Wat Bevergem ons leert over de gemeentefusies

Gastblog door Hendrik Callewier.

In het najaar van 2015 maakte televisiekijkend Vlaanderen kennis met de serie Bevergem. Het fictieve dorp is een karikatuur van een kleine West-Vlaamse plattelandsgemeente. Bij de Bevergemnaren ligt de fusie met het al even denkbeeldige Ruddervelde zwaar op de maag. Gelukkig zijn er de ‘Zeugefeesten’, waar de onvrede van de personages op folkloristische wijze wordt gekanaliseerd. Co-scenaristen Bart Vanneste, alias Freddy Devadder, en Wannes Cappelle lieten zich inspireren door hun geboortestreek, waar de gevoeligheden die in Bevergem worden uitvergroot, ook volop terug te vinden zijn. De gemeentefusies zorgden er vaak voor een versterking van de dorpsidentiteit.

Heimwee naar het dorp

Wim Willaert als ‘Beir’ van Bevergem

Begin jaren 1970 werden de eerste plannen voor de Belgische gemeentefusies bekend gemaakt. Het doel van die fusies was in de eerste plaats door schaalvergroting kleinere entiteiten levensvatbaar te houden en een efficiënter bestuur te bezorgen. Tegenstanders vreesden echter dat de fusies niet alleen het einde van de zelfstandigheid, maar ook van de eigenheid van hun dorpsgemeenschap betekenden. De fusies versterkten het bestaande doembeeld van de landelijke dorpen die plaats moesten ruimen voor beton en vooruitgang. Toenemende verstedelijking en industrialisering stonden volgens sommige dorpsbewoners en politici gelijk aan een verlies van lokale identiteit. Velen kenden nog de ‘goede oude tijd’, die werd geassocieerd met het beeld van het landelijke dorp als harmonische gemeenschap, zoals het ook in 1974 bezongen werd door de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld.

In 1978, nauwelijks een jaar na de uitvoering van een grootschalige fusieoperatie, werd in Vlaanderen door de overheid de actie ‘Jaar van het Dorp’ gelanceerd. In Aalbeke, een dorp ten zuiden van Kortrijk, maakte amateur-cineast Eric Vanoverschelde naar aanleiding daarvan een film, met als titel Er was eens. In de montage worden beelden getoond van een lieflijk dorp, waar boeren met paard en kar nog op vrijwel middeleeuwse wijze aan landbouw doen. Volgens de commentator ligt Aalbeke aan een Romeinse heirweg (en niet aan de drukke verkeersader N43 die het centrum ook toen al doormidden sneed). De fusie wordt er aangekondigd met onheilspellende muziek en een kaartje waarop de stad Kortrijk als een olievlek uitdijt. De commentator vraagt zich af wat de toekomst brengt, na de ‘inlijving tegen wil en dank’ bij de grootstad: ‘Zullen wij door de grote haai totaal worden verslonden … of zullen we opgaan in een gigantische, futuristische reuzenstad, zonder ziel, zonder hart?’

Een nieuwe identiteit

Logo van de campagne ‘Jaar van het Dorp’ in 1978

Inwoners uit Aalbeke en talrijke andere dorpen gingen na de fusies – alle doemscenario’s ten spijt – op zoek naar hun eigen karakter. Heemkundige kringen die de geschiedenis van het eigen dorp wilden vastleggen, schoten in de jaren 70 als paddenstoelen uit de grond. Ook lokale initiatieven, zoals dorpsfeesten en –reuzen, speelden een belangrijke rol. De feestelijkheden waren de momenten bij uitstek waarop inwoners zich met hun (deel)gemeente konden identificeren. Maar hoe ingeburgerd dergelijke dorpsfeesten tegenwoordig ook zijn, ze zijn minder oud en traditioneel dan algemeen wordt aangenomen.

De Tinekesfeesten, de jaarlijkse hoogmis van Heule (bij Kortrijk), ontstonden in 1963. De Breughelfeesten in Rekkem, nu deelgemeente van Menen, vonden voor het eerst plaats in 1973, op initiatief van de lokale middenstandsvereniging. Ten tijde van de fusie waren dergelijke feesten dus een vrij recent fenomeen, hoewel ze toen al als een erg belangrijke factor werden beschouwd voor het behoud van de eigenheid van de dorpen. De meeste dorpsfeesten groeiden nog meer in de periode na de fusie. In sommige gemeenten was het houden van dorpsfeesten net een reactie op de fusie. In Rollegem gaf het besef van een te verdedigen eigenheid na de fusie met ‘grootstad’ Kortrijk aanleiding tot de oprichting van een folkloreraad en de organisatie van de eerste folklorefeesten in 1977. Ook in Marke was 1977 het startjaar van een nieuw evenement, de septemberkermis.

Allemaal Bevergemnaar?

Een folkloristische stoet tijdens de ‘fusiefeesten’ in 1976

Voor de inwoners van Bevergem was de fusie met het naburige Ruddervelde het begin van een lokale legende, ‘den Beir van Bevergem’. In een ver verleden weigerden de inwoners van Bevergem belastingen te betalen aan de baljuw van het naburige Ruddervelde. De baljuw besloot dan maar om alle varkens, zeugen en biggen van Bevergem te laten slachten en naar Ruddervelde te laten overbrengen. Een sluwe Bevergemnaar wist echter een zeug te verstoppen onder een plankenvloer. Daarmee was de varkenspopulatie van Bevergem nog niet gered. De tien dapperste inwoners van het dorp werden op een missie gestuurd, over de beek naar Ruddervelde. Daar moesten ze het zaad van een beer of beir (mannetjesvarken) bemachtigen en terugbrengen naar hun eigen dorp, zodat er opnieuw varkens konden worden gekweekt in Bevergem. Slechts één iemand, ‘den Beir van Bevergem’, kwam terug van deze heldentocht. Gelukkig, zo wordt de kinderen van de dorpsschool ingeprent, want ‘anders moesten we nog altijd de beek over naar Ruddervelde om een schelleke tussen onze boterham te leggen’. De boodschap van deze karikaturale dorpssage is duidelijk: het kleine Bevergem heeft grote buur Ruddervelde niet nodig, zo toont de (lokale) geschiedenis aan.

In de jaren 1970 vreesden velen dat de fusies van Vlaanderen een zielloze grote stad zouden maken en de eigenheid van de dorpen zou verloren gaan. Veertig jaar later blijkt die vrees grotendeels onterecht. De fusies hadden in veel gevallen tot gevolg dat de eigenheid van dorpse gemeenschappen – vanuit een defensieve reflex – net werd versterkt. Het bestuderen, cultiveren en (her)ontdekken van lokale geschiedenis en tradities speelden daarin een belangrijke rol.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is rijksarchivaris van Kortrijk en redactiesecretaris van de geschiedkundige vereniging De Leiegouw. In de najaarspublicatie van de vereniging wordt teruggeblikt op de gemeentefusies in Zuid-West-Vlaanderen.

In memoriam: de anonieme recensent

Gastblog door Christiaan Engberts.

Als er één schrijver is die nooit al zijn lezers een plezier zal kunnen doen, is het ongetwijfeld de kritische recensent. Natuurlijk waarderen sommige lezers zijn scherpe blik en zijn er anderen voor wie leedvermaak altijd de hoogste vorm van vermaak zal blijven. Maar de auteur wiens werk publiekelijk door de mangel wordt gehaald, zal maar met moeite de neiging kunnen onderdrukken om met de achttiende-eeuwse toneelschrijver August von Kotzebue uit te roepen: “Ach! Als men toch op iedere leugenachtige recensent een snor zou kunnen schilderen! Hoeveel snorren zouden er dan wel niet in de wereld rondlopen!”

De voordelen van anonimiteit

August von Kotzebue

Kotzebue’s boekje Fragmenten over recensenten-ongein – waaruit het bovenstaande snorrencitaat ook komt – bevat bijna 150 pagina’s aan frustratie en teleurstelling. Omdat recensenten zich er meestal goed van bewust zijn dat hun schrijven dergelijke emoties kan oproepen, bestaat er een reëel risico dat ze er soms voor kiezen om zich in hun kritiek te matigen. Meer nog dan onder toneelschrijvers als Kotzebue wordt onder wetenschappers echter vaak het idee gehuldigd dat hun métier bij uitstek gebaat is bij een strenge wederzijdse evaluatie: een te milde recensent praat recht wat krom is en doet de wetenschap daarmee een kwade dienst.

Recensenten van wetenschappelijke werken zien zich dus al snel met een dilemma geconfronteerd. Als ze te streng zijn kunnen ze iemand kwetsen. Als de gekwetste auteur ook nog eens invloed heeft in academische kringen, loopt de recensent daarnaast een nog veel groter risico. De auteur zou in staat kunnen zijn om de verdere carrière van de recensent te dwarsbomen. Tegelijkertijd eisen de vakgenoten echter dat de recensie geheel op de wetenschappelijke verdienste van het besproken werk gebaseerd is en dat deze niet gekleurd wordt door persoonlijke overwegingen. Wat is in zo’n geval wijsheid?

De anonieme praktijk

Friedrich Zarncke

De redacties van Duitse recensententijdschriften in de achttiende en negentiende eeuw hadden een antwoord op deze vraag: recensies werden bijna altijd anoniem gepubliceerd. Friedrich Zarncke, de enige redacteur van het in 1851 voor het eerst verschijnende Literarische Centralblatt, vond niet alleen dat het anonimiseren van recensies de beste manier was om vruchtbaar wetenschappelijk debat te stimuleren, hij wilde zijn blad ook niet op ordinaire wijze onder de aandacht van het lezerspubliek brengen. De vaste recensenten waren zo vermaard dat het van smakeloze zelfpromotie zou getuigen om met hun roemruchte namen te pronken.

Niet iedereen was echter tevreden met deze oplossing. Zo schreef de Duitse theoloog Heinrich Ewald een boze brief aan Zarncke zijn om zijn ongenoegen te uiten. Hij vond dat theologie zo belangrijk was voor de volksmoraal, dat het onverantwoord zou zijn om theologische werken aan anonieme recensenten over te laten. “Als de recensent zichzelf nu bekend zou maken, dan kan iedereen weten hoeveel oordeelsvermogen hij hem wil toevertrouwen,” klaagde Ewald. Hij voegde hieraan toe dat hij sowieso niet begreep waarom een wetenschapper zijn naam zou willen achterhouden. Deze klachten kregen echter geen gehoor. Het recensieblad van Zarncke bleef nog bijna een kwart eeuw grotendeels anoniem.

De omslag?

Heinrich Ewald

Vanaf 1874 kreeg het Centralblatt echter concurrentie van de Jenaer Literaturzeitung. Deze concurrent was behoorlijk succesvol en de verkoopcijfers van het Zarncke’s blad daalden. Zijn uitgever maakte zich dan ook grote zorgen en vroeg om raad bij vrienden en collega’s. Uit deze gesprekken bleek dat een van de belangrijkste redenen voor het succes van de concurrentie uit Jena gelegen was in het feit dat zij wel de namen van hun recensenten noemde. Zarncke zag een dergelijke werkwijze niet zitten, maar ging na overleg met zijn uitgever akkoord met een compromis. Vanaf 1874 zouden de recensenten die voor het Centralblatt schreven aangemoedigd worden om te ondertekenen met hun initialen of een andere herkenbare lettercombinatie.

Deze aanpak wierp vruchten af. Het Centralblatt werd nog tientallen jaren lang met succes uitgegeven. De Jenaer Literaturzeitung stopte al na vijf jaar, omdat haar hoofdredacteur plotseling met de noorderzon verdween. De uitgevers van het blad uit Jena hadden de voorkeuren van het moderne lezerspubliek echter goed ingeschat: vandaag de dag worden bijna alle recensies ondertekend.

Hedendaagse anonieme oordelen

Dit betekent niet dat er overeenstemming heerst over de bredere vraag naar de wenselijkheid van anonieme kritiek. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd het steeds gebruikelijker om wetenschappelijke artikelen voor plaatsing in een vakblad eerst door anonieme reviewers te laten beoordelen. De argumenten die voor en tegen deze anonimiteit worden aangedragen, verschillen nauwelijks van de punten die Zarncke en Ewald 150 jaar eerder maakten.

De frustratie over kritische anonieme beoordelingen is ook gebleven. Vandaag de dag delen boze en teleurgestelde auteurs hun ervaringen bij voorkeur online. Om een idee te krijgen van de reacties die hedendaagse auteurs het meest frustreren, kan je een kijkje nemen op deze website. Hij presenteert zich als “een viering van het grove, vreemde, passief agressieve, actief agressieve en simpelweg gemene commentaar” dat deel kan uitmaken van het hedendaagse geleerdenleven.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw. In het najaar van 2017 was hij als visiting scholar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

Exit Sint-Pietersziekenhuis

Op de nieuwjaarsreceptie van de stad Leuven liet burgemeester Louis Tobback optekenen dat het Sint Pietersziekenhuis dit jaar wordt gesloopt. Weinigen zullen het verdwijnen van deze ‘gele olifant’ als een verlies beschouwen. De voorste vleugel van dit tussen 1955 en 1983 opgetrokken gebouwencomplex werd nooit volledig in gebruik genomen en staat er vandaag troosteloos bij. De ‘laatste stadskanker’ in de Leuvense stadskern, aldus Tobback.

Monumentale ingang van het negentiende-eeuwse Sint-Pietersziekenhuis aan de Brusselsestraat. (Collectie Histaruz)

Vanuit historisch opzicht is de sloop van het Sint-Pietersziekenhuis geen opmerkelijke gebeurtenis. Sinds het midden van de negentiende eeuw werd de kliniek verschillende keren afgebroken en heropgebouwd. Telkens was het doel plaats te ruimen voor een moderner hospitaal. Nu echter – en dat is wel een breuk met het verleden – voorziet het stadsbestuur een andere bestemming voor de site. Er komt wellicht een podiumkunstenzaal. Zo eindigt een traditie van ziekenzorg in de binnenstad: een overzicht.

 

Binnenhoven, tuinen en paviljoenen

Het plan Maukers uit 1930 bood meer ruimte aan opkomende specialismen maar bleef gebonden aan het oorspronkelijke grondplan. (Stadsarchief Leuven)

Het eerste Sint-Pietersziekenhuis kon zelf pas worden gebouwd na de sloop van een ouder ‘gasthuis’. In 1830 had de Commissie voor Burgerlijke Hospitalen – een voorloper van het latere OCMW – beslist dat het Sint-Elisabethgasthuis niet langer volstond. Dat gebouw was in de dertiende eeuw opgetrokken door de zusters Augustinessen naast hun klooster. Zorg voor ziel en lichaam was er eeuwenlang nauw verweven. Het gasthuis beantwoordde echter niet langer aan de negentiende-eeuwse hygiënistische standaarden. Er was meer licht en ventilatie nodig. De ruimte ontbrak ook om patiënten met besmettelijke ziekten voldoende af te zonderen.

Provinciaal architect Alexander Van Arenbergh ontwierp een nieuw, monumentaal rechthoekig gebouw met twee binnenhoven, vier paviljoenen en een grote tuin. In totaal konden er zo’n 250 patiënten worden gehospitaliseerd. Mannen en vrouwen lagen apart in grote zalen van wel 24 bedden. De eersten daarvan werden opgenomen in 1849. De voorste binnenhof was naar de straatzijde toe open in een U-vorm. Leuven kreeg zo een neoclassicistisch landmark in de Brusselsestraat, een eigentijds ontwerp dat in vele opzichten leek op het Sint-Jansziekenhuis dat in diezelfde periode in Brussel door Henry Patoes werd neergezet.

Onderwijs en onderzoek

Functionalistisch schema uit 1949 voor een nieuw Sint-Pietersziekenhuis. (Stadsarchief Leuven)

Het Sint-Pietersziekenhuis was bovendien een academische kliniek. Het functioneerde als de voornaamste opleidingsplek voor de studenten geneeskunde van de Leuvense universiteit. Rond 1900 dwong hun toenemende aantal tot nieuwe constructiewerken. Zo werd de tuin grotendeels opgeofferd voor de bouw van klinische auditoria. De opkomst van de bacteriologie – een nieuw specialisme – maakte investeringen in labo’s, sterilisatieruimtes, verbandkamers en betere operatiekwartieren noodzakelijk. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreunde het negentiende-eeuwse gebouw onder de voortdurende drang naar medische vernieuwing.

Een eerste poging tot een meer structurele oplossing werd in 1930 ondernomen. De Brusselse architect Gustave Maukers presenteerde toen het plan om een volledige verdieping bij te bouwen en de ruimtes te herbestemmen. Maukers behoorde tot een kransje architecten die in het interbellum de ziekenhuisarchitectuur probeerden te vernieuwen. Zij vertrokken vanuit de beoogde functie van de ruimtes. In Maukers plan werden onder meer aangepaste zalen voor kindergeneeskunde, pneumologie (onder andere met kuurgalerijen voor tuberculosepatiënten) en dermatologie voorzien. Toch zou dit functionalisme in Leuven, in tegenstelling tot in Gent en Brussel, slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd worden voor de Tweede Wereldoorlog. Het Gentse Universitair Ziekenhuis of de Brusselse Héger-kliniek waren nieuwe constructies terwijl in Leuven werd vastgehouden aan het bestaande negentiende-eeuwse grondplan.

Functionalisme en hoogbouw

Het originele ontwerp uit 1951 van Cloquet-Van Montfort-Vandeput voorzag een kleiner voorgebouw dan wat uiteindelijk gerealiseerd werd. (Copyright Stadsarchief Leuven)

Aan het einde van de jaren 40 leek het lot van het ‘oude’ Sint-Pietersziekenhuis bezegeld. De bezetting door Duitse troepen tijdens de oorlog en een brand in 1944 hadden grote schade aangericht. Met de gelden voor de wederopbouw en de nationale fondsen voor ziekenhuisbouw in de jaren 50 was er bovendien financiële ruimte. Sloop en nieuwbouw lagen voor de hand. Een ontwerp van architectentrio Cloquet-Van Montfort-Vandeput werd in 1951 goedgekeurd. De sloopwerken namen meteen een aanvang en vier jaren later verrees de eerste vleugel van het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis, een torengebouw van veertien verdiepingen.

Met de nieuwbouw werd een modernistische ziekenhuisarchitectuur gerealiseerd. Die voorzag in een centralisatie van gedeelde functies (radiologie, intensieve zorgen, administratie enz.) en een scheiding van de ‘stromen’ van bezoekers, patiënten en medisch personeel. In de tweede helft van de jaren 60 werd een spoedafdeling geopend aan de achterzijde van de kliniek: ambulances reden af en aan vanop de Brusselsestraat over de overwelfde Dijle.

Taalstrijd

Het oude Sint-Pietersziekenhuis moest in de jaren 50 wijken voor een nieuw torengebouw. In de jaren 70 werd een tweede vleugel bijgebouwd. (Collectie Histaruz)

De verdere geschiedenis van het Sint-Pietersziekenhuis oogt minder fraai. Tijdens de woelige jaren 60 werd de kliniek een speelbal in het politieke spel rond Leuven-Vlaams. Dat Nederlandstalige patiënten er door Franstalige professoren en artsen-in-opleiding werden behandeld, was een doorn in het oog van de Vlaamse Beweging. De aanhoudende kritiek droeg ertoe bij dat de Faculteit Geneeskunde als een van de eerste faculteiten taalkundig gesplitst werd. Reeds in 1963 werd beslist dat voor de Franstalige artsen een nieuwe kliniek bij Brussel zou worden gebouwd. Sint-Pieters werd op termijn een exclusief Nederlandstalig ziekenhuis.

Gasthuisberg

Tegelijkertijd besloten de Nederlandstalige professoren uit te breiden buiten het stadscentrum. Begin jaren 70 werd de eerste steen gelegd van Gasthuisberg. In 1975 ging het kinderziekenhuis – het eerste van vele gebouwen op de campus – open. De beslissing om te blijven investeren in Sint-Pieters bleek achteraf een vergissing. In 1977 werd een tweede vleugel in gebruik genomen. Begin jaren 80 werd nog een groot nieuw gebouw opgetrokken dat – op enkele verdiepingen na – steeds heeft leeggestaan. Ondertussen sloeg het beleid om: er was nu sprake van een nationaal ‘beddenoverschot’ en een nood aan besparingen. Het dure en deels ongebruikte Sint-Pietersziekenhuis werd zo een heikel dossier in de relatie tussen stad en universiteit. De vondst van asbestdeeltjes in de oudste gebouwen bemoeilijkte bovendien een eventuele afbraak.

Luchtfoto van het hospitaalcomplex Sint-Pieters: het gebouw aan de straatzijde dateert van de vroege jaren 80. (Collectie Histaruz)

Die afbraak lijkt nu toch van start te zullen gaan. Daarmee komt een einde aan de traditie van academische zorg in de Brusselsestraat. De grote schaal waarop die vandaag wordt beoefend, vergt een medische en mobiliteitsinfrastructuur die onverzoenbaar lijkt met de binnenstad. Wie het komende jaar langs het Sint-Pietersziekenhuis wandelt, kan misschien eens via de zijkant naar achteren gaan. Daar staat nog een stukje – de zuidvleugel – van het negentiende-eeuwse hospitaal recht. Je kan er tegelijk ook de vleugels van de jaren 50 en 70, en het gebouw van de jaren 80 aanschouwen. Anderhalve eeuw hospitaalgeschiedenis in één oogopslag.

 

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen. Bijzondere dank aan Edith Willekens en Liesbeth Croimans van het Leuvense stadsarchief voor hun hulp bij het onderzoek voor deze blogtekst.

De ‘democratische’ middeleeuwen

Gastblog door Ben Eersels en Jelten Baguet.

De middeleeuwen was een periode van geweld, kwelling, verbijstering, leed en verbrokkeling. Of dat is althans een hardnekkig geschiedbeeld dat tot op heden blijft doorleven. Op politiek vlak vonden tijdens diezelfde eeuw nochtans ook veranderingen plaats die het tegendeel bewijzen.

De strijd voor politieke erkenning

In laatmiddeleeuwse steden verwierven burgers een grote mate van politieke inspraak, zij het niet zonder slag of stoot. De eerste tekenen van die politieke strijd vinden we in de dertiende eeuw. Burgerverenigingen klaagden toen steeds meer over wanbestuur en machtsmisbruik van hun bestuurders. Vooral de ambachten, beroepsverenigingen die in de middeleeuwen ontstonden, speelden een belangrijke rol in die protestacties. Dankzij de bloei van de internationale handel en de industrie waren zij onmisbaar geworden in de sterk exportgerichte stedelijke economieën in onze gewesten. Door hun toegenomen belang werden ze ook meer serieus genomen door het stadsbestuur. Daarin zetelden op dat moment vertegenwoordigers van de geslachten of ‘patriciërs’, de stedelijke elites die hun rijkdom haalden uit grootgrondbezit en handel. Nochtans waren het de ambachten die het grootste deel van de stedelijke belastingen moesten betalen. Zij protesteerden dan ook meer en meer tegen die gang van zaken en eisten inspraak in het stadsbestuur om te weten wat er met hun geld gebeurde.

De Guldensporenslag (Houtgravure, P. Choinet).

Voor de eerste structurele successen van de ambachten was het echter nog wachten tot de Guldensporenslag in 1302, die de politieke kaarten grondig herschudde. In de slag bij Kortrijk boekten de Vlaamse ambachten aan de zijde van de Graaf van Vlaanderen een onverwachte overwinning tegen de alliantie van de Vlaamse patriciërs en de Franse koning. Als beloning voor hun loyaliteit verkregen de ambachten vertegenwoordiging in het stadsbestuur van de grote Vlaamse steden. Dat nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje, tot ver over de grens naar Brabant en Luik. Al snel vroegen de ambachten daar gelijkaardige rechten als hun Vlaamse collega’s. Op iets langere termijn bleken ook zij succesvol: tegen het midden van de vijftiende eeuw verwierven de ambachten immers vertegenwoordiging in de schepenbanken van bijna alle grote Brabantse, Luikse en Vlaamse steden.

Samen besturen

In deze tijden van politieke verandering ontwikkelden burgers verschillende mechanismen om te kunnen wegen op het beleid. Zo werden petities voor ambachten een steeds couranter drukkingsmiddel om hun verzuchtingen over te maken aan het stadsbestuur. Dergelijke vragen waren vaak succesvol: ambachten werden gezien als legitieme onderhandelingspartners, die in verschillende dossiers recht van spreken hadden. In vele steden verwierven de ambachten dan ook het statuut van vertegenwoordigers van de ‘ghemeente’, de verzamelnaam voor de ‘gewone burgers’.

De Minderbroederstuin in Sint-Truiden, waar de stedelijke ‘volksvergaderingen’ plaatsvonden.

Ook stelden burgergroeperingen meer en meer samen met hun overheden mee het beleid uit. Bij beslissingen die de volledige bevolking aangingen, riep men bijvoorbeeld de ‘Grote Raad’ samen. In die raad zaten naast de stadsbestuurders ook vertegenwoordigers van de belangengroepen in die stad, zoals ambachten of wijkmeesters. In die zin vormden ‘Grote Raden’ in zekere zin een burgerparlement avant la lettre. Als alternatief voor zo’n vergadering kon ook de hele stadsbevolking samengeroepen worden op een publieke plaats om er rechtsreeks te discussiëren over thema’s zoals belastingen en diplomatieke relaties.

Transparantie

Dankzij de toegenomen invloed van burgers op het beleid werden stadsbesturen in deze periode gedwongen om transparanter te zijn tegenover hun onderdanen. Dat deden ze bijvoorbeeld door hun rekeningen jaarlijks voor te lezen op een publieke plaats en door hun verordeningen op schrift te stellen, waardoor ze gecontroleerd konden worden bij vermoedens van machtsmisbruik. De belangrijkste privileges en het officiële stadszegel bewaarde de overheid voortaan in kisten met verschillende sloten. De sleutels ervan werden verdeeld over de verschillende maatschappelijke groeperingen. Nieuwe ordonnanties waren dus enkel mogelijk als de vertegenwoordigers van de belangrijke burgergroepen daarmee instemden. De vervreemding en vervalsing van belangrijke documenten kon op die manier ingedijkt worden.

Fragment van een ordonnantie na een verzoek van enkele Leuvense ambachten.

Gewone burgers wogen tijdens de late middeleeuwen met andere woorden meer op het stedelijk beleid. Ze verkregen belangrijke politieke rechten, en eisten succesvol inspraak in het beleid. Onze gewesten waren daarin zelfs een voorloper: tijdens de late middeleeuwen waren de Zuidelijke Nederlanden samen met Noord-Italië de meest ‘democratische’ gebieden van Europa. Toch waren de late middeleeuwen voor velen allesbehalve een feest van de democratie. Buitenlanders, armen, vrouwen en personen zonder stedelijke burgerrechten bleven verstoken van politieke erkenning. De middeleeuwen bleven dus ‘een democratie van geprivilegieerden’. Vele middeleeuwse ‘democratische verwezenlijkingen’ waren op lange termijn ook geen lang leven beschoren. Vanaf de zestiende eeuw draaiden vorsten de klok terug door de politieke inspraak van de ambachten te beperken. Voor een nieuwe golf van democratisering was het wachten tot de negentiende en twintigste eeuw.

Ben Eersels en Jelten Baguet zijn gastbloggers. Ben is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven waar hij onderzoek doet naar de invloed van burgers op het stedelijk beleid in de late middeleeuwen. Jelten is als doctorandus werkzaam aan het centrum voor Historisch Onderzoek naar Stedelijke Transformatieprocessen aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij schrijft een proefschrift over stedelijke elitevorming in het zestiende-eeuwse Gent.

Sexy als ik dans!

Gastblog door Alexander Soetaert.

Enkele jaren geleden scoorde de Nederlandse zanger Nielson een hit met Sexy als ik dans. Het deerde toen bijna niemand dat hij dansen voorstelde als een versiertruc. Dansers die zich ’s nachts op de dansvloer wagen, komen vroeg of laat wel eens in aanraking met versierpogingen. Ook in de zestiende eeuw kon het er tijdens dansavonden amoureus aan toegaan. Maar sommige theologen voelden zich toen wel geroepen om dergelijke vormen van vermaak een halt toe te roepen. Dat was althans de bedoeling van een korte tekst getiteld Discours et avis touchant les danses du temps présent die in 1577 verscheen in de universiteitsstad Dowaai (Douai), toen nog deel van de Habsburgse Nederlanden.

Het liederlijke studentenleven

Titelpagina van het Discours et avis touchant les danses du temps présent (Bibliothèque municipale de Douai).

De auteur van het postuum uitgegeven traktaatje was de katholieke theoloog Mattheus Van der Galen (1528–1573), bekend onder zijn Latijnse naam Galenus. Hij was afkomstig van het Zeeuwse eiland Walcheren en studeerde in Leuven, maar toen hij de tekst schreef doceerde hij katholieke catechese aan de Universiteit van Dowaai.

Het studentenleven in Dowaai was een van de redenen waarom Galenus van leer trok tegen het dansen. Hij stelde met eigen ogen vast dat vele studenten astronomisch hoge bedragen besteedden aan hun bijzonder inhalige dansleraars. Zolang hun ouders de studies bekostigden, mocht volgens de theoloog van de studenten grote zuinigheid worden verwacht. Ook ging veel kostbare tijd verloren aan het frivole dansen. Dat leidde de aandacht af van de vraies et bonnes études waarvoor de studenten in de eerste plaats naar de universiteit waren gekomen.

De theoloog meende ook dat dansen vaak aanleiding gaf tot het verstoren van de openbare orde. Op danspartijen kwamen mensen van allerlei allooi af, gaande van weinig beschaafde boeren en soldaten tot meer eerbiedwaardige burgers of zelfs edelen. Men kon er weliswaar een (huwelijks)partner treffen, maar evengoed zijn gezworen vijand tegen het lijf lopen. Van zodra meerdere mannen hun oog lieten vallen op eenzelfde meisje, kwam het tot twisten, debatten, scheldpartijen, bedreigingen, provocaties, vechtpartijen, dodingen en ‘andere dergelijke rampen en ongelukken’. In Dowaai – een stad met een zeer katholiek profiel – waren zulke incidenten volgens de professor bijna altijd het gevolg van uit de hand gelopen danspartijen.

Zondig en des duivels

Titelpagina van Le guide des pêcheurs (Bibliothèque municipale de Douai).

Als hoogleraar had Galenus echter ook enkele argumenten van theologische aard binnen handbereik. Het was allesbehalve toeval dat zijn traktaatje samen verscheen met een Franstalige vertaling van Le guide des pêcheurs. Dat boek van de Spaanse dominicaan Luis de Granada was een absolute bestseller in de late zestiende eeuw. Dat beide teksten samen op de markt kwamen, maakte meteen duidelijk dat dansen niets meer of minder dan een zonde was. Als er op zondag werd gedanst of als geestelijken zich eraan overgaven, dan was er zelfs sprake van een doodzonde, zo beklemtoonde de theoloog. In de onnatuurlijke bewegingen die de dansers maakten ontwaarde hij de hand van de duivel zelve.

Ook referenties aan klassieke auteurs moesten de zestiende-eeuwse katholiek van de dansvloer weghouden. De Romeinen vonden al dat dansen schandelijk en eerloos was, zo betoogde Galenus uitvoerig. En als zelfs Cicero en Cato het niet hoog op hadden gehad met dat dansen, dan moest een christenmens zich daar zeker niet aan bezondigen. In zekere zin was het zelfs een overblijfsel uit heidense tijden. Het deed de theoloog denken aan de manier waarop men in de oudheid danste rond godenbeelden.

Doe nooit wat onkuisheid is!

Galenus wilde echter niet doorgaan voor een pretbederver die niet zou rusten vooraleer elke vorm van vermaak uit de wereld was gebannen. Dansen mocht wat hem betreft deel blijven van religieuze processies. Ook meisjes onder elkaar mochten af en toe wel eens dansen. Hetzelfde gold voor jongemannen, maar alleen indien ze in nuchtere toestand verkeerden. Meer zelfs, een man mocht dansen met zijn echtgenote zo veel en zo vaak hij wilde, op voorwaarde dat het binnenshuis gebeurde en geen ‘schandaal’ veroorzaakte.

Dansen en waartoe het kan leiden (Biblioteca nacional de España).

Toen de theoloog met de publicatie van zijn tekst jongeren het dansen wilde afleren, bedoelde hij dus een specifiek soort dansen. Jonge mannen moesten Galenus niet wijsmaken dat ze onbewogen konden blijven bij zoveel vrouwelijk schoon. Zelfs de Bijbelse koning David, die al ‘talloze vrouwen en legitieme concubines’ had, liet zich door de schoonheid van Batseba alsnog verleiden tot overspel. Het vlees was zwak, voor zover moest duidelijk zijn!

Zoals Galenus zelf aangaf, was zijn traktaatje het resultaat van studiewerk over het zesde gebod – Doe nooit wat onkuisheid is! – en de ‘grootsheid van de katholieke maagdelijkheid’. Dansen stond diametraal tegenover deze laatste deugd: het zette aan tot ontucht en vleselijke begeerte.  Het blijft wel hoogst twijfelachtig of de vermaning van hun professor de studenten in Dowaai van het wellustige dansen heeft kunnen weerhouden.

Alexander Soetaert is gastblogger. Hij is als doctor-assistent verbonden aan de Onderzoeksgroep Nieuwe Tijd aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar katholieke literatuur en boekcultuur in de 16de- en 17de-eeuwse Habsburgse Nederlanden.

Hebben dokters de geketende psychiatrische patiënt bevrijd?

Gastblog door Eva Andersen.

Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw worden vaak omschreven als een kenteringsperiode voor de psychiatrie. In deze periode streefden artsen naar een humanere behandeling van mensen met een psychische aandoening. Verhalen over bekende artsen als de Franse dokters Philippe Pinel en Jean-Etienne Esquirol, de Brit William Tuke en de Belgische psychiater Jozef Guislain die de geesteszieken uit hun ketenen en mensonterende omstandigheden bevrijdden, hebben een bijna mythische allure gekregen.

Non-restraint

Een foto van een psychiatrische patiënt die op een stoel in bedwang wordt gehouden. (CC BY Henry Clarke, Welcome collection)

Negentiende-eeuwse psychiaters in Europa en Amerika stonden voor hetzelfde vraagstuk bij hun pogingen om de menswaardige behandeling van patiënten te verbeteren. Aan de ene kant stelden ze zich in toenemende mate vragen bij het gebruik van de bestaande dwangmiddelen zoals handboeien, kettingen en dwangbuizen. Aan de andere kant wilden ze de controle behouden over moeilijk beheersbare patiënten. Via buitenlandse contacten maakten zij kennis met alternatieven.

In 1839 introduceerde de gerenommeerde Britse arts John Conolly de non-restraint methode in de instelling voor geesteszieken van Hanwell in Groot-Brittannië met het doel psychiatrische patiënten humaner te behandelen. Zijn voorstel bouwde voort op de ideeën van de Franse arts Philippe Pinel en de Britten William Tuke en Robert Gardiner Hill. Kettingen, handboeien en dwangbuizen werden vervangen door een “zachtere” aanpak. In deze aanpak stond redeneren met de patiënten centraal. Volgens een aantal Britse psychiaters wisten vele patiënten immers goed wanneer zij in de fout gingen. “De invloed van een gezonde op een zieke geest” kon zo zijn werk doen.

De isoleercel

Maar wat als patiënten toch gewelddadig of geagiteerd reageerden of een suïcidaal gedrag vertoonden? Hoe moest men ze in bedwang houden als mechanische dwangmiddelen uit den boze waren? Een van de oplossingen die men voorzag was de isoleercel. In Europa werd druk gedebatteerd over het feit of een padded room al dan niet als een vorm van mechanische dwang gold. De Franse arts Moreau de Tour bijvoorbeeld vond de gehele non-restraint praktijk maar niets. Hij meende dat het een terugkeer naar oude gewoontes was en de kunst van het genezen terug in zijn kinderschoenen plaatste. Een mening die echter niet door alle Franse artsen gedeeld werd. Sommigen onder hen prezen juist de vooruitgang die de Britten geboekt hadden en hoopten dat de non-restraint methode ook meer ingebed zou raken in Frankrijk.

Isoleercellen hadden geen hoeken zodat patiënten zich nooit uit het zicht van het personeel konden bevinden.

Jules Morel, een Belgische psychiater, was in tegenstelling tot Moreau wel geïnteresseerd in de mogelijkheden van de non-restraint. In 1893 vroeg hij inlichtingen aan zijn Britse collega Bedford Pierce over de praktijk van de isoleercel. Die stuurde hem instructies met een bijbehorende schets en zelfs een sample van de rubber die hij in de isoleercellen van het York Retreat gebruikte. Of Morel met deze informatie ook daadwerkelijk iets gedaan heeft en of de non-restraint methode veel gebruikt werd in België, is onduidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid was de verspreiding ervan vrij beperkt.

Douchebaden

Niet enkel de isoleercel vormde een onderdeel van de non-restraint. Een andere vaak toegepaste techniek was die van de hydrotherapie die zowel in Europa als Amerika gebruikt werd. Eén van de vele vormen van hydrotherapie was die van de douchebaden, waarbij patiënten onder een continue straal van koud of warm water werden gezet om te kalmeren. Vele buitenlandse artsen vonden dit een intrigerende behandelmethode en maakten tijdens hun bezoeken aan Europese en Amerikaanse ‘krankzinnigengestichten’ veel aantekeningen over het gebruik ervan.

Een voorbeeld van een douchebad.

Ondanks het enthousiasme van vele psychiaters over deze  behandelingsmethode, hadden de douchebaden niet altijd het gewenste effect. Soms resulteerde het gebruik van de douchebaden in het overlijden van patiënten. Omdat zij te lang (20 tot 30 minuten) aan het water werden blootgesteld, kon de shock leiden tot hun dood. Na enkele dodelijke voorvallen velde de Britse Lunacy Commission, die toezicht hield op de psychiatrische instellingen en het welzijn van geesteszieken, een oordeel over de behandelingsmethode. De comissie was van mening dat de douchebaden enkel voor een kortere periode (drie minuten) gebruikt mochten worden. Deze richtlijn moest in Groot-Brittanië verdere ongelukken voorkomen.

De non-restraint methode bestond daarnaast nog uit andere ‘tactieken’ zoals het voorzien van entertainment en bezigheidstherapie. In de instelling van Hanwell werden er bijvoorbeeld wel eens bals georganiseerd voor de patiënten. Mannelijke patiënten konden buiten petanque spelen en er werden begeleide wandelingen gemaakt op het platteland.

Een voortdurende discussie

Hoe meer patiënten geëntertaind werden, hoe minder snel ze geagiteerd raakten. Volgens Britse artsen lokten de “zachtere” repressiemiddelen minder hevige reacties uit bij de patiënten. In Europa en Amerika bleef de non-restraint echter nog lange tijd de gemoederen beroeren bij voor- en tegenstanders.

De artsen die de psychiatrische patiënten van hun ketenen verlosten, werden door hun tijdgenoten als pioniers van de psychiatrie omschreven. Ook vandaag de dag worden zij gezien als ‘vaders van de psychiatrie’. Toch stroken hun ideeën over waardige behandelingen in instellingen niet per se met hedendaagse behandelingsmethodes. De douche- en badbehandelingen raakten in de loop van de twintigste eeuw in onbruik. Daarnaast lokken de voor- en nadelen van isolement tegenwoordig nog vaak discussies uit.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.

Hoe homoseksualiteit in België ophield een misdaad te zijn

Een recente studie vermeldt België als het derde land ter wereld waarin homoseksualiteit gedecriminaliseerd werd: in 1795, kort na Frankrijk en Monaco. Een triomf: in het Verenigd Koninkrijk vieren ze dit jaar pas vijftig jaar decriminalisering van homoseksualiteit. Toch moeten we de champagnekurken nog niet meteen laten knallen. Want stellen dat België als derde land ter wereld homoseksualiteit decriminaliseerde, vergt wel wat historische creativiteit.

Weg met de brandstapels

Gravure van een terechtstelling voor sodomie in de Nederlandse Republiek in 1730.

In 1795 bestond België immers niet. Sinds het begin van de achttiende eeuw was een groot deel van het hedendaagse België een relatief autonoom deel van het Oostenrijkse rijk. Volgens het geldende strafrecht moesten mannen die seksuele betrekkingen hadden met andere mannen op de brandstapel gezet worden. Die ernstige misdaad werd ‘sodomie’ of ‘de onnatuurlijke zonde’ genoemd. Hetzelfde gold in de meeste Europese landen.

In de praktijk werd de soep echter zelden zo heet gegeten als ze geserveerd werd. In veel landen werd de doodstraf voor sodomie in de achttiende eeuw amper nog voltrokken. Hoewel de walging voor homoseksuele daden groot was, vonden de meeste juristen de doodstraf te zwaar en te publiek: de goede zeden zouden erdoor bedorven raken. De meeste rechtbanken verkozen om deze zaken in stilte af te handelen – door bijvoorbeeld de verdachten te verbannen – en zo schandaal te vermijden. In een grote stad als Parijs werd gekozen voor een scherper politietoezicht en gevangenisstraffen, zodat de spektakels met brandstapels vermeden konden worden.

Een crimineel tribunaal in de late achttiende eeuw. Léonard Defrance, Le tribunal criminel, tweede helft achttiende eeuw (Luik, Museum voor Waalse kunst).

Toen het Franse parlement na de revolutie van 1789 een nieuw strafrecht introduceerde, moesten tal van archaïsche praktijken wijken. De nieuwe wetgeving perkte de macht van de rechters in, schafte de tortuur af en schrapte religieuze misdrijven zoals godslastering of hekserij. Over seks tussen personen van hetzelfde geslacht werd met geen woord gerept. Zelfs in de discussies in het parlement sprak niemand erover. Sodomie werd in alle stilte gedecriminaliseerd.

De Franse revolutionairen waren ambitieus en missionair. Ze wilden hun radicale project niet voor zichzelf houden. Al snel lieten ze hun oog vallen op de Oostenrijkse Nederlanden, een gebied dat in de volksmond al vaak ‘België’ werd genoemd. Na een aantal pogingen werd België in 1795 ingelijfd bij de Franse republiek. Als gevolg daarvan werd ook de Franse wetgeving van kracht. Dat sodomie vanaf 1795 in België niet langer strafbaar was, hebben we dus vooral aan het Franse imperialisme te danken.

De omwegen van de straf

De Franse Nationale Grondwetgevende Vergadering haalde sodomie in 1791 uit het strafrecht.

Ook tijdens de opeenvolgende strafrechtshervormingen van de negentiende eeuw bleven homoseksuele daden als dusdanig buiten het strafrecht. Dat betekent echter niet dat België en Frankrijk plots een gaytopia werden. Homoseksuele daden werden vrij unaniem als walgelijk bestempeld. Homoseksuelen kregen niet alleen geregeld te maken met sociale druk en gaybashing, maar ook met de politie. Het gebrek aan specifieke wetgeving weerhield hen er immers niet van om tegen ‘onnatuurlijke ontucht’ te blijven optreden. Dat kon bijvoorbeeld door gebruik te maken van de wetgeving rond openbare zedenschennis. Die kon indien nodig ruim geïnterpreteerd worden: wat een publieke ruimte was en wat niet, was niet altijd scherp gedefinieerd. Bovendien had de politie allerlei andere maatregelen tot haar beschikking: ze kon homoseksuelen lastigvallen en voor enkele dagen administratief opsluiten zonder dat ze daarvoor veel hoefde te doen.

Tekening van een ‘molly’, een verwijfde homoseksueel in Engeland, in 1774.

Als een paradoxaal gevolg van de decriminalisering werden mannen die seks bedreven met andere mannen na 1795 vaker door de politie en het gerecht lastiggevallen dan voordien. Voor 1795 trachtten de autoriteiten vooral schandaal te vermijden. Een proces en terechtstelling voor sodomie zouden schandaal veroorzaken en misschien zelfs medelijden opwekken. Dat probleem was van baan: de straffen op schending van de openbare zeden waren gematigd – maximaal een jaar cel – en vooral discreet. Dat betekent niet dat er plots massaal tegen homoseksuelen werd opgetreden. De politie had steeds manschappen tekort en meestal andere prioriteiten. Tussen 1822 en 1834 stelde de Antwerpse politie bijvoorbeeld vijf pv’s op voor ‘onnatuurlijke zonde’ – een misdrijf dat niet meer bestond. Niet indrukwekkend veel, maar veel meer dan in de periode voor 1795. De meeste zaken werden geseponeerd, maar intussen waren de verdachten toch mooi lastiggevallen.

Als ‘België’ dus het derde land ter wereld was waar ‘homoseksualiteit’ uit het strafrecht verdween, dan is dat bezwaarlijk een gloriemoment voor de homowereld te noemen. De verbetering van hun juridische positie ging hand in hand met een toenemende, zij het nog steeds beperkte vervolging. Die situatie zou tot het midden van de twintigste eeuw standhouden.

Meer lezen?

Wannes Dupont, Elwin Hofman en Jonas Roelens (red.), Verzwegen verlangen. Een geschiedenis van homoseksualiteit in België (Antwerpen: Vrijdag, 2017).

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van de KU Leuven verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn huidige onderzoek betreft de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.

Begraven als honden

De grootste horror voor de armen van de negentiende eeuw was het hospitaal. Er bestond immers altijd een reële kans dat ze tijdens een kosteloos verblijf in een van de overbevolkte ziekenzalen zouden bezwijken aan hun kwaal. En wat er dan na de dood met hun lichaam gebeurde, dat hadden zij noch hun overlevende familieleden in de hand.

Anonieme ‘hondenbegrafenissen’

Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865)
Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865).

Dode lichamen van armen kwamen na hun overlijden in een van de Brusselse publieke ziekenhuizen terecht in het anatomisch amfitheater. Daar werden de lijken verschillende keren ontleed door geneeskundestudenten, waarna het stoffelijk overschot zo snel mogelijk op een naburig kerkhof werd begraven. Van de lijken bleef er weinig intact. De goedkope individuele doodskisten waarin de menselijke resten werden verzameld, bevatten naast lichaamsdelen ook ondefinieerbare lichaamsvloeistoffen en weefsels. Zo gebeurde het weleens dat er per ongeluk lichaamsresten van meerdere overledenen in een kist belandden. Deze anonieme begrafenissen, waarbij armen niet de kans kregen om afscheid te nemen van hun naasten, stonden in de volksbuurten van Brussel bekend als onfatsoenlijke ‘hondenbegrafenissen’.

Arme families probeerden hun overleden verwanten dit lot te besparen, maar werden daarbij gehinderd door de bestaande ziekenhuisreglementen. In principe hadden zij het recht om het lichaam van hun overleden kind, ouder, broer of zus op te eisen. Op deze manier konden ze belemmeren dat het door anatomisten werd opengesneden en hadden ze de kans om de begrafenis bij te wonen. Dat was echter alleen mogelijk als families binnen 24 uur na de dood van hun familielid de kosten van de doodskist en de begrafeniskoets betaalden, wat voor armlastige families een financieel moeilijke, zij het niet per se onmogelijke zaak was. Na deze termijn werden de lichamen overgebracht naar het anatomisch amfitheater.

Wat niet weet, wat niet deert

Een bijkomend struikelblok was de nalatigheid van ziekenhuismedewerkers. Het gebeurde regelmatig dat families niet of te laat werden geïnformeerd over de dood van hun naaste. Bij aankomst na 24 uur in het ziekenhuis kregen ze te horen dat de begrafenis al achter de rug was. In werkelijkheid bevond het lichaam zich op dat moment op de dissectietafel in het anatomisch amfitheater. Personeelsleden moesten de trieste waarheid verhullen om hartverscheurende scènes van verontwaardigde families in de gangen van de ziekenhuizen te vermijden. Anonieme begrafenissen van ontlede patiënten werden met andere woorden in duisternis gehuld.

Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930
Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930.

Ook verwanten die er wel in slaagden om tijdig de begrafeniskosten te betalen, moesten niet hopen op een respectvolle behandeling van het lichaam van hun naasten. Dit werd in een mortuarium tussen andere lichamen gelegd, waar familieleden de overledene konden komen groeten. Tot de verbijstering van sommige familieleden waren deze lijken allesbehalve presentabel. Onbedekt en met geopende ogen werden ze aan het rouwende publiek tentoongesteld. Familieleden reageerden onder meer geschokt op de gewelddadige manier waarop de kisting plaatsvond. In bijzijn van familieleden sloegen ziekenhuismedewerkers de planken rondom de overledene vast met spijkers.

De kracht van protest

Doorheen de negentiende eeuw brachten dergelijke klachten weinig veranderingen teweeg aan de omgang met lijken van armlastige patiënten. Dat betekende niet dat familieleden helemaal machteloos stonden tegenover de gang van zaken. Door luidkeels en met geweld te protesteren, konden zij ad hoc bepaalde rechten opeisen. Zo was het voor personeelsleden onmogelijk om de doodskist volgens de voorschriften een uur voor de begrafenis te sluiten, omdat er altijd nog laattijdige familieleden opdaagden die stonden op hun recht om respect te betuigen aan het lichaam. Om de goede vrede in het ziekenhuis te bewaren, was het personeel bereid tot beperkte tegemoetkomingen.

Schets van een lijkkoets, 1846
Schets van een lijkkoets, 1846.

De klachten van Brusselse armen vonden wel gehoor in politieke middens. De meest invloedrijke kritiek op de gang van zaken in ziekenhuizen ging uit van de socialisten. In hun strijd tegen klassenongelijkheid en voor algemeen stemrecht richtten zij omstreeks 1880 hun pijlen onder meer op de minderwaardige behandeling van armen voor en na hun dood. Brussel werd in deze periode de setting van opeenvolgende stakingen en gewelddadige betogingen. Ziekenhuisdirecties vreesden zelfs voor de komst van rode vlaggen en bijhorende manifestaties in eigen huis.

Begraven in een nieuw jasje

In deze politiek woelige periode zagen de ziekenhuisbestuurders zich genoodzaakt om de omstandigheden van armenbegrafenissen te verbeteren. Opgeëiste lichamen werden vanaf de eeuwwisseling in een nieuw jasje begraven. In plaats van de gebrekkige platte kisten voerde men aantrekkelijkere vijfhoekige kisten met een rode binnenbekleding in. De nagels om de kisten mee dicht te timmeren werden vervangen door schroeven. Zwarte stof op de kisten moest een fatsoenlijk afgeschermd transport van de doden doorheen de gangen in het ziekenhuis verzekeren. In 1910 was er zelfs sprake van kussentjes voor onder de hoofden van de overleden patiënten. Fatsoen en respect werden langzamerhand woorden van betekenis in de omgang met de lichamen van armen.

Veel armen konden na hun dood helaas niet profiteren van de nieuwe maatregelen. Zonder familieleden die hun lichamen konden opeisen, voelden ziekenhuisbeheerders zich niet genoodzaakt om aandacht te besteden aan het lot van hun stoffelijk overschot. Deze lijken passeerden zoals vanouds langs het anatomisch amfitheater, vooraleer ze hun laatste rustplaats in goedkope sjofele kisten bereikten. Niemand was aanwezig op hun begrafenis.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en vrijzinnigheid in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Vanitasstilleven, 1625 door Pieter Claesz. (Haarlem, Frans Hals Museum)

Broeders aller steden, verenigt u!

Gastblog door Jelle Haemers.

Ironisch, zo zou je het kunnen noemen. De enige bewaarde brief van de ‘Vlaamse vrijheidsstrijder’ Pieter De Coninck is in het Frans opgesteld. Onlangs dook dit opmerkelijke tijdsdocument van de Brugse held van de Guldensporenslag opnieuw op. Die slag vond plaats op 11 juli 1302 en eindigde in een klinkende overwinning van de Vlaamse troepen op het leger van de Franse koning. In de negentiende eeuw groeide ze uit tot het symbool bij uitstek van de strijd om de vernederlandsing van Vlaanderen – 11 juli is nog altijd de feestdag van de Vlaamse Gemeenschap.  De brief toont echter eens te meer aan dat taaleisen allerminst een issue waren voor Pieter De Coninck, wél hoopte hij politiek verzet voor meer sociale rechten te promoten. En de Brugse wever verspreidde zijn rebelse ideeën dus graag via een brief naar zijn ‘broeders’ in andere – Franstalige – steden.

Pierre li Roi

Kopie van de brief met bovenaan de aanhef ‘Item, Pieres li Rois de Bruges, envoia un valet a tout une letre…’ (Archives départementales du Pas-de-Calais, serie A, nr. 928/7)

‘Op een dergelijke manier en met zo’n broederschap heb ik de stad Brugge gered!’ In de lente van 1306 schreef Pieter de Coninck, ‘Pierre li Rois’ in de brief, met deze woorden de textielarbeiders van Sint-Omaars aan om hen een hart onder de riem te steken in hun strijd om sociale rechten. Het document wordt bewaard in het archief in Arras, Noord-Frankrijk, de hoofdplaats van het toenmalige graafschap Artesië, waartoe Sint-Omaars (Saint-Omer) behoorde. Het is de enige brief van de Brugse held van 1302 waarvan de inhoud volledig bekend is. Het origineel ging echter verloren, maar een integrale Franse vertaling uit de middeleeuwen bleef bewaard op een archiefrol. ‘Et a tele frairie si sauvai jou le vile de Bruges’, klinkt het bovenstaande citaat in het bijna onverstaanbare Picardische Frans van die tijd.

Traditioneel wordt Pieter de Coninck als een Vlaamse vrijheidsstrijder afgeschilderd (en gebruikt), maar deze brief toont eens te meer aan dat de politieke en militaire ontwikkelingen van 1302 vooral een emancipatie waren van arbeiders  om politieke inspraak en rechten van sociale gelijkheid te krijgen. In het begin van de veertiende eeuw streden arbeiders, die toen verenigd waren in ambachten, een soort van vakbonden, om inspraak in de stad. Ze waren het jarenlange wanbestuur van een kleine groep grondig beu en eisten veranderingen. Je zou het bijna kunnen vergelijken met wat vandaag soms gebeurt: een kleine groep had de macht gemonopoliseerd en beschouwde het belastinggeld als het hun persoonlijk goed. Corruptie, persoonlijke verrijking, en vriendjespolitiek waren ook in de vroege veertiende eeuw schering en inslag in steden als Brussel, Antwerpen, Brugge en Gent.

Een Vlaamse strijd… tegen Vlamingen

Standbeeld van Pieter de Coninck en diens kompaan vleeshouwer Jan Breidel siert nog altijd de Brugse Grote Markt, de verzamelplaats voor de ambachtslegers. (© Ad Meskens)

Maar een tegenbeweging van ‘gewone mensen’, arbeiders en een opgekomen middenklasse trok aan de alarmbel, en eiste verandering. Enkele van onze hedendaagse democratische verworvenheden waren voor hen een strijdpunt. Op hun eisenlijst stonden onder meer een transparant bestuur waarin duidelijk was waaraan het belastinggeld besteed werd en inspraak in het bestuur van onderuit. Een gelijke berechting in de eigen taal stond er niet tussen. Dat is een eis die pas in de negentiende eeuw aan de Bruggeling werd toegeschreven. Onder meer het werk van Hendrik Conscience cultiveerde zijn heldenstatus, en later werd Pieter een frontman in de Vlaamse strijd.

De elite van de steden weigerde koppig toe te geven en verbond zich met de Franse koning, de eigenlijke leenheer van Vlaanderen. Na een lange politieke strijd kwam het uiteindelijk tot een open confrontatie op het slagveld aan de Groeningekouter. Het gevolg is bekend: het Franse ridderleger ging op 11 juli 1302 samen met de Vlaamse elite ten onder. De ambachten kwamen in de vermelde steden aan de macht. Eerder dan een gevecht tussen Frankrijk en Vlaanderen, laat staan een taalstrijd, was ‘1302’ dus een strijd van Vlamingen tegen Vlamingen. De elite delfde het onderspit en wevers zoals Pieter de Coninck triomfeerden en kwamen aan de macht. De inspraak van onderuit was een feit. Meer nog: na de geslaagde opstand te Brugge wakkerde Pieter de Coninck het ‘revolutionaire vuur’ nadien aan in andere plaatsen met een opmerkelijke correspondentie.

In zijn brief raadde de Bruggeling de kompanen uit Sint-Omaars aan om zich te verenigen tegen de elite van de stad. ‘Beste vrienden, ik heb gehoord dat jullie tegenstand ondervinden in de stad, en dat er verdeeldheid heerst’, begint hij zijn schrijven. De arbeiders, verenigd in ambachten, waren namelijk de confrontatie met de bestuurders van de stad aangegaan, maar hun klachten werden niet gehoord. Zijn advies luidde dat de leiders van de opstand de kleinere ambachten bij hun zaak dienden te betrekken, of, in de woorden van De Coninck, ‘als uw broeders te behandelen’. Om de vriendschapsbanden aan te halen vroeg hij of de ambachtslieden hem enkele afgewerkte klederen konden bezorgen, want hij had gehoord dat de ambachten deze vervaardigden. De kosten zou Pieter vergoeden! ‘En God zij met u’, sloot hij af. Een typische slotformule die bijvoorbeeld Amerikaanse politici nog altijd gebruiken!

Censuur

Op de zogenaamde ‘Courtrai chest’, nu in het Ashmolean Museum in Oxford, is de enige afbeelding van de Guldensporenslag uit de tijd zelf te zien; hier zijn Vlaamse troepen (met alweer banieren met werktuigen) onderweg naar Kortrijk.

De brief werd echter onderschept door het stadbestuur van Sint-Omaars, en allicht vernietigd. De schepenen namen – gelukkig voor ons – echter een vertaling op in een procesdossier als bewijsstuk tegen de opstandelingen. Daarom beschikken we dus nog steeds over de inhoud van de brief, die dus weliswaar vertaald werd naar het Frans. De Nederlandstalige versie is allicht vernietigd met de bedoeling het ‘revolutionaire vuur’ te doven. Dat is niet gelukt, want de brief is onlangs weer opgedoken. Het proces heeft dus op lange termijn een averechts effect gehad, want we bloggen er in 2017 nog altijd over.

Uiteindelijk is het in Sint-Omaars ook tot een gewapend treffen gekomen tussen de ambachten en de bewindvoerders, en de strijd werd ook hier in het voordeel van de handwerkers beslecht. In de zomer van 1306 verkregen ze toegang tot de schepenzetels en konden ze voortaan mee het beleid in de stad bepalen. Eind goed, al goed.

Meer lezen

Jelle Haemers, ‘Een brief van Pieter de Coninck aan Sint-Omaars (1306). Over schriftelijke communicatie van opstandelingen in veertiende-eeuws Vlaanderen en Artesië’, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 154 (2017), 3-30.

Jelle Haemers is gastblogger. Hij is hoofd van de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar politieke conflicten in de steden van laatmiddeleeuws Vlaanderen en Brabant.

5 favorieten van Tom Verschaffel

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week zijn we toe aan de laatste editie van deze zomer, met het favoriete leesvoer van Tom Verschaffel.

  1. De roman van Ferrara

Il romanzo di Ferrara is de overkoepelende titel van zowat het volledige oeuvre van Giorgio Bassani. Dat bestaat uit zes boeken: één grotere roman (meteen Bassani’s bekendste boek: De tuin van de Finzi-Contini’s uit 1962) en verder enkele korte romans en verhalenbundels. Alle verhalen spelen zich af in Ferrara, in de tijd van het Fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de nasleep ervan. Ze zijn deels autobiografisch, maar toch staat het leven van de auteur zelf niet centraal. Het geheel geeft een prachtig en pakkend beeld van het leven in de stad en in het bijzonder van de joodse gemeenschap.

Giorgio Bassani, De roman van Ferrara (Meulenhoff 2010; oorspronkelijke Italiaanse uitgave 1953-1972).

  1. De Thibaults

Al in de Top 5 van Kaat Wils en ook ik kan De Thibaults – inderdaad – onmogelijk niét opnemen. Opnieuw een romancyclus: zeven boeken (en een epiloog) van ongelijke lengte, in het Nederlands uitgegeven in twee dikke delen, met het verhaal van twee, zeer verschillende broers. Het geheel is magistraal en meeslepend (de eerste delen gaan vooral over de verhouding tussen de zoons en de dominante vader), maar ik wil hier in het bijzonder wijzen op het lange laatste boek (in het Nederlands het volledige tweede volume), duizend pagina’s waarin een periode wordt beschreven van niet meer dan enkele maanden, vlak voor en na het begin van de Eerste Wereldoorlog. Nooit is zo helder en overtuigend beschreven hoe (zoveel) mensen die geen oorlog wilden en tot op het laatste moment zelfs niet konden geloven dat die er zou komen, niet voorkwamen dat de oorlog uitbrak, erin werden meegesleept en ten prooi vielen aan patriotisme.

Roger Martin du Gard, De Thibaults (2 delen, Meulenhoff 2014-2015; oorspronkelijke Franse uitgave 1922-1940).

  1. Geteld, geteld

Geteld, geteld is het eerste (en helaas ook het enige in het Nederlands vertaalde) deel van een trilogie (1934-1940), waarin de Hongaarse schrijver Miklós Bánffy het verhaal vertelt van enkele leden van een adellijke familie, tegen de achtergrond van de maatschappelijke ontwikkelingen en politieke gebeurtenissen op het einde van de negentiende eeuw en de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Bánffy, zelf een edelman en politicus (hij was in de jaren 1920 korte tijd minister van Buitenlandse Zaken), schetst in een weids fresco een Hongarije in verval, met in de hoofdrol een adel waarvan de rol definitief is uitgespeeld.

Miklós Bánffy, Geteld, geteld (Atlas 2012; oorspronkelijke Hongaarse uitgave 1934).

  1. Middlemarch

Grote roman van George Eliot, die het leven schetst in een klein Engels stadje, met een veelheid aan personages en verwikkelingen. Scherpzinnig en soms heel geestig maakt Eliot voelbaar hoe grondig de maatschappij in de negentiende eeuw veranderde en welke impact dat had op het dagelijkse leven van individuen, met – het is wel algemeen bekend dat achter het mannelijk pseudoniem van Eliot een vrouwelijke auteur schuilgaat – een bijzondere aandacht voor de rol van vrouwen. In de Engelse literatuur zijn wel meer romans gewijd aan (aspecten van) de modernisering van het leven in de negentiende eeuw en de schokken die zij meebracht: een ander magistraal voorbeeld is De weg van alle vlees (1903) van Samuel Butler.

George Eliot, Middlemarch (Athenaeum 2016; oorspronkelijke Engelse uitgave 1871-1872).

  1. Het bureau

Nog een romancyclus, bestaande uit zeven boeken, ongeveer vijfduizend bladzijden in totaal. Allemaal gewijd aan de dagelijkse bezigheden van een niet al te vrolijke man die werkt op een wetenschappelijk onderzoeksinstituut voor volkskunde (eigenlijk het Meertensinstituut in Amsterdam). Het boek beschrijft met dodelijke precisie een saai leven met zijn zich steeds herhalende routines, maar is, als je er eenmaal “in” zit, o zo verslavend. Bovendien geeft het de dagelijks praktijk van de wetenschappelijke arbeid weer, met bijvoorbeeld ook een ontluisterend, maar tegelijk hilarische en herkenbare voorstelling van wetenschappelijke (historische) congressen.

J.J. Voskuil, Het bureau (Van Oorschot 1996-2000)

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: CC-BY Andy Roberts