De grootste bom ter wereld

‘Mag ik u erop wijzen, Monseigneur, dat wij momenteel beschikken over de grootste radiumbom ter wereld.’ De boodschap komt uit een brief uit 1943. De auteur was Joseph Maisin, directeur van het Leuvense Kankerinstituut. De ‘Monseigneur’ die hij aanschreef was Honoré Van Waeyenbergh, rector van de universiteit. En de vermelde ‘radiumbom’ was geen wapentuig, maar een geavanceerd toestel om tumoren mee te bestralen. In volle oorlogstijd was het nieuws van Maisin erg welkom. ‘Een deugddoende zonnestraal in tijden van diepe crisis’, zo feliciteerde Van Waeyenbergh zijn professor. De ingebruikname van de Leuvense radiumbom was inderdaad een onverwacht succes, zowel op humanitair als op wetenschappelijk vlak – een vergeten stukje medische geschiedenis uit de oorlogsjaren.

De strijd tegen kanker

Het Kankerinstituut te Leuven. (Universiteitsarchief Leuven)

In 1928 was in Leuven het Kankerinstituut feestelijk geopend. Het was het eerste gebouw van Sint-Rafaël, de medische campus die tussen de wereldoorlogen in het Leuvense stadcentrum verrees. Er was een intensieve fondsenwerving aan voorafgegaan. Adellijke dames en rijke industriëlen schonken grote bedragen. Maar ook vrome parochianen – want het nieuwe instituut werd gepromoot als een ‘katholiek werk’ – konden voor 1 frank een steen van het Kankerinstituut sponsoren. Het was de eerste keer dat de strijd tegen kanker zo sterk was gemediatiseerd. Dankzij lokale en nationale actiecomités haalden de plannen voor het nieuwe instituut regelmatig de pers. Daarbij speelden ook ideologische belangen. ‘De eer van de katholieke wetenschap en van de Katholieke Universiteit staat op het spel!’, zo riep Van Waeyenbergh bevriende journalisten ter hulp.

Het ingezamelde geld werd gebruikt voor de bouw van het instituut, maar ook voor de uitrusting ervan: zeventig hospitaalbedden, drie nieuwe operatiezalen, toestellen voor radiografieën en, niet onbelangrijk, de aankoop van radium. Bestraling met radium werd in die tijd als de meest vooruitstrevende behandeling beschouwd, in het bijzonder voor borstkanker. De radioactieve eigenschappen van de stof maakten het mogelijk dieper gelegen tumoren te bestralen. Maar radium was ook zeldzaam, gevaarlijk en buitengewoon duur. Maisin werkte nauw samen met fysici en ingenieurs om een veilige omgeving voor die radiumtherapie te bouwen: het radium werd in glazen tubes geplaatst in een speciaal daarvoor ontworpen apparaat (de ‘radiumbom’). De bestraling zelf ging door in een soort betonnen bunker.

Radium uit Congo

De ‘radiumbom’ waarin de 7 gram radium werd bewaard. (Universiteitsarchief Leuven)

België had in die tijd het wereldmonopolie op radium. Het werd gewonnen door de Union Minière du Haut-Katanga, een mijnbedrijf dat vooral in het ertsrijke zuiden van Congo actief was. Via de Nationale Stichting tegen Kanker stelde het bedrijf radium beschikbaar aan de Belgische universiteiten. Die verdeling verliep echter moeizaam. De Union Minière zag aanvankelijk meer in één prestigieus nationaal ‘radiuminstituut’ te Brussel. Dat de Leuvense universiteit zo sterk het katholieke karakter van haar instituten benadrukte, droeg bij tot de spanningen. Maisin geraakte er door gefrustreerd. ‘Waarom laat de overheid elk jaar zoveel burgers sterven?’, klonk het hard. Naast humanitaire motieven had hij ook wetenschappelijke ambities. Met de Stichting tegen Kanker, het radium uit Congo en de kankerinstituten had België, aldus Maisin, alle troeven in handen om een internationale pioniersrol te spelen in de cancerologie.

Onverwacht succes

In 1937 kwam er een doorbraak: de Union Minière gaf 7 gram radium (geschatte waarde circa negen miljoen Belgische frank) in bruikleen aan de Leuvense universiteit voor kankerbehandeling. De Duitse inval van 1940 legde die behandeling echter lam. In de chaos van de eerste oorlogsdagen namen de Duitse troepen het radium in beslag en transporteerden het naar Duitsland. Pas na lange onderhandelingen tussen de Union Minière, de universiteit, de Stichting tegen Kanker en de Duitse bezetter werd het radium in 1941 teruggeven. Maisin had daarvoor zijn Duitse collega’s gevraagd de teruggave van het Leuvense radium te bepleiten ‘in naam van de wetenschap’. Nog onverwachter was dat de Union Minière in 1943 bijkomend radium ter beschikking stelde. Zo kon een radiumbom van 11 gram worden samengesteld, op dat moment ‘de grootste ter wereld’.

De zaal voor patiënten die op bestraling wachtten. (Universiteitsarchief Leuven)

Terwijl de oorlog onverminderd voortging, bleven kankerbehandeling en wetenschappelijk onderzoek mogelijk in Leuven. Uiteraard verliep dat soms moeizaam. Bij bombardementen vluchtten de gehospitaliseerde patiënten bijvoorbeeld uit het instituut. Ondanks die moeilijke omstandigheden was radiumtherapie een prioriteit tijdens de oorlogsjaren. De behandeling van kanker was in korte tijd uitgegroeid tot een centrale bekommernis van de overheid en de universiteit. Ook na de Tweede Wereldoorlog zette die ontwikkeling zich door. De strijd tegen kanker werd een van de belangrijkste programmapunten van het internationaal medisch onderzoek en gezondheidsbeleid.

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen.

Ervandoor met je lief in de middeleeuwen

Gastblog door Chanelle Delameillieure.

In de vroege vijftiende eeuw ontmoetten Jan en Liesbeth elkaar voor het eerst op de kermis in Antwerpen. Het koppel werd verliefd en wilde zo snel mogelijk trouwen. Dat was helaas buiten Jans vader gerekend, die weigerde om toestemming te geven voor het huwelijk. Liesbeth kwam uit  een lager sociaal milieu en was daarom geen geschikte partner voor zijn zoon…

Toch werd het geen dramatisch verhaal over onmogelijke liefde en hartverscheurend verdriet à la Tristan en Isolde of Romeo en Julia. Na de afwijzing door Jans vader nam Liesbeth het heft vastberaden in eigen handen. Met de hulp van een aantal vrienden reed ze naar Jan toe en voerde ze hem mee op haar wagen, waarna het herenigde koppel alsnog in het huwelijk trad. Jans vader was hier uiteraard niet van gediend en klaagde de schaking van zijn zoon aan bij de Antwerpse autoriteiten. Omdat Jan meerderjarig was en vrijwillig met Liesbeth was meegegaan, konden die echter niet meer doen dan een boete vorderen. Met deze sluwe list had Liesbeth Jans vader buitenspel gezet.

Lelijke mannen met baarden

‘De ontvoering van Helena’, ca. 1450-1455, wellicht door Zanobi Strozzi. Dit houten paneel was waarschijnlijk een decoratiestuk voor een meubel. (Londen, The National Gallery, inv. nr. NG591.)

Deze aandoenlijke anekdote komt niet uit een oud sprookjesboek, maar wel uit een vijftiende-eeuws Antwerps strafregister. Bovendien was dit geen alleenstaand geval, maar kwamen er in de late middeleeuwen tal van gelijkaardige schakingen voor. In 1455 sloop een andere Liesbeth bijvoorbeeld stiekem uit het huis van haar vader in Leuven om naar haar geliefde te gaan. Hierover zei ze later dat dit haar eigen keuze geweest was, en dat ‘alles wat Hendrik met haar gedaan had’ met haar instemming was gebeurd.

Zo’n vijftig jaar later verklaarde Woyeken, een vrouw die eveneens met haar minnaar was weggelopen, dat ze dit gedaan had omdat ze bang was dat haar familie haar met ‘een lelijke echtgenoot met een baard’ zou opzadelen. Deze jonge vrouwen probeerden aan de controle van hun ouders te ontsnappen door er met hun geliefde vandoor te gaan. De schakingen waren strafbaar, maar het doel, namelijk een huwelijk, werd toch vaak bereikt.

Zonder consensus geen huwelijk

Deze voorbeelden staan in schril contrast met het stereotype beeld van de middeleeuwen als een periode waarin kinderen, en dan vooral meisjes, slachtoffers waren van gearrangeerde huwelijken die hun families sociaaleconomisch voordeel opleverden. Hoewel geheime huwelijken zonder de toestemming van ouders bestraft konden worden, bepaalde het kerkelijk recht dat ze geldig en dus onontbindbaar waren. Vanaf de twaalfde eeuw benaderde de Kerk het huwelijk immers verrassend individualistisch: consensus werd de enige voorwaarde om een geldig huwelijk aan te gaan. Dit betekent dat in principe enkel de wederzijdse instemming van beide huwelijkspartners – de uitwisseling van de woorden ‘Ja, ik wil’ – volstond om te trouwen. Dankzij dit consensusprincipe konden jongeren de invloed van hun ouders omzeilen; hun medeweten, noch hun instemming waren vereist. Dergelijke ‘stiekeme’ huwelijken staan bekend als clandestiene huwelijken.

Gehistorieerde initiaal ‘S (sponsum)’ van man die een ring rond de vinger van een vrouw plaatst, ca. 1360-1375. (Londen, British Library, Royal 6 E VI, fo. 104r.)

Het consensusprincipe botste sterk met de laatmiddeleeuwse praktijk. Huwelijken konden families en hun kapitaal met elkaar verbinden en dienden dus weloverwogen te gebeuren. Het waren politieke en socio-economische aangelegenheden met als doel de invloed en het bezit van de betrokken families uit te breiden. Hoe hoger hun positie op de sociale ladder was, hoe meer economische belangen meespeelden. Stedelijke elites gingen dan ook eisen dat de lacune van het kerkelijk recht werd opgevuld door de opname van de ouderlijke toestemming als voorwaarde in het seculier recht. Vanaf de dertiende eeuw vaardigden wereldlijke overheden verschillende wetten uit. Deze charters richtten zich niet op het clandestien huwelijk, maar op het middel om zo een huwelijk aan te gaan, namelijk de schaking. In de praktijk werden deze strenge wetten zelden uitgevoerd en werd de zaak vaak in den minne geregeld.

De spanning tussen het sociaaleconomische belang van een huwelijk en de nadruk op consensus resulteerde in tal van opmerkelijke rechtszaken over clandestiene huwelijken en schakingen, waarbij verliefde koppels er samen vandoor gingen tegen de wil van hun familie.  Niet alle schakingen waren echter een romantisch gebeuren zoals in het geval van Jan, Liesbeth en Woyeken. Schakingen konden ook de vorm van gewelddadige ontvoeringen aannemen en werden dan ingezet in de strijd van families om gunstige allianties te smeden die hen aanzien en bezit opleverden. In dit geval schaakten mannen, vaak met de hulp van hun familieleden, welstellende vrouwen in de hoop om zo een voordelig huwelijk af te dwingen. Het consensusprincipe verleende dus een zekere graad van vrijheid aan individuen, maar leidde ook tot misbruik en verwarring.

De schaking als achterpoortje?

‘Roman de la Rose’, Parijs, ca. 1405. (Los Angeles, The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig XV 7.)

Geruggesteund door de Kerk beschikten jongeren over een handig middel om hun eigen huwelijk te bepalen. Toch was de schaking geen romantisch redmiddel dat massaal werd aangewend door rebelse jongeren die met hun ouders ruzieden over hun partnerkeuze. Het strategische nut van huwelijken in de late middeleeuwen werd vaak niet in vraag gesteld en kinderen konden zelf ook sociaaleconomische belangen nastreven bij de keuze van hun partner. Bovendien hielden ouders soms ook rekening met de voorkeuren van hun kroost. Hoewel jongeren zich dus niet in grote getale verzetten tegen de zakelijke manier van huwen, waren ze geen marionetten in het strategische spel van hun families. De Kerk maakte huwelijken op basis van wederzijdse instemming mogelijk en Jan en Liesbeth maakten daar dankbaar gebruik van.

Chanelle Delameillieure is gastblogger. Ze is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar huwelijksvorming in de laatmiddeleeuwse Lage Landen.

Titelafbeelding: Een koppel in een landschap, Parijs, ca. 1440-1450 door de ‘Bedford-meester’. (Los Angeles, The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig IX 6, fol. 4.)

Negen middeleeuwse helden

De middeleeuwse mens hield van lijstjes maken. Er waren tal van lijsten van geleerden uit de klassieke oudheid. Er werden lijsten opgesteld om de diverse deugden te illustreren. Ook de bekende bestiaria zijn eigenlijk niet meer dan een opsomming van diersoorten. De meeste lijsten werden telkens door de auteur zelf samengesteld. De lijst van ‘de negen besten’ was echter ander type. De vorm ervan lag al op voorhand vast.

Koning Arthur als lid van de negen besten, detail wandtapijt (ca. 1400). Metropolitan Museum of Art.

‘De negen besten’ is een lijst van negen heersers en ridders uit de geschiedenis en mythologie. Ze moesten het ideaalbeeld van de ideale heerser tonen. De negen heersers zijn ingedeeld in drie groepen: de heidense, de joodse en de christelijke. De lijst zou rond 1300 ontstaan zijn in de Nederlanden met het anonieme gedicht Van neghen den besten dat door sommigen aan Jacob van Maerlant wordt toegewezen. Vanuit onze gewesten verspreidde de lijst zich razendsnel doorheen Europa. In de loop van de zeventiende eeuw verloor de lijst aan populariteit om in de achttiende eeuw volledig te verdwijnen. Vandaag zijn weliswaar enkele individuen uit de lijst nog wel bekend, de lijst zelf is al lang geen gemeengoed meer.

De negen besten waren ontzettend populair aan het hof en in aristocratische kringen. Zo schreef Jean Molinet in 1467 een lofdicht voor de pas overleden Bourgondische hertog Filips de Goede waarbij hij liet uitschijnen dat de gestorven hertog de eervolle lijst van helden vervoegde. Maar ook in het stedelijke milieu was het een bekend thema. Zo werden de negen besten afgebeeld in het oudste deel van het stadhuis van Keulen (1330) waar ze als prototype van rechtvaardige heersers het goede voorbeeld gaven. Ze werden ook vaak opgevoerd tijdens Blijde Intredes en andere processies. Maar ook in kerkelijke milieus werd de lijst vernoemd. Deze teksten stelden aan de lezer de retorische vraag waar de helden gebleven waren. Door de dood van deze helden centraal te stellen, wezen deze teksten vooral op de sterfelijkheid van de mens.

Godfried van Bouillion, detail fresco I Nove Prodi in Castello della Manta, Italië, ca. 1420

Ook alternatieve lijsten zagen al snel het licht. Zo werden de negen helden soms vergezeld door negen beste vrouwen, hoewel er discussie was over de samenstelling van deze lijst. Geen andere lijst werd echter zo populair of was zo wijdverspreid. Zowel in de literatuur als in de kunst was hun invloed enorm. De volgende keer dat je dus enkele heerschappen uit de lijst tegenkomt, is het nu op een schilderij, in een boek of op een gevel, besef dan dat het gaat om een (gedeeltelijke) weergave van de populairste lijst uit de late middeleeuwen.

De negen besten

  1. Hector

Hector was de zoon van Priamos, koning van Troje. Tijdens de Trojaanse oorlog was hij de belangrijkste verdediger van de stad tegen de Griekse aanvallers. Uiteindelijk werd hij door Achilles in een duel gedood, waarna de goden zijn lichaam beschermden tegen de mishandelingen van Achilles.

  1. Alexander de Grote

Alexander de Grote was koning van Macedonië en bouwde via zijn veroveringstochten een rijk uit van aan de Ionische Zee tot aan de Himalaya. Uiteindelijk stierf hij op 32-jarige leeftijd aan een onbekende ziekte.

  1. Julius Caesar

Julius Caesar was generaal en alleenheerser van Rome en vooral bekend van zijn verovering van Gallië. Hij werd door zijn politieke tegenstanders vermoord.

Houtsnede met daarop de drie heidense helden: Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar.
  1. Jozua

Jozua was een vertrouweling van Mozes en nam het leiderschap van Israël over na diens overlijden. Hij veroverde verschillende gebieden voor de joden en verspreidde zo mee het Jodendom.

  1. David

David was koning van Israël en stond bekend als een goed en rechtvaardig heerser. Hij versloeg Goliath in een heldhaftig duel. In de middeleeuwen geloofde men dat hij een voorvader was van Jozef, de stiefvader van Jezus.

  1. Judas Maccabeüs
Judas Maccabeüs.

Judas Maccabeus of Judas de Makkabeeër was een van de leiders van de Makkabese opstand. Hij veroverde de tempel en liet hem reinigen. Hij zou uiteindelijk sterven op het slagveld en het einde van de opstand niet meemaken.

  1. Arthur

Arthur was de legendarische koning van Brittannië en aanvoerder van de ridders van de ronde tafel. Hij was een populair figuur in de middeleeuwse literatuur.

  1. Karel de Grote

Karel de Grote was een Frankisch heerser die in 800 door de paus tot Keizer werd gekroond. Hij veroverde nieuwe gebieden en volkeren die hij vervolgens liet bekeren tot het christendom. Na zijn dood ontstonden al snel verschillende verhalen en legenden over hem.

  1. Godfried van Bouillon

Godfried van Bouillon was een held van de eerste kruistocht. Hij speelde een sleutelrol bij de verovering van Jeruzalem en verwierf zo faam bij zijn tijdgenoten. Hij kreeg de titel beschermer van Heilig Graf en zou ook in Jeruzalem sterven.

Meer lezen

De transcriptie van het Middelnederlandse gedicht Van neghen den besten.

W. Anrooij, Helden van weleer: de Negen Besten in de Nederlanden (1300-1700), Amsterdam, 1997.

Tekst: Hannelore Franck. Titelafbeelding: De negen besten op het stadhuis van Keulen, Elke Wetzig, Wikimedia Commons.

Vluchtelingen in middeleeuws Vlaanderen

Gastblog door Hendrik Callewier.

Vluchtelingen zijn geen recent fenomeen in West-Europa.  Al in de vijftiende eeuw zochten religieuze en politieke vluchtelingen uit het huidige Turkije en omstreken in Vlaanderen hun toevlucht. De inwoners van de Vlaamse steden maakten in deze periode ook kennis met andere vreemdelingen. De lokale bevolking verruimde zo haar blik op de wereld.

De val van Constantinopel

De val van Constantinopel, miniatuur, na 1455 (Parijs, Bibliothèque Nationale de France).

In 1453 veroverden de Turkse Ottomanen Constantinopel (het huidige Istanbul). Daarmee kwam een einde aan het christelijke Byzantijnse rijk, de opvolger van het Oost-Romeinse rijk. Het nieuws over de val van Constantinopel ging als een schokgolf door Europa. Nu het belangrijkste christelijke bastion in het Midden-Oosten gevallen was, stond de poort open voor de sultan en zijn troepen.

De Ottomanen hadden in Constantinopel een waar bloedbad aangericht, dat nog eeuwen tot de verbeelding zou spreken. Slechts een gedeelte van de bevolking kon ontkomen. Een groot deel daarvan kwam terecht in Italië, waar sommige Byzantijnen, door tijdgenoten Grieken genoemd, een belangrijke rol zouden spelen in het doorgeven van de antieke cultuur. Een minderheid van de Griekse vluchtelingen zocht zijn heil in Noordwest-Europa.  Vooral de Bourgondische Nederlanden waren een geliefde bestemming. Dat had veel te maken met de figuur van de Bourgondische hertog Filips de Goede. In 1454 zwoer hij publiekelijk op een banket in Rijsel op kruistocht te gaan tegen de Turken. Dat plan zou hij echter nooit realiseren.

Griekse vluchtelingen, zigeuners en Afrikanen in Vlaanderen

Jan Mostaert, Portret van een Afrikaanse man, ca. 1520-1530 (Amsterdam, Rijksmuseum).

De kruistochtplannen van de hertog maakten een aantrekkelijke bestemming van Vlaanderen, politiek en economisch gezien de belangrijkste regio van het Bourgondische rijk. Vooral in de periode 1450-1480 was er een opmerkelijke aanwezigheid van Griekse vluchtelingen aan het Bourgondische hof en in quasi alle grote en kleine steden van Vlaanderen. Van humanitaire of andere visa was geen sprake. Voor vluchtelingen was het vooral van belang dat ze een aanbevelingsbrief van de hertog konden bemachtigen. Met deze brief in de hand trokken ze van stad naar stad om aalmoezen te verkrijgen. Deze aalmoezen dienden soms ook voor het vrijkopen van familieleden die door de Turken waren gevangengenomen.

In dezelfde periode kregen de Vlaamse steden ook andere vreemdelingen over de vloer. De zigeuners, die zichzelf presenteerden als “koningen en graven” uit (Klein-)Egypte (ofwel “gypten”), kwamen voor het eerst naar Vlaanderen in 1420. Ook zij waren naar eigen zeggen op de vlucht voor oprukkende moslims en presenteerden zich als “religieuze vluchtelingen”.

Nog merkwaardiger was het bezoek van “Ethiopiërs” en “Indiërs” aan Vlaanderen. Die aanduidingen sloegen eerder op de zwarte huidskleur van de bezoekers, dan op hun precieze geografische herkomst. Ook hen vinden we, zij het in beperkte aantallen, in de meeste Vlaamse steden terug. Ze werden in verband gebracht met “Pape Jan”, volgens de legende de priester-koning van een geïsoleerd christelijk rijk, dat aanvankelijk in Indië, maar later in Ethiopië werd gesitueerd. Sommige van deze bezoekers presenteerden zich als pelgrims, anderen hadden een officiële missie: ze waren door de Ethiopische vorst naar Europa gestuurd om een bondgenootschap af te sluiten.

Hoe Balthazar een zwarte koning werd

De meeste van de exotische bezoekers trokken rond, alleen of in groep. Van een permanente vestiging was zelden sprake, waardoor het contact met de lokale bevolking beperkt bleef. Slechts een enkeling bleef in Vlaanderen, bijvoorbeeld om in dienst te treden van de Bourgondische hertog.

Hans Memling, Aanbidding der wijzen, 1479 (Brugge, Memlingmuseum).

De inwoners van de Vlaamse steden schipperden tussen nieuwsgierigheid en christelijke gastvrijheid enerzijds en xenofobe vijandigheid anderzijds. Zo keek de lokale bevolking vreemd op bij het aanschouwen van de Griekse bezoekers, met hun merkwaardige kledij, haartooi en taal. Er ontstond ook twijfel over de oprechtheid van bepaalde vluchtelingen. Toen bleek dat sommige zigeuners zich schuldig maakten aan diefstallen en andere bedenkelijke activiteiten, werden ze in toenemende mate als ongewenste gasten beschouwd. Aanvankelijk boden de steden hen onderdak, wijn en aalmoezen, maar later werd hen veeleer een “oprotpremie” uitbetaald. Ook sommige Afrikanen leken eerder avonturiers of bedriegers. De astroloog Hans, bijvoorbeeld, trok in het gezelschap van andere zogezegde ambassadeurs uit het Midden-Oosten in de zomer van 1461 door Vlaanderen. Hij beweerde Pape Jan te vertegenwoordigen, maar historici zijn het er over eens dat de man een oplichter was.

In elk geval werd het wereldbeeld van de Vlamingen verruimd: ze maakten kennis met vreemdelingen met een ander uiterlijk, andere gewoonten, en in sommige gevallen ook een ander geloof. De gewijzigde iconografie van de Drie Koningen is kentekenend voor deze verruiming van de horizon. Vanaf de late veertiende eeuw werd koning Balthazar namelijk meer en meer als een zwarte in plaats van een blanke man voorgesteld. In Vlaanderen brak dat beeld door in de tweede helft van de 15de eeuw. De eerste “aanbidding der wijzen” met een zwarte Balthazar is toe te schrijven aan Hans Memling  (1479). Wellicht had hij in Brugge met zijn eigen ogen vreemdelingen met een donkere huidskleur gezien. Steeds meer drong het besef door dat een deel van de wereld anders was.

Meer lezen

Hendrik Callewier, ‘“Uit het land van Pape Jan”: zigeuners, vluchtelingen en andere exotische bezoekers van middeleeuws Kortrijk’, De Leiegouw, 58 (2016), 221-240.

Jonanthan Harris, Greek emigrees in the West 1400-1520, Camberley, 1995.

Jean Paviot, Les ducs de Bourgogne, la croisade et l’Orient (fin xive siècle-xve siècle), Parijs, 2003.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is diensthoofd van het Rijksarchief Kortrijk en als gastdocent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven campus Kulak Kortrijk. Zijn interesse gaat uit naar de stadsgeschiedenis van het laatmiddeleeuwse Vlaanderen.

5 revolutionaire uitvindingen waar niemand in geloofde

In de negentiende en vroege twintigste eeuw oefenden wereldtentoonstellingen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Het waren feesten van vooruitgang, waar je kennis kon maken met nieuwe vormen van entertainment maar ook met de allerlaatste technologieën. Bovenal waren het manifestaties van het industriële kapitalisme. Een groeiend aantal (massa)producenten zocht internationale afzetmarkten voor hun producten en de wereldtentoonstellingen boden hen een manier om miljoenen potentiële klanten te bereiken.

De wereldtentoonstelling bracht echter niet voor alle fabrikanten het verhoopte succes. Dit is een lijst van uitvindingen die op een wereldtentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond werden en daar maar weinig succes kenden. Na technologische verbeteringen konden ze toch een belangrijke plaats in onze moderne samenleving veroveren.

  1. De ritssluiting (Chicago World’s Fair, 1893)

Het vroegste idee voor een ritssluiting kwam van de Amerikaan Elias Howe, die er in 1851 een patent op nam. Verdere stappen ondernam Howe echter niet, vermoedelijk omdat hij het te druk had met het op punt stellen van een andere uitvinding, de naaimachine.

Pas 44 jaar later bedacht Withcomb Judson, een mechanisch ingenieur uit Chicago, een sluiting gelijkaardig aan wat Howe had beschreven in zijn patent. Hij ontwierp een metalen treksluiting bestaande uit twee rijen, eentje met ogen en eentje met haken, die in elkaar konden grijpen. Nadat hij in 1891 een patent op zijn uitvinding had verkregen, startte hij een bedrijfje op in Hoboken, New Jersey, om de sluiting te commercialiseren. In 1893 toonde hij de meest recente versie op de Wereldtentoonstelling in Chicago. Er was helaas één fundamenteel probleem: de sluiting ging steeds vanzelf terug open. Het mag dan ook niet verbazen dat onder de 20 miljoen bezoekers aan de Chicago World’s Fair er maar één geïnteresseerde koper gevonden werd: de U.S. Postal Service  kocht 20 exemplaren om er hun postzakken mee af te sluiten.

De ritssluiting werd niettemin nog niet afgeschreven. Na jaren van studie werd in 1913 binnen het inmiddels overgenomen bedrijf van Judson, de Universal Fastener Company, alsnog een goedwerkende rits ontworpen. Het was de Zweeds-Amerikaanse ingenieur Gideon Sundback die dit voor elkaar kreeg door de haken en ogen te vervangen door tandjes en inkepingen. De timing zat goed: de ritssluiting stond net voor de Eerste Wereldoorlog op punt en vond een gretige afnemer in het Amerikaanse leger.

Het duurde nog twintig jaar om de mode-industrie te overtuigen van het nut van een ritssluiting. Er waren immers voldoende en prima alternatieven voorhanden. De producenten van ritsen en hun marketingafdelingen wisten rond het midden van de jaren 30 ten slotte toch een brede markt aan te boren, in eerste instantie door handig in te spelen op het (imaginaire) probleem van wat in het Engels ‘gaposis’ wordt genoemd, namelijk de ongewenste inkijk via de gaten tussen de knoopsluiting van strak zittende kledij. Ritssluitingen werden gepromoot als de oplossing voor dit gênante fenomeen. Een ander verkoopargument, namelijk dat de ritssluiting het uitkleden aanzienlijk versnelde, wist dan weer de meer warmbloedige consumenten te overtuigen.

  1. De zelfrijdende auto (New York World’s Fair, 1964)

Al in 1939 werd op de wereldtentoonstelling in New York gedroomd van zelfrijdende auto’s, die via radiobesturing vanuit een centrale toren veilig en vlot over de autostrade zouden geleid worden. In 1964 konden bezoekers aan het paviljoen van General Motors op de New York World’s Fair een prototype van een zelfrijdende auto bewonderen, de Firebird IV. Net als zijn eerdere naamgenoten was het ontwerp van deze auto geïnspireerd door de vormgeving van vliegtuigen en straaljagers in het bijzonder. Ondanks zijn aerodynamische uiterlijk haalde de Firebird IV geen hoge snelheden, want de auto was nog niet operationeel. Met het ontwerp wilde GM hun toekomstbeeld presenteren van een auto die zijn passagiers zelf doorheen het verkeer op de autosnelweg zou loodsen en dit tegen tweemaal de toen gangbare snelheid. De bestuurder zou zelf terug controle over het voertuig krijgen zodra hij de snelweg verliet.

Maar verder dan het prototype geraakte General Motors niet en het idee werd in de vroege jaren 1980 naar de prullenmand verwezen. Twee decennia later werd het terug opgepikt en de droom van GM is intussen bijna werkelijkheid.

  1. De faxmachine (Great Exhibition, Londen, 1851)
Image Courtesy of Old School Ads (via BizTech)

Het concept van de faxmachine  bestaat al sinds 1843, toen de Schotse uurwerkmaker Alexander Bain een patent nam op een ‘kopieertelegraaf’. Het principe behelst een elektrische machine met twee slingers, één in de verzender en één in de ontvanger, die gesynchroniseerd bewegen. Het lukte Bain echter niet meteen dit principe ook succesvol in de praktijk te brengen. De Brit Frederick Bakewell slaagde hier, dankzij zijn technologische verbeteringen aan Bains ontwerp, wel in. Hij demonstreerde zijn werkende machine op de Great Exhibition in Londen in 1851, tot grote ergernis van Bain, die gelijktijdig met een verbeterde versie kwam.

Ondanks verdere aanpassingen die toelieten om niet enkel handgeschreven berichten maar ook afbeeldingen over grote afstanden verzenden en ontvangen, bleef de grote doorbraak van de faxmachine uit. Er bleven immers teveel praktische problemen mee verbonden, zoals synchronisatie en de hoge kost voor de gebruikers. Het publiek dat op de New Yorkse wereldtentoonstelling van  1939 de eerste echt commercieel levensvatbare versie van de fax te zien kreeg, was zich er dan ook niet van bewust dat de uitvinding toen al bijna 100 jaar oud was. Grootschalig succes en zelfs een hip imago kende de fax uiteindelijk pas in de jaren 1970 en 1980, tijdens het yuppie –tijdperk.

  1. Een drijvende stad (Okinawa Ocean Expo, 1975)

Lang voor het Seasteading Institute in 2008 haar onderzoek startte naar de mogelijkheden van permanente, op zee drijvende steden, tekenden Japanse architecten al plannen voor drijvende luchthavens. Op de Expo’75 in Okinawa, een thematische wereldtentoonstelling gewijd aan oceanen en oceanografie, stelden ze bovendien hun plannen voor om delen van de oceaan te urbaniseren. De blikvanger van de tentoonstelling was Aquapolis, een drijvende stad ontworpen door de Japanse architect Kiyonori Kikutake en een prototype voor woongemeenschappen op zee.

  1. Humanoïde robots (New York World’s Fair, 1939)

Elektro, de robot die werd ontworpen en gerealiseerd door de Westinghouse Electric Corporation tussen 1937 en 1938, was zeker niet de eerste humanoïde robot. Al in 1495 bijvoorbeeld realiseerde Leonardo da Vinci een mechanische ridder die verschillende maar zeer eenvoudige handelingen kon uitvoeren zoals zitten, staan en de armen bewegen. Ook Elektro had buiten zijn amusementswaarde weinig te bieden – hij kon geen huishoudelijke taken op zich nemen of mensen anderszins assisteren. Bij zijn publieke debuut op de wereldtentoonstelling van 1939 was hij echter voor zowat alle bezoekers de eerste ontmoeting met een menselijk uitziende robot en met zijn lengte van 210cm en goudkleurige aluminium aankleding was hij een indrukwekkende verschijning. Hoewel Westinghouse honderdduizenden dollars investeerde in Elektro, beknotte de rudimentaire technologie van de dag echter letterlijk zijn bewegingsruimte. Hij kon 26 simpele handelingen uitvoeren, zoals wandelen, ballonnen opblazen en roken(!) en 700 woorden zeggen dankzij de 78-toerenplaat in zijn massieve borstkas.

Ondanks dit bescheiden repertoire werd hij de ster van de expo. Bezoekers waren diep onder de indruk van zijn spraakvermogen en van hoe hij in staat was orders te begrijpen en uit te voeren. Bij zijn verschijning op het balkon waar hij zijn kunsten aan het publiek toonde, overschouwde Elektro dan ook in de regel een massa mensen zoals enkel de grootsten der volksmenners die op de been konden brengen. Hij belichaamde het eindeloze vooruitgangsoptimisme dat de wereldtentoonstellingen zo graag wilden uitdragen.

Helaas voor Elektro was de wereld een heel andere plaats na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe tijdperk leek hij hopeloos verouderd, een restant uit eerdere, naïevere tijden. Hij werd dan ook enkel nog als onschuldig entertainment ingezet in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Toen hij ook daar de stempel ‘oubollig’ kreeg, moest Elektro elders aan de bak. Zijn ‘carrière’ bereikte in 1960 een dieptepunt met een rol in de film Sex Kittens Go to College (1960).

Terwijl humanoïde robots vandaag de dag een belangrijke rol spelen in allerhande soorten wetenschappelijk onderzoek, wordt ook de amusementswaarde van dergelijke robots weer geapprecieerd en worden ze vanuit die optiek meer en meer ingezet in de zorgsector. Een comeback van Elektro is dus nog niet uitgesloten.

Tekst: Nelleke Teughels. Titelafbeelding: Hall of Inventions, New York World’s Fair, 1940.

De ontheemde archivaris

Tespesius Dubiecki voelde zich thuis in Aat. De Poolse banneling stelde namelijk vast dat dat Henegouws stadje een Slavische oorsprong had. Belgische historici konden dat niet weten, maar voor Dubiecki was het duidelijk dat de oorspronkelijke Athois tot dezelfde familie behoorden als bijvoorbeeld de Kroaten en de Dalmatiërs. Wat een verrassing!

Tijdens de rest van de negentiende eeuw onderschreven verschillende lokale historici de opmerkelijke these. Pas na zestig jaar werd ze definitief afgewezen. Deze geschiedenis was immers niet op authentieke documenten gestoeld. Een opmerkelijke kritiek, want het was Dubiecki die in de jaren 1840 als eerste orde had gebracht in het stadsarchief van Aat.

Het succes van Dubiecki

De titelpagina van Dubiecki’s La ville d’Ath. Son antiquité, son origine slave, ses époques remarquables, ses archives communales, ses monuments et édifices publics, ses environs, etc. (Brussel, 1847).

De Gemeentewet van 1836 verplichtte ieder gemeentebestuur zijn archief te inventariseren. Vaak ging het om erg oude stukken, die niemand nog kon lezen. Ook Aat werd met dat probleem geconfronteerd, tot Dubiecki zijn diensten aanbood. In vijfhonderdvijfenvijftig dagen rondde hij de inventarisatie af. Amper twintig jaar later werd zijn werk weliswaar volledig overgedaan, omdat de Pool ‘zonder zorg en zonder nauwgezetheid’ zou hebben gewerkt, maar zijn initiële succes toonde dat een wijdverbreide opvatting ongegrond was: niet enkel oude ambtenaren, die tijdens het Ancien Régime zelf archiefstukken hadden voortgebracht, waren in staat met oude archieven om te gaan.

Dat was een erg gelukkige ondervinding, want dergelijke functionarissen waren omstreeks 1840 erg schaars geworden. Van de overblijvende bejaarden kon bovendien niet veel activiteit meer worden verwacht. Dat alles maakte het inventariseringswerk misschien wel lastiger, maar niet onmogelijk. Als zelfs een buitenlander met het archief overweg kon, behoorden die stukken niet langer enkel toe aan een selecte groep van ingewijden. Middeleeuwse stukken waren trouwens al voor veel achttiende-eeuwse ogen onleesbaar – en dus onbruikbaar – geweest.

Archivalische verlangens

Een geordend archief moest in een geschiedenis worden gegoten. Dat deed ook Dubiecki, met zijn bijzondere ontdekking. Zijn verlangen naar zijn geboortegrond was misschien wel opmerkelijk, maar eigenlijk niet uitzonderlijk. In Frankrijk had Augustin Thierry enkele jaren eerder opgetekend dat geen enkele geschiedenis zozeer aansprak als de eigen geschiedenis. Deze woorden werden ook in België met veel enthousiasme gelezen. En de historicus bij uitstek van die geschiedenis, was de plaatselijke archivaris. Dat Dubiecki zo graag wilde bewijzen dat hij in Aat thuishoorde, toont een ander diepgeworteld idee: een archivaris kon enkel in zijn geboortestad werken.

Victor Hermans, Mechelaar van verdienste.

‘Hoewel niet uit de stad afkomstig, want geboren in Antwerpen in 1841, durf ik hopen dat u mijn sollicitatie in overweging zult nemen,’ schreef J.J.P. Vanden Bemden in 1870 in zijn sollicitatiebrief voor de post van Mechels bibliothecaris-archivaris. Het stadsbestuur koos niet voor hem, maar dat had niet noodzakelijk met zijn afkomst te maken. De nieuwe stadsarchivaris was namelijk geboren in Maastricht. Niettemin klonk het veertig jaar later nog altijd dat Victor Hermans ‘weliswaar zonder Mechelaar van geboorte te zijn, toch het mooie Mechelse devies kon overnemen, wat betreft zijn gehechtheid aan oudheden: In fide constans’. Pas na lang en ijverig werken kon ook deze archivaris zich een plaats in de stad verwerven.

De professionele archiefwerker

Achter deze romantische gehechtheid aan de eigen streek school ook een praktische overweging. Wie de functie van archivaris met succes wilde uitoefenen, moest kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving. Bijgevolg was het onmisbaar vertrouwd te zijn met die geschiedenis. Een baan in een archief was bovendien zelden voltijds. Veel archivarissen kregen maar een karig loon. Bij voorkeur werd dan ook iemand aangesteld die al een andere betrekking had, bijvoorbeeld een leraar uit een van de scholen in de stad.

Het examen voor werknemers van de Rijksarchieven omvatte zowel een theoretische als een praktische proef. Vanaf 1903 moesten de examinandi hun kennis van zowel het oud-Frans als het oud-Nederlands bewijzen. Op die manier konden ze als archivaris in het hele land worden ingezet.

De zoektocht naar nieuw personeel voor de provinciale Rijksarchieven verliep oorspronkelijk gelijkaardig. In een universiteitsstad als Gent was het niet moeilijk om in de onmiddellijke omgeving een geschikte kandidaat te vinden, maar bijvoorbeeld in Doornik of Aarlen was de spoeling maar dun. Toch verdween deze lokale verankering pas aan het einde van de negentiende eeuw, toen het archivarissenambt sterk professionaliseerde. Vanaf 1895 moest iedereen die in een Rijksarchief wilde werken, een examen afleggen. Een jonge, actieve groep van gediplomeerde archivarissen ontstond, uitgerust met vaardigheden die overal konden worden ingezet. Op het ritme van hun promoties verhuisden zij van provincie naar provincie.

De lokale verankering werd uiteindelijk ook voor stadsarchivarissen minder belangrijk. Ze verdween echter niet helemaal. Hedendaagse archiefinstellingen plaatsen zich graag midden in het milieu waarvan ze de geschiedenis documenteren. Een archivaris uit de eigen streek kan daar misschien bij helpen, maar onontbeerlijk is dat niet. De Slavische redeneringen van Dubiecki hebben niet alleen hun grond, maar ook hun archivalische noodzaak verloren.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Titelafbeelding: De ‘Tour Burbant’ in Aat werd volgens Dubiecki vóór 300 gebouwd. Zijn theorie vereiste een dergelijke hoge ouderdom van de stad. In werkelijkheid werd de donjon pas omstreeks 1166 opgericht.

4 manieren om embryo’s te bemachtigen in de negentiende eeuw

De vroege stadia van de zwangerschap waren in het begin van de negentiende eeuw een medisch mysterie. De menselijke eicel werd pas ontdekt in 1827; Oscar Hertwig beschreef het principe van de bevruchting voor het eerst correct in 1876. In populaire voorstellingen werd het ongeboren leven veelal weergegeven als een kind in klein formaat: zwangerschap was in deze reeksen geen proces van ontwikkeling, maar louter van groei.

Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.
Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.

In een periode waarin studies over vrouwelijke anatomie frequent verschenen en de vergelijkende embryologie een hoge vlucht nam, bleef de kennis over de menselijke bevruchting en over de ontwikkeling van het menselijke embryo beperkt. Hoewel dit vandaag eigenaardig lijkt, is er een logische verklaring voor de trage ontwikkeling van de menselijke embryologie. In een tijdperk waarin er geen in-vitro technologie bestond, was het niet evident om zicht te krijgen op de eerste dagen en weken van de zwangerschap. Om embryo’s onder hun microscoop te krijgen, waren anatomen aangewezen op hun creativiteit – en op een flinke portie geluk.

  1. Miskramen

In de negentiende eeuw was de meest voorkomende ‘bron’ van embryo’s het miskraam. Wanneer vrouwen in het ziekenhuis onverwacht bloed verloren, grepen medici naar de microscoop in de hoop een embryo te ontdekken. Ook gewone vrouwen leerden om een arts te raadplegen bij abnormaal bloedverlies. De ontwikkeling van de embryologie ging zo hand in hand met een medicalisering van het miskraam, dat niet langer ‘afval’ of ‘klonters bloed’ maar een belangrijk medisch object produceerde: het embryo. Dit had gevolgen voor de ervaring van de zwangerschap: door de ontwikkeling van de embryologie werd het ongeboren leven vroeger als mens (h)erkend.

  1. Per post

In de tweede plaats waren embryologen afhankelijk van hun netwerk om ‘onderzoeksmateriaal’ te verkrijgen. Studenten en alumni werden aangemoedigd om bij interessante gevallen hun professor te contacteren. Dit was aantrekkelijk voor hen, omdat het gepaard ging met professioneel prestige. Een schenking van een interessant preparaat aan het anatomische museum betekende immers een vermelding van hun naam in wetenschappelijke genootschappen en tijdschriften. Om deze reden werden embryo’s en foetussen soms zelfs opgestuurd per post.

  1. Geluk bij autopsie

Miskramen brachten voornamelijk embryo’s voort met een lichamelijke beperking of pathologie, waardoor embryologen moeilijk zicht kregen op de normale ontwikkeling van het ongeboren leven. Daarom spoorden ze pathologen die een autopsie uitvoerden aan om steeds de inhoud van de baarmoeder te bekijken. Je wist immers nooit of de vrouw op de autopsietafel zwanger was geweest. In 1871 zwijmelde een Brusselse embryoloog van blijdschap:

“Een foetus van de eerste maand, integer en omringd door alle relevante organen… Deze vondst leidt tot een zeldzame vorm van geluk bij een oplettende arts.”

  1. Kweekprogramma’s
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.

Om hun kans op dit ‘zeldzame geluk’ te vergroten, gingen embryologen in de jaren 1930 over tot geplande programma’s. De Boston Egg Hunt, georganiseerd door het Carnegie instuut, is vandaag het bekendst. In dit project hoopten embryoloog John Rock en patholoog Arthur Hertig door middel van gynaecologische operaties embryo’s jonger dan veertien dagen oud te vinden. Hiertoe rekruteerden ze getrouwde vrouwen van minder dan 45 jaar oud met minstens twee kinderen, die een hysterectomie (een verwijdering van de baarmoeder) moesten ondergaan. Ze werden gevraagd om een dagboek bij te houden over hun menstruatiecyclus, lichaamstemperatuur en seksleven. Deze data bepaalden de planning van hun operatie, die meestal plaatsvond vlak na de eisprong om zo de kans op wetenschappelijk succes te vergroten. De 34 embryo’s die Rock en Hertig vonden bij 211 onwetende vrouwen, vormen nog steeds de basis voor onze voorstelling van de vroegste 17 dagen – of ‘Carnegie stages’ 1 tot 5 – van het menselijke leven.

Het resultaat

Dankzij deze vier methoden werd de menselijke ontwikkeling in kaart gebracht. In populaire voorstellingen werden de gevonden embryo’s en foetussen gerangschikt van klein naar groot – van bevruchting tot bevalling. Deze reeksen gingen steeds meer de schoonheid en het vernuft van het ongeboren leven belichamen. Toch berustten de eerste representaties van het zich ontwikkelende embryo op miskramen, doodgeboortes en abortus. In een tijdperk zonder in-vitro technologie kon kennis over het leven slechts verkregen worden via de omweg van de dood.

Tekst: Tinne Claes. Titelafbeelding: Hermann Friedrich Kilian, Geburtshülflicher Atlas in 48 Tafeln und erklärendem Texte (Dusseldorf 1835-44). Wellcome Library, London (CC-BY-4.0).

Hoe de moderne identiteit ontstond uit zonden en verlangens

Tussen 1765 en 1770 schreef de Franse filosoof en auteur Jean-Jacques Rousseau zijn Bekentenissen. Hoewel het genre niet echt nieuw was – kerkvader Augustinus schreef meer dan 1300 jaar eerder ook al Bekentenissen – gaf Rousseau in zijn introductie aan dat dit werk toch anders was dan alle andere. “Ik begin aan een onderneming zonder weerga. Ik wil aan mijn medemensen een man tonen in de volledige waarheid van de natuur, en die man, dat ben ik zelf. Ik alleen. Ik voel mijn hart en ik ken de mensen. Ik ben niet zoals degenen die ik gezien heb; ik durf zelfs te geloven dat ik niet ben zoals eender wie op aarde. Ben ik niet beter dan hen, ik ben ten minste anders.”

Portret van Jean-Jacques Rousseau.

Met Rousseau kwam de opvatting op dat het ‘ik’ iets unieks is, iets met diepte, iets met een ware aard die kan blootgelegd worden. In de laatachttiende-eeuwse romans gebeurde hetzelfde: de eenduidige personages van weleer maakten plaats voor uitgebreide schetsen van complexe karakters; oppervlakkige liefdesbetuigingen maakten plaats voor paginalange bespiegelingen over allerinnerlijkste gevoelens. In de hele achttiende-eeuwse cultuur – in autobiografieën, in wijsgerige teksten, in onderwijsprogramma’s – ontstond een bekommernis om de dieptes van het individu. De late achttiende eeuw zag zo het ontstaan van het moderne ‘ik’, van de moderne identiteit. Vanaf dan werd van individuen verwacht dat ze een unieke en stabiele innerlijke kern hadden, een diepe essentie. Het werd hun taak om die essentie te vinden en volgens hun ‘ware aard’ te gaan leven. Mensen moesten authentiek worden. Alleen zo zouden ze gelukkig zijn.

Die nieuwe opvatting verschilde van vroegere opvattingen over identiteit. Tot de vroege achttiende eeuw werd de nadruk daarbij meer op gelijkenis gelegd dan op verschil. Er was meer ruimte om te spelen met identiteiten en er werd meer belang gehecht aan uiterlijk vertoon dan aan ware aard. Je identiteit was hoe je je naar buiten toe gedroeg. Als er al zoiets als een ware aard bestond, dan kwam het er vooral op aan om die te bedwingen.

Toch kwam de nieuwe identiteitsopvatting niet uit het niets. De katholieke biecht en de protestantse religieuze autobiografie promootten al een tijdlang zelfreflectie. Vanaf de zeventiende eeuw begonnen christelijke teksten te focussen op zondige verlangens, niet alleen op de zonden zelf. De achttiende eeuw zag een secularisering van die verlangens: niet langer waren ze ingegeven door duivel, ze kwamen voort uit de eigen individuele aard en uit vroegere ervaringen.

De jonge Rousseau wordt betrapt terwijl hij een appel steelt. Illustratie bij de Bekentenissen (editie 1903).

Ook dat speelde heel duidelijk bij Rousseau. Alleen door te bekennen wat normaal verborgen bleef kon zijn ware aard blootgelegd worden. Rousseau schreef over het seksueel genot dat hij als kind in een aframmeling ervoer, over hoe hij een lint stal en de meid ervan beschuldigde, over hoe hij een reisgenoot in de steek liet toen die onwel werd, over hoe hij zijn kinderen tegen de wil van hun moeder in een vondelingenhospitaal achterliet. Rousseau’s zelfportret is geen fraai beeld van de vermaarde filosoof.

De moderne identiteit is veelal een problematische identiteit. Ze wordt ingevuld met het zondige, het beschamende en het afwijkende.

Elwin Hofman is als Aspirant van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar veranderende zelfopvattingen bij criminelen in België in de late achttiende en vroege negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Nicholas A. Tonelli, Introspection (cc-by-2.0). Andere afbeeldingen: publiek domein.

De 7 grootste wijsheden uit meer dan 38 miljoen boeken

In 1897 opende de nieuwe Library of Congress in Washington, DC. Al wie zich in dat gebouw waagt, moet zich meteen bewust zijn van het belang van de collectie, die intussen meer dan 38 miljoen boeken omvat. Daarom werden de muren van de ‘Great Hall’ onder meer versierd met de grootste boekenwijsheden. De zeven opmerkelijkste zijn:

  1. Science is organized knowledge
  2. There is but one temple in the universe and that is the body of man
  3. The true university of these days is a collection of books
  4. Only the actions of the just smell sweet and blossom in the dust
  5. The history of the world is the biography of great men
  6. Knowledge comes, but wisdom lingers
  7. Ignorance is the curse of God, knowledge the wing wherewith we fly to heaven

De citaten komen uit een weinig universele canon. Ze zijn vooral ontleend aan Britse schrijvers als Shakespeare en Carlyle, aangevuld met antieke en Bijbelse zinsneden. Steeds wordt de mens centraal geplaatst, met een alomvattende kennis om hem heen. Die kennis was direct toegankelijk – tegenwoordig is de bibliotheek wel uitgerust met veiligheidspoortjes – en bruikbaar.

Een deel van de decoratie van de ‘Great Hall’, met onder andere het drukkersmerk van ‘Harper & Brothers’ uit New York.
Een deel van de decoratie van de ‘Great Hall’, met onder andere het drukkersmerk van ‘Harper & Brothers’ uit New York.

Zoals dat hoort in Amerika, was de instelling ondergebracht in het ‘grootste, duurste en veiligste’ bibliotheekgebouw ter wereld. Dat mocht ook wel, want voor de bibliotheek in 1897 in het huidige gebouw terechtkwam, was al twee keer een groot deel van de collectie in vlammen opgegaan. In haar nieuwe huisvesting kon de bibliotheekverzameling werkelijk omvangrijk en universeel worden. De opmerkelijke ‘Beaux Arts’-decoratie moest in woord en beeld duidelijk maken dat de Amerikaanse cultuur aan de Europese kon tippen, en deze zelfs overtrof. Baseball en football werden er op het plafond op dezelfde hoogte geplaatst als de oude Olympische sporten.

Marnix Gijsen, de stem uit Amerika, stelde in de jaren 1920 vast dat de Amerikaanse bibliotheken zich ‘dichter bij het hart des volks’ bevonden dan de Europese. Maar de ‘ontzaggelijk rijke’ Library of Congress, die vond hij maar lelijk.

Meer lezen?

John Y. Cole, On These Walls. Inscriptions and Quotations in the Buildings of the Library of Congress, Washington, DC, 1995.

Marnix Gijsen, Ontdek Amerika, Brussel en Bussum, 1927.

Tekst: Timo Van Havere. Afbeeldingen: Library of Congress, LC-DIG-npcc-30429 en LC-DIG-highsm-02218.

Het criminele lichaam als attractie

De terdoodveroordeelde misdadiger François Rosseel en zijn trawant Guillaume Vandenplas prevelden hun laatste woorden op 18 februari 1848. Op die dag maakte de guillotine prompt een einde aan hun leven. De executie van de criminelen bracht een grote menigte kijklustigen naar de Brusselse Hallepoort. Executies waren immers publieke evenementen met een grote spektakelwaarde.

De publieke terechtstelling van Rosseel en Vandenplas gold als het sluitstuk van de saga van de Saint-Remymoorden, die het publiek wekenlang in de ban had gehouden. Via een uitgebreide krantenverslaggeving konden de Brusselaars de zoektocht volgen naar de daders van een brutale drievoudige roofmoord aan het Brusselse Sint-Goriksplein. De arrestatie van het duo en hun daaropvolgende proces waren smeuïg voer voor de pers. De dood van beide moordenaars was echter nog niet het einde van de saga. Ook na hun dood wekten de geguillotineerde lichamen veel interesse.

Afgehakte hoofden

Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto J. Geleyns.)
Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz.

Lichamen van terdoodveroordeelde criminelen intrigeerden en inspireerden bijvoorbeeld kunstenaars. De excentrieke schilder Antoine Wiertz probeerde via een hypnose-experiment het gevoel van onthoofding te beleven tijdens de executie van François Rosseel. Wiertz beweerde zich te kunnen verplaatsen in het lichaam van Rosseel door middel van hypnose. Op het moment van executie deelde Wiertz dus gevoelens en gedachten met de crimineel die zijn laatste seconden aftelde en het mes van de guillotine voelde klieven. De schilder beleefde het gevoel van de onthoofding als een vreselijke sensatie. Vanuit die ervaring legde hij de gruwel van de doodstraf vast op doek.

Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait. (Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait.

Ook de anatomie van de geëxecuteerde lichamen van criminelen wekte de interesse van kunstschilders. De romantische schilder Louis Gallait bemachtigde als eerste het afgehakte hoofd van de terdoodveroordeelde moordenaar Remy Bomal na diens terechtstelling in 1851. Een half uur na de executie schilderde Gallait een gedetailleerde schets van de anatomische kenmerken, ligging en positie van het geguillotineerde hoofd. Nadien gebruikte de kunstenaar zijn verworven kennis van afgehakte hoofden ter vollediging van een historieschilderij over de zestiende-eeuwse onthoofding van Egmond en Hoorne.

Niet alleen schilders interesseerden zich in de hoofden van geëxecuteerden. Ook anatomen maakten er aanspraak op. Ze verdedigden die aanspraak vanuit hun interesse voor de frenologie, de negentiende-eeuwse hersenleer die bepaalde hersengebieden aan karaktereigenschappen trachtte te koppelen. De Brusselse artsen van het Sint-Jansziekenhuis kregen  in de jaren 1840 de toestemming van het gerecht om de hoofden van ter dood gebrachte criminelen verder te onderzoeken in het anatomisch amfitheater. Dankzij die regeling kon de anatoom Pierre-Joseph-Cécilien Simonart bijvoorbeeld publiceren over de fysionomie van de misdadiger. Simonart vergeleek de anatomische eigenschappen van een terechtgestelde met de gegevens van andere criminelen en concludeerde dat de meest ontwikkelde hersendelen van deze personen correspondeerden met bezitterigheid, een aanleg voor diefstal en geheimzinnigheid.

Een afschuwelijk spektakel

Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen.

Na de voltooiing van de verschillende experimenten werden de schedels van de misdadigers in het anatomische kabinet bewaard. De opname van hoofden in de Brusselse anatomische collectie bracht ook ongewenste aandacht met zich mee. Zo gebeurde het meerdere malen dat de toeschouwers van het executiespektakel zich nadien naar het anatomisch amfitheater begaven om het afgehakte hoofd van dichtbij te bekijken. De anatomen namen maatregelen om de tentoonstelling van de hoofden te vermijden, maar toch kon een mensenmassa verschillende malen het amfitheater binnendringen.

Bij de overdracht van het hoofd van Pierre Janssens in 1855 kwam een massa kijklustigen opdagen. Het personeel van het amfitheater riep daarom de hulp in van de politie om de menigte te beheersen, maar rapporteerde nadien dat zelfs de agenten meer interesse toonden in het hoofd van de misdadiger dan in de uitoefening van hun ambt. De hospitaaladministratie vond de tentoonstelling van de hoofden hoogst ongepast en ook de algemene pers bestempelde het voorval als een ‘afschuwelijk spektakel’. De afkeuring van de tentoonstelling van de hoofden getuigt van een veranderende spektakelcultuur waarbij het niet langer wenselijk werd geacht om wetenschappelijke collecties open te stellen voor een breed publiek.

Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.
Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.

Nochtans was het net de groeiende populariteit van de frenologie bij een niet-medisch publiek die de nieuwsgierigheid naar de echte hoofden stimuleerde. Zo rapporteerde een krant dat veel toeschouwers op het proces van Remy Bomal enkel aanwezig waren om de gelaatstrekken van een moordenaar te bezichtigen. Ook de populariserende anatomische musea (gericht op een lekenpubliek) namen kopieën van hoofden van criminelen op in hun collectie. Bezoekers maakten er verder kennis met de frenologische leer en leerden het typische uiterlijk van de misdadiger herkennen.

Vele misdadigers verwierven een zekere beroemdheid tijdens hun proces en hun faam bleef ook na hun dood verder leven. Verhalen van spectaculaire moorden werden opgenomen en rijkelijk geïllustreerd in sensatieboeken die ‘juridische drama’s’ bundelden. Wassenbeeldenmusea verbeeldden gruwelijke moordtaferelen aan de hand van poppen in hun tentoonstelling. Net omdat criminelen vaak niet werden begraven was een trip naar het universitaire anatomische museum aanlokkelijk voor het publiek om contact te maken met het lichaam van een ‘celebrity’. Voortaan werd een niet-medisch publiek het privilege ontzegd om in aanraking te komen met de relieken van het criminele lichaam. Als alternatief bezochten belangstellenden populariserende anatomische musea (met kopieën van schedels en marmeren bustes) om een glimp van de glamour van het criminele lichaam op te vangen.

Meer lezen?

Sarah Tarlow, ‘Curious afterlives: the enduring appeal of the criminal corpse’, Mortality 21 (2016), 210-228.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Afbeeldingen:  Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, foto J. Geleyns; Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel; Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.