Blogreeks: Een geschiedenis van het orgasme (ook voor vrouwen)

Aflevering 1: Over vrouwelijk zaad, verleidsters met een onstilbaar libido en geboren moeders.

In 1929 schreef de Britse schrijfster en feministe Virginia Woolf met verwondering enkele lijnen over een bezoek aan het British Museum. Ze deed onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit en was verrast over het aantal boeken dat ze vond, vooral geschreven door mannelijke auteurs:

Heb je er enig idee van hoeveel boeken er elk jaar over vrouwen worden geschreven? En hoeveel er daarvan door mannen worden geschreven? […] Seks en de natuur trekt niet alleen dokters en biologen aan, maar ook, verrassender en moeilijker te begrijpen: gerespecteerde essayisten, vingervlugge romanschrijvers, jonge mannen met een diploma of zonder diploma. Kortom, mannen met schijnbaar geen enkele kwaliteit behalve dan dat ze geen vrouw zijn.

De volgende weken draaien om de verwondering van Woolf. Aan de hand van het voorbeeld van het orgasme zoekt historica Tinne Claes voor u uit wat mannen zoal hebben geschreven over de vrouwelijke seksualiteit. Deze blogreeks van drie afleveringen vertelt een kleine geschiedenis van het (al dan niet) komen en legt tegelijkertijd hardnekkige clichés over mannen en vrouwen bloot. Vandaag: waarom dokters het vrouwelijk orgasme belangrijk vonden tot en met de Renaissance.

Ook vrouwen hebben testikels

De zestiende-eeuwse anatoom Andreas Vesalius tekende de baarmoeder nog erg gelijkend op een penis (Vesalius, “De humani (…)”, 1543, Wellcome Collection).

In de populaire verbeelding is de oudheid een periode van seksuele losbandigheid. We denken aan knapenliefde in het oude Griekenland. Of aan de populaire televisieserie Rome, waarin de ene seksscène de andere opvolgt, compleet met prostitutie, overspel en orgieën. De middeleeuwen stellen we ons daarentegen voor als een duistere periode, waarin het christendom seksualiteit naar het verdomhoekje verbande. Toch werd de geschiedenis van het orgasme tot en met de Renaissance vooral gekenmerkt door continuïteit. Eén vraag stond centraal. Moest de vrouw klaarkomen om zwanger te worden?

De meeste dokters geloofden dat een orgasme nodig was om een kind te verwekken. Daarvoor had je immers niet alleen mannelijk, maar ook vrouwelijk zaad nodig. Dat meende de Griekse arts Hippocrates al in de vijfde eeuw voor Christus. Galenus dacht meer dan 500 jaar later nog steeds dat een kind ontstond uit de versmelting van mannelijk en vrouwelijk zaad. Zijn werk bleef populair doorheen de hele middeleeuwen.

Waar kwam dit idee vandaan? Een veelgehoorde theorie verwijst naar de manier waarop artsen het mannelijk en vrouwelijk lichaam bekeken. Hippocrates en Galenus zagen de vrouw wellicht als een naar binnen gekeerde man. De geslachtsorganen van mannen en vrouwen waren volgens hen dezelfde: alleen waren die van de vrouwen minder goed ontwikkeld, waardoor ze langs de binnenkant waren blijven zitten. Simpel gesteld: de vrouw was een minderwaardige man, de man een deluxe uitvoering van de vrouw. Eierstokken waren testikels, de vagina en de baarmoeder vormden samen een soort van naar binnen gegroeide penis. Het idee dat mannen en vrouwen hetzelfde basisontwerp hadden, bleef in zwang tot de achttiende eeuw. Er bestonden doorheen de tijd verschillende varianten van: zo noemden artsen in de zestiende en zeventiende eeuw de clitoris de mentula muliebris, ofwel de vrouwelijke penis. In deze periode zagen artsen de clitoris als het centrum van vrouwelijk genot, net zoals de penis dat bij de man was.

Geheime delen en putjes

De verraderlijke Eva verleidt Adam tot de zondeval (Gravure van J. Massard, 1787, naar C. Cignani, Wellcome Collection).

Het vrouwelijk orgasme was belangrijk omdat zonder voortplanting onmogelijk was. Zonder orgasme, geen vrouwelijk zaad. Zonder vrouwelijk zaad, geen kinderen. Maar hoe je net tot een vrouwelijk orgasme moest komen, was een andere vraag. Volgens Galenus was de huid van de genitaliën gevoeliger, waardoor het ‘krabben’ ervan zeer deugddoend zou zijn voor de vrouw. Zin in seks beschreef hij als een soort van ‘jeuk’. Middeleeuwse schrijvers zoals Aegidius Romanus verkeerden dan weer in de illusie dat de ontvangst van het mannelijk zaad op zich al genoeg was om de vrouw in vervoering te brengen. Het mannelijk orgasme leidde volgens hem automatisch tot een hoogtepunt bij de vrouw.

Zeventiende-eeuwse artsen waren er van overtuigd dat vooral de clitoris leidde tot ‘een zeer groot plezier’. Populaire handboeken uit deze periode raadden mannen met een kinderwens niet alleen aan om hun vrouw op te hitsen met dirty talk, maar ook om ‘met haar geheime delen en putjes te spelen’. Toen de jonge prinses Maria Theresa van Oostenrijk in 1740 niet meteen na haar huwelijk zwanger werd, raadde haar arts aan om ‘de vulva van hare Heilige Majesteit te kietelen voor de coïtus’. Maria Theresia schonk na dit schijnbaar nuttige advies het leven aan meer dan zestien kinderen.

Verleidsters en moeders

Het vrouwelijk orgasme stond ten dienste van de vruchtbaarheid. Genot was niet alleen nodig om vrouwen hun ‘zaad’ te laten lossen, maar ook om hen de mogelijke gevolgen van seks te doen vergeten. Als vrouwen niet genoten van seks, zouden ze toch nooit het risico lopen om zwanger te worden? Volgens de Griekse mythologie was seks daarom tien keer lekkerder voor vrouwen dan voor mannen. Ook Renaissance-schrijvers zagen de vurige appetijt van de vrouw als een godsgeschenk. In een tijd waarin veel vrouwen stierven tijdens de bevalling, was het orgasme een bewijs van de perfectie van de schepping. Zonder genot zou de vrouw ‘de grote pijn en ondraaglijke angst’ nooit kunnen vergeten. Als God het vrouwelijk orgasme niet had geschapen, zou de mensheid binnen één generatie vergaan.

Meer nog, vrouwen werden gezien als het geslacht dat het meest op seks uit was. Hun jeukende baarmoeders en genitaliën maakten van hen gevaarlijke mannenverslindsters.  Griekse mythes zitten vol van vrouwelijke personages met een onstilbaar libido. Zo is er de tragedie Bacchae van Euripides, waarin twee vrouwen op het hoogtepunt van hun seksuele extase het hoofdpersonage Pentheus letterlijk verscheuren. In de Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius kunnen de jonge vrouwen Byblis en Myrrha hun handen zelfs niet van hun familieleden afhouden. Of nog een klassieker: het oerverhaal van het christendom. Het is Eva’s verlangen dat leidt tot de zondeval. De brave Adam wordt er slechts in meegesleept. De mannelijke casanova en sekswolf is een modern idee. Voor de achttiende eeuw overheersten vrouwelijke verleidsters en femmes fatales de literaire verbeelding.

Vroeger was het beter?

Omdat zowel de seksuele lust als het orgasme ook voor vrouwen als belangrijk werden aanzien, hebben vele historici en feministen beweerd dat het vroeger beter was: dat seksualiteit vroeger in meer vrijheid kon worden beleefd. Toch was het verre verleden geen grote orgie, noch een feministisch feest. Artsen en schrijvers waren meestal mannen die neerkeken op vrouwen. Dat vrouwen streefden naar genot stelden ze voor als een gevaar (dat onschuldige mannen zelfs hun leven kon kosten) en als een teken van hun irrationaliteit. Bovendien stond het orgasme haast uitsluitend in teken van het moederschap. In de volgende aflevering van deze reeks leert u alles over de achttiende en negentiende eeuw, een periode waarin vrouwen hun lustgevoel verloren en ook het vrouwelijke orgasme verdween … (of dat schreven de mannen toch).

Meer lezen.

Dabhoiwala, F. (2012). The Origins of Sex: A History of the First Sexual Revolution. Oxford, Oxford University Press.

Laqueur, T. (1990). Making Sex: Body and Gender from the Greeks to Freud. Cambridge MA, Harvard University Press.

Laqueur, T. (1986) “Orgasm, Generation, and the Politics of Reproductive Biology”, Representations 14: 1-41.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze onderzoekt hoe onvruchtbaarheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Titelafbeelding: Invocation à l’amour, ca. 1825, Wellcome Collection. CC BY.

70 jaar smullen op CM-kamp

Begin jaren 1950 met de Christelijke Mutualiteiten op vakantie naar Zwitserland betekende voor veel jongeren een avontuur, een eerste buitenlandse reis. De keuken was ‘van bij ons’ en Belgische vrijwilligers stonden achter de kookpotten. Met ‘goestingskes’ werd geen rekening gehouden. Het voedsel moest krachtig, overvloedig en gezond zijn, Toch zijn het vooral de Zwitserse chocolade en de geitenmelk, gedronken bij een geitenboer tijdens een bergwandeling, die bleven hangen in de herinneringen van de vakantiegangers. De toon voor de volgende zeventig jaar was gezet.

Met de ziekenkas op vakantie

De eerste jongeren reizen met CM naar Zwitserland in 1949.

Met een regentschapsbesluit uit 1946 kregen de mutualiteiten toelating om speciale bijdragen te innen voor het organiseren van preventieve luchtkuren. Doelstelling was de in de oorlog verzwakte jeugd een op gezondheid gerichte ontspanning aan te bieden. Binnen CM gingen enkele Mechelse pioniers aan de slag en in 1947 was de eerste binnenlandse vakantie voor 1400 dertien- en veertienjarigen een feit. Op 17 juli 1949 reisden dan voor het eerst 1100 veertienjarige jongens uit de regio’s Turnhout en Mechelen naar Zwitserland. In de Mechelse overdekte fruithal had CM een groots afscheidsfeest op touw gezet. Na afloop stapten de jongeren met de legendarische kartonnen dozen in stoet naar het station tussen een haag van ouders en honderden toeschouwers.

Een lange treinreis bracht de veertienjarigen naar hun kamp in het bergdorp Melchtal, waar de Zwitserse vlag, de Belgische driekleur en de Vlaamse Leeuw boven de gewezen legerpaviljoenen wapperden. De keuken en de refters namen samen drie paviljoenen in beslag. De inrichting van de verblijfs- en slaapkwartieren voor de jongeren en hun begeleiders was sober maar functioneel; er waren grote speel- en slaapzalen, stortbaden en waskamers. ‘s Morgens trokken de kinderen in rijen naar de mis en daarna naar de refter. Het activiteitenprogramma bestond voor het grootste deel uit openluchtspelen en bergwandelingen. Later die zomer kregen ook 1154 veertienjarige meisjes de kans om Melchtal te leren kennen.

Degelijke, gezonde kost van bij ons

Tafelbier stond standaard op tafel.

Op tafel moest degelijke, gezonde en betaalbare voeding komen, met gerechten die zo dicht mogelijk aanleunden bij de vertrouwde keuken van thuis. Dat was de filosofie achter de richtlijnen van de verantwoordelijken van de dienst Preventieve Luchtkuren. Aardappelen en brood vormden de hoofdbestanddelen van het menu. Zo verorberden de Belgische jongeren in de vakantiecentra in Zwitserland anno 1965 zevenhonderd tot twaalfhonderd kilo brood per dag. Maar ook fruit en groenten mochten niet ontbreken. De exploitanten en koks van de centra kregen regelmatig de opmerking dat ze voor de nodige afwisseling moesten zorgen. Het ontbijt bestond voornamelijk uit wit brood met kaas, charcuterie en confituur of siroop als beleg. Hierbij werd koffie of melk gedronken. Bij de warme middagmaaltijd kwam er soep op tafel, per persoon zo’n driehonderd gram aardappelen en groenten, zeventig tot honderd gram vlees of vis en een dessert. Eenmaal per vakantieperiode waren er frieten. Het aanbod van drank bestond uit water, limonade of grenadine en het licht alcoholisch tafelbier. Als vieruurtje was er afwisselend gebak en fruit. ’s Avonds werd een koude groenteschotel, vergezeld van aardappelen of brood, of een warm melkgerecht geserveerd.

Van Preventieve Luchtkuren tot Kazou

Zelf koken en smullen met Kazou.

In de nasleep van mei 1968 deed zich een koerswijziging voor in de tot dan toe strikt hiërarchische structuur van de dienst Preventieve Luchtkuren. De vrijwilligers vroegen en kregen meer inspraak en er ontstond meer ruimte voor experimenten. Met de nieuwe naam ‘Jeugd & Gezondheid’ kwam er vanaf 1971 een uitgebreider en themagericht vakantieaanbod. Vanuit culinair opzicht deed de grootste verandering zich voor in de jaren negentig. Niet alleen werden toen de vakanties gemengd, ze werden ook kleinschaliger. Formules met kookouders, technische kookploegen en hun eigen potje kokende vakantiegangers vonden vanaf dan hun plaats in het aanbod, naast het bestaande volpension en de massakeuken van de grote vakantiecentra.

In 2006 werd Jeugd & Gezondheid omgedoopt tot Kazou. Samen met de naamsverandering kwamen er nieuwe bestemmingen en formules zoals glamping, het met glamour kamperen in luxetenten. Waar in de jaren 1950 en 1960 het motto ‘eten wat de pot schaft’ gold, kwamen er nu keuzemenu’s met speciale aandacht voor vegetariërs, jongeren met allergieën of andere ziektebeelden. Tijdens vakanties in halfpension mochten de adolescenten kiezen wat ze aten in hun lunchpauze.

Gevarieerde menu’s, ongewijzigde doelstellingen

Het klassieke ‘Belgische’ maaltijdpatroon bestaande uit een ontbijt, een warme maaltijd met soep, aardappelen, groenten en vlees of vis, een versnapering als vieruurtje en een koude of warme avondmaaltijd, hield in de jongerenvakanties van CM lang stand. Nieuwe gerechten vonden slechts heel geleidelijk hun plaats in de menu’s.

Handleiding voor de technische kookploegen.

Tijdens een vakantieperiode in juli 1973 in het Nederlandse Ossendrecht kwamen naast de klassiekers een aantal ‘nieuwigheden’ op tafel zoals chocopasta, zalmsalade, rosbief, kroketten, ossenstaartsoep en een eerste ‘exotisch’ gerecht: Hongaarse goulash. Van pasta’s of frisdranken was hier nog geen spoor. Een kleine tien jaar later, in 1982 in Heer-sur-Meuse, vertoonde het culinair landschap al iets meer verandering. De spaghetti deed definitief zijn intrede en minstens eenmaal per vakantieperiode stond er een barbecue op het programma. Met hun zakgeld konden de vakantiegangers frisdranken zoals Cola, Fanta en Sprite aankopen in de bar.

De kleinschalige vakanties vanaf de jaren negentig, waar technische kookploegen of de jongeren zelf de maaltijden verzorgden, vertoonden een grotere culinaire variatie. Er waren nieuwe recepten zoals wokschotels en wraps; soep en pastagerechten bleven in de smaak vallen. Steeds vaker weken de menu’s af van het klassieke maaltijdpatroon. Ondanks al deze veranderingen verschillen de huidige basisrichtlijnen vanuit de leiding van Kazou weinig van de doelstellingen uit de beginperiode: zorgen voor evenwichtige, gevarieerde en gezonde maaltijden met veel fruit en groenten. Een bewijs te meer dat CM, naast haar verdiensten als grootste ziekenfonds, altijd al het DNA had van een gezondheidsfonds.

Gerda Broeckmans was in het academiejaar 2018-2019 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over de evolutie van de eetcultuur tijdens de jongerenvakanties van CM.

Een middeleeuwse handleiding voor (pre)formateurs

Gastblog door Minne De Boodt.

Zondag 26 mei 2019 trokken de meeste Belgen naar de stembus voor de regionale, federale en Europese verkiezingen. Na 164 dagen lijkt de vorming van een federale regering nog steeds veraf. De (pre)formateurs kunnen misschien de nodige inspiratie opdoen tijdens een bezoek aan het Brusselse stadhuis. In de plafondbalken van dit gotisch gebouw staan immers de versregels van het invloedrijke Hoemen ene stat regeren sal (Hoe men een stad zal besturen) gegrift. Dit laatmiddeleeuws gedicht herinnert bestuurders al 600 jaar aan hun verplichtingen.

‘Zij die (…) willen besturen, zullen deze regels naleven’

Stadhuis van Brussel.

Er is weinig geweten over de oorsprong van Hoemen ene stat regeren sal. Het gedicht kwam tot stand tussen 1330 en 1350, al valt niet te achterhalen wanneer het exact geschreven is. Ook de auteur kennen we niet. Hij was wellicht lid van de bestuurlijke elite of stond er in ieder geval nauw mee in contact. Hoemen ene stat regeren sal is dan ook voor de stadsbestuurders geschreven. Zo spreekt het gedicht ‘zij die willen besturen’ niet alleen letterlijk aan, het lijst ook hun verantwoordelijkheden op.

Hoemen ene stat regeren sal bevat verschillende centrale richtlijnen die bestuurders te allen tijde moeten naleven. Anders, zo schrijft de auteur, komt de toekomst van de stad in gevaar. Zijn waarschuwing bleef in de veertiende-eeuw niet onopgemerkt. Net als vandaag was het politieke landschap toen erg bewogen. De politieke macht was in handen van enkele elitaire families of geslachten. Vanaf de dertiende eeuw stelden groepen die uitgesloten werden van de politiek, zoals de ambachten, hun machtsmonopolie echter steeds meer in vraag. Ambachten waren beroepsverenigingen zoals de wevers, de schippers of de visverkopers. Ze protesteerden niet alleen tegen de gang van zaken maar eisten ook inspraak in het bestuur. De spanningen bereikten een kookpunt in de veertiende eeuw en mondden uit in een reeks van opstanden tegen het bestuur.

Middeleeuwse tips en tricks om te besturen

De oudste bewaarde versie van het gedicht (© de Koninklijke Bibliotheek van België, Der Leken Spieghel, circa 1350, ms. 15658, f. 122r).

Eerst benadrukt Hoemen ene stat regeren sal dat bestuurders moeten zorgen voor eensgezindheid. In de sterk gelaagde middeleeuwse samenleving liepen de spanningen tussen sociale groepen vaak hoog op. Zo bestonden er geschillen tussen de ambachten en elitaire families onderling, terwijl de bestuurders vaak in de clinch lagen met sociale groepen die geen zeggenschap hadden binnen de politiek. Eenheid en harmonie waren met andere woorden belangrijke politieke principes. Het was de taak van bestuurders om op zoek te gaan naar een gulden middenweg. Voor partijbelangen en kibbelkabinetten was er geen plaats in de late middeleeuwen.

Vervolgens moesten bestuurders regeren in functie van het algemeen belang. In de late middeleeuwen was het algemeen belang één van de meest gebruikte politieke concepten. Bestuurders moesten verantwoording afleggen aan hun onderdanen en het gevoerde beleid moest iedereen ten goede komen. Zowel bestuurders als onderdanen gebruikten het algemeen belang om hun daden te legitimeren. Wie kan er nu tegen iets zijn dat de hele gemeenschap ten goede komt?

Bestuurders traden in de late middeleeuwen niet alleen op als wetgevers maar ook als rechters. Hierbij is het volgens Hoemen ene stat regeren sal belangrijk dat ze zowel arm als rijk rechtvaardig behandelden, zich hielden aan de regels en de privileges van hun onderdanen en criminelen verbanden. Al bestond de scheiding der machten nog niet, toch waren bestuurders onderhevig aan de wetten van hun land. Deze wetten vormden bovendien een belangrijk onderdeel van de identiteit van laatmiddeleeuwse burgers. Het politieke idee van rechtvaardigheid is zo niet alleen vandaag, maar ook in de veertiende eeuw brandend actueel.

Laatmiddeleeuwse miniatuur van de opstand van de Cabochiens te Parijs in 1413 (© Bibliothèque nationale de France, Les Vigiles de Charles VII, circa 1475-1500, ms. fr. 5054, f. 8v).

Tot slot: net zoals de Europese Unie de Belgische regering regelmatig aanspoort om de begroting niet te laten ontsporen, benadrukt Hoemen ene stat regeren sal het belang van gezonde financiën. In de late middeleeuwen zag de belastingbetalende bevolking een gebalanceerde schatkist als een basisprincipe voor goed bestuur. Toch kwamen corrupte praktijken regelmatig voor. Rond 1300 konden zulke financiële wanpraktijken voor een groot deel van de Europese stadsbevolking niet meer door de beugel. Over het hele continent werden bestuurders aangeklaagd wegens verdenkingen van corruptie. Het financiële gesjoemel leidde zelfs regelmatig tot opstanden.

‘Het venster uit’

Neem nu 1378. In maart en augustus van dat jaar dienden de Leuvense ambachten twee petities of verzoekschriften in bij de landsheer en het stadsbestuur. Op de verlanglijst van de ambachten stonden eerlijke belastingen, een gezond schuldbeleid, controle op de financiën door middel van publieke rekeningen en vertegenwoordiging in het fiscale beleid. Zoals deze Leuvense petities duidelijk maken, gebruikten de ambachten politieke ideeën bovendien om concrete politieke veranderingen te verkrijgen. Ideeën speelden met andere woorden een actieve en strategische rol in hun tijd. Het mislopen van de onderhandelingen in 1378 zorgde ervoor dat de ambachten het Leuvense stadhuis bezetten, waarbij ze 16 schepenen het raam uitgooiden. Gelukkig voor de huidige (pre)formateurs veroorzaken vastgelopen onderhandelingen vandaag geen defenestraties. Al raad ik ze toch aan om tijdens hun bezoek aan het Brusselse stadhuis weg te blijven van de ramen.

Meer lezen.

M. De Boodt, ‘“How one shall govern a city”: the polyphony of urban political thought in the fourteenth-century duchy of Brabant’, Urban History, 46:4 (2019), 578-596.

Minne De Boodt is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar politieke ideeën in laatmiddeleeuwse Europese steden.

Vergeten kunstenaressen?

In 2016 voerde de Universiteit Gent een onderzoek uit naar de loopbanen van mannen en vrouwen in de creatieve sector in Vlaanderen. Daaruit bleek dat vrouwelijke beeldende kunstenaars stelselmatig minder betaald werden dan hun mannelijke collega’s. Mannelijke kunstenaars ouder dan 45 verdienden zelfs bijna dubbel zoveel als hun vrouwelijke tegenhangers. Deze ongelijke behandeling heeft zijn wortels in het verleden. In de negentiende-eeuwse kunststad Parijs hadden vrouwelijke kunstenaars bijvoorbeeld heel wat minder studie- en loopbaanmogelijkheden dan mannen.

Gesloten deuren

De Académie Julian door Marie Bashkirsteff, 1881 (Dnipropetrosvk Art Museum).

De befaamde École des Beaux-Arts liet pas in 1896 vrouwelijke studenten toe. Voordien moesten aspirant-kunstenaressen hun heil zoeken in private academiën en ateliers. De Académie Julian en de Académie Colarossi waren populaire alternatieven. Deze twee instellingen lieten vrouwelijke kunstenaars toe om naaktmodellen te gebruiken, wat op andere plaatsen was verboden. Naaktmodellen hielpen vrouwen bij het weergeven van correcte anatomische verhoudingen. Kunstenaarsleerlingen die hier geen gebruik van konden maken, beperkten zich dan ook veeleer tot het schilderen van bloemen, stillevens en landschappen.

In deze private instellingen kregen mannelijke en vrouwelijke studenten trouwens gescheiden les. In de Académie Julian waren gemengde ateliers een tijdlang toegestaan, maar die verdwenen na klachten over het gebrek aan goede zeden. Vrouwen moesten daarnaast veel meer betalen dan hun mannelijke evenknieën voor eenzelfde, of zelfs minder uitgebreide lessenreeks. Daarom konden alleen dames van goede komaf zich een opleiding veroorloven. Zo was er een schilder in 1887 die mannen in zijn privé-atelier 30 frank per maand liet betalen, terwijl hij zijn vrouwelijke leerlingen 100 frank per maand aanrekende. Maar omdat vrouwen niet veel andere opties hadden, was zijn atelier toch altijd volzet.

Van atelier naar atelier

Louise Jopling zette een eigen atelier op na haar tijd in Parijs (The Huntarian, Universiteit Glasgow).

Het kwam niet veel voor dat vrouwelijke schilders enkel bij een meester in Parijs in de leer gingen. Vaak studeerden ze aan de Académie Julian of Colarossi terwijl ze zich tegelijk aansloten bij enkele privé-ateliers. Wanneer ze uit het buitenland afkomstig waren, hadden ze daar doorgaans ook al enkele leermeesters gekend. Soms waren de opties voor vrouwen beter in het moederland, zoals in het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Toch was de kwaliteit van de Parijse kunst een grote aantrekkingspool. Zo had maar een derde van de studenten van Alfred Stevens, een kunstschilder met een privé-atelier dat exclusief voor vrouwen was bestemd, de Franse nationaliteit. Er bestonden zelfs gidsboekjes die toekomstige buitenlandse studenten informeerden over waar ze als vrouw konden studeren en hoeveel hen dat zou kosten.

Verschillende vrouwen besloten na hun verblijf in Parijs om een eigen atelier op te zetten. Daar onderwezen ze dan op hun beurt vrouwelijke kunstenaars. Enkelen gebruikten ook de kennis die ze in Parijs hadden opgedaan om een belangrijke positie te verwerven binnen de nationale kunstscholen. Een Scandinavische leerlinge van Alfred Stevens slaagde er zelfs in om de Deense Kunstacademie voor vrouwen mee op te richten.

Succesvolle carrières?

Het feit dat deze vrouwen nu, op enkelen na zoals Rosa Bonheur en Berthe Morisot, vergeten zijn, doet vermoeden dat hun carrières niet zo succesvol waren. Velen stopten inderdaad na hun huwelijk al met schilderen. Maar anderen slaagden er wel in om (zelfs ongetrouwd) te blijven leven van hun kunst. Toch was het in die tijd voor een vrouw zeker niet vanzelfsprekend om een kunstcarrière op te bouwen. Zo waarschuwde een vader van een van de leerlingen van Stevens zijn dochter dat ze haar werk niet mocht verkopen, en dat ze zeker niet mocht deelnemen aan wedstrijden. Dat competitieve milieu was volgens hem namelijk ‘ongeschikt voor een dame’.

Clémence Roth schilderde bijvoorbeeld haar dochtertje voor het Salon van 1889 (Musée Morlaix).

Dit hield een aantal vrouwelijke kunstenaars niet tegen. Franse dames richtten zo in 1881 hun eigen Union des Femmes Peintres et Sculpteurs op. Deze vereniging ijverde voor meer mogelijkheden voor vrouwelijke kunstenaars en organiseerde zelf tentoonstellingen. Dergelijke initiatieven vonden in die periode ook in andere landen plaats. Zo waren enkele leerlingen van Stevens medeverantwoordelijk voor de oprichting van de Belgische Cercle des Femmes Peintres in 1888. Parijse kunstenaarsleerlingen waren ook goed vertegenwoordigd op de befaamde Salons en zelfs in de World’s Columbian Exposition in 1893. Het zou evenwel tot 1925 duren vooraleer een vrouw voor het eerst de hoofdprijs van de prestigieuze Prix de Rome bemachtigde.

Hoewel vrouwelijke kunstenaars niet dezelfde mogelijkheden kregen als hun mannelijke tegenhangers, waren ze dus wel degelijk prominent aanwezig binnen de Parijse kunstwereld in de late negentiende eeuw. Toch negeerden critici en (kunst)historici lange tijd hun werk, dat ze afdeden als te vrouwelijk of te banaal. Nu de traditionele mannelijk georiënteerde definitie van ‘grote’ kunst voorbijgestreefd is, is het misschien tijd voor een herwaardering van deze vergeten groep van vrouwelijke kunstenaars(leerlingen).

Meer lezen.

Weisberg, G. en Becker, J. (red.), The Women of the Académie Julian, New York, 1999.

Frauke Desmet was in het academiejaar 2018-2019 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over vrouwelijke kunstenaressen in het Parijse atelier van Alfred Stevens in de negentiende eeuw.

Zonnig en gek

Gastblog door Eva Andersen.

Met de hittegolven van de voorbije zomer was de kans op een zonneslag of hittesteek reëel. Weinigen zullen de getroffenen tegenwoordig krankzinnig verklaren. In de negentiende eeuw kon men volgens artsen maar beter opletten met te lang in de zon te lopen of in oververhitte ruimtes te vertoeven. Krankzinnigheid loerde volgens hen altijd om de hoek. Wie kreeg in de negentiende eeuw deze diagnose? En wat waren volgens artsen veel voorkomende symptomen van, en maatregelen tegen een zonneslag?

Risicovolle groepen

Reclame voor hoeden om de brandende stralen van de zon te trotseren.

De kans op een zonnesteek lag volgens artsen hoger bij volwassen mannen gezien zij “van nature” gedwongen waren zichzelf meer bloot te stellen aan “calorische schade”. Ook beroepen die vaak te maken kregen met extreme temperaturen werden als risicogroepen beschouwd: bakkers, smids, arbeiders in suiker- en zetmeelfabrieken en brouwerijen, stokers op stoomschepen, zeelieden en soldaten. In mindere mate maakten de psychiaters en artsen melding van zonnesteken bij vrouwen en kinderen. Wanneer kinderen met een zonnesteek te maken kregen was de Britse arts Theodore B. Hyslop ervan overtuigd dat dit “accidentieele idiotie”, “imbeciliteit” of zwakzinnigheid teweegbracht.

Werken van vooral Britse psychiaters diagnosticeerden zonnesteken ook in grote(re) hoeveelheden bij Europeanen die in de Britse kolonie India vertoefden. Hyslop liet zich in een artikel ontvallen: “Men heeft mij doen geloven dat India misschien wel het meest productieve land is van deze aandoening onder de Europeanen, want niet minder dan 23 van de [55] gevallen zouden zich daar hebben voorgedaan”.

Symptomen

Karikatuur: For the Hot-Headed (Wellcome Collection. CC BY).

Hyslop stelde dat “zonnesteken niet zelden de oorzaak zijn van lijden, maar ook een gevaar vormen, en een verkorting van het leven veroorzaken; waarbij de cerebro-spinale centra permanent, zo niet structureel veranderd worden”. Een aantal negentiende-eeuwse psychiaters meende dat een persoon weken, maanden of zelfs pas jaren na de zonneslag de eerste tekenen van krankzinnigheid kon vertonen. In dergelijke situaties waren de vooruitzichten weinig rooskleurig. Het aantal gevallen dat na een zonneslag herstelde was niet zo groot, als we de toenmalige statistieken mogen geloven. De cijfers over de gevolgen van krankzinnigheid-door-zonneslag liepen wel erg uiteen. Eén psychiater meldde dat van de 13 gevallen die hij had waargenomen er 7 hersteld waren. Een andere arts had 16 gevallen onderzocht waarvan er slechts 1 volledig genezen was verklaard.

De symptomen van krankzinnigheid-door-zonneslag konden, aldus de psychiaters, erg divers zijn: het optreden van manie, waanideeën zoals grootheidswaanzin, hallucinaties, extreme argwaan, kleptomanie, het plots optreden van alcoholisme, het vertonen van extreme vormen van geweld, blindheid, dementie en volledige verlamming.

In de voorvallen die psychiaters beschreven, begonnen veel patiënten na een zonnesteek plots vreemd en verwarrend gedrag te vertonen: het verscheuren van kleding, moordzuchtige neigingen, waandenkbeelden over zichzelf als afstammeling van de koninklijke familie en bezetenheid. Patiënten bleken soms ook moeite te hebben met schrijven of spreken, of hadden plots een onstabiele tred.

Lange termijngevolgen

De psychiaters namen aan dat sterke zonnestralen op het hoofd en de nek, alsook extreme hitte, de lichaamstemperatuur overmatig deden stijgen en zo ook een ontsteking in de hersenen veroorzaakte, al was er rond 1890 nog geen consensus over de exacte pathologie. Volgens psychiaters was er een verband met andere stoornissen. De hierboven vermelde symptomen werden volgens hen vaak snel opgevolgd door andere (psychiatrische) ziektebeelden zoals meningitis, algemene verlamming (General Paralysis) en epilepsie.

Maatregelen

Hittegolf in Parijs, 22 september 1895.

Hoewel de vooruitzichten na een extreme zonnesteek er volgens artsen niet altijd rooskleurig uitzagen, bevalen zij enkele remedies aan die een gewone zonnesteek konden verlichten. De negentiende-eeuwse arts schreef voor om de persoon in kwestie naar een koelere plaats te brengen en koud water op het hoofd en lichaam aan te brengen. Strakke kleding werd best verwijderd. In meer acute gevallen werd de lichaamstemperatuur naar beneden gehaald door middel van een injectie met quinine of morfine. Bovendien dachten negentiende-eeuwse psychiaters dat hiermee onomkeerbare veranderingen in het brein konden worden beperkt of tegenhouden.

Een andere optie was het geven van een stimulerend middel. Dit kon bijvoorbeeld door ammoniak onder de neus te houden of door mosterdpleisters op het lichaam, de benen en buik aan te brengen. Minder aangenaam was het toedienen van een darmspoeling. Ging een zonnesteek ook gepaard met vormen van epilepsie, dan werd aangeraden om de patiënt het anesthetische middel chloroform te laten inademen, al moest hier wel erg voorzichtig mee worden omgesprongen. Patiënten konden ook best voor geruime tijd wegblijven uit tropische temperaturen en moesten zich vooral niet overwerken of aan angsten worden blootgesteld.

Wie voor werk of ontspanning naar het zuiden zou trekken: een gewaarschuwd vrouw of man is er twee waard.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.

4 katholiek verantwoorde manieren om syfilis te bestrijden

De zomer is helaas voorbij. Toch trakteren we u nog op een laatste zomerblog met katholiek gezondheidsadvies om syfilis te lijf te gaan.

Syfilis was al sinds de zestiende eeuw bekend en gevreesd. Tot de negentiende eeuw werd een besmetting met syfilis echter vooral als een persoonlijk drama beschouwd, dat enkel de patiënt zelf en zijn gezin raakte. In de negentiende eeuw kwam hier verandering in. Onder invloed van het idee dat een “ras” niet alleen positief kon evolueren maar ook ten onder kon gaan aan bijvoorbeeld ziektes en immoreel gedrag – het zogenaamde degeneratiedenken – werd syfilis bij uitstek dé ziekte die heel de maatschappij schade kon berokkenen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de bezorgdheid om de gevreesde geslachtsziekte bijna een medische obsessie. Deze aandacht stond in schril contrast met de genezingskansen. Veel verder dan wat halfslachtige behandelingen met kwik en arseen kwamen artsen immers niet.

“Prevent Syphilis in Marriage”, poster van the New York State Department of Health.

Niet alle dokters hadden dezelfde visie op hoe de verspreiding van de ziekte kon worden tegengegaan. In 1922, toen de Eerste Wereldoorlog – zo werd beweerd – een nieuwe stimulans had gegeven aan het aantal besmettingen, formuleerde de Brusselse katholieke arts Fernand Daubresse een aantal richtlijnen over hoe zijn collega’s op een moreel verantwoorde manier met de ziekte konden omgaan. Katholieke artsen hadden zich net verenigd in de Société belge de Saint-Luc, waarbinnen ze morele en medische thema’s bediscussieerden. Hun discussies vonden ook een weg naar het tijdschrift van de vereniging, het Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc. De adviezen van Daubresse in het in dit tijdschrift verschenen artikel “La lutte contre les maladies vénériennes” moesten katholieke artsen helpen om “individuen, de familie en de toekomst van het ras” te beschermen tegen de ravage die syfilis kon aanrichten.

  1. Deugdelijkheid

Oude vuistregels werden over heel het medisch spectrum gedeeld. Ook katholieke dokters vonden het “beter te voorkomen dan te genezen”, maar zij vulden dit adagium anders in dan hun liberale collega’s. Die laatsten durfden al wel eens het gebruik van anticonceptie aan te raden, wat in de ogen van de katholieke artsen verderfelijk was. Naast religieuze bezwaren speelde de overtuiging dat de man zijn passies moest kunnen bedwingen hier een grote rol bij. Katholieke artsen wensten zich niet neer te leggen bij het idee dat “de menselijke passie te groot is” om seksuele matigheid te bepleiten. Zelfcontrole was cruciaal voor elke welopgevoede burger. Voor vrijgezellen was geheelonthouding dus het beste en enige sluitende preventiemiddel om niet besmet te raken met een venerische ziekte. Voor echtgenoten betekende dit vasthouden aan de huwelijkse trouw en geen genot buiten het echtelijk bed zoeken.

Prent uit 1895 die op afschrikwekkende wijze de gevolgen van syfilis moest tonen.
  1. Angst

“Maar zelfs als de geest sterk is, is het vlees soms zwak,” moesten ook deze katholieke artsen toegeven. Omdat zij beseften dat niet elke jongeman zijn driften kon bedwingen louter op basis van zijn loyaliteit aan de katholiek moraal, dienden dokters ook de negatieve gevolgen van een losse seksuele omgang te benadrukken. Deze voorlichting moest bovendien de medische gevolgen van syfilis overstijgen. Dokters moesten de jeugd inpeperen dat het te vroeg (lees: voor het huwelijk) en te gulzig verkennen van de menselijke seksuele capaciteiten niet alleen “de normale evolutie van het menselijk organisme belemmert”, maar hen ook teleurgesteld, egoïstisch, afgemat, ongevoelig, ongeïnteresseerd – kortom, gedegenereerd – zou maken. Besmetting zou bovendien niet enkel hen, maar heel hun familie schade berokkenen.

  1. Sport en spel

Niet enkel tijdens consultaties, maar ook in de openbare ruimte moest het ideaal van onthouding aangemoedigd worden. Posters op publieke plaatsen dienden de voordelen van seksuele onthouding te benadrukken. Tegelijk moesten jongeren een andere manier aangereikt krijgen om hun jeugdige energie kwijt te kunnen. Hier hadden de dokters een gezond alternatief voor ogen: “we moeten hun exuberante fysieke activiteit richting sport en spel leiden, en zo hun lichaam en geest zoveel mogelijk op peil houden.” Zo sloegen de dokters twee vliegen in één klap. Jongelingen werden namelijk weggehouden van seksuele escapades en tegelijk fysiek en mentaal fit gehouden. Immers, de jeugd vormde de toekomst van de samenleving.

Poster van het Franse Departement voor Hygiëne.
  1. Hygiëne

Katholieke artsen benadrukten wel dat zij uiteraard nog steeds dokters bleven en niet enkel moraalridders waren. Zolang het binnen de grenzen van het moreel aanvaardbare bleef, kon medisch bijgesprongen worden om de mogelijk negatieve gevolgen van seksueel contact te bestrijden. Waar condooms uit den boze waren, was het ontsmetten van de geslachtsdelen voor en na de daad wél toegestaan. Tenminste, voor mannen vormden desinfecterende middelen geen probleem. Maar “voor vrouwen is het gebruik van antiseptica, voor en na geslachtsgemeenschap, tegelijkertijd een anticonceptiepraktijk die spermatozoa vernietigt op dezelfde manier als de ziektekiemen”. Enkel in zéér uitzonderlijke situaties, zoals wanneer er sprake was van verkrachting, was het vrouwen toegestaan ontsmettingsmiddel te gebruiken.

Katholieke dokters bewandelden in hun opvattingen over syfilis soms een dunne koord tussen medisch en moreel verantwoord, maar uiteindelijk stond het matigheidsideaal voorop in hun kruistocht tegen syfilis. De morele deugdelijkheid van seksuele terughoudendheid benadrukken was de eerste taak van elke katholieke arts, onder het motto dat abstinentie de beste anticonceptie was. En als jongelingen aan dit ideaal van deugdelijk gedrag niet genoeg hadden om zich in te houden, dan moest het maar op een harde manier, met dreigende woorden en afschrikwekkende prenten van patiënten en hun symptomen om te tonen wat de ziekte kon aanrichten. Het medische kwam er slechts in laatste instantie bij kijken, in heel uitzonderlijke omstandigheden van besmetting. Pas in de jaren 1940, met de ontwikkeling en verspreiding van penicilline, werd syfilis een pak makkelijker te genezen. Ondertussen was de medische hysterie rond een mogelijke degeneratie van de samenleving ook al eventjes gaan liggen. Zowel bezorgde artsen als krolse jongelingen konden iets meer op hun beide oren slapen.

Meer lezen.

Fernand Daubresse, “La lutte contre les maladies vénériennes dans ses rapports avec la morale catholique,” Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc, 1.2 (1922), 19-31.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.

Cornflakes eten en nog 4 andere remedies tegen zelfbevrediging

Als je Instagram mag geloven, bestaat het ontbijt tegenwoordig eerder uit hippe homemade granola of de alomtegenwoordige avocado. Toch zal de naam ‘Kellogg’ bij velen nog een belletje doen rinkelen. De cornflakes die u daarmee voor ogen krijgt, zijn een uitvinding van de arts, nutritionist en zevendedagsadventist John Harvey Kellogg (1852-1943). Wat u misschien niet weet, is dat Kellogg een bevlogen bestrijder van alle vormen van seksualiteit was. Hij was ervan overtuigd dat je door het eten van het juiste voedsel de menselijke lusten onder controle kon houden. Net als velen van zijn collega-artsen richtte hij zijn pijlen specifiek op het bestrijden van masturbatie, dat in de late negentiende eeuw als zondig en als een gevaar voor de gezondheid werd beschouwd.   

Hij voerde zijn kruistocht vanuit het Battle Creek Sanitarium, een medisch centrum en kuuroord waarvan hij aan het hoofd stond. Het sanitarium was gesticht door zevendedagsadventisten en gasten werden onderworpen aan de strenge leef- en dieetregels eigen aan deze geloofsstrekking. Kellogg promootte er vegetarisme en een eetpatroon dat verder zo flets mogelijk was om genot, seksuele opwinding en de drang tot masturbatie tegen te gaan. Het was vanuit die principes dat hij cornflakes zou ontwikkelen, samen met zijn broer Will Keith Kellogg. Toen ze ruzie kregen over het toevoegen van suiker aan het recept, besloot Will in 1906 zijn eigen weg te gaan en richtte hij de latere Kellogg Company op.

Maar Hoewel John Harvey Kelloggs naam nu vooral verbonden is met de cornflakes die hij bedacht, kende hij in zijn eigen tijd vooral succes met zijn werken over seksuele opvoeding. Daarbij bepleitte hij zeer verregaande methoden om masturbatie tegen te gaan. In ‘Treatment for Self-Abuse and its Effects’, een hoofdstuk uit zijn bestseller uit 1888, Plain Facts for Old and Young (nota bene gedeeltelijk geschreven tijdens zijn eigen, seksloze huwelijksreis) geeft hij volgende tips aan ouders:

  1. Besnijdenis

“Een methode die zelden faalt bij kleine jongens,” zo schreef hij, “is de besnijdenis. De operatie moet uitgevoerd worden door een arts zonder het toedienen van verdoving, aangezien de pijn van de operatie een heilzaam effect zal hebben op de geest, zeker als de besnijdenis verbonden wordt met het idee van bestraffing.”

John Harvey Kellogg, c. 1910.
  1. Hechtingen

Voor de bezorgde ouders die niet het mes in de voorhuid van hun zoon wilden zetten, had Kellogg ook een alternatieve methode bedacht, namelijk “het aanbrengen van een of meer zilveren hechtingen op een zodanige wijze dat een erectie wordt voorkomen. De voorhuid wordt over de eikel naar voren getrokken en de naald waaraan de draad is bevestigd, wordt van de ene kant naar de andere kant doorgehaald. Na het doortrekken van de draad worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo dicht mogelijk afgeknipt.” Hij verzekerde ouders dat dit “een zeer krachtig middel is om de drang tot [masturbatie ] te overwinnen.”

  1. Fenol of amputatie

Als arts en man van de wereld wist dokter Kellogg dat ook vrouwen zich wel eens durfden bezondigen aan zelfbevrediging. Vandaar dat hij in zijn boek ook advies opnam voor ouders van meisjes: “Bij meisjes heeft de schrijver ondervonden dat het toepassen van pure fenol [carbolzuur] op de clitoris een uitstekende manier is om de abnormale lusten te onderdrukken.” Hardleerse gevallen konden succesvol behandeld worden door hun clitoris en/ of schaamlippen te verwijderen.

  1. Elektroshocks

Ten slotte prees Kellogg ook een behandeling aan die zich meer op de geest dan op de schaamstreek richtte en bovendien zowel voor jongens als voor meisjes effectief zou zijn: met enkele welgemikte elektroshocks konden ouders erop vertrouwen dat hun kroost niet meer de hand aan zichzelf zou slaan.

Meer lezen.

Kellogg, J.H., 1888. Plain Facts for Old and Young: Embracing the Natural History and Hygiene of Organic Life. Burlington (Iowa): I.F. Segner. Te raadplegen via: https://archive.org/details/plainfaorold00kell/page/n5

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Milk and cornflakes bread door Justin Pinkney (CC BY-NC-SA 2.0).

5 medicijnen tegen de kwalen van de grootstad

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: tips voor stadsbewoners met lichamelijke en geestelijke problemen.

Leven in de negentiende-eeuwse stad leek soms eerder een kwestie van overleven. Beluiken met kleine, donkere woningen waren broeihaarden van ziekte en onrust. De bewoners waren niet alleen arm maar vooral ook immoreel – toch in de ogen van de dominante bourgeoisie. Vooral na 1880 werd de grootstad almaar vaker omschreven in termen als onnatuurlijk, beklemmend, beangstigend, vermoeiend en smerig. Zeker in contrast met het platteland, waar water en lucht, aarde en ruimte in overvloed aanwezig waren, kwam de stad er bekaaid vanaf. Ook in België dachten velen na over hoe de lichamelijke en geestelijke gezondheidsrisico’s konden worden ingedijkt. De oplossingen gingen heel uiteenlopende richtingen uit, waaronder de volgende vijf.

Vanaf 1895 konden kinderen uit het Antwerps stedelijk onderwijs ’s zomers twee weken terecht in het Naamse dorpje Hamois om er nieuwe krachten op te doen [Ons Woord, 9 (1902)].
  1. Vluchten

In een stad die zelf fundamenteel ongezond was, konden zieken geen genezing vinden. Nieuwe opvattingen over geestesziekte leidden tot de oprichting van psychiatrische instellingen buiten de hectische, gekmakende stad. Maar ook voor lichamelijke klachten adviseerden dokters een verblijf buiten de agglomeratie. Zuivere lucht en helder water golden als remedie voor een waaier aan klachten. Oude kuuroorden als Spa en Chaudfontaine kenden een nieuwe populariteit, kustdorpjes groeiden uit tot drukbezochte badsteden. Wie aan tuberculose leed, hoefde vanaf 1896 niet meer richting buitenland te trekken maar kon in een sanatorium in de bossen van Bokrijk terecht.

  1. Excursies

Ook stedelingen met een goede gezondheid deden er verstandig aan om hun habitat van tijd tot tijd te ontvluchten. Deze regelmatige verandering van milieu zou de zintuigen terug op scherp stellen, het lichaam sterken en de mentale weerbaarheid verhogen. Een langere vakantie, bijvoorbeeld in de Ardennen, genoot de voorkeur, maar ook een korte uitstap zou renderen. Die kon verschillende gedaanten aannemen. Rustige uitstapjes op de fiets waren ideaal om alle stress achter zich te laten én om het eigen land echt te leren kennen – steden waren toch maar anoniem en oppervlakkig. Meer pedagogisch van opzet waren zogenaamde herborisaties, verkenningen van de flora van een bepaalde regio.

De Mechelse stadstuin van François de Cannart d’Hamale, voorzitter van de Belgische federatie van tuinbouwkringen [La Belgique Horticole, 23 (1873)].
  1. Tuinieren

Omdat een tochtje buiten de stad hooguit sporadisch kon gebeuren, dachten sommigen na over een oplossing dichter bij huis. Tuinieren was daarbij the next best thing, een brug naar het platteland. Rijke stedelingen lieten zich in de loop van de negentiende eeuw almaar makkelijker overtuigen om geen tuinman aan te nemen maar zelf aan de slag te gaan: zelfverheffing, tevredenheid, rust, wijsheid maar ook gezondheid waren slechts enkele van de troeven waarmee gespecialiseerde genootschappen deze van oorsprong landelijke, natuurlijke praktijk aanraadden. Wie minder geld en ruimte had, hoefde niet te wanhopen: kamerplanten boden gelijkaardige voordelen maar dan binnenskamers. Vanaf de jaren 1890 raakten dan ook nog eens volkstuinen snel ingeburgerd. De teelt van groenten, fruit en bloemen op kleine percelen gold als een wondermiddel voor de gezondheid en moraal van arbeiders.

  1. Aanplantingen

Sommige plantenliefhebbers, maar ook politici en architecten, pleitten voor een grootschaliger aanpak: private tuinen waren goed, maar aanplantingen in de openbare ruimte waren beter. In parken, op plantsoentjes en in de schaduw van straatbomen zou elke stedeling van groene, landelijke accenten kunnen genieten. Dat genot was echter vooral esthetisch: anders dan vandaag speelde het gezondheidsargument in negentiende-eeuws België hoogst zelden mee in de keuze voor openbaar groen – opvallend, want in Engeland werd al sinds de jaren 1830 in dergelijke termen over aanplantingen gesproken. Bovendien kregen Belgische stadsbomen zelfs vaak met tegenkanting af te rekenen: velen vonden dat ze woningen duister, vochtig en dus net ongezond maakten!

Er waren vele mogelijkheden voor de aanplanting van bomenrijen, maar een vorm van regelmaat was altijd een vereiste [Nouvelles Annales de la Construction, 2 (1856)].
  1. Stadsplanning

Typisch voor het burgerlijke zelfvertrouwen van de negentiende eeuw was het geloof dat men de gezondheidsrisico’s van de grootstad ter plaatse kon verhelpen, via een ambitieuze stadsplanning. Een verwoestende opeenvolging van epidemieën, vooral cholera – alleen al in Gent eiste de ziekte doorheen de negentiende eeuw maar liefst negenduizend doden – vormde een doorslaggevende motivatie om de stad van binnenuit te vernieuwen. Saneringen zoals de overwelving van de vervuilde, stinkende Zenne in Brussel in de late jaren 1860 betekenden een radicale transformatie van het stadsbeeld. Vaak geïnspireerd door Parijs moesten ook in Belgische steden vele wijken met smalle steegjes plaats maken voor nieuwbouw met kaarsrechte, brede lanen.

De aanvoer en circulatie van zuivere lucht, afkomstig van – uiteraard – het platteland was misschien wel het voornaamste principe om de gezondheid van de stadsbewoner te verbeteren. Dat die verkeersaders een eeuw later met hun gemotoriseerd verkeer en het bijhorende lawaai en fijn stof vooral een oorzaak van gezondheidsklachten zouden vormen, was op dat ogenblik nog geheel ondenkbaar.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

4 to-do’s bij de eerste zorg voor prille moeders

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele voorschriften voor toekomstige verloskundigen.

Eugène Hubert in 1884 (Archief UCL).

De taak van een verloskundige stopt niet bij de geboorte, zo sprak de Leuvense hoogleraar in de geneeskunde Eugène Hubert zijn medische studenten aan het einde van de negentiende eeuw toe. De voorschriften die de diepgelovige katholieke arts tijdens zijn colleges meegaf aan toekomstige verloskundigen, zijn veelzeggend over de harde realiteit van het kraambed. Studenten die ze anderhalve eeuw geleden moesten instuderen, werden in hun latere loopbaan gegarandeerd geconfronteerd met zwangerschapscomplicaties, moeilijke bevallingen en de dood. Maar meer dan alleen in de geschiedenis van het bevallen, bieden de voorschriften ook een unieke inkijk in de toenmalige dominante denkkaders en praktijken in België. Aan u om ze te ontdekken.

Onderstaande voorschriften van Eugène Hubert zijn afkomstig uit zijn laatste verloskundige handboek voor medische studenten, Accouchements: gynécologie et déontologie (1892). Ze zijn vrij letterlijk vertaald.

De moeder van deze eenogige baby met voorhoofdkwab kon wel wat troost gebruiken.
  1. Geef peptalk

Een geboorte kan veel verdriet veroorzaken bij de moeder. Het gebeurt dat ze teleurgesteld is over het geslacht van haar pasgeboren baby. Soms is hij lelijk of misvormd. In nog andere gevallen heeft het kind de bevalling niet overleefd. Op zo’n momenten moet je de vrouw troosten en haar pijn verzachten. Wanneer het doodgeboren kind gedoopt is, is dat gemakkelijk: vrome vrouwen kunnen zich hun arme kleine moeiteloos voorstellen met vleugeltjes!

  1. Houd de prille moeders niet wakker

Sta toe dat de pas bevallen vrouw zich overgeeft aan een heilzame slaap. Je moet haar niet wakker houden, zoals dat gebeurde in de tijd van Lodewijk XIV, zogenaamd omdat vrouwen die inslapen ongemerkt zouden kunnen sterven aan bloedingen. Als er reden is tot ongerustheid, volstaat het om aan de vroedvrouw te vragen om de moeder in het oog te houden.

  1. Verplicht (ongehoorzame) vrouwen tot bedrust

In de eerste negen dagen na de bevalling is bedrust absoluut noodzakelijk. Volkse vrouwen hebben de neiging om vroeger op te staan, en het is dan ook bij hen dat er vooral complicaties en, later, verzakkingen van de baarmoeder optreden. Velen geloven namelijk dat een negende dag rust ongeluk zou brengen, wat volgens ons een ongegronde overtuiging is. Om ongehoorzame vrouwen tot rust te brengen, kan je gerust een of ander vooroordeel uitbuiten.

Een vrouw die op het punt staat te bevallen (Wellcome Collection. CC BY).
  1. Stel de kerkgang uit

In de meeste katholieke landen is het gebruikelijk dat bevallen vrouwen zich voor het eerst aan de buitenwereld tonen in de kerk. Deze kerkgang in een vaak koude en vochtige kerk vindt best 3 tot 4 weken na de bevalling plaats als de kraamvloed – het verlies van bloed, slijm en resten van de moederkoek – is gestopt. Het is ontoelaatbaar voor de 10e of de 15e dag, vooral als de kerkgang de gelegenheid vormt voor het houden van een familiemaal. Daar wordt de moeder aan allerlei verleidingen blootgesteld, gaande van “Neem een beetje van dit, en een beetje van dat, zo goed dat het is!” Maar een beetje van dit, een beetje van dat, een beetje van alles betekent een indigestie! Er is ook nog een andere reden om de terugkeer naar de geloofsgemeenschap uit te stellen. Dit moment gaat gepaard met de terugkeer naar het gemeenschappelijk bed. Maar met een onstabiele en vochtafdrijvende baarmoeder doet de prille moeder er goed aan om in een afzonderlijk bed te slapen.

Aandachtige lezers hebben gezien dat Hubert een tipje van de sluier oplicht over de schrijnende gevolgen van sociale ongelijkheid voor de gezondheid van bevallen vrouwen. In tegenstelling tot vrouwen uit de middenklasse, die zich in alle rust aan hun herstel konden wijden, moesten arbeidersvrouwen hun werk na de bevalling – met alle gevolgen van dien – snel hervatten. Negentiende-eeuwse medische teksten geven echter amper blijk van interesse in de dieperliggende oorzaken van de hoge moeder- en zuigelingensterfte. In bovenstaande voorschriften besteedt Hubert bijvoorbeeld geen aandacht aan de relatie tussen complicaties na de bevalling en de erbarmelijke leefomstandigheden van vrouwen uit lagere klassen. Structurele oplossingen voor de hoge mortaliteit van arme vrouwen en hun kinderen in het kraambed kwamen er pas na de Eerste Wereldoorlog.

Meer lezen.

Hubert, E., Accouchements: gynécologie et déontologie. Cours professés à l’Université Catholique de Louvain (volume 1). Leuven, 1892, 473-482.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van katholieke en liberale artsen die in de negentiende eeuw actief waren als verloskundigen en gynaecologen.

Titelafbeelding: Vaginaal onderzoek. Uit Maygrier, Nouvelles, 1825. Wellcome Collection. CC BY.

7 keer komaf met slaapwandelen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Wie soms al eens last heeft van slaapwandelen, vindt hieronder een aantal tips van een negentiende-eeuwse huisarts.

“Och, dat is toch een eeuwigdurende onrust, dokter! Een mijner zooner verlaat bijna elken nacht zijn bed, loopt het huis rond en somtijds ook wel de straat op. Gisteren nacht zat hij omgekleed in de dakgoot, van waar hem de knecht, met gevaar beider leven, heeft weggehaald. Eenige dagen geleden, heeft hij zonder het te weten, heel den nacht zitten schrijven. Hij heeft in zijn slaap latijnsche verzen gemaakt, die een Vergilius zouden beschamen.”

Dr. Renier Snieders, 1812-1888 (KU Leuven collectie).

Klinkt bovenstaande verzuchting jou bekend in de oren? Dan deel je waarschijnlijk het huis met een slaapwandelaar. In tegenstelling tot de slaapwandelaar die zich de volgende dag van geen kwaad bewust is, kan dit gedrag bij huisgenoten wel eens resulteren in slapeloze nachten. Zo dus ook bij deze negentiende-eeuwse dame. Uit schrik dat haar zoon zich op een volgende nachtelijke omzwerving ernstig zou verwonden, ging ze te rade bij een plaatselijke arts. Dokter Snieders gaf haar enkele aanbevelingen en die deel ik graag met jou.

  1. Vermijd lichamelijke prikkels

Om te beginnen adviseerde dokter Snieders om niet met een al te verzadigde maag in bed te kruipen: “Ik zoude hem aanraden ‘s avonds zeer weinig of liever in het geheel niets te gebruiken, over het algemeen zeer matig te leven, weinig verhittend voedsel en vooral nooit geestrijke dranken te drinken. Vermijd een al te overvloedig en prikkelend avondmaal. Probeer misbruik van sterke dranken zeker op jonge leeftijd te vermijden: het zijn voornamelijk aankomende jongelingen bij wie men het nachtwandelen het meeste aantreft. Groote menschen zijn zelden en grijsaards bijna nooit daarmede behept.”

  1. Slaap op een harde matras

Volgens de dokter kan ook je bed invloed hebben op je slaapgedrag: “Overigens geve men den slaapwandelaar eerder een hard dan een zacht bed, hem tevens aanbevelende, zijn hoofd altijd tamelijk hoog op het hoofdkussen te leggen.”

Slaapwandelende Lady Macbeth door Artus Scheinder, omstreeks 1900.
  1. Maak het hoofd vrij (figuurlijk)

Een te grote hersenactiviteit vlak voor het slapengaan zou eveneens nefast zijn. “Nachtwandelen wordt ook wel eens bevorderd door de aanhoudende en tot laat in den avond gerekte studie, alsook door de werking der driften, zooals droefheid, gramschap, woede, wraak, nijd en anderen. Tracht uw moreel gestel zoveel mogelijk bedaard te houden, verwijder uit uwen geest elke oorzaak van verdriet en hevige aandoening, welke aanleiding zou kunnen geven tot de ontroering der zenuwen.”

  1. Maak het hoofd vrij (letterlijk)

Als we dokter Snieders mogen geloven, ligt de oorzaak van slaapwandelen mogelijks bij een overschot van bloed in de hersenen. Hij gaf daarbij volgend advies: “Bij een oplettende waarnemer blijkt het somtijds dat de nachtwandelaar het hoofd niet juist vrij heeft; in andere woorden, dat er zekere aandrang naar dat orgaan plaats heeft; in dit geval kunnen eene aderlating of een applicaat van bloedzuigers aan het hoofd, of liever somtijds aan den aarsdarm zeer dienstig wezen.”

  1. Neem een fris bad en een paar pilletjes

“Hebben wij te doen met eene bovenmatige prikkelbaarheid der zenuwen, welke hier als een aanleidende oorzaak moet beschouwd worden, zoo zullen frissche baden, en eenige zenuwstillende geneesmiddelen, uiteraard enkel door een geneesheer voorgeschreven, zeer ten pas komen”, aldus de dokter.

Een dokter brengt bloedzuigers aan bij een patiënt. Wellcome Collection. CC BY.
  1. Zoek een aangenaam verzetje

Ook gezonde verstrooiing overdag was volgens hem belangrijk voor het tot rust komen van lichaam en geest bij het slapengaan. “Reizen, jagen, visschen, groote wandelingen in de vrije lucht, in een woord al wat den zieke een aangenaam verzet, gepaard met lichaamsbeweging kan verschaffen, mag niet verwaarloosd worden.”

  1. In hoogste nood: laat je slaan op doktersadvies

Als al het voorgaande geen beterschap bracht, had dokter Snieders nog een laatste hulpmiddel achter de hand. Zo schreef hij een slaapwandelaar gekend te hebben die voor altijd genezen werd door “hem telkens een geducht pak slaag te geven”. Hij voegde er wel aan toe dit middel enkel aan te wenden “in het geval dat men met minder hevige middelen den gewenschten uitslag niet heeft verkregen.”

De opvattingen over de oorzaak en behandeling van slaapwandelen ondergingen doorheen de geschiedenis een aanzienlijke verandering. Slaapwandelaars werden lange tijd beschreven als personen die bezeten waren door de duivel, of die net gezegend waren met een goddelijke aanwezigheid. In het volksgeloof werd slaapwandelen ook lang beschouwd als een vloek of het openlijk gevolg van een of andere zonde. Die perceptie veranderde zeer geleidelijk naar een focus op de mentale toestand van de slaapwandelaar, al bleven metafysische speculaties nog lang doorleven.

Slaapwandelen werd vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gezien als een geestelijke ziekte, een psychosomatische klacht. De idee dat slaapwandelen een psychiatrische aandoening is, blijkt ook uit de beschrijvingen en raadgevingen van dokter Snieders. Zo spreekt hij over “den zieke” en legt hij meerdere malen een verband tussen slaapwandelen en iemands geestelijke gesteldheid. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw werd slaapwandelen helemaal losgemaakt van paranormale of psychiatrische connotaties en werd het geclassificeerd als een slaapstoornis.

Bovenstaande adviezen tegen slaapwandelen komen uit het boek Mentor van Jan Renier Snieders. Snieders, een gediplomeerde geneesheer wonende en werkende te Turnout (1812-1888), gaf in dit boek in de vorm van (fictieve) dialogen tussen dokter en patiënt gezondheidsadvies aan ‘gewone’ mensen. Zijn interesse in en bekommernis om volksgezondheid kwam tot uiting in dit werk waarin hij heel uiteenlopende onderwerpen besprak, van bloedneuzen tot indigesties en dus ook slaapwandelen.

Meer lezen.

Snieders, J. R., Mentor: verspreide aanteekeningen over volksgeneeskunde en gezondheidsleer, ’s-Hertogenbosch, 1870.

Umanath, S., Sarezky D. en Finger, S., ‘Sleepwalking through History: Medicine, Arts, and Courts of Law’, Journal of the History of the Neurosciences, 20 (2011), 253-276.

Linde Tuybens is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.