5 revolutionaire uitvindingen waar niemand in geloofde

In de negentiende en vroege twintigste eeuw oefenden wereldtentoonstellingen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Het waren feesten van vooruitgang, waar je kennis kon maken met nieuwe vormen van entertainment maar ook met de allerlaatste technologieën. Bovenal waren het manifestaties van het industriële kapitalisme. Een groeiend aantal (massa)producenten zocht internationale afzetmarkten voor hun producten en de wereldtentoonstellingen boden hen een manier om miljoenen potentiële klanten te bereiken.

De wereldtentoonstelling bracht echter niet voor alle fabrikanten het verhoopte succes. Dit is een lijst van uitvindingen die op een wereldtentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond werden en daar maar weinig succes kenden. Na technologische verbeteringen konden ze toch een belangrijke plaats in onze moderne samenleving veroveren.

  1. De ritssluiting (Chicago World’s Fair, 1893)

Het vroegste idee voor een ritssluiting kwam van de Amerikaan Elias Howe, die er in 1851 een patent op nam. Verdere stappen ondernam Howe echter niet, vermoedelijk omdat hij het te druk had met het op punt stellen van een andere uitvinding, de naaimachine.

Pas 44 jaar later bedacht Withcomb Judson, een mechanisch ingenieur uit Chicago, een sluiting gelijkaardig aan wat Howe had beschreven in zijn patent. Hij ontwierp een metalen treksluiting bestaande uit twee rijen, eentje met ogen en eentje met haken, die in elkaar konden grijpen. Nadat hij in 1891 een patent op zijn uitvinding had verkregen, startte hij een bedrijfje op in Hoboken, New Jersey, om de sluiting te commercialiseren. In 1893 toonde hij de meest recente versie op de Wereldtentoonstelling in Chicago. Er was helaas één fundamenteel probleem: de sluiting ging steeds vanzelf terug open. Het mag dan ook niet verbazen dat onder de 20 miljoen bezoekers aan de Chicago World’s Fair er maar één geïnteresseerde koper gevonden werd: de U.S. Postal Service  kocht 20 exemplaren om er hun postzakken mee af te sluiten.

De ritssluiting werd niettemin nog niet afgeschreven. Na jaren van studie werd in 1913 binnen het inmiddels overgenomen bedrijf van Judson, de Universal Fastener Company, alsnog een goedwerkende rits ontworpen. Het was de Zweeds-Amerikaanse ingenieur Gideon Sundback die dit voor elkaar kreeg door de haken en ogen te vervangen door tandjes en inkepingen. De timing zat goed: de ritssluiting stond net voor de Eerste Wereldoorlog op punt en vond een gretige afnemer in het Amerikaanse leger.

Het duurde nog twintig jaar om de mode-industrie te overtuigen van het nut van een ritssluiting. Er waren immers voldoende en prima alternatieven voorhanden. De producenten van ritsen en hun marketingafdelingen wisten rond het midden van de jaren 30 ten slotte toch een brede markt aan te boren, in eerste instantie door handig in te spelen op het (imaginaire) probleem van wat in het Engels ‘gaposis’ wordt genoemd, namelijk de ongewenste inkijk via de gaten tussen de knoopsluiting van strak zittende kledij. Ritssluitingen werden gepromoot als de oplossing voor dit gênante fenomeen. Een ander verkoopargument, namelijk dat de ritssluiting het uitkleden aanzienlijk versnelde, wist dan weer de meer warmbloedige consumenten te overtuigen.

  1. De zelfrijdende auto (New York World’s Fair, 1964)

Al in 1939 werd op de wereldtentoonstelling in New York gedroomd van zelfrijdende auto’s, die via radiobesturing vanuit een centrale toren veilig en vlot over de autostrade zouden geleid worden. In 1964 konden bezoekers aan het paviljoen van General Motors op de New York World’s Fair een prototype van een zelfrijdende auto bewonderen, de Firebird IV. Net als zijn eerdere naamgenoten was het ontwerp van deze auto geïnspireerd door de vormgeving van vliegtuigen en straaljagers in het bijzonder. Ondanks zijn aerodynamische uiterlijk haalde de Firebird IV geen hoge snelheden, want de auto was nog niet operationeel. Met het ontwerp wilde GM hun toekomstbeeld presenteren van een auto die zijn passagiers zelf doorheen het verkeer op de autosnelweg zou loodsen en dit tegen tweemaal de toen gangbare snelheid. De bestuurder zou zelf terug controle over het voertuig krijgen zodra hij de snelweg verliet.

Maar verder dan het prototype geraakte General Motors niet en het idee werd in de vroege jaren 1980 naar de prullenmand verwezen. Twee decennia later werd het terug opgepikt en de droom van GM is intussen bijna werkelijkheid.

  1. De faxmachine (Great Exhibition, Londen, 1851)
Image Courtesy of Old School Ads (via BizTech)

Het concept van de faxmachine  bestaat al sinds 1843, toen de Schotse uurwerkmaker Alexander Bain een patent nam op een ‘kopieertelegraaf’. Het principe behelst een elektrische machine met twee slingers, één in de verzender en één in de ontvanger, die gesynchroniseerd bewegen. Het lukte Bain echter niet meteen dit principe ook succesvol in de praktijk te brengen. De Brit Frederick Bakewell slaagde hier, dankzij zijn technologische verbeteringen aan Bains ontwerp, wel in. Hij demonstreerde zijn werkende machine op de Great Exhibition in Londen in 1851, tot grote ergernis van Bain, die gelijktijdig met een verbeterde versie kwam.

Ondanks verdere aanpassingen die toelieten om niet enkel handgeschreven berichten maar ook afbeeldingen over grote afstanden verzenden en ontvangen, bleef de grote doorbraak van de faxmachine uit. Er bleven immers teveel praktische problemen mee verbonden, zoals synchronisatie en de hoge kost voor de gebruikers. Het publiek dat op de New Yorkse wereldtentoonstelling van  1939 de eerste echt commercieel levensvatbare versie van de fax te zien kreeg, was zich er dan ook niet van bewust dat de uitvinding toen al bijna 100 jaar oud was. Grootschalig succes en zelfs een hip imago kende de fax uiteindelijk pas in de jaren 1970 en 1980, tijdens het yuppie –tijdperk.

  1. Een drijvende stad (Okinawa Ocean Expo, 1975)

Lang voor het Seasteading Institute in 2008 haar onderzoek startte naar de mogelijkheden van permanente, op zee drijvende steden, tekenden Japanse architecten al plannen voor drijvende luchthavens. Op de Expo’75 in Okinawa, een thematische wereldtentoonstelling gewijd aan oceanen en oceanografie, stelden ze bovendien hun plannen voor om delen van de oceaan te urbaniseren. De blikvanger van de tentoonstelling was Aquapolis, een drijvende stad ontworpen door de Japanse architect Kiyonori Kikutake en een prototype voor woongemeenschappen op zee.

  1. Humanoïde robots (New York World’s Fair, 1939)

Elektro, de robot die werd ontworpen en gerealiseerd door de Westinghouse Electric Corporation tussen 1937 en 1938, was zeker niet de eerste humanoïde robot. Al in 1495 bijvoorbeeld realiseerde Leonardo da Vinci een mechanische ridder die verschillende maar zeer eenvoudige handelingen kon uitvoeren zoals zitten, staan en de armen bewegen. Ook Elektro had buiten zijn amusementswaarde weinig te bieden – hij kon geen huishoudelijke taken op zich nemen of mensen anderszins assisteren. Bij zijn publieke debuut op de wereldtentoonstelling van 1939 was hij echter voor zowat alle bezoekers de eerste ontmoeting met een menselijk uitziende robot en met zijn lengte van 210cm en goudkleurige aluminium aankleding was hij een indrukwekkende verschijning. Hoewel Westinghouse honderdduizenden dollars investeerde in Elektro, beknotte de rudimentaire technologie van de dag echter letterlijk zijn bewegingsruimte. Hij kon 26 simpele handelingen uitvoeren, zoals wandelen, ballonnen opblazen en roken(!) en 700 woorden zeggen dankzij de 78-toerenplaat in zijn massieve borstkas.

Ondanks dit bescheiden repertoire werd hij de ster van de expo. Bezoekers waren diep onder de indruk van zijn spraakvermogen en van hoe hij in staat was orders te begrijpen en uit te voeren. Bij zijn verschijning op het balkon waar hij zijn kunsten aan het publiek toonde, overschouwde Elektro dan ook in de regel een massa mensen zoals enkel de grootsten der volksmenners die op de been konden brengen. Hij belichaamde het eindeloze vooruitgangsoptimisme dat de wereldtentoonstellingen zo graag wilden uitdragen.

Helaas voor Elektro was de wereld een heel andere plaats na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe tijdperk leek hij hopeloos verouderd, een restant uit eerdere, naïevere tijden. Hij werd dan ook enkel nog als onschuldig entertainment ingezet in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Toen hij ook daar de stempel ‘oubollig’ kreeg, moest Elektro elders aan de bak. Zijn ‘carrière’ bereikte in 1960 een dieptepunt met een rol in de film Sex Kittens Go to College (1960).

Terwijl humanoïde robots vandaag de dag een belangrijke rol spelen in allerhande soorten wetenschappelijk onderzoek, wordt ook de amusementswaarde van dergelijke robots weer geapprecieerd en worden ze vanuit die optiek meer en meer ingezet in de zorgsector. Een comeback van Elektro is dus nog niet uitgesloten.

Tekst: Nelleke Teughels. Titelafbeelding: Hall of Inventions, New York World’s Fair, 1940.

De ontheemde archivaris

Tespesius Dubiecki voelde zich thuis in Aat. De Poolse banneling stelde namelijk vast dat dat Henegouws stadje een Slavische oorsprong had. Belgische historici konden dat niet weten, maar voor Dubiecki was het duidelijk dat de oorspronkelijke Athois tot dezelfde familie behoorden als bijvoorbeeld de Kroaten en de Dalmatiërs. Wat een verrassing!

Tijdens de rest van de negentiende eeuw onderschreven verschillende lokale historici de opmerkelijke these. Pas na zestig jaar werd ze definitief afgewezen. Deze geschiedenis was immers niet op authentieke documenten gestoeld. Een opmerkelijke kritiek, want het was Dubiecki die in de jaren 1840 als eerste orde had gebracht in het stadsarchief van Aat.

Het succes van Dubiecki

De titelpagina van Dubiecki’s La ville d’Ath. Son antiquité, son origine slave, ses époques remarquables, ses archives communales, ses monuments et édifices publics, ses environs, etc. (Brussel, 1847).

De Gemeentewet van 1836 verplichtte ieder gemeentebestuur zijn archief te inventariseren. Vaak ging het om erg oude stukken, die niemand nog kon lezen. Ook Aat werd met dat probleem geconfronteerd, tot Dubiecki zijn diensten aanbood. In vijfhonderdvijfenvijftig dagen rondde hij de inventarisatie af. Amper twintig jaar later werd zijn werk weliswaar volledig overgedaan, omdat de Pool ‘zonder zorg en zonder nauwgezetheid’ zou hebben gewerkt, maar zijn initiële succes toonde dat een wijdverbreide opvatting ongegrond was: niet enkel oude ambtenaren, die tijdens het Ancien Régime zelf archiefstukken hadden voortgebracht, waren in staat met oude archieven om te gaan.

Dat was een erg gelukkige ondervinding, want dergelijke functionarissen waren omstreeks 1840 erg schaars geworden. Van de overblijvende bejaarden kon bovendien niet veel activiteit meer worden verwacht. Dat alles maakte het inventariseringswerk misschien wel lastiger, maar niet onmogelijk. Als zelfs een buitenlander met het archief overweg kon, behoorden die stukken niet langer enkel toe aan een selecte groep van ingewijden. Middeleeuwse stukken waren trouwens al voor veel achttiende-eeuwse ogen onleesbaar – en dus onbruikbaar – geweest.

Archivalische verlangens

Een geordend archief moest in een geschiedenis worden gegoten. Dat deed ook Dubiecki, met zijn bijzondere ontdekking. Zijn verlangen naar zijn geboortegrond was misschien wel opmerkelijk, maar eigenlijk niet uitzonderlijk. In Frankrijk had Augustin Thierry enkele jaren eerder opgetekend dat geen enkele geschiedenis zozeer aansprak als de eigen geschiedenis. Deze woorden werden ook in België met veel enthousiasme gelezen. En de historicus bij uitstek van die geschiedenis, was de plaatselijke archivaris. Dat Dubiecki zo graag wilde bewijzen dat hij in Aat thuishoorde, toont een ander diepgeworteld idee: een archivaris kon enkel in zijn geboortestad werken.

Victor Hermans, Mechelaar van verdienste.

‘Hoewel niet uit de stad afkomstig, want geboren in Antwerpen in 1841, durf ik hopen dat u mijn sollicitatie in overweging zult nemen,’ schreef J.J.P. Vanden Bemden in 1870 in zijn sollicitatiebrief voor de post van Mechels bibliothecaris-archivaris. Het stadsbestuur koos niet voor hem, maar dat had niet noodzakelijk met zijn afkomst te maken. De nieuwe stadsarchivaris was namelijk geboren in Maastricht. Niettemin klonk het veertig jaar later nog altijd dat Victor Hermans ‘weliswaar zonder Mechelaar van geboorte te zijn, toch het mooie Mechelse devies kon overnemen, wat betreft zijn gehechtheid aan oudheden: In fide constans’. Pas na lang en ijverig werken kon ook deze archivaris zich een plaats in de stad verwerven.

De professionele archiefwerker

Achter deze romantische gehechtheid aan de eigen streek school ook een praktische overweging. Wie de functie van archivaris met succes wilde uitoefenen, moest kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving. Bijgevolg was het onmisbaar vertrouwd te zijn met die geschiedenis. Een baan in een archief was bovendien zelden voltijds. Veel archivarissen kregen maar een karig loon. Bij voorkeur werd dan ook iemand aangesteld die al een andere betrekking had, bijvoorbeeld een leraar uit een van de scholen in de stad.

Het examen voor werknemers van de Rijksarchieven omvatte zowel een theoretische als een praktische proef. Vanaf 1903 moesten de examinandi hun kennis van zowel het oud-Frans als het oud-Nederlands bewijzen. Op die manier konden ze als archivaris in het hele land worden ingezet.

De zoektocht naar nieuw personeel voor de provinciale Rijksarchieven verliep oorspronkelijk gelijkaardig. In een universiteitsstad als Gent was het niet moeilijk om in de onmiddellijke omgeving een geschikte kandidaat te vinden, maar bijvoorbeeld in Doornik of Aarlen was de spoeling maar dun. Toch verdween deze lokale verankering pas aan het einde van de negentiende eeuw, toen het archivarissenambt sterk professionaliseerde. Vanaf 1895 moest iedereen die in een Rijksarchief wilde werken, een examen afleggen. Een jonge, actieve groep van gediplomeerde archivarissen ontstond, uitgerust met vaardigheden die overal konden worden ingezet. Op het ritme van hun promoties verhuisden zij van provincie naar provincie.

De lokale verankering werd uiteindelijk ook voor stadsarchivarissen minder belangrijk. Ze verdween echter niet helemaal. Hedendaagse archiefinstellingen plaatsen zich graag midden in het milieu waarvan ze de geschiedenis documenteren. Een archivaris uit de eigen streek kan daar misschien bij helpen, maar onontbeerlijk is dat niet. De Slavische redeneringen van Dubiecki hebben niet alleen hun grond, maar ook hun archivalische noodzaak verloren.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Titelafbeelding: De ‘Tour Burbant’ in Aat werd volgens Dubiecki vóór 300 gebouwd. Zijn theorie vereiste een dergelijke hoge ouderdom van de stad. In werkelijkheid werd de donjon pas omstreeks 1166 opgericht.

4 manieren om embryo’s te bemachtigen in de negentiende eeuw

De vroege stadia van de zwangerschap waren in het begin van de negentiende eeuw een medisch mysterie. De menselijke eicel werd pas ontdekt in 1827; Oscar Hertwig beschreef het principe van de bevruchting voor het eerst correct in 1876. In populaire voorstellingen werd het ongeboren leven veelal weergegeven als een kind in klein formaat: zwangerschap was in deze reeksen geen proces van ontwikkeling, maar louter van groei.

Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.
Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.

In een periode waarin studies over vrouwelijke anatomie frequent verschenen en de vergelijkende embryologie een hoge vlucht nam, bleef de kennis over de menselijke bevruchting en over de ontwikkeling van het menselijke embryo beperkt. Hoewel dit vandaag eigenaardig lijkt, is er een logische verklaring voor de trage ontwikkeling van de menselijke embryologie. In een tijdperk waarin er geen in-vitro technologie bestond, was het niet evident om zicht te krijgen op de eerste dagen en weken van de zwangerschap. Om embryo’s onder hun microscoop te krijgen, waren anatomen aangewezen op hun creativiteit – en op een flinke portie geluk.

  1. Miskramen

In de negentiende eeuw was de meest voorkomende ‘bron’ van embryo’s het miskraam. Wanneer vrouwen in het ziekenhuis onverwacht bloed verloren, grepen medici naar de microscoop in de hoop een embryo te ontdekken. Ook gewone vrouwen leerden om een arts te raadplegen bij abnormaal bloedverlies. De ontwikkeling van de embryologie ging zo hand in hand met een medicalisering van het miskraam, dat niet langer ‘afval’ of ‘klonters bloed’ maar een belangrijk medisch object produceerde: het embryo. Dit had gevolgen voor de ervaring van de zwangerschap: door de ontwikkeling van de embryologie werd het ongeboren leven vroeger als mens (h)erkend.

  1. Per post

In de tweede plaats waren embryologen afhankelijk van hun netwerk om ‘onderzoeksmateriaal’ te verkrijgen. Studenten en alumni werden aangemoedigd om bij interessante gevallen hun professor te contacteren. Dit was aantrekkelijk voor hen, omdat het gepaard ging met professioneel prestige. Een schenking van een interessant preparaat aan het anatomische museum betekende immers een vermelding van hun naam in wetenschappelijke genootschappen en tijdschriften. Om deze reden werden embryo’s en foetussen soms zelfs opgestuurd per post.

  1. Geluk bij autopsie

Miskramen brachten voornamelijk embryo’s voort met een lichamelijke beperking of pathologie, waardoor embryologen moeilijk zicht kregen op de normale ontwikkeling van het ongeboren leven. Daarom spoorden ze pathologen die een autopsie uitvoerden aan om steeds de inhoud van de baarmoeder te bekijken. Je wist immers nooit of de vrouw op de autopsietafel zwanger was geweest. In 1871 zwijmelde een Brusselse embryoloog van blijdschap:

“Een foetus van de eerste maand, integer en omringd door alle relevante organen… Deze vondst leidt tot een zeldzame vorm van geluk bij een oplettende arts.”

  1. Kweekprogramma’s
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.

Om hun kans op dit ‘zeldzame geluk’ te vergroten, gingen embryologen in de jaren 1930 over tot geplande programma’s. De Boston Egg Hunt, georganiseerd door het Carnegie instuut, is vandaag het bekendst. In dit project hoopten embryoloog John Rock en patholoog Arthur Hertig door middel van gynaecologische operaties embryo’s jonger dan veertien dagen oud te vinden. Hiertoe rekruteerden ze getrouwde vrouwen van minder dan 45 jaar oud met minstens twee kinderen, die een hysterectomie (een verwijdering van de baarmoeder) moesten ondergaan. Ze werden gevraagd om een dagboek bij te houden over hun menstruatiecyclus, lichaamstemperatuur en seksleven. Deze data bepaalden de planning van hun operatie, die meestal plaatsvond vlak na de eisprong om zo de kans op wetenschappelijk succes te vergroten. De 34 embryo’s die Rock en Hertig vonden bij 211 onwetende vrouwen, vormen nog steeds de basis voor onze voorstelling van de vroegste 17 dagen – of ‘Carnegie stages’ 1 tot 5 – van het menselijke leven.

Het resultaat

Dankzij deze vier methoden werd de menselijke ontwikkeling in kaart gebracht. In populaire voorstellingen werden de gevonden embryo’s en foetussen gerangschikt van klein naar groot – van bevruchting tot bevalling. Deze reeksen gingen steeds meer de schoonheid en het vernuft van het ongeboren leven belichamen. Toch berustten de eerste representaties van het zich ontwikkelende embryo op miskramen, doodgeboortes en abortus. In een tijdperk zonder in-vitro technologie kon kennis over het leven slechts verkregen worden via de omweg van de dood.

Tekst: Tinne Claes. Titelafbeelding: Hermann Friedrich Kilian, Geburtshülflicher Atlas in 48 Tafeln und erklärendem Texte (Dusseldorf 1835-44). Wellcome Library, London (CC-BY-4.0).

Hoe de moderne identiteit ontstond uit zonden en verlangens

Tussen 1765 en 1770 schreef de Franse filosoof en auteur Jean-Jacques Rousseau zijn Bekentenissen. Hoewel het genre niet echt nieuw was – kerkvader Augustinus schreef meer dan 1300 jaar eerder ook al Bekentenissen – gaf Rousseau in zijn introductie aan dat dit werk toch anders was dan alle andere. “Ik begin aan een onderneming zonder weerga. Ik wil aan mijn medemensen een man tonen in de volledige waarheid van de natuur, en die man, dat ben ik zelf. Ik alleen. Ik voel mijn hart en ik ken de mensen. Ik ben niet zoals degenen die ik gezien heb; ik durf zelfs te geloven dat ik niet ben zoals eender wie op aarde. Ben ik niet beter dan hen, ik ben ten minste anders.”

Portret van Jean-Jacques Rousseau.

Met Rousseau kwam de opvatting op dat het ‘ik’ iets unieks is, iets met diepte, iets met een ware aard die kan blootgelegd worden. In de laatachttiende-eeuwse romans gebeurde hetzelfde: de eenduidige personages van weleer maakten plaats voor uitgebreide schetsen van complexe karakters; oppervlakkige liefdesbetuigingen maakten plaats voor paginalange bespiegelingen over allerinnerlijkste gevoelens. In de hele achttiende-eeuwse cultuur – in autobiografieën, in wijsgerige teksten, in onderwijsprogramma’s – ontstond een bekommernis om de dieptes van het individu. De late achttiende eeuw zag zo het ontstaan van het moderne ‘ik’, van de moderne identiteit. Vanaf dan werd van individuen verwacht dat ze een unieke en stabiele innerlijke kern hadden, een diepe essentie. Het werd hun taak om die essentie te vinden en volgens hun ‘ware aard’ te gaan leven. Mensen moesten authentiek worden. Alleen zo zouden ze gelukkig zijn.

Die nieuwe opvatting verschilde van vroegere opvattingen over identiteit. Tot de vroege achttiende eeuw werd de nadruk daarbij meer op gelijkenis gelegd dan op verschil. Er was meer ruimte om te spelen met identiteiten en er werd meer belang gehecht aan uiterlijk vertoon dan aan ware aard. Je identiteit was hoe je je naar buiten toe gedroeg. Als er al zoiets als een ware aard bestond, dan kwam het er vooral op aan om die te bedwingen.

Toch kwam de nieuwe identiteitsopvatting niet uit het niets. De katholieke biecht en de protestantse religieuze autobiografie promootten al een tijdlang zelfreflectie. Vanaf de zeventiende eeuw begonnen christelijke teksten te focussen op zondige verlangens, niet alleen op de zonden zelf. De achttiende eeuw zag een secularisering van die verlangens: niet langer waren ze ingegeven door duivel, ze kwamen voort uit de eigen individuele aard en uit vroegere ervaringen.

De jonge Rousseau wordt betrapt terwijl hij een appel steelt. Illustratie bij de Bekentenissen (editie 1903).

Ook dat speelde heel duidelijk bij Rousseau. Alleen door te bekennen wat normaal verborgen bleef kon zijn ware aard blootgelegd worden. Rousseau schreef over het seksueel genot dat hij als kind in een aframmeling ervoer, over hoe hij een lint stal en de meid ervan beschuldigde, over hoe hij een reisgenoot in de steek liet toen die onwel werd, over hoe hij zijn kinderen tegen de wil van hun moeder in een vondelingenhospitaal achterliet. Rousseau’s zelfportret is geen fraai beeld van de vermaarde filosoof.

De moderne identiteit is veelal een problematische identiteit. Ze wordt ingevuld met het zondige, het beschamende en het afwijkende.

Elwin Hofman is als Aspirant van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar veranderende zelfopvattingen bij criminelen in België in de late achttiende en vroege negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Nicholas A. Tonelli, Introspection (cc-by-2.0). Andere afbeeldingen: publiek domein.

De 7 grootste wijsheden uit meer dan 38 miljoen boeken

In 1897 opende de nieuwe Library of Congress in Washington, DC. Al wie zich in dat gebouw waagt, moet zich meteen bewust zijn van het belang van de collectie, die intussen meer dan 38 miljoen boeken omvat. Daarom werden de muren van de ‘Great Hall’ onder meer versierd met de grootste boekenwijsheden. De zeven opmerkelijkste zijn:

  1. Science is organized knowledge
  2. There is but one temple in the universe and that is the body of man
  3. The true university of these days is a collection of books
  4. Only the actions of the just smell sweet and blossom in the dust
  5. The history of the world is the biography of great men
  6. Knowledge comes, but wisdom lingers
  7. Ignorance is the curse of God, knowledge the wing wherewith we fly to heaven

De citaten komen uit een weinig universele canon. Ze zijn vooral ontleend aan Britse schrijvers als Shakespeare en Carlyle, aangevuld met antieke en Bijbelse zinsneden. Steeds wordt de mens centraal geplaatst, met een alomvattende kennis om hem heen. Die kennis was direct toegankelijk – tegenwoordig is de bibliotheek wel uitgerust met veiligheidspoortjes – en bruikbaar.

Een deel van de decoratie van de ‘Great Hall’, met onder andere het drukkersmerk van ‘Harper & Brothers’ uit New York.
Een deel van de decoratie van de ‘Great Hall’, met onder andere het drukkersmerk van ‘Harper & Brothers’ uit New York.

Zoals dat hoort in Amerika, was de instelling ondergebracht in het ‘grootste, duurste en veiligste’ bibliotheekgebouw ter wereld. Dat mocht ook wel, want voor de bibliotheek in 1897 in het huidige gebouw terechtkwam, was al twee keer een groot deel van de collectie in vlammen opgegaan. In haar nieuwe huisvesting kon de bibliotheekverzameling werkelijk omvangrijk en universeel worden. De opmerkelijke ‘Beaux Arts’-decoratie moest in woord en beeld duidelijk maken dat de Amerikaanse cultuur aan de Europese kon tippen, en deze zelfs overtrof. Baseball en football werden er op het plafond op dezelfde hoogte geplaatst als de oude Olympische sporten.

Marnix Gijsen, de stem uit Amerika, stelde in de jaren 1920 vast dat de Amerikaanse bibliotheken zich ‘dichter bij het hart des volks’ bevonden dan de Europese. Maar de ‘ontzaggelijk rijke’ Library of Congress, die vond hij maar lelijk.

Meer lezen?

John Y. Cole, On These Walls. Inscriptions and Quotations in the Buildings of the Library of Congress, Washington, DC, 1995.

Marnix Gijsen, Ontdek Amerika, Brussel en Bussum, 1927.

Tekst: Timo Van Havere. Afbeeldingen: Library of Congress, LC-DIG-npcc-30429 en LC-DIG-highsm-02218.

Het criminele lichaam als attractie

De terdoodveroordeelde misdadiger François Rosseel en zijn trawant Guillaume Vandenplas prevelden hun laatste woorden op 18 februari 1848. Op die dag maakte de guillotine prompt een einde aan hun leven. De executie van de criminelen bracht een grote menigte kijklustigen naar de Brusselse Hallepoort. Executies waren immers publieke evenementen met een grote spektakelwaarde.

De publieke terechtstelling van Rosseel en Vandenplas gold als het sluitstuk van de saga van de Saint-Remymoorden, die het publiek wekenlang in de ban had gehouden. Via een uitgebreide krantenverslaggeving konden de Brusselaars de zoektocht volgen naar de daders van een brutale drievoudige roofmoord aan het Brusselse Sint-Goriksplein. De arrestatie van het duo en hun daaropvolgende proces waren smeuïg voer voor de pers. De dood van beide moordenaars was echter nog niet het einde van de saga. Ook na hun dood wekten de geguillotineerde lichamen veel interesse.

Afgehakte hoofden

Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto J. Geleyns.)
Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz.

Lichamen van terdoodveroordeelde criminelen intrigeerden en inspireerden bijvoorbeeld kunstenaars. De excentrieke schilder Antoine Wiertz probeerde via een hypnose-experiment het gevoel van onthoofding te beleven tijdens de executie van François Rosseel. Wiertz beweerde zich te kunnen verplaatsen in het lichaam van Rosseel door middel van hypnose. Op het moment van executie deelde Wiertz dus gevoelens en gedachten met de crimineel die zijn laatste seconden aftelde en het mes van de guillotine voelde klieven. De schilder beleefde het gevoel van de onthoofding als een vreselijke sensatie. Vanuit die ervaring legde hij de gruwel van de doodstraf vast op doek.

Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait. (Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait.

Ook de anatomie van de geëxecuteerde lichamen van criminelen wekte de interesse van kunstschilders. De romantische schilder Louis Gallait bemachtigde als eerste het afgehakte hoofd van de terdoodveroordeelde moordenaar Remy Bomal na diens terechtstelling in 1851. Een half uur na de executie schilderde Gallait een gedetailleerde schets van de anatomische kenmerken, ligging en positie van het geguillotineerde hoofd. Nadien gebruikte de kunstenaar zijn verworven kennis van afgehakte hoofden ter vollediging van een historieschilderij over de zestiende-eeuwse onthoofding van Egmond en Hoorne.

Niet alleen schilders interesseerden zich in de hoofden van geëxecuteerden. Ook anatomen maakten er aanspraak op. Ze verdedigden die aanspraak vanuit hun interesse voor de frenologie, de negentiende-eeuwse hersenleer die bepaalde hersengebieden aan karaktereigenschappen trachtte te koppelen. De Brusselse artsen van het Sint-Jansziekenhuis kregen  in de jaren 1840 de toestemming van het gerecht om de hoofden van ter dood gebrachte criminelen verder te onderzoeken in het anatomisch amfitheater. Dankzij die regeling kon de anatoom Pierre-Joseph-Cécilien Simonart bijvoorbeeld publiceren over de fysionomie van de misdadiger. Simonart vergeleek de anatomische eigenschappen van een terechtgestelde met de gegevens van andere criminelen en concludeerde dat de meest ontwikkelde hersendelen van deze personen correspondeerden met bezitterigheid, een aanleg voor diefstal en geheimzinnigheid.

Een afschuwelijk spektakel

Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen.

Na de voltooiing van de verschillende experimenten werden de schedels van de misdadigers in het anatomische kabinet bewaard. De opname van hoofden in de Brusselse anatomische collectie bracht ook ongewenste aandacht met zich mee. Zo gebeurde het meerdere malen dat de toeschouwers van het executiespektakel zich nadien naar het anatomisch amfitheater begaven om het afgehakte hoofd van dichtbij te bekijken. De anatomen namen maatregelen om de tentoonstelling van de hoofden te vermijden, maar toch kon een mensenmassa verschillende malen het amfitheater binnendringen.

Bij de overdracht van het hoofd van Pierre Janssens in 1855 kwam een massa kijklustigen opdagen. Het personeel van het amfitheater riep daarom de hulp in van de politie om de menigte te beheersen, maar rapporteerde nadien dat zelfs de agenten meer interesse toonden in het hoofd van de misdadiger dan in de uitoefening van hun ambt. De hospitaaladministratie vond de tentoonstelling van de hoofden hoogst ongepast en ook de algemene pers bestempelde het voorval als een ‘afschuwelijk spektakel’. De afkeuring van de tentoonstelling van de hoofden getuigt van een veranderende spektakelcultuur waarbij het niet langer wenselijk werd geacht om wetenschappelijke collecties open te stellen voor een breed publiek.

Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.
Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.

Nochtans was het net de groeiende populariteit van de frenologie bij een niet-medisch publiek die de nieuwsgierigheid naar de echte hoofden stimuleerde. Zo rapporteerde een krant dat veel toeschouwers op het proces van Remy Bomal enkel aanwezig waren om de gelaatstrekken van een moordenaar te bezichtigen. Ook de populariserende anatomische musea (gericht op een lekenpubliek) namen kopieën van hoofden van criminelen op in hun collectie. Bezoekers maakten er verder kennis met de frenologische leer en leerden het typische uiterlijk van de misdadiger herkennen.

Vele misdadigers verwierven een zekere beroemdheid tijdens hun proces en hun faam bleef ook na hun dood verder leven. Verhalen van spectaculaire moorden werden opgenomen en rijkelijk geïllustreerd in sensatieboeken die ‘juridische drama’s’ bundelden. Wassenbeeldenmusea verbeeldden gruwelijke moordtaferelen aan de hand van poppen in hun tentoonstelling. Net omdat criminelen vaak niet werden begraven was een trip naar het universitaire anatomische museum aanlokkelijk voor het publiek om contact te maken met het lichaam van een ‘celebrity’. Voortaan werd een niet-medisch publiek het privilege ontzegd om in aanraking te komen met de relieken van het criminele lichaam. Als alternatief bezochten belangstellenden populariserende anatomische musea (met kopieën van schedels en marmeren bustes) om een glimp van de glamour van het criminele lichaam op te vangen.

Meer lezen?

Sarah Tarlow, ‘Curious afterlives: the enduring appeal of the criminal corpse’, Mortality 21 (2016), 210-228.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Afbeeldingen:  Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, foto J. Geleyns; Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel; Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.

In de schaduwen van morgen

Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiend en de vlaggen nog wapperend, maar de geest geweken.

Alom de twijfel aan de hechtheid van het maatschappelijk bestel waarin wij leven, een vage angst voor de naaste toekomst, gevoelens van daling en ondergang van de beschaving. Het zijn niet louter benauwingen die ons overvallen in de ijle uren van de nacht, als de levensvlam laag brandt. Het zijn weloverwogen verwachtingen, op waarneming en oordeel gegrond. De feiten overstelpen ons. Wij zien voor ogen, hoe bijna alle dingen, die eenmaal vast en heilig schenen, wankel zijn geworden: waarheid en menselijkheid, rede en recht. Wij zien staatsvormen, die niet meer functioneren, productiestelsels, die op bezwijken staan. Wij zien maatschappelijke krachten, die in het dolzinnige doorwerken. De dreunende machine van deze geweldige tijd schijnt op het punt om vast te lopen.

Meteen dringt zich de tegenstelling op. Er is nooit een tijd geweest, waarin de mens zich zo de gebiedende taak bewust was, om samen te werken aan het behoud en de volmaking van aardse welvaart en beschaving. Nooit te voren was arbeid zo in ere. De mens was nimmer zo bereid te werken en te wagen, elk ogenblik zijn moed en zijn gehele persoon te geven aan een algemeen heil. Hij heeft de hoop niet verloren.

Zal deze beschaving gered worden, zal zij niet verzinken in eeuwen van barbarie, maar met behoud van de hoogste waarden, die haar erfgoed zijn, overgaan tot een nieuwere en vastere staat, dan is het wel nodig, dat de nu levenden zich terdege rekenschap geven, hoever het bederf, dat haar bedreigt, is voortgeschreden.


Johan Huizinga, hoogleraar geschiedenis te Leiden, publiceerde in 1919 zijn befaamde studie over ‘levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden’. Herfsttij der Middeleeuwen werd een cultuurhistorische klassieker. Maar onder de indruk van de Grote Oorlog schemerde er ook een cultuurkritiek in het werk door: Huizinga beschreef de Bourgondische cultuur niet als het begin van iets nieuws, een renaissance, maar als het apocalyptische einde van een gruwelijke, overgevoelige en verstarde beschaving.

Johan Huizinga.
Johan Huizinga.

De deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog in 1917 en een reis naar Amerika in 1926 deden Huizinga verder nadenken over wat een cultuur krachtig maakt, en wat haar bedreigt. In de jaren 1930 maakte het politieke, economische en sociale klimaat deze reflectie nog urgenter. In 1933 ontzegde Huizinga als rector magnificus een Duitse nationaal-socialist om zijn antisemitische uitlatingen de toegang tot de Leidse universiteit. Hij maakte zich in toenemende mate zorgen – zorgen over de toekomst van Europa, over de Nederlandse identiteit, over de massacultuur, over een kunst zonder vaste vormen, over het politieke radicalisme, over de brutaliteit van de omgangsvormen, over de luidruchtigheid, over de duistere moderniteit.

Dat leidde in 1935 tot de publicatie van In de schaduwen van morgen. Het kleine boek was niets minder dan ‘een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd’. Het trok meteen veel aandacht. ‘Professor Huizinga’ werd er op slag beroemd door, ook bij een breder publiek en ver buiten Nederland. De estheet-cultuurhistoricus was verveld tot een populaire cultuurcriticus. Hij sprak als Demosthenes in de storm: ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.’

Meer lezen

Carla du Pree, Johan Huizinga en de bezeten wereld. De rol van publieke intellectueel tussen twee wereldoorlogen, Leusden: ISVW, 2016.

Tekstfragment: Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd, Haarlem, 1935. In het hier aangehaalde fragment werd de spelling van de oorspronkelijke tekst op enkele punten aangepast.

Toelichting: Jo Tollebeek.

De Belgische inspiratiebron voor Disneyland

Sinds 1966 omvat een bezoek aan Disneyland bijna onvermijdelijk een bezoekje aan de intussen iconische attractie ‘It’s a small world’, genoemd naar de gelijknamige oorwurm die er in eindeloze herhaling wordt afgespeeld. Een boottocht van een tiental minuten neemt er de bezoekers mee langs miniatuurversies van verschillende landen, bevolkt door vrolijke kinderen die tegen achtergronden zoals de Franse Eiffeltoren, Nederlandse windmolens of de Indische Taj Mahal uit volle borst ‘It’s a small world’ zingen. De muziek is gecomponeerd door The Sherman Brothers, maar het ontwerp voor de attractie is van de hand van Walt Disney zelf. Het is niet alleen Disneys pleidooi voor wereldvrede, maar ook een ode aan de wereldtentoonstellingen, die een belangrijke inspiratiebron vormden voor de moeder van het moderne themapark.

De wereld tentoongesteld

Het Pepsi Pavillon met 'It's a Small World' op de Wereldtentoonstelling in New York in 1964.
Het Pepsi Pavilion met ‘It’s a Small World’ op de New Yorkse wereldtentoonstelling in 1964.

‘It’s a small world’ kende haar eerste bijval op de wereldtentoonstelling van 1964 in het New Yorkse Flushing Meadows. Daar maakte ze deel uit van het Pepsi Pavilion, dat gecreëerd werd als een eerbetoon van de frisdrankgigant aan het werk van UNICEF. De attractie werd massaal bezocht: tien miljoen kinderen en volwassenen hesen zich enthousiast in één van de bootjes om een wereldreis te maken. Dat een succesnummer van op een wereldtentoonstelling een even glansrijk tweede leven kende nadat het internationale evenement definitief de deuren sloot, is uitzonderlijk. De meeste expopaviljoenen en –attracties werden ook bij hun ontwerp al als tijdelijk geconcipieerd en vervaardigd in weinig duurzame materialen. Bovendien bleken ze veelal hun magie enkel te kunnen bewaren in die heel specifieke context van de wereldtentoonstelling.

Drukte in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1933 in Chicago.
Drukte in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1933 in Chicago.

Zowel ‘It’s a small world’ als Disneyland trachtten net die context te recreëren en boden de bezoeker dat wat ook de wereldtentoonstellingen zo aantrekkelijk maakte: de mogelijkheid om op een hele korte tijd een hele nieuwe wereld te ontdekken, waar conventionele regels niet meer golden en plots alles mogelijk leek. Dat is beslist geen toeval: Walt Disney was een fervent bezoeker van wereldtentoonstellingen (hij bezocht er minstens vijf) en haalde er ook een flinke portie mosterd bij het creëren van zijn themapark Disneyland, dat in 1955 werd geopend als “a source of joy and inspiration to all the world.” Het zou met name een Belgische inzending zijn geweest die een belangrijke inspiratiebron vormde voor Disney’s sprookjesland. Bij zijn bezoek aan de wereldtentoonstelling in Chicago in 1933 raakte hij gefascineerd door ‘Picturesque Belgium’, volgens de officiële gids “een nauwgezette kopie van een ommuurde Vlaamse stad zoals die er mogelijk uitzag in 1800”.

Disneyland avant-la-lettre

Het ‘Belgische dorp’, het resultaat van een samenwerking tussen Amerikaanse en Vlaamse ondernemers, vormde het contrapunt van de moderniteit, vooruitgang en urbanisatie die zo centraal stonden op de wereldtentoonstelling. Dit universum van hout en plaaster omvatte meer dan honderd huizen en onder meer replica’s van het vijftiende-eeuwse Antwerpse Sint-Niklaasgodshuis en van twee middeleeuwse Brugse stadspoorten, omringd door een wijde gracht waarop witte zwanen dobberden. In de geplaveide straten ontmoette de bezoeker niet alleen melkmeisjes met hun door een hond getrokken kar, maar ook klompenmakers en glasblazers, kantklossters en smeden. Daarnaast waren er winkels, restaurants en cafés en aangepast entertainment in de vorm van volksdansende jonge meisjes in ‘traditionele’ Vlaamse kostuums.

Volksdansen in het Belgisch dorp in 1933.
Volksdansen in het Belgisch dorp in 1933.

Het hele concept was zeker niet nieuw. Dit soort themapark was voorafgegaan door Bruxelles-Kermesse in 1897 en 1910, Vieux Liège in 1905 en Oud Antwerpen uit 1894. Er waren ook internationale voorlopers, zoals Vieux Paris, dat een plek kreeg op de wereldtentoonstellingen van 1889 en die van 1900. Waren die eerste ‘tijdelijk oude’ dorpen, wijken of parken nog opgevat als archeologische reconstructies en bekrachtigd door de organiserende overheid als een soort visuele samenvatting van de hele natie, dan kwam vanaf 1910 de entertainmentwaarde op de eerste plaats. Net zoals het latere Disneyland zijn deze tegenpolen van het officiële programma van de wereldtentoonstelling pittoreske en zorgeloze oorden van plezier die een perfecte illusie creëren. Zowel Disney’s creatie als zijn inspiratiebronnen zijn universa tussen droom en werkelijkheid waar het gewone leven op zijn kop wordt gezet en waar bizarre paradoxen plots aannemelijk worden, zoals ‘authentieke, middeleeuwse’ steden die voor zes maanden verrijzen en toch als geloofwaardig worden beleefd.

Grote ambities

Brusselse wafels to koop in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1964 in New York.
Brusselse wafels to koop in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1964 in New York.

Deze voorlopers van themaparken verdwenen niet zodra hun succesvolle opvolgers op het toneel verschenen. Op de New York World’s Fair van 1964 waar Disney zijn ‘It’s a small world’ voorstelde, maakte het Belgische dorp dat hij in 1933 bezocht een gesmaakte comeback na een eerdere herneming voor Expo 58. Even zag het er naar uit dat de attractie wegens te grote ambities en daaruit volgend geldgebrek een ongetwijfeld niet onopgemerkte aanpassing zou ondergaan. De eigenaar van het dorp klopte in zijn zoektocht naar fondsen immers aan bij Hugh Hefner, met wie hij het idee uitwerkte om een Playboy Club te installeren in het stadhuis, met Playboy Bunnies gekleed in ‘Vlaamse kostuums uit de tijd van Breughel’. Dat plan stootte echter op een resoluut ‘nee’ vanuit de organisatie. Het geld werd alsnog elders gevonden, waardoor de editie van 1964 uiteindelijk herinnerd zou worden voor iets wat minder pikant was: de uitvinding en popularisering van de ‘Belgische wafel’.

Nelleke Teughels is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.  Ze doet onderzoek naar het voedsel dat werd gepresenteerd en geserveerd door de Belgische afvaardiging op de Wereldtentoonstellingen tussen 1851 en 2010.

Het dierenrijk ingedeeld in 14 soorten – nr. 8 had je nooit gedacht!

In het Hemels Emporium van welwillende kennis, een Chinese encyclopedie, staat geschreven dat dieren als volgt kunnen worden ingedeeld:

  1. Degene die toebehoren aan de keizer
  2. Gebalsemde
  3. Getemde
  4. Speenvarkens
  5. Zeemeerminnen
  6. Fabeldieren
  7. Zwerfhonden
  8. Degene die in deze classificatie zijn opgenomen
  9. Degene die tekeergaan als dwazen
  10. Ontelbare
  11. Degene die getekend zijn met een heel fijn kameelharen penseel
  12. Et cetera
  13. Degene die net een vaas hebben gebroken
  14. Degene die in de verte op vliegen lijken

Het is een lijst die ons verbaast. De encyclopedie heeft wellicht nooit bestaan – het enige spoor ervan is een citatie door de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges, in een korte tekst over De analytische taal van John Wilkis (1942). Borges wilde aantonen dat classificatiesystemen altijd iets arbitrairs hebben. De manier waarop we in het Westen naar de wereld kijken – de associaties die we maken, de zaken die volgens ons bij elkaar horen – is altijd voorwaardelijk; het is slechts een van de vele manieren waarop we de wereld kunnen bekijken. De westerse logica is niet dé logica, het is slechts een logica.

De lijst werd beroemd dankzij de Franse filosoof Michel Foucault, die er De woorden en de dingen mee opende. De lijst, schreef Foucault, is lachwekkend, maar ook ongemakkelijk. Op allerlei vlakken strijdt ze met ons gevoel voor een juiste orde. Het probleem is niet elk individueel onderdeel van de lijst, maar precies het feit dat ze in een genummerde lijst staan. Er zitten overlappingen en hiaten in. Er zitten degene in ‘die in deze classificatie zijn opgenomen’. En dan zijn er nog de ‘et cetera’, die niet eens aan het einde van de lijst staan. De opsomming der dieren inspireerde Foucault tot het idee dat elke cultuur en elke tijdsperiode haar eigen onderliggende aannames heeft over wat aanvaardbaar is en wat niet. Het probleem is niet dat de lijst niet klopt. Het probleem is dat de lijst de grenzen aantoont van wat kan kloppen.

De Chinese encyclopedie toont tegelijk de dwingende kracht en het angstaanjagende van een lijst.

Tekst: Elwin Hofman

Het massagraf van de Titanic

De geschiedenis van de Titanic is vandaag vooral bekend als een hartverscheurend liefdesverhaal. De romance tussen de rijke Rose (Kate Winslet) en de arme Jack (Leonardo Di Caprio) kwam tot een abrupt einde toen het schip tot zinken werd gebracht door een aanvaring met een ijsberg. Waar we doorgaans niet bij stilstaan, is dat naast de liefde ook het lijk van Leo in het water viel. Op 15 april 1912, de dag na de ramp, scheen de zee volgens ooggetuigenverslagen ‘als met zwarte puntjes gezaaid’. Lijken van mannen, vrouwen en kinderen dobberden samen met het puin tussen de golven. Het verhaal van hun identificatie en begrafenis is een interessante passage in de cultuurgeschiedenis van massarampen en de dood.

De ‘mortuariumboot’

Op 17 april 1912 voer het kabelschip Mackay-Bennett met een lugubere taak uit naar het wrak van de Titanic. De bemanning was verantwoordelijk voor de berging van de meer dan driehonderd lichamen die drie dagen na de ramp nog in de Noord-Atlantische Oceaan dreven. Volgens de dagboeken van de schippers werd de sfeer grimmiger naarmate ze hun bestemming naderden – een ronddrijvend allegaartje van ‘versplinterd hout, mahoniehouten schuiven, bestek, stoelen van het dek, en dan nog lijken’. Alleen John R. Snow Jr., de professionele begrafenisondernemer die was meegenomen om lichamen aan boord te balsemen, ‘werd steeds vrolijker naarmate ze het toneel van zijn toekomstige professionele activiteiten naderden’. ‘Morgen’, zo getuigde een bemanningslid op 20 april, ‘wordt vast een goede dag voor hem’.

Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.
Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.

Uiteindelijk bracht de bemanning van de Mackay-Bennett tussen 21 en 26 april 306 lichamen aan boord. Slechts 190 van hen werden meegenomen naar de haven van Halifax. De overige 116 werden toevertrouwd aan de golven. Bij de keuze voor het zeemansgraf primeerden sociaaleconomische overwegingen. De beschikbare hoeveelheid balsemvloeistof volstond slechts om de lichamen van eersteklaspassagiers te behandelen. De lijken van de armere passagiers liet de kapitein ontbinden, waardoor ze niet mee aan wal konden worden gebracht. Tijdens drie begrafenisdiensten werden ze in verzwaarde lijkzakken overboord gegooid. Zoals een bemanningslid het plastisch omschreef: ‘splash, splash, splash’.

De identificatie

In Halifax werden de 190 lijken in rijen gelegd voor identificatie. Dat was belangrijk voor de familieleden, zowel om emotionele als om financiële redenen. De herkenning van een naaste hielp bij de verwerking van het verlies en betekende dat ze recht hadden op een financiële vergoeding. Zonder bewijs van overlijden bleven families daarentegen onzeker én vielen ze buiten de verzekeringspolis van de Titanic. Maar bijna twee weken na de ramp waren de dode lichamen moeilijk herkenbaar: er werden fouten gemaakt en een kwart van de lijken bleef anoniem. Voor de 116 achtergelaten slachtoffers was de identificatie nog moeilijker. Zij moesten indirect worden herkend aan de hand van gevonden bezittingen. In de woelige zee waren objecten echter beschadigd en door elkaar geschud, waardoor ze niet noodzakelijk hoorden bij het lichaam waarrond ze dreven.

De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.
De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.

Nochtans hadden de bemanningsleden van de Mackay-Bennett een professionele aanpak nagestreefd. De behandeling van de lijken was overgelaten aan professionals. Aan boord had de gediplomeerde balsemaar Snow voor de bewaring en rangschikking van de lichamen ingestaan. In Halifax wachtten ‘een troep lijkwagens’ en ‘een grote groep begrafenisondernemers, balsemaars en verpleegkundigen in lange zwarte jassen’ om de lijken klaar te leggen voor identificatie. Het waren tekenen van een veranderende doodscultuur: de rol van de familie, die traditioneel instond voor de opbaring van de overledene, werd geleidelijk overgenomen door experts. Daarnaast getuigde de omgang met de slachtoffers van het toegenomen belang van medische expertise. Een arts, Dr. John Henry Barnstead, had het identificatiesysteem aan boord bedacht. Op zijn bevel had elk lijk een genummerd ‘body report’ gekregen, waarin zowel lichamelijke kenmerken (geslacht, leeftijd, ras, lengte en speciale eigenschappen) als bezittingen waren opgesomd. Kranten publiceerden bovendien medische rapporten over de doodsoorzaken van de slachtoffers. Ze stelden vast dat ‘de lichamen door de druk van het water onmiddellijk stierven’ of dat ‘het merendeel der slachtoffers zonder pijn heenging’ en verzachtten zo het leed van de overlevenden.

De professionalisering van de massadood

Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.
Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.

Het verhaal van de Mackay-Bennett getuigt zo van een eerste professionalisering van de massadood. Vandaag worden slachtoffers van aanslagen en ongelukken geïdentificeerd aan de hand van hun DNA. Net zoals de vroegtwintigste-eeuwse body reports drukken deze tests zowel de expertise van de forensische geneesheer als een gevoel van controle uit. De nood om op objectieve wijze slachtoffers van rampen te identificeren lijkt sinds de Titanic nog gegroeid. Hoewel we bijvoorbeeld rationeel kunnen inzien dat alle ingescheepte passagiers van de MH17 door de crash het leven lieten, voelen we nood aan – liefst wetenschappelijk – bewijs voor die dood. Toch bepaalt geld en sociale status of we deze zekerheid verkrijgen. Terwijl de stoffelijke resten van de slachtoffers van de vliegtuigcrash na enkele dagen geïdentificeerd werden in Nederlandse laboratoria, maken andere rampen – zoals de vluchtelingencrisis – duidelijk dat minder bevoordeelden ook vandaag nog mogen sterven in anonimiteit. De professionalisering van de ramp gaat zo samen met een voortschrijdende ongelijkheid na de dood, net zoals aan boord van de Mackay-Bennett.

Tinne Claes is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Samen met Veronique Deblon werkt ze op een project over anatomie in België in de negentiende eeuw. Ze onderzoekt de zichtbaarheid, het prestige en de betekenis van anatomie in de academische en populaire cultuur tussen 1860 en 1930.