren hun feestelijk wit habijt beklom, hoorden ze eindelijk de verlossende roep: “Daar komen ze!” Een van de honderden leprapatiënten in het gezelschap van de zusters meende in de verte beweging te zien. Gelijk had hij, want enkele ogenblikken later reden de bolides van koning Leopold III, prinses Lilian en hun gevolg de toegangspoort van de leprozerie Iyonda binnen. Tot hun ontsteltenis wierp de prinses vervolgens een vermoeide blik op haar polshorloge. De grote vertraging had het koninklijke programma zodanig in de war doen lopen, dat werd besloten de rondleiding met een dag uit te stellen.

Dat Iyonda op het koninklijk programma stond, had alles te maken met haar imago als toonbeeld van de ‘moderne leprozenzorg’. Leprapatiënten werden er niet enkel geïsoleerd, maar ook genezen en voorbereid op een later leven in de koloniale samenleving.

“De prinses stelde vragen die sommige leprologen nog niet stellen!”

Dokter Lechat geeft prinses Lilian een handzoen (privécollectie van Edith Lechat-Dasnoy).

Dokter Lechat, de staatsarts van de leprozerie, had grootse plannen met lyonda. Hij had onder meer de ambitie om een tehuis voor buitenlandse lepraonderzoekers en een school voor fysiotherapeuten op te richten. Voor zijn projecten was er veel geld nodig, en geleide bezoeken waren hiervoor het perfecte medium. Iyonda kon zodoende tonen wat het wilde zijn en de unaniem lovende kritieken brachten de broodnodige fondsen met zich mee. Lechat werkte verschillende types rondleidingen tot in de puntjes uit. De ambassadeur van de Sovjet-Unie doorliep bijvoorbeeld een ander parcours dan de Belgische senator Joseph Pholien. Omdat koninklijk bezoek buiten categorie was, haalde de staf van Iyonda ditmaal echt alles uit de kast.

Een dag na de eerste ontmoeting stapte alleen prinses Lilian uit de koninklijke limousine aan de oprijlaan van de leprozerie. Ex-koning Leopold had andere verplichtingen. De prinses werd eerst getrakteerd op een rondrit, die haar stapvoets langs Iyonda’s vijf lanen voerde. Nadat ze de leprapatiënten had toegewuifd, hield haar bolide halt voor het hoofdgebouw van de leprozerie. Hier startte de begeleide rondleiding met een presentatie van dokter Lechat over ‘moderne’ lepraverzorging. De prinses bleek erg geïnteresseerd en stelde volgens de dokter vragen die sommige leprologen nog niet stelden. Vervolgens hield het gezelschap halt bij enkele leprozen in de ziekenzaal. De prinses schrok er niet voor terug om hun stompen aan te raken, wat duidelijk niet op de planning stond. Na de vraag van de pater of ze niet wat eau de cologne wilde na het handen wassen grapte de prinses: “U denkt zeker dat ik hier niets anders te doen heb dan m’n handen te wassen?” Prinses Lilian deed hier wat prinses Diana vele jaren later zou doen door aidspatiënten te knuffelen: het stigma helpen doorbreken.

“Die houtrozen en alle werkstukjes zijn extraordinaire!”

Geënsceneerd sfeerbeeld uit Iyonda (Collectie: KADOC).

Lechats exposé moest de prinses duidelijk maken dat de wetenschappelijke behandeling van lepra recent was gemoderniseerd. Omstreeks 1950 ontstond het besef dat de ziekte niet zo besmettelijk was als men voordien had gedacht. Veel Afrikaanse landen waar de ziekte voorkwam sloten om die reden hun leprozerieën en gingen volop voor ‘verzorging aan huis’. De Belgische kolonie, daarentegen, bleef inzetten op de isolatie van een deel van haar leprapatiënten. In de jaren vijftig liep het aantal geïsoleerde leprozen zelfs op tot verschillende tienduizenden. Het idee hierachter was dat men een meer kwalitatieve behandeling kon bieden, maar tegelijk de behandelden ook beter kon controleren. Daarnaast werd in de Belgische kolonie rond 1950 ook de sulfonentherapie gemeengoed. Na eeuwen van louter palliatieve en cosmetische behandelingen kon lepra dankzij de sulfonen eindelijk genezen worden.

Vrouwen poseren al breiend voor de ‘Foyer Social’ van Iyonda (Collectie: KADOC).

In plaats van de leprapatiënten voor te bereiden op het leven na de dood moesten de zusters en de pater hen voortaan voorbereiden op een leven na lepra. Onder het mom van ‘sociale actie’ lieten ze de patiënten kennismaken met the Belgian way of life. In de Foyer Social leerden vrouwen ‘een goede echtgenote’ worden, althans naar Belgische en katholieke normen uit de jaren vijftig. Ze leerden breien, naaien, koken, Maria vereren en kregen op de koop toe een cursus binnenhuisinrichting mee. De mannen werden dan weer aangespoord om te werken in loondienst in een Belgisch aandoende schrijnwerkerij of steenbakkerij. ‘Echte’ mannen moesten immers fysieke arbeid verrichten en bij voorkeur buitenshuis werken.

Mannelijke arbeiders poseren in de schrijnwerkerij van Iyonda (Collectie: KADOC).

Dit ‘sociale’ luik was Iyonda’s paradepaardje en stond dan ook centraal bij het bezoek van prinses Lilian. Voor de Foyer Social kreeg ze een boeketje Congolese houtrozen aangeboden om er vervolgens een tentoonstelling van handwerkjes te bezoeken. Toen prinses Lilian buitenstapte, wees dokter Lechat naar de volgende stop. De kleine constructie in de verte bleek de school van de leprozerie te zijn. In Iyonda verbleven namelijk een dertigtal kinderen met lepra en een dozijn gezonde kinderen met besmette ouders. Gespreid over de vroege voormiddag en de late namiddag leerden de kinderen er rekenen, lezen en katholieke godsdienst. Na de werkuren deden de klassen dienst voor het avondonderwijs van de volwassenen, die er ook nog lessen in het Frans bijkregen. Bij hun ‘ontslag’ uit de leprozerie werden er voor hen beroepsplaatsen geregeld als geschoold arbeider, klerk of uitzonderlijk als horlogemaker. Wanneer de patiënten de leprozerie verlieten, waren ze klaargestoomd om hun toegewezen mannelijke of vrouwelijk rol op te nemen in de koloniale samenleving. Ze vormden het toonbeeld van een succesvolle katholieke leprozenzorg.

Na het schoolbezoek kwam het gevolg, hopeloos achter op schema, aan in de refter van de zusters. Daar kreeg Lilian een drankje aangeboden onder haar eigen portret en dat van haar man. Later belde de gezelschapsdame van de prinses om te melden dat Lilian geen seconde gezwegen had over de “modelleprozerie Iyonda”. Het model van Iyonda had nu ook koninklijke bewonderaars.

Felix Deckx is in het academiejaar 2020-2021 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schrijft een masterproef over de zorg voor leprozen in Belgisch Congo.

Titelafbeelding: Iyonda (privécollectie van Edith Lechat-Dasnoy).

Pest en protest in de vroegmoderne haven

Gastblog door Stan Pannier.

“Geachte leden van de regering”, schreef de Gentse ondernemer Frans Carpentier, “In het algemeen belang heb ik mij steeds zonder protest aan de gezondheidsmaatregelen gehouden, maar thans had ik graag een versoepeling bekomen. Mijn bedrijfskosten nemen onverminderd toe, en mijn koopwaar bederft nu ik ze niet mag verkopen.” Was Carpentier één van de velen die zich het voorbije jaar tot het Overlegcomité richtte? Neen. De man schreef zijn brief op 26 november 1770, tijdens een hevige uitbraak van de pest in Oost-Europa. Carpentiers schip De Vier Gebroeders lag al 46 dagen in Oostende in quarantaine, en de loonkosten, het havengeld en de onophoudelijke herfstbuien vraten gestaag aan zijn winst.

Op het moment dat Carpentier zijn veer in de inkt doopte, was de pest precies een eeuw verdwenen uit de Zuidelijke Nederlanden. Niettemin bleef de regering strikte maatregelen nemen bij uitbraken van de haestighe sieckte elders in Europa. Net als vandaag hadden die voorzorgen een economische impact – vooral in de kuststreek, waar het risico op import uit het buitenland het grootst was. Tegenwoordig vinden we het normaal dat proteststemmen uit de privésector bij de besluitvorming worden betrokken. Maar ook in een diep ondemocratische samenleving als die van het Ancien Régime konden mensen als Carpentier wegen op het beleid, mits de juiste argumenten.

De achttiende-eeuwse Wereldgezondheidsorganisatie

Een handelskantoor te Brugge, ca. 1750.

Bij een uitbraak van de pest was het voor de overheid koorddansen geblazen tussen enerzijds een te zwak en anderzijds een te streng beleid. Reageerde een staat te laks, dan riskeerde die een import van de ziekte of vergeldingsmaatregelen van buurlanden. Rond de Middellandse Zee communiceerden havensteden voortdurend met elkaar over sanitaire nieuwtjes en genomen maatregelen. Liep een land uit de pas, dan volgde al gauw een vergeldingsquarantaine tegen haar schepen. Historici hebben deze internationale coördinatie van beleid daarom wel eens bestempeld als de voorloper van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Ook in het Noordzeegebied verspreidde nieuws rond epidemieën en verdachte schepen zich als een lopend vuurtje via consuls, ambassadeurs en zeelieden. Het belang van die informatie oversteeg politiek: hoewel Versailles en Londen vrijwel de hele achttiende eeuw overhoop lagen, ging gezondheidsnieuws vlot over en weer tussen beide kanten van het Kanaal. Nieuwe maatregelen in Engeland, Frankrijk of de Republiek waren genoeg aanleiding voor Brussel om zelf de nodige wetgeving door te duwen. Rond de Noordzee gold immers dezelfde groepsdruk als in de Middellandse Zee. Vergeldingsquarantaines vormden bovendien een handig smoesje om de handel van concurrerende staten te schaden.

In augustus 1743 stelden de Oostenrijkse Nederlanden bijvoorbeeld een quarantaine in van 20 dagen tegen schepen uit Frankrijk, omdat Louis XV onvoldoende voorzorgen had genomen tegen de pest op Sicilië. Nochtans deed op dat moment in Oostende al weken het nieuws de ronde dat Frankrijk wel degelijk maatregelen had genomen, die zelfs nog strenger waren dan die aan de Vlaamse kust. Wat was dan het échte motief achter de vergeldingsquarantaine? Simpel: de Habsburgers lagen in conflict met de Franse koning, die de troonsbestijging van Maria Theresia betwistte.

Rellen in Moskou gericht tegen het gebrekkige optreden van de overheid tijdens de pest van 1770-1772.

Maar ook te streng reageren zorgde voor economische schade. Het doorbetalen van geïsoleerde en werkloze matrozen en de dagelijkse vergoeding voor het gebruik van de havenfaciliteiten kostten handelaars een fikse duit. Een quarantaine was des te problematischer als de lading bederfelijk was: het was niet voor niets dat Judocus van Iseghem in de zomer van 1752 in Brussel ging smeken om een vrijstelling voor zijn schip, dat uit Malaga onderweg was met een berg vers fruit. Tot slot betekende de vertraging in goederen- en kasstromen een bijkomende streep door de rekening van menig ondernemer.

Ook andere takken van de mariene economie hadden te lijden onder de quarantainemaatregelen. Zo mochten loodsen niet langer aan boord gaan van schepen om hen de haven in te helpen. In de Gouwelozekreek, waar schepen werden afgezonderd, vormden de vele vissersbootjes dan weer een groot risico op contact met de geïsoleerde bemanningen. Hoewel er stemmen opgingen om de visvangst in de kreek daarom volledig te verbieden, hield Oostende het bij een avondklok. Overdag vissen bij hoog water bleef toegelaten, “uyt Consideratie dat menighvuldighe menschen daar mede hunnen Cost moeten winnen”.

Preventiemaatregelen: dictaat of overleg?

Oostende ca. 1773, met in het zuidoosten de Gouwelozekreek.

Overheden konden echter geen regels opleggen zonder protest van de betrokken economische stakeholders. Handelaars trachtten voortdurend versoepelingen te bekomen op de geldende maatregelen. De vaakst aangehaalde redenen waren dat er geen ziekte heerste waar het schip vandaan kwam, of dat de bemanning zichtbaar gezond was. De aard van de lading was evenzeer van belang: textiel werd erg gevaarlijk geacht, terwijl hout of ijzer naar verluidt niet in staat waren besmetting vast te houden. Soms speelden handelaars op de gevoelens: er was een Blankenbergse loods aan boord, en die “pauvre homme” zat al weken vast enkel omdat hij het schip veilig de haven in had geholpen. Of nog creatiever: de lading wol was zeker veilig, want de matrozen hadden er zonder het minste ongemak de hele reis op geslapen.

Indien er inderdaad voldoende verzachtende omstandigheden waren, dan stond de overheid handelaars een vrijstelling of verkorting van de quarantaine toe. Wanneer het schepencollege van Oostende (dat overigens vrijwel uitsluitend uit handelaars bestond) zijn gewicht in de schaal legde, dan was er nog meer mogelijk. Eind augustus 1764 had Brussel naar aanleiding van een pestuitbraak op Sicilië een quarantaine ingesteld voor alle schepen uit de Middellandse Zee. Op 2 oktober protesteerde Oostende dat die verordening de zouthandel met Spanje schaadde, en dat er bovendien in geen enkel buurland zulke strenge maatregelen golden. Twee dagen later was het decreet aangepast.

Talenknobbels en veteranen

Epidemieën boden echter ook economische opportuniteiten voor sommige groepen. Lokale en regionale overheden spendeerden soms aanzienlijke sommen om ziekte buiten de deur te houden: in 1770-72 ging het om liefst 45 284 florijnen, zo’n 90 000 werkdagen voor een gewone arbeider. Met dat geld werden tientallen strandwachten gerekruteerd, die aangespoelde goederen en lijken moesten begraven en erop moesten toezien dat niemand per sloep aan land kwam. In Nieuwpoort en Oostende namen de stadsbesturen dan weer matrozen in dienst die op zee moesten waken en aankomende handelsschepen ondervragen over hun whereabouts en de gezondheidstoestand aan boord. Talenkennis was daarbij een pluspunt. In 1793, tijdens een gele koorts-epidemie in Noord-Amerika, bracht Nieuwpoort het heuglijke nieuws dat de stad Hendrik Bolwijn had aangeworven, een zeeman die vloeiend Nederlands, Frans, Duits, Spaans en Engels sprak. Tot slot boden de quarantainemaatregelen ook werkgelegenheid aan de invalide veteranen van de kustregimenten. Zij moesten de geïsoleerde schepen bewaken – mét opslag van soldij, opdat ze hun belangrijke taak beter zouden vervullen.

Samengevat: ook in de achttiende eeuw zorgden epidemieën voor spanningen tussen economie en volksgezondheid. Overheden zochten telkens naar maatregelen die streng genoeg waren om te ontkomen aan ziekte en represailles, maar liberaal genoeg om de handel niet te verstikken. En net als vandaag waren proteststemmen van onderuit en compromissen daarbij niet vreemd.

Stan Pannier is gastblogger. Hij bereidt een doctoraat voor over de handel met West- en Centraal-Afrika vanuit de Oostenrijkse Nederlanden. Stan is als onderzoeker verbonden aan de vakgroep Middeleeuwen van de KU Leuven en aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ).

Medische keuzes tussen leven en dood

De piek van de tweede golf van het coronavirus ligt hopelijk alweer achter ons. Enkele weken geleden waren de vooruitzichten voor de Belgische ziekenhuizen bijzonder grimmig. Artsen waarschuwden dat de maximumcapaciteit van 2.000 bedden op de ziekenhuisdiensten intensieve zorgen bijna was bereikt. Had zo’n worstcasescenario zich voorgedaan, dan hadden artsen keuzes moeten maken tussen patiënten die intensieve verzorging nodig hebben.

Zulke dilemma’s zijn niet nieuw in de geschiedenis van de geneeskunde. In de negentiende eeuw was de keuze tussen het leven van de vrouw en dat van het ongeboren kind bijvoorbeeld vaak onvermijdelijk bij moeilijke bevallingen. Wat wel is veranderd, is de manier waarop beslissingen over leven en dood worden genomen. De ethische commissies die tegenwoordig richtlijnen opstellen voor intensivisten, waren er in de negentiende eeuw nog niet. Elke arts was aangewezen op zijn eigen beoordelingsvermogen.

Professionele en levensbeschouwelijke vrijheid

Leuvense doctoraatsstudenten in de geneeskunde aan het einde van de negentiende eeuw (Universiteitsarchief KU Leuven).

In het negentiende-eeuwse België was de vrijheid van artsen groot. De liberale Belgische overheid bemoeide zich amper met de regulering van de geneeskunde, laat staan met het opstellen van ethische richtlijnen. Eens artsen hun diploma op zak hadden, konden ze hun eigen accenten leggen bij de behandeling van patiënten. Via wetenschappelijke publicaties werden ze wel geacht om up to date te blijven van nieuwe behandelingsmethoden en aanbevelingen van wetenschappelijke autoriteiten. Maar afwijkingen van de regel werden niet als problematisch ervaren, zolang iedere arts zijn zelfgekozen therapie kon verantwoorden. Het verlangen om vrij te handelen was groter dan de zucht naar uniformiteit.

Professionele vrijheid betekende bij ethische kwesties ook levensbeschouwelijke vrijheid. In 1852 vond er bijvoorbeeld een toonaangevend debat plaats over de gerechtvaardigdheid van een ‘preventieve’ medische abortus bij zwangere vrouwen met een smal bekken in de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België. Zonder een zwangerschapsafbreking riskeerden deze vrouwen te sterven tijdens hun bevalling. Voor katholieke leden van de Academie was medische abortus een inbreuk op het katholieke gebod “gij zult niet doden”. Zij waren voorstander van de keizersnede, een operatie die in theorie twee levens kon redden maar in de praktijk vaak fataal afliep voor de vrouw. Liberale artsen waren meer geneigd om het leven van de vrouw prioriteit te geven. Na een jaar debatteren slaagden de leden er niet in om een algemeen geldend advies over medische abortus te formuleren. En dus, zo luidde het besluit van de Academie, was het aan iedere arts om zelf te beslissen of hij naargelang de situatie al dan niet een medische abortus uitvoerde.

Het bezwaarde geweten

De leden van de Academie beschouwden de uitkomst bij verloskundige dilemma’s als een gewetenskwestie van de behandelende arts. Ook aan de meeste medische faculteiten kregen studenten te horen dat ze de stem van hun geweten moesten volgen. Alleen dokters die aan de Katholieke Universiteit van Leuven hadden gestudeerd, hadden tijdens hun lessen verloskunde duidelijke ethische richtlijnen meegekregen. Medische abortus en andere operaties die met zekerheid de dood van de foetus betekenden, waren volgens hun docenten niet in overeenstemming te brengen met het katholieke geweten.

Eugène Hubert, professor in de verloskunde aan de Katholieke Universiteit van Leuven.

Dat artsen conform aan hun geweten moesten handelen, impliceerde dat ze geen operaties moesten uitvoeren waar ze niet achter stonden. Volgens het hiërarchische denkkader in de negentiende eeuw waren artsen de best geplaatste personen om een beslissing te nemen over de behandeling van hun patiënten. Vrouwen en hun entourage speelden bijgevolg maar een kleine rol in het besluitvormingsproces. In levensbedreigende omstandigheden, zoals bij moeilijke bevallingen, was het wel gebruikelijk om hun toestemming te vragen om een bepaalde ingreep uit te voeren. Maar deze toestemming betekende niet hetzelfde als keuzevrijheid. Vrouwen konden de operatie die de voorkeur van hun arts genoot wel weigeren, maar waren vaak niet in de positie om hem te overtuigen van een alternatieve ingreep.

De verantwoordelijkheid van de individuele arts bij het nemen van moeilijke beslissingen had wel een belangrijke schaduwzijde. In 1892 blikte de Leuvense hoogleraar in de verloskunde Eugène Hubert bijvoorbeeld terug op een bevalling uit zijn loopbaan die hem was blijven achtervolgen. De bevalling was op de slechtst mogelijke manier afgelopen, omdat Hubert de levende foetus niet had willen opofferen voor het leven van de moeder. Nadat een patiënt met een erg smal bekken een keizersnede had geweigerd, besliste de diepgelovige arts om te wachten op de dood van de foetus. Alleen dan vond hij het gerechtvaardigd om een destructieve operatie uit te voeren waardoor de verminkte foetus gemakkelijker kon passeren langs het geboortekanaal. Uren en dagen gingen voorbij. Alle hulp kwam uiteindelijk te laat voor de vrouw die kort na haar ongeboren kind overleed. De spijt van Hubert was groot: “Dit feit heeft me lang geobsedeerd, zoals de herinnering aan een nachtmerrie.”

Ethische handleidingen

Het eerste vak medische deontologie in België werd vanaf 1890 gedoceerd aan de Leuvense universiteit.

Omstreeks het begin van de twintigste eeuw werden de eerste stappen gezet naar ethische ‘handleidingen’ voor artsen bij het maken van moeilijke keuzes. Aan de Katholieke Universiteit van Leuven werden ethische kwesties gebundeld in een apart vak medische deontologie. In de eerste decennia van de twintigste eeuw kende het navolging aan andere medische faculteiten. Het ontwikkelen van deontologisch advies en ethische standpunten werd ook een kerntaak van de Orde der geneesheren, opgericht in 1937. Die trend zette zich verder in de tweede helft van de twintigste eeuw met de oprichting van leerstoelen medische ethiek aan universiteiten en ethische commissies in ziekenhuizen.

Vandaag weten intensivisten waar ze aan toe zijn in een worstcasescenario. Naast de FOD Volksgezondheid hebben ook de ethische commissies van ziekenhuiskoepels hun aanbevelingen voor keuzes tussen ernstig zieke corona-patiënten uiteengezet. Als er voorrang wordt gegeven aan patiënten die de meeste overlevingskansen hebben of aan patiënten die de meeste levensjaren in het verschiet hebben, dan doen artsen dat op basis van vooraf bepaalde criteria. De ethische richtlijnen zijn opgesteld met het oog op de psychologische impact van moeilijke beslissingen door artsen. Het nieuwe credo luidt, zoals professor medische filosofie Ignaas Devisch in maart verklaarde: “Dit kan en mag je niet als arts alleen beslissen”.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en ideologie in debatten tussen Belgische verloskundigen in de negentiende eeuw.

Pornografen zonder grenzen

Gastblog door Leon Janssens.

In 2019 kondigde de Britse regering aan dat iedereen die een pornowebsite bezocht vanuit het Verenigd Koninkrijk vanaf 15 juli 2020 zijn leeftijd zou moeten bewijzen. Die wetgeving was erg onpopulair en technisch gezien een huzarenstukje. Aan de hand van een VPN (Virtual Private Network) kunnen internetgebruikers digitale landsgrenzen immers eenvoudig omzeilen. Uiteindelijk werd de regelgeving afgevoerd nog voor ze in werking trad.

Ook in de negentiende eeuw zorgden technologische ontwikkelingen ervoor dat pornografen (en hun producten) in steeds grotere getalen landsgrenzen overstaken. Deze internationalisering van de porno-industrie stelde het toenmalige politieke bestel voor een groot probleem. In de meeste Europese landen bestond er namelijk een verbod op het produceren, verspreiden of tentoonstellen van pornografie.

De vervolgingsproblematiek

Dergelijke ‘studiofoto’s’ waren in trek omstreeks 1900 (A young woman, posing naked in a photographic studio, ca. 1900. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Op 19 oktober 1912 vielen politieagenten de krantenwinkel van Jean Baptiste binnen in het station van Hollerich in Luxemburg. Ze slaagden erin een ‘aanzienlijke hoeveelheid’ foto’s met ‘volledig naakte’ mannen en vrouwen in ‘smerige losbandige houdingen’ in beslag te nemen. Jean bekende. Hij had wel ‘meer’ van dit soort ‘pornografische producten’ verkocht. Deze foto’s had hij in september van een onbekende gekocht die in het gezelschap was van Peter Hackmann, een Belg die een postkaartenfabriek uitbaatte in Luxemburg. De politie deed een huiszoeking bij Peter. Ze vonden geen foto’s, maar ze konden wel een verklaring lospeuteren bij Peters vrouw Clara. Zij vertelde dat de onbekende man die Jean beschreef haar schoonbroer was: Gerard Hackmann. Hij was fotograaf in België en had haar en haar man ‘toevertrouwd’ dat hij ‘in functie’ van zijn beroep ‘soms’ zulke foto’s maakte die hij dan aan ‘gunstige prijzen’ kon doorverkopen.

In de periode voor 1910 zou het onderzoek hier waarschijnlijk zijn gestopt. Het was moeilijk om producenten van pornografisch materiaal te vervolgen wanneer die in een ander land woonden. Dat probleem werd vaak besproken op congressen over pornografie. Zo stelde de Belgische vertegenwoordiger op het Congrès contre la mauvaise littérature in 1893 dat: ‘de slechte boeken die gemaakt worden in België bijna allemaal bedoeld zijn voor de export’. Het probleem werd erg scherp geformuleerd op een ander congres in 1908: ‘De handel [in pornografie] is internationaal, juist om de vervolgingen, huiszoekingen en inbeslagnames te voorkomen die het gevolg zouden zijn als het [de handel] nationaal zou zijn’. Er moest dus een internationale oplossing komen om het pornoprobleem aan te pakken.

Oorlog aan den pornografie

Op 4 mei 1910 ondertekende België samen met de Verenigde Staten, Brazilië, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg het ‘akkoord voor de onderdrukking van de circulatie van obscene publicaties’. Een van de afspraken was dat er een betere samenwerking moest komen tussen de gerechtelijke instanties van de deelnemende landen. Voor de fotograaf Gerard was deze samenwerking slecht nieuws; nog geen week na de inval bij Jean stond de Luxemburgse onderzoeksrechter in contact met de procureur-generaal van Arlon. Die liet Gerard op 31 oktober 1912 arresteren en ondervragen door de politiecommissaris van Athus.

Ook suggestieve postkaarten gaven aanleiding tot verontwaardiging, inbeslagnames en gerechtelijk onderzoek (Archives départementales de la Haute-Vienne, Europeana, CC BY-SA).

De haast en de ernst in deze zaak doen vermoeden dat er toch iets meer aan de hand was dan ‘soms eens’ wat foto’s zoals Gerard beweerd had. Wat bleek? De vader van Gerard en Peter, Johan Hackmann, was douanier te Athus. Met een douanier als vader, een fotograaf als zoon en een andere zoon met een drukkerij net over de grens was dit misschien een extra verdachte familie voor het Belgische gerecht. Kneep vader Hackmann een oogje dicht wanneer zijn zoon de grens overstak met een koffer vol pornografische foto’s? Of was het een goed georganiseerd familiebedrijf?

We zullen het nooit weten. Wat we wel weten is dat pornografen moeilijker hun gang konden gaan na het akkoord van mei 1910. De communicatie tussen de verantwoordelijke diensten van verschillende landen nam sterk toe. Er werden lijsten uitgewisseld met potentiële verdachten, verdachte post uit het buitenland werd geanalyseerd en het verblijf van verdachte Belgen in het buitenland werd nauwlettend in de gaten gehouden. Al deze nieuwe maatregelen konden echter niet helpen bij het vervolgen van Gerard. Bij zijn arrestatie ontkende hij alle feiten en er werd uiteindelijk geen belastend materiaal gevonden. In november van 1910 besloot de procureur des Konings dat er onvoldoende belastend materiaal was om Gerard te vervolgen.

Omwille van de gevoeligheid van dit thema werd er gekozen om alle betrokkenen een pseudoniem te geven.

Meer lezen?

Annie Stora-Lamarre, L’enfer de la IIIe République: censeurs et pornographes 1881-1914, Paris: Imago, 1990.

Leon Janssens is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de angst voor pornografie op het einde van de negentiende eeuw.

Vaccinatie: goddelijk of kwaadaardig?

Gastblog door Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq.

De hele wereld hoopt dat onderzoekers zo snel mogelijk een vaccin vinden tegen COVID-19, om zo de huidige sanitaire, sociale en economische crisis in te dammen. Voor sommige gelovigen wordt deze hoop ingegeven door de verwachting dat God zal tussenkomen om het proces te versnellen. Andere gelovigen zijn de mening toegedaan dat alleen het “spirituele” vaccin van tel is, aangezien een medisch vaccin enkel het lichaam geneest. Nog anderen zijn van oordeel dat deze planetaire ziekte een teken is van goddelijke kastijding. Gelovigen hebben dus heel verschillende meningen over het recht op vaccinatie, en de legitimiteit ervan. Dat is niet nieuw. 

Pokkenepidemieën, variolatie en vaccinatie

Een vergelijking tussen de puisten bij pokken (rechts) en koepokken (links) (1896, Wellcome collection, CC BY 4.0).

Variolatie is het veroorzaken van een milde vorm van pokken bij een gezond individu om dit individu te beschermen tegen toekomstige aanvallen van de ziekte. In China vindt men hiervan sporen vanaf de zestiende eeuw. Deze gewoonte verspreidde zich vervolgens, bij het begin van de achttiende eeuw, via de zijderoute richting Frankrijk en Engeland. Hoewel het vrijwillig inenten van een gevaarlijke stof in een gezond lichaam op heel wat weerstand stuitte, waren geneesheren en leiders overtuigd  van de heilzame effecten.

Aan het eind van de achttiende eeuw stelde de Engelse chirurg Edward Jenner vast dat koeienmelksters tijdens epidemieën immuun leken tegen de pokken. Hij experimenteerde met het inenten van mensen met het vocht dat werd gewonnen uit de builen die verschenen op koeienuiers. Dit koepokvirus, verwant aan de pokken, had het voordeel veel minder gevaarlijk te zijn voor de mens, maar deze laatste toch te beschermen tegen de pokken.

De ontdekking van vaccinatie, het inenten met de mildere koepokkenvariant, veroorzaakte een gevoel van enthousiasme en opwinding in een periode waarin pokkenepidemieën de bevolking uitdunden en overlevenden gebukt gingen onder tal van misvormingen en levenslange handicaps.

God heeft de geneesmiddelen van de aarde gecreëerd 

Instruction sur la vaccine, B. P. Despeaux (Parijs, 1808).

Tot 1891, het jaar waarin de Russische arts Elie Metchinokoff het mechanisme van antilichamen ontdekte, bleef het een mysterie waarom vaccinatie leidde tot het voorkomen van ziektes. De meeste leden van de clerus beschouwden immuniteit als een zegen.

Omstreeks 1800 organiseerden Italiaanse priesters processies om mannen, vrouwen en kinderen naar publieke vaccinatiesessies in ziekenhuizen te leiden. Kerkelijke autoriteiten werkten aan pamfletten over bescherming tegen de pokken, en bisschoppen zetten priesters ertoe aan om hun volgelingen op de hoogte te brengen van de noodzaak om hun familie te laten vaccineren. In alle Europese Staten werden geestelijken uitgenodigd om deel te nemen aan de organisatie van de publieke gezondheidszorg; dit gold ook voor missionarissen in de kolonies, waar de inheemse bevolking werd gevaccineerd.

Nochtans bestond er bij bepaalde priesters en predikers een zeker ongemak. Moesten zij hun taken niet beperken tot de zielenzorg van gelovigen? Als reactie hierop herinnerden theologen eraan dat Jezus de zieken genas, en dat de Kerk zich ook steeds heeft ingezet voor de geneeskunde.

Kon men de plannen van de Goddelijke Voorzienigheid doorkruisen? Dat was wat anderen zich afvroegen. Bij theologen ontstond hierover een zekere mate van consensus: God houdt van de levenden en verbiedt hen niet zich te beschermen tegen ziektes. Werden de geneesmiddelen van de aarde immers niet door God voor de mens geschapen?

Een ander argument tegen vaccins werd gevormd door de bezorgdheid over het introduceren van delen van dierenlichamen in de menselijke soort. Deze angst dat de mens zou bedorven worden, noemde men “minotaurisering”. Maar, zo antwoordden een aantal theologen, de mens neemt al lang koeienmelk en -vlees tot zich. 

Tegenstanders van vaccinatie in de negentiende eeuw

Bestrijding der vaccine, Abraham Capadose, (Amsterdam, 1835).

Het is duidelijk dat het verzet tegen vaccinatie niet bij de clerus of bij theologen gezocht moet worden. Geneesheren, onder wie tal van katholieken, namen in de negentiende eeuw deel aan grootschalige vaccinatiecampagnes en kregen daarbij de steun van de clerus. Verder verdedigden velen onder hen verplichte vaccinatie, wat slechts langzaam op gang kwam in Frankrijk en België. Ze respecteerden tegelijkertijd ook het liberale argument van de autonomie van de huisvaders, dat dominant was in het liberale negentiende-eeuwse België. Volgens dit argument had de Staat het recht niet om verplicht een vervuilende materie in het lichaam van zijn burgers binnen te brengen.

Dit laatste principe lag aan de basis van de argumentatie van de anti-vaccinatieverenigingen die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw actief waren. De gelijkstelling van het vaccin met een vervuilende materie was trouwens niet ongefundeerd. Aangezien inentingen van arm tot arm werden uitgevoerd, hebben ze soms (door de toevallige overdracht van geïnfecteerd bloed van de ene gevaccineerde naar de andere) geleid tot de overdracht van ziektes zoals syfilis. Sommige moralisten en geneeskundigen gingen zelfs een stap verder en trachtten te bewijzen dat de invoering van het vaccin de menselijke soort aantastte en verzwakte.

Fundamentalistisch verzet, politiek verzet

Poster voor vaccination tegen pokken (Engeland, 1923, Wellcome Collection, CC BY 4.0).

Religieus gemotiveerd verzet tegen vaccinatie was meer het werk van individuen dan van bewegingen. Aan het begin van de negentiende eeuw was de Nederlandse calvinistische arts Abraham Capadose bijvoorbeeld de enige die zei dat de mens niet het recht heeft voor God te spelen door het lichaam van gezonde individuen te veranderen. Tijdens de Franse periode in België (1795-1814) zwengelde een aantal priesters op het Vlaamse platteland de vijandigheid van de bevolking tegenover vaccinatie aan, maar hun acties maakten tegelijkertijd deel uit van een breder politiek verzet. Ze waren gekant tegen het republikeinse antiklerikale regime dat vaccinatie wilde opleggen aan de bevolking. Ook in de kolonies kwam het verzet tegen vaccinatiecampagnes niet alleen voort uit lokale geloofstradities, maar wijst het ook op een verwerping van de koloniale macht door de gekoloniseerde bevolking.

Vandaag is de opkomst van de ‘vaccinofobie’ uitermate uitgesproken in protestantse landen zoals de Verenigde Staten. Het antivaccinatie-argument van de individuele vrijheid wordt er verbonden met het Amerikaanse grondrecht van “religious freedom”. De geschiedenis bewijst het: vaccinatie en religieuze bekommernissen hebben elkaars pad op verschillende manieren gekruist.

Meer weten?

Yves-Marie Bercé, « Le clergé et la diffusion de la vaccination », Revue d’histoire de l’Église de France, 69, 182, 1983, 87-106.

Françoise Salvadori et Laurent-Henri Vignaud, Antivax : Histoire de la résistance aux vaccins du XVIIIe siècle à nos jours (Parijs, Vendémiaire, 2019)

Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq zijn gastbloggers. Cécile Vanderpelen-Diagre is professor in de hedendaagse geschiedenis aan de Université libre de Bruxelles. Valérie Leclercq is postdoctoraal onderzoekster aan de Université libre de Bruxelles. Ze onderzoekt de ideologische conflicten in de vaccinatiegeschiedenis en in de psychiatrie.

Titelafbeelding: Edward Jenner vaccinating patients in the Smallpox and Inoculation Hospital at St. Pancras: the patients develop features of cows. Watercolour after J. Gillray, 1802. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

Waarom Joachim Coens het moeilijk heeft met de versoepeling van de abortuswet

Vandaag dreigde CD&V-voorzitter Joachim Coens ermee zijn opdracht stop te zetten om een nieuwe federale regering te vormen als de Kamer zich zou uitspreken over de versoepeling van de abortuswetgeving. Het wetsvoorstel, dat al enkele maanden op weerstand stuit van de Belgische partijen CD&V, cdH, N-VA en Vlaams Belang, wil de termijn voor abortus optrekken van twaalf naar achttien weken.

Opvallend is dat ook de uitvoerders van abortus verdeeld zijn over de optrekking van de termijn. Afgelopen november spraken meer dan 750 artsen, vroedvrouwen en andere zorgverleners zich in een open brief aan de Kamerleden uit tegen de verruiming van de wet. De ondertekenaars deelden verschillende geloofsovertuigingen, maar de brief werd bijzonder goed ontvangen en verspreid via katholieke media. Op hun beurt betuigden ruim 1500 hulpverleners hun steun voor het wetsvoorstel. Deze laatste open brief was een initiatief van vrijzinnige humanistische organisaties en verenigingen van abortuscentra.

Het gebrek aan eensgezindheid bij artsen en gezondheidswerkers is zeker niet nieuw. Al in de negentiende eeuw, toen het eerste grote abortusdebat werd gevoerd, waren artsen rond levensbeschouwelijke breuklijnen verdeeld.

Twee debatten

Het Paleis der Academiën in Brussel waar de leden van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde debatteerden over medische abortus in 1852.

In de negentiende eeuw bestrafte het strafwetboek dokters die bij abortus betrokken waren, maar sprak zich niet uit over zwangerschapsonderbreking om medische redenen. Artsen konden met andere woorden zelf bepalen of medische abortus in levensbedreigende omstandigheden volgens hen geoorloofd was. Het eerste abortusdebat dat omstreeks 1850 in medische verenigingen werd gevoerd, boog zich over deze kwestie en werd vanaf het begin getekend door levensbeschouwelijke spanningen. De meeste liberale artsen spraken zich pro medische abortus uit, terwijl een aantal katholieke artsen zich daar uitdrukkelijk tegen verzette.

Vandaag is de vraag of (medische) abortus legaal is, al lang niet meer aan de orde. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw, toen voor- en tegenstanders van de decriminalisering ervan diep verdeeld raakten langs levensbeschouwelijke breuklijnen, werd abortus het voorwerp van een breder politiek en maatschappelijk debat. Vanaf de gedeeltelijke depenalisering van abortus in 1990 zijn we zelfs getuige van een verschuiving van de abortuskwestie. De klemtoon is komen te liggen op de ethische grenzen van abortus: de wettelijke abortustermijn en de bijhorende medische implicaties.

Meer dan een medische ingreep

Zes diagrammen van abortussen in verschillende stadia. Gravure door Campbell (Wellcome collectie, CC BY 4.0).

Abortus is geen medische handeling als een andere, omdat er een bijkomende belanghebbende partij – de foetus – bij betrokken is. De ethische afwegingen die uit deze situatie voortvloeien, het respect voor het ongeboren leven en het begrip voor de complexe situatie van vrouwen die ongewenst zwanger zijn, werden verwoord in de open brief tegen de verruiming van de abortustermijn. Ook artsen die hun steun voor de versoepeling van de wetgeving in de tweede open brief duidelijk maakten, beschouwen een zwangerschapsafbreking allesbehalve als een onbeduidende ingreep.

In de negentiende eeuw waren de tegengestelde belangen van vrouw en foetus nog meer uitgesproken. Zonder preventieve medische abortus liepen vrouwen met een smal bekken het gevaar om te sterven tijdens de bevalling. Het enige alternatief voor zo’n dodelijke ingreep op foetussen, de keizersnede, bracht doorgaans levende kinderen ter wereld, maar bood amper overlevingskansen aan vrouwen. Kortom, dokters die voor dit verloskundig dilemma stonden, moesten een keuze maken tussen het leven van de vrouw (medische abortus) en dat van de foetus (keizersnede).

Leve de foetus

De anatomie van de baarmoeder tijdens de zwangerschap (Wellcome collectie, CC BY 4.0).

Als er twee tegengestelde belangen in het spel zijn, dan rijst de vraag natuurlijk hoe dokters hun keuze hebben verantwoord en in hoeverre de stem van de vrouw bij deze afweging doorwoog. In grote lijnen waren er in de negentiende eeuw twee posities. Katholieke artsen die de katholieke doctrine als uitgangspunt namen, voerden een pleidooi tegen medische abortus. Zij verwezen naar het katholieke gebod “gij zult niet doden” dat in hun ogen de fundamentele basis van de christelijke moraal vormde. Volgens deze artsen had ieder wezen, hoe klein of zwak ook, recht op leven. In de praktijk slaagden zij er echter moeilijk in om toestemming te verkrijgen van vrouwen (en hun families) om de keizersnede uit te voeren.

Liberale artsen rechtvaardigden medische abortus door te wijzen op de minderwaardigheid van ongeboren leven. Foetussen, vegetatieve wezens en parasieten die ten koste van de moeder leven, moeten volgens hen nog bewijzen dat ze buiten de baarmoeder kunnen leven, laat staan dat ze een maatschappelijke bijdrage kunnen leveren. Liberale artsen waren bij een keuze tussen twee levens geneigd om te kiezen voor wat zij als het minste kwaad beschouwden: de dood van de foetus. Naar eigen zeggen hadden zij, in tegenstelling tot hun katholieke collega’s, weinig moeite om vrouwen en hun naasten te overtuigen om een medische abortus te ondergaan.

Ook in het actuele abortusdebat is het statuut van de ongeboren foetus een belangrijk discussiepunt in de bijdragen van dokters. Tegenstanders van de verruiming haalden onder meer aan dat foetussen van 18 weken zich gevaarlijk dichtbij de grens van levensvatbaarheid bevinden. Voorstanders stelden daar tegenover dat het stadium van levensvatbaarheid – vanaf ongeveer 22 weken – bij een late abortus nog voldoende ver verwijderd is en dat foetussen van 18 weken nog steeds heel klein zijn.

Leve de vrouw

Affiche voor de legalisering van abortus (1979, AVG-Carhif: Archief en onderzoekscentrum voor vrouwengeschiedenis).

Bij een vergelijking tussen beide debatten is vooral de aandachtsverschuiving naar het perspectief van de vrouw opvallend. In de negentiende eeuw was het voor alle artsen evident dat het leven van vrouwen in het teken stond van hun kroost. Katholieke artsen gingen in deze redenering het verst. Volgens hen moesten vrouwen ook hun ongeboren kinderen op de eerste plaats zetten. Liberale artsen verwachtten, daarentegen, geen onvoorwaardelijke liefde van een vrouw ten aanzien van een foetus in levensbedreigende situaties. Maar in normale omstandigheden vonden ook zij dat vrouwen bovenal moeder moesten zijn.

Sinds de tweede feministische golf in de jaren 60, 70 en 80 is het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen centraal komen te staan in maatschappelijke debatten over abortus. In de actuele discussie over de optrekking van de abortustermijn ging veel aandacht naar de psychosociale gevolgen van abortus en ongewenste kinderen voor de vrouw. Tegenstanders van de verruiming van de abortuswet benadrukken onder meer de psychologische impact van abortus voor vrouwen. Voorstanders gaan uit van de keuzevrijheid van vrouwen en hun individuele, soms moeilijke situaties die verklaren waarom zij soms later dan de wettelijk toegelaten termijn van 12 weken beslissen om hun zwangerschap af te breken.

Er zijn duidelijk veel verschillen tussen het negentiende-eeuwse debat over zwangerschapsonderbreking om medische redenen en het actuele abortusdebat. Discussies over abortus, die in de negentiende eeuw enkel in medische kringen werden gevoerd, belangen nu de hele samenleving aan. Ook de wetgeving, de focus en argumenten zijn veranderd. Toch is de levensbeschouwelijke breuklijn, die de deelnemers nog steeds in twee kampen verdeelt, overeind gebleven.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van verloskundigen en gynaecologen in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Tab. XXVIII, Geburtshulflicher Atlas, 1844. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

De pandemie-vrije stad, en hoe er te geraken

Het bewogen voorjaar van 2020 zette tal van zekerheden op de helling. In de weken waarin museumbezoeken, terrasjes of (kleinschalige) voorstellingen uit den boze waren, kwam een oud spanningsveld opvallend op de voorgrond: de tegenstelling tussen stad en platteland. Het optimisme over leven in de agglomeratie – een lager energieverbruik, minder nood aan een wagen, een groter sociaal netwerk – werd nu overstemd door een lofzang op het buitenleven. Appartementen zonder noemenswaardig balkon, gesloten buurtspeeltuintjes en overvolle parken voedden de hunker naar vrijstaande woningen met een weidse tuin, omringd door akkers en bossen. In volle lockdown rekende een gevoel van beklemming af met de aloude idee dat stadslucht vrij maakt. Millennials die voordien hun zinnen op strak ingerichte studio’s en de nieuwste smartphones zetten, postten op sociale media opeens foto’s van moestuinen, een kippenren of zelfgebakken brood – zonder ironie en al dan niet gevolgd door #cottagecore. Rekende het coronavirus af met onze stadsgerichte samenleving?

De centrale Brusselse laan, naar haar grote bezieler burgemeester Jules Anspach vernoemd (E. Bruylant (ed.), La Belgique illustrée (Brussel, z.j.) vol. 1, 136).

Niet iedereen gaf de grootstad zomaar op. Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck ergerde zich in De Standaard (9 mei) aan het beeld alsof een stad per definitie kille woontorens inhoudt en pleitte voor een ándere invulling: ‘De enige goede stedenbouw is kindvriendelijk, betaalbaar én lockdownbestendig.’ Een opvallende plaats in het debat was weggelegd voor mobiliteit. Het haast stilgevallen verkeer bracht sommigen immers aan het dromen. Waarom palmt gemotoriseerd verkeer zo’n groot deel van de openbare ruimte in? Wat als koning auto zijn plaats blijvend aan voetgangers en fietsers zou afstaan? Terwijl het Brugse stadsbestuur een herstelplan uitwerkte waarin het gratis parkeren werd uitgebreid om de lokale handelaars te ondersteunen, legde men elders heel andere accenten. Milaan kondigde onder de naam Strade Aperte een plan aan om tientallen kilometers nieuwe fiets- en voetpaden aan te leggen en in Berlijn startte een proefproject waarin rijvakken tot fietspaden werden omgevormd. Tijdelijke maatregelen of een opstap naar een nieuwe manier van denken?

Weelderige straten

Als het over urbanisme gaat, zijn er precedenten voor een ‘nieuw normaal’ dat op een pandemie teruggaat. Het meest voelbaar, tot vandaag, is de impact van cholera-uitbraken in de negentiende eeuw. De bacterie richtte in opeenvolgende golven wereldwijd een ravage aan, ook in België. De epidemie van 1849 maakte enkel in ons land al ruim 23000 doden, in 1866 was de balans haast dubbel zo dramatisch. Vooral steden kregen het zwaar te verduren: in de provincie Luik bijvoorbeeld lag de sterftegraad tot in de late jaren 1800 in de agglomeraties significant hoger dan op het platteland, iets dat men behalve aan ziekten ook aan vervuiling toeschreef.

In de opvallende reportage (1864-1865) van fotografiepionier Nadar waren de Parijse riolen een verheven symbool van vooruitgang (Parijs, Caisse Nationale des Monuments Historiques et des Sites).

Aanhangers van de aloude miasmatheorie, die stelde dat ‘vervuilde’ lucht verantwoordelijk was voor de verspreiding van ziekten, benadrukten het belang van goede ventilatie en de vrije circulatie van zuivere lucht. Lange, brede en vooral kaarsrechte straten moesten plattelandslucht tot diep in de stad brengen. Wijken met smalle, bochtige steegjes stonden haaks op dat model en werden daarom door de zogenaamde hygiënisten als onverantwoord afgeschreven. Inspiratie vonden ze in Parijs: prefect Georges-Eugène Haussmann begon bij zijn aantreden in 1853 aan een doorgedreven rationalisering om de leefbaarheid van de stad te verhogen. Liefst vijfennegentig kilometer nieuwe straten, de zo kenmerkende boulevards, waren een radicale afrekening met de ‘horribles cloaques’ of weerzinwekkende open riolen waarover hij in zijn memoires repte.

Al in de jaren 1860 werd het eens geminachte Parijs als een van de mooiste steden ter wereld geprezen. Onder druk van de hygiënisten, de experts inzake openbare gezondheid, werd ook in België wetgeving gestemd die het lokale overheden mogelijk maakte om percelen te onteigenen. Dat volksgezondheid een belangrijke motivatie vormde, blijkt uit een verdere versoepeling in 1867, kort na een choleragolf (of ‘blauwe pest’) die alleen in Gent al meer dan 2700 levens kostte. Daar was het wachten tot 1880 vooraleer met het Zollikofer-De Vigneplan de aanblik van de stad grondig veranderde, maar in Brussel ging de spade haast meteen in de grond: in 1871 opende burgemeester Jules Anspach een nieuwe laan, recht door de binnenstad. De Zenne, gezien als een bron van giftige dampen, liep voortaan ondergronds. Echt feestelijk was de gebeurtenis nochtans niet: door corruptie en wanbeheer was een immens gat in de Brusselse begroting geslagen. Helemaal tragisch was dat de interieurs achter de prestigieuze gevels die langs de laan verrezen berucht werden als weinig comfortabel of zelfs ronduit ongezond. Zo ver reikte zijn bevoegdheid niet, moest Anspach in de gemeenteraad toegeven.

Moderne dromen

Paviljoen van een waterreservoir in de Verlaatstraat, klassiek vormgegeven door architect Joseph Poelaert (Brussel, 1857, © GOB-DML, http://www.irismonument.be).

De boulevards gaven de steden een nieuwe aanblik en maakten hen tot een geliefkoosd oord, zowel voor toenmalige flaneurs als voor hedendaagse city trippers. De saneringen hadden echter ook andere dimensies. Zo speelde technologie een niet minder grote rol. Ingenieurs werkten oplossingen uit voor watervoorziening én -afvoer: hun leidingen en rioleringen waren een even belangrijk instrument als de medicijnen en vaccins van artsen. Nutsvoorzieningen waren voorwerp van trots en bewondering en kregen daarom vaak een opvallende inkleding. Watertorens, pompstations, reservoirs… droegen bij tot het beeld van de moderne stad als een samenhangend, functioneel geheel waartegen de oudere, chaotische stad schril afstak. Ook de houding tegenover water zélf veranderde. In de publieke ruimte gold de aanwezigheid hoe langer hoe meer als ongewenst en ‘vuil’, want moeilijk te controleren. Het ‘nieuwe’ water zoals dat sinds halverwege de negentiende eeuw almaar vaker in (burgerlijke) woningen verscheen, met hun keukens en badkamers, was daarentegen een zuiverend element. Veelzeggend is hoe zwemmen in ongereguleerde rivieren en plassen aan sociale status moest inboeten en deze activiteit zich zoveel mogelijk naar nauwlettend gecontroleerde badhuizen verplaatste.

Anderhalve eeuw geleden vormde cholera de aanleiding tot grondige aanpassingen van het stedelijk weefsel, zichtbaar en onzichtbaar, boven- en ondergrond, in praktijken en in denkpatronen. Deze transformaties zijn nu een evidentie, die we niet langer met een pandemie in verband brengen. Of COVID-19 een even grote stempel op stedenbouw zal nalaten, valt af te wachten. Het potentieel is er alleszins.

Meer lezen.

Matthew Gandy, The fabric of space: water, modernity, and the urban imagination (Cambridge MA: MIT Press, 2014).

Maria Kaika, City of flows. Modernity, nature, and the city (New York – Londen: Routledge, 2005).

Ed Taverne en Irmin Visser (eds), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden (Nijmegen: SUN, 1993).

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Project van Léon Suys voor een boulevard dwars door Brussel (Bruxelles, Senne et boulevards. Solution du problème hygiénique et monumental (Brussel, 1865)).

De heilige delen van het mierenetende stekelvarken

“Sommige dingen waren verboden voor jonge mannen, vrouwen en kinderen, vooral wat voedsel betreft. Het strengst verboden van allemaal was het eten van enig deel van de Echidna Hystrix, het mierenetende stekelvarken, in het dialect van de Wyn-yook-stam ‘Gowaru’ genoemd.”

Drie perspectieven op een mierenegel (brief van George Gordon McCrae aan Lucy Lloyd).

Zo beschreef de Australische dichter George Gordon McCrae in een brief uit 1876 de taboes van de Aboriginal-clan van Port Phillip Bay (bij Melbourne) waar hij jaren naast had geleefd. In het bijzonder, lichtte hij toe, aten de stamoudstende in de as gesmoorde vetlaag waarin de stekels vastzaten, het ‘heilige deel’; voor de rest van het beest toonden ze geen culinaire interesse. Ter verduidelijking voegde hij een diagram toe: heilige delen | feitelijke dier.

De brief maakt deel uit van de collectie van de 19e-eeuwse taalkundige Wilhelm Bleek, een van de eerste grootschalige onderzoekers van Afrikaanse talen. Bleek was in 1855 in Kaapstad neergestreken om de reusachtige verzameling taalmateriaal van de gouverneur te catalogiseren en uit te breiden; ‘taalmateriaal’ is een verzamelbegrip voor alles waarmee je een taal kunt vastleggen, zoals woordenlijsten, grammatica’s, (Bijbel)vertalingen en registraties van mondelinge overlevering. Op basis daarvan trok Bleek grammaticale, maar ook etnologische vergelijkingen tussen verschillende talen en volkeren van Afrika en daarbuiten. Bleek’s uitgangspunten en conclusies waren vrij extreem, maar opmerkelijk genoeg stond dat zijn inlevingsvermogen niet in de weg.

Oorspronkelijke bewoners vergelijken

Twee stekelvarkens (door Han≠kass’o, een van Lucy Lloyd’s informanten, 1878).

McCrae had in 1875 contact gezocht met Wilhelm Bleek, maar die was aan tbc overleden terwijl de eerste brief onderweg was. Zijn schoonzus Lucy Lloyd zette de correspondentie voort. In zijn laatste jaren had Bleek, geholpen door Lloyd, zich toegelegd op het vastleggen van de taal en verhalen van de |Xam, een San-volk van jagers-verzamelaars dat oorspronkelijk rond de Westkaap woonde en in hoog tempo door witte Afrikaners die landinwaarts trokken werd verdreven en gelyncht. Voor zijn onderzoek had Bleek veroordeelde |Xam uit de gevangenis van Kaapstad in huis genomen, en Lloyd ging daar na zijn dood mee door.

Zoals uit de correspondentie tussen McCrae en Lloyd blijkt, was ze net als Bleek geïnteresseerd in vergelijkingen tussen de oorspronkelijke bewoners van Australië en van Zuid-Afrika: zo stuurde ze McCrae een |Xam-fabel over een man die in een stekelvarken veranderde en met de regen sprak, maar iets verkeerds zei waarop de regen in hagel veranderde. Eigenlijk zegt deze fabel ook veel over het klimaat in de Westkaap, waar regen van levensbelang is maar hagel een frequente doodsoorzaak was.

Wilhelm Bleek was zo geïnteresseerd in de |Xam omdat hij dacht dat hun taal het dichtst bij de menselijke oertaal stond. Toevallig was zijn neef de toonaangevende bioloog Ernst Haeckel, die schreef dat “deze nederige mensenrassen… voor de onbevooroordeelde natuuronderzoeker meer verwantschap met gorilla’s en chimpansees dan met Kant en Goethe lijken te hebben”. Of Bleek dat laatste ook vond is onduidelijk, maar hij vroeg wel in een brief aan neef Ernst “of gorilla’s ook klikgeluiden maken”, zoals die voorkwamen in het |Xam en andere Khoisantalen. Tegelijk vond hij het redden van hun taal voor de wetenschap belangrijker dan zijn theorieën en taalvergelijkingen, en gaf hij zijn half-vrijwillige gasten tenminste deels hun menselijke waardigheid terug – je kunt moeilijk iemands taal leren zonder de ander als mens te behandelen. Wellicht was Lloyd er beter in dan Bleek; ze had in elk geval meer tijd.

Australische connectie

Australisch sjamanisme (bijvoegsel bij een brief van McCrae aan Lloyd).

Australische talen waren geen onbekend terrein voor Bleek: ze maakten deel uit van de taalverzameling van zijn opdrachtgever, gouverneur George Grey. Zoals wel meer koloniale bestuurders combineerde Grey de ‘beschavingsmissie’ met zijn eigen wetenschappelijke hobby’s. Als jonge officier had hij in 1837-39 twee mislukte expedities langs de Australische westkust geleid en enkele maanden tussen een Aboriginal-clan in de omgeving van Perth doorgebracht. Zijn beschrijving van Aboriginalcultuur is de uitvoerigste en meest gedetailleerde van zijn tijd, maar veel waardering voor hun cultuur had Grey niet: in het bijzonder gruwde hij van de manier waarop vrouwen mishandeld werden, en van de gewoonte om voor elk sterfgeval een schuldige aan te wijzen. In een rapport bepleitte hij dat ze zo snel mogelijk tot burgers van het Britse Empire moesten worden gemaakt. Wel merkte hij op dat hun dieet op buitenstaanders misschien armoedig en merkwaardig overkwam, maar in feite zowel smaakvol als voedzaam was.

Een vergelijkbare combinatie van interesse en afschuw is 35 jaar later ook in de notities van McCrae te bespeuren. Zo omschreef hij zijn voormalige buren als vriendelijk en zachtaardig, maar noteerde ook dat iemand bij uitzondering (‘uit liefde!’) zijn vrouw niet gewelddadig ontvoerd had. Hun riten omschreef hij als ‘bijgeloof’, maar in elk geval deden ze niet, zoals andere Aboriginals, aan rituele extractie van de voortanden.

Koloniale paradoxen?

Voorplaat van George Grey, Polynesian Mythology (1855), met Maori-houtsnijwerk op de voorgrond en een vulkaan op de achtergrond.

Het confronterende hieraan is niet dat 19e-eeuwse taalkunde en volkenkunde vol zit met racisme en kolonialisme. Dat wisten we toch al. Het confronterende is juist het omgekeerde: dat mensen als Bleek en Grey nochtans uitzonderlijk goed in staat waren zich totaal vreemde talen eigen te maken en in andere manieren van leven te verplaatsen. Het hinderde Grey niet om als gouverneur van Nieuw-Zeeland (1845-53 en 1861-68) een agressieve politiek van landaankoop te voeren en Maori-opstanden met geweld neer te slaan. Maar wie Maori-erfgoed wil bestuderen, kan niet om zijn verzameling heen.

De notitieboeken van Bleek en Lloyd gelden tegenwoordig als UNESCO-wereldgeheugen, en na het einde van de Apartheid is er een bescheiden cultuurindustrie omheen ontstaan. Het |Xam is als taal uitgestorven, net als de helft van de naar schatting 250 Aboriginaltalen. Het Maori is daarentegen in Nieuw-Zeeland alomtegenwoordigin tweetalige opschriften al spreekt bijna niemand het nog echt. En de brieven van McCrae? Daar heeft een taalkundige in Melbourne zich over ontfermd die contact heeft met Aboriginal-organisaties en zich bezighoudt met taalrevitaliseringsprojecten. Het ‘mierenetende stekelvarken’, eigenlijk mierenegel, wordt ondertussen nog steeds gegeten.

Floris Solleveld is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt hoe ten tijde van de Europese koloniale expansie de talen van de wereld in kaart werden gebracht.

Eerste hulp bij masturbatie

Het tweede seizoen van de populaire Netflix-serie Sex Education begint met enkele masturbatiescenes. Zelfbevrediging komt in beeld als een natuurlijke reeks handelingen die belangrijk zijn voor een gezonde geest en een gezond lichaam. Dat is ook het huidige standpunt van dokters, psychologen en seksuologen. Masturberen zou een vitaal onderdeel zijn van de eigenliefde. Daarnaast zou het goed zijn voor het humeur en de bloedsomloop.  

Visies op zelfbevrediging waren niet altijd zo positief. Tot ver in de twintigste eeuw geloofden dokters, moralisten en opvoeders dat masturbatie niet enkel een zonde was, maar ook vele kwaaltjes en ziekten veroorzaakte. Daarom ging men de strijd aan met wat toen ook wel zelfbevlekking werd genoemd. Artsen en opvoeders zetten een anti-masturbatiecampagne op gang waarbij werd gezocht naar methoden en regels om de jeugd te beschermen.

De gevolgen van ‘zelfbevlekking’

Gevecht van een masturberende man tegen de dood (Wellcome Collection. CC BY 4.0).

De gevolgen van masturbatie werden door dokters omschreven als niet te overzien. In de eerste plaats beschouwden ze masturbatie als een zonde die schade toebracht aan het zedelijke leven van de jeugd. Bij jongens zou het zorgen voor een aantasting van de ‘christelijke mannelijkheid’ waar elke jongeman naar diende te streven. Daarnaast lag er ook een sterke nadruk op de lichamelijke gevolgen, waaronder een algehele verregaande verzwakking van het lichaam, en psychische gevolgen zoals luiheid en onverschilligheid. Deze effecten waren overigens niet enkel waarneembaar bij diegene die masturbeerde, maar zouden ook terug te vinden zijn bij diens verzwakte nageslacht.

Voorkomen is beter dan genezen

Er was geen geneesmiddel voorhanden om masturbatie te ‘genezen’. Daarom werd er vooral ingezet op preventieve maatregelen. Ten eerste vonden artsen het belangrijk om een gezonde levensstijl met zo weinig mogelijk stimulerende prikkels te promoten. Hierbij was zowel voldoende lichaamsbeweging als een dieet belangrijk. Voeding moest liefst zo flets mogelijk en licht verteerbaar zijn. De Amerikaanse dokter John Harvey Kellogg was een prominent figuur in de campagne tegen zelfbevlekking. Vooral alcohol, vlees en te veel kruiden zouden volgens hem seksuele gevoelens kunnen oproepen. Hij vond de intussen wereldberoemde cornflakes uit die omwille van hun fletse smaak een goed strijdmiddel vormden.

Kellogg’s Cornflakes.

Het slaapritueel met het bed als de gevarenzone bij uitstek was ook een belangrijke factor. Er werd aangeraden om op een harde matras te slapen, liefst in een koele kamer. Slapen diende te gebeuren met de armen boven de lakens. De duur van de nachtrust werd best bepaald door het volgende motto: doodmoe erin en er weer uit alvorens volledig uitgerust te zijn. Lekker blijven ‘snoozen’ was dus geen optie. Verder konden ook de activiteiten gedurende de dag, aldus deze moralisten en dokters, een nefaste invloed op de seksuele lusten uitoefenen. Zo werd er aangeraden om de opwindende ambiance van de cinema, de kermis en het theater te vermijden. In de plaats daarvan moesten kinderen bezig zijn met uitputtende activiteiten in de buitenlucht.  

Ook de internaten droegen hun steentje bij aan de bestrijding van masturbatie. Controle stond hierbij centraal. Idealiter sliepen de kinderen apart in hun eigen kamer. Zo niet werden kleinere slaapzalen aangeraden waarbij de toezichthouder in het midden sliep. Gedurende de hele nacht moest er een licht branden en uiteraard diende iedereen met de handen boven de lakens te slapen. Ook de indeling van de toiletten verdiende zekere aandacht. De deuren moesten laag genoeg zijn zodat ieders hoofd steeds zichtbaar bleef. Veel van deze leefregels bleven tot ver in de twintigste eeuw gelden in kostscholen en internaten.

De harde middelen

In uitzonderlijke gevallen meenden artsen dat een verandering in de levensstijl ontoereikend was om zelfbevrediging tegen te gaan. Daarom werd soms geadviseerd om grovere middelen te gebruiken.

Hulpmiddelen bij de behandeling van masturbatie (Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Er werden allerhande apparaten ontwikkeld om nachtelijke erecties tegen te gaan. Zo waren er de kuisheidsgordels en stekelige ringen die rond de penis werden geplaatst. Wanneer er dan een erectie plaatsvond, werd de penis gepijnigd door de stekels. In minder extreme gevallen werden de handen in speciale wanten opgeborgen of aan het bed vastgebonden.

Sommige artsen zoals de Amerikaanse psychiater René Spit pleitten voor een nog ingrijpendere chirurgische aanpak. De besnijdenis van de penis is daar een voorbeeld van. Bij meisjes gebruikten artsen hete metalen en zuren om de clitoris te verwijderen of aan te tasten.

Gelukkig klinken veel van de aangehaalde maatregelen ons tegenwoordig vreemd in de oren. Enkel de cornflakes van dokter Kellogg kennen tot op vandaag nog groot succes, al is de oorspronkelijke functie ervan weggevallen.

Meer lezen.

De Keyzer, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot: vier generaties vrouwen vertellen, Leuven, 2004.

De Borchgrave, C., God of genot, Vlaanderen 1918-1940: een Kerk in strijd met de moderne zinnelijkheid, Leuven, 1998.

Sofie Barmans is in het academiejaar 2019-2020 masterstudent cultuurgeschiedenis. In haar masterproef onderzoekt ze de beeldvorming over masturbatie in Vlaanderen in het interbellum.