Van prostituee tot witte engel

‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’, stond er tijdens de Eerste Wereldoorlog op het speldje van de verpleegsters van het hospitaal L’Océan in De Panne. De zin vatte perfect de rol van Belgische verpleegsters in de oorlog samen. Ze waren met enkele duizenden, vaak nog maar net opgeleid, en aan het werk in moeilijke omstandigheden. Toch slaagden ze er geleidelijk in respect af te dwingen voor het verpleegkundig beroep, dat voor de oorlog geen gunstige reputatie had.

Een moeizame start

Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in een hospice in Gent (Archief Zusters van Liefde, Gent).

Tot het einde van de negentiende eeuw waren religieuzen verantwoordelijk voor het verschaffen van verpleegkundige zorgen. Professionele scholing was daarbij onbestaande. In 1882 kwam daar voor het eerst verandering in, toen de stad Luik een theoretische en praktische cursus voor lekenverpleegsters organiseerde. Bij gebrek aan leerlingen werd deze opleiding echter twee jaar later al stopgezet. Ook Brussel gaf in dezelfde periode een eerste aanzet: in 1883 stelde de liberale burgemeester Karel Buls tevergeefs voor om een verpleegstersschool op te richten, en vier jaar later startte de socialistische arts César De Paepe met de organisatie van een beperkte verpleegstersopleiding.

Deze eerste initiatieven hadden af te rekenen met heel wat tegenstand en vooroordelen: de kloosterorden vreesden voor de aantasting van hun monopoliepositie, terwijl het geneeskundig corps bang was voor een aantasting van zijn gezag. Ook de gegoede burgerij haalde de neus op voor het in haar ogen minderwaardige beroep van verpleegster. Verpleegsters hadden toen het statuut van dienstmeid en konden soms amper lezen en schrijven.

Vooroorlogse diploma’s

Kandidaat-verpleegsters in de school van dokter Depage (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Ondanks de weerstand ging in 1902 een eenjarige opleiding voor lekenverpleegsters van start in het Stuyvenberghospitaal in Antwerpen. De echte doorbraak kwam er in 1907: in dat jaar zagen in Brussel niet minder dan drie opleidingen het licht. Onder impuls van de Raad der Godshuizen – de voorloper van het huidige OCMW – startte in het Sint-Janshospitaal een tweejarige opleiding. De Brusselse chirurg Antoine Depage begon zelfs met een driejarige opleiding. Als reactie op deze beide opleidingen voor lekenverpleegsters, ging kort daarna ook de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus van start met een eenjarige opleiding.

De wetgever reageerde opvallend snel op de nieuwe opleidingen. Op 4 april 1908 werd een koninklijk besluit goedgekeurd, waardoor verpleegsters voortaan over een bekwaamheidsdiploma moesten beschikken om hun beroep te mogen uitoefenen. De bestaande provinciale medische commissies organiseerden vanaf dan tweemaal per jaar cursussen en examens voor dit diploma. Tussen 1909 en 1914 reikten de commissies niet minder dan 4250 diploma’s uit. Ook de verpleegstersscholen van Brussel en Antwerpen leidden in dezelfde periode 300 verpleegsters op.

Een stoomcursus in Londen

Belgische verpleegsters tijdens hun opleiding in Londen (Koninklijk Legermuseum, Brussel) .

Deze verschillende verpleegstersopleidingen liepen tijdens de Eerste Wereldoorlog gewoon door. Ze ondervonden verrassend genoeg weinig tot geen hinder vanwege de Duitse bezettende overheid. Heel wat jonge vrouwen voelden zich aangesproken door het perspectief om gewonden te verzorgen, maar ook het vooruitzicht op werkzekerheid speelde een rol. De provinciale medische commissies reikten in de oorlog 1500 diploma’s uit, terwijl de verpleegstersscholen in Brussel en Antwerpen 200 verpleegsters een meerjarige opleiding verschaften. Een aantal van hen kwam terecht in hospitalen in bezet België, anderen slaagden erin om hun druk gesolliciteerde diensten aan te bieden in de fronthospitalen.

In 1915 ging onder impuls van de Belgische dokter Charles Jacobs in het King Albert’s Hospital in Londen ook een stoomcursus van start voor Belgische vrouwen die naar Groot-Brittannië waren gevlucht. Er werden 150 verpleegsters opgeleid, die dan meteen naar hospitalen in niet-bezet België of Noord-Frankrijk werden gestuurd. Ze vervingen er Britse verpleegsters, die in het begin van de oorlog hun hulp hadden aangeboden aan poor little Belgium, maar nu terug in Groot-Brittannië gingen werken.

‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’

Portret van Maria Gruwez, die als verpleegster in een Belgisch hospitaal in het Noord-Franse Gravelines werkte  (In Flanders Fields Museum, Ieper).

Door de inzet van al die gediplomeerde Belgische verpleegsters veranderde het beeld van hun beroep in de loop van de oorlog. In de eerste oorlogsmaanden heerste er nog veel wantrouwen tegenover deze jonge vrouwen, die omgingen met naakte mannenlichamen en het aandurfden hen onder de gordel te verzorgen. Grote delen van de bevolking vonden hun gedrag aanstootgevend, ze werden soms zelfs als prostituees betiteld.

Door hun deskundige zorgen en de groeiende waardering voor hun werk maakte dit wantrouwen geleidelijk plaats voor het beeld van de witte engelen: goed opgeleide vrouwen die dag en nacht klaarstonden om de gewonden te genezen, verlichten en/of troosten. ‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’, schreef een gewonde soldaat op het einde van de oorlog in het poëziealbum van een Belgische verpleegster. Het was illustratief voor de sterk gewijzigde houding tegenover het verpleegstersberoep.

Luc De Munck is student Cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over het werk van Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Titelafbeelding: Een Belgische verpleegster aan het werk in het hospitaal L’Océan (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Hoe taal een instrument van bekering werd

Gastblog door Zanna Van Loon.

De Europese ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld in 1492 door Christoffel Columbus had verregaande gevolgen. Europese ontdekkingsreizigers kwamen vanaf het einde van de vijftiende eeuw voor het eerst in contact met een tot dan toe onbekende wereld, onbereisde landschappen en tot de verbeelding sprekende, nu grotendeels uitgeroeide culturen. 1492 was het startpunt van een eeuwenlange Europese kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Die kolonisatie zette een economische en culturele uitwisseling tussen beide werelddelen in. Van mensen, ideeën en goederen, maar ook van informatie over inheemse talen.

De bekering van de Nieuwe Wereld

Zestiende-eeuwse muurschildering in het klooster van San Miguel Arcángel (Huejotzingo, Puebla, Mexico) die de aankomst van de eerste franciscanen in de Nieuwe Wereld in 1524 portretteert.

De kolonisatie van de Nieuwe Wereld verliep hand in hand met de evangelisatie van plaatselijke volkeren. Missionarissen van rooms-katholieke orden, zoals de franciscanen en de dominicanen, werden vanaf het begin aangespoord om de oversteek te maken en de ‘onwetende’ bevolking te bekeren tot het christendom. Al snel realiseerden deze Europese missieorden zich dat zij hen efficiënter ‘tot inkeer’ konden brengen door het woord van God te verkondigen in de inheemse talen. Om hun boodschap te kunnen uitdragen, verdiepten ze zich daarom in de studie van Amerindiaanse talen en stelden ze vervolgens grammatica’s, woordenlijsten en algemene beschrijvingen op om hun verworven kennis door te spelen aan opvolgers. Vanaf de zeventiende eeuw reisden ook protestantse missionarissen naar de Nieuwe Wereld met hetzelfde doel: de plaatselijke bevolking bekeren. Deze missionarisactiviteiten resulteerden eveneens in taalstudies, hetzij op een kleinere schaal.

Door zich in te laten met de studie van deze talen, verwierven Europese geestelijken inzichten in de geschiedenis, samenleving en levensstijl van inheemse gemeenschappen en kregen zij vat op de ontmoeting met ‘het onbekende’. De overgeleverde taalbeschrijvingen bieden bijgevolg een inkijk in Europese visies op de taal en op de cultuur van de Amerikaanse volkeren.

A Key into the Language of America

De titelpagina van A Key into the Language of America (Providence, John Carter Brown Library – Indigenous Collection).

A key into the Language of America: or, An help to the Language of the Natives in that part of America, called New-England, in 1643 in Londen gedrukt door George Dexter, is een mooie illustratie van hoe Europeanen naar niet-Europese culturen keken. De auteur, puriteins predikant Roger Williams (1604-1683), vestigde zich in New England in de jaren 1630 en ontwikkelde al snel een bijzondere belangstelling voor de lokale bevolking aan de oostkust: de Narragansett-indianen. Hij bestudeerde lange tijd hun levensstijl, tradities en taal. Het resultaat van zijn onderzoek was A Key into the Language of America, een overzicht van hun taal, het Narragansett, ingedeeld in dertig hoofdstukken. Williams was de eerste die structuur probeerde te brengen in de onbekende Narragansett-taal door de oorspronkelijke betekenis van inheemse woorden op schrift te brengen. Iedereen die in contact zou komen met deze indianen was volgens hem gebaat bij zijn studie.

Williams wilde de Narragansett-taal doorgronden om inzicht te verwerven in een onbekende wereld. Hij zag zijn woorden- en zinnenboek als de sleutel die may unlocke some Rarities concerning the Natives themselves. Meer nog, zijn taalstudie zou kunnen leiden tot meer kennis, omdat “A little Key may open a Box, where lies a bunch of Keyes.” De ontmoeting met niet-Europese religies en samenlevingen wekte immers fascinatie op. Williams had de taak op zich genomen om als eerste een gestructureerd overzicht te bieden van hun taal, omdat hij besefte dat kennis van een taal essentieel was om toegang te verkrijgen tot informatie over niet eerder bestudeerde culturen, tradities en levenswijzen. Wie in staat was in contact te treden met Narragansett-sprekers, kon immers informatie verwerven over hoe hun samenleving en cultuur ineenzaten.

Civilitie and Christianitie

Portret van Ninigret, hoofd van de Narragansettindianen, 1681 (Museum of Art, Rhode Island School of Design).

Williams’ taalbeschrijving was echter niet neutraal; hij wilde zijn Engelstalig lezerspubliek immers een bepaalde boodschap meegeven. Hij bood hen een hulpinstrument aan, waarmee zij het gesprek konden aangaan met de natives: als zijn lezers de Narragansett-taal machtig waren, zouden zij de indianen kunnen leiden naar de ‘echte’ beschaving en het ‘ware’ geloof. Dit motief komt sterk naar voor in Williams’ voorwoord. De lezer zou met behulp van het woorden- en zinnenboek met duizenden indianen in heel New England een gesprek kunnen voeren en hierdoor “civilitie” en “Christianitie” helpen verspreiden. Het was immers de moedige taak van de Europeaan om het christelijke licht te brengen in de duisternis: “for one Candle will light ten thousand”.

Dat de Narragansett-indianen hier naar Williams’ mening nood aan hadden, was duidelijk. Zij konden geen aanspraak maken op een beschaafde cultuur, omdat ze niet over kleren, boeken of een schrift beschikten en omdat hun voorvaderen deze elementen bovendien nooit hadden gekend. Om die redenen, schreef Williams, waren zij er gemakkelijk van te overtuigen dat de Engelse bevolking een machtigere god kende: de Heer had immers de Engelsen boven hen geplaatst op de ladder van de beschaving. Hij beschreef hen dan ook geregeld als “Rude and Clownish”, “these wild Americans” of “Barbarians” en voegde tussendoor gedichten toe, waarin hij telkens wees op het belang van de evangelisatie: “How kindly flames of nature burne in wild humanitie? Naturall affections who wants, is sure Far from Christianity.”

Het voorbeeld van Roger Williams documenteert een van de houdingen van vroegmoderne Europeanen tegenover ‘nieuwe’ talen en culturen. Ondanks Williams’ sympathie voor de Narragansettindianen bleef het Europees superioriteitsgevoel en paternalisme sterk aanwezig doorheen zijn tekst. Hoewel missionarissen zoals hij een belangrijke bijdrage leverden aan de aangroeiende kennis van niet-Europese talen, stond de overdracht van de goddelijke boodschap centraal bij het schrijven van deze taalstudies. Deze kennis was niet neutraal en de taalbeschrijvingen hadden een instrumenteel karakter. De vroegmoderne aandacht voor niet-Europese talen uit missionarishoek stond steeds ten dienste van de evangelisatie.

Zanna Van Loon is gastblogger. Ze is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar veranderende visies op taal tussen de zestiende en de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Abraham Ortelius, Theatrum Orbis Terrarum, Gilles Coppens van Diest (Antwerpen), 1570. (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, A 3802).

5x de eerste vrouw in Leuven

Het is 8 maart, Internationale Vrouwendag. Overal ter wereld voeren vrouwen vandaag actie voor gelijke rechten. Aan de Gentse universiteit vindt bijvoorbeeld een Women’s Strike plaats voor meer gendergelijkheid in de academische wereld. Het kostte vrouwen tot nog toe bijzonder veel moeite om aan de Vlaamse universiteiten binnen te breken en er op te klimmen in de hiërarchie. Ook aan de Leuvense universiteit konden vrouwen nog maar met mondjesmaat doordringen tot het professorenkorps en de hogere beleidsfuncties. We goten de moeizame vrouwelijke opmars aan de grootste universiteit van Vlaanderen in een lijstje.

  1. De eerste vrouwelijke studenten
Vrouwelijke studenten in de jaren 20. (Universiteitsarchief KU Leuven)

Bijna honderd jaar geleden, in 1920, stelde de Leuvense universiteit voor het eerst haar deuren open voor vrouwelijke studenten. Dat was een stuk later dan de universiteiten van onder meer Brussel en Gent, waar vrouwelijke studenten zich vanaf de vroege jaren 1880 konden inschrijven. Dat de Leuvense universiteit aanvankelijk niet stond te springen om vrouwelijke studenten te ontvangen, kon u eerder al lezen in een blogtekst over de Amerikaanse uitwisselingsstudente Anne B.C. Hart.

Na de Tweede Wereldoorlog schreven vrouwen zich aan de Leuvense universiteit steeds massaler in als student. Vandaag stromen er jaarlijks ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke studenten in, maar bij heel wat opleidingen is er wel een serieus genderonevenwicht. Zo rekruteert de opleiding Ingenieurswetenschappen veel meer mannelijke dan vrouwelijke studenten. Bij de opleiding Logopedische en Audiologische Wetenschappen is de situatie precies omgekeerd.

  1. De eerste vrouwelijke hoogleraar
Marguerite Lefèvre, de eerste vrouwelijke hoogleraar in Leuven.

In 1960 werd de geografe Marguerite Lefèvre de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Leuvense universiteit. Ze was toen al 66 jaar oud. Hoewel ze de taken die bij het hoogleraarschap hoorden al jaren uitoefende, talmde de universiteit bijzonder lang om haar de titel toe te kennen. De decennia nadien nam het aantal vrouwelijke professoren aan de Leuvense universiteit eerder aarzelend toe. Vandaag is iets meer dan een kwart van het Leuvense professorenkorps vrouw.

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit kreeg in het interbellum Irène Van der Bracht (niet zonder tegenkanting) als eerste vrouw de titel van hoogleraar. Zij doceerde er aan de afzonderlijke meisjesafdeling van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding. Het aantal vrouwen in het huidige professorenkorps van de Gentse universiteit benadert procentueel gezien dat van de Leuvense universiteit.

  1. De eerste vrouwelijke decaan
Katlijn Malfliet werd in 2010 de eerste vrouwelijke decaan aan de KU Leuven. (Rob Stevens)

Vrouwen stootten aan de Leuvense universiteit maar met mondjesmaat door tot het professorenkorps en binnen dat korps maakten zij ook uiterst traag promotie. Het aantal vrouwelijke professoren met de graad van gewoon hoogleraar is vandaag nog steeds erg gering. Die graad was en is nodig om – bijvoorbeeld – tot decaan van een faculteit te kunnen worden verkozen. Pas in 2010 kreeg de Leuvense universiteit met Katlijn Malfliet voor het eerst een vrouwelijke decaan, aan de Faculteit Sociale Wetenschappen. Momenteel heeft de Leuvense universiteit twee vrouwelijke decanen (op vijftien).

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit zijn momenteel alle elf decanen mannen. De universiteit had eerder wel al vijf vrouwelijke decanen (de eerste van 1978 tot 1980). Aan de Universiteit Antwerpen is vandaag een van de negen decanen een vrouw, aan de Vrije Universiteit Brussel een van de acht.

  1. De eerste vrouwelijke vicerector
De Leuvense rector en vicerectoren in 2014. Twee van de acht vicerectoren zijn vrouwen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Een trap boven de decanen staan in de universitaire hiërarchie de vicerectoren. Zij maken deel uit van de bestuursploeg van de rector. De Leuvense universiteit telt vandaag twee vrouwen in haar team van acht vicerectoren. Eén van die twee vrouwen is de eerder genoemde Malfliet, die als vicerector onder meer bevoegd is voor het diversiteitsbeleid van de universiteit. De Germaniste Emma Vorlat was de eerste vrouw die aan de Leuvense universiteit in de bestuursploeg van de rector werd opgenomen. In 1985 werd zij door rector Roger Dillemans aangesteld als groepsvoorzitter Humane Wetenschappen (toen werd voor deze functie nog niet de term ‘vicerector’ gebruikt).

Emma Vorlat in 2015. Zij was in 1985 de eerste vrouw die in de bestuursploeg van de KU Leuven werd opgenomen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Ter vergelijking: zowel aan de Universiteit Antwerpen als aan de Vrije Universiteit Brussel zijn er momenteel twee mannelijke en twee vrouwelijke vicerectoren. Aan de Gentse universiteit is er altijd maar één vicerector en dat was tot nu toe nog nooit een vrouw.

  1. De eerste vrouwelijke rector

Bij de laatste rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit moest burgerlijk ingenieur Karen Maex in de tweede rond nipt de duimen leggen tegen kerkjurist Rik Torfs. Naast Maex was ook burgerlijk ingenieur Tine Baelmans kandidaat geweest – zij waren de allereerste vrouwen die zich in de strijd om het Leuvense rectorschap hadden gegooid. Geen van beiden haalde het echter en de Leuvense universiteit kreeg in 2013 dus niet voor het eerst een vrouw aan het hoofd. Maex is intussen wel aangesteld als rector van de Universiteit van Amsterdam.

Met arts Marie De Groodt-Lasseel en historica Els Witte hadden in Vlaanderen het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (een van de voorlopers van de Universiteit Antwerpen) en de Vrije Universiteit Brussel respectievelijk van 1977 tot 1981 en van 1994 tot 2000, wel al een eerste vrouwelijke rector. Sinds 2013 is ook de Gentse universiteit met arts Anne De Paepe aan haar eerste vrouwelijke rector toe. In 2016 verkoos de Vrije Universiteit Brussel communicatiewetenschapster Caroline Pauwels als haar tweede vrouwelijke rector.

De kandidaten voor de nakende rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit zijn nog niet officieel bekend. In de Verenigde Staten stellen na de nederlaag van Hillary Clinton als eerste vrouwelijke kandidaat bij de presidentsverkiezingen heel wat ontgoochelde kiezers hun hoop op Michelle Obama. Met de hashtag ‘#Michelle2020’ porren zij de voormalige First Lady aan om zich na de eerste termijn van Donald Trump in de kiesstrijd voor het presidentschap te werpen. Wat denkt u – waar zal het glazen plafond het eerst aan diggelen gaan: aan het hoofd van het machtigste land van de wereld of aan het hoofd van de grootste universiteit van Vlaanderen?

Tekst: Liesbet Nys. Titelafbeelding: Cherchez la femme: stoet der togati bij de opening van het academiejaar 2006-2007. Fragment uit foto KU Leuven – Rob Stevens.

De grootste bom ter wereld

‘Mag ik u erop wijzen, Monseigneur, dat wij momenteel beschikken over de grootste radiumbom ter wereld.’ De boodschap komt uit een brief uit 1943. De auteur was Joseph Maisin, directeur van het Leuvense Kankerinstituut. De ‘Monseigneur’ die hij aanschreef was Honoré Van Waeyenbergh, rector van de universiteit. En de vermelde ‘radiumbom’ was geen wapentuig, maar een geavanceerd toestel om tumoren mee te bestralen. In volle oorlogstijd was het nieuws van Maisin erg welkom. ‘Een deugddoende zonnestraal in tijden van diepe crisis’, zo feliciteerde Van Waeyenbergh zijn professor. De ingebruikname van de Leuvense radiumbom was inderdaad een onverwacht succes, zowel op humanitair als op wetenschappelijk vlak – een vergeten stukje medische geschiedenis uit de oorlogsjaren.

De strijd tegen kanker

Het Kankerinstituut te Leuven. (Universiteitsarchief Leuven)

In 1928 was in Leuven het Kankerinstituut feestelijk geopend. Het was het eerste gebouw van Sint-Rafaël, de medische campus die tussen de wereldoorlogen in het Leuvense stadcentrum verrees. Er was een intensieve fondsenwerving aan voorafgegaan. Adellijke dames en rijke industriëlen schonken grote bedragen. Maar ook vrome parochianen – want het nieuwe instituut werd gepromoot als een ‘katholiek werk’ – konden voor 1 frank een steen van het Kankerinstituut sponsoren. Het was de eerste keer dat de strijd tegen kanker zo sterk was gemediatiseerd. Dankzij lokale en nationale actiecomités haalden de plannen voor het nieuwe instituut regelmatig de pers. Daarbij speelden ook ideologische belangen. ‘De eer van de katholieke wetenschap en van de Katholieke Universiteit staat op het spel!’, zo riep Van Waeyenbergh bevriende journalisten ter hulp.

Het ingezamelde geld werd gebruikt voor de bouw van het instituut, maar ook voor de uitrusting ervan: zeventig hospitaalbedden, drie nieuwe operatiezalen, toestellen voor radiografieën en, niet onbelangrijk, de aankoop van radium. Bestraling met radium werd in die tijd als de meest vooruitstrevende behandeling beschouwd, in het bijzonder voor borstkanker. De radioactieve eigenschappen van de stof maakten het mogelijk dieper gelegen tumoren te bestralen. Maar radium was ook zeldzaam, gevaarlijk en buitengewoon duur. Maisin werkte nauw samen met fysici en ingenieurs om een veilige omgeving voor die radiumtherapie te bouwen: het radium werd in glazen tubes geplaatst in een speciaal daarvoor ontworpen apparaat (de ‘radiumbom’). De bestraling zelf ging door in een soort betonnen bunker.

Radium uit Congo

De ‘radiumbom’ waarin de 7 gram radium werd bewaard. (Universiteitsarchief Leuven)

België had in die tijd het wereldmonopolie op radium. Het werd gewonnen door de Union Minière du Haut-Katanga, een mijnbedrijf dat vooral in het ertsrijke zuiden van Congo actief was. Via de Nationale Stichting tegen Kanker stelde het bedrijf radium beschikbaar aan de Belgische universiteiten. Die verdeling verliep echter moeizaam. De Union Minière zag aanvankelijk meer in één prestigieus nationaal ‘radiuminstituut’ te Brussel. Dat de Leuvense universiteit zo sterk het katholieke karakter van haar instituten benadrukte, droeg bij tot de spanningen. Maisin geraakte er door gefrustreerd. ‘Waarom laat de overheid elk jaar zoveel burgers sterven?’, klonk het hard. Naast humanitaire motieven had hij ook wetenschappelijke ambities. Met de Stichting tegen Kanker, het radium uit Congo en de kankerinstituten had België, aldus Maisin, alle troeven in handen om een internationale pioniersrol te spelen in de cancerologie.

Onverwacht succes

In 1937 kwam er een doorbraak: de Union Minière gaf 7 gram radium (geschatte waarde circa negen miljoen Belgische frank) in bruikleen aan de Leuvense universiteit voor kankerbehandeling. De Duitse inval van 1940 legde die behandeling echter lam. In de chaos van de eerste oorlogsdagen namen de Duitse troepen het radium in beslag en transporteerden het naar Duitsland. Pas na lange onderhandelingen tussen de Union Minière, de universiteit, de Stichting tegen Kanker en de Duitse bezetter werd het radium in 1941 teruggeven. Maisin had daarvoor zijn Duitse collega’s gevraagd de teruggave van het Leuvense radium te bepleiten ‘in naam van de wetenschap’. Nog onverwachter was dat de Union Minière in 1943 bijkomend radium ter beschikking stelde. Zo kon een radiumbom van 11 gram worden samengesteld, op dat moment ‘de grootste ter wereld’.

De zaal voor patiënten die op bestraling wachtten. (Universiteitsarchief Leuven)

Terwijl de oorlog onverminderd voortging, bleven kankerbehandeling en wetenschappelijk onderzoek mogelijk in Leuven. Uiteraard verliep dat soms moeizaam. Bij bombardementen vluchtten de gehospitaliseerde patiënten bijvoorbeeld uit het instituut. Ondanks die moeilijke omstandigheden was radiumtherapie een prioriteit tijdens de oorlogsjaren. De behandeling van kanker was in korte tijd uitgegroeid tot een centrale bekommernis van de overheid en de universiteit. Ook na de Tweede Wereldoorlog zette die ontwikkeling zich door. De strijd tegen kanker werd een van de belangrijkste programmapunten van het internationaal medisch onderzoek en gezondheidsbeleid.

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen.

Ervandoor met je lief in de middeleeuwen

Gastblog door Chanelle Delameillieure.

In de vroege vijftiende eeuw ontmoetten Jan en Liesbeth elkaar voor het eerst op de kermis in Antwerpen. Het koppel werd verliefd en wilde zo snel mogelijk trouwen. Dat was helaas buiten Jans vader gerekend, die weigerde om toestemming te geven voor het huwelijk. Liesbeth kwam uit  een lager sociaal milieu en was daarom geen geschikte partner voor zijn zoon…

Toch werd het geen dramatisch verhaal over onmogelijke liefde en hartverscheurend verdriet à la Tristan en Isolde of Romeo en Julia. Na de afwijzing door Jans vader nam Liesbeth het heft vastberaden in eigen handen. Met de hulp van een aantal vrienden reed ze naar Jan toe en voerde ze hem mee op haar wagen, waarna het herenigde koppel alsnog in het huwelijk trad. Jans vader was hier uiteraard niet van gediend en klaagde de schaking van zijn zoon aan bij de Antwerpse autoriteiten. Omdat Jan meerderjarig was en vrijwillig met Liesbeth was meegegaan, konden die echter niet meer doen dan een boete vorderen. Met deze sluwe list had Liesbeth Jans vader buitenspel gezet.

Lelijke mannen met baarden

‘De ontvoering van Helena’, ca. 1450-1455, wellicht door Zanobi Strozzi. Dit houten paneel was waarschijnlijk een decoratiestuk voor een meubel. (Londen, The National Gallery, inv. nr. NG591.)

Deze aandoenlijke anekdote komt niet uit een oud sprookjesboek, maar wel uit een vijftiende-eeuws Antwerps strafregister. Bovendien was dit geen alleenstaand geval, maar kwamen er in de late middeleeuwen tal van gelijkaardige schakingen voor. In 1455 sloop een andere Liesbeth bijvoorbeeld stiekem uit het huis van haar vader in Leuven om naar haar geliefde te gaan. Hierover zei ze later dat dit haar eigen keuze geweest was, en dat ‘alles wat Hendrik met haar gedaan had’ met haar instemming was gebeurd.

Zo’n vijftig jaar later verklaarde Woyeken, een vrouw die eveneens met haar minnaar was weggelopen, dat ze dit gedaan had omdat ze bang was dat haar familie haar met ‘een lelijke echtgenoot met een baard’ zou opzadelen. Deze jonge vrouwen probeerden aan de controle van hun ouders te ontsnappen door er met hun geliefde vandoor te gaan. De schakingen waren strafbaar, maar het doel, namelijk een huwelijk, werd toch vaak bereikt.

Zonder consensus geen huwelijk

Deze voorbeelden staan in schril contrast met het stereotype beeld van de middeleeuwen als een periode waarin kinderen, en dan vooral meisjes, slachtoffers waren van gearrangeerde huwelijken die hun families sociaaleconomisch voordeel opleverden. Hoewel geheime huwelijken zonder de toestemming van ouders bestraft konden worden, bepaalde het kerkelijk recht dat ze geldig en dus onontbindbaar waren. Vanaf de twaalfde eeuw benaderde de Kerk het huwelijk immers verrassend individualistisch: consensus werd de enige voorwaarde om een geldig huwelijk aan te gaan. Dit betekent dat in principe enkel de wederzijdse instemming van beide huwelijkspartners – de uitwisseling van de woorden ‘Ja, ik wil’ – volstond om te trouwen. Dankzij dit consensusprincipe konden jongeren de invloed van hun ouders omzeilen; hun medeweten, noch hun instemming waren vereist. Dergelijke ‘stiekeme’ huwelijken staan bekend als clandestiene huwelijken.

Gehistorieerde initiaal ‘S (sponsum)’ van man die een ring rond de vinger van een vrouw plaatst, ca. 1360-1375. (Londen, British Library, Royal 6 E VI, fo. 104r.)

Het consensusprincipe botste sterk met de laatmiddeleeuwse praktijk. Huwelijken konden families en hun kapitaal met elkaar verbinden en dienden dus weloverwogen te gebeuren. Het waren politieke en socio-economische aangelegenheden met als doel de invloed en het bezit van de betrokken families uit te breiden. Hoe hoger hun positie op de sociale ladder was, hoe meer economische belangen meespeelden. Stedelijke elites gingen dan ook eisen dat de lacune van het kerkelijk recht werd opgevuld door de opname van de ouderlijke toestemming als voorwaarde in het seculier recht. Vanaf de dertiende eeuw vaardigden wereldlijke overheden verschillende wetten uit. Deze charters richtten zich niet op het clandestien huwelijk, maar op het middel om zo een huwelijk aan te gaan, namelijk de schaking. In de praktijk werden deze strenge wetten zelden uitgevoerd en werd de zaak vaak in den minne geregeld.

De spanning tussen het sociaaleconomische belang van een huwelijk en de nadruk op consensus resulteerde in tal van opmerkelijke rechtszaken over clandestiene huwelijken en schakingen, waarbij verliefde koppels er samen vandoor gingen tegen de wil van hun familie.  Niet alle schakingen waren echter een romantisch gebeuren zoals in het geval van Jan, Liesbeth en Woyeken. Schakingen konden ook de vorm van gewelddadige ontvoeringen aannemen en werden dan ingezet in de strijd van families om gunstige allianties te smeden die hen aanzien en bezit opleverden. In dit geval schaakten mannen, vaak met de hulp van hun familieleden, welstellende vrouwen in de hoop om zo een voordelig huwelijk af te dwingen. Het consensusprincipe verleende dus een zekere graad van vrijheid aan individuen, maar leidde ook tot misbruik en verwarring.

De schaking als achterpoortje?

‘Roman de la Rose’, Parijs, ca. 1405. (Los Angeles, The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig XV 7.)

Geruggesteund door de Kerk beschikten jongeren over een handig middel om hun eigen huwelijk te bepalen. Toch was de schaking geen romantisch redmiddel dat massaal werd aangewend door rebelse jongeren die met hun ouders ruzieden over hun partnerkeuze. Het strategische nut van huwelijken in de late middeleeuwen werd vaak niet in vraag gesteld en kinderen konden zelf ook sociaaleconomische belangen nastreven bij de keuze van hun partner. Bovendien hielden ouders soms ook rekening met de voorkeuren van hun kroost. Hoewel jongeren zich dus niet in grote getale verzetten tegen de zakelijke manier van huwen, waren ze geen marionetten in het strategische spel van hun families. De Kerk maakte huwelijken op basis van wederzijdse instemming mogelijk en Jan en Liesbeth maakten daar dankbaar gebruik van.

Chanelle Delameillieure is gastblogger. Ze is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar huwelijksvorming in de laatmiddeleeuwse Lage Landen.

Titelafbeelding: Een koppel in een landschap, Parijs, ca. 1440-1450 door de ‘Bedford-meester’. (Los Angeles, The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig IX 6, fol. 4.)

Negen middeleeuwse helden

De middeleeuwse mens hield van lijstjes maken. Er waren tal van lijsten van geleerden uit de klassieke oudheid. Er werden lijsten opgesteld om de diverse deugden te illustreren. Ook de bekende bestiaria zijn eigenlijk niet meer dan een opsomming van diersoorten. De meeste lijsten werden telkens door de auteur zelf samengesteld. De lijst van ‘de negen besten’ was echter ander type. De vorm ervan lag al op voorhand vast.

Koning Arthur als lid van de negen besten, detail wandtapijt (ca. 1400). Metropolitan Museum of Art.

‘De negen besten’ is een lijst van negen heersers en ridders uit de geschiedenis en mythologie. Ze moesten het ideaalbeeld van de ideale heerser tonen. De negen heersers zijn ingedeeld in drie groepen: de heidense, de joodse en de christelijke. De lijst zou rond 1300 ontstaan zijn in de Nederlanden met het anonieme gedicht Van neghen den besten dat door sommigen aan Jacob van Maerlant wordt toegewezen. Vanuit onze gewesten verspreidde de lijst zich razendsnel doorheen Europa. In de loop van de zeventiende eeuw verloor de lijst aan populariteit om in de achttiende eeuw volledig te verdwijnen. Vandaag zijn weliswaar enkele individuen uit de lijst nog wel bekend, de lijst zelf is al lang geen gemeengoed meer.

De negen besten waren ontzettend populair aan het hof en in aristocratische kringen. Zo schreef Jean Molinet in 1467 een lofdicht voor de pas overleden Bourgondische hertog Filips de Goede waarbij hij liet uitschijnen dat de gestorven hertog de eervolle lijst van helden vervoegde. Maar ook in het stedelijke milieu was het een bekend thema. Zo werden de negen besten afgebeeld in het oudste deel van het stadhuis van Keulen (1330) waar ze als prototype van rechtvaardige heersers het goede voorbeeld gaven. Ze werden ook vaak opgevoerd tijdens Blijde Intredes en andere processies. Maar ook in kerkelijke milieus werd de lijst vernoemd. Deze teksten stelden aan de lezer de retorische vraag waar de helden gebleven waren. Door de dood van deze helden centraal te stellen, wezen deze teksten vooral op de sterfelijkheid van de mens.

Godfried van Bouillion, detail fresco I Nove Prodi in Castello della Manta, Italië, ca. 1420

Ook alternatieve lijsten zagen al snel het licht. Zo werden de negen helden soms vergezeld door negen beste vrouwen, hoewel er discussie was over de samenstelling van deze lijst. Geen andere lijst werd echter zo populair of was zo wijdverspreid. Zowel in de literatuur als in de kunst was hun invloed enorm. De volgende keer dat je dus enkele heerschappen uit de lijst tegenkomt, is het nu op een schilderij, in een boek of op een gevel, besef dan dat het gaat om een (gedeeltelijke) weergave van de populairste lijst uit de late middeleeuwen.

De negen besten

  1. Hector

Hector was de zoon van Priamos, koning van Troje. Tijdens de Trojaanse oorlog was hij de belangrijkste verdediger van de stad tegen de Griekse aanvallers. Uiteindelijk werd hij door Achilles in een duel gedood, waarna de goden zijn lichaam beschermden tegen de mishandelingen van Achilles.

  1. Alexander de Grote

Alexander de Grote was koning van Macedonië en bouwde via zijn veroveringstochten een rijk uit van aan de Ionische Zee tot aan de Himalaya. Uiteindelijk stierf hij op 32-jarige leeftijd aan een onbekende ziekte.

  1. Julius Caesar

Julius Caesar was generaal en alleenheerser van Rome en vooral bekend van zijn verovering van Gallië. Hij werd door zijn politieke tegenstanders vermoord.

Houtsnede met daarop de drie heidense helden: Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar.
  1. Jozua

Jozua was een vertrouweling van Mozes en nam het leiderschap van Israël over na diens overlijden. Hij veroverde verschillende gebieden voor de joden en verspreidde zo mee het Jodendom.

  1. David

David was koning van Israël en stond bekend als een goed en rechtvaardig heerser. Hij versloeg Goliath in een heldhaftig duel. In de middeleeuwen geloofde men dat hij een voorvader was van Jozef, de stiefvader van Jezus.

  1. Judas Maccabeüs
Judas Maccabeüs.

Judas Maccabeus of Judas de Makkabeeër was een van de leiders van de Makkabese opstand. Hij veroverde de tempel en liet hem reinigen. Hij zou uiteindelijk sterven op het slagveld en het einde van de opstand niet meemaken.

  1. Arthur

Arthur was de legendarische koning van Brittannië en aanvoerder van de ridders van de ronde tafel. Hij was een populair figuur in de middeleeuwse literatuur.

  1. Karel de Grote

Karel de Grote was een Frankisch heerser die in 800 door de paus tot Keizer werd gekroond. Hij veroverde nieuwe gebieden en volkeren die hij vervolgens liet bekeren tot het christendom. Na zijn dood ontstonden al snel verschillende verhalen en legenden over hem.

  1. Godfried van Bouillon

Godfried van Bouillon was een held van de eerste kruistocht. Hij speelde een sleutelrol bij de verovering van Jeruzalem en verwierf zo faam bij zijn tijdgenoten. Hij kreeg de titel beschermer van Heilig Graf en zou ook in Jeruzalem sterven.

Meer lezen

De transcriptie van het Middelnederlandse gedicht Van neghen den besten.

W. Anrooij, Helden van weleer: de Negen Besten in de Nederlanden (1300-1700), Amsterdam, 1997.

Tekst: Hannelore Franck. Titelafbeelding: De negen besten op het stadhuis van Keulen, Elke Wetzig, Wikimedia Commons.

Vluchtelingen in middeleeuws Vlaanderen

Gastblog door Hendrik Callewier.

Vluchtelingen zijn geen recent fenomeen in West-Europa.  Al in de vijftiende eeuw zochten religieuze en politieke vluchtelingen uit het huidige Turkije en omstreken in Vlaanderen hun toevlucht. De inwoners van de Vlaamse steden maakten in deze periode ook kennis met andere vreemdelingen. De lokale bevolking verruimde zo haar blik op de wereld.

De val van Constantinopel

De val van Constantinopel, miniatuur, na 1455 (Parijs, Bibliothèque Nationale de France).

In 1453 veroverden de Turkse Ottomanen Constantinopel (het huidige Istanbul). Daarmee kwam een einde aan het christelijke Byzantijnse rijk, de opvolger van het Oost-Romeinse rijk. Het nieuws over de val van Constantinopel ging als een schokgolf door Europa. Nu het belangrijkste christelijke bastion in het Midden-Oosten gevallen was, stond de poort open voor de sultan en zijn troepen.

De Ottomanen hadden in Constantinopel een waar bloedbad aangericht, dat nog eeuwen tot de verbeelding zou spreken. Slechts een gedeelte van de bevolking kon ontkomen. Een groot deel daarvan kwam terecht in Italië, waar sommige Byzantijnen, door tijdgenoten Grieken genoemd, een belangrijke rol zouden spelen in het doorgeven van de antieke cultuur. Een minderheid van de Griekse vluchtelingen zocht zijn heil in Noordwest-Europa.  Vooral de Bourgondische Nederlanden waren een geliefde bestemming. Dat had veel te maken met de figuur van de Bourgondische hertog Filips de Goede. In 1454 zwoer hij publiekelijk op een banket in Rijsel op kruistocht te gaan tegen de Turken. Dat plan zou hij echter nooit realiseren.

Griekse vluchtelingen, zigeuners en Afrikanen in Vlaanderen

Jan Mostaert, Portret van een Afrikaanse man, ca. 1520-1530 (Amsterdam, Rijksmuseum).

De kruistochtplannen van de hertog maakten een aantrekkelijke bestemming van Vlaanderen, politiek en economisch gezien de belangrijkste regio van het Bourgondische rijk. Vooral in de periode 1450-1480 was er een opmerkelijke aanwezigheid van Griekse vluchtelingen aan het Bourgondische hof en in quasi alle grote en kleine steden van Vlaanderen. Van humanitaire of andere visa was geen sprake. Voor vluchtelingen was het vooral van belang dat ze een aanbevelingsbrief van de hertog konden bemachtigen. Met deze brief in de hand trokken ze van stad naar stad om aalmoezen te verkrijgen. Deze aalmoezen dienden soms ook voor het vrijkopen van familieleden die door de Turken waren gevangengenomen.

In dezelfde periode kregen de Vlaamse steden ook andere vreemdelingen over de vloer. De zigeuners, die zichzelf presenteerden als “koningen en graven” uit (Klein-)Egypte (ofwel “gypten”), kwamen voor het eerst naar Vlaanderen in 1420. Ook zij waren naar eigen zeggen op de vlucht voor oprukkende moslims en presenteerden zich als “religieuze vluchtelingen”.

Nog merkwaardiger was het bezoek van “Ethiopiërs” en “Indiërs” aan Vlaanderen. Die aanduidingen sloegen eerder op de zwarte huidskleur van de bezoekers, dan op hun precieze geografische herkomst. Ook hen vinden we, zij het in beperkte aantallen, in de meeste Vlaamse steden terug. Ze werden in verband gebracht met “Pape Jan”, volgens de legende de priester-koning van een geïsoleerd christelijk rijk, dat aanvankelijk in Indië, maar later in Ethiopië werd gesitueerd. Sommige van deze bezoekers presenteerden zich als pelgrims, anderen hadden een officiële missie: ze waren door de Ethiopische vorst naar Europa gestuurd om een bondgenootschap af te sluiten.

Hoe Balthazar een zwarte koning werd

De meeste van de exotische bezoekers trokken rond, alleen of in groep. Van een permanente vestiging was zelden sprake, waardoor het contact met de lokale bevolking beperkt bleef. Slechts een enkeling bleef in Vlaanderen, bijvoorbeeld om in dienst te treden van de Bourgondische hertog.

Hans Memling, Aanbidding der wijzen, 1479 (Brugge, Memlingmuseum).

De inwoners van de Vlaamse steden schipperden tussen nieuwsgierigheid en christelijke gastvrijheid enerzijds en xenofobe vijandigheid anderzijds. Zo keek de lokale bevolking vreemd op bij het aanschouwen van de Griekse bezoekers, met hun merkwaardige kledij, haartooi en taal. Er ontstond ook twijfel over de oprechtheid van bepaalde vluchtelingen. Toen bleek dat sommige zigeuners zich schuldig maakten aan diefstallen en andere bedenkelijke activiteiten, werden ze in toenemende mate als ongewenste gasten beschouwd. Aanvankelijk boden de steden hen onderdak, wijn en aalmoezen, maar later werd hen veeleer een “oprotpremie” uitbetaald. Ook sommige Afrikanen leken eerder avonturiers of bedriegers. De astroloog Hans, bijvoorbeeld, trok in het gezelschap van andere zogezegde ambassadeurs uit het Midden-Oosten in de zomer van 1461 door Vlaanderen. Hij beweerde Pape Jan te vertegenwoordigen, maar historici zijn het er over eens dat de man een oplichter was.

In elk geval werd het wereldbeeld van de Vlamingen verruimd: ze maakten kennis met vreemdelingen met een ander uiterlijk, andere gewoonten, en in sommige gevallen ook een ander geloof. De gewijzigde iconografie van de Drie Koningen is kentekenend voor deze verruiming van de horizon. Vanaf de late veertiende eeuw werd koning Balthazar namelijk meer en meer als een zwarte in plaats van een blanke man voorgesteld. In Vlaanderen brak dat beeld door in de tweede helft van de 15de eeuw. De eerste “aanbidding der wijzen” met een zwarte Balthazar is toe te schrijven aan Hans Memling  (1479). Wellicht had hij in Brugge met zijn eigen ogen vreemdelingen met een donkere huidskleur gezien. Steeds meer drong het besef door dat een deel van de wereld anders was.

Meer lezen

Hendrik Callewier, ‘“Uit het land van Pape Jan”: zigeuners, vluchtelingen en andere exotische bezoekers van middeleeuws Kortrijk’, De Leiegouw, 58 (2016), 221-240.

Jonanthan Harris, Greek emigrees in the West 1400-1520, Camberley, 1995.

Jean Paviot, Les ducs de Bourgogne, la croisade et l’Orient (fin xive siècle-xve siècle), Parijs, 2003.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is diensthoofd van het Rijksarchief Kortrijk en als gastdocent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven campus Kulak Kortrijk. Zijn interesse gaat uit naar de stadsgeschiedenis van het laatmiddeleeuwse Vlaanderen.

5 revolutionaire uitvindingen waar niemand in geloofde

In de negentiende en vroege twintigste eeuw oefenden wereldtentoonstellingen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Het waren feesten van vooruitgang, waar je kennis kon maken met nieuwe vormen van entertainment maar ook met de allerlaatste technologieën. Bovenal waren het manifestaties van het industriële kapitalisme. Een groeiend aantal (massa)producenten zocht internationale afzetmarkten voor hun producten en de wereldtentoonstellingen boden hen een manier om miljoenen potentiële klanten te bereiken.

De wereldtentoonstelling bracht echter niet voor alle fabrikanten het verhoopte succes. Dit is een lijst van uitvindingen die op een wereldtentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond werden en daar maar weinig succes kenden. Na technologische verbeteringen konden ze toch een belangrijke plaats in onze moderne samenleving veroveren.

  1. De ritssluiting (Chicago World’s Fair, 1893)

Het vroegste idee voor een ritssluiting kwam van de Amerikaan Elias Howe, die er in 1851 een patent op nam. Verdere stappen ondernam Howe echter niet, vermoedelijk omdat hij het te druk had met het op punt stellen van een andere uitvinding, de naaimachine.

Pas 44 jaar later bedacht Withcomb Judson, een mechanisch ingenieur uit Chicago, een sluiting gelijkaardig aan wat Howe had beschreven in zijn patent. Hij ontwierp een metalen treksluiting bestaande uit twee rijen, eentje met ogen en eentje met haken, die in elkaar konden grijpen. Nadat hij in 1891 een patent op zijn uitvinding had verkregen, startte hij een bedrijfje op in Hoboken, New Jersey, om de sluiting te commercialiseren. In 1893 toonde hij de meest recente versie op de Wereldtentoonstelling in Chicago. Er was helaas één fundamenteel probleem: de sluiting ging steeds vanzelf terug open. Het mag dan ook niet verbazen dat onder de 20 miljoen bezoekers aan de Chicago World’s Fair er maar één geïnteresseerde koper gevonden werd: de U.S. Postal Service  kocht 20 exemplaren om er hun postzakken mee af te sluiten.

De ritssluiting werd niettemin nog niet afgeschreven. Na jaren van studie werd in 1913 binnen het inmiddels overgenomen bedrijf van Judson, de Universal Fastener Company, alsnog een goedwerkende rits ontworpen. Het was de Zweeds-Amerikaanse ingenieur Gideon Sundback die dit voor elkaar kreeg door de haken en ogen te vervangen door tandjes en inkepingen. De timing zat goed: de ritssluiting stond net voor de Eerste Wereldoorlog op punt en vond een gretige afnemer in het Amerikaanse leger.

Het duurde nog twintig jaar om de mode-industrie te overtuigen van het nut van een ritssluiting. Er waren immers voldoende en prima alternatieven voorhanden. De producenten van ritsen en hun marketingafdelingen wisten rond het midden van de jaren 30 ten slotte toch een brede markt aan te boren, in eerste instantie door handig in te spelen op het (imaginaire) probleem van wat in het Engels ‘gaposis’ wordt genoemd, namelijk de ongewenste inkijk via de gaten tussen de knoopsluiting van strak zittende kledij. Ritssluitingen werden gepromoot als de oplossing voor dit gênante fenomeen. Een ander verkoopargument, namelijk dat de ritssluiting het uitkleden aanzienlijk versnelde, wist dan weer de meer warmbloedige consumenten te overtuigen.

  1. De zelfrijdende auto (New York World’s Fair, 1964)

Al in 1939 werd op de wereldtentoonstelling in New York gedroomd van zelfrijdende auto’s, die via radiobesturing vanuit een centrale toren veilig en vlot over de autostrade zouden geleid worden. In 1964 konden bezoekers aan het paviljoen van General Motors op de New York World’s Fair een prototype van een zelfrijdende auto bewonderen, de Firebird IV. Net als zijn eerdere naamgenoten was het ontwerp van deze auto geïnspireerd door de vormgeving van vliegtuigen en straaljagers in het bijzonder. Ondanks zijn aerodynamische uiterlijk haalde de Firebird IV geen hoge snelheden, want de auto was nog niet operationeel. Met het ontwerp wilde GM hun toekomstbeeld presenteren van een auto die zijn passagiers zelf doorheen het verkeer op de autosnelweg zou loodsen en dit tegen tweemaal de toen gangbare snelheid. De bestuurder zou zelf terug controle over het voertuig krijgen zodra hij de snelweg verliet.

Maar verder dan het prototype geraakte General Motors niet en het idee werd in de vroege jaren 1980 naar de prullenmand verwezen. Twee decennia later werd het terug opgepikt en de droom van GM is intussen bijna werkelijkheid.

  1. De faxmachine (Great Exhibition, Londen, 1851)
Image Courtesy of Old School Ads (via BizTech)

Het concept van de faxmachine  bestaat al sinds 1843, toen de Schotse uurwerkmaker Alexander Bain een patent nam op een ‘kopieertelegraaf’. Het principe behelst een elektrische machine met twee slingers, één in de verzender en één in de ontvanger, die gesynchroniseerd bewegen. Het lukte Bain echter niet meteen dit principe ook succesvol in de praktijk te brengen. De Brit Frederick Bakewell slaagde hier, dankzij zijn technologische verbeteringen aan Bains ontwerp, wel in. Hij demonstreerde zijn werkende machine op de Great Exhibition in Londen in 1851, tot grote ergernis van Bain, die gelijktijdig met een verbeterde versie kwam.

Ondanks verdere aanpassingen die toelieten om niet enkel handgeschreven berichten maar ook afbeeldingen over grote afstanden verzenden en ontvangen, bleef de grote doorbraak van de faxmachine uit. Er bleven immers teveel praktische problemen mee verbonden, zoals synchronisatie en de hoge kost voor de gebruikers. Het publiek dat op de New Yorkse wereldtentoonstelling van  1939 de eerste echt commercieel levensvatbare versie van de fax te zien kreeg, was zich er dan ook niet van bewust dat de uitvinding toen al bijna 100 jaar oud was. Grootschalig succes en zelfs een hip imago kende de fax uiteindelijk pas in de jaren 1970 en 1980, tijdens het yuppie –tijdperk.

  1. Een drijvende stad (Okinawa Ocean Expo, 1975)

Lang voor het Seasteading Institute in 2008 haar onderzoek startte naar de mogelijkheden van permanente, op zee drijvende steden, tekenden Japanse architecten al plannen voor drijvende luchthavens. Op de Expo’75 in Okinawa, een thematische wereldtentoonstelling gewijd aan oceanen en oceanografie, stelden ze bovendien hun plannen voor om delen van de oceaan te urbaniseren. De blikvanger van de tentoonstelling was Aquapolis, een drijvende stad ontworpen door de Japanse architect Kiyonori Kikutake en een prototype voor woongemeenschappen op zee.

  1. Humanoïde robots (New York World’s Fair, 1939)

Elektro, de robot die werd ontworpen en gerealiseerd door de Westinghouse Electric Corporation tussen 1937 en 1938, was zeker niet de eerste humanoïde robot. Al in 1495 bijvoorbeeld realiseerde Leonardo da Vinci een mechanische ridder die verschillende maar zeer eenvoudige handelingen kon uitvoeren zoals zitten, staan en de armen bewegen. Ook Elektro had buiten zijn amusementswaarde weinig te bieden – hij kon geen huishoudelijke taken op zich nemen of mensen anderszins assisteren. Bij zijn publieke debuut op de wereldtentoonstelling van 1939 was hij echter voor zowat alle bezoekers de eerste ontmoeting met een menselijk uitziende robot en met zijn lengte van 210cm en goudkleurige aluminium aankleding was hij een indrukwekkende verschijning. Hoewel Westinghouse honderdduizenden dollars investeerde in Elektro, beknotte de rudimentaire technologie van de dag echter letterlijk zijn bewegingsruimte. Hij kon 26 simpele handelingen uitvoeren, zoals wandelen, ballonnen opblazen en roken(!) en 700 woorden zeggen dankzij de 78-toerenplaat in zijn massieve borstkas.

Ondanks dit bescheiden repertoire werd hij de ster van de expo. Bezoekers waren diep onder de indruk van zijn spraakvermogen en van hoe hij in staat was orders te begrijpen en uit te voeren. Bij zijn verschijning op het balkon waar hij zijn kunsten aan het publiek toonde, overschouwde Elektro dan ook in de regel een massa mensen zoals enkel de grootsten der volksmenners die op de been konden brengen. Hij belichaamde het eindeloze vooruitgangsoptimisme dat de wereldtentoonstellingen zo graag wilden uitdragen.

Helaas voor Elektro was de wereld een heel andere plaats na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe tijdperk leek hij hopeloos verouderd, een restant uit eerdere, naïevere tijden. Hij werd dan ook enkel nog als onschuldig entertainment ingezet in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Toen hij ook daar de stempel ‘oubollig’ kreeg, moest Elektro elders aan de bak. Zijn ‘carrière’ bereikte in 1960 een dieptepunt met een rol in de film Sex Kittens Go to College (1960).

Terwijl humanoïde robots vandaag de dag een belangrijke rol spelen in allerhande soorten wetenschappelijk onderzoek, wordt ook de amusementswaarde van dergelijke robots weer geapprecieerd en worden ze vanuit die optiek meer en meer ingezet in de zorgsector. Een comeback van Elektro is dus nog niet uitgesloten.

Tekst: Nelleke Teughels. Titelafbeelding: Hall of Inventions, New York World’s Fair, 1940.

De ontheemde archivaris

Tespesius Dubiecki voelde zich thuis in Aat. De Poolse banneling stelde namelijk vast dat dat Henegouws stadje een Slavische oorsprong had. Belgische historici konden dat niet weten, maar voor Dubiecki was het duidelijk dat de oorspronkelijke Athois tot dezelfde familie behoorden als bijvoorbeeld de Kroaten en de Dalmatiërs. Wat een verrassing!

Tijdens de rest van de negentiende eeuw onderschreven verschillende lokale historici de opmerkelijke these. Pas na zestig jaar werd ze definitief afgewezen. Deze geschiedenis was immers niet op authentieke documenten gestoeld. Een opmerkelijke kritiek, want het was Dubiecki die in de jaren 1840 als eerste orde had gebracht in het stadsarchief van Aat.

Het succes van Dubiecki

De titelpagina van Dubiecki’s La ville d’Ath. Son antiquité, son origine slave, ses époques remarquables, ses archives communales, ses monuments et édifices publics, ses environs, etc. (Brussel, 1847).

De Gemeentewet van 1836 verplichtte ieder gemeentebestuur zijn archief te inventariseren. Vaak ging het om erg oude stukken, die niemand nog kon lezen. Ook Aat werd met dat probleem geconfronteerd, tot Dubiecki zijn diensten aanbood. In vijfhonderdvijfenvijftig dagen rondde hij de inventarisatie af. Amper twintig jaar later werd zijn werk weliswaar volledig overgedaan, omdat de Pool ‘zonder zorg en zonder nauwgezetheid’ zou hebben gewerkt, maar zijn initiële succes toonde dat een wijdverbreide opvatting ongegrond was: niet enkel oude ambtenaren, die tijdens het Ancien Régime zelf archiefstukken hadden voortgebracht, waren in staat met oude archieven om te gaan.

Dat was een erg gelukkige ondervinding, want dergelijke functionarissen waren omstreeks 1840 erg schaars geworden. Van de overblijvende bejaarden kon bovendien niet veel activiteit meer worden verwacht. Dat alles maakte het inventariseringswerk misschien wel lastiger, maar niet onmogelijk. Als zelfs een buitenlander met het archief overweg kon, behoorden die stukken niet langer enkel toe aan een selecte groep van ingewijden. Middeleeuwse stukken waren trouwens al voor veel achttiende-eeuwse ogen onleesbaar – en dus onbruikbaar – geweest.

Archivalische verlangens

Een geordend archief moest in een geschiedenis worden gegoten. Dat deed ook Dubiecki, met zijn bijzondere ontdekking. Zijn verlangen naar zijn geboortegrond was misschien wel opmerkelijk, maar eigenlijk niet uitzonderlijk. In Frankrijk had Augustin Thierry enkele jaren eerder opgetekend dat geen enkele geschiedenis zozeer aansprak als de eigen geschiedenis. Deze woorden werden ook in België met veel enthousiasme gelezen. En de historicus bij uitstek van die geschiedenis, was de plaatselijke archivaris. Dat Dubiecki zo graag wilde bewijzen dat hij in Aat thuishoorde, toont een ander diepgeworteld idee: een archivaris kon enkel in zijn geboortestad werken.

Victor Hermans, Mechelaar van verdienste.

‘Hoewel niet uit de stad afkomstig, want geboren in Antwerpen in 1841, durf ik hopen dat u mijn sollicitatie in overweging zult nemen,’ schreef J.J.P. Vanden Bemden in 1870 in zijn sollicitatiebrief voor de post van Mechels bibliothecaris-archivaris. Het stadsbestuur koos niet voor hem, maar dat had niet noodzakelijk met zijn afkomst te maken. De nieuwe stadsarchivaris was namelijk geboren in Maastricht. Niettemin klonk het veertig jaar later nog altijd dat Victor Hermans ‘weliswaar zonder Mechelaar van geboorte te zijn, toch het mooie Mechelse devies kon overnemen, wat betreft zijn gehechtheid aan oudheden: In fide constans’. Pas na lang en ijverig werken kon ook deze archivaris zich een plaats in de stad verwerven.

De professionele archiefwerker

Achter deze romantische gehechtheid aan de eigen streek school ook een praktische overweging. Wie de functie van archivaris met succes wilde uitoefenen, moest kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving. Bijgevolg was het onmisbaar vertrouwd te zijn met die geschiedenis. Een baan in een archief was bovendien zelden voltijds. Veel archivarissen kregen maar een karig loon. Bij voorkeur werd dan ook iemand aangesteld die al een andere betrekking had, bijvoorbeeld een leraar uit een van de scholen in de stad.

Het examen voor werknemers van de Rijksarchieven omvatte zowel een theoretische als een praktische proef. Vanaf 1903 moesten de examinandi hun kennis van zowel het oud-Frans als het oud-Nederlands bewijzen. Op die manier konden ze als archivaris in het hele land worden ingezet.

De zoektocht naar nieuw personeel voor de provinciale Rijksarchieven verliep oorspronkelijk gelijkaardig. In een universiteitsstad als Gent was het niet moeilijk om in de onmiddellijke omgeving een geschikte kandidaat te vinden, maar bijvoorbeeld in Doornik of Aarlen was de spoeling maar dun. Toch verdween deze lokale verankering pas aan het einde van de negentiende eeuw, toen het archivarissenambt sterk professionaliseerde. Vanaf 1895 moest iedereen die in een Rijksarchief wilde werken, een examen afleggen. Een jonge, actieve groep van gediplomeerde archivarissen ontstond, uitgerust met vaardigheden die overal konden worden ingezet. Op het ritme van hun promoties verhuisden zij van provincie naar provincie.

De lokale verankering werd uiteindelijk ook voor stadsarchivarissen minder belangrijk. Ze verdween echter niet helemaal. Hedendaagse archiefinstellingen plaatsen zich graag midden in het milieu waarvan ze de geschiedenis documenteren. Een archivaris uit de eigen streek kan daar misschien bij helpen, maar onontbeerlijk is dat niet. De Slavische redeneringen van Dubiecki hebben niet alleen hun grond, maar ook hun archivalische noodzaak verloren.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Titelafbeelding: De ‘Tour Burbant’ in Aat werd volgens Dubiecki vóór 300 gebouwd. Zijn theorie vereiste een dergelijke hoge ouderdom van de stad. In werkelijkheid werd de donjon pas omstreeks 1166 opgericht.

4 manieren om embryo’s te bemachtigen in de negentiende eeuw

De vroege stadia van de zwangerschap waren in het begin van de negentiende eeuw een medisch mysterie. De menselijke eicel werd pas ontdekt in 1827; Oscar Hertwig beschreef het principe van de bevruchting voor het eerst correct in 1876. In populaire voorstellingen werd het ongeboren leven veelal weergegeven als een kind in klein formaat: zwangerschap was in deze reeksen geen proces van ontwikkeling, maar louter van groei.

Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.
Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.

In een periode waarin studies over vrouwelijke anatomie frequent verschenen en de vergelijkende embryologie een hoge vlucht nam, bleef de kennis over de menselijke bevruchting en over de ontwikkeling van het menselijke embryo beperkt. Hoewel dit vandaag eigenaardig lijkt, is er een logische verklaring voor de trage ontwikkeling van de menselijke embryologie. In een tijdperk waarin er geen in-vitro technologie bestond, was het niet evident om zicht te krijgen op de eerste dagen en weken van de zwangerschap. Om embryo’s onder hun microscoop te krijgen, waren anatomen aangewezen op hun creativiteit – en op een flinke portie geluk.

  1. Miskramen

In de negentiende eeuw was de meest voorkomende ‘bron’ van embryo’s het miskraam. Wanneer vrouwen in het ziekenhuis onverwacht bloed verloren, grepen medici naar de microscoop in de hoop een embryo te ontdekken. Ook gewone vrouwen leerden om een arts te raadplegen bij abnormaal bloedverlies. De ontwikkeling van de embryologie ging zo hand in hand met een medicalisering van het miskraam, dat niet langer ‘afval’ of ‘klonters bloed’ maar een belangrijk medisch object produceerde: het embryo. Dit had gevolgen voor de ervaring van de zwangerschap: door de ontwikkeling van de embryologie werd het ongeboren leven vroeger als mens (h)erkend.

  1. Per post

In de tweede plaats waren embryologen afhankelijk van hun netwerk om ‘onderzoeksmateriaal’ te verkrijgen. Studenten en alumni werden aangemoedigd om bij interessante gevallen hun professor te contacteren. Dit was aantrekkelijk voor hen, omdat het gepaard ging met professioneel prestige. Een schenking van een interessant preparaat aan het anatomische museum betekende immers een vermelding van hun naam in wetenschappelijke genootschappen en tijdschriften. Om deze reden werden embryo’s en foetussen soms zelfs opgestuurd per post.

  1. Geluk bij autopsie

Miskramen brachten voornamelijk embryo’s voort met een lichamelijke beperking of pathologie, waardoor embryologen moeilijk zicht kregen op de normale ontwikkeling van het ongeboren leven. Daarom spoorden ze pathologen die een autopsie uitvoerden aan om steeds de inhoud van de baarmoeder te bekijken. Je wist immers nooit of de vrouw op de autopsietafel zwanger was geweest. In 1871 zwijmelde een Brusselse embryoloog van blijdschap:

“Een foetus van de eerste maand, integer en omringd door alle relevante organen… Deze vondst leidt tot een zeldzame vorm van geluk bij een oplettende arts.”

  1. Kweekprogramma’s
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.

Om hun kans op dit ‘zeldzame geluk’ te vergroten, gingen embryologen in de jaren 1930 over tot geplande programma’s. De Boston Egg Hunt, georganiseerd door het Carnegie instuut, is vandaag het bekendst. In dit project hoopten embryoloog John Rock en patholoog Arthur Hertig door middel van gynaecologische operaties embryo’s jonger dan veertien dagen oud te vinden. Hiertoe rekruteerden ze getrouwde vrouwen van minder dan 45 jaar oud met minstens twee kinderen, die een hysterectomie (een verwijdering van de baarmoeder) moesten ondergaan. Ze werden gevraagd om een dagboek bij te houden over hun menstruatiecyclus, lichaamstemperatuur en seksleven. Deze data bepaalden de planning van hun operatie, die meestal plaatsvond vlak na de eisprong om zo de kans op wetenschappelijk succes te vergroten. De 34 embryo’s die Rock en Hertig vonden bij 211 onwetende vrouwen, vormen nog steeds de basis voor onze voorstelling van de vroegste 17 dagen – of ‘Carnegie stages’ 1 tot 5 – van het menselijke leven.

Het resultaat

Dankzij deze vier methoden werd de menselijke ontwikkeling in kaart gebracht. In populaire voorstellingen werden de gevonden embryo’s en foetussen gerangschikt van klein naar groot – van bevruchting tot bevalling. Deze reeksen gingen steeds meer de schoonheid en het vernuft van het ongeboren leven belichamen. Toch berustten de eerste representaties van het zich ontwikkelende embryo op miskramen, doodgeboortes en abortus. In een tijdperk zonder in-vitro technologie kon kennis over het leven slechts verkregen worden via de omweg van de dood.

Tekst: Tinne Claes. Titelafbeelding: Hermann Friedrich Kilian, Geburtshülflicher Atlas in 48 Tafeln und erklärendem Texte (Dusseldorf 1835-44). Wellcome Library, London (CC-BY-4.0).