titelafbeelding_fren

Het criminele lichaam als attractie

De terdoodveroordeelde misdadiger François Rosseel en zijn trawant Guillaume Vandenplas prevelden hun laatste woorden op 18 februari 1848. Op die dag maakte de guillotine prompt een einde aan hun leven. De executie van de criminelen bracht een grote menigte kijklustigen naar de Brusselse Hallepoort. Executies waren immers publieke evenementen met een grote spektakelwaarde.

De publieke terechtstelling van Rosseel en Vandenplas gold als het sluitstuk van de saga van de Saint-Remymoorden, die het publiek wekenlang in de ban had gehouden. Via een uitgebreide krantenverslaggeving konden de Brusselaars de zoektocht volgen naar de daders van een brutale drievoudige roofmoord aan het Brusselse Sint-Goriksplein. De arrestatie van het duo en hun daaropvolgende proces waren smeuïg voer voor de pers. De dood van beide moordenaars was echter nog niet het einde van de saga. Ook na hun dood wekten de geguillotineerde lichamen veel interesse.

Afgehakte hoofden

Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto J. Geleyns.)
Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz.

Lichamen van terdoodveroordeelde criminelen intrigeerden en inspireerden bijvoorbeeld kunstenaars. De excentrieke schilder Antoine Wiertz probeerde via een hypnose-experiment het gevoel van onthoofding te beleven tijdens de executie van François Rosseel. Wiertz beweerde zich te kunnen verplaatsen in het lichaam van Rosseel door middel van hypnose. Op het moment van executie deelde Wiertz dus gevoelens en gedachten met de crimineel die zijn laatste seconden aftelde en het mes van de guillotine voelde klieven. De schilder beleefde het gevoel van de onthoofding als een vreselijke sensatie. Vanuit die ervaring legde hij de gruwel van de doodstraf vast op doek.

Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait. (Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait.

Ook de anatomie van de geëxecuteerde lichamen van criminelen wekte de interesse van kunstschilders. De romantische schilder Louis Gallait bemachtigde als eerste het afgehakte hoofd van de terdoodveroordeelde moordenaar Remy Bomal na diens terechtstelling in 1851. Een half uur na de executie schilderde Gallait een gedetailleerde schets van de anatomische kenmerken, ligging en positie van het geguillotineerde hoofd. Nadien gebruikte de kunstenaar zijn verworven kennis van afgehakte hoofden ter vollediging van een historieschilderij over de zestiende-eeuwse onthoofding van Egmond en Hoorne.

Niet alleen schilders interesseerden zich in de hoofden van geëxecuteerden. Ook anatomen maakten er aanspraak op. Ze verdedigden die aanspraak vanuit hun interesse voor de frenologie, de negentiende-eeuwse hersenleer die bepaalde hersengebieden aan karaktereigenschappen trachtte te koppelen. De Brusselse artsen van het Sint-Jansziekenhuis kregen  in de jaren 1840 de toestemming van het gerecht om de hoofden van ter dood gebrachte criminelen verder te onderzoeken in het anatomisch amfitheater. Dankzij die regeling kon de anatoom Pierre-Joseph-Cécilien Simonart bijvoorbeeld publiceren over de fysionomie van de misdadiger. Simonart vergeleek de anatomische eigenschappen van een terechtgestelde met de gegevens van andere criminelen en concludeerde dat de meest ontwikkelde hersendelen van deze personen correspondeerden met bezitterigheid, een aanleg voor diefstal en geheimzinnigheid.

Een afschuwelijk spektakel

Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen.

Na de voltooiing van de verschillende experimenten werden de schedels van de misdadigers in het anatomische kabinet bewaard. De opname van hoofden in de Brusselse anatomische collectie bracht ook ongewenste aandacht met zich mee. Zo gebeurde het meerdere malen dat de toeschouwers van het executiespektakel zich nadien naar het anatomisch amfitheater begaven om het afgehakte hoofd van dichtbij te bekijken. De anatomen namen maatregelen om de tentoonstelling van de hoofden te vermijden, maar toch kon een mensenmassa verschillende malen het amfitheater binnendringen.

Bij de overdracht van het hoofd van Pierre Janssens in 1855 kwam een massa kijklustigen opdagen. Het personeel van het amfitheater riep daarom de hulp in van de politie om de menigte te beheersen, maar rapporteerde nadien dat zelfs de agenten meer interesse toonden in het hoofd van de misdadiger dan in de uitoefening van hun ambt. De hospitaaladministratie vond de tentoonstelling van de hoofden hoogst ongepast en ook de algemene pers bestempelde het voorval als een ‘afschuwelijk spektakel’. De afkeuring van de tentoonstelling van de hoofden getuigt van een veranderende spektakelcultuur waarbij het niet langer wenselijk werd geacht om wetenschappelijke collecties open te stellen voor een breed publiek.

Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.
Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.

Nochtans was het net de groeiende populariteit van de frenologie bij een niet-medisch publiek die de nieuwsgierigheid naar de echte hoofden stimuleerde. Zo rapporteerde een krant dat veel toeschouwers op het proces van Remy Bomal enkel aanwezig waren om de gelaatstrekken van een moordenaar te bezichtigen. Ook de populariserende anatomische musea (gericht op een lekenpubliek) namen kopieën van hoofden van criminelen op in hun collectie. Bezoekers maakten er verder kennis met de frenologische leer en leerden het typische uiterlijk van de misdadiger herkennen.

Vele misdadigers verwierven een zekere beroemdheid tijdens hun proces en hun faam bleef ook na hun dood verder leven. Verhalen van spectaculaire moorden werden opgenomen en rijkelijk geïllustreerd in sensatieboeken die ‘juridische drama’s’ bundelden. Wassenbeeldenmusea verbeeldden gruwelijke moordtaferelen aan de hand van poppen in hun tentoonstelling. Net omdat criminelen vaak niet werden begraven was een trip naar het universitaire anatomische museum aanlokkelijk voor het publiek om contact te maken met het lichaam van een ‘celebrity’. Voortaan werd een niet-medisch publiek het privilege ontzegd om in aanraking te komen met de relieken van het criminele lichaam. Als alternatief bezochten belangstellenden populariserende anatomische musea (met kopieën van schedels en marmeren bustes) om een glimp van de glamour van het criminele lichaam op te vangen.

Meer lezen?

Sarah Tarlow, ‘Curious afterlives: the enduring appeal of the criminal corpse’, Mortality 21 (2016), 210-228.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Afbeeldingen:  Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, foto J. Geleyns; Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel; Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.

guernica1

In de schaduwen van morgen

Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiend en de vlaggen nog wapperend, maar de geest geweken.

Alom de twijfel aan de hechtheid van het maatschappelijk bestel waarin wij leven, een vage angst voor de naaste toekomst, gevoelens van daling en ondergang van de beschaving. Het zijn niet louter benauwingen die ons overvallen in de ijle uren van de nacht, als de levensvlam laag brandt. Het zijn weloverwogen verwachtingen, op waarneming en oordeel gegrond. De feiten overstelpen ons. Wij zien voor ogen, hoe bijna alle dingen, die eenmaal vast en heilig schenen, wankel zijn geworden: waarheid en menselijkheid, rede en recht. Wij zien staatsvormen, die niet meer functioneren, productiestelsels, die op bezwijken staan. Wij zien maatschappelijke krachten, die in het dolzinnige doorwerken. De dreunende machine van deze geweldige tijd schijnt op het punt om vast te lopen.

Meteen dringt zich de tegenstelling op. Er is nooit een tijd geweest, waarin de mens zich zo de gebiedende taak bewust was, om samen te werken aan het behoud en de volmaking van aardse welvaart en beschaving. Nooit te voren was arbeid zo in ere. De mens was nimmer zo bereid te werken en te wagen, elk ogenblik zijn moed en zijn gehele persoon te geven aan een algemeen heil. Hij heeft de hoop niet verloren.

Zal deze beschaving gered worden, zal zij niet verzinken in eeuwen van barbarie, maar met behoud van de hoogste waarden, die haar erfgoed zijn, overgaan tot een nieuwere en vastere staat, dan is het wel nodig, dat de nu levenden zich terdege rekenschap geven, hoever het bederf, dat haar bedreigt, is voortgeschreden.


Johan Huizinga, hoogleraar geschiedenis te Leiden, publiceerde in 1919 zijn befaamde studie over ‘levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden’. Herfsttij der Middeleeuwen werd een cultuurhistorische klassieker. Maar onder de indruk van de Grote Oorlog schemerde er ook een cultuurkritiek in het werk door: Huizinga beschreef de Bourgondische cultuur niet als het begin van iets nieuws, een renaissance, maar als het apocalyptische einde van een gruwelijke, overgevoelige en verstarde beschaving.

Johan Huizinga.
Johan Huizinga.

De deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog in 1917 en een reis naar Amerika in 1926 deden Huizinga verder nadenken over wat een cultuur krachtig maakt, en wat haar bedreigt. In de jaren 1930 maakte het politieke, economische en sociale klimaat deze reflectie nog urgenter. In 1933 ontzegde Huizinga als rector magnificus een Duitse nationaal-socialist om zijn antisemitische uitlatingen de toegang tot de Leidse universiteit. Hij maakte zich in toenemende mate zorgen – zorgen over de toekomst van Europa, over de Nederlandse identiteit, over de massacultuur, over een kunst zonder vaste vormen, over het politieke radicalisme, over de brutaliteit van de omgangsvormen, over de luidruchtigheid, over de duistere moderniteit.

Dat leidde in 1935 tot de publicatie van In de schaduwen van morgen. Het kleine boek was niets minder dan ‘een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd’. Het trok meteen veel aandacht. ‘Professor Huizinga’ werd er op slag beroemd door, ook bij een breder publiek en ver buiten Nederland. De estheet-cultuurhistoricus was verveld tot een populaire cultuurcriticus. Hij sprak als Demosthenes in de storm: ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.’

Meer lezen

Carla du Pree, Johan Huizinga en de bezeten wereld. De rol van publieke intellectueel tussen twee wereldoorlogen, Leusden: ISVW, 2016.

Tekstfragment: Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd, Haarlem, 1935. In het hier aangehaalde fragment werd de spelling van de oorspronkelijke tekst op enkele punten aangepast.

Toelichting: Jo Tollebeek.

nelleketeughels-disney-smallworldcover

De Belgische inspiratiebron voor Disneyland

Sinds 1966 omvat een bezoek aan Disneyland bijna onvermijdelijk een bezoekje aan de intussen iconische attractie ‘It’s a small world’, genoemd naar de gelijknamige oorwurm die er in eindeloze herhaling wordt afgespeeld. Een boottocht van een tiental minuten neemt er de bezoekers mee langs miniatuurversies van verschillende landen, bevolkt door vrolijke kinderen die tegen achtergronden zoals de Franse Eiffeltoren, Nederlandse windmolens of de Indische Taj Mahal uit volle borst ‘It’s a small world’ zingen. De muziek is gecomponeerd door The Sherman Brothers, maar het ontwerp voor de attractie is van de hand van Walt Disney zelf. Het is niet alleen Disneys pleidooi voor wereldvrede, maar ook een ode aan de wereldtentoonstellingen, die een belangrijke inspiratiebron vormden voor de moeder van het moderne themapark.

De wereld tentoongesteld

Het Pepsi Pavillon met 'It's a Small World' op de Wereldtentoonstelling in New York in 1964.
Het Pepsi Pavilion met ‘It’s a Small World’ op de New Yorkse wereldtentoonstelling in 1964.

‘It’s a small world’ kende haar eerste bijval op de wereldtentoonstelling van 1964 in het New Yorkse Flushing Meadows. Daar maakte ze deel uit van het Pepsi Pavilion, dat gecreëerd werd als een eerbetoon van de frisdrankgigant aan het werk van UNICEF. De attractie werd massaal bezocht: tien miljoen kinderen en volwassenen hesen zich enthousiast in één van de bootjes om een wereldreis te maken. Dat een succesnummer van op een wereldtentoonstelling een even glansrijk tweede leven kende nadat het internationale evenement definitief de deuren sloot, is uitzonderlijk. De meeste expopaviljoenen en –attracties werden ook bij hun ontwerp al als tijdelijk geconcipieerd en vervaardigd in weinig duurzame materialen. Bovendien bleken ze veelal hun magie enkel te kunnen bewaren in die heel specifieke context van de wereldtentoonstelling.

Drukte in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1933 in Chicago.
Drukte in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1933 in Chicago.

Zowel ‘It’s a small world’ als Disneyland trachtten net die context te recreëren en boden de bezoeker dat wat ook de wereldtentoonstellingen zo aantrekkelijk maakte: de mogelijkheid om op een hele korte tijd een hele nieuwe wereld te ontdekken, waar conventionele regels niet meer golden en plots alles mogelijk leek. Dat is beslist geen toeval: Walt Disney was een fervent bezoeker van wereldtentoonstellingen (hij bezocht er minstens vijf) en haalde er ook een flinke portie mosterd bij het creëren van zijn themapark Disneyland, dat in 1955 werd geopend als “a source of joy and inspiration to all the world.” Het zou met name een Belgische inzending zijn geweest die een belangrijke inspiratiebron vormde voor Disney’s sprookjesland. Bij zijn bezoek aan de wereldtentoonstelling in Chicago in 1933 raakte hij gefascineerd door ‘Picturesque Belgium’, volgens de officiële gids “een nauwgezette kopie van een ommuurde Vlaamse stad zoals die er mogelijk uitzag in 1800”.

Disneyland avant-la-lettre

Het ‘Belgische dorp’, het resultaat van een samenwerking tussen Amerikaanse en Vlaamse ondernemers, vormde het contrapunt van de moderniteit, vooruitgang en urbanisatie die zo centraal stonden op de wereldtentoonstelling. Dit universum van hout en plaaster omvatte meer dan honderd huizen en onder meer replica’s van het vijftiende-eeuwse Antwerpse Sint-Niklaasgodshuis en van twee middeleeuwse Brugse stadspoorten, omringd door een wijde gracht waarop witte zwanen dobberden. In de geplaveide straten ontmoette de bezoeker niet alleen melkmeisjes met hun door een hond getrokken kar, maar ook klompenmakers en glasblazers, kantklossters en smeden. Daarnaast waren er winkels, restaurants en cafés en aangepast entertainment in de vorm van volksdansende jonge meisjes in ‘traditionele’ Vlaamse kostuums.

Volksdansen in het Belgisch dorp in 1933.
Volksdansen in het Belgisch dorp in 1933.

Het hele concept was zeker niet nieuw. Dit soort themapark was voorafgegaan door Bruxelles-Kermesse in 1897 en 1910, Vieux Liège in 1905 en Oud Antwerpen uit 1894. Er waren ook internationale voorlopers, zoals Vieux Paris, dat een plek kreeg op de wereldtentoonstellingen van 1889 en die van 1900. Waren die eerste ‘tijdelijk oude’ dorpen, wijken of parken nog opgevat als archeologische reconstructies en bekrachtigd door de organiserende overheid als een soort visuele samenvatting van de hele natie, dan kwam vanaf 1910 de entertainmentwaarde op de eerste plaats. Net zoals het latere Disneyland zijn deze tegenpolen van het officiële programma van de wereldtentoonstelling pittoreske en zorgeloze oorden van plezier die een perfecte illusie creëren. Zowel Disney’s creatie als zijn inspiratiebronnen zijn universa tussen droom en werkelijkheid waar het gewone leven op zijn kop wordt gezet en waar bizarre paradoxen plots aannemelijk worden, zoals ‘authentieke, middeleeuwse’ steden die voor zes maanden verrijzen en toch als geloofwaardig worden beleefd.

Grote ambities

Brusselse wafels to koop in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1964 in New York.
Brusselse wafels to koop in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1964 in New York.

Deze voorlopers van themaparken verdwenen niet zodra hun succesvolle opvolgers op het toneel verschenen. Op de New York World’s Fair van 1964 waar Disney zijn ‘It’s a small world’ voorstelde, maakte het Belgische dorp dat hij in 1933 bezocht een gesmaakte comeback na een eerdere herneming voor Expo 58. Even zag het er naar uit dat de attractie wegens te grote ambities en daaruit volgend geldgebrek een ongetwijfeld niet onopgemerkte aanpassing zou ondergaan. De eigenaar van het dorp klopte in zijn zoektocht naar fondsen immers aan bij Hugh Hefner, met wie hij het idee uitwerkte om een Playboy Club te installeren in het stadhuis, met Playboy Bunnies gekleed in ‘Vlaamse kostuums uit de tijd van Breughel’. Dat plan stootte echter op een resoluut ‘nee’ vanuit de organisatie. Het geld werd alsnog elders gevonden, waardoor de editie van 1964 uiteindelijk herinnerd zou worden voor iets wat minder pikant was: de uitvinding en popularisering van de ‘Belgische wafel’.

Nelleke Teughels is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.  Ze doet onderzoek naar het voedsel dat werd gepresenteerd en geserveerd door de Belgische afvaardiging op de Wereldtentoonstellingen tussen 1851 en 2010.

dierenrijk14soorten-fabeldier

Het dierenrijk ingedeeld in 14 soorten – nr. 8 had je nooit gedacht!

In het Hemels Emporium van welwillende kennis, een Chinese encyclopedie, staat geschreven dat dieren als volgt kunnen worden ingedeeld:

  1. Degene die toebehoren aan de keizer
  2. Gebalsemde
  3. Getemde
  4. Speenvarkens
  5. Zeemeerminnen
  6. Fabeldieren
  7. Zwerfhonden
  8. Degene die in deze classificatie zijn opgenomen
  9. Degene die tekeergaan als dwazen
  10. Ontelbare
  11. Degene die getekend zijn met een heel fijn kameelharen penseel
  12. Et cetera
  13. Degene die net een vaas hebben gebroken
  14. Degene die in de verte op vliegen lijken

Het is een lijst die ons verbaast. De encyclopedie heeft wellicht nooit bestaan – het enige spoor ervan is een citatie door de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges, in een korte tekst over De analytische taal van John Wilkis (1942). Borges wilde aantonen dat classificatiesystemen altijd iets arbitrairs hebben. De manier waarop we in het Westen naar de wereld kijken – de associaties die we maken, de zaken die volgens ons bij elkaar horen – is altijd voorwaardelijk; het is slechts een van de vele manieren waarop we de wereld kunnen bekijken. De westerse logica is niet dé logica, het is slechts een logica.

De lijst werd beroemd dankzij de Franse filosoof Michel Foucault, die er De woorden en de dingen mee opende. De lijst, schreef Foucault, is lachwekkend, maar ook ongemakkelijk. Op allerlei vlakken strijdt ze met ons gevoel voor een juiste orde. Het probleem is niet elk individueel onderdeel van de lijst, maar precies het feit dat ze in een genummerde lijst staan. Er zitten overlappingen en hiaten in. Er zitten degene in ‘die in deze classificatie zijn opgenomen’. En dan zijn er nog de ‘et cetera’, die niet eens aan het einde van de lijst staan. De opsomming der dieren inspireerde Foucault tot het idee dat elke cultuur en elke tijdsperiode haar eigen onderliggende aannames heeft over wat aanvaardbaar is en wat niet. Het probleem is niet dat de lijst niet klopt. Het probleem is dat de lijst de grenzen aantoont van wat kan kloppen.

De Chinese encyclopedie toont tegelijk de dwingende kracht en het angstaanjagende van een lijst.

Tekst: Elwin Hofman

tinneclaes-titanic-cover

Het massagraf van de Titanic

De geschiedenis van de Titanic is vandaag vooral bekend als een hartverscheurend liefdesverhaal. De romance tussen de rijke Rose (Kate Winslet) en de arme Jack (Leonardo Di Caprio) kwam tot een abrupt einde toen het schip tot zinken werd gebracht door een aanvaring met een ijsberg. Waar we doorgaans niet bij stilstaan, is dat naast de liefde ook het lijk van Leo in het water viel. Op 15 april 1912, de dag na de ramp, scheen de zee volgens ooggetuigenverslagen ‘als met zwarte puntjes gezaaid’. Lijken van mannen, vrouwen en kinderen dobberden samen met het puin tussen de golven. Het verhaal van hun identificatie en begrafenis is een interessante passage in de cultuurgeschiedenis van massarampen en de dood.

De ‘mortuariumboot’

Op 17 april 1912 voer het kabelschip Mackay-Bennett met een lugubere taak uit naar het wrak van de Titanic. De bemanning was verantwoordelijk voor de berging van de meer dan driehonderd lichamen die drie dagen na de ramp nog in de Noord-Atlantische Oceaan dreven. Volgens de dagboeken van de schippers werd de sfeer grimmiger naarmate ze hun bestemming naderden – een ronddrijvend allegaartje van ‘versplinterd hout, mahoniehouten schuiven, bestek, stoelen van het dek, en dan nog lijken’. Alleen John R. Snow Jr., de professionele begrafenisondernemer die was meegenomen om lichamen aan boord te balsemen, ‘werd steeds vrolijker naarmate ze het toneel van zijn toekomstige professionele activiteiten naderden’. ‘Morgen’, zo getuigde een bemanningslid op 20 april, ‘wordt vast een goede dag voor hem’.

Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.
Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.

Uiteindelijk bracht de bemanning van de Mackay-Bennett tussen 21 en 26 april 306 lichamen aan boord. Slechts 190 van hen werden meegenomen naar de haven van Halifax. De overige 116 werden toevertrouwd aan de golven. Bij de keuze voor het zeemansgraf primeerden sociaaleconomische overwegingen. De beschikbare hoeveelheid balsemvloeistof volstond slechts om de lichamen van eersteklaspassagiers te behandelen. De lijken van de armere passagiers liet de kapitein ontbinden, waardoor ze niet mee aan wal konden worden gebracht. Tijdens drie begrafenisdiensten werden ze in verzwaarde lijkzakken overboord gegooid. Zoals een bemanningslid het plastisch omschreef: ‘splash, splash, splash’.

De identificatie

In Halifax werden de 190 lijken in rijen gelegd voor identificatie. Dat was belangrijk voor de familieleden, zowel om emotionele als om financiële redenen. De herkenning van een naaste hielp bij de verwerking van het verlies en betekende dat ze recht hadden op een financiële vergoeding. Zonder bewijs van overlijden bleven families daarentegen onzeker én vielen ze buiten de verzekeringspolis van de Titanic. Maar bijna twee weken na de ramp waren de dode lichamen moeilijk herkenbaar: er werden fouten gemaakt en een kwart van de lijken bleef anoniem. Voor de 116 achtergelaten slachtoffers was de identificatie nog moeilijker. Zij moesten indirect worden herkend aan de hand van gevonden bezittingen. In de woelige zee waren objecten echter beschadigd en door elkaar geschud, waardoor ze niet noodzakelijk hoorden bij het lichaam waarrond ze dreven.

De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.
De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.

Nochtans hadden de bemanningsleden van de Mackay-Bennett een professionele aanpak nagestreefd. De behandeling van de lijken was overgelaten aan professionals. Aan boord had de gediplomeerde balsemaar Snow voor de bewaring en rangschikking van de lichamen ingestaan. In Halifax wachtten ‘een troep lijkwagens’ en ‘een grote groep begrafenisondernemers, balsemaars en verpleegkundigen in lange zwarte jassen’ om de lijken klaar te leggen voor identificatie. Het waren tekenen van een veranderende doodscultuur: de rol van de familie, die traditioneel instond voor de opbaring van de overledene, werd geleidelijk overgenomen door experts. Daarnaast getuigde de omgang met de slachtoffers van het toegenomen belang van medische expertise. Een arts, Dr. John Henry Barnstead, had het identificatiesysteem aan boord bedacht. Op zijn bevel had elk lijk een genummerd ‘body report’ gekregen, waarin zowel lichamelijke kenmerken (geslacht, leeftijd, ras, lengte en speciale eigenschappen) als bezittingen waren opgesomd. Kranten publiceerden bovendien medische rapporten over de doodsoorzaken van de slachtoffers. Ze stelden vast dat ‘de lichamen door de druk van het water onmiddellijk stierven’ of dat ‘het merendeel der slachtoffers zonder pijn heenging’ en verzachtten zo het leed van de overlevenden.

De professionalisering van de massadood

Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.
Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.

Het verhaal van de Mackay-Bennett getuigt zo van een eerste professionalisering van de massadood. Vandaag worden slachtoffers van aanslagen en ongelukken geïdentificeerd aan de hand van hun DNA. Net zoals de vroegtwintigste-eeuwse body reports drukken deze tests zowel de expertise van de forensische geneesheer als een gevoel van controle uit. De nood om op objectieve wijze slachtoffers van rampen te identificeren lijkt sinds de Titanic nog gegroeid. Hoewel we bijvoorbeeld rationeel kunnen inzien dat alle ingescheepte passagiers van de MH17 door de crash het leven lieten, voelen we nood aan – liefst wetenschappelijk – bewijs voor die dood. Toch bepaalt geld en sociale status of we deze zekerheid verkrijgen. Terwijl de stoffelijke resten van de slachtoffers van de vliegtuigcrash na enkele dagen geïdentificeerd werden in Nederlandse laboratoria, maken andere rampen – zoals de vluchtelingencrisis – duidelijk dat minder bevoordeelden ook vandaag nog mogen sterven in anonimiteit. De professionalisering van de ramp gaat zo samen met een voortschrijdende ongelijkheid na de dood, net zoals aan boord van de Mackay-Bennett.

Tinne Claes is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Samen met Veronique Deblon werkt ze op een project over anatomie in België in de negentiende eeuw. Ze onderzoekt de zichtbaarheid, het prestige en de betekenis van anatomie in de academische en populaire cultuur tussen 1860 en 1930.

museoferranteimperato

Vijf redenen waarom we lijsten posten

Met cultuurgeschiedenis.be willen we het verleden naar buiten brengen. De blog is een etalage van open wetenschap. Een blog is echter een medium met een oneindigheid aan mogelijkheden. Om steeds een nieuw publiek aan te spreken en ons bestaande publiek te blijven boeien, experimenteren we geregeld met nieuwe formats. Vanaf vandaag starten we daarom met lijsten. Vanaf nu brengen we daarom om de twee weken – afwisselend met onze langere stukken in lopende tekst – een lijst met cultuurgeschiedenis. Daar hebben we vijf redenen voor.

  1. Lijsten zijn een cultureel fenomeen

eco-betoveringlijstenLijsten maken we al de hele geschiedenis lang. Het is haast onmogelijk de menselijke geschiedenis te bestuderen zonder een lijst te ontmoeten. Een van de grote pleitbezorgers van de lijst was de dit jaar overleden Italiaanse schrijver en semioticus Umberto Eco. “De lijst is de oorsprong van de cultuur”, zei Eco in een interview. “Hij is deel van de geschiedenis van de kunst en literatuur. Wat wil cultuur? Oneindigheid begrijpelijk maken. Orde creëren – niet altijd, maar vaak. En hoe, als mensen, gaan we om met oneindigheid? Hoe proberen we het onbegrijpelijke te begrijpen? Door lijsten, door catalogi, door collecties in musea, door encyclopedieën en woordenboeken.”  Er zijn lijsten bij Homeros, bij Thomas Mann en bij James Joyce; bij Perec, Prévert en Whitman; bij Galileo, Borges en Warhol. Lijsten zijn een onontkoombaar deel van de cultuur.

  1. Lijsten hebben de geschiedenis veranderd
De stellingen van Luther.
De stellingen van Luther.

In 1517 spijkerde Luther een lijst 95 controversiële religieuze stellingen aan een kerkdeur in Wittenberg. Het debat dat hij daarmee opende wordt algemeen aanvaard als een van de aanleidingen voor het ontstaan van het protestantisme. Met zijn lijst legde Luther de basis van een enorme breuk in de christelijke geloofsgemeenschap. Ze leidde tot hernieuwde geloofsijver en religieuze oorlogen. De lijst van Luther heeft de wereldgeschiedenis veranderd.

De stellingen van Luther is zeker niet enige lijst die een enorme impact heeft gehad. De Tien Geboden legden de basis van een nog steeds nazinderende christelijke moraal. De Veertien Punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson hebben het leven na de Eerste Wereldoorlog bepaald en leidden onder meer tot de oprichting van de Volkenbond. De lijst met de rechten van de mens, in vele vormen aangenomen van de achttiende tot de twintigste eeuw, heeft de basis gelegd van heel wat nationaal en internationaal beleid.

Niet alleen op hoog niveau, maar ook in het alledaagse leven spelen lijsten een niet te onderschatten rol. De boodschappenlijst, de bucket list, de to-do lijst, de Ultratop – het zijn stuk voor stuk lijsten die ons dagelijks leven sterk beïnvloeden. Als de lijst zo’n grote invloed heeft, dan mag ze niet op onze blog ontbreken.

  1. Lijsten dwingen ons tot nadenken

Lijsten zijn dus belangrijke historische en culturele fenomenen. Maar ook voor historici is het interessant om zelf lijsten te maken, net omdat we het niet gewoon zijn. We denken meestal in zinnen en paragrafen, in delen en hoofdstukken. Het formaat van de lijst dwingt ons onze gedachten en onze materialen op een andere manier te ordenen – een manier die misschien tot nieuwe inzichten kan leiden, zowel voor de schrijver als voor de lezer.

  1. Lijsten trekken mensen aan

We willen er ook niet flauw over doen: we maken ook lijsten omdat ze erg populair lijken te zijn. Ons met stip meest gelezen bericht ooit is meteen onze enige (vroegere) lijst: De vijf meest gebruikte scheldwoorden in middeleeuws Vlaanderen. Er zijn al tal van wetenschappelijke en minder wetenschappelijke studies naar gebeurd: mensen houden van lijsten. Ze suggereren een omschreven, bevatbare realiteit. Ze suggereren informatie de gemakkelijk en snel te verwerken is. Net omdat de informatie op het internet zo onbegrensd is, spreekt de lijst, met haar illusie van begrensdheid, ons zo aan.

We hopen dan ook met onze lijsten een nieuw publiek te kunnen aanboren, dat zo misschien ook de weg kan vinden naar onze langere, lopende teksten. Tegelijk hopen we ons bestaande publiek – u, beste lezer – met dit nieuwe format te kunnen blijven boeien. De lijst past zo in onze doelstellingen om cultuurgeschiedenis naar een zo breed mogelijk publiek te verspreiden.

  1. Cultuurpessimisme is passé

Er wordt wel eens meewarig gedaan over de vele onnozele lijstjes die het internet rijk is. Ze herleiden de mens tot hersenloze klikmachines. Ze bieden sensatie zonder inhoud, oppervlakkige weetjes zonder diepgang. Het internet met al haar lijstjes en fragmenten zorgt ervoor dat we ons niet meer op een langere diepgaande tekst kunnen concentreren.
(lees verder onder de afbeelding)

Cartoon van XKCD - http://xkcd.com/1283/
Cartoon van XKCD.

Aan dergelijke cultuurkritiek – misschien zelfs cultuurpessimisme – willen we niet meedoen. Op gezette tijden weerklinken kritieken op nieuwe media en nieuwe genres. De roman werd bij haar opkomst verketterd, neergesabeld. De televisie was een ramp voor de jeugd. De komst van de tabloid is nog altijd niet verteerd. Daarmee willen we niet beweren dat kritiek op die nieuwe genres en media altijd onterecht is. Er zijn inderdaad veel lijstjes die te onnozel voor woorden zijn. Misschien zijn online lijstjes vaak te oppervlakkig en te fragmentarisch. Maar de kunst is niet om kritiek te geven op een populair genre. De kunst is om het genre naar je hand te zetten. Dat willen we doen met cultuurgeschiedenis.be. Met de nodige humor, uiteraard. Sensatie, ook. Maar steevast ook met een cultuurhistorische meerwaarde.

En jullie?

Wat denken jullie? Zijn lijsten een zinvol medium op deze blog? Hebben we argumenten over het hoofd gezien?

westhoekers-cover

Waarom de Westhoekers de dappersten der Galliërs zijn

Gastblog door Dries Claeys.

Op 2 mei 1920 verscheen in het weekblad Het Ypersche een lofrede voor de Westhoekers die na de Eerste Wereldoorlog naar hun geboortedorpen waren teruggekeerd. Onder de titel ‘De wroeters’ werd hun actieve bijdrage aan de herleving van de regio geprezen. Een subtiele sneer naar de Belgische regeringsinstanties bleef niet achterwege. In tegenstelling tot de lokale bewoners, zo meende het weekblad, hadden zij de Westhoek immers aan haar lot overgelaten.

Nochtans had de Belgische regering in ballingschap al in 1916 plannen gemaakt voor voorlopige woningen om de inwoners van de door de oorlog getroffen gebieden in onder te brengen. Er waren ook tal van andere maatregelen voorzien om een vlotte herbevolking van de Westhoek te verzekeren. Na de Wapenstilstand werd het verschil tussen theorie en praktijk echter pijnlijk duidelijk. De geprefabriceerde huizen bereikten hun bestemming nauwelijks en behalve beperkte financiële en materiële hulp was de overheidsondersteuning zo goed als onbestaande. Tijdens de eerste naoorlogse jaren waren de eerste teruggekeerden dus inderdaad vooral op zichzelf aangewezen.

Leven tussen de ruïnes

De ruïnes van Kemmel in 1918 of 1919.
De ruïnes van Kemmel in 1918 of 1919.

In het zog van de oprukkende geallieerde legers vestigden de eerste pioniers zich opnieuw in de verwoeste frontstreek. De levensomstandigheden waren er precair. Voedsel, kleding en brandstof waren schaarse goederen in een gebied dat tot een maanlandschap was herschapen. Voor brood en andere levensmiddelen moesten de frontbewoners naar dorpen en steden aan de rand van de verwoeste gewesten trekken. Daar konden ze met de kleine vergoeding die hen door de overheid was toegekend inkopen doen. Ze konden ook een beroep doen op georganiseerde liefdadigheid. Onder andere het Amerikaanse Rode Kruis was sterk aanwezig in de Westhoek. Zij verkochten de meest levensnoodzakelijke middelen tegen lage prijzen. De gemeentemagazijnen van het ministerie van binnenlandse zaken hadden dezelfde functie, maar ontstonden pas rijkelijk laat. De eerste magazijnen werden opgericht in het najaar van 1919. Tegen die tijd hadden de vroegste dorpsbewoners al een eigen overlevingsnetwerk uitgebouwd.

Bijna elke voorlopige woning die werd opgetimmerd, herbergde een kruidenierszaak, bakkerij of een café. De ondernemers voorzagen zo niet enkel in hun eigen levensonderhoud, maar zorgden er tegelijk voor dat de lokale dorpsgemeenschap minder afhankelijk werd van externe hulp. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de meeste teruggekeerden het leven in de verwoeste gewesten als een opportuniteit zagen. Niet toevallig bestond de helft van de Ieperse bevolking in 1920 uit bouwvakkers.

Een dak boven het hoofd

Zelf in elkaar getimmerde woningen te Zonnebeke.
Zelf in elkaar getimmerde woningen te Zonnebeke.

Behalve levensmiddelen was huisvesting van primordiaal belang voor de geteisterde Westhoekers. Omdat de levering van voorlopige woningen hopeloos te laat kwam, besloten de eerste teruggekeerden dan maar zelf een schuilplaats te bouwen. Allerhande materialen die over het front verspreid lagen – houten balken, golfplaten en andere bouwmaterialen – werden daarvoor gebruikt. Zo bouwde Hollebekenaar Achiel Cassiman een voorlopige woning van het geraamte van een Amerikaanse cinemabarak en stenen die afkomstig waren van de vernielde huizen. Anderen namen hun intrek in bunkers of tijdens de oorlog ingerichte schuilplaatsen.

Ondertussen besefte de Belgische overheid dat er iets moest gedaan worden om het gebrek aan voorlopige woningen op te vangen. Daarom werden inderhaast enkele duizenden nissen huts overgekocht van het Britse leger. Het waren shelters met een houten of stenen onderbouw en een halfrond golfplaten dak. Het leven in de nissen huts was allesbehalve comfortabel. Onder de ijzeren bedaking kon de temperatuur enorm variëren. Regenval zorgde voor een hels kabaal.

Het barakkendorp van Bikschote. Uiterst rechts bevindt zich de herberg ‘In ’t Nieuw Bikschote’.
Het barakkendorp van Bikschote. Uiterst rechts bevindt zich de herberg ‘In ’t Nieuw Bikschote’.

Daarnaast moedigde het ministerie van binnenlandse zaken de lokale bevolking met premies aan om een semipermanente woning op te bouwen. De lokale bewoners kochten er materialen mee in de gemeentemagazijnen of bij lokale verkopers en staken vervolgens hun eigen woning in elkaar. Zo ontstonden er organisch gegroeide nieuwe dorpen buiten de oorspronkelijke bebouwde kom van de gemeente. Bouwen in de oude dorpskern zelf was immers verboden, aangezien gevreesd werd dat dit de definitieve wederopbouw in de weg zou staan.

‘In ’t Nieuw Bikschote’

De Mesense muziekvereniging voor hun voorlopige repetitieruimte omstreeks 1922.
De Mesense muziekvereniging voor hun voorlopige repetitieruimte omstreeks 1922.

In de ‘nieuwe’ dorpen die na de Eerste Wereldoorlog werden heropgebouwd, ontstond al snel een bloeiend gemeenschapsleven. De talrijke herbergen, waarvan de naam dikwijls refereerde aan de wedergeboorte van het dorp, speelden een belangrijke rol. Ook het verenigingsleven trok zich vanaf 1919 terug op gang. Verenigingen van Vlaamse oud-strijders waren er in bijna iedere gemeente. De geloofsgemeenschap herstelde zich, net als toneelgenootschappen, fanfares en boerengilden. Ondanks de penibele levensomstandigheden vonden dorpsfeesten opnieuw plaats. In zwaar verwoeste dorpen als Kemmel en Zonnebeke werd tijdens de eerste zomer na de Wapenstilstand al een dorpskermis georganiseerd.

Tegen het einde van 1920 had de Westhoek alweer driekwart van haar vooroorlogse inwonersaantal bereikt. Zowat iedere dorpsgemeenschap was ondertussen weer tot leven gekomen. Met beperkte financiële en materiële hulp van de Belgische overheid en enkele hulporganisaties slaagden zij erin voor zichzelf een nieuw leven op te bouwen. Zij zorgden voornamelijk zelf voor hun eigen levensmiddelen en een onderdak. Dat benadrukten ze ook graag zelf. De onvrede ten opzichte van ‘Brussel’, dat hen huns inziens in de kou had laten staan, was groot. Dit resulteerde in een vlammend artikel tegen “de hoogedele Mevrouw Administratie en hare getrouwe trawanten Bureelratten en Pennelikkers” in Het Ypersche van 25 april 1920. Een week later verscheen ‘De wroeters’ in dezelfde krant. Althans in hun eigen ogen waren de Westhoekers de dappersten der Galliërs.

Meer lezen

Jeroen Cornilly, Sofie Decaigny en Kathleen Vandermarliere, eds., Bouwen aan wederopbouw 1914/2050: Architectuur in de Westhoek, Ieper, 2009.

Koen Baert e.a., Ieper: de herrezen stad, Koksijde, 1999.

Dries Claeys is gastblogger. Hij is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Interfacultair Centrum voor Agrarische Geschiedenis, waar hij onderzoek doet naar de reconstructie van platteland en landschap in Vlaanderen na de Eerste Wereldoorlog.

celebrities-been

Celebrities spotten op het slagveld

In de nasleep van de Slag bij Waterloo in 1815 groeide het slagveld uit tot een toeristische trekpleister. Doordrongen van vaderlandsliefde trokken reizigers naar Waterloo om de plaatsen te aanschouwen waar landgenoten voor de natie hadden gestreden. Tot de ergernis van Pruisische, Nederlandse en Franse bezoekers vielen vooral de Britse helden op in het herinneringslandschap. De aanspraak van Groot-Brittannië op de overwinning weerspiegelde zich in de herinnering aan toonaangevende officieren in de slag.

Jonge en oude ‘John Bulls’

De buste van Wellington in de Sint-Jozefkerk.
De buste van Wellington in de Sint-Jozefkerk.

Als bezoeker kon je in de negentiende eeuw niet ontkomen aan de Britse reiskoetsen en reizigers die overal schenen op te duiken. Volgens een Duitse reisgids waren de voertuigen vanuit Brussel volgepropt met jonge en oude ‘John Bulls’. Britten bezochten Waterloo om de macht en glorie van Groot-Brittannië te aanschouwen op het ‘great field for mighty deeds’. Na een aantal jaren leek de pelgrimstocht naar Waterloo zelfs te zijn uitgegroeid tot een onontkoombare vaderlandse daad. Britten die voor het eerst in Brussel vertoefden, voelden zich verplicht om hun vaderland te eren door een bezoek aan het slagveld.

Behalve de kolossale Nederlandse leeuwenheuvel ter ere van de heldenmoed van de Prins van Oranje (1826) en het Pruisisch monument in Plancenoit (1818) waren het de Britse helden die werden vereeuwigd in het herinneringslandschap. Vooral in de kerk van Waterloo zorgden de Britse regering en een aantal adellijke families voor de oprichting van verschillende gedenktekens ter ere van Britse officieren. In 1855 financierde de regering de restauratie en uitbreiding van de kerk met een subsidie van 25,000 frank op voorwaarde dat de Britse helden er een prominente plaats kregen. Vooraan sierde voortaan een buste van de Hertog van Wellington de koninklijke kapel.

Britse strijders

De Hertog van Wellington.
De Hertog van Wellington.

Wellington, de Britse held bij uitstek, was vanaf het begin goed vertegenwoordigd in het herinneringslandschap. Zo bestond er in de nasleep van de veldslag veel interesse in de ‘Wellingtonboom’, gelegen op de heuvelkam van Mont St. Jean vanwaar de hertog het slagveld had overschouwd. Voorbijgangers namen graag een stukje van de boom mee naar huis, zodat de boom een jaar na de strijd op mensenhoogte al helemaal was ontdaan van bladeren en takken. Uiteindelijk verdween de boom in 1818 uit het landschap, nadat een Brit bereid was geweest te betalen voor het resterende gedeelte van de boom.

De meeste bezoekers namen ook een kijkje in de kamer waar het been van Lord Uxbridge was geamputeerd. De Britse held had de amputatie van zijn been overleefd en stierf pas in 1854 op hoge leeftijd. Aan geïnteresseerden toonde de huiseigenares de stoel waarop Uxbridge was geopereerd en de laars van het afgezette been. Tegen goede betaling was ze bereid een stuk van de laars ter nagedachtenis aan bezoekers mee te geven. De gastvrouw schrok er ook niet voor terug om goedgelovige Britse bezoekers te plezieren met extravagante legenden over het been en de laars. Zo vertelde ze dat Uxbridge na de Slag bij Waterloo ieder jaar op pelgrimstocht naar Waterloo was teruggekeerd om het graf van zijn been in de aangrenzende tuin te zien. De oud-strijder zou zelfs met zijn zonen aan zijn operatietafel hebben gedineerd.

In de voetsporen van beroemdheden

Na verloop van tijd begon Waterloo, behalve als plaats van herinnering van de befaamde veldslag, ook aantrekkingskracht uit te oefenen als de plaats waar eigentijdse beroemdheden bijzondere ervaringen hadden meegemaakt. De romantische schrijvers Walter Scott, Lord Byron en Robert Southey bezochten Waterloo vrij kort na de slag en brachten vervolgens hun reisverslagen en poëtische werken over het slagveld op de markt. Hun exemplarische bezoeken zorgden voor een vergroting van de attractiewaarde van Waterloo voor landgenoten. Bij de rondgang op het slagveld zochten Britse toeristen dezelfde plaatsen op en imiteerden hun handelingen. Volgens reisgidsen waren de oorspronkelijke handtekeningen van Byron en Southey nog steeds te bezichtigen op de muur van de kapel van het fort Hougoumont. Veel bezoekers deden het hen na. Na verloop van tijd sierden ontelbare namen, data en adressen de gehele witte wand, waardoor de eigenaar de kapel elke vijf jaar opnieuw moest witten.

Het balkon waarop Victor Hugo uitkeek over het slagveld, momenteel opgesteld in de achtertuin van de hoeve van Caillou.
Het balkon waarop Victor Hugo uitkeek over het slagveld, momenteel opgesteld in de achtertuin van de hoeve van Caillou.

Uiteindelijk trokken de ‘verliezers’ toch aan het langste eind. De beroemdheid die de grootste impact had op het negentiende-eeuwse Waterlootoerisme was de Fransman Victor Hugo. Van 7 mei tot en met 30 juni 1861 had hij in Hôtel des Colonnes te Waterloo gelogeerd om er zich volledig te wijden aan het hoofdstuk over Waterloo in Les misérables. Kort daarna doken er geregeld bezoekers op om de levensstijl van de schrijver te herbeleven. Georges Barral en Charles Baudelaire begonnen hun bezoek aan het slagveld in 1863 met een rondgang in dit hotel. Aan de tafel waar Hugo regelmatig had gedineerd, kozen ze voor diens doorsnee lunch die door de grote vraag van reizigers was uitgegroeid tot een traditionele specialiteit van het hotel. Hugo’s middagmaal bestond uit drie eieren, zwarte boter, vinaigrette, peper en zout, knapperige frieten, een groot stuk gruyèrekaas en een tas koffie. Ook de hotelkamer van Hugo was een wezenlijk onderdeel van de toeristische attractie. Met Les misérables in het achterhoofd keek menig Fransman vanop het aangrenzende balkon uit over het slagveld. De komst van beroemdheden als Hugo zorgde voor een vergroting van de attractiewaarde van Waterloo, al bleven ook de nationale helden uit de veldslag de bezoeken van negentiende-eeuwse reizigers inspireren.

Meer lezen?

Jolien Gijbels, ‘Beleven en herinneren op het slagveld van Waterloo: een adellijk perspectief (1815-1870)’, Virtus: Journal of Nobility Studies, 22 (2015), 125-146.

Jolien Gijbels, ‘Oog in oog met het slagveld van Waterloo: het herinneringslandschap in de beleving van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers (1815-1870)’, De Negentiende Eeuw, 40 (2016), 104-121.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de omgang met dode lichamen in de negentiende eeuw. Eerder deed ze ook onderzoek naar reizigerservaringen op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

PieterVerstrate-Aids-SymboolHeader

Aids – gegarandeerd meer tijd voor uzelf!

Gastblog door Pieter Verstraete.

Eind jaren zeventig van de voorbije eeuw werd de Westerse wereld opgeschrikt door de komst van een vreemde en klaarblijkelijk besmettelijke ziekte. Bij een aantal mannen uit grote Amerikaanse steden werd een zeldzame huidkanker en longaandoening vastgesteld. De homoseksuele achtergrond van de patiënten leidde ertoe dat het ziektebeeld in eerste instantie als Gay Related Immuno Deficiency Syndrome werd omschreven: een term die de deur wagenwijd en blijvend zou openzetten voor het gevoel van schaamte dat tot op de dag van vandaag aan de ziekte aids verbonden blijft.

Een straf van God

PieterVerstraete-Aids-RareCancerNYT1981In een tijd waarin homoseksualiteit nog maar net uit de lijst van psychiatrische aandoeningen was geschrapt, heractiveerde de term GRID inderdaad de idee dat homoseksualiteit iets was waar men zich voor diende te schamen. De jaren zestig hadden dan in bepaalde middens wel voor een bevrijding van de seksualiteitsbeleving gezorgd, voor nogal wat mensen bleef het liefhebben van iemand van hetzelfde geslacht een onvergeeflijke zonde. Conservatief denkenden grepen de berichten over de nieuwe ziekte maar al te graag aan om luidop te verkondigen dat het een straf van God was. Terwijl de medische gemeenschap worstelde met de naamgeving en de onwetendheid rond de specifieke verspreidingsmechanismen probeerde weg te werken, ontstonden bij het brede publiek de meest waanzinnige theorieën over hoe men de ziekte kon oplopen. De ziekte zou zich via een gecontamineerde WC-bril of een glas water kunnen verspreiden.

Al snel noopte de vaststelling dat de ziekte zich ook bij heteroseksuelen kon ontwikkelen tot naamsverandering: men sprak nu niet langer over GRID, maar had het over Aids: Acquired Immuno Deficiency Syndrome. De nieuwe naamgeving leek echter niet in staat de ziekte los te koppelen van het schuld- en schaamtegevoel.  Het verhaal van de Amerikaanse jongen Ryan White getuigt daarvan. White werd in 1984 gediagnosticeerd met aids. Hij was hemofiliepatiënt en liep de ziekte op ten gevolge van een bloedtransfusie. Nadat bekend was geworden dat hij de ziekte aids had, was hij niet langer welkom in zijn school. Zowel de directeur als verschillende ouders van kinderen die naar dezelfde school gingen, hadden zich fel gekant tegen de aanwezigheid van een aids-patiënt.

PieterVerstraete-Aids-IkHebAidsOok in Vlaanderen werd aids als een publiek gevaar gezien en werden aidspatiënten met omzichtigheid en wantrouwen behandeld. Dat blijkt althans uit de oproepen die de aids-telefoon – een sensibiliserings- en preventie-initiatief uit de tweede helft van de jaren tachtig – ontving. Zo maakte één van de bellers zich grote zorgen omdat haar dochter in Brussel een appartement had gehuurd net boven dat van een Congolees die toch wel erg veel mensen in zijn woning ontving. Een andere beller vroeg zich dan weer af of hij zijn haar nog wel moest knippen bij zijn homoseksuele kapper die de laatste tijd erg vermagerd was. Het resultaat van de paniek rond de ziekte was dat aids door vele patiënten angstvallig geheim werd gehouden en dat ze overvallen werden door schaamtegevoelens.

De schaamte voorbij?

Toch valt de geschiedenis van aids in Vlaanderen niet samen met schaamte. Zowel de homobeweging als individuele personen trachtten de publieke opinie te bewerken en mensen bewust te maken van de impact die de bestaande beeldvorming had op homoseksuelen in het algemeen en HIV-besmette personen in het bijzonder. Zo bestaat er een opmerkelijke affiche waarmee de kijker wordt opgeroepen om zelf de ‘voordelen’ van het aids-stigma te ervaren:

“Bent u uw drukke sociale leven ook zo beu? Toe aan wat rust in uw leven? Probeer dan het ik heb aids stigma. Zeg dat u aids heeft, en ervaar het zelf! Gegarandeerd meer tijd voor uzelf! Geen zogenaamde ‘vrienden’ meer over de vloer! Nooit meer rekening houden met een partner! En werken? … Vergeet het maar”.

Pascal de Duve op de boekenbeurs.
Pascal de Duve op de boekenbeurs.

Ook de in Parijs levende Vlaamse filosoof en schrijver Pascal de Duve (1964-1993) verzette zich intensief tegen de dominante beeldvorming rond aids. Na het overweldigende success van zijn eerste roman Izo kreeg De Duve te horen dat hij HIV-positief was. Om zijn stukgelopen relatie en de diagnose een plaats te geven, besliste hij om in 1991 een transatlantische reis te ondernemen op een vrachtschip. Het relaas van zijn ervaringen publiceerde hij nadien in dagboekvorm onder de titel Cargo Vie.

Samen met enkele van zijn boeken moeten ook de vele televisieoptredens van De Duve gezien worden in het licht van de strijd die hij voerde tegen de schaamte, tegen het stigma dat als een uitgehongerde troep aasgieren rond de vele patiënten cirkelde. Zo diende hij Jan van Rompaey aan het begin van de jaren negentig ooit als volgt van antwoord op de vraag of hij zijn leven nog steeds de moeite waard vond:

“Het leven is de moeite waard, het leven is de moeite waard en daarom, gebruik alstublieft condooms. Trouw zijn dat is allemaal goed en wel. Dat is goed, dat is prachtig. Maar wij zijn maar mensen en ik zou absoluut willen dat mijn bijdrage deze avond bepaalde taboes doorbreekt, bepaalde mensen helpt om er voor uit te komen dat ze seropositief zijn of dat ze ziek zijn. Niet om er fier op te zijn. Dat is de vraag niet. Maar gewoon omdat men daar niet om beschaamd moet zijn.”

Pieter Verstraete is docent Historisch Pedagogiek aan de KU Leuven. Hij doet onder meer onderzoek naar de geschiedenis van pedagogische initiatieven voor personen met een handicap en naar de geschiedenis van preventie als educatieve ruimte in de context van besmettelijke ziektes zoals TBC, polio en AIDS/HIV.

KateKangaslahte-MulsCatalogueExposition de l’Art italien de Cimabue à Tiepolo, Tentoonstellingscatalogus.
Parijs, Petit Palais, 16 mei – 21 juli 1935.

Tijdens de gespannen jaren tussen de de Wererldoorlogen hielden veel Europese landen tentoonstellingen van hun nationale ‘scholen’ in het buitenland. De kunst diende een politiek doel. De Tentoonstelling van Italiaanse kunst van Cimabue tot Tiepolo in Parijs in 1935 was de grootste en indrukwekkendste van deze tentoonstellingen. Het was een triomf voor de bezieler ervan, Benito Mussolini. Sinds hij aan de macht was gekomen in 1922 waren de relaties tussen Frankrijk en Italië slecht geweest, maar in het midden van de jaren 1930 begonnen ze te verbeteren. De tentoonstelling opende vier maanden na het Frans-Italiaanse akkoord van januari 1935 en was de bekroning van een kort moment van toenadering. Er werden 490 schilderijen tentoongesteld, waaronder kleppers als De Geboorte van Venus van Botticelli, De Annunciatie van Leonardo de Vinci, De Heilige Familie van Michelangelo en De Storm van Giorgione.

Van de tentoonstelling zijn in de Leuvense Universiteitsbibliotheek een aantal catalogi bewaard. De catalogus die hierboven afgebeeld staat werd geschonken door de Vlaamse historicus en kunstcriticus Jozef Muls. Muls had de tentoonstelling in Parijs zelf bezocht, zo blijkt uit zijn bijgeschreven opmerkingen. Die private, spontane reacties op de schilderijen en hun tentoonstelling bieden – wanneer ze leesbaar zijn – een interessant contrast met de hyperbolische recensies die elders verschenen.

Het was voor het eerst dat de Sovjetunie werk uitgeleend had aan een buitenlandse hoofdstad, onder meer twee werken van Leonardo de Vinci, Madonna Benois en Madonna Litta. Er bestond enige twijfel of het laatste werk inderdaad van Da Vinci was. Hoewel het officieel aan hem toegeschreven werd – wat wellicht een voorwaarde was geweest voor de uitlening – werd het in de catalogus als laatste schilderij van Da Vinci opgesomd en werd gewaarschuwd dat ‘het werk altijd is doorgegaan voor een werk van Leonardo da Vinci’. Uit de notities van Muls blijkt dat hij betwijfelde of de Madonna Litta helemaal door Da Vinci geschilderd was. Hij meende dat er een ‘andere hand’ aan het werk was geweest, zoals ook vandaag algemeen aangenomen wordt.

Tekst: Kate Kangaslahti. Afbeeldingen: Universiteitsbibliotheek Leuven.