De Marokkaanse fata morgana van Leopold II

Gastblog door Gert Huskens.

U heeft het misschien gemist, maar terwijl afgelopen week het gele hesjes-protest het nieuws domineerde, bezocht “de grootste Belgische economische missie ooit” Marokko. Zoals het hoort bij zulke handelsmissies stapte met prinses Astrid een lid van het Belgisch koningshuis op het vliegtuig. Wellicht zonder het te weten, trad de prinses hiermee in de voetsporen van haar illustere familielid koning Leopold II. Ook hij bracht ruim honderd jaar geleden ten bate van de Belgische economie een uitgebreid bezoek aan het land. De interesse van Leopold II in Marokko is ondertussen echter door de Spaanse en Franse kolonisatie van het land zo goed als volledig in de plooien van de geschiedenis verdwenen.

Nochtans stond het gebied in de nasleep van de Koloniale Conferentie in Berlijn in 1884-1885 expliciet op Leopolds imperialistische radar. Hij zou vooral geïnteresseerd zijn geweest in Marokko als tussenstop voor de schepen die heen en weer pendelden tussen de Congolese havenstad Matadi en Antwerpen. Bovendien wilde hij er Belgische posten neerpoten die moesten dienen als winterverblijf, sanatorium en zelfs quarantaine voor de kolonialen die pendelden tussen metropool en kolonie. Het is in deze sfeer dat het vertrek van koning Leopold II op 11 september 1897 met zijn luxejacht Clémentine richting Marokkaanse kusten moet gezien worden.

De reis naar Marokko als toeristische uitstap

Het Laatste Nieuws, 30 oktober 1897.

Vooraleer het jacht aanmeerde in een van de Marokkaanse havens, bezocht de vorst eerst nog de Canarische Eilanden en Madeira. Vooral Madeira kon hierbij op zijn interesse rekenen. De lokale inwoners bleken zeer behendige jagers te zijn en daardoor zag Leopold II in hen ‘excellente rekruten voor Congo Vrijstaat’. Vervolgens meerde de Clémentine aan in de havenstad Mogador, tegenwoordig Essouaira. Terwijl de koning de stad en nabije regio te paard verkende, draaide zijn imperialistische verbeelding op volle toeren. Eens hij er een luxe-hotel had neergepoot, kon Mogador volgens hem een soort Atlantische evenknie van het mondaine Oostende worden.

Na enkele korte tussenstops in noordelijker gelegen havens keerde hij terug naar Larache en trok met een heuse karavaan het Atlasgebergte in. Hoewel hij in eerste instantie voornamelijk prospectie deed voor mogelijke spoorweginvesteringen, kon hij op de lokale markten tot zijn grote verbazing ook vaststellen dat men er Belgische suiker en textiel uit Verviers verhandelde. Een kort bezoek aan Tanger betekende het einde van de reis. Verschillende passagiers hadden immers dysenterie opgelopen en begrijpelijkerwijs was de vorst in zo’n situatie liever vroeg dan laat terug thuis.

De reis naar Marokko als diplomatiek-economische missie

‘Le voyage du Roi au Maroc’, Le Petit Bleu du Matin, 25 september 1897.

Hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken en de koninklijke entourage er destijds alles aan gedaan hebben om de reis in de markt te zetten als een onverdachte, strikte persoonlijke en louter toeristisch onderneming, konden ze de ware toedracht van het bezoek van Leopold II niet geheim houden. Zo kon men in Het Laatste Nieuws lezen hoe de vorst van de Marokkaanse havens ‘koloniale tussenstops’ wilde maken. In Le Vingtième Siècle stonden dan weer geruchten dat er flessen water waren verzameld die in België zouden getest worden op hun drinkbaarheid. Stilaan werd zo duidelijk dat de reis niet enkel een toeristische uitstap was, maar wel degelijk ook economische motieven had.

Ook de buitenlandse pers berichtte destijds al dat de vorst met een stapel eigendomsakten onder zijn arm terug naar België was gekeerd. Concreet had hij in deze periode zijn geldbuidel opengetrokken voor de aankoop van percelen op de Canarische Eilanden, net buiten Tanger en in de regio nabij Kaap Juby en Tarfaya. Ook verwierf hij eigendommen bij de stad Ceuta aan de Middellandse Zee. Deze percelen moesten de vorst toelaten om handelsvestigingen te bouwen en zo een graantje mee te pikken van de handelsroutes in de Sahara en de lokale wolproductie. De Spaanse koloniale neergang had de koning immers duidelijk gemaakt dat er ook territoriaal iets te rapen viel in Spaans-Marokko.

Van Marokkaanse droom naar ontgoochelende fata morgana

Een overzicht van de koloniale claims in Marokko ten tijde van het bezoek van Leopold II.

De vele ambitieuze pogingen ten spijt, moest Leopold na zijn reis vaststellen dat zijn Marokkaanse project door de tegenkantingen van de andere kolonialen machten nooit echt van de grond kon komen. Toen in 1905 de Duitse keizer Wilhelm II tijdens een bezoek aan Tanger de onafhankelijkheid van Marokko vooropstelde, hield Leopold II zich dan ook opvallend afzijdig. In zijn officiële communicatie stond er hierbij één gedachte centraal: België uit de Eerste Marokkaanse Crisis houden en geen standpunt innemen in deze Duitse confrontatie met Frankrijk en Groot-Brittannië.

Achter de schermen gaf Leopold II zich echter nog niet helemaal gewonnen. De koloniale kaart van de vorst beperkte zich immers niet tot Congo. De ambitie was om de Belgische vlag wereldwijd te laten wapperen. Terwijl de diplomaten de Europese claims op Marokko bespraken, was Leopold II immers verwikkeld geraakt in een dynastieke soap in het opstandige Marokkaanse Rifgebergte, maar dat verhaal verdient een eigen blogpost.

Meer lezen.

A. Duchesne, Leopold II et le Maroc, Brussel, 1965.

Gert Huskens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de ULB en UGent binnen het EOS-project ‘Pyramids and Progress. Belgian Expansionism and the making of Egyptology. 1830-1952’. Hij onderzoekt hierbij de rol van de Belgische diplomatie in de handel in Egyptische antiquiteiten in de periode 1830-1914.

Hoe de eerste dinomanie begon dankzij een diner in een dinosaurus

In 1993 liet Steven Spielberg Jurassic Park met behulp van CGI de eerste levensechte dinosauriërs op het grote publiek los. Net als eerdere filmversies waren het verre van realistische, wetenschappelijk onderbouwde representaties, maar Spielbergs dino’s leken wel wezens van vlees en bloed te zijn: ze bewogen lichtvoetig en vertoonden relatief intelligent gedrag. Hoewel de prehistorische reptielen alles bij elkaar maar 15 minuten in beeld kwamen, zou de film het startschot betekenen voor een ware dinomanie. De plotse en enorme belangstelling voor dinosauriërs werd verder aangewakkerd door een gigantische marketingcampagne. Fastfoodketen McDonalds riep de intussen fel gecontesteerde “supersize”-optie in het leven, die toen toepasselijk genoeg “dinosize” werd genoemd.

Toch was dit niet de eerste keer dat het grote publiek in de ban raakte van deze al lang verdwenen schepsels. De eerste “dinomanie” brak uit in de negentiende eeuw en ook toen speelde eten een belangrijke rol in de marketingcampagne.

Het eerste “Jurassic Park”

Hawkins’ atelier in het Crystal Palace in Sydenham.

Na de sluiting van de eerste wereldtentoonstelling, die plaatsvond in Londen tussen mei en oktober 1851, werd een nieuwe bestemming gezocht voor het tentoonstellingsgebouw, een revolutionair bouwwerk uit glas en staal. Dit zogenaamde Crystal Palace werd gekocht door de Crystal Palace Company en verhuisd naar Sydenham Hill, ten zuiden van Londen. Het omliggende domein moest worden omgetoverd tot een park met siertuinen, replica’s van klassieke standbeelden en artificiële vijvers. Als onderdeel van deze renovatie werd kunstenaar en natuurhistoricus Benjamin Waterhouse Hawkins gevraagd om de eerste levensgrote modellen van uitgestorven diersoorten te creëren. Het Britse publiek had al schetsen van dinosauriërs gezien, maar nog nooit replica’s op ware grootte. De Crystal Palace Company zette erop in dat deze het grote publiek naar het nieuwe park zouden lokken.

Dat was op dat moment zeker nog geen veilige gok. In de jaren 1840 was weliswaar de wetenschappelijke interesse in deze prehistorische wezens stilaan gegroeid. Ook verschenen de eerste professionele geologen en paleontologen. Een van hen was de paleontoloog en bioloog Richard Owen, die de uitgestorven gigantische reptielen in 1842 bedacht met de naam “Dinosauria”. Maar het bredere publiek was op dat moment in de ban van de revelaties van Charles Darwin. Owens stoffige skeletten konden nog niet concurreren met de exotische schepsels die Darwin ontmoette op zijn reizen en waarover hij verhalen meebracht naar een druilerig Groot-Brittannië. Maar dat stond op het punt om te veranderen.

Om de dieren zo anatomisch correct mogelijk na te bootsen, riep Hawkins de hulp in van Owen. Hawkins richtte zijn atelier in op het domein zelf en bedacht een grondplan voor het Dinosaur Park, bestaande uit drie eilanden. Die eilanden vormden min of meer een tijdslijn waarop de vijftien soorten die Hawkins modelleerde, werden neergeplant: een eerste eiland voor het Paleozoïcum, het tweede voor het Mesozoïcum en het laatste voor het Cenozoïcum.

“The jolly old beast/Is not deceased/There’s life in him again! ROAR!”

Originele tekening door  Hawkins voor de uitnodiging voor het diner in de iguanodon (Academy of Natural Sciences of Drexel University).

De concrete uitwerking van zijn plan en de samenwerking met Owen liepen echter niet van een leien dakje. In december 1853, 6 maanden voor de opening van het park, zat Hawkins hopeloos achter op schema en erg krap bij kas. Hij moest een manier bedenken om zijn investeerders gerust te stellen en het publiek alvast warm te maken voor zijn Dinosaur Park. Het meest voor de hand liggende idee was om een aantal journalisten en investeerders uit te nodigen voor een diner. Idealiter zou hij dan natuurlijk zijn dinosauriërs zelf in de schijnwerpers zetten. De pers en geldschieters moesten zijn beelden in het echt zien om te begrijpen hoe fantastisch ze wel waren.

En dus ontvingen 21 wetenschappers, journalisten en zakenlui eind december een uitnodiging waarop stond te lezen:

Mr Waterhouse Hawkins verzoekt […] hem de eer te verschaffen hem te vergezellen voor een diner in de gietvorm van de Iguanodon in het Crystal Palace op zaterdagavond 31 december 1853 om vijf uur.”

Geïntrigeerd door deze ongewone invitatie tekenden alle genodigden present die oudejaarsavond. Hawkins had zijn atelier voor de gelegenheid wat aangekleed met een tent die hij eerder gebruikt had voor het verjaardagsfeestje van zijn dochter. Het diner zou plaatsvinden in de gietvorm van de Iguanodon, het grootste van alle dinosaurusbeelden die een plaats zouden krijgen in het Crystal Palace Park. De tien meter lange gietvorm was opgesmukt met verf om hem levensecht te doen lijken en omgeven door een platform om het de gasten en obers gemakkelijker te maken om in de dinosaurus te stappen. Na een selectie van soepen, vis, wild en de hoofdgerechten sloot de rijkelijke maaltijd af verschillende soorten gebak, meringue, pudding, vers fruit en noten.

Diner in de gietvorm van de iguanodon, een schets door Hawkins zelf.

De drank vloeide rijkelijk en de sfeer was opperbest. Toen het hele gezelschap ver na middernacht opnieuw koers zette richting London, deden ze dat onder luidkeels gezang van een voor de gelegenheid gecomponeerd lied met het volgende refrein:

“The jolly old beast/Is not deceased/There’s life in him again! ROAR!”

De aanwezige journalisten berichtten achteraf uitgebreid over het diner en Hawkins project voor Sydenham Park. De Illustrated London News wijdde zelfs een hele reeks artikels aan zijn dino’s, inclusief de bovenstaande schets van het diner, door Hawkins zelf getekend. Het publiek daagde massaal op voor de opening van het park in juni 1854. In de tweede helft van de 19de eeuw gingen naar schatting meer dan een miljoen mensen per jaar zich vergapen aan de prehistorische monsters. Net zoals ten tijde van Jurassic Park het geval zou zijn, gingen ook toen al dinosaurusposters en -figuurtjes als zoete broodjes over de toonbank. De eerste dinosaurusgekte was losgebarsten.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: gekleurde fotomechanische afdruk van het Crystal Palace in Sydenham door George Baxter, na 1854, met op de voorgrond Hawkins’ prehistorische dieren (CC BY 4.0 Wellcome Images, afb. ‘V0013783′).

Waarom rampen onder de grond onze aandacht trekken

Gastblog door Siegfried Evens.

Deze zomer werd het nieuws onder meer beheerst door de redding van de Thaise voetballertjes uit een grot in Thailand. Iedereen in de grot kon levend en wel gered worden onder het oog van de camera en met massale internationale belangstelling. Het voorval is maar een van de vele ondergrondse drama’s die de mensen bovengronds massaal konden beroeren. Een recente ramp was het mijnongeluk in Copiapó in 2010, waarbij Chileense mijnwerkers in een mijnschacht vast kwamen te zitten, maar allemaal levend naar boven gebracht konden worden. In Duitsland riep het voorval in Thailand vooral herinneringen op aan wat ze daar het “wonder van Lengede” noemen. 14 dagen na een instorting in een West-Duitse mijn in 1963 werden daar 11 mijnwerkers gered. In eigen land kwamen op 8 augustus 1956 in Marcinelle 262 mijnwerkers om het leven na een mijnbrand die was veroorzaakt door een technisch ongeluk met een mijnkarretje.

Deze 4 gebeurtenissen zijn eigenlijk erg gelijkaardig. Het waren allemaal drama’s die onder de grond, en dus onttrokken aan het oog, plaatsvonden. De reddingsoperaties genoten wereldwijd een enorme belangstelling en vormden zo mijlpalen op vlak van rampenberichtgeving. Hoe valt deze belangstelling te verklaren?

Collectieve hypocrisie en hoop

Om de mijnwerkers in Lengede te redden, werd een reddingscapsule gebruikt. De capsule zou later als inspiratie dienen om de Chilenen in Copiapó te redden.

Historicus Marc Reynebeau schreef naar aanleiding van de reddingsoperaties in Thailand een opiniestuk, waarin hij de massale aandacht voor de voetballertjes weet aan onze collectieve hypocrisie. We leven immers meer mee met 13 mensen wiens gezichten we kennen dan met bijvoorbeeld een anonieme massa vluchtelingen. Ook na de ramp in Chili zorgde de verspreiding van videobeelden van de slachtoffers voor een grote publieke betrokkenheid. Op zich is dat een weinig verrassende analyse. Mensen zijn nu eenmaal selectief in hun aandacht voor leed. Elke dag sterven er bijvoorbeeld mensen in het verkeer, maar een ramp waarbij plots tientallen doden vallen, trekt doorgaans meer aandacht en solidariteit.

Anders dan gewone rampen, waarbij de tragedie al compleet is, ligt bij ondergrondse rampen alsnog alle hoop bij de afwending van een tragedie. In België onderscheidt de mijnramp van Marcinelle zich bijvoorbeeld van de brand in het Brusselse filiaal van de Belgische grootwarenhuisketen Innovation door zijn langgerekte reddingsactie, die twee weken duurde. De wanhoop van een reddingswerker, “allemaal lijken”, ging de wereld rond, en vormde het symbolische einde van de zoektocht naar overlevenden. Niemand van de gevangen mijnwerkers had het immers overleefd. Bij de incidenten in West-Duitsland en Chili was de hoop op een goede afloop veel meer aanwezig dan in Marcinelle. Reddingwerkers wisten daar vrij snel dat er nog mijnwerkers leefden. De focus van de reddingsactie was dan ook om de mijnwerkers levend te houden en ze met een capsule naar de bovengrond te brengen.

Onder het oog van de camera

De combinatie van hoop op een goede afloop en spectaculaire reddingsacties maakt van deze rampen enorme mediagebeurtenissen. De rampsites van Marcinelle, Lengede, Copiapó en de grot in Thailand werden verzamelplekken voor duizenden journalisten uit binnen- en buitenland, die het heroïsche reddingswerk kwamen bewonderen. De rampen waren soms een technologische en maatschappelijke mijlpaal op vlak van berichtgeving. De redding van de mijnwerkers in Chili werd bijvoorbeeld gelivestreamd en kon over de hele wereld gevolgd worden. Dat neemt niet weg dat ook het moment waarop de ramp gebeurt de mediabelangstelling bepaalt: de rampen in Marcinelle, Copiapó en Thailand gebeurden alle drie in de zomervakantie, komkommertijd dus.

Zichtbaarheid verbergt of onthult

Koning Boudewijn en eerste minister Achiel Van Acker bezoeken de rampsite van Bois-de-Cazier, Marcinelle.

De mediagebeurtenissen rond ondergrondse rampen worden ook gestuurd door hun politisering. Rampen zijn bij uitstek politieke gebeurtenissen die politici en staatshoofden aantrekken. De mijnsite van Bois-de-Cazier in Marcinelle werd bezocht door koning Boudewijn. Een dag voor de reddingswerken kwam bondskanselier Erhard de gevangen mijnwerkers toespreken en president Piñera onderbrak een reis om de mijnsite te bezoeken.

Deze politisering kan uiteenlopende gevolgen hebben. Een politiek gestuurd mediacircus kan de ware oorzaken van de catastrofe verbergen. De Chileense overheid manipuleerde namelijk bewust de live-uitzendingen om een triomfalistisch beeld neer te zetten en de erbarmelijke leefomstandigheden van de mijnbouw in Chili te verzwijgen. Deze triomfantelijke beelden werden wereldwijd overgenomen.

De Chileense president Sebastian Piñera geeft Luis Urzua, de laatste geredde mijnwerker, een knuffel.

Media-aandacht kan echter ook extra druk op de ketel zetten om te leren uit de ramp. Zo waren de slechte werkomstandigheden en gebrekkige veiligheidscultuur in de Belgische mijnen het onderwerp van een mediahetze in de nasleep van de mijnramp van Marcinelle. De hetze voedde vakbondsacties, zette onderzoekscommissies in gang en leidde tot een juridische uitputtingsslag. Op Europees niveau nam de EGKS voor het eerst initiatieven om op vlak van veiligheidsmaatregelen meer  samen te werken, wat de kiemen legde voor een Europees sociaal beleid.

In dat opzicht zijn ondergrondse drama’s dus gelijkaardig aan de talloze andere drama’s die de wereld gekend heeft: ze hebben het potentieel om de mensen van bepaalde onveilige situaties bewust te maken, en zo de samenleving te veranderen en veiliger te maken.

Meer lezen.

Brandtmann, Gerrit. ‘Höhlendrama in Thailand weckt Erinnerungen an das „Wunder von Lengede“’. PAZ-online.de, 11 July 2018. http://www.paz-online.de/Kreis-Peine/Lengede-Vechelde-Wendeburg/Hoehlendrama-in-Thailand-weckt-Erinnerungen-an-das-Wunder-von-Lengede.

Felice Dassetto and Michel Dumoulin, Mémoires d’une catastrophe: Marcinelle, 8 août 1956 (Louvain-la-Neuve: CIACO, 1986).

Jiménez-Martínez, César. ‘Disasters as Media Events: The Rescue of the Chilean Miners in National and Global Television’. International Journal of Communication 8, no. 0 (2 July 2014): 24.

Reynebeau, Marc. ‘“Fout in Ons Empathisch Brein” – De Standaard’. De Standaard, 10 July 2018. http://www.standaard.be/cnt/dmf20180709_03605933.

Siegfried Evens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de Division of History of Science, Technology and Environment aan het Royal Institute of Technology  (KTH) in Stockholm. Hij doet onderzoek naar de politieke geschiedenis van rampen en risico’s, meer bepaald branden, mijnrampen en kernrampen.

Zingt allen mee over tbc

Gastblog door Christiaan Engberts.

Over de historische ervaringen van artsen met nieuwe medicijnen is weinig geweten. De introductie van een verondersteld geneesmiddel tegen tuberculose in 1890 vormt hierop een uitzondering. De controverses die dit middel opriep, vonden namelijk een plek in de liederen die deze artsen bij hun lokale bijeenkomsten zongen.

Een medicijn tegen tuberculose

Een Tuberculine-injectie in het Charité ziekenhuis in Berlijn.

Tuberculose was in de negentiende eeuw een van de meest voorkomende dodelijkste ziekten. Tot het einde van deze eeuw bleef het onduidelijk waardoor de zogenaamde “witte plaag” veroorzaakt werd. Robert Kochs ontdekking van de hiervoor verantwoordelijke bacterie in 1882 leek echter een veelbelovende eerste stap in de richting van een geneesmiddel. Acht jaar later leek het eindelijk zo ver. Op een congres in Berlijn kondigde Koch trots aan dat hij het gehoopte medicijn ontwikkeld had. De stemming onder artsen en patiënten was euforisch toen het middel onder de naam Tuberculine op de markt kwam.

De euforie duurde echter maar kort. Koch bleek niet in staat te zijn de productiemethode en werking van zijn middel helder te beschrijven en het bleek vaak niet te werken. De medische wereld raakte verdeeld in voor- en tegenstanders van de nieuwe kuur. Vooraanstaande onderzoekers voerden in vakbladen en op congressen felle debatten. De discussie bleef voortwoekeren totdat Tuberculine in de 20e eeuw enkel nog als diagnostisch hulpmiddel en niet langer meer als geneesmiddel gebruikt zou worden.

Het medisch treurlied

De dodelijke uitwerking van tuberculose en de felle debatten tussen prominente wetenschappers leidden ertoe dat het Tuberculinedebat ook ‘gewone’ artsen in zijn greep hield. Hoewel zij zelden de pretentie hadden nieuwe argumenten in de discussie aan te dragen, weerspiegelden zij de heersende onenigheid in hun liederen. Wie in de negentiende eeuw een Duits artsencongres bezocht, kon er namelijk van op aan dat er niet alleen lezingen en discussies op het programma stonden. Na een overvloedige avondmaaltijd werd er meestal ook gezongen.

Titelblad van het Liederbuch.

De liedteksten waren vaak speciaal voor de gelegenheid geschreven op bekende melodieën. De verzamelde heren zongen onder meer graag over hun liefde voor drank, voor vrouwen en voor de eigen professie. Daarnaast goten ze hun eigenliefde regelmatig in de vorm van een treurlied vanuit het oogpunt van een ziekteverwekker. In een van hun liederen doet een lintworm bijvoorbeeld verslag van de wrede verstoring van zijn vredige leven in een heerlijk knusse darm; in een ander lied herinnert een cataract zich de hem noodlottige ingreep van een oogarts.

Bijna alle treurliederen in de in 1892 uitgegeven bundel Liederbuch für Deutsche Aerzte und Naturforscher prijzen de successen van de medische wetenschap zonder voorbehoud. Er is echter één uitzondering: zodra het over de behandeling van tuberculose gaat, verandert de teneur. De hoopvolle vreugde van augustus 1890 slaat langzaam om in een gevoel van teleurstelling.

Van euforie tot vertwijfeling

Het aanvankelijke enthousiasme klinkt door in het Klaaglied van de Tuberculosebacterie. Zoals gebruikelijk in dit genre, beschrijven de eerste coupletten van het lied hoe plezierig het bacteriënleven wel niet kan zijn.  Zoals het in een treurlied nu eenmaal gaat, blijkt echter al snel dat deze idylle geen lang leven beschoren is. Een met een injectiespuit bewapende arts haalt een streep door de rekening:

“Nu rommelt en knelt mijn maag
Nu verschrompelt mijn bestaan.
En dat deed de nare dokter
Met Koch’s Tuberculine.”

Al spoedig werd dit lied gevolgd door sceptischer liederen. Het lied De Bacterie uit 1890 suggereert dat men misschien te vroeg had gejuicht. De tekst – een dialoog tussen een oude wijze en een jonge bezorgde tuberculosebacterie – bevat echter nog geen expliciete kritiek op de werkzaamheid van Kochs middel. In de slotstrofe suggereert de oude bacterie dat ze de arts te slim af kunnen zijn door zijn Tuberculine ’s nachts te stelen.

Antropomorfe microben uit het Liederbuch.

Een jaar later sijpelde er echter steeds meer openlijke kritiek op Kochs middel door in de liedteksten. Ondertussen was gebleken dat Tuberculine hoogstwaarschijnlijk geen blijvende immuniteit kon bewerkstelligen. In het licht van de opeenhoping van dergelijke teleurstellende bevindingen werden de liedteksten steeds kritischer. Het lied Tuberculinum Kochii, gezongen bij een bijeenkomst van artsen uit Hessen in 1891, wekt zelfs de suggestie dat het Koch al die tijd enkel om financieel gewin te doen was geweest:

“Het jaar is voorbij – stop de lofzangen.
Hoeveel hoop verzonk er niet in het graf!
Zij die met goede moed kwamen – ach! – ze taaiden
Met bezwaard hart en lege buidel weer af.”

Dergelijke liederen die de behandelende artsen op hun lokale bijeenkomsten zongen, illustreren hoeveel impact Kochs uitvinding op de medische wereld had. Voor een keer lieten ze liederen met titels als Nunc est bibendum en Dit glas op de vrouwen achterwege om in plaats daarvan de meest recente stand der wetenschap in liedvorm aan een kritische beschouwing te onderwerpen.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw.

Twee schilders en een betweter

Op 11 januari 1872 bezocht de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel het atelier van Alfred Stevens. Dat was een Belgische schilder die al jaren in Parijs woonde en werkte, en er succes boekte (en goed geld verdiende) met zijn kleurige genretaferelen van mooie vrouwen in prachtige jurken in luxueuze interieurs. In dat atelier zag Durand-Ruel twee schilderijen van Edouard Manet. Die was al jaren met Stevens bevriend.

Schildersvrienden in Parijs

Edouard Manet.

In de late jaren 1860 behoorden ze beiden tot een vast groepje, met ook de familie van Berthe Morisot, Edgar Degas en wat later Pierre Puvis de Chavannes. Ze zagen elkaar bijna dagelijks, op maandag op de muzikale soirées van de vader van Degas, op dinsdag bij de Morisots, op woensdag bij de Stevensen, op donderdag bij moeder Manet en op vrijdag in Café Guerbois, waar kunstenaars en schrijvers zich rond Manet verzamelen. Stevens, een kleine tien jaar ouder, hielp Manet waar nodig. In 1862 wilde die een Spaanse dansgroep op toernee in Parijs schilderen. Zijn eigen werkplaats was te klein om hen te laten poseren en dus gebeurde dat in het atelier van Stevens.

Tien jaar later had Manet nog geen representatief atelier waar critici en handelaars langskwamen en dus vroeg hij Stevens, op dat moment op het toppunt van zijn carrière, of hij in zijn atelier een paar werken mocht tonen, in de hoop dat ze daar zouden worden opgemerkt. Dat gebeurde dus ook. Durand-Ruel was onder de indruk en kocht de twee schilderijen. Bovendien zocht hij de volgende dag Manet meteen op, en kocht hij alles wat hij bij hem aantrof, 23 schilderijen, voor een totaal van 35.000 francs, en een paar dagen later nog een reeks werken, die Manet intussen haastig nog bij elkaar had gezocht.

Het was een belangrijk moment, een keerpunt, niet alleen voor Manet, maar ook voor de andere jonge en vernieuwende kunstenaars. Voor het eerst werd voor het werk van één van hen betaald, en nog royaal ook. Het bewees dat het kon en gaf allen hoop. Als Manet een handelaar en kopers vond, dan moest het anderen ook kunnen lukken. En dat allemaal dankzij Alfred Stevens.

Het “symbolisch kapitaal” van Alfred Stevens

Alfred Stevens.

Dit verhaal werd door Durand-Ruel zelf verteld in zijn Mémoires en het heeft ervoor gezorgd dat Stevens in zowat alle biografieën en studies over Manet voorkomt. En zo gebeurde het dat zelfs Pierre Bourdieu zich over de Belgische schilder heeft uitgesproken. In 1998-2000 heeft de beroemde socioloog zijn laatste lessenreeksen in het Collège de France aan Manet gewijd, en de tekst daarvan is samen met zijn voorbereidende notities postuum uitgegeven. Over Stevens zegt Bourdieu twee dingen. Eerst en vooral zet hij hem neer als een mondain en academisch kunstenaar (“couvert de médailles”), met andere woorden, als een perfecte vertegenwoordiger van het oude artistieke bestel dat door de moderne kunst – waarvan Manet de belichaming was – werd afgewezen en omvergeworpen.

Daarnaast was Stevens (ook dit past in de schema’s die de socioloog al vroeger ontwikkelde) een succesvol en gevestigd kunstenaar, die de mogelijkheden die zijn succes en status hem verleenden, gebruikte om ook Manet vooruit te helpen. Door hem zijn atelier ter beschikking te stellen, hem uit te nodigen in salons en hem op te nemen in zijn ruim vertakte netwerk, liet Stevens zijn jongere collega in zijn “symbolisch kapitaal” delen.

Edouard Manet, een conventioneel modernist

Pierre Bourdieu.

Dat Manet niet alleen door zijn vriendschap met Stevens, maar ook op andere manieren, tegen het academische establishment bleef aanschurken, vindt Bourdieu niet alleen onbegrijpelijk, maar ook jammer. Het lijkt immers afbreuk te doen aan zijn status als beeldenstormer en revolutionair modernist. Nadat op de salons een aantal schilderijen van Manet (waaronder het schandaleuze Le déjeuner sur l’herbe) werden geweigerd, groeide hij, in de ogen van velen, uit tot het prototype en chef de file van de overtuigde en zelfbewuste Refusés. Maar feit is dat Manet zich altijd op de officiële salons is blijven aanbieden. Meer nog, in 1876 wilde hij, ondanks heftig aandringen van Degas, niet exposeren op het onafhankelijke tweede salon van de impressionnisten. Hij verkoos het échte (officiële) Salon om zijn werk te tonen.

In zijn laatste jaren was zijn status zelfs zo groot dat hij “hors concours” deelnam (en dus niet meer geweigerd kón worden) en werd bekroond. Op 1 januari 1882 werd Manet zelfs ridder in het Légion d’Honneur, door toedoen van één van zijn beste vrienden (al sinds de middelbare school), Antonin Proust, op dat moment Ministre des Arts. In zijn herinneringen schrijft Théodore Duret, een andere goede vriend van Manet, dat die met deze onderscheiding zeer verguld was. Wat jammer toch, hoor je Bourdieu denken. Onbegrijpelijk! Hij laat het Légion d’Honneur onvermeld. Het past slecht bij de “révolution symbolique” uit de ondertitel van zijn boek.

Op de begrafenis van Manet, op 3 mei 1883, werd de kist gedragen door Emile Zola, Claude Monet, Philippe Burty, Théodore Duret, Antonin Proust en Alfred Stevens.

Meer weten.

Pierre Bourdieu, Manet. Une révolution symbolique (Parijs 2013).

Paul Durand-Ruel, Mémoires (ed. Parijs 2014).

Christiane Lefebvre,  Alfred Stevens, 1823-1906 (Parijs 2006).

Alfred Stevens, Brussel-Parijs, 1823-1906 (Brussel-Amsterdam 2009).

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Hoe film tijdens de Eerste Wereldoorlog de Antwerpse dierentuin heeft gered

Gastblog door Leen Engelen.

In 1910 prees de populaire Baedeker reisgids de Antwerpse dierentuin aan als een van de besten in Europa. De tuin werd omschreven als ‘de favoriete pleisterplek van de burgerij, in het bijzonder op dagen dat er concerten plaatsvinden’. Door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog kwam de zoo – die in 1913 nog zijn 70ste verjaardag had gevierd – echter in zwaar weer terecht. In de eerste oorlogsmaanden deed de prestigieuze feest- en concertzaal van de dierentuin dienst als veldhospitaal. Naarmate de val van de stad dreigde, werden de omstandigheden steeds moeilijker. Omwille van de strategische ligging naast het station vreesde men – niet ten onrechte – voor bombardementen. Een dertigtal gevaarlijke roofdieren werd preventief omgebracht. Al in de loop van het eerste oorlogsjaar dunde het dierenbestand drastisch uit door voedselschaarste. Door het afnemende dierenbestand en de opschorting van het voorheen druk bijgewoonde symfonische concertprogramma verloor de tuin een flink stuk van zijn aantrekkingskracht. Het aantal leden en bezoekers – traditioneel de financiële ruggengraat van de tuin – slonk dramatisch. In de zomer van 1915 stond het water de dierentuin aan de lippen. De financiële tekorten liepen maand na maand op. Het was tijd voor actie.

Een lumineus maar weinig vanzelfsprekend idee

Beeldreportage over de opmars van het Duitse leger richting Antwerpen (weekblad 1914 Illustré, november 1914).

Het was directeur Michel L’Hoëst  die met een visionair idee kwam. Hij stelde voor om de meer dan 2500 plaatsen tellende Feestzaal als bioscoop in te richten. Films vertonen was immers veel goedkoper dan symfonische concerten organiseren. Ondanks de overduidelijke populariteit van bioscopen in bezet Antwerpen, was dit geen vanzelfsprekende stap voor een cultureel hoogstaand instituut als de dierentuin dat zich vooral op de burgerij richtte. Mocht men zich wel inlaten met zulk frivool vermaak terwijl onze jongens kniehoog in de modder zaten aan de IJzer? Nood brak wet. In oktober 1915 gingen de eerste filmvoorstellingen van start. Cine Zoologie werd onmiddellijk een succes. Avond na avond stond het publiek in lange rijen aan te schuiven. Soms tot twee uur lang.

Voor het bestuur van de zoo was het uitbaten van een bioscoop echter geen evidentie. Zonder veel kennis van filmzaken had het zich in dit avontuur gestort. Het samenstellen van een boeiend ciné-concert programma – waarin korte films en muziekstukken elkaar afwisselden – was geen sinecure. De muziek had men grotendeels zelf in de hand. Het repertoire van het achtkoppige bioscooporkestje kwam hoofdzakelijk uit de muziekbibliotheek van het vooroorlogse dierentuinorkest. Stukken van lokale componisten zoals Peter Benoit (de lieveling van de directeur) en Jan Blockx stonden naast internationale grootheden als Grieg en Rossini. De Duitse bezetter had al in het najaar van 1914 de censuur ingevoerd voor alle publieke opvoeringen. Elk stuk moest dus vooraf gekeurd worden. Vermits het om instrumentale uitvoeringen ging, was dit doorgaans geen probleem.

Programma Cine Zoologie, 3 september 1916 (FelixArchief).

Voor het filmprogramma was dit een ander paar mouwen. Het aanbod was zonder meer schraal. Nieuwe Franse, Britse, Amerikaanse en later Italiaanse films werden immers geweerd door de censuur en een steeds strenger wordend importverbod. Aanvankelijk was men dus vooral aangewezen op films die al voor de oorlog op Belgisch grondgebied circuleerden. Oude koek zeg maar. Er waren weinig nieuwe films in de aanbieding, laat staan de gegeerde langere speelfilms die net voor de oorlog hun opmars maakten. Na een aantal maanden kreeg het bestuur het dan ook steeds moeilijker om een boeiend programma samen te stellen.

Gaandeweg kwamen de recente speelfilms enkel nog uit Duitsland. Schoorvoetend werden deze films op het programma van Cine Zoologie gezet. Dit weerhield het veelal patriottische publiek er niet van om in grote getale op te dagen. De professioneel gemaakte speelfilms met knappe filmsterren werden gesmaakt. Achter deze situatie zat natuurlijk een duidelijke strategie. De bezetter wilde maar al te graag een bijkomende afzetmarkt creëren voor de nu sterk door de overheid gesteunde Duitse filmindustrie. Cine Zoologie probeerde wel de Duitse herkomst van de films te verdoezelen door in het programmablad de aandacht te vestigen op de lengte van de film en de (vaak buitenlandse) sterren die er in meespeelden.

Film redt de dierentuin

Programma Cine Zoologie, 7 oktober 1917 (FelixArchief).

Wanneer de Feestzaal in september 1918 dreigt opgeëist te worden als veldhospitaal voor Belgische soldaten, probeert de directeur met man en macht de bioscoop veilig te stellen. In een schrijven aan de ‘plaatscommandant der stad’ zet hij de geleden moeilijkheden van dierentuin nog eens op een rijtje en onderstreept hij het belang van de bioscoop voor het voortbestaan: ‘tengevolge der huidige gebeurtenissen zijn de gewone en bijzonderste inkomsten van den Antwerschen Dierentuin te niet gedaan, of ten minste in buitengewone mate verminderd: langs den eenen kant is het getal der leden onzer Maatschappij tot bijna een derde geslonken en langs den anderen kant hebben wij ons genoodzaakt gezien, om dit beperkte ledental nog te behouden, onze volstrekt noodige hulpmiddelen te vinden in de uitbating onzer Feestzaal. En dit is zoo waar dat gemelde uitbating, om zoo te zeggen, de eenigste bron van inkomsten is die ons nog toelaat den Dierentuin open te houden.’

Gezien het financiële succes van Cine Zoologie werd de bioscoopuitbating ook na de oorlog verdergezet. Meer dan 20 jaar zou Cine Zoologie een vaste waarde blijven in de Antwerpse bioscoopwereld.

Meer weten.

Engelen, L. & Vande Winkel, R. (2018). Cine Zoologie. Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered, Borgerhout: Letterwerk.

Engelen, L., & Vande Winkel, R. (2016). ‘A Captivated Audience. Cinema-going at the zoological garden in occupied Antwerp, 1915–1918’. First World War Studies, 7(3), 243-264.

Engelen, L. & Vande Winkel, R. (2018). ‘Het filmaanbod van Cine Zoologie (1930-1936): een gevalstudie naar filmverdeling en -programmatie in de jaren dertig’. HistoriANT,  83-103.

Het gehele archief van Cine Zoologie is online raadpleegbaar via www.cinezoologie.be.

De Expo Cine Zoologie is nog tot midden november elk weekend en tijdens de herfstvakantie te bezoeken in de Zoo Van Antwerpen.

Leen Engelen is gastblogger. Ze is als mediahistorica verbonden aan LUCA School of Arts. Ze is auteur – samen met Roel Vande Winkel – van het publieksboek Cine Zoologie. Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered (Letterwerk, 2018. 104p.).

Toen vrouwelijke studenten nog porrekes waren

“Dus dan waren wij met achten in een zaal van vierhonderd. En dan moesten wij natuurlijk vooraan zitten, want in die tijd mochten de meisjes niet achteraan, zelfs niet op de tweede rij gaan zitten.” Aan het woord is een voormalige vrouwelijke studente die in de jaren 1960 wiskunde studeerde aan de universiteit te Leuven. De strikte scheiding van mannen en vrouwen in de aula’s doet vermoeden dat mannelijke en vrouwelijke studenten in aparte werelden leefden, maar was dat wel zo?

Gescheiden werelden

Tijdens het college anatomie zaten de vrouwen samen op een rij (universiteitsarchief Leuven).

Toen er in 1921 voor het eerst vrouwelijke studenten naar Leuven kwamen, maakten de Belgische bisschoppen zich zorgen. Ze vreesden dat de mannelijke en vrouwelijke studenten elkaar zouden afleiden van hun studies. Om vrouwelijke studenten te beschermen tegen het ‘mannelijke kwaad’ stichtten ze pedagogieën waar meisjes onder toezicht van nonnen in Leuven konden verblijven. De vice-rector Honoré Van Waeyenberg ging zo ver dat hij in 1936 de volgende regel invoerde: “De meisjesstudenten gelieven steeds met twee over straat te gaan. Onnodig te herhalen dat het nooit mag gebeuren dat zij met studenten samen naar de cursus gaan of dezelfde verlaten.” Tijdens vergaderingen en in de bibliotheek moesten vrouwelijke studenten apart van de mannelijke studenten zitten. Het was ook verboden voor vrouwen om naar bioscopen, dancings, drank- en eetgelegenheden te gaan.

In de jaren 1960 verdwenen de meeste beperkingen, maar vrouwelijke studenten bleven verplicht om hun eerste jaar op een pedagogie door te brengen. Mannen waren hier niet toegelaten. Wanneer een studente met een man wilde afspreken, moest de man aan de poort of op de gang van de pedagogie op haar wachten. De zusters controleerden daarnaast ook het doen en het laten van de vrouwelijke studenten door een avondklok in te stellen. Meisjes die op pedagogieën verbleven, moesten ten laatste om elf uur ’s avonds terug zijn. Wanneer vrouwen na hun eerste of tweede jaar naar een privaat kot verhuisden, hadden ze meer vrijheid. De avondklok verdween en ze mochten eten waar ze wilden. De meisjeskoten bleven wel verboden terrein voor mannelijke studenten en veel kotbazen bleven de meisjes controleren.

Het was een ongeschreven regel dat deze scheiding ook werd doorgevoerd in de auditoria, waar vrouwen op de eerste rijen moesten plaatsnemen. Doordat ze vooraan zaten, voelden veel vrouwen zich bekeken en waren ze ook gemakkelijke slachtoffers voor plagerijen. Vrouwen die bijvoorbeeld te laat waren, konden getrakteerd worden op een fluitconcert als ze de hele aula moesten doorlopen om de eerste rij te bereiken. De mannelijke studenten hadden ook de gewoonte om hun vrouwelijke collega’s al lachend por te noemen. Vrouwelijke studenten hadden hier weinig problemen mee: “Wij waren de porren van Leuven. Wij vonden dat wel leuk. Erg vond ik dat niet, dat paste allemaal in die tijdsgeest denk ik.”

Vermaak

Studenten in het studentenrestaurant Alma (universiteitsarchief Leuven).

De jaren 1960 luidden wel enkele veranderingen in. Voor die tijd was het studentenleven voornamelijk gericht op mannen. De exclusief mannelijke studentenclubs domineerden het studentenlandschap. Tijdens de jaren 1960 begonnen vrouwen ook meer deel te nemen aan het studentenleven. Het studentenrestaurant Alma en de bioscoop waren ideale plaatsen om samen te komen en te ontspannen. Steeds meer vrouwen werden bovendien actief in het bestuur van de faculteitskringen – meestal als secretaresse, een functie die als typisch vrouwelijk werd aanzien.

Tijdens de avondactiviteiten van de studentenkringen, zoals cantussen en thé-dansants waren ook steeds meer vrouwen aanwezig. Op cantussen dronken vrouwen samen met mannen bier, al deden ze dat meestal in mindere mate. Thé-dansants waren dansgelegenheden waar mannen en vrouwen per twee dansten. Vrouwen moesten wachten tot mannelijke studenten hen ten dans vroegen. Het was gebruikelijk dat deze laatsten hun danspartners trakteerden en hen na een avondje uit naar hun pedagogie of kot brachten.

Studerende vrouw, werkende vrouw?

Studenten verpozen in het Begijnhof.

De jaren 1960 kunnen gezien worden als een overgangsperiode naar een gemengd studentenmilieu. Toch bleven de oude genderspecifieke rollenpatronen voortbestaan. Vrouwelijke studenten werden geacht rokken te dragen en in de faculteitskringen  zogenaamd vrouwelijke taken zoals secretaresse op zich te nemen. Deze maatschappelijke rollenpatronen kwamen nog meer tot uiting in hun latere leven. Veel vrouwelijke alumni merkten dat de uitbouw van een loopbaan moeilijk te verzoenen viel met maatschappelijke verwachtingen rond hun rol als moeder. Veel afgestudeerde vrouwen gingen dan ook nooit werken of kwamen terecht in de onderwijssector.

Lies Depickere was in het academiejaar 2017-2018 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over de ervaringen van vrouwelijke studenten aan de Leuvense universiteit in 1960-1968.

Maartens 5 favoriete Brusselse stadsparken

Brussel herbergt vele stadsparken: sommige bekend en drukbezocht, andere meer in de luwte van de hoofdstad. Wat de meeste echter delen, zijn hun negentiende-eeuwse oorsprong en wortels in de opkomende burgerlijke cultuur van die tijd. Naast verkoeling in deze warme dagen bieden deze parken dan ook een interessante blik op een nieuwe bourgeoisie die zich in een identiteit probeerde aan te meten, en op de veranderende rol van natuur in een uit zijn voegen barstende grootstad.

  1. Warandepark, Brussel

Het Warandepark, pal in het centrum van de stad, kent een middeleeuwse oorsprong. Zijn huidige vorm dankt het park echter aan de heraanleg van het Koningsplein aan het einde van de achttiende eeuw, onder het Oostenrijks regime. Veel meer dan een rustpunt waar de Brusselaar van een stukje natuur in de stad kon genieten, was het park echter een plek waar men kwam om te kijken en bekeken te worden. De Brusselse burgerij was niet geïnteresseerd in verpozen tussen het groen en ontsnappen aan de stedelijke drukte. Strenge culturele codes en tradities bepaalden waar, wanneer en hoe de leden van de bourgeoisie rondwandelden tussen de bomen van de Brusselse Warande. Een rondje bezweet joggen of ergens willekeurig in het gras neerploffen zat er rond 1800 niet meteen in.

  1. Leopoldspark, Etterbeek

In het jonge België roerde zich in Brussel al snel een nieuwe elite die van de stad een moderne hoofdstad wilde maken. De oude stadsomwalling was dan al gesloopt, Brussel was klaar om haar gloriejaren aan te vatten. Het resultaat van een eerste bouwcampagne was de Leopoldwijk, een kraaknieuwe woonomgeving voor de Brusselse bourgeoisie. Een park om te wandelen en met hun welstand te pronken, stond hoog op het verlanglijstje van de bewoners van de nieuwe, prestigieuze herenhuizen. De schenking van Jean-Jacques Dubois de Bianco van zijn verwilderd domein aan de jonge Société Royale de Zoologie, d’Horticulture et d’Agrégement in 1851 gaf de burgerij in de wijk de kans om het landhuis en het omliggende terrein om te toveren tot een plek van enerzijds mondaine ontspanning en anderzijds wetenschap. Architecten Alphonse Balat en Louis Fuchs kregen de opdracht het overwoekerde domein tot een elegant wandelpark om te toveren. Vijvers, bomen en heuvels waren er al, ze dienden enkel nog verder aangekleed te worden met rotsen tot het schilderachtig landschap van een Engels park. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw zouden rondom het park nog de dieren- en plantentuin van Brussel en allerlei wetenschappelijke instellingen verrijzen die nu het aanzicht van de site bepalen.

  1. Ter Kamerenbos, Elsene

Ter Kamerenbos ontstond in de jaren 1860 om heel andere redenen. De stad Brussel wilde in navolging van Parijs nog een groen prestigeproject. Tegelijk was het tegen dan duidelijk geworden dat urbanisatie ook zijn schaduwzijden had. De inwoners van de snelgroeiende stad Brussel kregen meer en meer behoefte aan ademruimte en natuur. In het historische centrum was echter geen plaats meer voor een park. De omliggende gemeenten, tot dan relatief onafhankelijke plattelandsdorpen, boden meer mogelijkheden en werden langzaam geïntegreerd in de metropool. Zo ook Elsene, dat via de Louizalaan hechter verbonden raakte met Brussel. Voor Ter Kamerenbos koos de stad – middels een wedstrijd waar ook Fuchs aan deelnam maar die hij verrassend genoeg verloor – voor een ontwerp van de Duitser Edouard Keillig. Zijn visie, een bosrijk park waar zo weinig mogelijk aan de oorspronkelijk begroeiing geraakt zou worden, lag in de lijn van die van het stadsbestuur en speelde in op de noden van het publiek. De Brusselaar moest de stad hier even kunnen vergeten zonder deze te verlaten. Het park werd een vluchtroute in plaats van louter decor voor het gepronk van de bourgeoisie. De illusie van het platteland stond nu centraal. Het zicht op de buitenwereld werd door het dichtbeboste park tot een minimum beperkt. Een kloof en vijver hielden het park over zijn hele lengte interessant voor de bezoeker. Het grootse, halfronde plein en de paviljoenen rond het park moesten het Ter Kamerenbos aan de buitenkant dan weer de grandeur verlenen waar de burgerlijke context om bleef vragen.

  1. Park van Woluwe, Woluwe

Ter Kamerenbos probeerde dus prestige en sociale noden met elkaar te verzoenen. Wél nog een echt, exclusief prestigeproject was het park van Woluwe, een resultaat van de Expo van 1897. Deze vond plaats in zowel het Jubelpark als op het koninklijk domein van Tervuren. Om de twee locaties te verbinden, liet Leopold II de al eerder uitgetekende Tervurenlaan aanleggen. Met de tram zouden bezoekers zich makkelijk kunnen verplaatsen. Om het traject aantrekkelijker te maken voor de bourgeoisie, besliste Leopold II tot de bouw van een groots park langs de avenue. Het platte terrein van Woluwe werd door de Franse architect Emile Lainé kunstmatig van meer reliëf voorzien. Enerzijds kon de bezoeker zo uitkijken over het landschap. Anderzijds boden de beboste dalen en heuvels opnieuw de illusie van één te zijn met de natuur. De idyllische sfeer werd nog artificieel aangedikt door de toevoeging van bijvoorbeeld watervalletjes. Na de dood van de koning werd het park van Woluwe opgenomen in de Koninklijke Schenking aan de Belgische Staat en stond het open voor het brede publiek.

  1. Josaphatpark, Schaarbeek

Lange tijd was Schaarbeek, net zoals veel andere randgemeentes, een plattelandsdorp op enkele kilometers van Brussel. Rond 1900 veranderde het aangezicht van het middeleeuwse dorp echter snel. Een nieuw, monumentaal stadhuis werd neergepoot, en de oude Sint-Servaaskerk werd gesloopt en vervangen. In dit kader paste ook de aanleg van de mooie, elegante Louis Bertrandlaan met zijn eclectisch geheel van prachtige gevels, die naar één van de nieuwe groene longen van de stad leidde: het Josaphatpark. Ondanks een conflict met de weduwe die eigenares was van het park, slaagde de gemeente Schaarbeek er via de tussenkomst van Leopold II toch in het park in handen te krijgen. Naast de creatie van open ruimte in de steeds drukker wordende stad, was landschapsbehoud nog belangrijker in de aanleg van het park dan in de late negentiende eeuw. Het Josaphatpark moest ruw, onverzorgd en wild blijven, een overblijfsel van het platteland in plaats van een (re)constructie ervan. Architect Galoppin gruwde van “rechtlijnige en geometrische grasperken, die slechts groteske karikaturen zijn van de natuur”. Tegelijkertijd werd het park ook opengesteld voor allerlei activiteiten. De tijd van het behaaglijk flaneren over kaarsrechte paden, omgeven door keurig geknipte hagen, was ver weg. In de plaats daarvan kwamen voetballende kinderen en vissende volwassenen het park bevolken. De vissers zijn intussen verdwenen, maar voetballende kinderen behoren nog altijd tot het vast decor van het Josaphatpark.

Meer lezen.

Stynen, A. Proeftuinen van Burgerlijkheid. Stadsnatuur in Negentiende-Eeuws België. Leuven, 2010.

De reeks Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis uitgegeven door de dienst Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.

Marjoleines 5 favoriete wielergedenktekens

In België verwijzen ruim 180 straatnamen, standbeelden, monumenten, gedenkplaten, muurschilderingen en andere verbeeldingen in de openbare ruimte naar wielerhelden. Hun sportieve prestaties worden vaak als moderne afgodsbeelden vereerd. Tegelijkertijd staan de wielrenners symbool voor de normen en waarden van lokale gemeenschappen die zich identificeren met hun helden. Via gedenktekens brengen ze mythes rond renners tot leven en bestendigen die in het collectieve geheugen. Marjoleine Delva maakte een selectie.

  1. Het eerste monument: Stan Ockers in Sprimont
Stan Ockers © KOERS. Museum van de Wielersport.

In april 1957 – nauwelijks een jaar na zijn vroegtijdige en bruuske overlijden – werd Antwerpenaar Stan Ockers als allereerste Belgische wielrenner vereeuwigd met een monument in de Luikse gemeente Sprimont. Tragiek maakt immers helden. Boven op de top van de Côte des Forges, precies op de plek waar Ockers in 1953 aan zijn zegetocht in de Waalse Pijl begon, staat ‘granieten Stan’ al meer dan zestig jaar te schitteren. Ockers wordt afgebeeld op zijn fiets, met aan weerszijden een gedenkplaat met zijn palmares in het Frans en het Nederlands. De oprichting van het monument betekende meteen de aanzet voor een niet te stoppen wielerdevotie in ons land.

  1. Het lelijkste gedenkteken: Eddy Merckx in Sint-Pieters-Woluwe
Eddy Merckx © KOERS. Museum van de Wielersport.

Op het Goudvinkenplein in de Brusselse gemeente Sint-Pieters-Woluwe werd op initiatief van het gemeentebestuur in 2000 een witstenen zuil ter ere van “de grote Belgische wielerkampioen” Eddy Merckx onthuld. Merckx, die geboren werd in Meensel-Kiezegem, woonde in zijn jeugdjaren lange tijd in Sint-Pieters-Woluwe, zo vermeldt de huldeplaat. Op de zuil werden enkele metalen boogconstructies aangebracht waar – weliswaar met de nodige verbeelding – een fiets in herkend kan worden. Indrukwekkend is het monument geenszins, maar gelukkig is dit slechts een van de vele Merckx-gedenktekens die ons land rijk is.

  1. Het grootste aantal herinneringen: Wielererfgoedstad Roeselare
Jempi Monseré © KOERS. Museum van de Wielersport.

Het grootste aantal wielergedenktekens valt ongetwijfeld terug te vinden in het West-Vlaamse Roeselare. De stad, die zich met wielrenners als Benoni Beheyt, Jean-Pierre Monseré, Patrick Sercu en Freddy Maertens profileert als ‘stad der Wereldkampioenen’ investeert sterk in het vereeuwigen van zijn wielerhelden. De diverse wielererfgoedplekken worden met andere woorden uitgespeeld als toeristische troef. Volkslieveling Jean-Pierre (‘Jempi’) Monseré kreeg onder meer een muurschildering in Krottegem, de Roeselaarse wijk waar hij werd geboren en opgroeide.

  1. Het ‘illegale’ straatnaambord: Philippe Gilbert in Aywaille
Philippe Gilbert © KOERS. Museum van de Wielersport.

In oktober 2013 werd in Aywaille, Gilberts geboorteplaats, de ‘Square Philippe Gilbert’ ingehuldigd door de burgemeester van de gemeente. Dat Gilbert een dergelijk eerbetoon bij leven kreeg, is op zijn minst uniek te noemen. Al sinds 1977 werden er via een decreet enkele beperkingen opgelegd om de wildgroei aan memorienamen te voorkomen. Onder andere het gebruik van namen van nog levende personen werd daarbij verboden. Dat Philippe Gilbert in 2013 een plein naar zich vernoemd kreeg, is dan ook opvallend. Omdat het zogezegd om een plein ging, kon het bordje door de beugel. Ook al vermeldt het straatnaambord ‘Square’, een plein is de ‘Square (lees: Rue) Philippe Gilbert’ allerminst.

  1. De enige vrouw: Hélène Dutrieu in Sint-Denijs-Westrem
Hélène Dutrieu © KOERS. Museum van de Wielersport.

Dat de wielerwereld er vooral een is van mannen, wordt ook in het wielererfgoedaanbod pijnlijk duidelijk. Enkel de Doornikse Hélène Dutrieu wordt herinnerd aan de hand van twee straatnaambordjes, een in Sint-Denijs-Westrem en een in Doornik. Nochtans namen vrouwen al vanaf het begin deel aan wielerwedstrijden. Dutrieu behoorde tot die eerste generatie vrouwelijke wielrijdsters. Op nauwelijks achttienjarige leeftijd vestigde zij in 1895 het werelduurrecord voor vrouwen en in 1897 en 1898 werd ze wereldkampioene op de piste in Oostende. Haar prestaties op de fiets raakten echter in de vergetelheid omwille van haar andere sportieve verdiensten. Na haar carrière als wielrenster wendde ze zich tot de auto- en vliegtuigsport en werd ze de eerste vrouwelijke Belgische pilote. Het straatnaambord in Sint-Denijs-Westrem herinnert aan dit moment.

Meer weten.

Vanaf 9 september zijn alle wielergedenktekens in België via een interactieve touchtable te ontdekken in KOERS. Museum van de Wielersport.

Delva, M., Delheye, P. en Zonneveld, W., ‘Koninginnen van de piste. De eerste wereldkampioenschappen wielrennen voor dames in Oostende, 1896-1898’, De Sportwereld. Geschiedenis en achtergronden van de sport, 85-86 (2018), 32-35.

Zwart, J., Wielermonumenten. Reisgids door de geschiedenis van de wielersport, Amsterdam, 2008.

Marjoleine Delva is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en SLO Geschiedenis.