PieterVerstrate-Aids-SymboolHeader

Aids – gegarandeerd meer tijd voor uzelf!

Gastblog door Pieter Verstraete.

Eind jaren zeventig van de voorbije eeuw werd de Westerse wereld opgeschrikt door de komst van een vreemde en klaarblijkelijk besmettelijke ziekte. Bij een aantal mannen uit grote Amerikaanse steden werd een zeldzame huidkanker en longaandoening vastgesteld. De homoseksuele achtergrond van de patiënten leidde ertoe dat het ziektebeeld in eerste instantie als Gay Related Immuno Deficiency Syndrome werd omschreven: een term die de deur wagenwijd en blijvend zou openzetten voor het gevoel van schaamte dat tot op de dag van vandaag aan de ziekte aids verbonden blijft.

Een straf van God

PieterVerstraete-Aids-RareCancerNYT1981In een tijd waarin homoseksualiteit nog maar net uit de lijst van psychiatrische aandoeningen was geschrapt, heractiveerde de term GRID inderdaad de idee dat homoseksualiteit iets was waar men zich voor diende te schamen. De jaren zestig hadden dan in bepaalde middens wel voor een bevrijding van de seksualiteitsbeleving gezorgd, voor nogal wat mensen bleef het liefhebben van iemand van hetzelfde geslacht een onvergeeflijke zonde. Conservatief denkenden grepen de berichten over de nieuwe ziekte maar al te graag aan om luidop te verkondigen dat het een straf van God was. Terwijl de medische gemeenschap worstelde met de naamgeving en de onwetendheid rond de specifieke verspreidingsmechanismen probeerde weg te werken, ontstonden bij het brede publiek de meest waanzinnige theorieën over hoe men de ziekte kon oplopen. De ziekte zou zich via een gecontamineerde WC-bril of een glas water kunnen verspreiden.

Al snel noopte de vaststelling dat de ziekte zich ook bij heteroseksuelen kon ontwikkelen tot naamsverandering: men sprak nu niet langer over GRID, maar had het over Aids: Acquired Immuno Deficiency Syndrome. De nieuwe naamgeving leek echter niet in staat de ziekte los te koppelen van het schuld- en schaamtegevoel.  Het verhaal van de Amerikaanse jongen Ryan White getuigt daarvan. White werd in 1984 gediagnosticeerd met aids. Hij was hemofiliepatiënt en liep de ziekte op ten gevolge van een bloedtransfusie. Nadat bekend was geworden dat hij de ziekte aids had, was hij niet langer welkom in zijn school. Zowel de directeur als verschillende ouders van kinderen die naar dezelfde school gingen, hadden zich fel gekant tegen de aanwezigheid van een aids-patiënt.

PieterVerstraete-Aids-IkHebAidsOok in Vlaanderen werd aids als een publiek gevaar gezien en werden aidspatiënten met omzichtigheid en wantrouwen behandeld. Dat blijkt althans uit de oproepen die de aids-telefoon – een sensibiliserings- en preventie-initiatief uit de tweede helft van de jaren tachtig – ontving. Zo maakte één van de bellers zich grote zorgen omdat haar dochter in Brussel een appartement had gehuurd net boven dat van een Congolees die toch wel erg veel mensen in zijn woning ontving. Een andere beller vroeg zich dan weer af of hij zijn haar nog wel moest knippen bij zijn homoseksuele kapper die de laatste tijd erg vermagerd was. Het resultaat van de paniek rond de ziekte was dat aids door vele patiënten angstvallig geheim werd gehouden en dat ze overvallen werden door schaamtegevoelens.

De schaamte voorbij?

Toch valt de geschiedenis van aids in Vlaanderen niet samen met schaamte. Zowel de homobeweging als individuele personen trachtten de publieke opinie te bewerken en mensen bewust te maken van de impact die de bestaande beeldvorming had op homoseksuelen in het algemeen en HIV-besmette personen in het bijzonder. Zo bestaat er een opmerkelijke affiche waarmee de kijker wordt opgeroepen om zelf de ‘voordelen’ van het aids-stigma te ervaren:

“Bent u uw drukke sociale leven ook zo beu? Toe aan wat rust in uw leven? Probeer dan het ik heb aids stigma. Zeg dat u aids heeft, en ervaar het zelf! Gegarandeerd meer tijd voor uzelf! Geen zogenaamde ‘vrienden’ meer over de vloer! Nooit meer rekening houden met een partner! En werken? … Vergeet het maar”.

Pascal de Duve op de boekenbeurs.
Pascal de Duve op de boekenbeurs.

Ook de in Parijs levende Vlaamse filosoof en schrijver Pascal de Duve (1964-1993) verzette zich intensief tegen de dominante beeldvorming rond aids. Na het overweldigende success van zijn eerste roman Izo kreeg De Duve te horen dat hij HIV-positief was. Om zijn stukgelopen relatie en de diagnose een plaats te geven, besliste hij om in 1991 een transatlantische reis te ondernemen op een vrachtschip. Het relaas van zijn ervaringen publiceerde hij nadien in dagboekvorm onder de titel Cargo Vie.

Samen met enkele van zijn boeken moeten ook de vele televisieoptredens van De Duve gezien worden in het licht van de strijd die hij voerde tegen de schaamte, tegen het stigma dat als een uitgehongerde troep aasgieren rond de vele patiënten cirkelde. Zo diende hij Jan van Rompaey aan het begin van de jaren negentig ooit als volgt van antwoord op de vraag of hij zijn leven nog steeds de moeite waard vond:

“Het leven is de moeite waard, het leven is de moeite waard en daarom, gebruik alstublieft condooms. Trouw zijn dat is allemaal goed en wel. Dat is goed, dat is prachtig. Maar wij zijn maar mensen en ik zou absoluut willen dat mijn bijdrage deze avond bepaalde taboes doorbreekt, bepaalde mensen helpt om er voor uit te komen dat ze seropositief zijn of dat ze ziek zijn. Niet om er fier op te zijn. Dat is de vraag niet. Maar gewoon omdat men daar niet om beschaamd moet zijn.”

Pieter Verstraete is docent Historisch Pedagogiek aan de KU Leuven. Hij doet onder meer onderzoek naar de geschiedenis van pedagogische initiatieven voor personen met een handicap en naar de geschiedenis van preventie als educatieve ruimte in de context van besmettelijke ziektes zoals TBC, polio en AIDS/HIV.

KateKangaslahte-MulsCatalogueExposition de l’Art italien de Cimabue à Tiepolo, Tentoonstellingscatalogus.
Parijs, Petit Palais, 16 mei – 21 juli 1935.

Tijdens de gespannen jaren tussen de de Wererldoorlogen hielden veel Europese landen tentoonstellingen van hun nationale ‘scholen’ in het buitenland. De kunst diende een politiek doel. De Tentoonstelling van Italiaanse kunst van Cimabue tot Tiepolo in Parijs in 1935 was de grootste en indrukwekkendste van deze tentoonstellingen. Het was een triomf voor de bezieler ervan, Benito Mussolini. Sinds hij aan de macht was gekomen in 1922 waren de relaties tussen Frankrijk en Italië slecht geweest, maar in het midden van de jaren 1930 begonnen ze te verbeteren. De tentoonstelling opende vier maanden na het Frans-Italiaanse akkoord van januari 1935 en was de bekroning van een kort moment van toenadering. Er werden 490 schilderijen tentoongesteld, waaronder kleppers als De Geboorte van Venus van Botticelli, De Annunciatie van Leonardo de Vinci, De Heilige Familie van Michelangelo en De Storm van Giorgione.

Van de tentoonstelling zijn in de Leuvense Universiteitsbibliotheek een aantal catalogi bewaard. De catalogus die hierboven afgebeeld staat werd geschonken door de Vlaamse historicus en kunstcriticus Jozef Muls. Muls had de tentoonstelling in Parijs zelf bezocht, zo blijkt uit zijn bijgeschreven opmerkingen. Die private, spontane reacties op de schilderijen en hun tentoonstelling bieden – wanneer ze leesbaar zijn – een interessant contrast met de hyperbolische recensies die elders verschenen.

Het was voor het eerst dat de Sovjetunie werk uitgeleend had aan een buitenlandse hoofdstad, onder meer twee werken van Leonardo de Vinci, Madonna Benois en Madonna Litta. Er bestond enige twijfel of het laatste werk inderdaad van Da Vinci was. Hoewel het officieel aan hem toegeschreven werd – wat wellicht een voorwaarde was geweest voor de uitlening – werd het in de catalogus als laatste schilderij van Da Vinci opgesomd en werd gewaarschuwd dat ‘het werk altijd is doorgegaan voor een werk van Leonardo da Vinci’. Uit de notities van Muls blijkt dat hij betwijfelde of de Madonna Litta helemaal door Da Vinci geschilderd was. Hij meende dat er een ‘andere hand’ aan het werk was geweest, zoals ook vandaag algemeen aangenomen wordt.

Tekst: Kate Kangaslahti. Afbeeldingen: Universiteitsbibliotheek Leuven.

DianeCover

Hoe de arts een rechter werd

Op 1 januari 1931 werd de wet tot Bescherming van de Maatschappij van kracht. Krankzinnige delinquenten konden, zo bepaalde die wet, aan verzorgingsmaatregelen onderworpen worden. Ze werden geïnterneerd in gespecialiseerde penitentiar-psychiatrische instellingen, waar speciaal opgerichte commissies beslisten over hun plaatsing en eventueel (voorlopige) vrijlating. Ook al was het een rechter die besliste over het effectief in kracht stellen van de maatregel, het was duidelijk een arts die besliste of een delinquent ervoor in aanmerking kwam of niet. Vrijlatingen waren enkel mogelijk indien een psychiater oordeelde dat de geestestoestand van de geïnterneerde opnieuw ‘normaal’ was. Met die wet was de arts een rechter geworden.

Gevangenis van Vorst, gebouwd in 1910. De psychiatrische vleugel bestaat nog steeds.
Gevangenis van Vorst, gebouwd in 1910. De psychiatrische vleugel bestaat nog steeds.

Dat mocht Marie ondervinden toen ze in de winter van 1954 in de buurt van Brussel gearresteerd werd voor poging tot moord. Ze had thuis de gaskraan opengedraaid, haar dochter was ternauwernood aan de dood ontsnapt. Marie ontkende de moordpoging en beweerde dat ze enkel zichzelf van het leven wilde benemen. Ze bevond zich naar eigen zeggen in een zeer zware periode en had genoeg van het leven.

Enkele dagen na de feiten verscheen Marie in het justitiepaleis voor de onderzoeksrechter. Ze vertoonde er vreemd gedrag en at meermaals papier op. Onder meer door deze ‘crises’ besliste de onderzoeksrechter haar onmiddellijk te laten opnemen in de psychiatrische vleugel van de gevangenis van Vorst. Hij beval bovendien een volledig psychiatrisch onderzoek door een gerechtspsychiater. Die verklaarde dat Marie zich zowel tijdens het plegen van de feiten als in de periode erna in een staat van krankzinnigheid bevond. Ze had haar daden niet onder controle. In overeenstemming met de wet van 1931 werd Marie dan ook geïnterneerd voor een periode van vijf jaar.

Een vaag begrip  

Zaal voor geïnterneerden in het Etablissement voor Sociaal Verweer in Bergen, een van de penitentiair-psychiatrische instellingen waar de commissie geïnterneerden naar toe kon zenden.
Zaal voor geïnterneerden in het Etablissement voor Sociaal Verweer in Bergen, een van de penitentiair-psychiatrische instellingen waar de commissie geïnterneerden naar toe kon zenden.

Bij Marie had de onderzoeksrechter, onder meer omdat ze papier had opgegeten, een concrete aanleiding om haar te laten onderzoeken door een gerechtspsychiater. Toch was het in de jaren 1950 niet altijd duidelijk waarom bepaalde criminelen wel en anderen niet in aanmerking kwamen voor internering. Dat had voornamelijk te maken met het feit dat een duidelijke definitie voor het begrip ‘krankzinnigheid’ zowel in de juridische als in de medische wereld afwezig was. Het begrip had bijgevolg een zeer ruime betekenis.

Zeker in de jaren 1950 beging de meerderheid van de krankzinnige delinquenten kleine delicten. In de psychiatrische annexen verbleef een diverse groep van onder meer recidivisten, drugs- en alcoholverslaafden, depressieven, daklozen of seksuele delinquenten. Soms haalden gerechtspsychiaters in hun verslagen specifieke psychiatrische (persoonlijkheids)stoornissen aan, maar dit was zeker niet altijd het geval. Voor Marie was een verwijzing naar haar emotionele instabiliteit en haar depressieve toestand voldoende om haar ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. Allicht voelde de arts ook geen behoefte hier dieper op in te gaan, omdat ze in het verleden al meermaals was opgenomen voor psychische stoornissen. De vaagheid van het begrip krankzinnigheid zorgde er bovendien voor dat een uitgebreide en gefundeerde argumentatie niet altijd nodig was.

Korte evaluatie van de gevangenisarts na Marie’s aankomst in de gevangenis van Vorst.
Korte evaluatie van de gevangenisarts na Marie’s aankomst in de gevangenis van Vorst.

Eens abnormaal, altijd abnormaal

De interneringsmaatregel werd vaak voorgesteld in specifieke omstandigheden. Vreemd gedrag tijdens de arrestatie of een zwaar  strafblad waren voor de onderzoeksrechter duidelijke signalen. Ze gingen meestal gepaard met pogingen tot zelfmoord, met onvrijwillige doodslag op een kind of partner, vrijwillige brandstichting, diefstal, kleine zedendelicten, landloperij of desertie in vredestijd.

Cartoon gemaakt door een geïnterneerde die aantoont hoe hij het voorkomen bij de commissie ervoer.
Cartoon gemaakt door een geïnterneerde die aantoont hoe hij het voorkomen bij de commissie ervoer.

Slechts bij één categorie misdadigers was geen twijfel mogelijk: diegenen met een psychiatrisch of interneringsverleden. Wanneer een crimineel eenmaal de stempel van ‘abnormaal’ of geestelijk ziek kreeg opgedrukt, zat hij of zij ermee opgezadeld tot het einde van zijn of haar dagen. Zo was Marie volgens de gerechtspsychiater gedurende haar leven meermaals het slachtoffer geweest van ‘nerveuze crises’. Om deze ‘crises’ te behandelen had zij enkele maanden in een psychiatrische instelling verbleven. Dit verklaart mee waarom de onderzoeksrechter onmiddellijk beval Marie door een psychiater te laten onderzoeken. De psychiater gebruikte bovendien Maries verleden als onweerlegbare argumentatie in zijn verslag.

Hoewel het advies van de psychiater niet bindend was,  bestond er amper een weg terug. In beroep gaan was bovendien een ingewikkelde procedure en leverde zelden resultaat op.  De ‘krankzinnige’ crimineel kon moeilijk aan de stigmatisering ontsnappen.

Tijdens de periode van internering ageerden artsen bijna als rechters. Enkel wanneer zij groen licht gaven, kon de geïnterneerde in aanmerking komen voor een voorlopige vrijlating. Hun macht groeide nog meer na de wetsverandering van 1964, die de vaste interneringstermijnen van vijf, tien of vijftien jaar afschafte. Het werd een maatregel van onbepaalde duur, waarbij de adviserende arts grotendeels instond voor de beslissing tot definitieve vrijlating. Sommige daders, al hadden ze slechts zeer kleine misdaden gepleegd en was de argumentatie vaag, werden zo meer dan twintig jaar opgesloten in een penitentiar-psychiatrische instelling.

Diane Staelens is Master in de Geschiedenis. Ze studeerde af in de richting Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 met een masterproef over De vergeetput van justitie. Internering in België en de invloed van experten (1955-1975).

De twee meisjes, schilderij van Antoine Wiertz, 1847.
De twee meisjes, schilderij van Antoine Wiertz, 1847.

Negentiende-eeuwse kunstenaars leerden tijdens hun opleiding om het menselijk lichaam waarheidsgetrouw en geproportioneerd af te beelden via lessen in de anatomie. Ze woonden daartoe dissecties op lijken bij en bestudeerden skeletten en anatomische modellen. Een interesse in het anatomische lichaam wekte bij sommige romantische kunstenaars een fascinatie voor het morbide. Dat spreekt onder meer uit het hier afgebeelde schilderij van de Belgische schilder Antoine Wiertz.

Op het doek werpt een vrouw een gefascineerde blik op een skelet, het anatomische evenbeeld van haar eigen lijf. Fragmenten van antieke sculpturen en de aanwezigheid van schilderspalet en ezel suggereren dat het schildersatelier de achtergrond vormt voor deze ontmoeting tussen het dode en levende lichaam, tussen het dode en het levende model. De gedetailleerde weergave van de anatomische structuren van het menselijke skelet bevestigen dat Wiertz zich baseerde op een echt geraamte.

Het doek verwierf bekendheid onder de titel ‘Twee meisjes of de mooie Rosine’. Het etiket op de schedel identificeert het skelet – en niet de Rubensiaanse schone – als ‘la belle Rosine’. Die titel wijst op de vergankelijkheid van de schoonheid van het lichaam en suggereert tegelijkertijd dat het karkas van de mens ook kan bekoren. Het traditionele vanitasmotief, dat toeschouwers herinnert aan hun eigen sterfelijkheid, krijgt een erotische invulling. Een naakt model bestudeert verlangend het rijk der doden.

Wiertz werd bezeten door het contrast tussen leven en dood. Zijn oeuvre schurkte aan tegen de zwarte romantiek. Na zijn dood liet hij zich balsemen en begraven in overeenstemming met de oude Egyptische funeraire rituelen. De mooie Rosine was het werk van een morbide excentriekeling, maar typeerde tegelijk de duistere kant van de negentiende-eeuwse romantische tijdsgeest.

Tekst: Veronique Deblon. Afbeelding: Antoine Wiertz, Twee meisjes of De mooie Rosine, 1847. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto J. Geleyns.

GedenktekenLuik1916-Titelafb

Hoe de Duitsers monumenten oprichtten, en de Belgen ze afbraken

Gastblog door Karla Vanraepenbusch.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bepaalden de Duitse bezetters vier jaar lang het dagelijkse leven in steden als Brussel, Antwerpen en Luik. Het gebrek aan bewegings- en persvrijheid, de voedselschaarste en de angst voor dwangarbeid, krijgsgevangenschap of erger wogen zwaar op de lokale bevolking. Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand afgekondigd werd, werd dat niet, zoals aan het front, ervaren als een staakt-het-vuren, maar als bevrijding. De oorlogsdreiging maakte dan ook langzaamaan plaats voor een bevrijdingsroes.

Tijdens die bevrijdingsroes van de eerste weken na de wapenstilstand zagen stadsbesturen zich geconfronteerd met de restanten van en de herinneringen aan de Duitse bezetting. Op stedelijke begraafplaatsen doorheen het land hadden de Duitsers bijvoorbeeld gedenktekens opgericht voor hun gesneuvelden. Tal van vooroorlogse straatnamen verwezen bovendien op een of andere manier naar Duitsland. Het was aan de stadsbesturen om te beslissen wat ze met deze herinneringen aan de voormalige vijand zouden doen. Uitwissen, of toch maar behouden?

Het monument dat de publieke opinie kwetste

De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.
De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.

In 1916 hadden de Duitse autoriteiten op de Luikse begraafplaats Robermont een monument ingehuldigd met het beeld van een Teutoonse ridder. Nog in 1918 lieten ze op het Antwerpse Schoonselhof en op de begraafplaats van Brussel nieuwe Duitse monumenten plaatsen. Al meteen na de wapenstilstand op 11 november besloten zowel het Brusselse als het Antwerpse stadsbestuur om het Duitse gedenkteken af te breken. In Luik bepaalde de waarnemende burgemeester Valère Hénault dat het beeld van de Teutoonse ridder van de sokkel gehaald zou worden. De stadsbesturen verantwoordden hun beslissing met het voorwendsel dat de Duitsers geen toestemming hadden gevraagd om de monumenten op te richten, een inbreuk op de gemeentewet. Uiteraard speelden ook patriottische beweegredenen. Het beeld van de Teutoonse ridder moest verdwijnen omdat het de publieke opinie kwetste. En in Antwerpen moest het Duitse gedenkteken plaatsmaken voor een nieuw monument ter ere van de militairen gesneuveld voor het vaderland.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.

Zowel het Antwerpse als het Brusselse stadsbestuur namen de beslissing om het Duitse gedenkteken op hun begraafplaats af te breken meteen tijdens de eerste bijeenkomst van het schepencollege na de ondertekening van de wapenstilstand. In Luik bekrachtigde de gemeenteraad het haastig genomen besluit van Hénault pas tijdens hun eerste bijeenkomst, een maand na de feiten. Het bijzonder korte tijdsbestek waarin de stadsbesturen de beslissing tot afbraak namen, toont hoe belangrijk ze deze symbolische actie vonden. Ze toonden zich bovendien bereid om in die moeilijke naoorlogse dagen de kosten ervan op zich te nemen. Enkel in Brussel bleef het monument uiteindelijk toch behouden. Dat komt omdat de Brusselaars de afbraakwerken niet meteen uitvoerden. Toen ze die eindelijk wilden realiseren in 1920, werden ze teruggefloten door de Minister van Buitenlandse Zaken, die vreesde dat de afbraak van het gedenkteken de nog broze diplomatieke relaties met Duitsland op het spel zou zetten.

Von Barystraat, ‘verfoeiden naam’

GvA1918“’t Was velen een ergernis dat de Albert von Barystraat nog altijd met haar verfoeiden naam prijkte. Eindelijk heeft de Stad de openbare meening voldaan en die straat herdoopt in Jan Blockxstraat”, kon men op 28 december 1918 in de Gazet van Antwerpen lezen. De Duitse magnaat Heinrich Albert von Bary had voor de oorlog zo’n grote economische en politieke invloed dat hij beschouwd werd als de “Duitse burgemeester van Antwerpen”. Hij kreeg in 1912 de ongebruikelijke eer dat een straatnaam naar hem werd vernoemd terwijl hij nog in leven was. Tijdens de oorlog had von Bary zich echter gecompromitteerd door de Duitse oorlogsinspanning financieel te ondersteunen. Hij verloor dan ook meteen na de oorlog zijn straatnaam aan de Antwerpse componist Jan Blockx.

Koningin-verpleegster Elisabeth.
Koningin-verpleegster Elisabeth.

Heel wat straatnamen in de bevrijde steden die op de één of andere manier naar Duitsland verwezen, werden in de weken onmiddellijk na de wapenstilstand hernoemd. De nieuwe straatnamen waren vaak niet toevallig gekozen. Zo werd, om de ‘koningin-verpleegster’ te eren die zich tijdens de oorlog zo had ingezet voor het fysieke welzijn van de soldaten, de Avenue d’Allemagne in Luik vervangen door Avenue Reine Elisabeth. Als dank aan de Engelse bodgenoten hernoemde het Luikse stadsbestuur de Rue de Berlin tot Rue de Londres. En de Place de Bavière werd Place de l’Yser, als verwijzing naar de stellingoorlog aan het IJzerfront. Zo verdwenen de Duits klinkende straatnamen uit het stadsplan, dat zich vulde met nieuwe straatnamen die hulde brachten aan de helden en bondgenoten van België.

De herovering van de stad

Wat met de verwijdering van de oorlogsmonumenten en de wijzigingen in straatnamen op het spel stond, was de symbolische herovering van de bezette stad op de Duitsers. De stadsbesturen probeerden de stadsbewoners te helpen om de spanningen en trauma’s van de bezetting te verwerken. Hun strategie was eenvoudig. Ze trachtten alle sporen van de Duitse bezetting uit het stadsbeeld te wissen en zuiverden zo de stedelijke ruimte van alles wat Duits was. De stadsbesturen heroverden als het ware de stad, zodat die eindelijk, na vier jaar, weer echt van hen werd.

Meer lezen

Karla Vanraepenbusch en Anne-Mie Havermans, ‘Omgaan met het erfgoed van de “vijand”. Duitse WO 1-monumenten op stedelijke begraafplaatsen in bezet België’, Volkskunde,  117 (2016), 1–20.

Laurence van Ypersele, Chantal Kesteloot en Emmanuel Debruyne, Brussel: De oorlog herdacht (1914-2014), Waterloo, 2014.

Antoon Vrints, ‘De Klippen des Nationalismus. De Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de Duitse kolonie in Anwerpen’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 10 (2002), 7–41.

Karla Vanraepenbusch is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) en aan de Université catholique de Louvain. Ze doet onderzoek naar de materiële herinneringssporen aan WO1 in Antwerpen en Luik.

Aanbevolen-SaartjeVandenBorre-Auvergnat

Het Journal du Peuple du Nord de la France publiceerde in zijn editie van 3 maart 1865 een grappig verhaaltje over een Auvergnat die een postzegel wilde kopen.

Un Auvergnat entre dans un bureau de tabac.

– Je voudrais un timbre-pochte.

– De combien ?

– Tout che que vous aura de meilleur marché.

– Mais encore est-ce pour Paris ou pour la pronvince ?

– La provinche ? Qu’est-che qui ch’est ?

– Est-ce pour la France, enfin ?

– Che n’est pas pour la France, hurle le charabia avec orgueil, ch’est pour l’Auvergne.

Het onbeschaafde karakter van de Auvergnat is duidelijk door zijn taalgebruik: in tegenstelling tot de verkoper spreekt hij dialect. Hij is onbekend met de logica achter het nationale postsysteem en vraagt, zuinig als hij is, de goedkoopste postzegel. Wanneer de verkoper polst of de postzegel bedoeld is voor Parijs of de provincie, vraagt de onwetende Auvergnat zich af wat een provincie dan wel mag zijn. Is het ten minste voor Frankrijk, informeert de verkoper opnieuw. Waarop de Auvergnat, vurig en trots op zijn herkomstregio, in zijn koeterwaals uitroept dat het niet voor Frankrijk, maar voor de Auvergne is!

Dit verhaal werkte danig op de lachspieren van het negentiende-eeuwse lezerspubliek, dat wist dat de Auvergne deel uitmaakte van Frankrijk. Dat het hoofdpersonage zich daar niet van bewust was, hoeft echter niet te verwonderen. Frankrijk ontwikkelde zich in de loop van de negentiende eeuw tot een natiestaat – één land, één volk – maar niet alle burgers van het land identificeerden zich van de ene dag op de andere met dat abstracte begrip. Evenmin drongen de moderne en als ‘beschaafd’ gepercipieerde Franse cultuur en taal overal even gemakkelijk door.

De afstand tussen de stedelijke bevolking en de inwoners van traditionele, landelijke gebieden als Bretagne of de Auvergne was, letterlijk en figuurlijk, ontstellend groot. Zowel in Parijs als in de provinciesteden maakten de kranten zich vrolijk over de rurale bevolking uit die gebieden. Hun traditionele leefwijze werd vaak als ‘achtergesteld’ beschouwd, en de plattelandsbewoners als ‘boers’, ‘vulgair’ en ‘heetgebakerd’. Impliciet werd er van uitgegaan dat ook zij zich op termijn aan een moderne, Franse natiestaat zouden aanpassen. Ondertussen echter vormden ze een dankbaar onderwerp in de moppenrubriek van de stedelijke pers.

Toelichting: Saartje Vanden Borre. Tekstfragment: Journal du Peuple du Nord de la France (3 maart 1865). Afbeelding: Postkaart uit de reeks L’Auvergne humoristique (Éditions G. d’O, 20e eeuw).

MarjoleineDelva-LesXX-Titelafbeelding

James Ensor, marketeer van het jaar

“Ensor is een artiest die niet verkoopt en erin toestemt om niet te verkopen”, berichtte La Gazette naar aanleiding van de tweede tentoonstelling van ‘les XX’ (‘les Vingt’) op 10 februari 1885. Niets was echter minder waar. Bij de Brusselse avant-garde groep ‘les XX’ (1883-1893) ontwikkelde er zich een beginnende markt voor de jonge Oostendse schilder.

James Ensor voor het huis van Ernest Rousseau (ca. 1888).
James Ensor voor het huis van Ernest Rousseau (ca. 1888).

Het populaire geloof dat avant-gardistische kunstenaars als James Ensor louter geïnteresseerd waren in een ‘kunst-om-de-kunst’ verlangt dan ook enige nuancering. Ten tijde van ‘les XX’ was Ensor actief bezig met het promoten en verkopen van zijn werken en ontpopte hij zich tot een veeleisend criticus en zelfpromotor. Hij verbond er zich zowel met burgerlijke figuren, als met collega-Vingtisten, zoals de leden van ‘les XX’ werden genoemd. Tijdens de jaarlijkse tentoonstellingen van de groep verkocht hij zo op regelmatige basis enkele van zijn werken aan personen uit zijn zorgvuldig opgebouwde netwerk.

Bruisend Brussel

“C’était au temps où Bruxelles bruxellait” zong Jacques Brel in 1962. Hij verwees ermee naar het bruisende fin-de-siècle Brussel dat zich op de kaart zette als culturele trekpleister van Europa, Parijs achterna. In die sfeer werd in 1883 de avant-garde kunstenaarsgroep ‘les XX’ opgericht. De centrale figuur was de advocaat en kunstkenner Octave Maus. Hij fungeerde als drijvende kracht van de groep en stond in voor de administratieve en organisatorische kant van de beweging. ‘Les XX’ kende een tienjarig bestaan (1883-1893) en telde een twintigtal leden. Onder andere de Gentse schilder Theo Van Rysselberghe, de Luikse beeldhouwer Achille Chainaye en de Oostendse schilder James Ensor behoorden tot de groep.

Affiche voor de jaarlijkse tentoonstelling van ‘les XX’ in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (1889).
Affiche voor de jaarlijkse tentoonstelling van ‘les XX’ in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (1889).

De Vingtisten maakten deel uit van een reeks Brusselse avant-garde groepen, maar onderscheidden zich doordat ze zich niet bonden aan enige vorm van regels. Ze organiseerden jaarlijks in februari een tentoonstelling waar er naast hun eigen werken ook werken van binnen- en buitenlandse genodigden werden tentoongesteld. De Vingtisten slaagden er in het Brusselse artistieke leven gedurende tien jaren volledig naar hun hand te zetten.

Veeleisende zelfpromotor

In de aanloop naar de tentoonstellingen moesten ieder jaar opnieuw heel wat praktische zaken worden geregeld.  Met het oog op de perfecte presentatie van zijn werken, liet Ensor zijn stem daarbij gelden. In zijn briefwisseling met Maus kwam dat sterk tot uiting. Ensor diende ieder jaar de titels door te geven van de werken die hij zou exposeren, zodat de tentoonstellingscatalogus kon worden opgesteld en bijschriften bij de werken konden worden geplaatst. Ensor besteedde hier veel aandacht aan. Hij gedroeg zich perfectionistisch en stelde het absoluut niet op prijs wanneer er ook maar iets veranderde aan de namen die hij doorgaf.

Brief van 14 januari 1888 van Ensor aan Maus waarin Ensor Maus erop wijst dat hij geen verplaatsingen, veranderingen en verknippingen van titels tolereert.
Brief van 14 januari 1888 van Ensor aan Maus waarin Ensor Maus erop wijst dat hij geen verplaatsingen, veranderingen en verknippingen van titels tolereert.

Niet enkel de formulering van zijn titels, maar ook de specifieke opstelling van zijn werken baarde hem zorgen. Zo berekende hij nauwkeurig hoeveel meter wand hij ter beschikking wou krijgen. In zijn brieven tekende hij zelfs plattegronden met wandafmetingen van de expositieruimtes. Via een lotingsysteem werd bepaald welke kunstenaar op welke plaats werd opgehangen. In functie van het volledig tot zijn recht komen van zijn eigen werken, drukte Ensor regelmatig zijn minachting uit over dat systeem. Zo maakte hij Maus in februari 1887 duidelijk dat het slechte nummer dat hij had getrokken hem verontruste. In februari 1888 vroeg hij Maus dan weer om de werken van Toulouse-Lautrec te vervangen door de zijne.

Vriendendiensten

Hoewel Ensor zich met zijn hoge eisen voor de opstelling van zijn werken niet altijd even populair maakte bij zijn collega-Vingtisten, smeedde hij er toch ook enkele vriendschapsbanden. Zo kreeg hij heel wat steun van zijn collega-Vingtiste Anna Boch. Zij verdedigde vaak doeken van Ensor die andere collega’s afkeurden. Op zo’n momenten gaf ze hem sterkte en wilskracht, zo verklaarde hij zelf. Op de tentoonstelling van 1886 bewees ze hem een ultieme vriendendienst met het aankopen van zijn Musique Russe (1881).

James Ensor – ‘Musique Russe’ (1881).
James Ensor – ‘Musique Russe’ (1881).

Ook buiten ‘les XX’ bouwde Ensor een netwerk uit. Zo verbond hij zich met de gerenommeerde kunstcriticus Emile Verhaeren, van wie hij in 1892 een portret tentoonstelde bij de Vingtisten. Verhaeren was de enige criticus geweest die het in 1884 had opgenomen voor Ensor, toen hij in de algemene pers werd afgeschilderd als té vooruitstrevend. Hij was het die op het salon van 1892 Ensors Le Domaine D’Arnheim (1890) aankocht.

Sinds de vroege jaren 1880 bouwde Ensor ook een hechte vriendschap op met de kunstliefhebber en kunstverzamelaar Ernest Rousseau en zijn familie. De familie Rousseau kocht op de negende expositie van ‘les XX’ in 1892 L’Intrigue (1890), één van Ensors meest spraakmakende schilderijen. Ensor slaagde erin zichzelf te vermarkten door enerzijds veel aandacht te vestigen op de presentatie van zijn werken en anderzijds een netwerk uit te bouwen. Alles samen verkocht hij gedurende de verschillende tentoonstellingen van ‘les XX’ een twintigtal werken. Voor Ensor bestond het kunstbedrijf niet enkel uit een zuiver ‘kunst-om-de-kunst’-principe, maar hield het ook een commerciële component in.

Meer lezen

Eric Min, De eeuw van Brussel: biografie van een wereldstad (1850-1914), Antwerpen, 2015.

Eric Min, James Ensor: een biografie, Antwerpen, 2008.

Titelafbeelding: James Ensor, L’Intrigue (1890).

Marjoleine Delva is student Cultuurgeschiedenis aan de KU Leuven. Ze schreef een masterproef over de kunstmarkt voor Les XX.

Waterlootanden, ca. 1815.
Waterlootanden, ca. 1815.

Deze tanden zijn mogelijk afkomstig van een militair die gesneuveld is in de Slag bij Waterloo op 18 juni 1815. De lijken en gewonden bleven na afloop van de veldslag soms wekenlang liggen in weiden, grachten en toegangswegen naar Brussel en Charlerloi. Bij het vallen van de avond werden zij het slachtoffer van plunderaars die op zoek waren naar waardevolle bezittingen. Deze boeven van de nacht slopen vervaarlijk rond op de weides en schrokken er niet voor terug om de gewonden te vermoorden bij enig vertoon van verzet.

Plunderaars hadden het onder meer gemunt op de tanden van militairen. Vooral in de eerste helft van de negentiende eeuw waren ze in trek bij gegoede, maar tandeloze burgers. De tanden stonden bekend om hun kwaliteit, omdat ze veelal afkomstig waren van jongemannen met een gezond gebit. Ze kregen dan ook al snel de naam ‘Waterlootanden’. Maar ook later in de negentiende eeuw werden menselijke tanden uit andere militaire campagnes, zoals de Krimoorlog of de Amerikaanse burgeroorlog, onder het mom van ‘Waterlootanden’ gepromoot.

Vóór 1815 maakten tandartsen bij het vervaardigen van kunstgebitten vooral gebruik van tanden van veroordeelde criminelen of vondsten van grafrovers. Er werd ook al geëxperimenteerd met valse tanden, maar de namaakexemplaren van ivoor of porselein konden breken en rotten. Bovendien hadden ze een weinig aantrekkelijk voorkomen. De ontwikkeling van gedegen kunstgebitten kwam pas vanaf de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw op gang. Tot en met het midden van de negentiende eeuw waren tandartsen echter vooral aangewezen op ‘echte’ tanden.

Tekst: Jolien Gijbels. Foto: Universiteitsmuseum Utrecht.

Monument voor de gefusilleerden in Rijsel

Helden voor de jeugd

L’héroïsme de la jeunesse, zo luidde het thema van de schrijfwedstrijd die de Belgische minister van Openbaar Onderwijs François Bovesse op 18 januari 1936 lanceerde. Net als zijn voorgangers was Bovesse van mening dat leerlingen heldenmoed konden leren, zolang ze maar de juiste voorbeelden hadden. De tien laureaten van de wedstrijd zouden worden beloond met de biografie van Léon Trulin, een jonge Rijselse spion van Belgische afkomst uit de Eerste Wereldoorlog, en de winnaar mocht een jaar lang pronken met een replica van het Rijselse standbeeld van de verzetsheld. De prijzen werden voorzien door Les Amis de Lille, een Rijselse belangenvereniging die zich bekommerde om het imago van de Franse grensstad in binnen- en buitenland.

Officiële herdenking van de executie van Trulin, datum onbekend.
Officiële herdenking van de executie van Trulin, datum onbekend.

Belgische kinderen hadden tijdens het interbellum geen tekort aan exempels van heldhaftige vaderlandsliefde: zij bewonderden het koningspaar boven het schoolbord, schreven opstelletjes over de Brusselse spionne Gabrielle Petit, leerden over de Engelse verpleegster Edith Cavell en de moedige soldaat Léon Trésignies. Met de schrijfwedstrijd voegde Bovesse nog een figuur toe aan het toch al goed gevulde pantheon: dat van een Frans-Belgische jongen dan nog wel. Waarom voelde  Bovesse daar de nood toe?

Ere wie ere toekomt

Als zoon van Belgische migranten groeide Trulin op in Rijsel. Samen met enkele vrienden verzamelde hij tijdens de Wereldoorlog inlichtingen over de Duitse vijand en smokkelde hij die via Nederland naar Engeland. Op 3 oktober 1915 werd hij tijdens zo’n tocht gearresteerd en later gefusilleerd. In Rijsel werd de achttienjarige Trulin vrij vlug na zijn dood een geliefde volksheld.

Zoals andere steden herdacht ook Rijsel na de oorlog zijn verzetslieden met een groots opgezet monument. De stad wilde tonen dat zij de bezetting niet lijdzaam had ondergaan en de collectieve zelfwaarde van de bevolking enigszins opkrikken. De beeldengroep van Felix-Alexandre Desruelles werd ingehuldigd op 31 maart 1929. Maar de manier waarop de kunstenaar de verzetslieden in beeld had gebracht, werd niet door iedereen geapprecieerd. De familie Trulin was geschokt toen bleek dat van de vijf figuren die de beeldengroep vormden, vier onverschrokken de dood in de ogen keken, terwijl hun Léon roerloos op de grond lag. De moed van Léon werd tekort gedaan, zo klaagde zij in een brief aan de Rijselse vereniging Les Amis de Lille. De familie vroeg een rechtzetting.

Les Amis de Lille

Publicatie L’adolescent chargé de gloire uit 1932 van Philippe Kah.
Publicatie L’adolescent chargé de gloire uit 1932 van Philippe Kah.

De belangengroep Les Amis de Lille was gesticht in 1909 en had als doel Rijsel als toeristische en economische bestemming te promoten. De leden van de vereniging beschikten samen over heel wat prestige, financiële middelen en het oor van belangrijke politici. Het maakte van Les Amis de Lille een invloedrijke speler in het politieke, economische en sociale leven van de regio. In de loop van de jaren 1920 steunde de vereniging de oprichting van verschillende oorlogs- en herinneringsmonumenten in Rijsel. Dat de misnoegde familie Trulin zich tot Les Amis de Lille richtte, hoeft dus weinig te verwonderen. Toch kon ook Les Amis de Lille niets meer veranderen aan de beeldengroep. Daarom gooiden de leden van de vereniging het over een andere boeg.

In de jaren na de inhuldiging van het officiële monument voor de Rijselse verzetshelden, creëerde Les Amis de Lille een parallelle heldencultus rond de figuur van Léon Trulin. Op 8 november 1931 werd een gedenkplaat opgericht op de executieplaats van Trulin. Een jaar later verscheen een boekje van de hand van de voorzitter van de vereniging, de advocaat Philippe Kah, waarin het korte leven van Trulin met een aureool werd omgeven: hij was l’adolescent chargé de gloire. In 1933 werd een standbeeld van Léon Trulin ingehuldigd op diens begraafplaats op de cimetière de l’Est, en nog een jaar later werd een standbeeld van de jonge held ingehuldigd aan het Rijselse justitiepaleis. Elk jaar, op 8 november, werd de executie van Trulin officieel herdacht door leden van het stadsbestuur en door de leerlingen van de École Léon Trulin.

Rijselse heldhaftigheid

Programma van de fêtes de l’amitié franco-belges in 1921 met op de voorpagina een foto van de Belgische koninklijke familie (Collectie Damien Top).
Programma van de fêtes de l’amitié franco-belges in 1921 met op de voorpagina een foto van de Belgische koninklijke familie (Collectie Damien Top).

Voor Les Amis de Lille was het doel van een schrijfwedstrijd over Trulin in de Belgische scholen veel meer dan louter de bekendheid van Trulin te vergroten. De jonge verzetsheld met Belgische roots vormde voor de leden van de vereniging een zoveelste voorbeeld van wat zij typische ‘Rijselse heldhaftigheid’ noemden. Rijsel vormde voor hen de eerste, belangrijke verdediger van de Franse waarden liberté, égalité et fraternité tegen de buitenlandse ‘barbaren’: tijdens de jaarlijkse Semaine Glorieuse in oktober werd de rol van moedige en onverschrokken Franse verdediger uitgebreid gevierd door de stad.

Les Amis de Lille breidde het idee van Rijsel als verdediger van moderne waarden zonder al te veel moeite ook uit naar België. Immers, na de Wereldoorlog werd de Franse leuze van liberté, égalité et fraternité steeds meer universeel gewaardeerd als basis voor een echte democratie. Als stad op de grens beschouwde Rijsel zichzelf op bijna evidente wijze als de verbindende kracht tussen Frankrijk en België tégen de gezamenlijke vijand Duitsland. De schrijfwedstrijd over Trulin, maar ook de fêtes de l’amitié franco-belge die Les Amis de Lille eerder ondersteunde in Rijsel, vormden exponenten van deze visie.

Trulin ter inspiratie

Wellicht was het imago van de Franse grensstad niet de hoofdreden waarom de minister van Openbaar Onderwijs Bovesse akkoord ging met de inrichting van een schrijfwedstrijd over een Frans-Belgische held. Dat hij de lieveling van Les Amis de Lille toch promootte in de Belgische scholen, had meer te maken met zijn groeiende bekommernis om een gebrek aan vaderlandsliefde bij de Belgische jeugd: een kwalijke ontwikkeling die, zeker in het licht van de toenemende spanningen op het internationale toneel, moest worden bijgestuurd. De figuur van Léon Trulin herinnerde aan vroegere bondgenootschappen en vormde een extra voorbeeld van vaderlandsliefde. En daar had geen enkel land ooit voldoende van.

Meer lezen

Tine Hens, Saartje Vanden Borre en Kaat Wils. Oorlog in tijden van vrede. De Eerste Wereldoorlog in de klas, 1919-1940, Kalmthout: Pelckmans, 2015.

Kevin Labiausse, ‘Un syndicat d’initiative durant l’entre-deux-guerres: les Amis de Lille’, Revue du Nord 85.349 (2003), 117-138.

Titelafbeelding: Monument voor de gefusilleerden in Rijsel.

Saartje Vanden Borre is verbonden aan de Specifieke Lerarenopleiding geschiedenis. Zo promoveerde in 2012 op een proefschrift over Belgische migranten in Noord-Frankrijk. In 2015 verscheen van haar hand Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.

Poseren in de ziekenzaal van Sint-Raphaël, ca. 1930.
Poseren in de ziekenzaal van Sint-Raphaël, ca. 1930.

Vandaag lijkt het een vreemd beeld. Patiënten, bezoekers en verpleegsters, in een grote ruimte verzameld, allen keurig gekleed en ‒ op de zuster aan de linkerzijde na ‒ allen recht in de lens kijkend. Maar voor de Leuvenaars in de jaren tussen beide Wereldoorlogen ging er een zekere aantrekkingskracht uit van deze beelden, die vaak als postkaarten werden verspreid. De ziekenzalen van Sint-Raphaël aan de Kapucijnenvoer representeerden een ‘moderne’ gezondheidzorg, die op de burgerij en een opkomende  middenklasse was gericht.

Een halve eeuw eerder was zoiets onmogelijk geweest. In het midden van de negentiende eeuw werden ziekenhuizen door de burgerij erg negatief gepercipieerd. Het waren in de eerste plaats instellingen voor arbeiders en hulpbehoevenden. En ook bij hen genoot het ziekenhuis geen goede reputatie. Ze trokken er enkel heen bij langdurige ziekte, wanneer ze thuis niet door een arts konden worden verzorgd.

Die weerzin verdween in de late negentiende eeuw. De nieuwe chirurgie (met anesthesie en gesteriliseerde instrumenten) verbond het ziekenhuis met moderne wetenschap. En de toepassing van strengere principes van hygiëne in de verpleging maakte dat moderne zorg minder gemakkelijk in de eigen woning kon worden aangeboden. Patiënten trokken nu steeds vaker naar het ziekenhuis voor medische zorg.

De bestuurders van ziekenhuizen zagen die nieuwe, meer welgestelde patiënten graag komen. Ze vormden een nieuwe financieringsbron. Foto’s en postkaarten moesten zo de evolutie van zorg aan huis naar het hospitaal ondersteunen. Ze tonen het ziekenhuis als een moderne ruimte: schoon, met voortdurende zorg aan bed, en met veel licht en lucht dankzij de grote ramen en hoge plafonds. Ze scheppen tegelijk ook het beeld van een zekere huiselijkheid, met gedrapeerde tafeltjes met bloemen en planten: een nieuwe ‘thuis’ voor de patiënt.

Tekst: Joris Vandendriessche. Foto: Museum Histaruz.