Hoe homoseksualiteit in België ophield een misdaad te zijn

Een recente studie vermeldt België als het derde land ter wereld waarin homoseksualiteit gedecriminaliseerd werd: in 1795, kort na Frankrijk en Monaco. Een triomf: in het Verenigd Koninkrijk vieren ze dit jaar pas vijftig jaar decriminalisering van homoseksualiteit. Toch moeten we de champagnekurken nog niet meteen laten knallen. Want stellen dat België als derde land ter wereld homoseksualiteit decriminaliseerde, vergt wel wat historische creativiteit.

Weg met de brandstapels

Gravure van een terechtstelling voor sodomie in de Nederlandse Republiek in 1730.

In 1795 bestond België immers niet. Sinds het begin van de achttiende eeuw was een groot deel van het hedendaagse België een relatief autonoom deel van het Oostenrijkse rijk. Volgens het geldende strafrecht moesten mannen die seksuele betrekkingen hadden met andere mannen op de brandstapel gezet worden. Die ernstige misdaad werd ‘sodomie’ of ‘de onnatuurlijke zonde’ genoemd. Hetzelfde gold in de meeste Europese landen.

In de praktijk werd de soep echter zelden zo heet gegeten als ze geserveerd werd. In veel landen werd de doodstraf voor sodomie in de achttiende eeuw amper nog voltrokken. Hoewel de walging voor homoseksuele daden groot was, vonden de meeste juristen de doodstraf te zwaar en te publiek: de goede zeden zouden erdoor bedorven raken. De meeste rechtbanken verkozen om deze zaken in stilte af te handelen – door bijvoorbeeld de verdachten te verbannen – en zo schandaal te vermijden. In een grote stad als Parijs werd gekozen voor een scherper politietoezicht en gevangenisstraffen, zodat de spektakels met brandstapels vermeden konden worden.

Een crimineel tribunaal in de late achttiende eeuw. Léonard Defrance, Le tribunal criminel, tweede helft achttiende eeuw (Luik, Museum voor Waalse kunst).

Toen het Franse parlement na de revolutie van 1789 een nieuw strafrecht introduceerde, moesten tal van archaïsche praktijken wijken. De nieuwe wetgeving perkte de macht van de rechters in, schafte de tortuur af en schrapte religieuze misdrijven zoals godslastering of hekserij. Over seks tussen personen van hetzelfde geslacht werd met geen woord gerept. Zelfs in de discussies in het parlement sprak niemand erover. Sodomie werd in alle stilte gedecriminaliseerd.

De Franse revolutionairen waren ambitieus en missionair. Ze wilden hun radicale project niet voor zichzelf houden. Al snel lieten ze hun oog vallen op de Oostenrijkse Nederlanden, een gebied dat in de volksmond al vaak ‘België’ werd genoemd. Na een aantal pogingen werd België in 1795 ingelijfd bij de Franse republiek. Als gevolg daarvan werd ook de Franse wetgeving van kracht. Dat sodomie vanaf 1795 in België niet langer strafbaar was, hebben we dus vooral aan het Franse imperialisme te danken.

De omwegen van de straf

De Franse Nationale Grondwetgevende Vergadering haalde sodomie in 1791 uit het strafrecht.

Ook tijdens de opeenvolgende strafrechtshervormingen van de negentiende eeuw bleven homoseksuele daden als dusdanig buiten het strafrecht. Dat betekent echter niet dat België en Frankrijk plots een gaytopia werden. Homoseksuele daden werden vrij unaniem als walgelijk bestempeld. Homoseksuelen kregen niet alleen geregeld te maken met sociale druk en gaybashing, maar ook met de politie. Het gebrek aan specifieke wetgeving weerhield hen er immers niet van om tegen ‘onnatuurlijke ontucht’ te blijven optreden. Dat kon bijvoorbeeld door gebruik te maken van de wetgeving rond openbare zedenschennis. Die kon indien nodig ruim geïnterpreteerd worden: wat een publieke ruimte was en wat niet, was niet altijd scherp gedefinieerd. Bovendien had de politie allerlei andere maatregelen tot haar beschikking: ze kon homoseksuelen lastigvallen en voor enkele dagen administratief opsluiten zonder dat ze daarvoor veel hoefde te doen.

Tekening van een ‘molly’, een verwijfde homoseksueel in Engeland, in 1774.

Als een paradoxaal gevolg van de decriminalisering werden mannen die seks bedreven met andere mannen na 1795 vaker door de politie en het gerecht lastiggevallen dan voordien. Voor 1795 trachtten de autoriteiten vooral schandaal te vermijden. Een proces en terechtstelling voor sodomie zouden schandaal veroorzaken en misschien zelfs medelijden opwekken. Dat probleem was van baan: de straffen op schending van de openbare zeden waren gematigd – maximaal een jaar cel – en vooral discreet. Dat betekent niet dat er plots massaal tegen homoseksuelen werd opgetreden. De politie had steeds manschappen tekort en meestal andere prioriteiten. Tussen 1822 en 1834 stelde de Antwerpse politie bijvoorbeeld vijf pv’s op voor ‘onnatuurlijke zonde’ – een misdrijf dat niet meer bestond. Niet indrukwekkend veel, maar veel meer dan in de periode voor 1795. De meeste zaken werden geseponeerd, maar intussen waren de verdachten toch mooi lastiggevallen.

Als ‘België’ dus het derde land ter wereld was waar ‘homoseksualiteit’ uit het strafrecht verdween, dan is dat bezwaarlijk een gloriemoment voor de homowereld te noemen. De verbetering van hun juridische positie ging hand in hand met een toenemende, zij het nog steeds beperkte vervolging. Die situatie zou tot het midden van de twintigste eeuw standhouden.

Meer lezen?

Wannes Dupont, Elwin Hofman en Jonas Roelens (red.), Verzwegen verlangen. Een geschiedenis van homoseksualiteit in België (Antwerpen: Vrijdag, 2017).

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van de KU Leuven verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn huidige onderzoek betreft de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.

Begraven als honden

De grootste horror voor de armen van de negentiende eeuw was het hospitaal. Er bestond immers altijd een reële kans dat ze tijdens een kosteloos verblijf in een van de overbevolkte ziekenzalen zouden bezwijken aan hun kwaal. En wat er dan na de dood met hun lichaam gebeurde, dat hadden zij noch hun overlevende familieleden in de hand.

Anonieme ‘hondenbegrafenissen’

Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865)
Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865).

Dode lichamen van armen kwamen na hun overlijden in een van de Brusselse publieke ziekenhuizen terecht in het anatomisch amfitheater. Daar werden de lijken verschillende keren ontleed door geneeskundestudenten, waarna het stoffelijk overschot zo snel mogelijk op een naburig kerkhof werd begraven. Van de lijken bleef er weinig intact. De goedkope individuele doodskisten waarin de menselijke resten werden verzameld, bevatten naast lichaamsdelen ook ondefinieerbare lichaamsvloeistoffen en weefsels. Zo gebeurde het weleens dat er per ongeluk lichaamsresten van meerdere overledenen in een kist belandden. Deze anonieme begrafenissen, waarbij armen niet de kans kregen om afscheid te nemen van hun naasten, stonden in de volksbuurten van Brussel bekend als onfatsoenlijke ‘hondenbegrafenissen’.

Arme families probeerden hun overleden verwanten dit lot te besparen, maar werden daarbij gehinderd door de bestaande ziekenhuisreglementen. In principe hadden zij het recht om het lichaam van hun overleden kind, ouder, broer of zus op te eisen. Op deze manier konden ze belemmeren dat het door anatomisten werd opengesneden en hadden ze de kans om de begrafenis bij te wonen. Dat was echter alleen mogelijk als families binnen 24 uur na de dood van hun familielid de kosten van de doodskist en de begrafeniskoets betaalden, wat voor armlastige families een financieel moeilijke, zij het niet per se onmogelijke zaak was. Na deze termijn werden de lichamen overgebracht naar het anatomisch amfitheater.

Wat niet weet, wat niet deert

Een bijkomend struikelblok was de nalatigheid van ziekenhuismedewerkers. Het gebeurde regelmatig dat families niet of te laat werden geïnformeerd over de dood van hun naaste. Bij aankomst na 24 uur in het ziekenhuis kregen ze te horen dat de begrafenis al achter de rug was. In werkelijkheid bevond het lichaam zich op dat moment op de dissectietafel in het anatomisch amfitheater. Personeelsleden moesten de trieste waarheid verhullen om hartverscheurende scènes van verontwaardigde families in de gangen van de ziekenhuizen te vermijden. Anonieme begrafenissen van ontlede patiënten werden met andere woorden in duisternis gehuld.

Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930
Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930.

Ook verwanten die er wel in slaagden om tijdig de begrafeniskosten te betalen, moesten niet hopen op een respectvolle behandeling van het lichaam van hun naasten. Dit werd in een mortuarium tussen andere lichamen gelegd, waar familieleden de overledene konden komen groeten. Tot de verbijstering van sommige familieleden waren deze lijken allesbehalve presentabel. Onbedekt en met geopende ogen werden ze aan het rouwende publiek tentoongesteld. Familieleden reageerden onder meer geschokt op de gewelddadige manier waarop de kisting plaatsvond. In bijzijn van familieleden sloegen ziekenhuismedewerkers de planken rondom de overledene vast met spijkers.

De kracht van protest

Doorheen de negentiende eeuw brachten dergelijke klachten weinig veranderingen teweeg aan de omgang met lijken van armlastige patiënten. Dat betekende niet dat familieleden helemaal machteloos stonden tegenover de gang van zaken. Door luidkeels en met geweld te protesteren, konden zij ad hoc bepaalde rechten opeisen. Zo was het voor personeelsleden onmogelijk om de doodskist volgens de voorschriften een uur voor de begrafenis te sluiten, omdat er altijd nog laattijdige familieleden opdaagden die stonden op hun recht om respect te betuigen aan het lichaam. Om de goede vrede in het ziekenhuis te bewaren, was het personeel bereid tot beperkte tegemoetkomingen.

Schets van een lijkkoets, 1846
Schets van een lijkkoets, 1846.

De klachten van Brusselse armen vonden wel gehoor in politieke middens. De meest invloedrijke kritiek op de gang van zaken in ziekenhuizen ging uit van de socialisten. In hun strijd tegen klassenongelijkheid en voor algemeen stemrecht richtten zij omstreeks 1880 hun pijlen onder meer op de minderwaardige behandeling van armen voor en na hun dood. Brussel werd in deze periode de setting van opeenvolgende stakingen en gewelddadige betogingen. Ziekenhuisdirecties vreesden zelfs voor de komst van rode vlaggen en bijhorende manifestaties in eigen huis.

Begraven in een nieuw jasje

In deze politiek woelige periode zagen de ziekenhuisbestuurders zich genoodzaakt om de omstandigheden van armenbegrafenissen te verbeteren. Opgeëiste lichamen werden vanaf de eeuwwisseling in een nieuw jasje begraven. In plaats van de gebrekkige platte kisten voerde men aantrekkelijkere vijfhoekige kisten met een rode binnenbekleding in. De nagels om de kisten mee dicht te timmeren werden vervangen door schroeven. Zwarte stof op de kisten moest een fatsoenlijk afgeschermd transport van de doden doorheen de gangen in het ziekenhuis verzekeren. In 1910 was er zelfs sprake van kussentjes voor onder de hoofden van de overleden patiënten. Fatsoen en respect werden langzamerhand woorden van betekenis in de omgang met de lichamen van armen.

Veel armen konden na hun dood helaas niet profiteren van de nieuwe maatregelen. Zonder familieleden die hun lichamen konden opeisen, voelden ziekenhuisbeheerders zich niet genoodzaakt om aandacht te besteden aan het lot van hun stoffelijk overschot. Deze lijken passeerden zoals vanouds langs het anatomisch amfitheater, vooraleer ze hun laatste rustplaats in goedkope sjofele kisten bereikten. Niemand was aanwezig op hun begrafenis.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en vrijzinnigheid in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Vanitasstilleven, 1625 door Pieter Claesz. (Haarlem, Frans Hals Museum)

Broeders aller steden, verenigt u!

Gastblog door Jelle Haemers.

Ironisch, zo zou je het kunnen noemen. De enige bewaarde brief van de ‘Vlaamse vrijheidsstrijder’ Pieter De Coninck is in het Frans opgesteld. Onlangs dook dit opmerkelijke tijdsdocument van de Brugse held van de Guldensporenslag opnieuw op. Die slag vond plaats op 11 juli 1302 en eindigde in een klinkende overwinning van de Vlaamse troepen op het leger van de Franse koning. In de negentiende eeuw groeide ze uit tot het symbool bij uitstek van de strijd om de vernederlandsing van Vlaanderen – 11 juli is nog altijd de feestdag van de Vlaamse Gemeenschap.  De brief toont echter eens te meer aan dat taaleisen allerminst een issue waren voor Pieter De Coninck, wél hoopte hij politiek verzet voor meer sociale rechten te promoten. En de Brugse wever verspreidde zijn rebelse ideeën dus graag via een brief naar zijn ‘broeders’ in andere – Franstalige – steden.

Pierre li Roi

Kopie van de brief met bovenaan de aanhef ‘Item, Pieres li Rois de Bruges, envoia un valet a tout une letre…’ (Archives départementales du Pas-de-Calais, serie A, nr. 928/7)

‘Op een dergelijke manier en met zo’n broederschap heb ik de stad Brugge gered!’ In de lente van 1306 schreef Pieter de Coninck, ‘Pierre li Rois’ in de brief, met deze woorden de textielarbeiders van Sint-Omaars aan om hen een hart onder de riem te steken in hun strijd om sociale rechten. Het document wordt bewaard in het archief in Arras, Noord-Frankrijk, de hoofdplaats van het toenmalige graafschap Artesië, waartoe Sint-Omaars (Saint-Omer) behoorde. Het is de enige brief van de Brugse held van 1302 waarvan de inhoud volledig bekend is. Het origineel ging echter verloren, maar een integrale Franse vertaling uit de middeleeuwen bleef bewaard op een archiefrol. ‘Et a tele frairie si sauvai jou le vile de Bruges’, klinkt het bovenstaande citaat in het bijna onverstaanbare Picardische Frans van die tijd.

Traditioneel wordt Pieter de Coninck als een Vlaamse vrijheidsstrijder afgeschilderd (en gebruikt), maar deze brief toont eens te meer aan dat de politieke en militaire ontwikkelingen van 1302 vooral een emancipatie waren van arbeiders  om politieke inspraak en rechten van sociale gelijkheid te krijgen. In het begin van de veertiende eeuw streden arbeiders, die toen verenigd waren in ambachten, een soort van vakbonden, om inspraak in de stad. Ze waren het jarenlange wanbestuur van een kleine groep grondig beu en eisten veranderingen. Je zou het bijna kunnen vergelijken met wat vandaag soms gebeurt: een kleine groep had de macht gemonopoliseerd en beschouwde het belastinggeld als het hun persoonlijk goed. Corruptie, persoonlijke verrijking, en vriendjespolitiek waren ook in de vroege veertiende eeuw schering en inslag in steden als Brussel, Antwerpen, Brugge en Gent.

Een Vlaamse strijd… tegen Vlamingen

Standbeeld van Pieter de Coninck en diens kompaan vleeshouwer Jan Breidel siert nog altijd de Brugse Grote Markt, de verzamelplaats voor de ambachtslegers. (© Ad Meskens)

Maar een tegenbeweging van ‘gewone mensen’, arbeiders en een opgekomen middenklasse trok aan de alarmbel, en eiste verandering. Enkele van onze hedendaagse democratische verworvenheden waren voor hen een strijdpunt. Op hun eisenlijst stonden onder meer een transparant bestuur waarin duidelijk was waaraan het belastinggeld besteed werd en inspraak in het bestuur van onderuit. Een gelijke berechting in de eigen taal stond er niet tussen. Dat is een eis die pas in de negentiende eeuw aan de Bruggeling werd toegeschreven. Onder meer het werk van Hendrik Conscience cultiveerde zijn heldenstatus, en later werd Pieter een frontman in de Vlaamse strijd.

De elite van de steden weigerde koppig toe te geven en verbond zich met de Franse koning, de eigenlijke leenheer van Vlaanderen. Na een lange politieke strijd kwam het uiteindelijk tot een open confrontatie op het slagveld aan de Groeningekouter. Het gevolg is bekend: het Franse ridderleger ging op 11 juli 1302 samen met de Vlaamse elite ten onder. De ambachten kwamen in de vermelde steden aan de macht. Eerder dan een gevecht tussen Frankrijk en Vlaanderen, laat staan een taalstrijd, was ‘1302’ dus een strijd van Vlamingen tegen Vlamingen. De elite delfde het onderspit en wevers zoals Pieter de Coninck triomfeerden en kwamen aan de macht. De inspraak van onderuit was een feit. Meer nog: na de geslaagde opstand te Brugge wakkerde Pieter de Coninck het ‘revolutionaire vuur’ nadien aan in andere plaatsen met een opmerkelijke correspondentie.

In zijn brief raadde de Bruggeling de kompanen uit Sint-Omaars aan om zich te verenigen tegen de elite van de stad. ‘Beste vrienden, ik heb gehoord dat jullie tegenstand ondervinden in de stad, en dat er verdeeldheid heerst’, begint hij zijn schrijven. De arbeiders, verenigd in ambachten, waren namelijk de confrontatie met de bestuurders van de stad aangegaan, maar hun klachten werden niet gehoord. Zijn advies luidde dat de leiders van de opstand de kleinere ambachten bij hun zaak dienden te betrekken, of, in de woorden van De Coninck, ‘als uw broeders te behandelen’. Om de vriendschapsbanden aan te halen vroeg hij of de ambachtslieden hem enkele afgewerkte klederen konden bezorgen, want hij had gehoord dat de ambachten deze vervaardigden. De kosten zou Pieter vergoeden! ‘En God zij met u’, sloot hij af. Een typische slotformule die bijvoorbeeld Amerikaanse politici nog altijd gebruiken!

Censuur

Op de zogenaamde ‘Courtrai chest’, nu in het Ashmolean Museum in Oxford, is de enige afbeelding van de Guldensporenslag uit de tijd zelf te zien; hier zijn Vlaamse troepen (met alweer banieren met werktuigen) onderweg naar Kortrijk.

De brief werd echter onderschept door het stadbestuur van Sint-Omaars, en allicht vernietigd. De schepenen namen – gelukkig voor ons – echter een vertaling op in een procesdossier als bewijsstuk tegen de opstandelingen. Daarom beschikken we dus nog steeds over de inhoud van de brief, die dus weliswaar vertaald werd naar het Frans. De Nederlandstalige versie is allicht vernietigd met de bedoeling het ‘revolutionaire vuur’ te doven. Dat is niet gelukt, want de brief is onlangs weer opgedoken. Het proces heeft dus op lange termijn een averechts effect gehad, want we bloggen er in 2017 nog altijd over.

Uiteindelijk is het in Sint-Omaars ook tot een gewapend treffen gekomen tussen de ambachten en de bewindvoerders, en de strijd werd ook hier in het voordeel van de handwerkers beslecht. In de zomer van 1306 verkregen ze toegang tot de schepenzetels en konden ze voortaan mee het beleid in de stad bepalen. Eind goed, al goed.

Meer lezen

Jelle Haemers, ‘Een brief van Pieter de Coninck aan Sint-Omaars (1306). Over schriftelijke communicatie van opstandelingen in veertiende-eeuws Vlaanderen en Artesië’, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 154 (2017), 3-30.

Jelle Haemers is gastblogger. Hij is hoofd van de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar politieke conflicten in de steden van laatmiddeleeuws Vlaanderen en Brabant.

5 favorieten van Tom Verschaffel

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week zijn we toe aan de laatste editie van deze zomer, met het favoriete leesvoer van Tom Verschaffel.

  1. De roman van Ferrara

Il romanzo di Ferrara is de overkoepelende titel van zowat het volledige oeuvre van Giorgio Bassani. Dat bestaat uit zes boeken: één grotere roman (meteen Bassani’s bekendste boek: De tuin van de Finzi-Contini’s uit 1962) en verder enkele korte romans en verhalenbundels. Alle verhalen spelen zich af in Ferrara, in de tijd van het Fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de nasleep ervan. Ze zijn deels autobiografisch, maar toch staat het leven van de auteur zelf niet centraal. Het geheel geeft een prachtig en pakkend beeld van het leven in de stad en in het bijzonder van de joodse gemeenschap.

Giorgio Bassani, De roman van Ferrara (Meulenhoff 2010; oorspronkelijke Italiaanse uitgave 1953-1972).

  1. De Thibaults

Al in de Top 5 van Kaat Wils en ook ik kan De Thibaults – inderdaad – onmogelijk niét opnemen. Opnieuw een romancyclus: zeven boeken (en een epiloog) van ongelijke lengte, in het Nederlands uitgegeven in twee dikke delen, met het verhaal van twee, zeer verschillende broers. Het geheel is magistraal en meeslepend (de eerste delen gaan vooral over de verhouding tussen de zoons en de dominante vader), maar ik wil hier in het bijzonder wijzen op het lange laatste boek (in het Nederlands het volledige tweede volume), duizend pagina’s waarin een periode wordt beschreven van niet meer dan enkele maanden, vlak voor en na het begin van de Eerste Wereldoorlog. Nooit is zo helder en overtuigend beschreven hoe (zoveel) mensen die geen oorlog wilden en tot op het laatste moment zelfs niet konden geloven dat die er zou komen, niet voorkwamen dat de oorlog uitbrak, erin werden meegesleept en ten prooi vielen aan patriotisme.

Roger Martin du Gard, De Thibaults (2 delen, Meulenhoff 2014-2015; oorspronkelijke Franse uitgave 1922-1940).

  1. Geteld, geteld

Geteld, geteld is het eerste (en helaas ook het enige in het Nederlands vertaalde) deel van een trilogie (1934-1940), waarin de Hongaarse schrijver Miklós Bánffy het verhaal vertelt van enkele leden van een adellijke familie, tegen de achtergrond van de maatschappelijke ontwikkelingen en politieke gebeurtenissen op het einde van de negentiende eeuw en de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Bánffy, zelf een edelman en politicus (hij was in de jaren 1920 korte tijd minister van Buitenlandse Zaken), schetst in een weids fresco een Hongarije in verval, met in de hoofdrol een adel waarvan de rol definitief is uitgespeeld.

Miklós Bánffy, Geteld, geteld (Atlas 2012; oorspronkelijke Hongaarse uitgave 1934).

  1. Middlemarch

Grote roman van George Eliot, die het leven schetst in een klein Engels stadje, met een veelheid aan personages en verwikkelingen. Scherpzinnig en soms heel geestig maakt Eliot voelbaar hoe grondig de maatschappij in de negentiende eeuw veranderde en welke impact dat had op het dagelijkse leven van individuen, met – het is wel algemeen bekend dat achter het mannelijk pseudoniem van Eliot een vrouwelijke auteur schuilgaat – een bijzondere aandacht voor de rol van vrouwen. In de Engelse literatuur zijn wel meer romans gewijd aan (aspecten van) de modernisering van het leven in de negentiende eeuw en de schokken die zij meebracht: een ander magistraal voorbeeld is De weg van alle vlees (1903) van Samuel Butler.

George Eliot, Middlemarch (Athenaeum 2016; oorspronkelijke Engelse uitgave 1871-1872).

  1. Het bureau

Nog een romancyclus, bestaande uit zeven boeken, ongeveer vijfduizend bladzijden in totaal. Allemaal gewijd aan de dagelijkse bezigheden van een niet al te vrolijke man die werkt op een wetenschappelijk onderzoeksinstituut voor volkskunde (eigenlijk het Meertensinstituut in Amsterdam). Het boek beschrijft met dodelijke precisie een saai leven met zijn zich steeds herhalende routines, maar is, als je er eenmaal “in” zit, o zo verslavend. Bovendien geeft het de dagelijks praktijk van de wetenschappelijke arbeid weer, met bijvoorbeeld ook een ontluisterend, maar tegelijk hilarische en herkenbare voorstelling van wetenschappelijke (historische) congressen.

J.J. Voskuil, Het bureau (Van Oorschot 1996-2000)

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: CC-BY Andy Roberts

5 toppers van Nelleke Teughels

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week: Nelleke Teughels.

  1. In 1926: ein Jahr am Rand der Zeit / In 1926: Living at the edge of time

Ik werd getipt over dit boek door Kurt Vanhoutte, een collega aan de Universiteit Antwerpen, en ik wil het hier zelf warm aanbevelen. Auteur Hans Ulrich Gumbrecht wil de lezer het jaar 1926 laten beleven zoals de tijdgenoot het ervoer, met een veelheid aan uiteenlopende ervaringen die op hem afkomen. Gumbrecht verwerpt in dit boek de conventies van een lineaire verhaallijn en opent het tijd-ruimtecontinuüm door in 51 korte maar onderling via verwijzingen met elkaar verbonden essays de dagelijkse realiteit te onderzoeken, zoals liften, cafés, vliegtuigen, haargel, stierenvechten, Toetanchamon en danstrends. Er is geen juiste volgorde om het boek te lezen; het werkt als literair equivalent van surfen en doorklikken op het internet, waarmee het ook meteen perfect de kinetische en gefragmenteerde cultuur van de tijd weerspiegelt.

Hans Ulrich Gumbrecht, In 1926: living at the edge of time (Cambridge/Londen 1997).

  1. Die Stadt / La Ville

Deze graphic novel avant la lettre door de Belgische houtsnijder en graficus Frans Masereel verbeeldt op weergaloze manier het stedelijke Europa uit het interbellum. Het boek omvat 100 magnifieke en krachtige houtsneden die leven en werk, rijkdom en armoede, eenzaamheid en hoop in de grootstad belichten. Ook al gaat het om momentopnames – een familie aan tafel, een vrouw die uit het raam naar de sterrenhemel tuurt, een opgehitste massa – toch kan je in elk van de afbeeldingen een heel verhaal lezen. Het geheel woordeloze album kent echter geen opgelegde verhaallijn die alle houtsneden verbindt. Het gaat om een portret van een plaats en tijd, de grootstad uit de jaren 1920, maar tegelijkertijd blijft het werk ook erg tijdloos aandoen. De scènes met grote menigtes – in musea, restaurants of in de straat – geven een toen nog nieuw fenomeen weer dat intussen de stedelijke norm is geworden. Ook de begrafenisscène, met een man die alles staat te filmen, toont een nieuwerwets fenomeen dat intussen alledaags is geworden.

Frans Masereel, Die Stadt (München 1925).

  1. Breakfast of Champions

Kurt Vonnegut staat niet bekend om zijn optimistisch mensbeeld, maar alleen al voor zijn inventieve en onvergelijkbare schrijfstijl wil ik dit zelfs voor zijn doen erg misantropische boek toch sterk aanraden. Hij kan de meest banale zaken op zo’n originele manier benaderen dat je niet enkel een aha-ervaring doormaakt maar ook nog eens gegniffel met moeite zal kunnen onderdrukken. Het verhaal zelf speelt zich grotendeels af in het fictieve Midland City in Indiana en draait om de onvermijdelijke confrontatie tussen Dwayne Hoover en Kilgore Trout. Trout is schrijver, maar zijn sciencefictionverhalen raken alleen maar (doch op ruime schaal) gepubliceerd in pornografische tijdschriften. Hoover is een aanvankelijk charmante maar niettemin ernstig gestoorde Pontiac-verkoper, wiens mentale stoornis hem ertoe brengt te geloven dat een verhaal van Trout De Waarheid bevat. Aan de hand van elegante satirische wendingen, kinderlijke tekeningen en scherpe analyses legt Vonnegut bloot wat hij absurd of simpelweg verwerpelijk vindt aan de Amerikaanse maatschappij van de jaren 60 en 70. Daarmee behandelt hij thema’s als de Vietnamoorlog, vrije wil, seks, racisme en zelfs massagesalons.

Kurt Vonnegut, Breakfast of Champions (New York 1973)

  1. East of Eden

Tegen het decor van de prachtig door Steinbeck beschreven Salinas Valley, een uitgestrekte landbouwvallei in Californië, volgt deze roman de relaties van twee families, de Trasks en Hamiltons. Het verhaal is geïnspireerd door de Bijbelse verhalen over Adam en Eva en over Kaïn en Abel en verkent de relaties tussen ouders en kinderen, tussen broers en tussen mensen, tussen geschiedenis en plaats. Daarmee is het een verhaal over heel basale emoties: liefde, jaloezie, met op de achtergrond de angst afgewezen te worden. Steinbecks verhaal overspant verschillende generaties en omvat een stoet aan intrigerende, levensechte personages waarvan niet altijd duidelijk te zeggen valt of ze goed of slecht zijn.

John Steinbeck, East of Eden (New York 1952).

  1. Metaphors we live by

Dit boek was voor mij als jonge onderzoeker een revelatie – het toont aan de hand van eenvoudige voorbeelden aan hoe metaforen ons begrip van de wereld die we rondom ons ervaren mee structureren en vorm geven zonder dat we het zelf beseffen. Sinds zijn publicatie in 1982 kreeg het boek aardig wat kritiek te verduren. De detailanalyses zijn inderdaad vaak overtrokken en de stijl is soms wat drammerig. Dit hangt nauw samen met het argumentatieve karakter van het boek en het blijkbaar nogal onbuigzame karakter van één van de auteurs. Maar het boek is erg belangrijk geweest vanwege de vernieuwende inzichten die in een coherent kader worden voorgesteld. Ondanks enkele terechte kritieken biedt dit werk van Lakoff en Johnson een intrigerende maar verhelderende blik op hoe taal onze visie op de werkelijkheid bepaalt en op hoe ons brein werkt.

Georg Lakoff & Mark Johnson, Metaphors we live by (Chicago 1982).

Nelleke Teughels is als doctor-assistent aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis verbonden. Ze doet onderzoek naar voedingscultuur in de negentiende en twintigste eeuw.

Titelafbeelding: CC-BY Andy Roberts

De 5 toppers van Jo Tollebeek

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week: Jo Tollebeek.

L’embarras du choix! Ik noem vijf prachtige boeken, stuk voor stuk illustraties van wat een eigenzinnige cultuurgeschiedenis zoal kan inhouden.

  1. Going Once. 250 Years of Culture, Taste and Collecting

Het Londense veilinghuis Christie’s, opgericht in 1766, vierde zijn verjaardag met een boek waarin tweehonderdvijftig loten uit de voorbije verkopen worden voorgesteld: van een in 1771 geveilde collectie schelpen en fossielen (83£ 8s) over de zwarte Givenchy-jurk die Audrey Hepburn in Breakfast at Tiffany’s (1961) droeg, tot Van Goghs in 1990 verkochte portret van dokter Gachet (49.200.000£). Een geschiedenis van hebzucht, bewondering en verrassingen.

Going Once. 250 Years of Culture, Taste and Collecting (Phaidon Press 2016).

  1. Crime Album Stories. Paris 1886-1902

De Amerikaanse historica van de fotografie Eugenia Parry vertelt in dit boek vijfentwintig misdaadverhalen. Zij vertrekt daarbij van een bij een Parijse antiquair aangetroffen album met foto’s die een aantal in de Franse hoofdstad tijdens het fin de siècle gepleegde moorden moesten documenteren. Tegen een decor van misdaad en sensatie voert Parry een pedante criminoloog en een geduldige, intuïtieve detective op.

Eugenia Parry, Crime Album Stories. Paris 1886-1902 (Scalo 2000).

  1. Huis van het leven

La casa della vita, zo luidt de titel van de autobiografie die de Italiaanse literatuurhistoricus Mario Praz in 1958 publiceerde. Het is een wonderlijk en ontroerend boek, waarin de schrijver de lezer door zijn appartement in Rome leidt en bij elk object uit zijn fantastische Empire-collectie halthoudt om een episode uit zijn leven te vertellen. Praz stond model voor de hoofdfiguur van Visconti’s Conversation Piece (1974), een oude kluizenaar, die door Burt Lancaster wordt gespeeld.

Mario Praz, Huis van het leven (Agon 1992).

  1. The Hall of Uselessness

Wie graag essays leest, zal in Simon Leys de archetypische essayist herkennen. De eminente sinoloog werd bij zijn dood in 2014 door een Frans minister gehuldigd als ‘meertalige Belg, beeldenstormer, anticonformist, liefhebber van de Franse literatuur en van het intellectuele debat’. In The Hall of Uselessness is zijn beste werk gebundeld: essays over onder meer China, de universiteit en de literatuur.

Simon Leys, The Hall of Uselessness. Collected Essays (New York Review Books 2013).

  1. Esel. Ein Portrait

Een cultuurgeschiedenis van de ezel: de Duitse schrijfster Jutta Person volgt de ezel in de campagna van Goethe, reconstrueert de biografie van het dier als philosophische Stehenbleiber, herinnert aan de elegante vertolking van Catherine Deneuve in Peau d’âne (1970) en vraagt zich af waarom ‘ezel’ vandaag niet langer een serieus scheldwoord is. Een grappig boek, vol herkenbare inzichten. Ezel!

Jutta Person, Esel. Ein Portrait (Matthes & Seitz 2013).

Jo Tollebeek is als gewoon hoogleraar aan de onderzoekgroep Cultuurgeschiedenis verbonden. Hij is decaan van de faculteit Letteren van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de geschiedenis van de geschiedschrijving en de historische cultuur in de negentiende en twintigste eeuw, en naar universiteits- en wetenschapsgeschiedenis.

Titelfoto: Andy Roberts (CC-BY).

De 5 favorieten van Kaat Wils

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Kaat Wils bijt de spits af.

  1. The Woman Beneath the Skin

Hoofdfiguren in dit boek zijn de vroeg-achttiende-eeuwse Duitse arts Johannes Pelargius Storch en zijn patiënten. Zij ervoeren en interpreteerden hun lichaam op een manier die wezenlijk anders is dan wat we vandaag gewend zijn. Van een man wiens lichaam zoveel melk produceerde dat hij er kaas van maakte, keek Storch niet op. Barbara Duden doet dat evenmin. Op uiterst behoedzame wijze toont deze Duitse historica hoe het lichaam zowel materialiteit als cultuur is, en hoe gender in die achttiende-eeuwse plattelandswereld niet vanuit lichamelijke kenmerken van mannen en vrouwen werd gedefinieerd.

Barbara Duden, The Woman Beneath the Skin. A Doctor’s Patients in Eighteenth-Century Germany (Harvard University Press 1991; oorspronkelijke Duitse uitgave 1987).

  1. Publieke werken

Dit boek vertelt het tragische verhaal van de laat-negentiende-eeuwse Amsterdamse vioolbouwer Walter Vedder en zijn neef, de oude apotheker Anijs uit Hoogeveen. De eerste vecht tegen de nietsontziende modernisering van de stad, gesymboliseerd door de bouw van het centraal station en het hotel Victoria. De tweede richt zijn idealisme en persoonlijke frustratie op het lot van de arme bewoners van de naburige veenkolonie. Thomas Rosenbooms boek leest als een negentiende-eeuwse roman, strak van opbouw, zonder ironie, in een taal en stijl die uit een andere wereld lijken te komen. Slechts de ijzingwekkend precieze psychologische portretteringen en de zintuiglijkheid die het boek uitademt, verraden de jonge leeftijd van het werk.

Thomas Rosenboom, Publieke werken (Querido 1999).

  1. Thessaloniki. Stad van geesten 1430-1950

De Britse historicus Mark Mazower vertelt in dit boek de tumultueuze geschiedenis van de multiculturele stad Thessaloniki, van bij de inname in 1430 van de Byzantijnse stad door de Osmanen, tot in de twintigste eeuw. Toen werd de stad Grieks, nadat de moslims waren verdreven en Griekse christenen werden geïmporteerd, en vervolgens, een oorlog verder, de joden, die al eeuwenlang een belangrijke bevolkingsgroep vormden, werden gedeporteerd. Mazowers boek is een echte biografie, een spannend boek dat het beste van een lineair verhaal met oog voor detail verenigt met de nuance en de brede blik die eigen zijn aan de academicus. Voor wie nog geen vakantiebestemming heeft, is dit een absolute aanrader.

Mark Mazower, Thessaloniki. Stad van geesten 1430-1950 (Contact 2005; oorspronkelijke Engelse uitgave 2004).

  1. De Thibaults

Nog zo’n heerlijk negentiende-eeuws aandoende historische roman in de beste realistische traditie. Het boek vertelt het verhaal van twee broers uit een katholiek burgerlijk gezin, van de Belle Epoque tot in de Eerste Wereldoorlog. Ook hier staan de personages centraal, in al hun complexiteit en irrationaliteit, met schitterende dialogen. Het was dankzij Tom Verschaffel dat ik dit boek (en de Nobelprijswinnende auteur) leerde kennen – benieuwd of het ook in zijn top 5 is terechtgekomen…

Roger Martin du Gard, De Thibaults, (2 delen, Meulenhoff 2014-2015; oorspronkelijke Franse uitgave 1922-1940).

  1. Le Linge du Palais-Bourbon

De Franse historica en sociologe Gardey brengt in dit boek een ongewone geschiedenis van het Franse parlement. Centraal staat de vraag hoe de materiële, ruimtelijke en lichamelijke organisatie van het parlement mee vorm gaven aan wat politieke vertegenwoordiging betekende. De kelders en de coulissen waar dienstboden, wasvrouwen en stenografen zich bevonden, krijgen evenveel aandacht als de plenaire zaal en haar meubilair. Het boek toont onder meer hoe er zich in de negentiende eeuw een langzame masculinisering van de Assemblée voltrok en hoe moeizaam de feminisering van het personeel na de Tweede Wereldoorlog bleek. Voor wie nieuwsgierig is: op donderdag 21 september is de auteur te gast in Leuven om over haar boek te spreken – allen welkom.

Delphine Gardey, Le Linge du Palais-Bourbon. Corps, matérialité et genre du politique à l’ère démocratique (Le Bord de l’eau 2015).

Kaat Wils is het hoofd van de onderzoekgroep Cultuurgeschiedenis. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de geschiedenis van gender en lichamelijkheid, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek.

Titelfoto: Andy Robert (CC-BY)

Een kleine geschiedenis van het dankwoord

Het dankwoord is een bijzonder genre. Hoe onpersoonlijk een academisch boek verder ook is, in het dankwoord geven auteurs een stukje van hun ziel bloot. Tussen waslijsten van namen ontwaren we persoonlijke relaties en diepe gevoelens, blijken van erkenning en tekenen van humor. Maar ondanks die persoonlijke stijl staat in de meeste dankwoorden toch min of meer hetzelfde. In het dankwoord geven onderzoekers immers aan dat ze zich de normen en het zelfbeeld van hun beroepsgroep eigen hebben gemaakt. Samen met die normen en dat zelfbeeld zijn dankwoorden de afgelopen eeuw dan ook sterk veranderd.

Een aangename plicht

Het dankwoord zoals we het vandaag kennen, vooraan of tegenwoordig ook vaak achteraan in een boek, is nog vrij jong. De gewoonte om in België de term ‘dankwoord’ te gebruiken in bijvoorbeeld doctoraten – een tekstgenre waarbij dankwoorden heel gebruikelijk zijn – kwam pas op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Sinds de jaren zeventig was het echter al gebruikelijk om een ‘voorwoord’ te schrijven dat in veel gevallen ook enkel een dankwoord was. En nog daarvoor was het (al zeker sinds de negentiende eeuw) gebruikelijk om aan het einde van de inleiding een of twee alinea’s voor te behouden voor het betuigen van erkentelijkheid aan zij die tot het proefschrift bijdroegen.

Prof. Dr. Emile Lousse (1905-1986) werd al eens bedankt voor zijn ‘vriendelijke vingerwijzingen’.

De vorm en benaming van het dankwoord is niet zonder belang. Niet alleen is het dankwoord vooral in de jaren tachtig sterk in lengte toegenomen, de functie ervan is ook veranderd. De woorden van dank die tot de jaren vijftig werden geschreven, legden heel sterk de nadruk op ‘erkentelijkheid’. ‘Het is ons een aangename plicht onze erkentelijkheid te betuigen’, schreef zuster Marie Hereswitha in 1941, ‘aan allen die ons in meerdere of mindere mate behulpzaam waren bij het tot stand komen van ons werk.’ De onderzoekers vonden het hun plicht om aan te geven dat hun proefschrift niet alleen hun eigen werk was, maar ook dat van anderen. ‘Als ons werk enige verdienste heeft,’ klonk het nog in 1959, ‘dan danken wij dit aan de heren Professoren’. De jonge academici toonden dat ze zich de deugd van de bescheidenheid hadden eigen gemaakt.

Die nadruk op plicht en erkenning is sinds de jaren zestig op het achterplan geraakt. De deugd van bescheidenheid maakte plaats voor die van persoonlijke dankbaarheid. ‘Wij geloven niet dat onze boot zonder zijn vaste hand de eindhaven zou bereikt hebben’, schreef Klaas Maddens over de promotor van zijn proefschrift in 1975. De prille onderzoeker presenteerde het proefschrift veel meer als een eigen werk en sprak persoonlijk dank uit aan al wie daarbij geholpen had. Dat werd niet zozeer als een plicht voorgesteld, hoe aangenaam die ook mocht geweest zijn, maar als een quasi-spontane, hoogst individuele uiting van een gevoel. ‘Het eindpunt van een dissertatie is een moment van onversneden vreugde. Niet alleen omdat de tekst afgeleverd wordt, maar ook omdat ik dankbaar kan terugdenken aan al wie zijn fervente steun verleende’, klonk het in 1993. Een ideaal van plichtsgetrouwheid ruimde plaats voor een ideaal van oprechtheid.

Vereerde leermeesters

De geschiedenis van het dankwoord is er een van winnaars en verliezers. De enige vaste waarde in dankwoorden bij proefschriften is dat de promotoren die het proefschrift begeleidden genoemd worden – zelfs bij grote onvrede over die begeleiding. De manier waarop is evenwel ook veranderd: werden promotoren in de eerste helft van de twintigste eeuw nog wel eens voor hun ‘vriendelijke vingerwijzingen’ bedankt, dan werd het in het nieuwe millennium gebruikelijker om de promotor voor het vertrouwen en de steun te bedanken, welaan, zelfs te stellen dat de promotor een vriend was geworden.

Fragment uit het dankwoord van Lode Wils.

De grote verliezers zijn de andere professoren van de faculteit. Sinds de negentiende eeuw was het gebruikelijk om hen met name te bedanken. In 1954 liet Lode Wils nog weten dat het zijn ‘aangename plicht’ was om ‘hier onze dank te mogen uitdrukken tegenover onze vereerde leermeesters aan de Katholieke Universiteit te Leuven, aan wie wij onze wetenschappelijke opleiding verschuldigd zijn, en wier verheven voorbeeld in ons het verlangen gewekt heeft om naar mogelijkheden tot de wetenschap bij te dragen.’ Maar vanaf de jaren zestig verdwenen de vereerde leermeesters uit het beeld. Enkel als ze actief aan het proefschrift bijdroegen, bijvoorbeeld door hoofdstukken na te lezen, verdienden ze een vermelding. En die was zelden nog zo barok als bij Wils.

Gelukkig zijn er naast verliezers ook winnaars. Tot rond 1975 bestond het volledige bedankte publiek in een proefschrift uit zeergeleerde professoren en figuren in de marge van het academisch bedrijf: bibliothecarissen, proeflezers, financierende instellingen. Sindsdien verschenen er heel wat figuren die eigenlijk niets met het proefschrift te maken hadden, maar de auteur ervan moreel en emotioneel ondersteund hadden. Eerst kwamen de ouders en de echtgenotes. Ze werden al snel vergezeld door broers en zussen, grootouders, kinderen, huisgenoten, oude studievrienden, bureaugenoten en ex-lieven. Zij werden bedankt voor steun en verstrooiing en hen werd verontschuldiging gevraagd voor de vele afwezigheden tijdens de afwerking van het proefschrift (een tijdlang was er zelfs sprake van de ‘doctoraatsweduwe’). Academici tonen zo dat ze weliswaar menselijk zijn, maar dat het met hun arbeidsethos toch goed zit.

(CC-BY 3.0 Waov12)

Academische deugden

De geleerde van de eerste helft van de twintigste eeuw presenteerde zich als iemand die toegewijd, bescheiden en leergierig was en respect had voor hiërarchie en gebruiken. De geleerde bij het dagen van de eenentwintigste eeuw presenteerde zich als een mens van de wereld. Iemand die niet alleen met zijn of haar neus in de boeken zat, iemand die werk en persoonlijk leven in elkaar liet overvloeien. Het hoeft niet te verbazen dat net vanaf de jaren negentig de kwinkslag haar opgang maakte: plots doken in dankwoorden niet-bestaande personen, huisdieren of bekende zangers op. Tussen de bedankingen sloop al eens een speelse belediging. De onderzoeker van de eenentwintigste eeuw hecht belang aan oprechtheid, originaliteit en persoonlijkheid en schuwt verdenkingen van slaafs formalisme.

Elwin Hofman is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Momenteel schrijft hij aan het dankwoord van zijn proefschrift The Internalization of Man. Stigma, Criminal Justice and Self in the Southern Netherlands, 1750-1830.

Game of Thrones in vijftiende-eeuws Brabant

Gastblog door Valerie Vrancken.

Een kaart van het Heilig Roomse Rijk omstreeks 1400. Dit Rijk in Centraal en West-Europa werd geregeerd door keizers en omvatte talrijke kleinere vorstendommen, waaronder ook het Brabantse hertogdom (in het zwart aangeduid, gesitueerd in hedendaags Vlaams-, Waals- en Nederlands Brabant). Op de westelijke randgebieden – waaronder Brabant – hadden de keizers echter weinig grip in de late middeleeuwen: zij functioneerden daarom bijna als autonome vorstendommen (CC BY 2.5 Ziegelbrenner).

In de zomer van 1430 verheugde de Brabantse bevolking zich op het huwelijk van hertog Filips I met een Aragonese prinses. Een delegatie was al onderweg om zijn aanstaande bruid op te halen, toen bleek dat het huwelijk moest plaatsmaken voor een begrafenis: de zesentwintigjarige hertog had namelijk enkele dagen voordien het leven gelaten. Vreugde sloeg om in collectieve rouw, geplande festiviteiten ruimden plaats voor een ernstige opvolgingscrisis. Want terwijl het gebalsemde lichaam van de kinderloze hertog twee maanden lang lag opgebaard in de Leuvense burcht, aasden niet minder dan tien pretendenten op de prestigieuze hertogstroon.

Een moordcomplot?

De keizer van het Heilig Roomse Rijk, Filips de Goede (heerser over Bourgondië, Vlaanderen en Namen) en de onpopulaire Margaretha van Bourgondië (voormalig gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen) konden daarbij de beste kaarten op tafel leggen. Maar nog vooraleer de troonstrijd echt van start ging, gonsde het in Brabant van de geruchten dat Filips I zou zijn vergiftigd. De hertog stond immers bekend als een gezonde en robuuste vorst die geregeld deelnam aan tornooien en jachtpartijen. Zijn plotse dood stelde velen dan ook voor een raadsel.

De moord op Bourgondisch hertog Jan Zonder Vrees op 10 september 1419 in Montereau (Enguerrand De Monstrelet, Chroniques, BNF, Mss. Fr. 2680).

Het scenario van een onnatuurlijke dood was bovendien niet uit de lucht gegrepen. In de jaren voordien hadden politieke tegenstanders zich zowel in Brabant als in naburige vorstendommen bediend van drastische maatregelen in de strijd om macht en titels. Zo stierf een belangrijke troonpretendent van Holland, Zeeland en Henegouwen in 1425 bijvoorbeeld aan de gevolgen van een vergiftiging. Jan IV, Filips’ directe voorganger, ontsnapte een jaar later op het nippertje aan een aanslag in het Zoniënwoud. Zijn oom, Jan Zonder Vrees, was al in 1419 op gewelddadige wijze om het leven gebracht.

De beschuldigende vinger wees in 1430 vooral in de richting van Filips de Goede, die Filips I in 1427 had aangeduid als opvolger indien hij kinderloos zou sterven. Het was dus ook vooral hij, zo werd geopperd, die het meeste baat had bij de vroegtijdige dood van zijn neef. Zeker nu die op het punt stond te huwen.

Kingmakers

Die geruchten kwamen de stedelijke en adellijke elites van het hertogdom slecht uit, aangezien hun voorkeur al vroeg uitging naar Filips de Goede. Kort nadat Filips I hem in 1427 had aangeduid als zijn mogelijke opvolger, hadden zij dan ook onderhandelingen met hem aangeknoopt over de voorwaarden van zijn eventuele opvolging. Met de jonge en robuuste Filips I aan de macht was dat een erg voorbarige zet, maar wel één die getuigde van realisme: sinds 1248 waren immers slechts twee erfopvolgingen in het hertogdom probleemloos verlopen. Bij iedere moeilijke opvolging hadden de Brabantse politieke elites – dat wil zeggen de bestuurders van de grootste steden en de machtigste edellieden – een doorslaggevende rol gespeeld, en in 1428 gingen ze er vanuit dat ze dat ook in de toekomst zouden doen.

Filips de Goede op weg naar Brabant om zich te laten inhuldigen als hertog van Brabant (Jean de Wavrin, Les Chroniques d’Angleterre, KB Den Haag, 133 A7 III).

Na de plotse dood van Filips I speelden ze die rol inderdaad met verve, daarbij geholpen door onduidelijke opvolgingsregels en tegenstrijdige verdragen. Filips’ eigen wilsverklaring bleek van weinig belang, want het was duidelijk dat enkel politieke steun vanuit Brabant of militaire overmacht de troonstrijd zou beslechten. Dat laatste scenario werd erg gevreesd door de bevolking, maar zover hoefde het niet te komen: Filips de Goede kon immers rekenen op een ruime steun onder de Brabantse politieke elites. Zij bleken aangetrokken door zijn rijke hofhouding en zijn profiel als graaf van Vlaanderen en toekomstig heerser over Holland, Zeeland en Henegouwen. De claims van Margaretha van Bourgondië en keizer Sigismund wogen voor de stedelijke en adellijke elites niet op tegen de financiële en economische voordelen die de deze vorst hen als toekomstig heer kon bieden. Op 5 oktober 1430 schoven ze uiteindelijk alle andere troonpretendenten terzijde, en huldigden ze Filips de Goede plechtig in als hertog.

Een ‘onthoofd’ hertogdom

De Brabantse politieke elites hadden zich daarbij een vergaande macht toegeëigend: ze hadden beslist over de hertogelijke opvolging zonder keizer Sigismund, de opperste leenheer van Brabant, erbij te betrekken. Nog jarenlang zou hij de opvolging door Filips de Goede betwisten, maar uiteindelijk bleek hij militair niet in staat om zijn claims kracht bij te zetten. De stedelijke en adellijke elites hadden daarnaast ook op bestuurlijk vlak de macht gegrepen in de periode na het overlijden van hertog Filips I. Als reactie op de vele geruchten bevolen ze allereerst een autopsie op diens lijk. De doodsoorzaak die daaruit naar voren kwam, was een maagkwaal. Die conclusie wordt ook bevestigd door de apothekers- en doktersuitgaven die terug te vinden zijn in de hertogelijke rekeningen van de jaren voordien. De naam van Filips de Goede en andere verdachten was dus gezuiverd.

Margaretha van Bourgondië werd ervan verdacht de opdrachtgeefster te zijn van zowel de moord op Jan van Beieren in 1425, als de mislukte aanslag op Brabants hertog Jan IV in 1426. Beide waren tegenstanders van haar dochter Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen (BNF, Est. Réserve, Bouchot, 571).

De politieke elites gingen ook verder: ze droegen het dagelijkse bestuur van het hertogdom over aan de leden van Filips’ hertogelijke raad en beslisten dat het lichaam van de hertog pas zou worden begraven na de inhuldiging van diens opvolger. Dit was een symbool voor het doorleven van de hertogelijke macht, zelfs al was de hertog zelf overleden. Vanuit hetzelfde idee beslisten ze dat de muntslag en wetgeving onverminderd zouden worden voorgezet, en bevolen ze hertogelijke beambten hun taken te blijven uitoefenen.

Ook zonder politiek ‘hoofd’ en temidden van een ernstige politieke crisis bleef het hertogdom dus een tijdlang functioneren zoals voorheen – en dat was vooral de bijdrage van de Brabantse stedelijke en adellijke elites. Zij wierpen zich in deze periode niet enkel op als ‘bestuurders’, maar ook als echte ‘kingmakers’: zonder hen had Filips de Goede misschien nooit de hertogstroon kunnen bezetten. Toch zijn het net dergelijke politieke elites die bij de troonstrijd in series zoals Game of Thrones uit het oog verloren worden: het zijn sociale groepen die grotendeels buiten het hofmilieu vielen, die de Brabantse troonstrijd in 1430 hebben beslist. De realiteit was dus complexer dan fictie.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde recent haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen en is momenteel als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Rad van fortuin uit John Lydgate, Siege of Troy (1457). Universiteitsbibliotheek Manchester.

5 manieren om beroemd te worden als negentiende-eeuws avant-gardekunstenaar

Roem, succes en erkenning waren streefdoelen van veel negentiende-eeuwse kunstenaars. Ook in Brusselse avant-gardekringen en genootschappen was dat op het einde van de negentiende eeuw vaak het geval. Ondanks hun strijd met het strenge academisme en hun cultivering van het ‘kunst-om-de-kunst’-principe, streefden ook zij binnen hun eigen alternatief netwerk naar erkenning en succes. Die strijd vond plaats achter de schermen, maar was daarom zeker niet minder intens.

De onbetwiste meester in het sturen van zijn eigen succes was de Oostendse kunstschilder James Ensor (1860-1949). Als lid van de Brusselse avant-gardegroep ‘Les XX’ ontwikkelde hij een beginnende markt tussen 1883 en 1893. Al in die beginfase van zijn carrière manipuleerde hij op voortreffelijke wijze zijn eigen weg naar erkenning en succes. Deze vijf strategieën plaveiden zijn weg naar het succes.

  1. Creëer een publiek imago
Zelfportet van James Ensor uit 1883.

Negentiende-eeuwse kunstenaars streefden niet louter roem na via hun werk, maar vooral via hun persoon en het imago dat ze aan zichzelf koppelden. Op het einde van de negentiende eeuw ruimde de interesse voor het werk van zowel beeldende kunstenaars als literatoren plaats voor de interesse in de individuele persoon. Ensor maakte voorbeeldig gebruik van die evolutie en profileerde zich in de media maar al te graag als een resolute avant-gardist. Hij hechtte een enorm belang aan perceptie en gaf het beeld van zichzelf als onbegrepen genie bewust en zorgvuldig vorm.

Dat hij dit beeld van zichzelf uitdroeg in de media betekende echter niet dat erkenning en succes voor hem niets betekenden. Zelfs integendeel, door zich in de media onverschillig op te stellen, kon hij er helemaal niet van verdacht worden zijn avant-garde principes opzij te hebben gezet en een aanhanger van het establishment te zijn geworden. Het was een welgekozen vorm van self-fashioning die hem de kans gaf zich achter de schermen wel degelijk – ongegeneerd – te focussen op het uitbouwen van zijn (commercieel) succes.

  1. Ga mee in een groep
Musique Russe, 1886.

Doelbewust stapte James Ensor vanaf 1883 mee in het uniek onafhankelijkheidsverhaal van ‘Les XX’. Door zich collectief te distantiëren van de officiële instanties en het academisme ontwikkelden de Vingtisten een groepsidentiteit, die ook een commercieel nut had. Het zorgde er namelijk voor dat er zich een specifiek publiek van geïnteresseerden aan de groep kon binden. Ensor en kompanen zetten dit verhaal kracht bij door een portretcultuur op te starten waarbij ze model stonden voor elkaars werken. Op die manier werd de collectieve identiteit van ‘Les XX’ duidelijk op de wanden van hun tentoonstellingen en streefden ze als groep naar prestige. Naast een puur institutionele groep werden ze zo ook een sociale groep. Ensor stond onder andere model voor een werk van Isidore Verheyden op het ‘Salon des XX’ van 1886 en Willy Finch stond op zijn beurt model voor Ensors Musique Russe (1886) op dezelfde tentoonstelling.

  1. Plaats je werk in de spotlights

Postkaart van Ensor aan Maus (25 december 1889) met bovenaan links een plattegrond met wandafmetingen van de expositieruimte van de tentoonstelling van het jaar voordien.

Ensor was altijd en overal bezig met het in de schijnwerpers zetten van zijn werken. Naar aanloop van de jaarlijkse tentoonstellingen van ‘Les XX’ werd telkens via een lotingsysteem bepaald hoeveel wandruimte een kunstenaar ter beschikking kreeg en welke kunstenaar welk stuk wand toegewezen kreeg. Telkens Ensor zich hier niet in kon vinden, verzocht hij Octave Maus, de secretaris van de groep, om daar verandering in te brengen. In 1888 zat hij er niet om verlegen Maus te adviseren de werken van Henri de Toulouse-Lautrec naar beneden te halen en te vervangen door de zijne. In 1889 pleitte hij dan weer voor meer wandruimte door zelfs een plattegrond te tekenen waarmee hij verwees naar de ruimte die enkele collega-Vingtisten het jaar voordien verkregen. Ook verzocht hij Maus geregeld om de namen door te geven van de kunstenaars wiens werken naast die van hem zouden worden opgehangen. Dat stelde hem in staat daarop in te spelen en zich te profileren tegenover hen. Door zich op te stellen als een veeleisende perfectionist ten opzichte van de presentatie van zijn werken, zocht hij letterlijk de spotlights op.

  1. Zoek een animateur d’art
Portret van Octave Maus door Theo Van Rysselberghe (1885).

Netwerken was een sleutel tot succes en dat realiseerde een jonge Ensor zich al snel. Hij zocht contacten in zowel burgerlijke als artistieke kringen en verbond zich met verschillende animateurs d’art. Een animateur d’art was een polyvalent kunstliefhebber die actief kunst verdedigde door als tussenpersoon op verschillende manieren bruggen te bouwen tussen kunstenaars en zijn eigen milieu. Binnen ‘Les XX’ kon Ensor rekenen op steun van secretaris en kunstanimateur Octave Maus die – vaak indirect – als tussenfiguur optrad bij het promoten en verhandelen van zijn werken. Zo gaf hij Ensor bijvoorbeeld goede referenties mee toen hij in 1892 in Londen wilde exposeren en verkopen.

Buiten ‘Les XX’ knoopte Ensor een opmerkelijke relatie aan met fysicus Ernest Rousseau en zijn vrouw Mariette. Ze wierpen zich op als managers, ‘pleegouders’, mecenassen en kunsthandelaars van de jonge kunstenaar; ze nodigden hem uit op intellectuele (netwerk)bijeenkomsten in hun salon, ze voorzagen hem van onderdak, ze kochten verschillende van zijn werken aan en brachten zijn gravurecollectie bij hen thuis onder, stelden die open en onderhandelden met potentiële kopers.

  1. Bespeel je biografen
Aankondiging van het verschijnen van Eugène Demolders biografie van Ensor in L’Art Moderne van 11 september 1892.

Kunstenaarsbiografieën hadden een grote invloed op de perceptie van negentiende-eeuwse avant-gardekunstenaars. Vanuit contacten die Ensor zelf opbouwde, schreven schrijver Eugène Demolder (1893) en criticus Pol De Mont (1895) beiden een biografische studie van de jonge kunstenaar. Ze bezorgden hem grote naambekendheid en het verschijnen ervan ging vaak nog eens gepaard met de nodige media-aandacht. In tegenstelling tot recensies van critici over zijn werken, beslist de kunstenaar bij een biografie in zekere zin zelf mee wat er over hem geschreven wordt. Ensor bespeelde dan ook zijn biografen en spoorde hen aan om zijn miskenning en gebrek aan waardering ten tijde van ‘Les XX’ in de verf te zetten. Die studies stelden hem dus in staat om zijn eigen beeldvorming mee vorm te geven.

Lees meer over Ensors zucht naar roem ten tijde van ‘Les XX’.

Tekst: Marjoleine Delva. Titelafbeelding: Henry De Groux, Portret van James Ensor 1907. MuZee, Oostende (PD).