Categoriearchief: Lichaam & wetenschap

Vaccinatie: goddelijk of kwaadaardig?

Gastblog door Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq.

De hele wereld hoopt dat onderzoekers zo snel mogelijk een vaccin vinden tegen COVID-19, om zo de huidige sanitaire, sociale en economische crisis in te dammen. Voor sommige gelovigen wordt deze hoop ingegeven door de verwachting dat God zal tussenkomen om het proces te versnellen. Andere gelovigen zijn de mening toegedaan dat alleen het “spirituele” vaccin van tel is, aangezien een medisch vaccin enkel het lichaam geneest. Nog anderen zijn van oordeel dat deze planetaire ziekte een teken is van goddelijke kastijding. Gelovigen hebben dus heel verschillende meningen over het recht op vaccinatie, en de legitimiteit ervan. Dat is niet nieuw. 

Pokkenepidemieën, variolatie en vaccinatie

Een vergelijking tussen de puisten bij pokken (rechts) en koepokken (links) (1896, Wellcome collection, CC BY 4.0).

Variolatie is het veroorzaken van een milde vorm van pokken bij een gezond individu om dit individu te beschermen tegen toekomstige aanvallen van de ziekte. In China vindt men hiervan sporen vanaf de zestiende eeuw. Deze gewoonte verspreidde zich vervolgens, bij het begin van de achttiende eeuw, via de zijderoute richting Frankrijk en Engeland. Hoewel het vrijwillig inenten van een gevaarlijke stof in een gezond lichaam op heel wat weerstand stuitte, waren geneesheren en leiders overtuigd  van de heilzame effecten.

Aan het eind van de achttiende eeuw stelde de Engelse chirurg Edward Jenner vast dat koeienmelksters tijdens epidemieën immuun leken tegen de pokken. Hij experimenteerde met het inenten van mensen met het vocht dat werd gewonnen uit de builen die verschenen op koeienuiers. Dit koepokvirus, verwant aan de pokken, had het voordeel veel minder gevaarlijk te zijn voor de mens, maar deze laatste toch te beschermen tegen de pokken.

De ontdekking van vaccinatie, het inenten met de mildere koepokkenvariant, veroorzaakte een gevoel van enthousiasme en opwinding in een periode waarin pokkenepidemieën de bevolking uitdunden en overlevenden gebukt gingen onder tal van misvormingen en levenslange handicaps.

God heeft de geneesmiddelen van de aarde gecreëerd 

Instruction sur la vaccine, B. P. Despeaux (Parijs, 1808).

Tot 1891, het jaar waarin de Russische arts Elie Metchinokoff het mechanisme van antilichamen ontdekte, bleef het een mysterie waarom vaccinatie leidde tot het voorkomen van ziektes. De meeste leden van de clerus beschouwden immuniteit als een zegen.

Omstreeks 1800 organiseerden Italiaanse priesters processies om mannen, vrouwen en kinderen naar publieke vaccinatiesessies in ziekenhuizen te leiden. Kerkelijke autoriteiten werkten aan pamfletten over bescherming tegen de pokken, en bisschoppen zetten priesters ertoe aan om hun volgelingen op de hoogte te brengen van de noodzaak om hun familie te laten vaccineren. In alle Europese Staten werden geestelijken uitgenodigd om deel te nemen aan de organisatie van de publieke gezondheidszorg; dit gold ook voor missionarissen in de kolonies, waar de inheemse bevolking werd gevaccineerd.

Nochtans bestond er bij bepaalde priesters en predikers een zeker ongemak. Moesten zij hun taken niet beperken tot de zielenzorg van gelovigen? Als reactie hierop herinnerden theologen eraan dat Jezus de zieken genas, en dat de Kerk zich ook steeds heeft ingezet voor de geneeskunde.

Kon men de plannen van de Goddelijke Voorzienigheid doorkruisen? Dat was wat anderen zich afvroegen. Bij theologen ontstond hierover een zekere mate van consensus: God houdt van de levenden en verbiedt hen niet zich te beschermen tegen ziektes. Werden de geneesmiddelen van de aarde immers niet door God voor de mens geschapen?

Een ander argument tegen vaccins werd gevormd door de bezorgdheid over het introduceren van delen van dierenlichamen in de menselijke soort. Deze angst dat de mens zou bedorven worden, noemde men “minotaurisering”. Maar, zo antwoordden een aantal theologen, de mens neemt al lang koeienmelk en -vlees tot zich. 

Tegenstanders van vaccinatie in de negentiende eeuw

Bestrijding der vaccine, Abraham Capadose, (Amsterdam, 1835).

Het is duidelijk dat het verzet tegen vaccinatie niet bij de clerus of bij theologen gezocht moet worden. Geneesheren, onder wie tal van katholieken, namen in de negentiende eeuw deel aan grootschalige vaccinatiecampagnes en kregen daarbij de steun van de clerus. Verder verdedigden velen onder hen verplichte vaccinatie, wat slechts langzaam op gang kwam in Frankrijk en België. Ze respecteerden tegelijkertijd ook het liberale argument van de autonomie van de huisvaders, dat dominant was in het liberale negentiende-eeuwse België. Volgens dit argument had de Staat het recht niet om verplicht een vervuilende materie in het lichaam van zijn burgers binnen te brengen.

Dit laatste principe lag aan de basis van de argumentatie van de anti-vaccinatieverenigingen die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw actief waren. De gelijkstelling van het vaccin met een vervuilende materie was trouwens niet ongefundeerd. Aangezien inentingen van arm tot arm werden uitgevoerd, hebben ze soms (door de toevallige overdracht van geïnfecteerd bloed van de ene gevaccineerde naar de andere) geleid tot de overdracht van ziektes zoals syfilis. Sommige moralisten en geneeskundigen gingen zelfs een stap verder en trachtten te bewijzen dat de invoering van het vaccin de menselijke soort aantastte en verzwakte.

Fundamentalistisch verzet, politiek verzet

Poster voor vaccination tegen pokken (Engeland, 1923, Wellcome Collection, CC BY 4.0).

Religieus gemotiveerd verzet tegen vaccinatie was meer het werk van individuen dan van bewegingen. Aan het begin van de negentiende eeuw was de Nederlandse calvinistische arts Abraham Capadose bijvoorbeeld de enige die zei dat de mens niet het recht heeft voor God te spelen door het lichaam van gezonde individuen te veranderen. Tijdens de Franse periode in België (1795-1814) zwengelde een aantal priesters op het Vlaamse platteland de vijandigheid van de bevolking tegenover vaccinatie aan, maar hun acties maakten tegelijkertijd deel uit van een breder politiek verzet. Ze waren gekant tegen het republikeinse antiklerikale regime dat vaccinatie wilde opleggen aan de bevolking. Ook in de kolonies kwam het verzet tegen vaccinatiecampagnes niet alleen voort uit lokale geloofstradities, maar wijst het ook op een verwerping van de koloniale macht door de gekoloniseerde bevolking.

Vandaag is de opkomst van de ‘vaccinofobie’ uitermate uitgesproken in protestantse landen zoals de Verenigde Staten. Het antivaccinatie-argument van de individuele vrijheid wordt er verbonden met het Amerikaanse grondrecht van “religious freedom”. De geschiedenis bewijst het: vaccinatie en religieuze bekommernissen hebben elkaars pad op verschillende manieren gekruist.

Meer weten?

Yves-Marie Bercé, « Le clergé et la diffusion de la vaccination », Revue d’histoire de l’Église de France, 69, 182, 1983, 87-106.

Françoise Salvadori et Laurent-Henri Vignaud, Antivax : Histoire de la résistance aux vaccins du XVIIIe siècle à nos jours (Parijs, Vendémiaire, 2019)

Cécile Vanderpelen-Diagre en Valérie Leclercq zijn gastbloggers. Cécile Vanderpelen-Diagre is professor in de hedendaagse geschiedenis aan de Université libre de Bruxelles. Valérie Leclercq is postdoctoraal onderzoekster aan de Université libre de Bruxelles. Ze onderzoekt de ideologische conflicten in de vaccinatiegeschiedenis en in de psychiatrie.

Titelafbeelding: Edward Jenner vaccinating patients in the Smallpox and Inoculation Hospital at St. Pancras: the patients develop features of cows. Watercolour after J. Gillray, 1802. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

Waarom Joachim Coens het moeilijk heeft met de versoepeling van de abortuswet

Vandaag dreigde CD&V-voorzitter Joachim Coens ermee zijn opdracht stop te zetten om een nieuwe federale regering te vormen als de Kamer zich zou uitspreken over de versoepeling van de abortuswetgeving. Het wetsvoorstel, dat al enkele maanden op weerstand stuit van de Belgische partijen CD&V, cdH, N-VA en Vlaams Belang, wil de termijn voor abortus optrekken van twaalf naar achttien weken.

Opvallend is dat ook de uitvoerders van abortus verdeeld zijn over de optrekking van de termijn. Afgelopen november spraken meer dan 750 artsen, vroedvrouwen en andere zorgverleners zich in een open brief aan de Kamerleden uit tegen de verruiming van de wet. De ondertekenaars deelden verschillende geloofsovertuigingen, maar de brief werd bijzonder goed ontvangen en verspreid via katholieke media. Op hun beurt betuigden ruim 1500 hulpverleners hun steun voor het wetsvoorstel. Deze laatste open brief was een initiatief van vrijzinnige humanistische organisaties en verenigingen van abortuscentra.

Het gebrek aan eensgezindheid bij artsen en gezondheidswerkers is zeker niet nieuw. Al in de negentiende eeuw, toen het eerste grote abortusdebat werd gevoerd, waren artsen rond levensbeschouwelijke breuklijnen verdeeld.

Twee debatten

Het Paleis der Academiën in Brussel waar de leden van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde debatteerden over medische abortus in 1852.

In de negentiende eeuw bestrafte het strafwetboek dokters die bij abortus betrokken waren, maar sprak zich niet uit over zwangerschapsonderbreking om medische redenen. Artsen konden met andere woorden zelf bepalen of medische abortus in levensbedreigende omstandigheden volgens hen geoorloofd was. Het eerste abortusdebat dat omstreeks 1850 in medische verenigingen werd gevoerd, boog zich over deze kwestie en werd vanaf het begin getekend door levensbeschouwelijke spanningen. De meeste liberale artsen spraken zich pro medische abortus uit, terwijl een aantal katholieke artsen zich daar uitdrukkelijk tegen verzette.

Vandaag is de vraag of (medische) abortus legaal is, al lang niet meer aan de orde. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw, toen voor- en tegenstanders van de decriminalisering ervan diep verdeeld raakten langs levensbeschouwelijke breuklijnen, werd abortus het voorwerp van een breder politiek en maatschappelijk debat. Vanaf de gedeeltelijke depenalisering van abortus in 1990 zijn we zelfs getuige van een verschuiving van de abortuskwestie. De klemtoon is komen te liggen op de ethische grenzen van abortus: de wettelijke abortustermijn en de bijhorende medische implicaties.

Meer dan een medische ingreep

Zes diagrammen van abortussen in verschillende stadia. Gravure door Campbell (Wellcome collectie, CC BY 4.0).

Abortus is geen medische handeling als een andere, omdat er een bijkomende belanghebbende partij – de foetus – bij betrokken is. De ethische afwegingen die uit deze situatie voortvloeien, het respect voor het ongeboren leven en het begrip voor de complexe situatie van vrouwen die ongewenst zwanger zijn, werden verwoord in de open brief tegen de verruiming van de abortustermijn. Ook artsen die hun steun voor de versoepeling van de wetgeving in de tweede open brief duidelijk maakten, beschouwen een zwangerschapsafbreking allesbehalve als een onbeduidende ingreep.

In de negentiende eeuw waren de tegengestelde belangen van vrouw en foetus nog meer uitgesproken. Zonder preventieve medische abortus liepen vrouwen met een smal bekken het gevaar om te sterven tijdens de bevalling. Het enige alternatief voor zo’n dodelijke ingreep op foetussen, de keizersnede, bracht doorgaans levende kinderen ter wereld, maar bood amper overlevingskansen aan vrouwen. Kortom, dokters die voor dit verloskundig dilemma stonden, moesten een keuze maken tussen het leven van de vrouw (medische abortus) en dat van de foetus (keizersnede).

Leve de foetus

De anatomie van de baarmoeder tijdens de zwangerschap (Wellcome collectie, CC BY 4.0).

Als er twee tegengestelde belangen in het spel zijn, dan rijst de vraag natuurlijk hoe dokters hun keuze hebben verantwoord en in hoeverre de stem van de vrouw bij deze afweging doorwoog. In grote lijnen waren er in de negentiende eeuw twee posities. Katholieke artsen die de katholieke doctrine als uitgangspunt namen, voerden een pleidooi tegen medische abortus. Zij verwezen naar het katholieke gebod “gij zult niet doden” dat in hun ogen de fundamentele basis van de christelijke moraal vormde. Volgens deze artsen had ieder wezen, hoe klein of zwak ook, recht op leven. In de praktijk slaagden zij er echter moeilijk in om toestemming te verkrijgen van vrouwen (en hun families) om de keizersnede uit te voeren.

Liberale artsen rechtvaardigden medische abortus door te wijzen op de minderwaardigheid van ongeboren leven. Foetussen, vegetatieve wezens en parasieten die ten koste van de moeder leven, moeten volgens hen nog bewijzen dat ze buiten de baarmoeder kunnen leven, laat staan dat ze een maatschappelijke bijdrage kunnen leveren. Liberale artsen waren bij een keuze tussen twee levens geneigd om te kiezen voor wat zij als het minste kwaad beschouwden: de dood van de foetus. Naar eigen zeggen hadden zij, in tegenstelling tot hun katholieke collega’s, weinig moeite om vrouwen en hun naasten te overtuigen om een medische abortus te ondergaan.

Ook in het actuele abortusdebat is het statuut van de ongeboren foetus een belangrijk discussiepunt in de bijdragen van dokters. Tegenstanders van de verruiming haalden onder meer aan dat foetussen van 18 weken zich gevaarlijk dichtbij de grens van levensvatbaarheid bevinden. Voorstanders stelden daar tegenover dat het stadium van levensvatbaarheid – vanaf ongeveer 22 weken – bij een late abortus nog voldoende ver verwijderd is en dat foetussen van 18 weken nog steeds heel klein zijn.

Leve de vrouw

Affiche voor de legalisering van abortus (1979, AVG-Carhif: Archief en onderzoekscentrum voor vrouwengeschiedenis).

Bij een vergelijking tussen beide debatten is vooral de aandachtsverschuiving naar het perspectief van de vrouw opvallend. In de negentiende eeuw was het voor alle artsen evident dat het leven van vrouwen in het teken stond van hun kroost. Katholieke artsen gingen in deze redenering het verst. Volgens hen moesten vrouwen ook hun ongeboren kinderen op de eerste plaats zetten. Liberale artsen verwachtten, daarentegen, geen onvoorwaardelijke liefde van een vrouw ten aanzien van een foetus in levensbedreigende situaties. Maar in normale omstandigheden vonden ook zij dat vrouwen bovenal moeder moesten zijn.

Sinds de tweede feministische golf in de jaren 60, 70 en 80 is het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen centraal komen te staan in maatschappelijke debatten over abortus. In de actuele discussie over de optrekking van de abortustermijn ging veel aandacht naar de psychosociale gevolgen van abortus en ongewenste kinderen voor de vrouw. Tegenstanders van de verruiming van de abortuswet benadrukken onder meer de psychologische impact van abortus voor vrouwen. Voorstanders gaan uit van de keuzevrijheid van vrouwen en hun individuele, soms moeilijke situaties die verklaren waarom zij soms later dan de wettelijk toegelaten termijn van 12 weken beslissen om hun zwangerschap af te breken.

Er zijn duidelijk veel verschillen tussen het negentiende-eeuwse debat over zwangerschapsonderbreking om medische redenen en het actuele abortusdebat. Discussies over abortus, die in de negentiende eeuw enkel in medische kringen werden gevoerd, belangen nu de hele samenleving aan. Ook de wetgeving, de focus en argumenten zijn veranderd. Toch is de levensbeschouwelijke breuklijn, die de deelnemers nog steeds in twee kampen verdeelt, overeind gebleven.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van verloskundigen en gynaecologen in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Tab. XXVIII, Geburtshulflicher Atlas, 1844. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

De pandemie-vrije stad, en hoe er te geraken

Het bewogen voorjaar van 2020 zette tal van zekerheden op de helling. In de weken waarin museumbezoeken, terrasjes of (kleinschalige) voorstellingen uit den boze waren, kwam een oud spanningsveld opvallend op de voorgrond: de tegenstelling tussen stad en platteland. Het optimisme over leven in de agglomeratie – een lager energieverbruik, minder nood aan een wagen, een groter sociaal netwerk – werd nu overstemd door een lofzang op het buitenleven. Appartementen zonder noemenswaardig balkon, gesloten buurtspeeltuintjes en overvolle parken voedden de hunker naar vrijstaande woningen met een weidse tuin, omringd door akkers en bossen. In volle lockdown rekende een gevoel van beklemming af met de aloude idee dat stadslucht vrij maakt. Millennials die voordien hun zinnen op strak ingerichte studio’s en de nieuwste smartphones zetten, postten op sociale media opeens foto’s van moestuinen, een kippenren of zelfgebakken brood – zonder ironie en al dan niet gevolgd door #cottagecore. Rekende het coronavirus af met onze stadsgerichte samenleving?

De centrale Brusselse laan, naar haar grote bezieler burgemeester Jules Anspach vernoemd (E. Bruylant (ed.), La Belgique illustrée (Brussel, z.j.) vol. 1, 136).

Niet iedereen gaf de grootstad zomaar op. Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck ergerde zich in De Standaard (9 mei) aan het beeld alsof een stad per definitie kille woontorens inhoudt en pleitte voor een ándere invulling: ‘De enige goede stedenbouw is kindvriendelijk, betaalbaar én lockdownbestendig.’ Een opvallende plaats in het debat was weggelegd voor mobiliteit. Het haast stilgevallen verkeer bracht sommigen immers aan het dromen. Waarom palmt gemotoriseerd verkeer zo’n groot deel van de openbare ruimte in? Wat als koning auto zijn plaats blijvend aan voetgangers en fietsers zou afstaan? Terwijl het Brugse stadsbestuur een herstelplan uitwerkte waarin het gratis parkeren werd uitgebreid om de lokale handelaars te ondersteunen, legde men elders heel andere accenten. Milaan kondigde onder de naam Strade Aperte een plan aan om tientallen kilometers nieuwe fiets- en voetpaden aan te leggen en in Berlijn startte een proefproject waarin rijvakken tot fietspaden werden omgevormd. Tijdelijke maatregelen of een opstap naar een nieuwe manier van denken?

Weelderige straten

Als het over urbanisme gaat, zijn er precedenten voor een ‘nieuw normaal’ dat op een pandemie teruggaat. Het meest voelbaar, tot vandaag, is de impact van cholera-uitbraken in de negentiende eeuw. De bacterie richtte in opeenvolgende golven wereldwijd een ravage aan, ook in België. De epidemie van 1849 maakte enkel in ons land al ruim 23000 doden, in 1866 was de balans haast dubbel zo dramatisch. Vooral steden kregen het zwaar te verduren: in de provincie Luik bijvoorbeeld lag de sterftegraad tot in de late jaren 1800 in de agglomeraties significant hoger dan op het platteland, iets dat men behalve aan ziekten ook aan vervuiling toeschreef.

In de opvallende reportage (1864-1865) van fotografiepionier Nadar waren de Parijse riolen een verheven symbool van vooruitgang (Parijs, Caisse Nationale des Monuments Historiques et des Sites).

Aanhangers van de aloude miasmatheorie, die stelde dat ‘vervuilde’ lucht verantwoordelijk was voor de verspreiding van ziekten, benadrukten het belang van goede ventilatie en de vrije circulatie van zuivere lucht. Lange, brede en vooral kaarsrechte straten moesten plattelandslucht tot diep in de stad brengen. Wijken met smalle, bochtige steegjes stonden haaks op dat model en werden daarom door de zogenaamde hygiënisten als onverantwoord afgeschreven. Inspiratie vonden ze in Parijs: prefect Georges-Eugène Haussmann begon bij zijn aantreden in 1853 aan een doorgedreven rationalisering om de leefbaarheid van de stad te verhogen. Liefst vijfennegentig kilometer nieuwe straten, de zo kenmerkende boulevards, waren een radicale afrekening met de ‘horribles cloaques’ of weerzinwekkende open riolen waarover hij in zijn memoires repte.

Al in de jaren 1860 werd het eens geminachte Parijs als een van de mooiste steden ter wereld geprezen. Onder druk van de hygiënisten, de experts inzake openbare gezondheid, werd ook in België wetgeving gestemd die het lokale overheden mogelijk maakte om percelen te onteigenen. Dat volksgezondheid een belangrijke motivatie vormde, blijkt uit een verdere versoepeling in 1867, kort na een choleragolf (of ‘blauwe pest’) die alleen in Gent al meer dan 2700 levens kostte. Daar was het wachten tot 1880 vooraleer met het Zollikofer-De Vigneplan de aanblik van de stad grondig veranderde, maar in Brussel ging de spade haast meteen in de grond: in 1871 opende burgemeester Jules Anspach een nieuwe laan, recht door de binnenstad. De Zenne, gezien als een bron van giftige dampen, liep voortaan ondergronds. Echt feestelijk was de gebeurtenis nochtans niet: door corruptie en wanbeheer was een immens gat in de Brusselse begroting geslagen. Helemaal tragisch was dat de interieurs achter de prestigieuze gevels die langs de laan verrezen berucht werden als weinig comfortabel of zelfs ronduit ongezond. Zo ver reikte zijn bevoegdheid niet, moest Anspach in de gemeenteraad toegeven.

Moderne dromen

Paviljoen van een waterreservoir in de Verlaatstraat, klassiek vormgegeven door architect Joseph Poelaert (Brussel, 1857, © GOB-DML, http://www.irismonument.be).

De boulevards gaven de steden een nieuwe aanblik en maakten hen tot een geliefkoosd oord, zowel voor toenmalige flaneurs als voor hedendaagse city trippers. De saneringen hadden echter ook andere dimensies. Zo speelde technologie een niet minder grote rol. Ingenieurs werkten oplossingen uit voor watervoorziening én -afvoer: hun leidingen en rioleringen waren een even belangrijk instrument als de medicijnen en vaccins van artsen. Nutsvoorzieningen waren voorwerp van trots en bewondering en kregen daarom vaak een opvallende inkleding. Watertorens, pompstations, reservoirs… droegen bij tot het beeld van de moderne stad als een samenhangend, functioneel geheel waartegen de oudere, chaotische stad schril afstak. Ook de houding tegenover water zélf veranderde. In de publieke ruimte gold de aanwezigheid hoe langer hoe meer als ongewenst en ‘vuil’, want moeilijk te controleren. Het ‘nieuwe’ water zoals dat sinds halverwege de negentiende eeuw almaar vaker in (burgerlijke) woningen verscheen, met hun keukens en badkamers, was daarentegen een zuiverend element. Veelzeggend is hoe zwemmen in ongereguleerde rivieren en plassen aan sociale status moest inboeten en deze activiteit zich zoveel mogelijk naar nauwlettend gecontroleerde badhuizen verplaatste.

Anderhalve eeuw geleden vormde cholera de aanleiding tot grondige aanpassingen van het stedelijk weefsel, zichtbaar en onzichtbaar, boven- en ondergrond, in praktijken en in denkpatronen. Deze transformaties zijn nu een evidentie, die we niet langer met een pandemie in verband brengen. Of COVID-19 een even grote stempel op stedenbouw zal nalaten, valt af te wachten. Het potentieel is er alleszins.

Meer lezen.

Matthew Gandy, The fabric of space: water, modernity, and the urban imagination (Cambridge MA: MIT Press, 2014).

Maria Kaika, City of flows. Modernity, nature, and the city (New York – Londen: Routledge, 2005).

Ed Taverne en Irmin Visser (eds), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden (Nijmegen: SUN, 1993).

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Titelafbeelding: Project van Léon Suys voor een boulevard dwars door Brussel (Bruxelles, Senne et boulevards. Solution du problème hygiénique et monumental (Brussel, 1865)).

De heilige delen van het mierenetende stekelvarken

“Sommige dingen waren verboden voor jonge mannen, vrouwen en kinderen, vooral wat voedsel betreft. Het strengst verboden van allemaal was het eten van enig deel van de Echidna Hystrix, het mierenetende stekelvarken, in het dialect van de Wyn-yook-stam ‘Gowaru’ genoemd.”

Drie perspectieven op een mierenegel (brief van George Gordon McCrae aan Lucy Lloyd).

Zo beschreef de Australische dichter George Gordon McCrae in een brief uit 1876 de taboes van de Aboriginal-clan van Port Phillip Bay (bij Melbourne) waar hij jaren naast had geleefd. In het bijzonder, lichtte hij toe, aten de stamoudstende in de as gesmoorde vetlaag waarin de stekels vastzaten, het ‘heilige deel’; voor de rest van het beest toonden ze geen culinaire interesse. Ter verduidelijking voegde hij een diagram toe: heilige delen | feitelijke dier.

De brief maakt deel uit van de collectie van de 19e-eeuwse taalkundige Wilhelm Bleek, een van de eerste grootschalige onderzoekers van Afrikaanse talen. Bleek was in 1855 in Kaapstad neergestreken om de reusachtige verzameling taalmateriaal van de gouverneur te catalogiseren en uit te breiden; ‘taalmateriaal’ is een verzamelbegrip voor alles waarmee je een taal kunt vastleggen, zoals woordenlijsten, grammatica’s, (Bijbel)vertalingen en registraties van mondelinge overlevering. Op basis daarvan trok Bleek grammaticale, maar ook etnologische vergelijkingen tussen verschillende talen en volkeren van Afrika en daarbuiten. Bleek’s uitgangspunten en conclusies waren vrij extreem, maar opmerkelijk genoeg stond dat zijn inlevingsvermogen niet in de weg.

Oorspronkelijke bewoners vergelijken

Twee stekelvarkens (door Han≠kass’o, een van Lucy Lloyd’s informanten, 1878).

McCrae had in 1875 contact gezocht met Wilhelm Bleek, maar die was aan tbc overleden terwijl de eerste brief onderweg was. Zijn schoonzus Lucy Lloyd zette de correspondentie voort. In zijn laatste jaren had Bleek, geholpen door Lloyd, zich toegelegd op het vastleggen van de taal en verhalen van de |Xam, een San-volk van jagers-verzamelaars dat oorspronkelijk rond de Westkaap woonde en in hoog tempo door witte Afrikaners die landinwaarts trokken werd verdreven en gelyncht. Voor zijn onderzoek had Bleek veroordeelde |Xam uit de gevangenis van Kaapstad in huis genomen, en Lloyd ging daar na zijn dood mee door.

Zoals uit de correspondentie tussen McCrae en Lloyd blijkt, was ze net als Bleek geïnteresseerd in vergelijkingen tussen de oorspronkelijke bewoners van Australië en van Zuid-Afrika: zo stuurde ze McCrae een |Xam-fabel over een man die in een stekelvarken veranderde en met de regen sprak, maar iets verkeerds zei waarop de regen in hagel veranderde. Eigenlijk zegt deze fabel ook veel over het klimaat in de Westkaap, waar regen van levensbelang is maar hagel een frequente doodsoorzaak was.

Wilhelm Bleek was zo geïnteresseerd in de |Xam omdat hij dacht dat hun taal het dichtst bij de menselijke oertaal stond. Toevallig was zijn neef de toonaangevende bioloog Ernst Haeckel, die schreef dat “deze nederige mensenrassen… voor de onbevooroordeelde natuuronderzoeker meer verwantschap met gorilla’s en chimpansees dan met Kant en Goethe lijken te hebben”. Of Bleek dat laatste ook vond is onduidelijk, maar hij vroeg wel in een brief aan neef Ernst “of gorilla’s ook klikgeluiden maken”, zoals die voorkwamen in het |Xam en andere Khoisantalen. Tegelijk vond hij het redden van hun taal voor de wetenschap belangrijker dan zijn theorieën en taalvergelijkingen, en gaf hij zijn half-vrijwillige gasten tenminste deels hun menselijke waardigheid terug – je kunt moeilijk iemands taal leren zonder de ander als mens te behandelen. Wellicht was Lloyd er beter in dan Bleek; ze had in elk geval meer tijd.

Australische connectie

Australisch sjamanisme (bijvoegsel bij een brief van McCrae aan Lloyd).

Australische talen waren geen onbekend terrein voor Bleek: ze maakten deel uit van de taalverzameling van zijn opdrachtgever, gouverneur George Grey. Zoals wel meer koloniale bestuurders combineerde Grey de ‘beschavingsmissie’ met zijn eigen wetenschappelijke hobby’s. Als jonge officier had hij in 1837-39 twee mislukte expedities langs de Australische westkust geleid en enkele maanden tussen een Aboriginal-clan in de omgeving van Perth doorgebracht. Zijn beschrijving van Aboriginalcultuur is de uitvoerigste en meest gedetailleerde van zijn tijd, maar veel waardering voor hun cultuur had Grey niet: in het bijzonder gruwde hij van de manier waarop vrouwen mishandeld werden, en van de gewoonte om voor elk sterfgeval een schuldige aan te wijzen. In een rapport bepleitte hij dat ze zo snel mogelijk tot burgers van het Britse Empire moesten worden gemaakt. Wel merkte hij op dat hun dieet op buitenstaanders misschien armoedig en merkwaardig overkwam, maar in feite zowel smaakvol als voedzaam was.

Een vergelijkbare combinatie van interesse en afschuw is 35 jaar later ook in de notities van McCrae te bespeuren. Zo omschreef hij zijn voormalige buren als vriendelijk en zachtaardig, maar noteerde ook dat iemand bij uitzondering (‘uit liefde!’) zijn vrouw niet gewelddadig ontvoerd had. Hun riten omschreef hij als ‘bijgeloof’, maar in elk geval deden ze niet, zoals andere Aboriginals, aan rituele extractie van de voortanden.

Koloniale paradoxen?

Voorplaat van George Grey, Polynesian Mythology (1855), met Maori-houtsnijwerk op de voorgrond en een vulkaan op de achtergrond.

Het confronterende hieraan is niet dat 19e-eeuwse taalkunde en volkenkunde vol zit met racisme en kolonialisme. Dat wisten we toch al. Het confronterende is juist het omgekeerde: dat mensen als Bleek en Grey nochtans uitzonderlijk goed in staat waren zich totaal vreemde talen eigen te maken en in andere manieren van leven te verplaatsen. Het hinderde Grey niet om als gouverneur van Nieuw-Zeeland (1845-53 en 1861-68) een agressieve politiek van landaankoop te voeren en Maori-opstanden met geweld neer te slaan. Maar wie Maori-erfgoed wil bestuderen, kan niet om zijn verzameling heen.

De notitieboeken van Bleek en Lloyd gelden tegenwoordig als UNESCO-wereldgeheugen, en na het einde van de Apartheid is er een bescheiden cultuurindustrie omheen ontstaan. Het |Xam is als taal uitgestorven, net als de helft van de naar schatting 250 Aboriginaltalen. Het Maori is daarentegen in Nieuw-Zeeland alomtegenwoordigin tweetalige opschriften al spreekt bijna niemand het nog echt. En de brieven van McCrae? Daar heeft een taalkundige in Melbourne zich over ontfermd die contact heeft met Aboriginal-organisaties en zich bezighoudt met taalrevitaliseringsprojecten. Het ‘mierenetende stekelvarken’, eigenlijk mierenegel, wordt ondertussen nog steeds gegeten.

Floris Solleveld is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt hoe ten tijde van de Europese koloniale expansie de talen van de wereld in kaart werden gebracht.

Eerste hulp bij masturbatie

Het tweede seizoen van de populaire Netflix-serie Sex Education begint met enkele masturbatiescenes. Zelfbevrediging komt in beeld als een natuurlijke reeks handelingen die belangrijk zijn voor een gezonde geest en een gezond lichaam. Dat is ook het huidige standpunt van dokters, psychologen en seksuologen. Masturberen zou een vitaal onderdeel zijn van de eigenliefde. Daarnaast zou het goed zijn voor het humeur en de bloedsomloop.  

Visies op zelfbevrediging waren niet altijd zo positief. Tot ver in de twintigste eeuw geloofden dokters, moralisten en opvoeders dat masturbatie niet enkel een zonde was, maar ook vele kwaaltjes en ziekten veroorzaakte. Daarom ging men de strijd aan met wat toen ook wel zelfbevlekking werd genoemd. Artsen en opvoeders zetten een anti-masturbatiecampagne op gang waarbij werd gezocht naar methoden en regels om de jeugd te beschermen.

De gevolgen van ‘zelfbevlekking’

Gevecht van een masturberende man tegen de dood (Wellcome Collection. CC BY 4.0).

De gevolgen van masturbatie werden door dokters omschreven als niet te overzien. In de eerste plaats beschouwden ze masturbatie als een zonde die schade toebracht aan het zedelijke leven van de jeugd. Bij jongens zou het zorgen voor een aantasting van de ‘christelijke mannelijkheid’ waar elke jongeman naar diende te streven. Daarnaast lag er ook een sterke nadruk op de lichamelijke gevolgen, waaronder een algehele verregaande verzwakking van het lichaam, en psychische gevolgen zoals luiheid en onverschilligheid. Deze effecten waren overigens niet enkel waarneembaar bij diegene die masturbeerde, maar zouden ook terug te vinden zijn bij diens verzwakte nageslacht.

Voorkomen is beter dan genezen

Er was geen geneesmiddel voorhanden om masturbatie te ‘genezen’. Daarom werd er vooral ingezet op preventieve maatregelen. Ten eerste vonden artsen het belangrijk om een gezonde levensstijl met zo weinig mogelijk stimulerende prikkels te promoten. Hierbij was zowel voldoende lichaamsbeweging als een dieet belangrijk. Voeding moest liefst zo flets mogelijk en licht verteerbaar zijn. De Amerikaanse dokter John Harvey Kellogg was een prominent figuur in de campagne tegen zelfbevlekking. Vooral alcohol, vlees en te veel kruiden zouden volgens hem seksuele gevoelens kunnen oproepen. Hij vond de intussen wereldberoemde cornflakes uit die omwille van hun fletse smaak een goed strijdmiddel vormden.

Kellogg’s Cornflakes.

Het slaapritueel met het bed als de gevarenzone bij uitstek was ook een belangrijke factor. Er werd aangeraden om op een harde matras te slapen, liefst in een koele kamer. Slapen diende te gebeuren met de armen boven de lakens. De duur van de nachtrust werd best bepaald door het volgende motto: doodmoe erin en er weer uit alvorens volledig uitgerust te zijn. Lekker blijven ‘snoozen’ was dus geen optie. Verder konden ook de activiteiten gedurende de dag, aldus deze moralisten en dokters, een nefaste invloed op de seksuele lusten uitoefenen. Zo werd er aangeraden om de opwindende ambiance van de cinema, de kermis en het theater te vermijden. In de plaats daarvan moesten kinderen bezig zijn met uitputtende activiteiten in de buitenlucht.  

Ook de internaten droegen hun steentje bij aan de bestrijding van masturbatie. Controle stond hierbij centraal. Idealiter sliepen de kinderen apart in hun eigen kamer. Zo niet werden kleinere slaapzalen aangeraden waarbij de toezichthouder in het midden sliep. Gedurende de hele nacht moest er een licht branden en uiteraard diende iedereen met de handen boven de lakens te slapen. Ook de indeling van de toiletten verdiende zekere aandacht. De deuren moesten laag genoeg zijn zodat ieders hoofd steeds zichtbaar bleef. Veel van deze leefregels bleven tot ver in de twintigste eeuw gelden in kostscholen en internaten.

De harde middelen

In uitzonderlijke gevallen meenden artsen dat een verandering in de levensstijl ontoereikend was om zelfbevrediging tegen te gaan. Daarom werd soms geadviseerd om grovere middelen te gebruiken.

Hulpmiddelen bij de behandeling van masturbatie (Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Er werden allerhande apparaten ontwikkeld om nachtelijke erecties tegen te gaan. Zo waren er de kuisheidsgordels en stekelige ringen die rond de penis werden geplaatst. Wanneer er dan een erectie plaatsvond, werd de penis gepijnigd door de stekels. In minder extreme gevallen werden de handen in speciale wanten opgeborgen of aan het bed vastgebonden.

Sommige artsen zoals de Amerikaanse psychiater René Spit pleitten voor een nog ingrijpendere chirurgische aanpak. De besnijdenis van de penis is daar een voorbeeld van. Bij meisjes gebruikten artsen hete metalen en zuren om de clitoris te verwijderen of aan te tasten.

Gelukkig klinken veel van de aangehaalde maatregelen ons tegenwoordig vreemd in de oren. Enkel de cornflakes van dokter Kellogg kennen tot op vandaag nog groot succes, al is de oorspronkelijke functie ervan weggevallen.

Meer lezen.

De Keyzer, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot: vier generaties vrouwen vertellen, Leuven, 2004.

De Borchgrave, C., God of genot, Vlaanderen 1918-1940: een Kerk in strijd met de moderne zinnelijkheid, Leuven, 1998.

Sofie Barmans is in het academiejaar 2019-2020 masterstudent cultuurgeschiedenis. In haar masterproef onderzoekt ze de beeldvorming over masturbatie in Vlaanderen in het interbellum.

Geen applaus voor de verpleegsters van gisteren

De huidige coronacrisis vestigt volop de aandacht op het levensbelangrijke werk van verplegend personeel. Dagelijks applaus en witte lakens steken hen een hart onder de riem. Toch worden deze hedendaagse helden al jaren onderbetaald en kregen ze niet altijd maatschappelijke waardering voor hun werk. Het weinig aantrekkelijke statuut van verpleegkundigen is geen nieuw gegeven, maar een constante in de geschiedenis van de verpleegkunde in ons land. Al vanaf de twaalfde eeuw, toen religieuze gemeenschappen de verzorging van zieken en behoeftigen in gasthuizen op zich namen, hing er een stigma rond zorgverlening. Dit werd vooral veroorzaakt door de ondermaatse hygiënische omstandigheden en gebrekkige medische behandelingen, maar ook door het gebrek aan opleiding van de zorgverstrekkers.

‘De arm zal minder sterk zijn, maar het hoofd intelligenter’

In 1902 ging in Antwerpen de eerste verpleegstersschool van start (School voor Ziekenverpleging 1902-1927, Antwerpen, 1927).

Pas in het begin van de twintigste eeuw kwam hierin verandering, door de oprichting van de eerste verpleegstersscholen in Antwerpen en Brussel. In de perceptie van het grootste deel van de bevolking was die nieuwe opleiding echter vooral bedoeld voor dienstmeiden, die soms amper konden lezen en schrijven, en nauwelijks of geen Frans kenden. Het feit dat in de school van de Raad van Godshuizen in Brussel een getuigschrift van de lagere school volstond om de opleiding te volgen, bevestigde dat vooroordeel. In een rapport uit 1904 over de inhoud van de theoretische opleiding in Brussel werd zelfs voorgesteld om noties over anatomie, fysiologie, hygiëne en de observatie van zieken te laten vallen tot leerlingen een elementaire theoretische opleiding hadden doorlopen. ‘De arm zal minder sterk zijn, maar het hoofd intelligenter, aldus de laconieke reactie van geneesheren op het rapport. Ook de lage verloning was een hinderpaal om potentiële kandidaten voor de opleiding over de streep te trekken.

Geen ‘halve artsen

Dokter Van Swieten verwoordde het wantrouwen van de medische wereld tegenover verpleegsters (Haute Ecole Galilée-ISSIG, Brussel).

Pas na de Eerste Wereldoorlog kreeg het verpleegstersberoep een positieve connotatie. Het beeld van de witte engel, die met kennis van zaken dag en nacht klaarstond voor de soldaten, had zijn intrede gedaan. Het positieve oorlogsimago oefende echter geen grote aantrekkingskracht uit op jonge meisjes om een opleiding als verpleegster te starten: de verpleegstersopleidingen hadden het moeilijk om leerlingen te rekruteren. Spoedig kwam ook de al voor de oorlog geuite vrees van geneesheren naar boven: verpleegsters mochten geen ‘halve artsen’ worden, maar moesten zich schikken naar de bevelen van dokters. Op de eerste algemene vergadering van de professionele organisatie voor verpleegsters in 1924 waarschuwde dokter Raymond Van Swieten, directeur van de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus in Brussel, de driehonderd aanwezige verpleegsters ervoor dat de medische wereld wantrouwig stond tegenover de ontwikkelingen in het verpleegstersberoep. Hij benadrukte dat verpleegsters nauwgezet de doktersvoorschriften moesten uitvoeren, hun raadgevingen volgen en de doeltreffendheid van hun behandeling verzekeren. Verpleegsters mochten zich volgens Van Swieten nooit in de plaats van dokters stellen en moesten zich beperken tot een dienende rol.

Naastenliefde

Vierde uitgave van het Plichtenboekje voor verpleging (Centrum voor Bio-Medische Ethiek, Leuven).

Deze dienende rol rechtvaardigde ook de beperkte verloning van verpleegkundigen. In het veelgelezen Plichtenboekje voor ziekenverpleging, dat in 1926 in Leuven werd uitgegeven en nadien meermaals herdrukt, merkte hoogleraar zedenleer en jezuïet Jozef Salsmans op dat de vergoeding van de verpleegster een bijkomstigheid was in vergelijking met haar eerste en voornaamste beweegreden: offervaardige naastenliefde. Daarom moest haar vergoeding niet gezien worden als een loon, maar als een honorarium. ‘In den grond haars harten zal ze God zeer dankbaar zijn, omdat Hij haar een bezigheid aan de hand doet, die op de eerste plaats de uitoefening van uitstekende deugden is en daarbij haar het noodige tot levensonderhoud verschaft’, verduidelijkte de auteur. Van enige waardering voor het werk van de verpleegster was in het boekje geen sprake.

Meer dan dertig jaar Witte Woede

Ook al steeg haar maatschappelijk aanzien tijdens de Tweede Wereldoorlog, toch vertaalde zich dat niet in een groeiende professionele erkenning. Naoorlogse handboeken bleven benadrukken dat een verpleegster nooit onafhankelijk is, maar altijd ondergeschikt aan de geneesheer. Ze moest zich oefenen in volgzaamheid en gehoorzaamheid, niet alleen tegenover dokters maar ook in de contacten met haar oversten. Het duurde nog tot diep in de jaren zestig vooraleer verpleegkundigen ijverden voor een beter statuut. Na jarenlange inspanningen volgde in 1974 de aanpassing van het Koninklijk Besluit nr. 78 over de uitoefening van de geneeskunde. Daardoor werd de uitoefening van de verpleegkunde voortaan beschermd. Voor het eerst werd de maatschappelijke rol van verpleegkundigen duidelijk omschreven: de gezondheidstoestand van patiënten evalueren, verpleegkundige diagnoses opstellen en technische prestaties leveren. Deze omschrijving bood hen een vorm van autonomie ten aanzien van Belgische artsen en een gevoel van erkenning.

De vreugde was echter van relatief korte duur, want eind jaren tachtig ontstond uit onvrede met besparingen in de zorgsector de zogenaamde Witte Woede. Sindsdien kwamen verpleegkundigen regelmatig op straat om daaraan uiting te geven. Tijdens deze coronacrisis kunnen ze rekenen op veel waardering en applaus van de bevolking. De vraag is nu of deze steunbetuigingen in het post-coronatijdperk zullen leiden tot een grotere erkenning en een betere verloning.

Luc De Munck is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in het burgerlijk hospitaal van Ronse in de negentiende eeuw (Erfgoedhuis Zusters van Liefde, Gent).

Cholera, corona en de kracht van cijfers

Tijdens deze weken van coronaquarantaine schrijven we samen geschiedenis. We dijken de epidemie in met een ongekende beperking van onze vrijheid. We ervaren angsten en onzekerheden die ook voor onze groot- en overgrootouders ‘nieuw’ zijn. Zelfs de oudsten onder hen hebben immers geen herinneringen aan de Spaanse griep in 1918 – een pandemie die tot voor kort als een eindpunt gold van een tijdperk van epidemieën in Europa. Sinds die tijd is onze kennis over de verspreiding van infectieziekten enorm toegenomen. Toch vertoont onze omgang met de coronaepidemie vandaag heel wat parallellen met de manier waarop epidemieën in het verleden werden voorgesteld en beheerst.

Statistieken van cholera

De krant Het Handelsblad rapporteerde in 1866 cijfers per provincie over het aantal gevallen van cholera en het aantal overlijdens per provincie.

Cholera teisterde het 19de-eeuwse Europa via terugkerende epidemieën, soms met decennia van luwte tussen.  Vooral de uitbraken van 1848-1849 en 1866, met meer dan 43.000 slachtoffers in België, lieten diepe sporen na in het collectieve geheugen. Artsen die zichzelf ‘hygiënisten’ noemden, boden een plan van aanpak. Zij hanteerden een drievoudige strategie om het ongrijpbare te beheersen. Eerst ontkrachtten zij geruchten in de pers door een ‘choleraepidemie’ te ontkennen (bij valse geruchten) of net te bevestigen (om de overheid en bevolking tot actie aan te zetten). Vervolgens stelden zij nieuwe gevallen medisch vast. Die werden geteld in statistische bulletins, gericht op de doodsoorzaken bij de bevolking  – vergelijkbaar met de cijfergegevens die vandaag via dagelijkse persconferenties worden bekend gemaakt. Zij reageerden ten slotte met hygiënische maatregelen.

De dynamiek van benoemen, vaststellen en maatregelen nemen, maakte de epidemie tot iets tastbaars en wezenlijk. Vandaag gebeurt met de coronaepidemie iets gelijkaardigs: zij krijgt vorm als geheel in de cijfers en maatregelen van deskundigen. Of anders gesteld: de epidemie wordt geconstrueerd om haar te kunnen bestrijden. Zij is pas een ‘epidemie’ als ze ook zo wordt benoemd en voorgesteld met cijfers. De wortels van die dynamiek – en dus van de actuele coronacurve – liggen met andere woorden in de 19de-eeuwse epidemiologische statistiek.

19de-eeuwse gezondheidspolitiek    

De politieke vertaling van die cijfers was heel anders dan vandaag. De overheid legde ter bestrijding van cholera het openbare leven niet stil. Gemeentelijke besturen – het niveau dat toen de grootste bevoegdheid had op het vlak van openbare gezondheid – verboden wel openbare bals, feesten en religieuze processies. Ook kerkelijke diensten werden soms geschorst, een voor die tijd controversiële maatregel die op veel weerstand stuitte bij de bevolking. 

Twee beambten van de Antwerpse gezondheidsdienst ca. 1900 (Collectie Stadsarchief Antwerpen).

De meeste inspanningen waren echter – op aangeven van de hygiënisten – gericht tegen ‘onhygiënische toestanden’. Daarmee werden vooral de leefomstandigheden in de grootstedelijke arbeidersbuurten bedoeld. Hier vertoont zich wél een parallel met het heden: in de manier waarop epidemieën sociale verschillen hebben uitvergroot. De lagere sociale klasse werd immers het zwaarst getroffen door de cholera. Hun dichtbevolkte volksbuurten met gedeelde waterputten vormden de ideale voedingsbodem voor een bacterie (de vibrio cholerae) die zich vooral via besmet drinkwater verspreidde. Bovendien wogen ook de maatregelen ter bestrijding van de epidemie voor hen het zwaarst. Bij een geval van cholera bijvoorbeeld werden hun huizen verplicht verlucht en gedesinfecteerd (gefumigeerd), waardoor zij tijdelijk een ander onderkomen moesten vinden.

De beter beschermde bourgeoisie maakte hen daarbij tot een zondebok voor de snelle verspreiding van de epidemie. De roep om de volkswijken ‘op te kuisen’ klonk plots luid. De lockdown vandaag is weliswaar heel anders, maar treft ons – net als de maatregelen in het verleden – naargelang onze sociale situatie (alleenstaand of met partner en/of kinderen, wonend in een stad of in een landelijke gemeente enz.). Die sociale context bepaalt net als in de 19de eeuw onze ervaring van de epidemie.

Gezondheidsvoorlichting

Op korte termijn bleken de maatregelen van de hygiënisten weinig effectief. De Amerikaanse historicus David Barnes stelt zelfs dat de meeste maatregelen tegen de verspreiding van epidemieën in het verleden hun belofte tot indijking niet hebben kunnen waarmaken. Dat geldt ook voor cholera. Pas met de installatie van waterleidingen en -zuivering in de late 19de eeuw zou de verspreiding stoppen. De laatste grote uitbraak dateerde van 1892-1894. Op lange termijn bleken de politieke effecten niettemin groot. Mede dankzij de ervaring van de choleraepidemieën omarmde de 19de-eeuwse liberale klassenmaatschappij de idee van een staat die sterker kon ingrijpen, op basis van wetenschappelijke inzichten en in het algemeen belang. Epidemieën legden met andere woorden mee de basis voor het 20ste-eeuwse ‘nieuwe’ en centrale beleidsdomein van de volksgezondheid.

Affiche ter promotie van hygiëne op het werk (Repro KADOC-KU Leuven (KCB2751)).

De hygiënisten beleefden rond de eeuwwisseling hun hoogdagen. Vanaf 1908 kon je als Belgisch arts aan de universiteiten van Gent en Luik een extra diploma als ‘hygiënist’ bekomen. De introductie van de laboratoriumwetenschap leidde tot de ontwikkeling van nieuwe medische specialismen als de bacteriologie en de virologie. Een nieuwe generatie schoolartsen, arbeidsgeneesheren en gezondheidsinspecteurs bouwde de gezondheidsvoorlichting en preventieve geneeskunde uit. Hygiëne en ‘handen wassen’ geraakte ingeburgerd. De verspreiding van de kennis over micro-organismen bij het brede publiek leidde bovendien tot het beeld van een strijd tegen een ‘onzichtbare vijand’ – een mobiliserend beeld dat we vandaag volop zien terugkeren in de berichtgeving over de coronaepidemie. Maar de hygiënisten werden ook het slachtoffer van hun eigen succes. Na de Spaanse griep verdwenen de verwoestende epidemieën grotendeels uit Europa. Zij werden een zaak van verre landen. Cholera transformeerde tot een tropische ziekte. De studie van epidemieën in Europa werd een zaak van historici, zo leek het wel.

De tijden zijn intussen veranderd. Eerst met SARS en nu COVID-19 zijn epidemische infectieziekten opnieuw een realiteit geworden. Het discours van een ‘onzichtbare vijand’ en de hygiënisten – nu: virologen – zijn helemaal terug in beeld. Dat geldt ook voor hun wetenschappelijke logica die een ziekte tegelijkertijd als epidemie construeert én beheersbaar maakt. We herontdekken daarbij een stuk van ons verleden. Dat wil zeggen: we maken opnieuw kennis met een collectieve kwetsbaarheid die we ‘voorbij’ hadden gewaand, die we tot voor kort als iets van het verleden hadden beschouwd. Tegelijkertijd blijken de mechanismes waarmee we die kwetsbaarheid het hoofd bieden evenzeer historisch verankerd. Het vatten van een epidemie in cijfers is een beproefd frame waarvan de politieke en sociale vertaling om veel wijsheid vraagt.

Joris Vandendriessche is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van (wetenschappelijke) kennis, geneeskunde en universiteit. Momenteel doet hij onderzoek naar publicatiecultuur en piraterij in de negentiende-eeuwse wetenschap.

Titelafbeelding: Map Exhibiting the Progress of the Late Epidemic Cholera from Hindostan to Great Britain. Credit: Wellcome Collection. Attribution 4.0 International (CC BY 4.0).

Congolese vrouwen bij meneer doktoor

In de eerste decennia van de kolonisatie van Congo, tot ruwweg 1920, richtten talrijke epidemieën een ware ravage aan onder de lokale bevolking. Gezondheidszorg was toen verre van een prioriteit voor de koloniale overheid. Een demografische terugval van de Congolese bevolking in het interbellum deed de koloniale machten echter vrezen voor een economische stilstand. Vanuit die bekommernis kwam er meer aandacht voor medische zorg voor de Congolezen.

Materniteit van Coquilhatville (Cocq en Mercken. ‘L’Assistance Obstétricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Moeder- en zuigelingenzorg werden gezien als belangrijke medische domeinen om de dalende bevolkingstrend te doen keren. Volgens de koloniale artsen moesten er zowel meer medische hulp als meer afdwingbare regels komen om moeder en (ongeboren) kind “te beschermen”. Zulke sanitaire en sociale maatregelen geven een mooie inkijk in de ontwikkeling van medische zorg in de kolonie in het interbellum. Tegelijk toont het koloniale gezondheidsbeleid ook hoe de koloniale overheid via geneeskunde de gekoloniseerde bevolking in de gaten trachtte te houden.

Papierwerk

Typerend voor de eerste Belgische medische initiatieven was de flinterdunne grens tussen bureaucratische regelneverij en gezondheidszorg. Gezondheidsdecreten uit het interbellum lijken soms meer hun plaats te hebben in het gemeentehuis dan in een hospitaal. Zo moesten alle geboortes en overlijdens verplicht aangegeven worden ter bevordering van “een efficiënte controle van de bevolking op vlak van procreatie”. Zo’n maatregel gaf dokters een beter zicht op hun patiënten. Tegelijk speelden volkstellingen ook in de kaart van de koloniale staat. Statistieken stelden de overheid immers in staat een beter beeld te krijgen van de kolonie en haar inwoners, en om het gigantische maar vaak onbekende gebied bestuurbaarder te maken.

Congolese zwangere vrouw (Cocq en Mercken. ‘L’Assistance Obstétricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Een ander bekend voorbeeld van medische ambtenarij, ingevoerd in 1910 om de verspreiding van slaapziekte tegen te gaan, is het medisch pasje. Dit dienden Congolezen op zak te hebben om te bewijzen dat ze gezond waren en zich mochten verplaatsen. Na verloop van tijd mochten zwangere vrouwen niet meer reizen. Dit verkleinde het risico op besmetting en het verspreiden van ziektes, maar het betekende tegelijk een ernstige inperking van de bewegingsvrijheid van de Congolezen – met name van vrouwen.

Thermometers en washandjes

Op medisch vlak vonden artsen vooral het organiseren van pre- en postnatale consultaties cruciaal om de zuigelingensterfte tegen te gaan. Vrouwen werd onderwezen in hoe ze “een goede moeder moesten zijn” en baby’s werden regelmatig gewogen. Moeders begeleiden terwijl ze hun kinderen voedden, was ook een belangrijk onderdeel van postnatale consultaties. Met beloningen als dekentjes werden Congolese vrouwen naar de materniteit “gelokt”. Gevolg van deze frequente consultaties was dat dokters in grote mate konden sturen hoe een dag of week van een Congolese moeder eruit zag. 

Vroedvrouwen in opleiding uit Stanleyville (Cocq en Mercken. ‘L’Assistance Obstétricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Op bevallingen kregen Belgische artsen veel minder gemakkelijk vat. Het medisch personeel had moeite om zwangere vrouwen naar de medische posten te krijgen om daar te bevallen. De vrouwen keken immers met argwaan naar deze witte dokters. Dokters probeerden dit wantrouwen weg te nemen door lokaal medisch personeel in te lijven. Congolese vroedvrouwen moesten helpen bij het opnemen van de temperatuur, ontsmetten, wassen en bij de bevalling zelf. Zij werden verondersteld makkelijker het vertrouwen van de bevolking te winnen.

Vaderlijke autoriteit, moederlijke zorg

De Congolese bevolking moest echter niet alleen geteld en gestuurd worden, hun gedrag moest ook veranderd worden. Witte geneesheren waren ervan overtuigd dat veel Afrikaanse culturele en medische gewoontes schadelijk waren voor moeder en kind. De autoriteit van lokale geneesheren was een doorn in het oog van de medische instanties. “Ook al zijn de tovenaars schijnbaar niet direct betrokken bij de bevalling, indirect is hun invloed enorm nefast,” stelde een rapport uit de jaren ’30. Volgens Belgische artsen straften ze bijvoorbeeld vrouwen wier kind overleden was. Zo’n straf kon volgens één arts bijvoorbeeld het vastketenen van de vrouw in volle zon zijn, met onvruchtbaarheid tot gevolg. De Belgische artsen eisten ook een strengere reglementering van anticonceptie en abortus, hoewel ze zelf toegaven dat abortus volgens hen nauwelijks voorkwam op het koloniale grondgebied.

Abortieve plant (Cocq en Mercken. ‘L’Assitance Obstetricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Koloniale artsen hadden ook een duidelijke mening over hoe het ideale gezin er moest uitzien. Alle vormen van polygamie, dat een ware obsessie was voor sommige kolonialen, moesten aan banden gelegd worden. Het monogame, liefst katholieke kerngezin, was de beste garantie op veel en gezonde kinderen. Een arts sprak in 1935 van “het behouden van de cohesie van de familie middels het versterken van de vaderlijke autoriteit.” De sociale rolverdeling maakte van de man de voornaamste kostwinner en verwees de moeder met haar – liefst talrijke – kroost naar de haard. Vrouwen werd verboden zwaar werk te verrichten, zeker in de periode van haar zwangerschap. Het krijgen van veel kinderen moest beloond worden. Het bourgeoishuwelijk werd niet alleen gezien als moreel deugdelijk maar ook als bevorderlijk voor de gezondheid van het individu en de samenleving.

De koloniale overheid hoopte met haar maatregelen de kindersterfte terug te dringen en de bevolking stabiel te houden. Maar medische zorg ging nooit enkel over gezondheid. Meer medische en administratieve verplichtingen betekenden ook meer controle. De verplichte aangifte van geboortes gaf de overheid de mogelijkheid de Congolese bevolking meer in kaart te brengen. Witte artsen zagen pre- en postnatale zorg bovendien als hét medische domein bij uitstek om de gekoloniseerde Congolezen cultureel en moreel te beïnvloeden. Het monogame kerngezin met een werkende vader, een moeder aan de haard en talrijke kinderen werd gepropageerd als de beste garantie voor een “gezonde” samenleving. Zorg voor moeder en kind was op die manier zowel een medisch doel als een middel om de Congolese samenleving diepgaand te veranderen.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1900-1965.

Wat je altijd al hebt willen weten over de pornodocumentaire

Gastblog door Leon Janssens.

Als we aan documentaires denken, denken we al snel aan wilde dieren, weidse landschappen en de wervende stem van de Britse documentairemaker David Attenborough. In de jaren 1960 onderwierpen filmmakers echter een heel ander thema aan hun kritische cameralens: seks. Zulke films waren een ‘Duitse specialiteit’. Via een achterpoortje in de wetgeving, waarmee de autoriteiten wetenschappelijke kennis wilden beschermen tegen censuur, produceerde de porno-industrie massaal ‘maatschappelijk verantwoorde’ pornofilms. De bedoeling was natuurlijk vooral om de kijker zoveel mogelijk ontblote borsten en seksscènes te tonen.

Afbeelding uit Aris, Bruxelles la nuit: physiologie des établissements nocturnes de Bruxelles, Brussel, 1871.

Dat pornografen hun erotische teksten en beeldmateriaal vermomden als wetenschappelijke kennis was niets nieuw onder de zon. Vanaf 1840 werden er bijvoorbeeld boeken geschreven waarin specifieke volkeren, steden en sociale groepen zoals vrouwen en de lagere sociale klassen wel erg grondig uit de doeken werden gedaan. Een mooi voorbeeld is het boek Bruxelles la nuit: physiologie des établissements nocturnes de Bruxelles waarin elk Brussels bordeel, en de aanwezige vrouwen, in geuren en kleuren worden beschreven.

De pornodocumentaire uit de jaren 1960 diende dan wel niet als erotische stadsgids, toch zijn de gelijkenissen groot. Ook deze films schonken vooral aandacht aan het seksleven van specifieke sociale groepen zoals huisvrouwen, schoolmeisjes en prostituees. De meest bekende en populaire serie was Schoolgirl Report waarin het seksleven van middelbare schoolmeisjes centraal staat. In de periode 1970-1980 ging er quasi geen week voorbij waarin niet een van de meer dan tien episodes in Vlaanderen werd vertoond. Het succes van dat soort films ontging ook de Katholieke Filmliga niet. Die organisatie trachtte de katholieke Vlaming via recensies op de hoogte te houden van welke film hij wel, maar vooral ook niet, moest gaan bekijken. Zo schreef zij in 1973 een filmrecensie voor de film Hausfrauen Report waarin ze stelden: “De techniek is gekend, aan de hand van voorbeelden wordt er wetenschappelijk kommentaar geleverd die uiteraard kort en krachtig is opdat het aangehaald voorbeeld in het lang en in het breed uit de ‘kleren’ zou kunnen gedaan worden”.

Leon Janssens is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de angst voor pornografie op het einde van de negentiende eeuw.

Seks verkopen in negentiende-eeuws Antwerpen

Gastblog door Pieter Vanhees.

Het zal u misschien verbazen, maar in het negentiende-eeuwse België waren regels voor vrouwen in prostitutie duidelijker dan vandaag. Bijna elke stad en grote gemeente vaardigde een gedetailleerd prostitutiereglement uit. Vrouwen die leefden en werkten op de Antwerpse Rietdijk, een befaamd Red light district, konden hierover meespreken. Toch namen veel vrouwen het niet zo nauw met de regeltjes: ze zochten de grenzen ervan op in hun streven naar betere werk- en leefomstandigheden.  

Eerste stappen ‘op den trottoir’

De bordelen op de Haringvliet en op de Burchtgracht vormden de ruggengraat van de getolereerde prostitutie (© Felixarchief, 12#4202).

Het prostitutiereglement dat het Antwerpse stadsbestuur in 1852 uitvaardigde was een verregaande poging om de activiteiten en het leven van de voornaamste spelers in de sekssector te omkaderen. Het reglement stond prostitutie slechts toe binnen welbepaalde ruimtes. Huismeiskens woonden en werkten in door het stadsbestuur erkende publieke huizen. Zowel het eerste contact tussen vrouw en klant als de seksuele activiteiten en de betaling gebeurden er onder toezicht van een alwetende maîtresse de maison.

Afgezonderde meiskens, daarentegen, werkten op zelfstandige basis, maar ook zij werden geweerd uit de publieke ruimte. Ze konden klanten ontvangen in hun eigen woning, maar vaker gebeurde dit in erkende koppel- of rendez-voushuizen. Hier konden kamers worden gehuurd voor korte tijd of voor een hele nacht. In de praktijk hadden Afgezonderde meiskens echter geen andere keuze dan de straat op te gaan op zoek naar klanten. Het stadsreglement liet nochtans weinig ruimte voor tippelen. Artikel 28 verbood onder andere: het dragen van onzedige kleeding op straat, zichtbare verleidingspogingen aan de deur of in het raam van een woning, individueel of in groep drentelen en het aanspreken van mannen. In realiteit bleven deze verbodsbepalingen vaak dode letter. Niet alleen hielden prostituees er weinig rekening mee, de politie trad ook pas streng op wanneer hun gedrag aanleiding gaf tot buurtprotest.

Verhuizen, schrappen of ontsnappen?

Matrozen die aanmeerden ontvingen dit visitekaartje. Voor hen was het duidelijk dat er hier meer mogelijk was dan het verorberen van een hapje en een drankje (© Felixarchief, 731#383).

Vrouwen die volgens de regels seks binnenskamers wilden verkopen, konden niet anders dan zich laten registreren als publieke vrouwen. Bij inschrijving moesten ze hun identiteitspapieren (‘reispassen, geboortebrieven en andere stukken den burgerlyken stand der opgeschrevene vrouwen aenduidende’) achterlaten in het centrale politiebureau. Ook moesten ze hun verzoek zelf indienen om te vermijden dat ze tegen hun wil, bijvoorbeeld door een bordeelhoudster, werden ingeschreven. Vrouwen in prostitutie ervoeren zo’n registratie echter als vervelend. Tot ongenoegen van de zedenpolitie verkozen ze vaak illegale prostitutiehuizen, van waaruit ze zonder inschrijving konden werken, boven de erkende publieke huizen.

De documenten terugkrijgen en uit het register geschrapt worden, kon slechts op twee manieren. Ten eerste door toestemming aan de burgemeester te vragen om een punt te zetten achter een loopbaan als prostituee. Vaak werd een dergelijk verzoek ingediend door een vrouw die beweerde te willen stoppen met prostitutie, maar het kon evengoed van de hand van een familielid of partner zijn. In 1868 voerde de 36-jarige Catharina aan dat zij in het publieke huis, waar zij 13 jaar woonde, de laatste vier jaar enkel nog huishoudelijk werk deed. Nu vond ze het tijd om te trouwen en te gaan samenwonen met haar aanstaande, maar tegelijkertijd wilde ze aan de slag blijven als werkvrouw in publieke huizen. De politiecommissaris, die haar dossier behandelde, raadde de burgemeester aan in te gaan op haar verzoek. Dit betekende het einde van Catharina’s officiële carrière als prostituee.

In principe konden vrouwen ook uit het register verdwijnen door de stad te verlaten. Elders een nieuw leven beginnen werd hen echter niet gemakkelijk gemaakt. Ze kregen dan misschien wel hun identiteitspapieren terug, maar moesten ook een attest van domiciliewijziging meenemen. Dit document, waarop hun vorige beroep vermeld stond, moest worden afgegeven aan de politie van de nieuwe woonplaats. Het stigma van prostitutie verhuisde met andere woorden mee. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke verhuizende prostituee ‘den trottoir’ achter zich wilde laten. Veel sekswerkers in deze periode waren echte migratiepioniers, steeds op zoek naar nieuwe en betere carrièremogelijkheden binnen de sekssector.

Bij de dokter

Een nog belangrijkere reden om het officiële circuit te omzeilen, was het onontkoombare doktersbezoek. Antwerpse prostituees moesten zich om de 6 dagen melden bij een arts voor een gynaecologisch onderzoek. Vele vrouwen vonden deze controle bijzonder onaangenaam. Zij moesten zich blootstellen aan het oog van stedelijke artsen die met een speculum speurden naar sporen van geslachtsziektes zoals syfilis en gonorroe. Dit gebeurde aan de lopende band: dokters besteedden hoogstens enkele minuten aan elk onderzoek.

Het huidige Schipperskwartier, waar bepaalde vormen van prostitutie worden toegestaan, bevindt zich niet ver van de negentiende-eeuwse Rietdijk (© Pieter Vanhees).

Ook waren er financiële redenen om zulke doktersbezoeken te mijden. Niet alleen was het visiet betalend, ook liepen prostituees beroepsinkomsten mis. Ze werden namelijk gedwongen opgenomen in het Sint-Elisabeth gasthuis bij vaststelling van een ziekte, en mochten pas terug aan het werk als ze genezen verklaard waren. Dat overkwam bijvoorbeeld de 19-jarige serveuse Marie. Zij werd samen met haar bazin in de achterplaats van een café aangetroffen terwijl ze zich dronken liet voeren. Vervolgens werd ze aangehouden en opgesloten in de stadsgevangenis. Bij medisch onderzoek bleek ze ‘licht aangetast door syfilis’ waarna ze naar het ziekenhuis werd overgebracht.

Zulke verplichte ziekenhuisverblijven die lang konden duren, waren geen reclame voor het gereglementeerde sekscircuit. Het is moeilijk om een goede schatting te geven van het aantal vrouwen dat voor de officieuze sector koos, maar waarschijnlijk ging het om een veelvoud van het aantal dat in erkende huizen actief was.

Pieter Vanhees is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de sociale geschiedenis van prostitutie in de negentiende en twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Het Antwerpse Prostitutiereglement van 1852 (© Felixarchief, 731#365).