4 redenen om een diepgelovige vroedvrouw te veroordelen in de late negentiende eeuw

Een bevalling loopt mis in 1867. Wanneer de aanstaande moeder overlijdt, grijpt haar diepgelovige vroedvrouw Mme Vandenbussche naar het scalpel. Om het zieltje van het ongeboren kind te redden, opent ze de zwangere buik en sprenkelt er doopwater in.

De rechtszaak

De rechtszaak die hierop volgde, liet stof opwaaien in juridische en politieke kringen. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Hof van Cassatie. Het verdict leidde tot discussies in het parlement.

Waarom zo’n ophef?

Ook priesters, die vooral in landelijke gebieden hun roeping nog vaak combineerden met een job als dorpsarts, probeerden soms het eeuwige leven van ongeboren kinderen veilig te stellen. Volgens kerkelijke richtlijnen was de keizersnede de zekerste manier om een kind te dopen indien de moeder overleed tijdens de bevalling. Bij het gebruik van een doopspuit was het immers onzeker of het water zijn doel zou bereiken. Slechts wanneer je het hoofdje zag, kon je zeker zijn dat het doopsel correct was uitgevoerd, en het zieltje was gered.

Toch waren de acties van Vandenbussche ongewoon. Gelijkaardige incidenten zijn op een hand te tellen, omdat de gelegenheid zich niet vaak voordeed en wellicht niet alle priesters de kerkelijke richtlijnen naadloos opvolgden. Maar dit betekende nog niet dat Vandenbussche een crimineel feit had gepleegd. De commotie draaide vooral om de vraag of zij de wet had geschonden. Was het strafbaar om in een lijk te snijden om een ongeboren kind te dopen? En zo ja, op welke grond?

  1. Moord
De negentiende-eeuwse angst voor schijndood leidde niet alleen tot de constructie van mortuaria, maar ook tot de uitvinding van allerhande ‘beveiligingsmechanismen’ die toelieten om vanuit de kist te communiceren met de buitenwereld (Wellcome Images).

De openbare aanklager zei: moord of doodslag. Hoe kon Mme Vandenbussche zeker weten dat de moeder was overleden? Volgens hem kon de dood slechts worden vastgesteld door een medische expert. Het was mogelijk dat een “leek” als Vandenbussche de dood verkeerd had ingeschat. Misschien leefde de zwangere vrouw nog, en had zij haar vermoord toen ze de incisie maakte.

De zorgen van de openbare aanklager waren niet ongegrond. In het negentiende-eeuwse België beschreven artsen de dood als “een proces, dat niet ineens gebeurt, maar dat een begin en een einde heeft”. Omdat het sterven volgens hen zich maar geleidelijk aan voltrok, dachten zij dat het pas overleden lichaam zich “in een tussenstadium tussen leven en dood” bevond.

Deze onzekere toestand van het lijk was niet zonder gevolg. Een begrafenis mocht pas plaatsvinden na een termijn van 24 uur. Ook dissectie moest wachten. Op kerkhoven en in ziekenhuizen werden mortuaria opgetrokken, die dienst deden als wachtkamers voor het geval dat iemand slechts schijndood zou blijken. Ook keizersneden, een vrij nieuwe een beruchte operatie, stelden artsen voor een dilemma. Als zij wachtten tot ze met zekerheid het overlijden van de moeder konden vaststellen, was het ongeboren kind niet langer levensvatbaar. Wanneer zij daarentegen het kind wilden redden, liepen ze het risico om de moeder – die misschien nog leefde – te verwonden.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat Vandenbussche geen moordenares was, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat de vrouw nog leefde op het moment van de ingreep. Bovendien, zo vermeldde het verdict, “kon er ook geen sprake zijn van slagen en verwondingen, want een lijk kan je niet kwetsen”.

  1. Kwakzalverij
Deze negentiende-eeuwse cartoon toont de spanning tussen de mannelijke gynaecoloog en de vrouwelijke vroedvrouw (Wellcome Images).

Een onwettige medische ingreep dan maar? Want mocht Mme Vandenbussche, als vroedvrouw, wel een scalpel gebruiken?

Vroedvrouwen waren bij wet ondergeschikt gemaakt aan de per definitie mannelijke gynaecoloog of geneesheer. Zo stelde een wet van 12 maart 1818 dat vroedvrouwen slechts mochten helpen bij bevallingen “welke door de natuur bewerkt of door de hand ten uitvoer gebracht” konden worden. Medische instrumenten – verlostangen en zaagforcepsen, maar ook scalpels – waren voor hen verboden. De vroedvrouw mocht moeder en baby wel verzorgen (een taak die paste bij haar vrouwelijke, gevoelige natuur), maar enkel een mannelijke arts mocht hen behandelen.

Toch besloot de rechter dat Vandenbussche niet schuldig pleet. Zij maakte, zo stelde hij, maar één incisie, die enkel de spirituele en niet de fysieke redding van het kind beoogde. Een poging tot keizersnede was strafbaar geweest, een ziel redden was dat niet.

  1. Schending van eigendom

Een derde optie was schending van eigendom. Een negentiende-eeuws juridisch naslagwerk legde uit dat het lijk van een persoon het bezit was van de familie, “zoals het lijk van een dier toebehoort aan de eigenaar van dat dier tijdens het leven”. Door in een dood lichaam te snijden, had Vandenbussche andermans eigendom geschonden: een strafbaar feit.

Maar deze interpretatie strookte niet met de tijdsgeest. Onder invloed van de geleidelijke afschaffing van de slavernij, beargumenteerden steeds meer juristen dat het lichaam nooit iemands eigendom kon zijn. Lijkenrovers werden vrijgesproken omdat het stelen van een dood lichaam in strikte zin geen diefstal was: het lijk was geen ding, en dus niemands bezit. Ook anatomen stelden dat ze zonder toestemming een autopsie mochten uitvoeren. Omdat het lijk geen ding was, schaadden zij geen eigendom. De patiënt was dood, dus een autopsie kon ook niet gelden als slagen en verwondingen.

  1. Grafschennis

Een jurist probeerde nog, “het is grafschennis”. De rechter schudde zijn hoofd. Grafschennis gold alleen tijdens en na de begrafenis. Voor de begrafenis was het lijk niet wettelijk beschermd.

De beslissing werd op ongeloof onthaald. Als het onbegraven lijk niet geschonden kon worden als ding, en ook niet als persoon, kon iedereen dan zomaar zijn of haar gang gaan met dode lichamen? Betekende dit bijvoorbeeld dat artsen naar hartenlust lijken konden ontleden, zonder toestemming?

In principe wel. In 1887 ontliep ook de arts en antropoloog Emile Houzé de arm der wet, hoewel hij het lichaam van één van zijn patiënten had gestolen om het skelet te bewaren in zijn anatomische collectie.

Het verdict

Mme Vandenbussche haalde opgelucht adem. Het Hof van Cassatie oordeelde dat haar gedrag roekeloos was, maar niet kon worden veroordeeld voor de wet.

Het op eerste zicht onbegrijpelijke verslag van haar rechtszaak is een uitzonderlijk venster op de laatnegentiende-eeuwse samenleving. De zaak Vandenbussche biedt niet alleen aanknopingspunten om veranderende mentaliteiten over de dood en het ongeboren leven te bestuderen, maar werpt ook een licht op belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de professionalisering van de geneeskunde en een beginnende secularisering.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de diverse manieren waarop ongewenste kinderloosheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Imagebuilding tijdens het Ancien Régime

Gastblog door Valerie Vrancken.

Publieke gebouwen, scholen, zwembaden, jeugdhuizen en winkelcentra: vaak gaat hun bouw gepaard met een feestelijke ceremonie waarbij belangrijke figuren de eerste steen leggen en de maatschappelijke waarde van het bouwproject toelichten. Die traditie gaat ver terug in de tijd. De eerste sporen van officiële eerstesteenleggingen van kerk- en kloostergebouwen dateren van de elfde eeuw. Vanaf de late middeleeuwen vormden dergelijke ceremonies een dankbaar middel voor stadsbestuurders in de Nederlanden om hun eigen verwezenlijkingen in de kijker te stellen en hun imago op te poetsen.

Eerste stenen

Inscripties op de vroegere lakenhal op de hoek van de Naamse- en Zeelstraat in Leuven. Links bovenaan herinnert een inscriptie aan de eerstesteenlegging in 1317, met vermelding van de drie bouwmeesters.

Leuven, 22 maart 1527. In de vroege namiddag verzamelden zich stadsbestuurders, werklieden en tal van Leuvenaars op de site van de Dorpstraet-poort die negen jaar eerder door een brand tot een ruïne was herschapen. Het stadsbestuur liet een nieuwe poort optrekken: de Diestsepoort. Het officiële startsein daartoe werd gegeven door Hendrik Bericx – burgemeester van de ambachten – en raadslid Jan Hermeys die optrad als vervanger van Lodewijk van den Tympele, de burgemeester van de geslachten. Rond halfdrie die namiddag, zo getuigt de stadsrekening van dat jaar, bracht Bericx een laag mortel aan, waar Jan Hermeys een goudenen leeu (een gouden munt) op wierp. Geholpen door metselaars legde het raadslid daar vervolgens de eerste steen van het nieuwe bouwwerk op.

Na de voltooiing van de Diestsepoort vijf jaar later werden gedenkstenen aan de voor- en achterzijde aangebracht. Die dienden de Leuvenaars niet alleen te herinneren aan de eerstesteenlegging van het bouwwerk, maar vooral aan de stadsbestuurders die er het initiatief toe hadden genomen. De inscriptie aan de buitenzijde vermeldde bijvoorbeeld expliciet de namen van Bericx en Van den Tympele, die beide burgemeester waren in 1527: “doen men screef vijfthien hondert sessentwintich jaer, de stadt van Loven dit werck fondeerde, sijnde Tyijmpel, Berix, borgemeesters aldaer”.

Netwerken

Zilveren truweel waarmee de zevenjarige Jacob de Graeff, zoon van burgemeester Cornelis de Graeff, de eerste steen hielp leggen van het nieuwe Amsterdamse stadhuis in 1648 (eigendom van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap).

Stadsbestuurders tekenden doorgaans massaal present voor deze vaak groots opgezette en muzikaal opgeluisterde ceremonies. Zoals ook vandaag nog het geval is, gaven stadsbestuurders soms de eer van het leggen van de eerste steen door aan hooggeplaatste personen, waaronder leden van het hof of kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Dat gaf hen meteen ook de kans om hun goede relaties met dergelijke personen in de verf te zetten. In mei 1444 was het niemand minder dan de elfjarige Karel de Stoute, zoon van hertog Filips de Goede, die de eerste steen inmetselde van de nieuwe vleugel van het Brusselse stadhuis.

Vier jaar later kon Leuven echter niet op dezelfde gunst rekenen. Bij de start van de bouw van het prestigieuze voirste huys van het stadhuis, zakte niemand van het hertogelijk hof af naar de Dijlestad. Mogelijk speelde de bekoelde relatie met de hertog daar een rol in: een maand voordien had Leuven immers geweigerd in te gaan op diens verzoek om bijkomende financiële middelen. Dat de stad zijn vrouw en zoon enkele maanden voordien had overladen met gastvrijheid en geschenken mocht blijkbaar niet baten.

Bouwwerken in opdracht van het stadsbestuur boden magistraatsleden ook de kans om zich op te werpen als goede werkgevers door de werklieden te trakteren op een drankje, drinkgeld of een nieuw paar werkhandschoenen. Naast ‘goede werkgevers’, profileerden stadsbestuurders zich tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in toenemende mate als ‘goede huisvaders’: het was niet langer per definitie de burgemeester of schepen die het truweel hanteerde, die eer kon ook worden doorgegeven aan diens kinderen. Dat was onder meer het geval bij de eerste steenlegging van het nieuwe stadhuis van Amsterdam in 1648. Toen traden zonen en neefjes van de heersende burgemeesters op als hun vertegenwoordigers bij de eerste steenlegging.

Christelijke en heidense invloeden

Aangezien het bouwseizoen in maart begon, gebeurden eerstesteenleggingen doorgaans kort voor of na Pasen – vaak tijdens het eerste metselwerk, of toch zeker voor het gebouw ongeveer een meter hoog was. De officiële ‘eerste steen’ was in werkelijkheid dus zelden de echte eerste steen van een bouwwerk. Vanaf de contrareformatie werd ernaar gestreefd om steenleggingen samen te laten vallen met liturgische feestdagen. Maar ook bij laatmiddeleeuwse ‘eerste stenen’ was het religieuze element nooit ver weg: doorgaans was een geestelijke aanwezig die Gods zegen over de werklieden en toekomstige gebruikers diende af te smeken. Daarbij kon dankbaar gebruik worden gemaakt van bepaalde bijbelpassages die Christus voorstelden als de ‘hoeksteen van het geloof’. Niet toevallig waren ‘eerste stenen’ vaak hoekstenen.

Een bisschop wijdt de eerste steen van een kerk, ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.).

De christelijke elementen konden hand in hand gaan met meer heidense gebruiken. Zo was er vaak sprake van gouden munten die samen met de eerste steen werden ingemetseld. Bij de start van de bouw van het achterste huys van het Leuvense stadhuis in 1439 werd bijvoorbeeld een in Leuven geslagen gouden ‘Peter’ onder de eerste steen gelegd. Het inmetselen van dergelijke waardevolle munten bij de start van de bouwactiviteiten zou teruggaan tot heidense ‘bouwoffers’ waarmee werklieden de bescherming van de goden trachtten af te dwingen.

Op deze christelijke en heidense basis bouwden stadsbestuurders vanaf de dertiende eeuw voort om zich publiekelijk te profileren als goede en ijverige bestuurders, gelovigen, netwerkers, werkgevers en huisvaders. De eerstesteenlegging van een belangrijk of publiek gebouw was met andere woorden een massa-evenement waarop stadsbestuurders expliciet konden tonen welk ‘steentje’ zij precies hadden bijgedragen tot de stedelijke samenleving.

Meer lezen.

Van Uytven, R., ‘Eerste stenen, vooral in de Nederlanden, in de middeleeuwen en daarna’, in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 89 (2011), p. 919-932.

Germonprez, D., ‘Foundation rites in the Southern Netherlands: constructing a Counter-Reformational architecture’ in M. Delbeke red., Foundation, dedication and consecration in early modern Europe, Leiden, 2012, p. 275-295.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde in 2017 haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen aan de KU Leuven. Sindsdien werkt ze als wetenschappelijk medewerker in het Leuvense Rijksarchief en is ze als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Steenhouwers aan het werk, miniatuur uit het Pontificale ecclesiae beatae Mariae Trajectensis, vervaardigd ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.) ​

Het archief, voor M/V met talent

Ze kwam er niet in! Toen Geertruida Bosboom-Toussaint in 1845 aan haar Leycester in Nederland werkte, wilde ze graag het Rijksarchief in Den Haag bezoeken. Uit oude archiefstukken zou ze inspiratie kunnen putten om haar nieuwe historische roman meer kracht en levendigheid te verlenen. Maar helaas, de deur van het archief bleef voor Toussaint gesloten. Algemeen Rijksarchivaris J.C. de Jonge hield namelijk niet van romanschrijvers.

De beperkte toegang tot het Rijksarchief stoorde R.C. Bakhuizen van den Brink, die ooit Toussaints verloofde was en later de opvolger van De Jonge werd. Dan was het in België beter, kon hij zelf vaststellen. Zelfs een buitenlander als Bakhuizen werd daar goed onthaald. Maar gold die gastvrijheid ook voor vrouwen?

Kijken mag

Geertruida Bosboom-Toussaint, naar een portret door Nicolaas Pieneman (Amsterdam, Rijksmuseum).

De Jonges afkeer van romanschrijvers hield ook een afwijzing van vrouwen in. Historische romans stonden immers bekend als een voornamelijk vrouwelijk genre, zowel wat auteurs als lezers betrof. Ook publieke lezingen werden druk bijgewoond door vrouwen. Daar voerden wel mannen het woord, waaronder ook archivarissen. In hun leeszalen verwelkomden deze heren daarentegen maar weinig vrouwen. Enkel als toerist kuierden zij af en toe het archief in.

Belgische archivarissen waren niet afkerig van dergelijke uitstapjes. Een reisgids uit 1859 raadde bijvoorbeeld een bezoek aan het stadsarchief van Gent aan. Het is echter onduidelijk wat daar de voornaamste bezienswaardigheid was: het archief of zijn archivaris, de bekende dichter Prudens Van Duyse. Deze archivaris liet zijn voornaamste gasten een guldenboek tekenen. Daaruit blijkt onder meer dat in 1844 Maria Vanackere, geb. Doolaeghe – de eerste vrouwelijke dichteres in België – haar ‘kunstvriend’ in het archief opzocht.

De handtekening van Maria Vanackere, geb. Doolaeghe in het ‘Album van ‘t Gents Archief’.

Louis-Prosper Gachard, de Belgische tegenhanger van De Jonge, ontving eveneens vrouwelijke literatoren. De Ierse schrijfster Sydney Owenson, Lady Morgan, werd door hem hartelijk onthaald in het Algemeen Rijksarchief, toen zij in 1833 in Brussel verbleef. Voor haar rakelde Gachard een achttiende-eeuws schandaal op uit het archief. Dat vond Lady Morgan erg interessant, schreef de archivaris later trots.

Voor vrouwen was het archief geen plaats voor onderzoek. Van hen werd niet verwacht dat zij de historische waarde van de documenten konden doorgronden: in hun aanwezigheid werd enkel met archief gepronkt. Dat blijkt ook uit de publicatie die Lady Morgan aan haar archiefbezoek wijdde. Met haar roman The Princess; or the Béguine wilde zij de vitaliteit van het jonge België aantonen. Zelfs Gachard werd daarom opgevoerd als personage, aangezien hij als gastvrije archivaris het liberale, open karakter van dit land kon belichamen.

Op onderzoek

Sydney Owenson, Lady Morgan, naar een schilderij van Cornelia Marjolin-Scheffer (Amsterdam, Rijksmuseum).

Het Algemeen Rijksarchief in Brussel was volgens Bakhuizen van den Brink het ‘bureau de consultation’ van Europa. Geen enkel ander nationaal archiefdepot gunde onderzoekers zoveel vrijheid. Welke vrouwen als eerste daarvan konden gebruikmaken, is onbekend. De jaarverslagen van het Algemeen Rijksarchief tonen in ieder geval dat vrouwelijke onderzoekers aan het begin van de twintigste eeuw nog erg schaars waren.

In deze rapporten werden de belangrijkste bezoekers aangehaald, onderverdeeld in categorieën. Tussen ‘ecclésiastiques’, ‘magistrats et avocats’ en ‘étrangers’ duikt soms het kopje ‘dames’ op. In 1900 ging het om vijf bezoeksters, maar dat was een uitzonderlijk hoog aantal. De verslagen over 1904, 1905 en 1910 vermelden geen enkele vrouw. Ook in 1912 ontbreekt deze groep, maar bij ‘professeurs et étudiants’ werd ook een studente opgenomen, Mariette Nicodème. Zij werd een jaar later doctor in de Letteren en Wijsbegeerte.

Vanaf de jaren 1880 waren vrouwelijke studenten namelijk welkom aan enkele Belgische universiteiten. De paar vrouwen die ervoor kozen historicus te worden, hoorden archiefonderzoek te verrichten: in de geschiedopleiding was origineel bronnenonderzoek meer dan ooit cruciaal geworden. Bijgevolg kwamen steeds meer vrouwen in de archieven terecht. Dit leidde ook tot een vervrouwelijking van het archivarissenkorps.

Vanaf 1895 moest iedereen die een plaats in een Rijksarchief ambieerde een examen afleggen, zodat vooral gediplomeerde historici werden gerekruteerd. In november 1913 gebeurde het dan eindelijk: een eerste historica waagde haar kans. Nicodème slaagde en werd de eerste vrouwelijke kandidaat-archivaris. Het bevoegde ministerie meende weliswaar dat zij niet als archivaris moest worden aangenomen.

En de archivaressen?

Op 5 mei 1919 werd Mariette Nicodème ingezworen als archivaris.

In Nederland waren vanaf de eeuwwisseling al verschillende vrouwelijke gemeentearchivarissen aan de slag, maar dat ging met publieke tegenkanting gepaard. De Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat in België niet werd gediscussieerd over de bekwaamheid van vrouwen voor archiefwerk.

Toen Mariette Nicodème in 1919 solliciteerde voor een plaats in het Algemeen Rijksarchief, gaf de Algemeen Rijksarchivaris een gunstig advies. Het ministerie oordeelde nu ook dat haar diploma haar recht gaf op een aanstelling. Op die manier werd Nicodème tenslotte de eerste gediplomeerde vrouw in dienst bij een Belgische wetenschappelijke instelling.

De carrière van Nicodème eindigde al in 1929. Gezondheidsredenen dwongen haar tot dit snelle ontslag. Pas in 1930 werd met Ernestine Lejour weer een vrouw aangesteld in het Rijksarchief. Hoewel vrouwen al tijdens de negentiende eeuw enigszins van de gastvrijheid van Belgische archivarissen konden genieten, toch vervrouwelijkte het archiefwezen uiteindelijk hier trager dan in de buurlanden.

Cijfers over het geslacht van archiefbezoekers zijn niet voorhanden, maar anno 2018 lijkt het archief nog altijd een eerder mannelijke plaats. Een belangrijk evenwicht is intussen wel bereikt: tijdens de laatste jaren behaalden ongeveer evenveel mannen als vrouwen een archivarissendiploma in Vlaanderen.

Meer lezen.

Y. Bos-Rops, ‘”Het begrip archivaresse bestaat niet”. De eerste vrouwelijke archivarissen in Nederland (1899 – 1918)’, Archievenblad, 110 (2016), nr. 7, 16-19.

G. Maréchal, ‘En de Rijksarchivaressen?’, Actief in archief. Huldeboek Hilda Coppejans-Desmedt, Antwerpen, 1989, 115-127.

E. Shepherd, ‘Hidden Voices in the Archives: Pioneering Women Archivists in Early 20th-Century England’, F. Foscarini e.a. (red.), Engaging with Records and Archives. Histories and Theories, Londen, 2017, 83-103.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

5 vergeten (post)koloniale plekjes in Leuven

Wie gevraagd wordt naar plaatsen van koloniale herinnering in het Belgische straatbeeld, denkt meestal aan het ruiterstandbeeld van Leopold II in Brussel of het monument op de dijk van Oostende. Wie goed kijkt, zal echter ook in Leuven een aantal verwijzingen naar het Belgische koloniale verleden opmerken.

  1. Het Moorinneken
Het Moorinneken, wakend over de Grote Markt.

Op de Grote Markt vind je het café Het Moorinneken. De naam van dit gebouw is geen rechtstreekse verwijzing naar Belgisch-Congo. De naam zou overgenomen zijn van het aanpalende pand dat naar de Middelnederlandse Arthurroman De Moriaen was vernoemd. Volgens de legende verwarde een klerk de naam ‘Den Moer’ vervolgens met ‘Den Moor’. De term ‘Moor’ was immers vanaf de late middeleeuwen gekend en gold als een containerbegrip voor personen van Afrikaanse origine.

Bij de heropbouw van het café na de Eerste Wereldoorlog luisterde de Schaarbeekse beeldhouwer Égide Rombaux de voorgevel op met een buste van een Moorse schone. Uit dit beeldhouwwerk komt de invloed van de toenmalige koloniale iconografie uit het fin de siècle ook duidelijk naar voren. Het beeld van het Leuvense Moorinneken is dus vooral een voorbeeld van een koloniaal referentiekader in het begin van de twintigste eeuw.

  1. Internationaal Studentencentrum Pangaea
Een mozaïek van de vlag van Kongo-Vrijstaat aan één van de ingangen van Pangaea.

Als ontmoetingsplaats voor internationale studenten staat Pangaea in het Leuvense studentenmilieu bekend als een plek waar zij terecht kunnen voor een gratis kop koffie. De geschiedenis van het ontmoetingscentrum is minder bekend. Het gebouw werd in 1951 opgericht onder de naam ‘Home Congolais. Het was een gebouw waar de kinderen van kolonialen, bij gebrek aan een universiteit in Congo, tijdens hun studentenjaren in het moederland konden verblijven. Met de bouw van het pand kwam er zo een oplossing voor een probleem dat rector Van Waeyenbergh al in 1945 had aangekaart. Tot dan toe verbleven deze studenten immers in ontoereikende verblijven in de Justus Lipsiusstraat.

Dankzij een omvangrijke crowdfunding bij koloniale verenigingen en sympathisanten enerzijds, en een ingenieuze belastingconstructie anderzijds, konden in het begin van de jaren 50 de nodige fondsen worden verzameld. Hoewel het gebouw initieel vooral gericht was op blanke studenten, had de toenmalige pers ook aandacht voor het potentieel van zwarte studenten en stelde zelfs ‘een broederschap van Blank en Zwart’ in het Home Congolais voorop. Wie tegenwoordig Pangaea binnenstapt, kan bij een blik op de aanwezigen alvast zien dat die droom is uitgekomen.

  1. Op de hoek van de Diestse- en de Sint-Maartenstraat
Een zeldzame foto van de Leuvense postkoloniale Banksy.

Op een vervallen gevel op de hoek van de Diestse- en de Sint-Maartenstraat kon je tot voor kort een opvallend kunstwerk bewonderen. Een persiflage van de bekende Bongo-bon stak er de draak met de postkoloniale toestand in Congo. Helaas is het echter niet meer mogelijk om het kunstwerk te gaan bezichtigen. Na een renovatie van het gebouw in 2017 werd het verwijderd en verdween deze Leuvense Banksy uit het straatbeeld. In de persiflage werd er een sterk contrast gemaakt tussen de Westerse consumptiemaatschappij en kinderen in oorlogssituaties.

De persiflage was zo een voorbeeld van de Belgische postkoloniale artistieke scène die zich ontwikkelde nadat Luc Tuymans zijn Congo-reeks aan de wereld had voorgesteld. Onder het curatorschap van Vincent Meessen stond in 2015 het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië in het teken van de omgang met het koloniale verleden. Zowel Meessen als Tuymans gingen voor het eerst door middel van kunst kritisch reflecteren over het Belgische koloniale verleden en wisten daar een breed publiek mee te bereiken.

  1. De Ladeuzebibliotheek
Inscriptie met de naam van de Belgische diplomaat Emile de Cartier de Marchienne.

Achter de Ladeuzebibliotheek gaat een stuk Belgische imperialistische geschiedenis schuil dat ons naar het China van de late negentiende en vroege twintigste eeuw leidt. Wie op de eerste treden van de imposante trappen van de bibliotheek zijn blik naar links wendt, ziet er een inscriptie met de naam van de Belgische diplomaat Emile de Cartier de Marchienne. Als beginnend diplomaat was hij sterk betrokken in het imperiale project van Leopold II in China. Hij wilde met economische projecten zoals spoorwegen zijn invloedsfeer in het land uitbouwen. De jonge de Cartier de Marchienne was hierbij betrokken, onder meer als eerste secretaris van de Belgische gezant Maurice Joostens.

Nadien werd Cartier de Marchienne gezant in de Verenigde Staten waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke schakel was in de samenwerking tussen Herbert Hoover, de oprichter van de humanitaire Commission for Relief in Belgium, en Emile Francqui, de voorzitter van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. Beide organisaties moesten de Belgische bevolking in oorlogstijd van voldoende voedsel voorzien. Hoover en Francqui hadden elkaar overigens al leren kennen tijdens onderhandelingen over spoorwegconcessies in China. De kiemen van de Belgisch-Amerikaanse samenwerking die tot de naoorlogse heropbouw van Leuven leidde, werden dus gelegd op het imperialistische toneel in China. Dichtbij de inscriptie in de Ladeuzebibliotheek staat een standbeeld van Hoover dat deze trans-Atlantische connectie onderstreept.

  1. Het stadhuis
Detail van het standbeeldje van Leopold II. De inscriptie ‘Congo’ is goed zichtbaar.

Naast de beeldjes van hertogen, kunstenaars en academici staat er in één van de vele nissen van het Leuvense stadhuis ook een standbeeldje van Leopold II. Je kan de veelbesproken vorst terugvinden aan de zijde van de Naamsestraat op het derde niveau, uiterst rechts. Leopold II staat hier in een rij van Leuvense en nationale helden. In zijn hand draagt hij een stuk perkament met de inscriptie ‘Congo’ die duidelijk verwijst naar de Congo-Vrijstaat. Samen met de buste van Leopold II in de Ladeuzebibliotheek is dit beeld één van de twee beelden in Leuven ter ere van de vorst. Aangezien het beeldje aan het stadhuis amper zichtbaar is, ontsnapt het voorlopig aan postkoloniale kritieken zoals in Antwerpen of Brussel. Misschien luidt deze blog wel een pleidooi in voor de komst van een standbeeldje van Patrice Lumumba of Thomas Kanza, de eerste Congolese student aan de Leuvense universiteit, in één van de nissen.

Meer lezen.

Gert Huskens en Idesbald Goddeeris. ‘Lumumba in the Hood. The Legacy of Patrice Lumumba in Rap Music since 1990’ in Matthias De Groof (red.), Lumumba’s Iconography. Representations of an Icon in the Arts (Leuven, 2019).

Ruben Mantels. Geleerd in de tropen: Leuven, Congo & de wetenschap, 1885-1960 (Leuven, 2007).

‘Van ‘Home Congolais’ tot Pangaea 2.0’ (http://www.veto.be/artikel/van-home-congolais-tot-pangaea-20), 2017.

Gert Huskens is gastblogger. Hij studeerde in 2016 af als historicus en legt zich toe op koloniale en postkoloniale geschiedenis. Daarnaast studeert hij ook politieke wetenschappen aan de KU Leuven.

Wat Bevergem ons leert over de gemeentefusies

Gastblog door Hendrik Callewier.

In het najaar van 2015 maakte televisiekijkend Vlaanderen kennis met de serie Bevergem. Het fictieve dorp is een karikatuur van een kleine West-Vlaamse plattelandsgemeente. Bij de Bevergemnaren ligt de fusie met het al even denkbeeldige Ruddervelde zwaar op de maag. Gelukkig zijn er de ‘Zeugefeesten’, waar de onvrede van de personages op folkloristische wijze wordt gekanaliseerd. Co-scenaristen Bart Vanneste, alias Freddy Devadder, en Wannes Cappelle lieten zich inspireren door hun geboortestreek, waar de gevoeligheden die in Bevergem worden uitvergroot, ook volop terug te vinden zijn. De gemeentefusies zorgden er vaak voor een versterking van de dorpsidentiteit.

Heimwee naar het dorp

Wim Willaert als ‘Beir’ van Bevergem

Begin jaren 1970 werden de eerste plannen voor de Belgische gemeentefusies bekend gemaakt. Het doel van die fusies was in de eerste plaats door schaalvergroting kleinere entiteiten levensvatbaar te houden en een efficiënter bestuur te bezorgen. Tegenstanders vreesden echter dat de fusies niet alleen het einde van de zelfstandigheid, maar ook van de eigenheid van hun dorpsgemeenschap betekenden. De fusies versterkten het bestaande doembeeld van de landelijke dorpen die plaats moesten ruimen voor beton en vooruitgang. Toenemende verstedelijking en industrialisering stonden volgens sommige dorpsbewoners en politici gelijk aan een verlies van lokale identiteit. Velen kenden nog de ‘goede oude tijd’, die werd geassocieerd met het beeld van het landelijke dorp als harmonische gemeenschap, zoals het ook in 1974 bezongen werd door de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld.

In 1978, nauwelijks een jaar na de uitvoering van een grootschalige fusieoperatie, werd in Vlaanderen door de overheid de actie ‘Jaar van het Dorp’ gelanceerd. In Aalbeke, een dorp ten zuiden van Kortrijk, maakte amateur-cineast Eric Vanoverschelde naar aanleiding daarvan een film, met als titel Er was eens. In de montage worden beelden getoond van een lieflijk dorp, waar boeren met paard en kar nog op vrijwel middeleeuwse wijze aan landbouw doen. Volgens de commentator ligt Aalbeke aan een Romeinse heirweg (en niet aan de drukke verkeersader N43 die het centrum ook toen al doormidden sneed). De fusie wordt er aangekondigd met onheilspellende muziek en een kaartje waarop de stad Kortrijk als een olievlek uitdijt. De commentator vraagt zich af wat de toekomst brengt, na de ‘inlijving tegen wil en dank’ bij de grootstad: ‘Zullen wij door de grote haai totaal worden verslonden … of zullen we opgaan in een gigantische, futuristische reuzenstad, zonder ziel, zonder hart?’

Een nieuwe identiteit

Logo van de campagne ‘Jaar van het Dorp’ in 1978

Inwoners uit Aalbeke en talrijke andere dorpen gingen na de fusies – alle doemscenario’s ten spijt – op zoek naar hun eigen karakter. Heemkundige kringen die de geschiedenis van het eigen dorp wilden vastleggen, schoten in de jaren 70 als paddenstoelen uit de grond. Ook lokale initiatieven, zoals dorpsfeesten en –reuzen, speelden een belangrijke rol. De feestelijkheden waren de momenten bij uitstek waarop inwoners zich met hun (deel)gemeente konden identificeren. Maar hoe ingeburgerd dergelijke dorpsfeesten tegenwoordig ook zijn, ze zijn minder oud en traditioneel dan algemeen wordt aangenomen.

De Tinekesfeesten, de jaarlijkse hoogmis van Heule (bij Kortrijk), ontstonden in 1963. De Breughelfeesten in Rekkem, nu deelgemeente van Menen, vonden voor het eerst plaats in 1973, op initiatief van de lokale middenstandsvereniging. Ten tijde van de fusie waren dergelijke feesten dus een vrij recent fenomeen, hoewel ze toen al als een erg belangrijke factor werden beschouwd voor het behoud van de eigenheid van de dorpen. De meeste dorpsfeesten groeiden nog meer in de periode na de fusie. In sommige gemeenten was het houden van dorpsfeesten net een reactie op de fusie. In Rollegem gaf het besef van een te verdedigen eigenheid na de fusie met ‘grootstad’ Kortrijk aanleiding tot de oprichting van een folkloreraad en de organisatie van de eerste folklorefeesten in 1977. Ook in Marke was 1977 het startjaar van een nieuw evenement, de septemberkermis.

Allemaal Bevergemnaar?

Een folkloristische stoet tijdens de ‘fusiefeesten’ in 1976

Voor de inwoners van Bevergem was de fusie met het naburige Ruddervelde het begin van een lokale legende, ‘den Beir van Bevergem’. In een ver verleden weigerden de inwoners van Bevergem belastingen te betalen aan de baljuw van het naburige Ruddervelde. De baljuw besloot dan maar om alle varkens, zeugen en biggen van Bevergem te laten slachten en naar Ruddervelde te laten overbrengen. Een sluwe Bevergemnaar wist echter een zeug te verstoppen onder een plankenvloer. Daarmee was de varkenspopulatie van Bevergem nog niet gered. De tien dapperste inwoners van het dorp werden op een missie gestuurd, over de beek naar Ruddervelde. Daar moesten ze het zaad van een beer of beir (mannetjesvarken) bemachtigen en terugbrengen naar hun eigen dorp, zodat er opnieuw varkens konden worden gekweekt in Bevergem. Slechts één iemand, ‘den Beir van Bevergem’, kwam terug van deze heldentocht. Gelukkig, zo wordt de kinderen van de dorpsschool ingeprent, want ‘anders moesten we nog altijd de beek over naar Ruddervelde om een schelleke tussen onze boterham te leggen’. De boodschap van deze karikaturale dorpssage is duidelijk: het kleine Bevergem heeft grote buur Ruddervelde niet nodig, zo toont de (lokale) geschiedenis aan.

In de jaren 1970 vreesden velen dat de fusies van Vlaanderen een zielloze grote stad zouden maken en de eigenheid van de dorpen zou verloren gaan. Veertig jaar later blijkt die vrees grotendeels onterecht. De fusies hadden in veel gevallen tot gevolg dat de eigenheid van dorpse gemeenschappen – vanuit een defensieve reflex – net werd versterkt. Het bestuderen, cultiveren en (her)ontdekken van lokale geschiedenis en tradities speelden daarin een belangrijke rol.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is rijksarchivaris van Kortrijk en redactiesecretaris van de geschiedkundige vereniging De Leiegouw. In de najaarspublicatie van de vereniging wordt teruggeblikt op de gemeentefusies in Zuid-West-Vlaanderen.

In memoriam: de anonieme recensent

Gastblog door Christiaan Engberts.

Als er één schrijver is die nooit al zijn lezers een plezier zal kunnen doen, is het ongetwijfeld de kritische recensent. Natuurlijk waarderen sommige lezers zijn scherpe blik en zijn er anderen voor wie leedvermaak altijd de hoogste vorm van vermaak zal blijven. Maar de auteur wiens werk publiekelijk door de mangel wordt gehaald, zal maar met moeite de neiging kunnen onderdrukken om met de achttiende-eeuwse toneelschrijver August von Kotzebue uit te roepen: “Ach! Als men toch op iedere leugenachtige recensent een snor zou kunnen schilderen! Hoeveel snorren zouden er dan wel niet in de wereld rondlopen!”

De voordelen van anonimiteit

August von Kotzebue

Kotzebue’s boekje Fragmenten over recensenten-ongein – waaruit het bovenstaande snorrencitaat ook komt – bevat bijna 150 pagina’s aan frustratie en teleurstelling. Omdat recensenten zich er meestal goed van bewust zijn dat hun schrijven dergelijke emoties kan oproepen, bestaat er een reëel risico dat ze er soms voor kiezen om zich in hun kritiek te matigen. Meer nog dan onder toneelschrijvers als Kotzebue wordt onder wetenschappers echter vaak het idee gehuldigd dat hun métier bij uitstek gebaat is bij een strenge wederzijdse evaluatie: een te milde recensent praat recht wat krom is en doet de wetenschap daarmee een kwade dienst.

Recensenten van wetenschappelijke werken zien zich dus al snel met een dilemma geconfronteerd. Als ze te streng zijn kunnen ze iemand kwetsen. Als de gekwetste auteur ook nog eens invloed heeft in academische kringen, loopt de recensent daarnaast een nog veel groter risico. De auteur zou in staat kunnen zijn om de verdere carrière van de recensent te dwarsbomen. Tegelijkertijd eisen de vakgenoten echter dat de recensie geheel op de wetenschappelijke verdienste van het besproken werk gebaseerd is en dat deze niet gekleurd wordt door persoonlijke overwegingen. Wat is in zo’n geval wijsheid?

De anonieme praktijk

Friedrich Zarncke

De redacties van Duitse recensententijdschriften in de achttiende en negentiende eeuw hadden een antwoord op deze vraag: recensies werden bijna altijd anoniem gepubliceerd. Friedrich Zarncke, de enige redacteur van het in 1851 voor het eerst verschijnende Literarische Centralblatt, vond niet alleen dat het anonimiseren van recensies de beste manier was om vruchtbaar wetenschappelijk debat te stimuleren, hij wilde zijn blad ook niet op ordinaire wijze onder de aandacht van het lezerspubliek brengen. De vaste recensenten waren zo vermaard dat het van smakeloze zelfpromotie zou getuigen om met hun roemruchte namen te pronken.

Niet iedereen was echter tevreden met deze oplossing. Zo schreef de Duitse theoloog Heinrich Ewald een boze brief aan Zarncke zijn om zijn ongenoegen te uiten. Hij vond dat theologie zo belangrijk was voor de volksmoraal, dat het onverantwoord zou zijn om theologische werken aan anonieme recensenten over te laten. “Als de recensent zichzelf nu bekend zou maken, dan kan iedereen weten hoeveel oordeelsvermogen hij hem wil toevertrouwen,” klaagde Ewald. Hij voegde hieraan toe dat hij sowieso niet begreep waarom een wetenschapper zijn naam zou willen achterhouden. Deze klachten kregen echter geen gehoor. Het recensieblad van Zarncke bleef nog bijna een kwart eeuw grotendeels anoniem.

De omslag?

Heinrich Ewald

Vanaf 1874 kreeg het Centralblatt echter concurrentie van de Jenaer Literaturzeitung. Deze concurrent was behoorlijk succesvol en de verkoopcijfers van het Zarncke’s blad daalden. Zijn uitgever maakte zich dan ook grote zorgen en vroeg om raad bij vrienden en collega’s. Uit deze gesprekken bleek dat een van de belangrijkste redenen voor het succes van de concurrentie uit Jena gelegen was in het feit dat zij wel de namen van hun recensenten noemde. Zarncke zag een dergelijke werkwijze niet zitten, maar ging na overleg met zijn uitgever akkoord met een compromis. Vanaf 1874 zouden de recensenten die voor het Centralblatt schreven aangemoedigd worden om te ondertekenen met hun initialen of een andere herkenbare lettercombinatie.

Deze aanpak wierp vruchten af. Het Centralblatt werd nog tientallen jaren lang met succes uitgegeven. De Jenaer Literaturzeitung stopte al na vijf jaar, omdat haar hoofdredacteur plotseling met de noorderzon verdween. De uitgevers van het blad uit Jena hadden de voorkeuren van het moderne lezerspubliek echter goed ingeschat: vandaag de dag worden bijna alle recensies ondertekend.

Hedendaagse anonieme oordelen

Dit betekent niet dat er overeenstemming heerst over de bredere vraag naar de wenselijkheid van anonieme kritiek. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd het steeds gebruikelijker om wetenschappelijke artikelen voor plaatsing in een vakblad eerst door anonieme reviewers te laten beoordelen. De argumenten die voor en tegen deze anonimiteit worden aangedragen, verschillen nauwelijks van de punten die Zarncke en Ewald 150 jaar eerder maakten.

De frustratie over kritische anonieme beoordelingen is ook gebleven. Vandaag de dag delen boze en teleurgestelde auteurs hun ervaringen bij voorkeur online. Om een idee te krijgen van de reacties die hedendaagse auteurs het meest frustreren, kan je een kijkje nemen op deze website. Hij presenteert zich als “een viering van het grove, vreemde, passief agressieve, actief agressieve en simpelweg gemene commentaar” dat deel kan uitmaken van het hedendaagse geleerdenleven.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw. In het najaar van 2017 was hij als visiting scholar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

Exit Sint-Pietersziekenhuis

Op de nieuwjaarsreceptie van de stad Leuven liet burgemeester Louis Tobback optekenen dat het Sint Pietersziekenhuis dit jaar wordt gesloopt. Weinigen zullen het verdwijnen van deze ‘gele olifant’ als een verlies beschouwen. De voorste vleugel van dit tussen 1955 en 1983 opgetrokken gebouwencomplex werd nooit volledig in gebruik genomen en staat er vandaag troosteloos bij. De ‘laatste stadskanker’ in de Leuvense stadskern, aldus Tobback.

Monumentale ingang van het negentiende-eeuwse Sint-Pietersziekenhuis aan de Brusselsestraat. (Collectie Histaruz)

Vanuit historisch opzicht is de sloop van het Sint-Pietersziekenhuis geen opmerkelijke gebeurtenis. Sinds het midden van de negentiende eeuw werd de kliniek verschillende keren afgebroken en heropgebouwd. Telkens was het doel plaats te ruimen voor een moderner hospitaal. Nu echter – en dat is wel een breuk met het verleden – voorziet het stadsbestuur een andere bestemming voor de site. Er komt wellicht een podiumkunstenzaal. Zo eindigt een traditie van ziekenzorg in de binnenstad: een overzicht.

 

Binnenhoven, tuinen en paviljoenen

Het plan Maukers uit 1930 bood meer ruimte aan opkomende specialismen maar bleef gebonden aan het oorspronkelijke grondplan. (Stadsarchief Leuven)

Het eerste Sint-Pietersziekenhuis kon zelf pas worden gebouwd na de sloop van een ouder ‘gasthuis’. In 1830 had de Commissie voor Burgerlijke Hospitalen – een voorloper van het latere OCMW – beslist dat het Sint-Elisabethgasthuis niet langer volstond. Dat gebouw was in de dertiende eeuw opgetrokken door de zusters Augustinessen naast hun klooster. Zorg voor ziel en lichaam was er eeuwenlang nauw verweven. Het gasthuis beantwoordde echter niet langer aan de negentiende-eeuwse hygiënistische standaarden. Er was meer licht en ventilatie nodig. De ruimte ontbrak ook om patiënten met besmettelijke ziekten voldoende af te zonderen.

Provinciaal architect Alexander Van Arenbergh ontwierp een nieuw, monumentaal rechthoekig gebouw met twee binnenhoven, vier paviljoenen en een grote tuin. In totaal konden er zo’n 250 patiënten worden gehospitaliseerd. Mannen en vrouwen lagen apart in grote zalen van wel 24 bedden. De eersten daarvan werden opgenomen in 1849. De voorste binnenhof was naar de straatzijde toe open in een U-vorm. Leuven kreeg zo een neoclassicistisch landmark in de Brusselsestraat, een eigentijds ontwerp dat in vele opzichten leek op het Sint-Jansziekenhuis dat in diezelfde periode in Brussel door Henry Patoes werd neergezet.

Onderwijs en onderzoek

Functionalistisch schema uit 1949 voor een nieuw Sint-Pietersziekenhuis. (Stadsarchief Leuven)

Het Sint-Pietersziekenhuis was bovendien een academische kliniek. Het functioneerde als de voornaamste opleidingsplek voor de studenten geneeskunde van de Leuvense universiteit. Rond 1900 dwong hun toenemende aantal tot nieuwe constructiewerken. Zo werd de tuin grotendeels opgeofferd voor de bouw van klinische auditoria. De opkomst van de bacteriologie – een nieuw specialisme – maakte investeringen in labo’s, sterilisatieruimtes, verbandkamers en betere operatiekwartieren noodzakelijk. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreunde het negentiende-eeuwse gebouw onder de voortdurende drang naar medische vernieuwing.

Een eerste poging tot een meer structurele oplossing werd in 1930 ondernomen. De Brusselse architect Gustave Maukers presenteerde toen het plan om een volledige verdieping bij te bouwen en de ruimtes te herbestemmen. Maukers behoorde tot een kransje architecten die in het interbellum de ziekenhuisarchitectuur probeerden te vernieuwen. Zij vertrokken vanuit de beoogde functie van de ruimtes. In Maukers plan werden onder meer aangepaste zalen voor kindergeneeskunde, pneumologie (onder andere met kuurgalerijen voor tuberculosepatiënten) en dermatologie voorzien. Toch zou dit functionalisme in Leuven, in tegenstelling tot in Gent en Brussel, slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd worden voor de Tweede Wereldoorlog. Het Gentse Universitair Ziekenhuis of de Brusselse Héger-kliniek waren nieuwe constructies terwijl in Leuven werd vastgehouden aan het bestaande negentiende-eeuwse grondplan.

Functionalisme en hoogbouw

Het originele ontwerp uit 1951 van Cloquet-Van Montfort-Vandeput voorzag een kleiner voorgebouw dan wat uiteindelijk gerealiseerd werd. (Copyright Stadsarchief Leuven)

Aan het einde van de jaren 40 leek het lot van het ‘oude’ Sint-Pietersziekenhuis bezegeld. De bezetting door Duitse troepen tijdens de oorlog en een brand in 1944 hadden grote schade aangericht. Met de gelden voor de wederopbouw en de nationale fondsen voor ziekenhuisbouw in de jaren 50 was er bovendien financiële ruimte. Sloop en nieuwbouw lagen voor de hand. Een ontwerp van architectentrio Cloquet-Van Montfort-Vandeput werd in 1951 goedgekeurd. De sloopwerken namen meteen een aanvang en vier jaren later verrees de eerste vleugel van het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis, een torengebouw van veertien verdiepingen.

Met de nieuwbouw werd een modernistische ziekenhuisarchitectuur gerealiseerd. Die voorzag in een centralisatie van gedeelde functies (radiologie, intensieve zorgen, administratie enz.) en een scheiding van de ‘stromen’ van bezoekers, patiënten en medisch personeel. In de tweede helft van de jaren 60 werd een spoedafdeling geopend aan de achterzijde van de kliniek: ambulances reden af en aan vanop de Brusselsestraat over de overwelfde Dijle.

Taalstrijd

Het oude Sint-Pietersziekenhuis moest in de jaren 50 wijken voor een nieuw torengebouw. In de jaren 70 werd een tweede vleugel bijgebouwd. (Collectie Histaruz)

De verdere geschiedenis van het Sint-Pietersziekenhuis oogt minder fraai. Tijdens de woelige jaren 60 werd de kliniek een speelbal in het politieke spel rond Leuven-Vlaams. Dat Nederlandstalige patiënten er door Franstalige professoren en artsen-in-opleiding werden behandeld, was een doorn in het oog van de Vlaamse Beweging. De aanhoudende kritiek droeg ertoe bij dat de Faculteit Geneeskunde als een van de eerste faculteiten taalkundig gesplitst werd. Reeds in 1963 werd beslist dat voor de Franstalige artsen een nieuwe kliniek bij Brussel zou worden gebouwd. Sint-Pieters werd op termijn een exclusief Nederlandstalig ziekenhuis.

Gasthuisberg

Tegelijkertijd besloten de Nederlandstalige professoren uit te breiden buiten het stadscentrum. Begin jaren 70 werd de eerste steen gelegd van Gasthuisberg. In 1975 ging het kinderziekenhuis – het eerste van vele gebouwen op de campus – open. De beslissing om te blijven investeren in Sint-Pieters bleek achteraf een vergissing. In 1977 werd een tweede vleugel in gebruik genomen. Begin jaren 80 werd nog een groot nieuw gebouw opgetrokken dat – op enkele verdiepingen na – steeds heeft leeggestaan. Ondertussen sloeg het beleid om: er was nu sprake van een nationaal ‘beddenoverschot’ en een nood aan besparingen. Het dure en deels ongebruikte Sint-Pietersziekenhuis werd zo een heikel dossier in de relatie tussen stad en universiteit. De vondst van asbestdeeltjes in de oudste gebouwen bemoeilijkte bovendien een eventuele afbraak.

Luchtfoto van het hospitaalcomplex Sint-Pieters: het gebouw aan de straatzijde dateert van de vroege jaren 80. (Collectie Histaruz)

Die afbraak lijkt nu toch van start te zullen gaan. Daarmee komt een einde aan de traditie van academische zorg in de Brusselsestraat. De grote schaal waarop die vandaag wordt beoefend, vergt een medische en mobiliteitsinfrastructuur die onverzoenbaar lijkt met de binnenstad. Wie het komende jaar langs het Sint-Pietersziekenhuis wandelt, kan misschien eens via de zijkant naar achteren gaan. Daar staat nog een stukje – de zuidvleugel – van het negentiende-eeuwse hospitaal recht. Je kan er tegelijk ook de vleugels van de jaren 50 en 70, en het gebouw van de jaren 80 aanschouwen. Anderhalve eeuw hospitaalgeschiedenis in één oogopslag.

 

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen. Bijzondere dank aan Edith Willekens en Liesbeth Croimans van het Leuvense stadsarchief voor hun hulp bij het onderzoek voor deze blogtekst.

De ‘democratische’ middeleeuwen

Gastblog door Ben Eersels en Jelten Baguet.

De middeleeuwen was een periode van geweld, kwelling, verbijstering, leed en verbrokkeling. Of dat is althans een hardnekkig geschiedbeeld dat tot op heden blijft doorleven. Op politiek vlak vonden tijdens diezelfde eeuw nochtans ook veranderingen plaats die het tegendeel bewijzen.

De strijd voor politieke erkenning

In laatmiddeleeuwse steden verwierven burgers een grote mate van politieke inspraak, zij het niet zonder slag of stoot. De eerste tekenen van die politieke strijd vinden we in de dertiende eeuw. Burgerverenigingen klaagden toen steeds meer over wanbestuur en machtsmisbruik van hun bestuurders. Vooral de ambachten, beroepsverenigingen die in de middeleeuwen ontstonden, speelden een belangrijke rol in die protestacties. Dankzij de bloei van de internationale handel en de industrie waren zij onmisbaar geworden in de sterk exportgerichte stedelijke economieën in onze gewesten. Door hun toegenomen belang werden ze ook meer serieus genomen door het stadsbestuur. Daarin zetelden op dat moment vertegenwoordigers van de geslachten of ‘patriciërs’, de stedelijke elites die hun rijkdom haalden uit grootgrondbezit en handel. Nochtans waren het de ambachten die het grootste deel van de stedelijke belastingen moesten betalen. Zij protesteerden dan ook meer en meer tegen die gang van zaken en eisten inspraak in het stadsbestuur om te weten wat er met hun geld gebeurde.

De Guldensporenslag (Houtgravure, P. Choinet).

Voor de eerste structurele successen van de ambachten was het echter nog wachten tot de Guldensporenslag in 1302, die de politieke kaarten grondig herschudde. In de slag bij Kortrijk boekten de Vlaamse ambachten aan de zijde van de Graaf van Vlaanderen een onverwachte overwinning tegen de alliantie van de Vlaamse patriciërs en de Franse koning. Als beloning voor hun loyaliteit verkregen de ambachten vertegenwoordiging in het stadsbestuur van de grote Vlaamse steden. Dat nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje, tot ver over de grens naar Brabant en Luik. Al snel vroegen de ambachten daar gelijkaardige rechten als hun Vlaamse collega’s. Op iets langere termijn bleken ook zij succesvol: tegen het midden van de vijftiende eeuw verwierven de ambachten immers vertegenwoordiging in de schepenbanken van bijna alle grote Brabantse, Luikse en Vlaamse steden.

Samen besturen

In deze tijden van politieke verandering ontwikkelden burgers verschillende mechanismen om te kunnen wegen op het beleid. Zo werden petities voor ambachten een steeds couranter drukkingsmiddel om hun verzuchtingen over te maken aan het stadsbestuur. Dergelijke vragen waren vaak succesvol: ambachten werden gezien als legitieme onderhandelingspartners, die in verschillende dossiers recht van spreken hadden. In vele steden verwierven de ambachten dan ook het statuut van vertegenwoordigers van de ‘ghemeente’, de verzamelnaam voor de ‘gewone burgers’.

De Minderbroederstuin in Sint-Truiden, waar de stedelijke ‘volksvergaderingen’ plaatsvonden.

Ook stelden burgergroeperingen meer en meer samen met hun overheden mee het beleid uit. Bij beslissingen die de volledige bevolking aangingen, riep men bijvoorbeeld de ‘Grote Raad’ samen. In die raad zaten naast de stadsbestuurders ook vertegenwoordigers van de belangengroepen in die stad, zoals ambachten of wijkmeesters. In die zin vormden ‘Grote Raden’ in zekere zin een burgerparlement avant la lettre. Als alternatief voor zo’n vergadering kon ook de hele stadsbevolking samengeroepen worden op een publieke plaats om er rechtsreeks te discussiëren over thema’s zoals belastingen en diplomatieke relaties.

Transparantie

Dankzij de toegenomen invloed van burgers op het beleid werden stadsbesturen in deze periode gedwongen om transparanter te zijn tegenover hun onderdanen. Dat deden ze bijvoorbeeld door hun rekeningen jaarlijks voor te lezen op een publieke plaats en door hun verordeningen op schrift te stellen, waardoor ze gecontroleerd konden worden bij vermoedens van machtsmisbruik. De belangrijkste privileges en het officiële stadszegel bewaarde de overheid voortaan in kisten met verschillende sloten. De sleutels ervan werden verdeeld over de verschillende maatschappelijke groeperingen. Nieuwe ordonnanties waren dus enkel mogelijk als de vertegenwoordigers van de belangrijke burgergroepen daarmee instemden. De vervreemding en vervalsing van belangrijke documenten kon op die manier ingedijkt worden.

Fragment van een ordonnantie na een verzoek van enkele Leuvense ambachten.

Gewone burgers wogen tijdens de late middeleeuwen met andere woorden meer op het stedelijk beleid. Ze verkregen belangrijke politieke rechten, en eisten succesvol inspraak in het beleid. Onze gewesten waren daarin zelfs een voorloper: tijdens de late middeleeuwen waren de Zuidelijke Nederlanden samen met Noord-Italië de meest ‘democratische’ gebieden van Europa. Toch waren de late middeleeuwen voor velen allesbehalve een feest van de democratie. Buitenlanders, armen, vrouwen en personen zonder stedelijke burgerrechten bleven verstoken van politieke erkenning. De middeleeuwen bleven dus ‘een democratie van geprivilegieerden’. Vele middeleeuwse ‘democratische verwezenlijkingen’ waren op lange termijn ook geen lang leven beschoren. Vanaf de zestiende eeuw draaiden vorsten de klok terug door de politieke inspraak van de ambachten te beperken. Voor een nieuwe golf van democratisering was het wachten tot de negentiende en twintigste eeuw.

Ben Eersels en Jelten Baguet zijn gastbloggers. Ben is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven waar hij onderzoek doet naar de invloed van burgers op het stedelijk beleid in de late middeleeuwen. Jelten is als doctorandus werkzaam aan het centrum voor Historisch Onderzoek naar Stedelijke Transformatieprocessen aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij schrijft een proefschrift over stedelijke elitevorming in het zestiende-eeuwse Gent.

Sexy als ik dans!

Gastblog door Alexander Soetaert.

Enkele jaren geleden scoorde de Nederlandse zanger Nielson een hit met Sexy als ik dans. Het deerde toen bijna niemand dat hij dansen voorstelde als een versiertruc. Dansers die zich ’s nachts op de dansvloer wagen, komen vroeg of laat wel eens in aanraking met versierpogingen. Ook in de zestiende eeuw kon het er tijdens dansavonden amoureus aan toegaan. Maar sommige theologen voelden zich toen wel geroepen om dergelijke vormen van vermaak een halt toe te roepen. Dat was althans de bedoeling van een korte tekst getiteld Discours et avis touchant les danses du temps présent die in 1577 verscheen in de universiteitsstad Dowaai (Douai), toen nog deel van de Habsburgse Nederlanden.

Het liederlijke studentenleven

Titelpagina van het Discours et avis touchant les danses du temps présent (Bibliothèque municipale de Douai).

De auteur van het postuum uitgegeven traktaatje was de katholieke theoloog Mattheus Van der Galen (1528–1573), bekend onder zijn Latijnse naam Galenus. Hij was afkomstig van het Zeeuwse eiland Walcheren en studeerde in Leuven, maar toen hij de tekst schreef doceerde hij katholieke catechese aan de Universiteit van Dowaai.

Het studentenleven in Dowaai was een van de redenen waarom Galenus van leer trok tegen het dansen. Hij stelde met eigen ogen vast dat vele studenten astronomisch hoge bedragen besteedden aan hun bijzonder inhalige dansleraars. Zolang hun ouders de studies bekostigden, mocht volgens de theoloog van de studenten grote zuinigheid worden verwacht. Ook ging veel kostbare tijd verloren aan het frivole dansen. Dat leidde de aandacht af van de vraies et bonnes études waarvoor de studenten in de eerste plaats naar de universiteit waren gekomen.

De theoloog meende ook dat dansen vaak aanleiding gaf tot het verstoren van de openbare orde. Op danspartijen kwamen mensen van allerlei allooi af, gaande van weinig beschaafde boeren en soldaten tot meer eerbiedwaardige burgers of zelfs edelen. Men kon er weliswaar een (huwelijks)partner treffen, maar evengoed zijn gezworen vijand tegen het lijf lopen. Van zodra meerdere mannen hun oog lieten vallen op eenzelfde meisje, kwam het tot twisten, debatten, scheldpartijen, bedreigingen, provocaties, vechtpartijen, dodingen en ‘andere dergelijke rampen en ongelukken’. In Dowaai – een stad met een zeer katholiek profiel – waren zulke incidenten volgens de professor bijna altijd het gevolg van uit de hand gelopen danspartijen.

Zondig en des duivels

Titelpagina van Le guide des pêcheurs (Bibliothèque municipale de Douai).

Als hoogleraar had Galenus echter ook enkele argumenten van theologische aard binnen handbereik. Het was allesbehalve toeval dat zijn traktaatje samen verscheen met een Franstalige vertaling van Le guide des pêcheurs. Dat boek van de Spaanse dominicaan Luis de Granada was een absolute bestseller in de late zestiende eeuw. Dat beide teksten samen op de markt kwamen, maakte meteen duidelijk dat dansen niets meer of minder dan een zonde was. Als er op zondag werd gedanst of als geestelijken zich eraan overgaven, dan was er zelfs sprake van een doodzonde, zo beklemtoonde de theoloog. In de onnatuurlijke bewegingen die de dansers maakten ontwaarde hij de hand van de duivel zelve.

Ook referenties aan klassieke auteurs moesten de zestiende-eeuwse katholiek van de dansvloer weghouden. De Romeinen vonden al dat dansen schandelijk en eerloos was, zo betoogde Galenus uitvoerig. En als zelfs Cicero en Cato het niet hoog op hadden gehad met dat dansen, dan moest een christenmens zich daar zeker niet aan bezondigen. In zekere zin was het zelfs een overblijfsel uit heidense tijden. Het deed de theoloog denken aan de manier waarop men in de oudheid danste rond godenbeelden.

Doe nooit wat onkuisheid is!

Galenus wilde echter niet doorgaan voor een pretbederver die niet zou rusten vooraleer elke vorm van vermaak uit de wereld was gebannen. Dansen mocht wat hem betreft deel blijven van religieuze processies. Ook meisjes onder elkaar mochten af en toe wel eens dansen. Hetzelfde gold voor jongemannen, maar alleen indien ze in nuchtere toestand verkeerden. Meer zelfs, een man mocht dansen met zijn echtgenote zo veel en zo vaak hij wilde, op voorwaarde dat het binnenshuis gebeurde en geen ‘schandaal’ veroorzaakte.

Dansen en waartoe het kan leiden (Biblioteca nacional de España).

Toen de theoloog met de publicatie van zijn tekst jongeren het dansen wilde afleren, bedoelde hij dus een specifiek soort dansen. Jonge mannen moesten Galenus niet wijsmaken dat ze onbewogen konden blijven bij zoveel vrouwelijk schoon. Zelfs de Bijbelse koning David, die al ‘talloze vrouwen en legitieme concubines’ had, liet zich door de schoonheid van Batseba alsnog verleiden tot overspel. Het vlees was zwak, voor zover moest duidelijk zijn!

Zoals Galenus zelf aangaf, was zijn traktaatje het resultaat van studiewerk over het zesde gebod – Doe nooit wat onkuisheid is! – en de ‘grootsheid van de katholieke maagdelijkheid’. Dansen stond diametraal tegenover deze laatste deugd: het zette aan tot ontucht en vleselijke begeerte.  Het blijft wel hoogst twijfelachtig of de vermaning van hun professor de studenten in Dowaai van het wellustige dansen heeft kunnen weerhouden.

Alexander Soetaert is gastblogger. Hij is als doctor-assistent verbonden aan de Onderzoeksgroep Nieuwe Tijd aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar katholieke literatuur en boekcultuur in de 16de- en 17de-eeuwse Habsburgse Nederlanden.

Hebben dokters de geketende psychiatrische patiënt bevrijd?

Gastblog door Eva Andersen.

Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw worden vaak omschreven als een kenteringsperiode voor de psychiatrie. In deze periode streefden artsen naar een humanere behandeling van mensen met een psychische aandoening. Verhalen over bekende artsen als de Franse dokters Philippe Pinel en Jean-Etienne Esquirol, de Brit William Tuke en de Belgische psychiater Jozef Guislain die de geesteszieken uit hun ketenen en mensonterende omstandigheden bevrijdden, hebben een bijna mythische allure gekregen.

Non-restraint

Een foto van een psychiatrische patiënt die op een stoel in bedwang wordt gehouden. (CC BY Henry Clarke, Welcome collection)

Negentiende-eeuwse psychiaters in Europa en Amerika stonden voor hetzelfde vraagstuk bij hun pogingen om de menswaardige behandeling van patiënten te verbeteren. Aan de ene kant stelden ze zich in toenemende mate vragen bij het gebruik van de bestaande dwangmiddelen zoals handboeien, kettingen en dwangbuizen. Aan de andere kant wilden ze de controle behouden over moeilijk beheersbare patiënten. Via buitenlandse contacten maakten zij kennis met alternatieven.

In 1839 introduceerde de gerenommeerde Britse arts John Conolly de non-restraint methode in de instelling voor geesteszieken van Hanwell in Groot-Brittannië met het doel psychiatrische patiënten humaner te behandelen. Zijn voorstel bouwde voort op de ideeën van de Franse arts Philippe Pinel en de Britten William Tuke en Robert Gardiner Hill. Kettingen, handboeien en dwangbuizen werden vervangen door een “zachtere” aanpak. In deze aanpak stond redeneren met de patiënten centraal. Volgens een aantal Britse psychiaters wisten vele patiënten immers goed wanneer zij in de fout gingen. “De invloed van een gezonde op een zieke geest” kon zo zijn werk doen.

De isoleercel

Maar wat als patiënten toch gewelddadig of geagiteerd reageerden of een suïcidaal gedrag vertoonden? Hoe moest men ze in bedwang houden als mechanische dwangmiddelen uit den boze waren? Een van de oplossingen die men voorzag was de isoleercel. In Europa werd druk gedebatteerd over het feit of een padded room al dan niet als een vorm van mechanische dwang gold. De Franse arts Moreau de Tour bijvoorbeeld vond de gehele non-restraint praktijk maar niets. Hij meende dat het een terugkeer naar oude gewoontes was en de kunst van het genezen terug in zijn kinderschoenen plaatste. Een mening die echter niet door alle Franse artsen gedeeld werd. Sommigen onder hen prezen juist de vooruitgang die de Britten geboekt hadden en hoopten dat de non-restraint methode ook meer ingebed zou raken in Frankrijk.

Isoleercellen hadden geen hoeken zodat patiënten zich nooit uit het zicht van het personeel konden bevinden.

Jules Morel, een Belgische psychiater, was in tegenstelling tot Moreau wel geïnteresseerd in de mogelijkheden van de non-restraint. In 1893 vroeg hij inlichtingen aan zijn Britse collega Bedford Pierce over de praktijk van de isoleercel. Die stuurde hem instructies met een bijbehorende schets en zelfs een sample van de rubber die hij in de isoleercellen van het York Retreat gebruikte. Of Morel met deze informatie ook daadwerkelijk iets gedaan heeft en of de non-restraint methode veel gebruikt werd in België, is onduidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid was de verspreiding ervan vrij beperkt.

Douchebaden

Niet enkel de isoleercel vormde een onderdeel van de non-restraint. Een andere vaak toegepaste techniek was die van de hydrotherapie die zowel in Europa als Amerika gebruikt werd. Eén van de vele vormen van hydrotherapie was die van de douchebaden, waarbij patiënten onder een continue straal van koud of warm water werden gezet om te kalmeren. Vele buitenlandse artsen vonden dit een intrigerende behandelmethode en maakten tijdens hun bezoeken aan Europese en Amerikaanse ‘krankzinnigengestichten’ veel aantekeningen over het gebruik ervan.

Een voorbeeld van een douchebad.

Ondanks het enthousiasme van vele psychiaters over deze  behandelingsmethode, hadden de douchebaden niet altijd het gewenste effect. Soms resulteerde het gebruik van de douchebaden in het overlijden van patiënten. Omdat zij te lang (20 tot 30 minuten) aan het water werden blootgesteld, kon de shock leiden tot hun dood. Na enkele dodelijke voorvallen velde de Britse Lunacy Commission, die toezicht hield op de psychiatrische instellingen en het welzijn van geesteszieken, een oordeel over de behandelingsmethode. De comissie was van mening dat de douchebaden enkel voor een kortere periode (drie minuten) gebruikt mochten worden. Deze richtlijn moest in Groot-Brittanië verdere ongelukken voorkomen.

De non-restraint methode bestond daarnaast nog uit andere ‘tactieken’ zoals het voorzien van entertainment en bezigheidstherapie. In de instelling van Hanwell werden er bijvoorbeeld wel eens bals georganiseerd voor de patiënten. Mannelijke patiënten konden buiten petanque spelen en er werden begeleide wandelingen gemaakt op het platteland.

Een voortdurende discussie

Hoe meer patiënten geëntertaind werden, hoe minder snel ze geagiteerd raakten. Volgens Britse artsen lokten de “zachtere” repressiemiddelen minder hevige reacties uit bij de patiënten. In Europa en Amerika bleef de non-restraint echter nog lange tijd de gemoederen beroeren bij voor- en tegenstanders.

De artsen die de psychiatrische patiënten van hun ketenen verlosten, werden door hun tijdgenoten als pioniers van de psychiatrie omschreven. Ook vandaag de dag worden zij gezien als ‘vaders van de psychiatrie’. Toch stroken hun ideeën over waardige behandelingen in instellingen niet per se met hedendaagse behandelingsmethodes. De douche- en badbehandelingen raakten in de loop van de twintigste eeuw in onbruik. Daarnaast lokken de voor- en nadelen van isolement tegenwoordig nog vaak discussies uit.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.