De heilige delen van het mierenetende stekelvarken

“Sommige dingen waren verboden voor jonge mannen, vrouwen en kinderen, vooral wat voedsel betreft. Het strengst verboden van allemaal was het eten van enig deel van de Echidna Hystrix, het mierenetende stekelvarken, in het dialect van de Wyn-yook-stam ‘Gowaru’ genoemd.”

Drie perspectieven op een mierenegel (brief van George Gordon McCrae aan Lucy Lloyd).

Zo beschreef de Australische dichter George Gordon McCrae in een brief uit 1876 de taboes van de Aboriginal-clan van Port Phillip Bay (bij Melbourne) waar hij jaren naast had geleefd. In het bijzonder, lichtte hij toe, aten de stamoudstende in de as gesmoorde vetlaag waarin de stekels vastzaten, het ‘heilige deel’; voor de rest van het beest toonden ze geen culinaire interesse. Ter verduidelijking voegde hij een diagram toe: heilige delen | feitelijke dier.

De brief maakt deel uit van de collectie van de 19e-eeuwse taalkundige Wilhelm Bleek, een van de eerste grootschalige onderzoekers van Afrikaanse talen. Bleek was in 1855 in Kaapstad neergestreken om de reusachtige verzameling taalmateriaal van de gouverneur te catalogiseren en uit te breiden; ‘taalmateriaal’ is een verzamelbegrip voor alles waarmee je een taal kunt vastleggen, zoals woordenlijsten, grammatica’s, (Bijbel)vertalingen en registraties van mondelinge overlevering. Op basis daarvan trok Bleek grammaticale, maar ook etnologische vergelijkingen tussen verschillende talen en volkeren van Afrika en daarbuiten. Bleek’s uitgangspunten en conclusies waren vrij extreem, maar opmerkelijk genoeg stond dat zijn inlevingsvermogen niet in de weg.

Oorspronkelijke bewoners vergelijken

Twee stekelvarkens (door Han≠kass’o, een van Lucy Lloyd’s informanten, 1878).

McCrae had in 1875 contact gezocht met Wilhelm Bleek, maar die was aan tbc overleden terwijl de eerste brief onderweg was. Zijn schoonzus Lucy Lloyd zette de correspondentie voort. In zijn laatste jaren had Bleek, geholpen door Lloyd, zich toegelegd op het vastleggen van de taal en verhalen van de |Xam, een San-volk van jagers-verzamelaars dat oorspronkelijk rond de Westkaap woonde en in hoog tempo door witte Afrikaners die landinwaarts trokken werd verdreven en gelyncht. Voor zijn onderzoek had Bleek veroordeelde |Xam uit de gevangenis van Kaapstad in huis genomen, en Lloyd ging daar na zijn dood mee door.

Zoals uit de correspondentie tussen McCrae en Lloyd blijkt, was ze net als Bleek geïnteresseerd in vergelijkingen tussen de oorspronkelijke bewoners van Australië en van Zuid-Afrika: zo stuurde ze McCrae een |Xam-fabel over een man die in een stekelvarken veranderde en met de regen sprak, maar iets verkeerds zei waarop de regen in hagel veranderde. Eigenlijk zegt deze fabel ook veel over het klimaat in de Westkaap, waar regen van levensbelang is maar hagel een frequente doodsoorzaak was.

Wilhelm Bleek was zo geïnteresseerd in de |Xam omdat hij dacht dat hun taal het dichtst bij de menselijke oertaal stond. Toevallig was zijn neef de toonaangevende bioloog Ernst Haeckel, die schreef dat “deze nederige mensenrassen… voor de onbevooroordeelde natuuronderzoeker meer verwantschap met gorilla’s en chimpansees dan met Kant en Goethe lijken te hebben”. Of Bleek dat laatste ook vond is onduidelijk, maar hij vroeg wel in een brief aan neef Ernst “of gorilla’s ook klikgeluiden maken”, zoals die voorkwamen in het |Xam en andere Khoisantalen. Tegelijk vond hij het redden van hun taal voor de wetenschap belangrijker dan zijn theorieën en taalvergelijkingen, en gaf hij zijn half-vrijwillige gasten tenminste deels hun menselijke waardigheid terug – je kunt moeilijk iemands taal leren zonder de ander als mens te behandelen. Wellicht was Lloyd er beter in dan Bleek; ze had in elk geval meer tijd.

Australische connectie

Australisch sjamanisme (bijvoegsel bij een brief van McCrae aan Lloyd).

Australische talen waren geen onbekend terrein voor Bleek: ze maakten deel uit van de taalverzameling van zijn opdrachtgever, gouverneur George Grey. Zoals wel meer koloniale bestuurders combineerde Grey de ‘beschavingsmissie’ met zijn eigen wetenschappelijke hobby’s. Als jonge officier had hij in 1837-39 twee mislukte expedities langs de Australische westkust geleid en enkele maanden tussen een Aboriginal-clan in de omgeving van Perth doorgebracht. Zijn beschrijving van Aboriginalcultuur is de uitvoerigste en meest gedetailleerde van zijn tijd, maar veel waardering voor hun cultuur had Grey niet: in het bijzonder gruwde hij van de manier waarop vrouwen mishandeld werden, en van de gewoonte om voor elk sterfgeval een schuldige aan te wijzen. In een rapport bepleitte hij dat ze zo snel mogelijk tot burgers van het Britse Empire moesten worden gemaakt. Wel merkte hij op dat hun dieet op buitenstaanders misschien armoedig en merkwaardig overkwam, maar in feite zowel smaakvol als voedzaam was.

Een vergelijkbare combinatie van interesse en afschuw is 35 jaar later ook in de notities van McCrae te bespeuren. Zo omschreef hij zijn voormalige buren als vriendelijk en zachtaardig, maar noteerde ook dat iemand bij uitzondering (‘uit liefde!’) zijn vrouw niet gewelddadig ontvoerd had. Hun riten omschreef hij als ‘bijgeloof’, maar in elk geval deden ze niet, zoals andere Aboriginals, aan rituele extractie van de voortanden.

Koloniale paradoxen?

Voorplaat van George Grey, Polynesian Mythology (1855), met Maori-houtsnijwerk op de voorgrond en een vulkaan op de achtergrond.

Het confronterende hieraan is niet dat 19e-eeuwse taalkunde en volkenkunde vol zit met racisme en kolonialisme. Dat wisten we toch al. Het confronterende is juist het omgekeerde: dat mensen als Bleek en Grey nochtans uitzonderlijk goed in staat waren zich totaal vreemde talen eigen te maken en in andere manieren van leven te verplaatsen. Het hinderde Grey niet om als gouverneur van Nieuw-Zeeland (1845-53 en 1861-68) een agressieve politiek van landaankoop te voeren en Maori-opstanden met geweld neer te slaan. Maar wie Maori-erfgoed wil bestuderen, kan niet om zijn verzameling heen.

De notitieboeken van Bleek en Lloyd gelden tegenwoordig als UNESCO-wereldgeheugen, en na het einde van de Apartheid is er een bescheiden cultuurindustrie omheen ontstaan. Het |Xam is als taal uitgestorven, net als de helft van de naar schatting 250 Aboriginaltalen. Het Maori is daarentegen in Nieuw-Zeeland alomtegenwoordigin tweetalige opschriften al spreekt bijna niemand het nog echt. En de brieven van McCrae? Daar heeft een taalkundige in Melbourne zich over ontfermd die contact heeft met Aboriginal-organisaties en zich bezighoudt met taalrevitaliseringsprojecten. Het ‘mierenetende stekelvarken’, eigenlijk mierenegel, wordt ondertussen nog steeds gegeten.

Floris Solleveld is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt hoe ten tijde van de Europese koloniale expansie de talen van de wereld in kaart werden gebracht.

Eerste hulp bij masturbatie

Het tweede seizoen van de populaire Netflix-serie Sex Education begint met enkele masturbatiescenes. Zelfbevrediging komt in beeld als een natuurlijke reeks handelingen die belangrijk zijn voor een gezonde geest en een gezond lichaam. Dat is ook het huidige standpunt van dokters, psychologen en seksuologen. Masturberen zou een vitaal onderdeel zijn van de eigenliefde. Daarnaast zou het goed zijn voor het humeur en de bloedsomloop.  

Visies op zelfbevrediging waren niet altijd zo positief. Tot ver in de twintigste eeuw geloofden dokters, moralisten en opvoeders dat masturbatie niet enkel een zonde was, maar ook vele kwaaltjes en ziekten veroorzaakte. Daarom ging men de strijd aan met wat toen ook wel zelfbevlekking werd genoemd. Artsen en opvoeders zetten een anti-masturbatiecampagne op gang waarbij werd gezocht naar methoden en regels om de jeugd te beschermen.

De gevolgen van ‘zelfbevlekking’

Gevecht van een masturberende man tegen de dood (Wellcome Collection. CC BY 4.0).

De gevolgen van masturbatie werden door dokters omschreven als niet te overzien. In de eerste plaats beschouwden ze masturbatie als een zonde die schade toebracht aan het zedelijke leven van de jeugd. Bij jongens zou het zorgen voor een aantasting van de ‘christelijke mannelijkheid’ waar elke jongeman naar diende te streven. Daarnaast lag er ook een sterke nadruk op de lichamelijke gevolgen, waaronder een algehele verregaande verzwakking van het lichaam, en psychische gevolgen zoals luiheid en onverschilligheid. Deze effecten waren overigens niet enkel waarneembaar bij diegene die masturbeerde, maar zouden ook terug te vinden zijn bij diens verzwakte nageslacht.

Voorkomen is beter dan genezen

Er was geen geneesmiddel voorhanden om masturbatie te ‘genezen’. Daarom werd er vooral ingezet op preventieve maatregelen. Ten eerste vonden artsen het belangrijk om een gezonde levensstijl met zo weinig mogelijk stimulerende prikkels te promoten. Hierbij was zowel voldoende lichaamsbeweging als een dieet belangrijk. Voeding moest liefst zo flets mogelijk en licht verteerbaar zijn. De Amerikaanse dokter John Harvey Kellogg was een prominent figuur in de campagne tegen zelfbevlekking. Vooral alcohol, vlees en te veel kruiden zouden volgens hem seksuele gevoelens kunnen oproepen. Hij vond de intussen wereldberoemde cornflakes uit die omwille van hun fletse smaak een goed strijdmiddel vormden.

Kellogg’s Cornflakes.

Het slaapritueel met het bed als de gevarenzone bij uitstek was ook een belangrijke factor. Er werd aangeraden om op een harde matras te slapen, liefst in een koele kamer. Slapen diende te gebeuren met de armen boven de lakens. De duur van de nachtrust werd best bepaald door het volgende motto: doodmoe erin en er weer uit alvorens volledig uitgerust te zijn. Lekker blijven ‘snoozen’ was dus geen optie. Verder konden ook de activiteiten gedurende de dag, aldus deze moralisten en dokters, een nefaste invloed op de seksuele lusten uitoefenen. Zo werd er aangeraden om de opwindende ambiance van de cinema, de kermis en het theater te vermijden. In de plaats daarvan moesten kinderen bezig zijn met uitputtende activiteiten in de buitenlucht.  

Ook de internaten droegen hun steentje bij aan de bestrijding van masturbatie. Controle stond hierbij centraal. Idealiter sliepen de kinderen apart in hun eigen kamer. Zo niet werden kleinere slaapzalen aangeraden waarbij de toezichthouder in het midden sliep. Gedurende de hele nacht moest er een licht branden en uiteraard diende iedereen met de handen boven de lakens te slapen. Ook de indeling van de toiletten verdiende zekere aandacht. De deuren moesten laag genoeg zijn zodat ieders hoofd steeds zichtbaar bleef. Veel van deze leefregels bleven tot ver in de twintigste eeuw gelden in kostscholen en internaten.

De harde middelen

In uitzonderlijke gevallen meenden artsen dat een verandering in de levensstijl ontoereikend was om zelfbevrediging tegen te gaan. Daarom werd soms geadviseerd om grovere middelen te gebruiken.

Hulpmiddelen bij de behandeling van masturbatie (Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Er werden allerhande apparaten ontwikkeld om nachtelijke erecties tegen te gaan. Zo waren er de kuisheidsgordels en stekelige ringen die rond de penis werden geplaatst. Wanneer er dan een erectie plaatsvond, werd de penis gepijnigd door de stekels. In minder extreme gevallen werden de handen in speciale wanten opgeborgen of aan het bed vastgebonden.

Sommige artsen zoals de Amerikaanse psychiater René Spit pleitten voor een nog ingrijpendere chirurgische aanpak. De besnijdenis van de penis is daar een voorbeeld van. Bij meisjes gebruikten artsen hete metalen en zuren om de clitoris te verwijderen of aan te tasten.

Gelukkig klinken veel van de aangehaalde maatregelen ons tegenwoordig vreemd in de oren. Enkel de cornflakes van dokter Kellogg kennen tot op vandaag nog groot succes, al is de oorspronkelijke functie ervan weggevallen.

Meer lezen.

De Keyzer, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot: vier generaties vrouwen vertellen, Leuven, 2004.

De Borchgrave, C., God of genot, Vlaanderen 1918-1940: een Kerk in strijd met de moderne zinnelijkheid, Leuven, 1998.

Sofie Barmans is in het academiejaar 2019-2020 masterstudent cultuurgeschiedenis. In haar masterproef onderzoekt ze de beeldvorming over masturbatie in Vlaanderen in het interbellum.

Waarom veerkrachtige samenlevingen beter bestand zijn tegen pandemieën

Gastblog door Maïka De Keyzer.

Rampen lijken zeer vaak een donderslag bij heldere hemel. Weinigen konden het scenario van een dodelijke pandemie in Europa nog voor de geest halen.  De aardbeving in Lissabon in 1755 verraste de stedelingen in hun diepe slaap. De Zwarte Dood doemde op als een onbekende en snelle moordenaar. Vele hongersnoden worden veroorzaakt door episodes van extreme weersomstandigheden.

Toch zijn deze rampen minder onvoorspelbaar dan ze lijken. De inwoners van Noordwest-Europa konden de extreme droogte in de lente en zomer van 1556 en 2019 niet voorspellen. Maar weersextremen in het algemeen, daarentegen, kennen een repetitief patroon. Aardbevingen vinden vooral plaats in zones met tektonische activiteit en komen ook met een zekere regelmaat terug in deze gebieden. Nieuwe virussen en bacteriën, zoals Covid-19 vandaag, plaatsen ons voor een raadsel, maar de confrontatie met besmettelijke ziekten is een constante doorheen onze geschiedenis. Kortom, maatschappijen in het verleden en heden worden regelmatig geconfronteerd met exogene schokken en uitdagingen, die bijzonder destructief of dodelijk kunnen zijn.

Ongelijke impact van rampen

De hongersnood tijdens de bezetting van Leiden (Les Delices de Leide, Pieter van der Aa, 1712. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Toch zijn niet alle maatschappijen even kwetsbaar voor deze uitdagingen. De Zwarte Dood is hier een goed voorbeeld van.  Alle gebieden die in aanraking kwamen met de door Yersinia Pestis besmette vlooien in 1348-1349, kenden een hoge mortaliteitspiek. Toch was het effect van deze pandemie zeer verschillend doorheen Europa. Voor sommige gebieden betekende de oversterfte het begin van een langdurige economische crisis. In grote delen van Engeland bereikte de bevolking en de economie pas het 14de-eeuwse niveau tijdens de 16de eeuw. Andere gebieden vertoonden een opvallende veerkracht. In de Antwerpse Kempen, bijvoorbeeld, groeide de bevolking snel terug aan en de economie kende zijn hoogdagen doorheen een periode die doorgaans als de laatmiddeleeuwse crisis bekend staat.

Hetzelfde verhaal gaat op voor de aardappelcrisis van 1845. De aardappelziekte trof de gewassen in heel Europa; vooral de hongersnood in Ierland is welbekend. De crisis werd nog verergerd door een misoogst van graan in de zomer van 1846. Ierland was echter niet de enige zwaar getroffen regio. De gemiddelde oversterfte in Kust- en Binnen-Vlaanderen bereikte een piek van 40%. Toch was de situatie niet overal even rampzalig. Opnieuw de Kempen, op agrarisch vlak nochtans een onvruchtbare en onproductieve regio, werden minder sterk getroffen met een oversterfte van “slechts” minder dan 20%. Ook de Ardennen en grote delen van Wallonië werden minder hard getroffen.

Tekortkomingen van crisismaatregelen  

De centrale vraag is dus: wat maakt maatschappijen kwetsbaar of veerkrachtig? Waarom leiden exogene schokken zoals pandemieën of extreme weersomstandigheden bij de ene maatschappij tot een regelrechte ramp en worden rampscenario’s bij andere maatschappijen vermeden? Een aspect delen alle veerkrachtige maatschappijen. Ze hebben robuuste instellingen die schokken kunnen opvangen. Het gaat dan zowel om wetgeving of regels die ons gedrag, de politiek of economie vormgeven, als principes zoals de gezondheidszorg, sociale zekerheid, etc.

Pestmaatregelen uitgevaardigd in Ferrara in 1681 (Ferraran poster/leaflet regarding plague precautions. Wellcome Collection. CC BY 4.0).

Grotendeels bestaan er twee soorten instellingen. Enerzijds zijn er de instellingen die gericht zijn op directe, crisis-gerelateerde, korte-termijn oplossingen, zoals quarantainemaatregelen, de veiligheidsraad, “social distancing” en een verbod op export van voedsel ten tijde van hongersnood. Anderzijds zijn er de institutionele structuren die al langer bestaan en niet alleen in crisissituaties van belang zijn. Goed uitgeruste ziekenhuizen en een sterke sociale zekerheid zijn hedendaagse voorbeelden van de tweede categorie. Als de geschiedenis één ding kan aantonen, is het wel het essentiële belang van deze tweede categorie.

Terwijl crisis-gerelateerde maatregelen van wezenlijk belang zijn, lopen ze vaak achter de feiten aan. Overheden in het verleden vaardigden bijna steevast een verbod op het exporteren van graan uit in tijden van hongersnood. Dit brengt echter weinig zoden aan de dijk wanneer het voedselbestand  al te klein is voor de bevolking. In Binnen-Vlaanderen was er het onderliggende probleem van een sterk verarmde en geproletariseerde bevolking die volkomen afhankelijk was geworden van haar magere aardappeloogst. Hetzelfde kunnen we momenteel waarnemen in de coronacrisis. De capaciteit in de zorg snel opkrikken in landen zonder universele gezondheidszorg, onbestaande voorraden van mondmaskers aanvullen en online onderwijs voorzien zonder voldoende expertise of laptops verloopt al snel chaotisch en te traag.

Basisrecept voor veerkracht

De Meesters van de Heilige-Geesttafel delen brood uit onder de disarmen van de Sint-Jakobsparochie in Gent in 1436 (Rijksarchief Gent, Archief Sint-Jakobskerk, Reg. Nr. 649, Fol. 1).

Het geheim van veerkrachtige maatschappijen zijn de instellingen van de tweede categorie, die bestaan ongeacht het voorkomen van een ramp. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de Kempen veel minder kwetsbaar waren tegenover allerlei soorten schokken, zoals hongersnood, pandemieën en economische crisissen, doordat de maatschappij permanente institutionele schokdempers had ingebouwd. Hongersnoden werden tot een minimum beperkt doordat de meeste huishoudens een stuk land bezaten en hun privégrond konden aanvullen met uitgestrekte collectieve heide- en hooilanden. Deze combinatie garandeerde de minimum vereiste productie en stond een gemengde landbouw toe die minder vatbaar was voor misoogsten. Deze crisisbestendige voorzieningen werden bovendien aangevuld met een verregaande herverdeling en solidariteitsmechanismen. De armenzorg in de premoderne Kempen leverden de cruciale voedselvoorraden of goederen zoals brandstof en kledij voor de zwakkeren van de maatschappij.

Deze permanente instellingen waren ingebed en functioneerden goed in alle tijden. Ze bleven standhouden in tijden van crisis. Kinderfouten en problemen met de implementatie waren hier geen probleem. Eenzelfde evolutie zien we ook vandaag. Wat veel efficiënter in werking treedt dan de ad hoc maatregelen voor de COVID-19 crisis, is ons sociaal vangnet. Net zoals de Belgische bevolking in internationaal perspectief op korte termijn met verbazingwekkend weinig kleerscheuren door de economische crisis van 2008 kwam, blijft de economische schok van de coronacrisis voor onze gezinnen beperkt als we dit vergelijken met andere landen. Het systeem van tijdelijke werkloosheid is goed ingebed en kon meteen geïmplementeerd worden.

Een soortgelijk plaatje zien we in onze gezondheidzorg. Landen met een sterke en robuuste gezondheidszorg hebben voldoende opgeleid personeel, medisch materiaal en een grotere buffercapaciteit om de plotse toestroom aan patiënten op te vangen. Hoewel de druk van deze pandemie ons systeem in zijn voegen doet kraken, houdt het voorlopig goed stand. Investeren in een robuuste maatschappij die te allen tijde schokken kan opvangen zonder volkomen afhankelijk te zijn van crisismaatregelen is dus van essentieel belang. De meest robuuste en veerkrachtige maatschappijen zijn die maatschappijen die per definitie crisisbestendig zijn dankzij hun structurele instellingen.

Maïka De Keyzer is gastblogger. Zij is als docent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Ze onderzoekt de oorzaken en gevolgen van welvaart, ongelijkheid, maatschappelijke veerkracht en collectieve actie in de pre-moderne periode.

Titelafbeelding: Plague, war and famine. Etching by Sadler after M. de Vos. Credit: Wellcome Collection. CC BY 4.0.

Geen applaus voor de verpleegsters van gisteren

De huidige coronacrisis vestigt volop de aandacht op het levensbelangrijke werk van verplegend personeel. Dagelijks applaus en witte lakens steken hen een hart onder de riem. Toch worden deze hedendaagse helden al jaren onderbetaald en kregen ze niet altijd maatschappelijke waardering voor hun werk. Het weinig aantrekkelijke statuut van verpleegkundigen is geen nieuw gegeven, maar een constante in de geschiedenis van de verpleegkunde in ons land. Al vanaf de twaalfde eeuw, toen religieuze gemeenschappen de verzorging van zieken en behoeftigen in gasthuizen op zich namen, hing er een stigma rond zorgverlening. Dit werd vooral veroorzaakt door de ondermaatse hygiënische omstandigheden en gebrekkige medische behandelingen, maar ook door het gebrek aan opleiding van de zorgverstrekkers.

‘De arm zal minder sterk zijn, maar het hoofd intelligenter’

In 1902 ging in Antwerpen de eerste verpleegstersschool van start (School voor Ziekenverpleging 1902-1927, Antwerpen, 1927).

Pas in het begin van de twintigste eeuw kwam hierin verandering, door de oprichting van de eerste verpleegstersscholen in Antwerpen en Brussel. In de perceptie van het grootste deel van de bevolking was die nieuwe opleiding echter vooral bedoeld voor dienstmeiden, die soms amper konden lezen en schrijven, en nauwelijks of geen Frans kenden. Het feit dat in de school van de Raad van Godshuizen in Brussel een getuigschrift van de lagere school volstond om de opleiding te volgen, bevestigde dat vooroordeel. In een rapport uit 1904 over de inhoud van de theoretische opleiding in Brussel werd zelfs voorgesteld om noties over anatomie, fysiologie, hygiëne en de observatie van zieken te laten vallen tot leerlingen een elementaire theoretische opleiding hadden doorlopen. ‘De arm zal minder sterk zijn, maar het hoofd intelligenter, aldus de laconieke reactie van geneesheren op het rapport. Ook de lage verloning was een hinderpaal om potentiële kandidaten voor de opleiding over de streep te trekken.

Geen ‘halve artsen

Dokter Van Swieten verwoordde het wantrouwen van de medische wereld tegenover verpleegsters (Haute Ecole Galilée-ISSIG, Brussel).

Pas na de Eerste Wereldoorlog kreeg het verpleegstersberoep een positieve connotatie. Het beeld van de witte engel, die met kennis van zaken dag en nacht klaarstond voor de soldaten, had zijn intrede gedaan. Het positieve oorlogsimago oefende echter geen grote aantrekkingskracht uit op jonge meisjes om een opleiding als verpleegster te starten: de verpleegstersopleidingen hadden het moeilijk om leerlingen te rekruteren. Spoedig kwam ook de al voor de oorlog geuite vrees van geneesheren naar boven: verpleegsters mochten geen ‘halve artsen’ worden, maar moesten zich schikken naar de bevelen van dokters. Op de eerste algemene vergadering van de professionele organisatie voor verpleegsters in 1924 waarschuwde dokter Raymond Van Swieten, directeur van de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus in Brussel, de driehonderd aanwezige verpleegsters ervoor dat de medische wereld wantrouwig stond tegenover de ontwikkelingen in het verpleegstersberoep. Hij benadrukte dat verpleegsters nauwgezet de doktersvoorschriften moesten uitvoeren, hun raadgevingen volgen en de doeltreffendheid van hun behandeling verzekeren. Verpleegsters mochten zich volgens Van Swieten nooit in de plaats van dokters stellen en moesten zich beperken tot een dienende rol.

Naastenliefde

Vierde uitgave van het Plichtenboekje voor verpleging (Centrum voor Bio-Medische Ethiek, Leuven).

Deze dienende rol rechtvaardigde ook de beperkte verloning van verpleegkundigen. In het veelgelezen Plichtenboekje voor ziekenverpleging, dat in 1926 in Leuven werd uitgegeven en nadien meermaals herdrukt, merkte hoogleraar zedenleer en jezuïet Jozef Salsmans op dat de vergoeding van de verpleegster een bijkomstigheid was in vergelijking met haar eerste en voornaamste beweegreden: offervaardige naastenliefde. Daarom moest haar vergoeding niet gezien worden als een loon, maar als een honorarium. ‘In den grond haars harten zal ze God zeer dankbaar zijn, omdat Hij haar een bezigheid aan de hand doet, die op de eerste plaats de uitoefening van uitstekende deugden is en daarbij haar het noodige tot levensonderhoud verschaft’, verduidelijkte de auteur. Van enige waardering voor het werk van de verpleegster was in het boekje geen sprake.

Meer dan dertig jaar Witte Woede

Ook al steeg haar maatschappelijk aanzien tijdens de Tweede Wereldoorlog, toch vertaalde zich dat niet in een groeiende professionele erkenning. Naoorlogse handboeken bleven benadrukken dat een verpleegster nooit onafhankelijk is, maar altijd ondergeschikt aan de geneesheer. Ze moest zich oefenen in volgzaamheid en gehoorzaamheid, niet alleen tegenover dokters maar ook in de contacten met haar oversten. Het duurde nog tot diep in de jaren zestig vooraleer verpleegkundigen ijverden voor een beter statuut. Na jarenlange inspanningen volgde in 1974 de aanpassing van het Koninklijk Besluit nr. 78 over de uitoefening van de geneeskunde. Daardoor werd de uitoefening van de verpleegkunde voortaan beschermd. Voor het eerst werd de maatschappelijke rol van verpleegkundigen duidelijk omschreven: de gezondheidstoestand van patiënten evalueren, verpleegkundige diagnoses opstellen en technische prestaties leveren. Deze omschrijving bood hen een vorm van autonomie ten aanzien van Belgische artsen en een gevoel van erkenning.

De vreugde was echter van relatief korte duur, want eind jaren tachtig ontstond uit onvrede met besparingen in de zorgsector de zogenaamde Witte Woede. Sindsdien kwamen verpleegkundigen regelmatig op straat om daaraan uiting te geven. Tijdens deze coronacrisis kunnen ze rekenen op veel waardering en applaus van de bevolking. De vraag is nu of deze steunbetuigingen in het post-coronatijdperk zullen leiden tot een grotere erkenning en een betere verloning.

Luc De Munck is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij verricht onderzoek naar de professionele identiteiten van katholieke verpleegsters in België tussen 1919 en 1974.

Titelafbeelding: Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in het burgerlijk hospitaal van Ronse in de negentiende eeuw (Erfgoedhuis Zusters van Liefde, Gent).

Cholera, corona en de kracht van cijfers

Tijdens deze weken van coronaquarantaine schrijven we samen geschiedenis. We dijken de epidemie in met een ongekende beperking van onze vrijheid. We ervaren angsten en onzekerheden die ook voor onze groot- en overgrootouders ‘nieuw’ zijn. Zelfs de oudsten onder hen hebben immers geen herinneringen aan de Spaanse griep in 1918 – een pandemie die tot voor kort als een eindpunt gold van een tijdperk van epidemieën in Europa. Sinds die tijd is onze kennis over de verspreiding van infectieziekten enorm toegenomen. Toch vertoont onze omgang met de coronaepidemie vandaag heel wat parallellen met de manier waarop epidemieën in het verleden werden voorgesteld en beheerst.

Statistieken van cholera

De krant Het Handelsblad rapporteerde in 1866 cijfers per provincie over het aantal gevallen van cholera en het aantal overlijdens per provincie.

Cholera teisterde het 19de-eeuwse Europa via terugkerende epidemieën, soms met decennia van luwte tussen.  Vooral de uitbraken van 1848-1849 en 1866, met meer dan 43.000 slachtoffers in België, lieten diepe sporen na in het collectieve geheugen. Artsen die zichzelf ‘hygiënisten’ noemden, boden een plan van aanpak. Zij hanteerden een drievoudige strategie om het ongrijpbare te beheersen. Eerst ontkrachtten zij geruchten in de pers door een ‘choleraepidemie’ te ontkennen (bij valse geruchten) of net te bevestigen (om de overheid en bevolking tot actie aan te zetten). Vervolgens stelden zij nieuwe gevallen medisch vast. Die werden geteld in statistische bulletins, gericht op de doodsoorzaken bij de bevolking  – vergelijkbaar met de cijfergegevens die vandaag via dagelijkse persconferenties worden bekend gemaakt. Zij reageerden ten slotte met hygiënische maatregelen.

De dynamiek van benoemen, vaststellen en maatregelen nemen, maakte de epidemie tot iets tastbaars en wezenlijk. Vandaag gebeurt met de coronaepidemie iets gelijkaardigs: zij krijgt vorm als geheel in de cijfers en maatregelen van deskundigen. Of anders gesteld: de epidemie wordt geconstrueerd om haar te kunnen bestrijden. Zij is pas een ‘epidemie’ als ze ook zo wordt benoemd en voorgesteld met cijfers. De wortels van die dynamiek – en dus van de actuele coronacurve – liggen met andere woorden in de 19de-eeuwse epidemiologische statistiek.

19de-eeuwse gezondheidspolitiek    

De politieke vertaling van die cijfers was heel anders dan vandaag. De overheid legde ter bestrijding van cholera het openbare leven niet stil. Gemeentelijke besturen – het niveau dat toen de grootste bevoegdheid had op het vlak van openbare gezondheid – verboden wel openbare bals, feesten en religieuze processies. Ook kerkelijke diensten werden soms geschorst, een voor die tijd controversiële maatregel die op veel weerstand stuitte bij de bevolking. 

Twee beambten van de Antwerpse gezondheidsdienst ca. 1900 (Collectie Stadsarchief Antwerpen).

De meeste inspanningen waren echter – op aangeven van de hygiënisten – gericht tegen ‘onhygiënische toestanden’. Daarmee werden vooral de leefomstandigheden in de grootstedelijke arbeidersbuurten bedoeld. Hier vertoont zich wél een parallel met het heden: in de manier waarop epidemieën sociale verschillen hebben uitvergroot. De lagere sociale klasse werd immers het zwaarst getroffen door de cholera. Hun dichtbevolkte volksbuurten met gedeelde waterputten vormden de ideale voedingsbodem voor een bacterie (de vibrio cholerae) die zich vooral via besmet drinkwater verspreidde. Bovendien wogen ook de maatregelen ter bestrijding van de epidemie voor hen het zwaarst. Bij een geval van cholera bijvoorbeeld werden hun huizen verplicht verlucht en gedesinfecteerd (gefumigeerd), waardoor zij tijdelijk een ander onderkomen moesten vinden.

De beter beschermde bourgeoisie maakte hen daarbij tot een zondebok voor de snelle verspreiding van de epidemie. De roep om de volkswijken ‘op te kuisen’ klonk plots luid. De lockdown vandaag is weliswaar heel anders, maar treft ons – net als de maatregelen in het verleden – naargelang onze sociale situatie (alleenstaand of met partner en/of kinderen, wonend in een stad of in een landelijke gemeente enz.). Die sociale context bepaalt net als in de 19de eeuw onze ervaring van de epidemie.

Gezondheidsvoorlichting

Op korte termijn bleken de maatregelen van de hygiënisten weinig effectief. De Amerikaanse historicus David Barnes stelt zelfs dat de meeste maatregelen tegen de verspreiding van epidemieën in het verleden hun belofte tot indijking niet hebben kunnen waarmaken. Dat geldt ook voor cholera. Pas met de installatie van waterleidingen en -zuivering in de late 19de eeuw zou de verspreiding stoppen. De laatste grote uitbraak dateerde van 1892-1894. Op lange termijn bleken de politieke effecten niettemin groot. Mede dankzij de ervaring van de choleraepidemieën omarmde de 19de-eeuwse liberale klassenmaatschappij de idee van een staat die sterker kon ingrijpen, op basis van wetenschappelijke inzichten en in het algemeen belang. Epidemieën legden met andere woorden mee de basis voor het 20ste-eeuwse ‘nieuwe’ en centrale beleidsdomein van de volksgezondheid.

Affiche ter promotie van hygiëne op het werk (Repro KADOC-KU Leuven (KCB2751)).

De hygiënisten beleefden rond de eeuwwisseling hun hoogdagen. Vanaf 1908 kon je als Belgisch arts aan de universiteiten van Gent en Luik een extra diploma als ‘hygiënist’ bekomen. De introductie van de laboratoriumwetenschap leidde tot de ontwikkeling van nieuwe medische specialismen als de bacteriologie en de virologie. Een nieuwe generatie schoolartsen, arbeidsgeneesheren en gezondheidsinspecteurs bouwde de gezondheidsvoorlichting en preventieve geneeskunde uit. Hygiëne en ‘handen wassen’ geraakte ingeburgerd. De verspreiding van de kennis over micro-organismen bij het brede publiek leidde bovendien tot het beeld van een strijd tegen een ‘onzichtbare vijand’ – een mobiliserend beeld dat we vandaag volop zien terugkeren in de berichtgeving over de coronaepidemie. Maar de hygiënisten werden ook het slachtoffer van hun eigen succes. Na de Spaanse griep verdwenen de verwoestende epidemieën grotendeels uit Europa. Zij werden een zaak van verre landen. Cholera transformeerde tot een tropische ziekte. De studie van epidemieën in Europa werd een zaak van historici, zo leek het wel.

De tijden zijn intussen veranderd. Eerst met SARS en nu COVID-19 zijn epidemische infectieziekten opnieuw een realiteit geworden. Het discours van een ‘onzichtbare vijand’ en de hygiënisten – nu: virologen – zijn helemaal terug in beeld. Dat geldt ook voor hun wetenschappelijke logica die een ziekte tegelijkertijd als epidemie construeert én beheersbaar maakt. We herontdekken daarbij een stuk van ons verleden. Dat wil zeggen: we maken opnieuw kennis met een collectieve kwetsbaarheid die we ‘voorbij’ hadden gewaand, die we tot voor kort als iets van het verleden hadden beschouwd. Tegelijkertijd blijken de mechanismes waarmee we die kwetsbaarheid het hoofd bieden evenzeer historisch verankerd. Het vatten van een epidemie in cijfers is een beproefd frame waarvan de politieke en sociale vertaling om veel wijsheid vraagt.

Joris Vandendriessche is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van (wetenschappelijke) kennis, geneeskunde en universiteit. Momenteel doet hij onderzoek naar publicatiecultuur en piraterij in de negentiende-eeuwse wetenschap.

Titelafbeelding: Map Exhibiting the Progress of the Late Epidemic Cholera from Hindostan to Great Britain. Credit: Wellcome Collection. Attribution 4.0 International (CC BY 4.0).

De Vlaamse Beweging lustte ook wel Frans

Het werd met wat gelach en discussie ontvangen, de opmerking van Zuhal Demir dat ‘ballekes in tomatensaus’ een plaats verdienen in de Vlaamse canon. Hoewel ze het niet echt ernstig bedoeld had, toont het voorval aan hoe sterk een land (of voor Vlaanderen: een aspirant-land?) geassocieerd wordt met zijn keuken.

Nationale keukens zijn bijna algemene kennis. Wie kent er geen typisch Frans, Duits of Mexicaans gerecht? Hoe vaak niet is de gevel van een Grieks, Italiaans of Chinees restaurant versierd in de nationale kleuren? Als Vlaanderen dan toch in een lijstje vastgelegd moet worden, kunnen gerechten bijna niet ontbreken. Toch was dat voor de Vlaamse Beweging in het verleden lang geen noodzakelijkheid. De promotie van een zogenaamd Vlaamse keuken is een vrij recent fenomeen.

Frankrijk domineert de keuken

Auguste Escoffier (1846-1935) en Paul Bocuse (1926-2018): twee belangrijke chef-koks voor de ontwikkeling van de Franse keuken.

Soms is het heel duidelijk hoe de band tussen voedsel en nationaliteit ontstaat. In Hongarije bijvoorbeeld werd goulash al op het einde van de achttiende eeuw opgewaardeerd tot nationaal gerecht, in een poging van de Hongaarse elite om het volk te verenigen rond een gekende boerenstoofpot. In België gebeurde dat niet. Na 1830 probeerde men wel op tal van manieren een Belgisch gevoel aan te wakkeren, maar niet in de keuken. De voornaamste reden daarvoor was de absolute dominantie en uitstraling van de Franse keuken. Door zich vooral daarop te richten, gaf de Belgische elite zichzelf een zekere internationale status.

Alle Belgen verenigen rond een of ander gerecht, laat staan een hele Belgische keuken, was niet aan de orde. Daar bracht de twintigste eeuw verandering in. De burgerij begon regionale gerechten naar een hoger niveau te tillen en als typisch Belgisch te beschouwen. De Franse keuken bleef haar aanzien behouden, maar dat belette niet dat restaurants ook uitpakten met Gentse waterzooi, Mechelse asperges en Brusselse kip als ‘nationale’ gerechten.

Een Vlaams antwoord op de door en door Franse keuken en later de prille Belgische keuken was niet geheel ondenkbaar. De Vlaamse Beweging zette namelijk sterk in op de culturele promotie van de Vlaamse taal, literatuur en muziek. Toch was dat op culinair vlak niet het geval: menukaarten van verschillende feesten die tussen 1900 en 1980 georganiseerd werden door flamingante personen en organisaties vallen op in de afwezigheid van gerechten die expliciet met (een deel van) Vlaanderen geassocieerd worden. Men serveerde daarentegen, net zoals de Belgische burgerij, graag Franse en zelfs andere internationale gerechten, zoals Normandische tong of Noorse kreeft.

Vlaanderen op de (menu)kaart

In 1909 at men nog ‘ossenspier’ in plaats van ‘zwezeriken’ (Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis).

Toch werd voedsel wel degelijk ingezet om Vlaanderen en het Vlaams te promoten, niet via de gerechten, maar wel via de menukaarten waarop die te lezen stonden. Die waren consequent in het Nederlands opgesteld. In de meeste gevallen kon er wel een Frans woordje achterblijven, maar de menu’s droegen duidelijk bij aan de vernederlandsing van het Franse culinaire jargon. Er was ook ruimte voor variatie: bouchées à la reine werden bijvoorbeeld ‘koninklijke kruimelbottekens’, ‘korstgebakjes’ of (uiteraard) ‘koninginnenhapjes’. De menukaarten bevatten trouwens niet gewoon een nieuw Nederlandstalig keukenjargon, maar waren in sommige gevallen ook ware speeltuinen voor taalvirtuozen. Rijm, woordspelingen of gewoon een tot de verbeelding sprekende woordenschat waren geen uitzonderingen. Of daar een ideologisch doel achter zat, is niet zeker, maar sommige opstellers wilden maar al te graag hun eigen creativiteit én de artistieke mogelijkheden van het Nederlands in de verf zetten.

Veel explicieter waren de politieke leuzen die op sommige menukaarten te lezen stonden. Zeker op het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw waren het soms haast volwaardige Vlaamsgezinde pamfletten, met slogans als “In Vlaanderen Vlaamsch!” en “Klauwaart en Geus! Spreekt uw taal!”. In enkele gevallen prijkte er een Vlaamse leeuw of een blauwvoet (de vogel uit een van de ‘Kerelsliederen’ van Albrecht Rodenbach) op de kaarten, of werd alles bijeengehouden met een zwart-geel lint. Ten slotte werden sommige feestmalen vergezeld van een muzikaal programma waarin Vlaanderen bezongen werd. Hoewel de geserveerde gerechten dus niet als Vlaams werden bestempeld, waren de menukaarten en de muzikale omkadering dat duidelijk wel.

Vlaams koken met Boon

Hoewel Boon eenvoud bepleitte, is er op de omslag van Eten op zijn Vlaams geen vierkante centimeter van de tafel onbedekt.

Maar waarom spreekt men vandaag dan wel van een Vlaamse keuken? Dat is voor een groot deel een reactie op de recente internationalisering in de keuken. De toenemende populariteit van vooral Italiaanse en Aziatische gerechten heeft de Franse dominantie verdrongen en gezorgd voor een zeer gevarieerde eetcultuur. De promotie van lokale Vlaamse gerechten en bereidingswijzen moest daar op z’n minst een tegenwicht aan bieden. Die reactie oversteeg wel de Vlaamse Beweging en diende evenzeer om de lokale economie te promoten als om de Vlaamse cultuur te beschermen. Het was verre van een unieke bekommernis van flaminganten en nationalisten.

Een eerder ludieke verdediging van de Vlaamse keuken was al in 1972 te horen in Eten op zijn Vlaams van Louis-Paul Boon. In een toontje dat vandaag wellicht de wenkbrauwen doet fronsen, sprak hij zijn afschuw uit voor “nazi en andere göring” en spoorde de “huisvrouwtjes” aan om opnieuw de ware Vlaamse keuken te bereiden. In ieder geval past Boon in het lange rijtje van mensen die tot op vandaag willen voorkomen dat ‘onze’ keuken vergaat in een zee van rijst, couscous en quinoa.

Leendert Acke is in het academiejaar 2019-2020 masterstudent cultuurgeschiedenis. Hij schrijft een masterproef over de promotie van een ‘Vlaamse’ keuken door de Vlaamse Beweging.

Titelafbeelding: Menukaart van de Guldensporenherdenking op 11 juli 1956 (Collectie Stijn Streuvels, Stad Antwerpen, Letterenhuis).

Congolese vrouwen bij meneer doktoor

In de eerste decennia van de kolonisatie van Congo, tot ruwweg 1920, richtten talrijke epidemieën een ware ravage aan onder de lokale bevolking. Gezondheidszorg was toen verre van een prioriteit voor de koloniale overheid. Een demografische terugval van de Congolese bevolking in het interbellum deed de koloniale machten echter vrezen voor een economische stilstand. Vanuit die bekommernis kwam er meer aandacht voor medische zorg voor de Congolezen.

Materniteit van Coquilhatville (Cocq en Mercken. ‘L’Assistance Obstétricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Moeder- en zuigelingenzorg werden gezien als belangrijke medische domeinen om de dalende bevolkingstrend te doen keren. Volgens de koloniale artsen moesten er zowel meer medische hulp als meer afdwingbare regels komen om moeder en (ongeboren) kind “te beschermen”. Zulke sanitaire en sociale maatregelen geven een mooie inkijk in de ontwikkeling van medische zorg in de kolonie in het interbellum. Tegelijk toont het koloniale gezondheidsbeleid ook hoe de koloniale overheid via geneeskunde de gekoloniseerde bevolking in de gaten trachtte te houden.

Papierwerk

Typerend voor de eerste Belgische medische initiatieven was de flinterdunne grens tussen bureaucratische regelneverij en gezondheidszorg. Gezondheidsdecreten uit het interbellum lijken soms meer hun plaats te hebben in het gemeentehuis dan in een hospitaal. Zo moesten alle geboortes en overlijdens verplicht aangegeven worden ter bevordering van “een efficiënte controle van de bevolking op vlak van procreatie”. Zo’n maatregel gaf dokters een beter zicht op hun patiënten. Tegelijk speelden volkstellingen ook in de kaart van de koloniale staat. Statistieken stelden de overheid immers in staat een beter beeld te krijgen van de kolonie en haar inwoners, en om het gigantische maar vaak onbekende gebied bestuurbaarder te maken.

Congolese zwangere vrouw (Cocq en Mercken. ‘L’Assistance Obstétricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Een ander bekend voorbeeld van medische ambtenarij, ingevoerd in 1910 om de verspreiding van slaapziekte tegen te gaan, is het medisch pasje. Dit dienden Congolezen op zak te hebben om te bewijzen dat ze gezond waren en zich mochten verplaatsen. Na verloop van tijd mochten zwangere vrouwen niet meer reizen. Dit verkleinde het risico op besmetting en het verspreiden van ziektes, maar het betekende tegelijk een ernstige inperking van de bewegingsvrijheid van de Congolezen – met name van vrouwen.

Thermometers en washandjes

Op medisch vlak vonden artsen vooral het organiseren van pre- en postnatale consultaties cruciaal om de zuigelingensterfte tegen te gaan. Vrouwen werd onderwezen in hoe ze “een goede moeder moesten zijn” en baby’s werden regelmatig gewogen. Moeders begeleiden terwijl ze hun kinderen voedden, was ook een belangrijk onderdeel van postnatale consultaties. Met beloningen als dekentjes werden Congolese vrouwen naar de materniteit “gelokt”. Gevolg van deze frequente consultaties was dat dokters in grote mate konden sturen hoe een dag of week van een Congolese moeder eruit zag. 

Vroedvrouwen in opleiding uit Stanleyville (Cocq en Mercken. ‘L’Assistance Obstétricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Op bevallingen kregen Belgische artsen veel minder gemakkelijk vat. Het medisch personeel had moeite om zwangere vrouwen naar de medische posten te krijgen om daar te bevallen. De vrouwen keken immers met argwaan naar deze witte dokters. Dokters probeerden dit wantrouwen weg te nemen door lokaal medisch personeel in te lijven. Congolese vroedvrouwen moesten helpen bij het opnemen van de temperatuur, ontsmetten, wassen en bij de bevalling zelf. Zij werden verondersteld makkelijker het vertrouwen van de bevolking te winnen.

Vaderlijke autoriteit, moederlijke zorg

De Congolese bevolking moest echter niet alleen geteld en gestuurd worden, hun gedrag moest ook veranderd worden. Witte geneesheren waren ervan overtuigd dat veel Afrikaanse culturele en medische gewoontes schadelijk waren voor moeder en kind. De autoriteit van lokale geneesheren was een doorn in het oog van de medische instanties. “Ook al zijn de tovenaars schijnbaar niet direct betrokken bij de bevalling, indirect is hun invloed enorm nefast,” stelde een rapport uit de jaren ’30. Volgens Belgische artsen straften ze bijvoorbeeld vrouwen wier kind overleden was. Zo’n straf kon volgens één arts bijvoorbeeld het vastketenen van de vrouw in volle zon zijn, met onvruchtbaarheid tot gevolg. De Belgische artsen eisten ook een strengere reglementering van anticonceptie en abortus, hoewel ze zelf toegaven dat abortus volgens hen nauwelijks voorkwam op het koloniale grondgebied.

Abortieve plant (Cocq en Mercken. ‘L’Assitance Obstetricale Au Congo Belge’, Gynécologie et Obstétrique 31 (1935), 401-516).

Koloniale artsen hadden ook een duidelijke mening over hoe het ideale gezin er moest uitzien. Alle vormen van polygamie, dat een ware obsessie was voor sommige kolonialen, moesten aan banden gelegd worden. Het monogame, liefst katholieke kerngezin, was de beste garantie op veel en gezonde kinderen. Een arts sprak in 1935 van “het behouden van de cohesie van de familie middels het versterken van de vaderlijke autoriteit.” De sociale rolverdeling maakte van de man de voornaamste kostwinner en verwees de moeder met haar – liefst talrijke – kroost naar de haard. Vrouwen werd verboden zwaar werk te verrichten, zeker in de periode van haar zwangerschap. Het krijgen van veel kinderen moest beloond worden. Het bourgeoishuwelijk werd niet alleen gezien als moreel deugdelijk maar ook als bevorderlijk voor de gezondheid van het individu en de samenleving.

De koloniale overheid hoopte met haar maatregelen de kindersterfte terug te dringen en de bevolking stabiel te houden. Maar medische zorg ging nooit enkel over gezondheid. Meer medische en administratieve verplichtingen betekenden ook meer controle. De verplichte aangifte van geboortes gaf de overheid de mogelijkheid de Congolese bevolking meer in kaart te brengen. Witte artsen zagen pre- en postnatale zorg bovendien als hét medische domein bij uitstek om de gekoloniseerde Congolezen cultureel en moreel te beïnvloeden. Het monogame kerngezin met een werkende vader, een moeder aan de haard en talrijke kinderen werd gepropageerd als de beste garantie voor een “gezonde” samenleving. Zorg voor moeder en kind was op die manier zowel een medisch doel als een middel om de Congolese samenleving diepgaand te veranderen.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1900-1965.

Wat je altijd al hebt willen weten over de pornodocumentaire

Gastblog door Leon Janssens.

Als we aan documentaires denken, denken we al snel aan wilde dieren, weidse landschappen en de wervende stem van de Britse documentairemaker David Attenborough. In de jaren 1960 onderwierpen filmmakers echter een heel ander thema aan hun kritische cameralens: seks. Zulke films waren een ‘Duitse specialiteit’. Via een achterpoortje in de wetgeving, waarmee de autoriteiten wetenschappelijke kennis wilden beschermen tegen censuur, produceerde de porno-industrie massaal ‘maatschappelijk verantwoorde’ pornofilms. De bedoeling was natuurlijk vooral om de kijker zoveel mogelijk ontblote borsten en seksscènes te tonen.

Afbeelding uit Aris, Bruxelles la nuit: physiologie des établissements nocturnes de Bruxelles, Brussel, 1871.

Dat pornografen hun erotische teksten en beeldmateriaal vermomden als wetenschappelijke kennis was niets nieuw onder de zon. Vanaf 1840 werden er bijvoorbeeld boeken geschreven waarin specifieke volkeren, steden en sociale groepen zoals vrouwen en de lagere sociale klassen wel erg grondig uit de doeken werden gedaan. Een mooi voorbeeld is het boek Bruxelles la nuit: physiologie des établissements nocturnes de Bruxelles waarin elk Brussels bordeel, en de aanwezige vrouwen, in geuren en kleuren worden beschreven.

De pornodocumentaire uit de jaren 1960 diende dan wel niet als erotische stadsgids, toch zijn de gelijkenissen groot. Ook deze films schonken vooral aandacht aan het seksleven van specifieke sociale groepen zoals huisvrouwen, schoolmeisjes en prostituees. De meest bekende en populaire serie was Schoolgirl Report waarin het seksleven van middelbare schoolmeisjes centraal staat. In de periode 1970-1980 ging er quasi geen week voorbij waarin niet een van de meer dan tien episodes in Vlaanderen werd vertoond. Het succes van dat soort films ontging ook de Katholieke Filmliga niet. Die organisatie trachtte de katholieke Vlaming via recensies op de hoogte te houden van welke film hij wel, maar vooral ook niet, moest gaan bekijken. Zo schreef zij in 1973 een filmrecensie voor de film Hausfrauen Report waarin ze stelden: “De techniek is gekend, aan de hand van voorbeelden wordt er wetenschappelijk kommentaar geleverd die uiteraard kort en krachtig is opdat het aangehaald voorbeeld in het lang en in het breed uit de ‘kleren’ zou kunnen gedaan worden”.

Leon Janssens is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de angst voor pornografie op het einde van de negentiende eeuw.

Seks verkopen in negentiende-eeuws Antwerpen

Gastblog door Pieter Vanhees.

Het zal u misschien verbazen, maar in het negentiende-eeuwse België waren regels voor vrouwen in prostitutie duidelijker dan vandaag. Bijna elke stad en grote gemeente vaardigde een gedetailleerd prostitutiereglement uit. Vrouwen die leefden en werkten op de Antwerpse Rietdijk, een befaamd Red light district, konden hierover meespreken. Toch namen veel vrouwen het niet zo nauw met de regeltjes: ze zochten de grenzen ervan op in hun streven naar betere werk- en leefomstandigheden.  

Eerste stappen ‘op den trottoir’

De bordelen op de Haringvliet en op de Burchtgracht vormden de ruggengraat van de getolereerde prostitutie (© Felixarchief, 12#4202).

Het prostitutiereglement dat het Antwerpse stadsbestuur in 1852 uitvaardigde was een verregaande poging om de activiteiten en het leven van de voornaamste spelers in de sekssector te omkaderen. Het reglement stond prostitutie slechts toe binnen welbepaalde ruimtes. Huismeiskens woonden en werkten in door het stadsbestuur erkende publieke huizen. Zowel het eerste contact tussen vrouw en klant als de seksuele activiteiten en de betaling gebeurden er onder toezicht van een alwetende maîtresse de maison.

Afgezonderde meiskens, daarentegen, werkten op zelfstandige basis, maar ook zij werden geweerd uit de publieke ruimte. Ze konden klanten ontvangen in hun eigen woning, maar vaker gebeurde dit in erkende koppel- of rendez-voushuizen. Hier konden kamers worden gehuurd voor korte tijd of voor een hele nacht. In de praktijk hadden Afgezonderde meiskens echter geen andere keuze dan de straat op te gaan op zoek naar klanten. Het stadsreglement liet nochtans weinig ruimte voor tippelen. Artikel 28 verbood onder andere: het dragen van onzedige kleeding op straat, zichtbare verleidingspogingen aan de deur of in het raam van een woning, individueel of in groep drentelen en het aanspreken van mannen. In realiteit bleven deze verbodsbepalingen vaak dode letter. Niet alleen hielden prostituees er weinig rekening mee, de politie trad ook pas streng op wanneer hun gedrag aanleiding gaf tot buurtprotest.

Verhuizen, schrappen of ontsnappen?

Matrozen die aanmeerden ontvingen dit visitekaartje. Voor hen was het duidelijk dat er hier meer mogelijk was dan het verorberen van een hapje en een drankje (© Felixarchief, 731#383).

Vrouwen die volgens de regels seks binnenskamers wilden verkopen, konden niet anders dan zich laten registreren als publieke vrouwen. Bij inschrijving moesten ze hun identiteitspapieren (‘reispassen, geboortebrieven en andere stukken den burgerlyken stand der opgeschrevene vrouwen aenduidende’) achterlaten in het centrale politiebureau. Ook moesten ze hun verzoek zelf indienen om te vermijden dat ze tegen hun wil, bijvoorbeeld door een bordeelhoudster, werden ingeschreven. Vrouwen in prostitutie ervoeren zo’n registratie echter als vervelend. Tot ongenoegen van de zedenpolitie verkozen ze vaak illegale prostitutiehuizen, van waaruit ze zonder inschrijving konden werken, boven de erkende publieke huizen.

De documenten terugkrijgen en uit het register geschrapt worden, kon slechts op twee manieren. Ten eerste door toestemming aan de burgemeester te vragen om een punt te zetten achter een loopbaan als prostituee. Vaak werd een dergelijk verzoek ingediend door een vrouw die beweerde te willen stoppen met prostitutie, maar het kon evengoed van de hand van een familielid of partner zijn. In 1868 voerde de 36-jarige Catharina aan dat zij in het publieke huis, waar zij 13 jaar woonde, de laatste vier jaar enkel nog huishoudelijk werk deed. Nu vond ze het tijd om te trouwen en te gaan samenwonen met haar aanstaande, maar tegelijkertijd wilde ze aan de slag blijven als werkvrouw in publieke huizen. De politiecommissaris, die haar dossier behandelde, raadde de burgemeester aan in te gaan op haar verzoek. Dit betekende het einde van Catharina’s officiële carrière als prostituee.

In principe konden vrouwen ook uit het register verdwijnen door de stad te verlaten. Elders een nieuw leven beginnen werd hen echter niet gemakkelijk gemaakt. Ze kregen dan misschien wel hun identiteitspapieren terug, maar moesten ook een attest van domiciliewijziging meenemen. Dit document, waarop hun vorige beroep vermeld stond, moest worden afgegeven aan de politie van de nieuwe woonplaats. Het stigma van prostitutie verhuisde met andere woorden mee. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke verhuizende prostituee ‘den trottoir’ achter zich wilde laten. Veel sekswerkers in deze periode waren echte migratiepioniers, steeds op zoek naar nieuwe en betere carrièremogelijkheden binnen de sekssector.

Bij de dokter

Een nog belangrijkere reden om het officiële circuit te omzeilen, was het onontkoombare doktersbezoek. Antwerpse prostituees moesten zich om de 6 dagen melden bij een arts voor een gynaecologisch onderzoek. Vele vrouwen vonden deze controle bijzonder onaangenaam. Zij moesten zich blootstellen aan het oog van stedelijke artsen die met een speculum speurden naar sporen van geslachtsziektes zoals syfilis en gonorroe. Dit gebeurde aan de lopende band: dokters besteedden hoogstens enkele minuten aan elk onderzoek.

Het huidige Schipperskwartier, waar bepaalde vormen van prostitutie worden toegestaan, bevindt zich niet ver van de negentiende-eeuwse Rietdijk (© Pieter Vanhees).

Ook waren er financiële redenen om zulke doktersbezoeken te mijden. Niet alleen was het visiet betalend, ook liepen prostituees beroepsinkomsten mis. Ze werden namelijk gedwongen opgenomen in het Sint-Elisabeth gasthuis bij vaststelling van een ziekte, en mochten pas terug aan het werk als ze genezen verklaard waren. Dat overkwam bijvoorbeeld de 19-jarige serveuse Marie. Zij werd samen met haar bazin in de achterplaats van een café aangetroffen terwijl ze zich dronken liet voeren. Vervolgens werd ze aangehouden en opgesloten in de stadsgevangenis. Bij medisch onderzoek bleek ze ‘licht aangetast door syfilis’ waarna ze naar het ziekenhuis werd overgebracht.

Zulke verplichte ziekenhuisverblijven die lang konden duren, waren geen reclame voor het gereglementeerde sekscircuit. Het is moeilijk om een goede schatting te geven van het aantal vrouwen dat voor de officieuze sector koos, maar waarschijnlijk ging het om een veelvoud van het aantal dat in erkende huizen actief was.

Pieter Vanhees is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de sociale geschiedenis van prostitutie in de negentiende en twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Het Antwerpse Prostitutiereglement van 1852 (© Felixarchief, 731#365).

Een priester, een mes en een zwangere vrouw

Wat als een zwangere vrouw sterft voor haar baby is geboren? Zo’n scenario, waar we vandaag liever niet aan denken, was in de negentiende eeuw een reële angst. De postmortale keizersnede vormde voor artsen een laatste reddingsboei om een levensvatbaar kind uit de schoot van een overleden vrouw te bevrijden. Maar ook priesters en andere katholieken hadden zo hun redenen om het mes in eigen handen te nemen. Elke ongedoopte dode foetus betekende immers een verloren ziel.

Leve de foetus

Foetus in de baarmoeder (Wellcome Collection. CC BY).

De keizersnede bij een pas overleden vrouw was in het negentiende-eeuwse België een vrij uitzonderlijke noodoperatie. Meestal gingen artsen over tot de ingreep nadat een vrouw voor het einde van de bevalling haar laatste adem had uitgeblazen. Toch koesterden maar weinig dokters illusies over het succes van postmortale ingrepen. Als het kind de operatie al overleefde, dan stierf het meestal enkele ogenblikken later. Van de achttien gedocumenteerde postmortale keizersneden die tussen 1845 en 1889 in de Brusselse ziekenhuizen werden uitgevoerd, is er bijvoorbeeld slechts één succesvolle keizersnede gerapporteerd.

Vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk betreurden echter dat zulke keizersneden enkel in een vergevorderd stadium van de zwangerschap plaatsvonden. De Belgische aartsbisschop Engelbert Sterckx maakte zijn bezorgdheid duidelijk aan de bestuurders van de Brusselse ziekenhuizen. In een brief uitte hij zijn ongenoegen over de vele zieltjes die dreigden verloren te gaan: “Artsen en chirurgen weigeren een operatie uit te voeren als het kind niet levensvatbaar is of als het de termijn van 7 maanden niet heeft bereikt. Dit is een ernstig misbruik dat veel pijn heeft veroorzaakt, gezien het grote aantal kinderen dat niet werd gedoopt en daarom van de hemelse gelukzaligheid is beroofd.” Zijn pleidooi vond maar weinig gehoor bij het bestuur van de ziekenhuizen dat te kennen gaf dat alle keizersneden naar behoren waren gebeurd. Bovendien, zo kreeg de aartsbisschop te horen, waren ziekenhuizen geen religieuze instellingen maar plaatsen waar gezondheidszorg centraal stond.

Religieuze plichten

Een zeldzame visuele getuigenis van een postmortale keizersnede uit 1730, met links de overleden vrouw op een draagbaar, een dokter die de baby presenteert en rechts op de tafel het doopwater (Bayerisches Nationalmuseum, München).

Het pleidooi van de aartsbisschop voor het zielenheil van ongeboren leven is maar een voorbeeld van een bredere katholieke promotiecampagne die vanaf de achttiende eeuw werd gevoerd. Via dooprichtlijnen benadrukten priesters en theologen de noodzaak van de doop bij alle ongeboren kinderen die in levensgevaar verkeerden, zelfs al ging het om een voor het blote oog onzichtbare embryo. Die plicht om ieder levend wezen te ‘nooddopen’ kwam in de eerste plaats toe aan de ervaringsdeskundigen bij bevallingen: dokters en vroedvrouwen. Belgische kerkelijke richtlijnen uit 1851 gaven hen instructies mee over de verschillende manieren waarop ze de doop konden toedienen tijdens zwangerschappen en geboortes. Maar daar bleef het niet bij. Volgens diezelfde richtlijnen eiste de Katholieke Kerk een daad van katholieke naastenliefde van iedereen die zich in de buurt van een stervende zwangere vrouw bevond. Als er geen arts te bespeuren was, werden priesters en andere katholieken met andere woorden geacht om na haar overlijden zelf in actie te komen.

Enkelingen voegden ook effectief de daad bij het woord. Een aantal controversiële incidenten op het Belgische platteland haalden de Belgische kranten, zoals een voorval in Aartrijke in 1867. Een plaatselijke vroedvrouw, mevrouw Vandenbussche, werd er door een even plaatselijke priester overgehaald om met een zakmes een dubbele snede te maken in de buik van een overleden zwangere vrouw. Zonder de foetus eruit te halen, had de priester wat doopwater gegoten over de foetus, waarna de vroedvrouw meteen overging tot het hechten van de buik. De foetus werd geschat op een viertal maanden.

Voor de rechtbank, of toch niet

Diagram met verschillende mogelijke keizersneden (Wellcome Collection. CC BY).

Het incident in Aartrijke bracht een groot publiek debat op gang over de noodzaak van een wet om lijken te beschermen en de veiligheid van schijnbaar dode personen te garanderen. Want wat als een diepgelovige katholiek zonder een doodsverklaring het mes in een vrouw zette die dood leek, maar in feite nog leefde? Verschillende opeenvolgende rechtszaken maakten duidelijk dat er geen enkele Belgische wet bestond die wie dan ook ervan moest weerhouden om onbegraven lichamen open te snijden. Deze controversiële vaststelling was het startpunt van vurige publieke discussies tussen liberale antiklerikale voorstanders van zo’n wet en katholieke tegenstanders. Omstreeks 1870 werd er in het Belgische parlement effectief een wetsvoorstel ingediend, maar tot een wet is het uiteindelijk nooit gekomen.

Ook in de decennia na het parlementair debat bleef de bekommernis om de ziel van de foetus voor katholieken een dringende reden om postmortale keizersneden te doen. Kranten brachten enkele incidenten aan het licht waarbij priesters zelf keizersneden op gestorven vrouwen hadden uitgevoerd. Wanneer de laatste postmortale keizersnede door een onervaren katholiek in België plaatsgreep, is moeilijk in te schatten. In elk geval gaf de Heilige Stoel, het centrale bestuursorgaan van de Katholieke Kerk in Rome, in 1899 een officieel antwoord op de vraag of geestelijken zelf een keizersnede moesten uitvoeren bij overleden vrouwen. De nieuwe richtlijnen benadrukten nogmaals het belang van christelijke naastenliefde om foetussen uit de buik van de vrouw te halen. Van priesters werd verwacht dat zij hemel en aarde zouden bewegen om plaatselijke artsen zover te krijgen om een keizersnede te doen. Maar, zo stelde de Heilige Stoel, het was niet aan hen om zich te bemoeien met de eigenlijke operatie, laat staan deze zelf uit te voeren.

Meer lezen.

Gijbels, J. (2019). “Medical Compromise and Its Limits: Religious Concerns and the Postmortem Caesarean Section in Nineteenth-Century Belgium”. Bulletin of the History of Medicine, 93 (3), 305-334.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van verloskundigen en gynaecologen in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Plate 78, Surgical technique for caesarean section. Credit: Wellcome Collection. CC BY.