Begraven in tijden van epidemieën

Gastblog door Oke Dorien Hendrickx.

In 1349 werden er veel sterfgevallen opgetekend. Een oorkonde van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male uit dat jaar vermeldt dat “een menichte van volke… dagehelicx van live ter doot commen”. Het tekstfragment is geschreven in de nasleep van het uitbreken van de eerste pestepidemie in Brugge. De pestepidemieën die de stad ook de volgende drie eeuwen bleven teisteren, zorgden voor de ontwrichting van eeuwenoude begrafenisgebruiken.

Religieuze begrafenissen in epidemieloze tijden

Giovanni Boccaccio, Livre appelé Decameron, autrement surnommé le Prince Galet (14de eeuw).

Als een zieke in de middeleeuwen op het punt stond om te sterven, werd hij of zij op zijn sterfbed omringd door familieleden, die gebeden voordroegen. Een priester diende de stervende het sacrament van de ziekenzalving toe en soms kwam er een dokter of notaris langs die de laatste wil noteerde. Na de dood werd de overledene meteen voorbereid op de begrafenis. Hierbij voerde men een toilet uit, een soort zuivering van het lichaam: het lichaam werd ontkleed en gewassen. Soms werd het lijk opnieuw gehuld in mooie kledij, waarna het werd gewikkeld in een lijkwade. Bij uitgestelde kerkelijke begrafenissen verwijderde men de ingewanden of balsemde men het lichaam, om het ontbindingsproces tijdelijk tegen te gaan.

Na deze begrafenisrituelen kwamen de overledenen terecht in een individueel graf in een kerk of op het kerkhof. Ze werden thuis in een kist of op een brancard gelegd en dan naar hun laatste rustplaats getransporteerd.

Miasmatheorie

Tijdens middeleeuwse epidemieën werd de praal van dergelijke religieuze begrafenisrituelen overbodig. De dood was een alomtegenwoordig gegeven geworden. Begravingen vonden dagelijks plaats en er heerste een voortdurend besmettingsgevaar.

De Augustinessen (of Cellezusters) in het Hôtel-Dieu hospitaal in Parijs (ca. 1482; onbekende miniatuur).

De maatregelen van stadsbesturen om dergelijke epidemieën te bestrijden, vloeiden voort uit een breed gedragen geloof in de miasmatheorie, die de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne samenleving in zijn greep hield. Deze leer stelt dat epidemieën zich verder verspreiden via ‘vervuilde’ lucht. Stank werd met andere woorden gezien als het uiterlijke kenmerk van onreine lucht. Miasma was toen al een oud begrip dat reeds opdook in het oude Griekenland. Hippocrates, de bekende Griekse arts, vormde naar verluidt de basis voor de gelijknamige leer. De theorie zou eeuwenlang, tot in de negentiende eeuw, overeind blijven.

Veranderde begrafenisrituelen

Door de miasmatheorie vond men het nodig om het begrafenisritueel grondig te veranderen tijdens pestepidemieën: het lichaam werd zo snel mogelijk uit de omgeving van gezonde mensen gehaald en zo weinig mogelijk aangeraakt, om besmetting te voorkomen. De gebruikelijke handelingen – het wassen en aankleden van het lichaam – werden grotendeels opzij geschoven, maar één element werd nooit overgeslagen: het wikkelen van het lichaam in een lijkwade. Tijdens epidemieën was de lijkwade namelijk belangrijk om het lichaam herkenbaar te maken tussen de andere overledenen in een massagraf. Ook kregen de meeste pestlijders nog een kerkelijke begrafenisdienst. Een hemels leven na de dood was ook voor hen natuurlijk nog steeds belangrijk.

Bij de pestuitbraken kwamen zogenaamde besorghers naar het huis van het slachtoffer om de uitvaart te verzorgen. De Cellezusters en Cellebroeders, lekencongregaties die focusten op ziekenzorg, waren bevoegd om deze taak uit te voeren. Pestlijken werden meestal ’s nachts getransporteerd naar het kerkhof, om zo weinig mogelijk gezonde mensen in contact te brengen met geïnfecteerden. Hierbij werden de lichamen in grote karren op elkaar gestapeld.

Michaël Wolgemut, The Dance of the Death (1493).

Naarmate de pest steden als Brugge vaker teisterde, kwam er een verbod op kerkelijke begrafenissen en raakten de kerkhoven overbelast. Nieuwe kerkhoven werden aangelegd buiten de stadsmuren, niet alleen om het grote aantal doden een plaats te kunnen geven, maar vooral om besmetting van de gezonde stadsbewoners zoveel mogelijk te vermijden. Mensen die aan een andere oorzaak dan de pest stierven, kregen wel nog een begraafplaats binnen de stadsmuren. Vanaf de zestiende eeuw ging men nog een stap verder. Men deed men afstand van individuele graven en legde gemeenschappelijke begraafputten aan, omdat het aantal pestdoden bleef toenemen.

En hoe verging het de Cellebroeders of –zusters? Na de uitvaart van de pestlijders bleven ze meestal nog een tijdje ter plaatse om een boedelinventaris op te stellen en om het huis grondig te verluchten, zodat alle ‘vuile’ lucht eruit verdween. Ze werden in de volksmond dan ook de pestdragers genoemd, niet enkel omdat ze de pestlijders naar hun laatste rustplaats droegen, maar ook omdat ze zelf veel risico liepen om drager van de ziekte te worden.

Meer lezen:

Boelaert, J.R., Zes eeuwen infectie in Brugge: 1200-1800, Leuven, 2012.

Balace, S. en De Poorter, A. (red.), Tussen hemel en hel: sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Brussel, 2010.

Oke Dorien Hendrickx is bachelorstudent geschiedenis. Ze schrijft in het academiejaar 2018-2019 een bachelorpaper over epidemieën in het middeleeuwse Brugge.

Wat je altijd al hebt willen weten over het dieet van Charles Darwin

Natuurwetenschapper Charles Darwin heeft amper een introductie nodig. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met de evolutietheorie, die hij ontvouwde in zijn boek On the Origin of Species (Over het ontstaan van soorten) (1859). Met dat werk legde hij de grondslagen voor de vandaag nog steeds gangbare visie op de geschiedenis van het leven op aarde en het ontstaan van de mens. Veel minder bekend zijn Darwins excentrieke eetgewoonten: de dieren die hij bestudeerde, belandden vroeg of laat immers ook op zijn bord. Tijdens zijn onderzoeksreizen met zijn beroemde zeilschip de Beagle at hij met veel enthousiasme de meest exotische van zijn specimen op, zoals armadillo, poema en leguaan.

Charles Darwin door J. Cameron.

Hij ontwikkelde deze opmerkelijke gewoonte tijdens zijn jeugd. Zijn vroege fascinatie voor insecten bracht hem er als tiener al toe de kevers die hij verzamelde, ook op smaak te onderzoeken. Tijdens zijn studententijd in Cambridge werd hij bovendien voorzitter van de Glutton Club. Deze ‘foodie club’ avant la lettre kwam wekelijks bijeen om samen ‘vreemd vlees’ te proeven. Zo verorberden de leden met smaak havik en roerdomp, maar werd de club uiteindelijk ontbonden na een sterk tegenvallend recept met bosuil.

Waar Darwin dan wel de voorkeur aan gaf? Net als veel zeelui die voor hem de Galapagoseilanden bezochten, hield hij enorm van de zachte smaak van de reuzenschildpad. Niettemin claimde hij dat het beste vlees dat hij ooit at, afkomstig was van een klein bruin knaagdier uit Zuid-Amerika. Hij noemde het dier niet bij naam, maar het gaat vermoedelijk om de agouti rat of capibara. Smakelijk!

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: bereide armadillo, Belen market, Iquitos, Peru (2011) door Matt Wootton (CC BY-NC-SA 2.0).

Zes middeleeuwse topwijven

Gastblog door Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Nena Vandeweerdt.

De woorden ‘middeleeuwen’ en ‘vrouwenrechten’ zal u niet snel terugvinden in dezelfde zin. Films en boeken over het verleden portretteren middeleeuwse vrouwen meestal als gehoorzame huisvrouwen of smachtende prinsessen in kastelen. Maar hoewel de middeleeuwse maatschappij door en door patriarchaal was, beschikten vrouwen over meer rechten dan die clichéverhalen doen vermoeden en namen ze voluit deel aan het publieke leven. Daarom stellen we u graag voor aan zes middeleeuwse ‘topwijven’ uit Vlaamse steden. In de middeleeuwen was wijf overigens de neutrale benaming voor een vrouw. Het woord had dus helemaal niet de negatieve bijklank van vandaag.

Een vrouw helpt in een slagerij. Ze vangt het bloed op dat ze later zal gebruiken om bloedworsten te maken (Ibn Butlân, Tacuinum sanitatis, BNF, Département des manuscrits, Latin 9333).
  1. Machtilde Perloecx bekritiseert de keurmeesters

Op de Leuvense vismarkt ging het er niet altijd even vredig aan toe. Ambachtslieden leurden er met zeevissen die de stad werden ingevoerd en bewoners van de stad en haar omgeving verkochten er vis om een extra centje te verdienen. Ook vrouwen waren talrijk aanwezig, als kopers én verkopers. Die visverkoopsters, toen viswijven genoemd, genoten niet de beste reputatie, maar dit werkten ze zelf soms wel eens in de hand. Zo moest de Leuvense Machtilde Poerloecx zich in 1423 voor de stadsraad verantwoorden. Zij baatte een kraam uit op de vismarkt. Machtilde was verontwaardigd nadat de keurmeesters (dit waren mannen die de kwaliteit van de vissen keurden) haar vis hadden afgekeurd en riep hen daarop toe dat ze niet grondig keurden en dat “sij stoncken”. Hiermee stelde ze de rechtvaardigheid van het economische beleid van de stad in vraag – en hun welriekendheid. Dit werd haar niet in dank afgenomen en Machtilde werd op een bedevaart naar Milaan gestuurd.

  1. Katlijne van Brussel leert haar echtgenoot een lesje

Anno 1430 leefde de Leuvense Katlijne van Brussel in Kortrijk, waar ze een eigen handelszaak had uitgebouwd. Dat was ook nodig, want ze leefde gescheiden van haar man Hendrik, die nog in Leuven woonde met hun zoontje. Katlijnes succes kwam Hendrik echter al snel ter ore. “Met behendicheiden ende scoenen woerden” smeekte hij haar om terug te keren naar haar thuisstad. Minder gewiekst in de liefde dan in het ondernemerschap verkocht Katlijne haar zaak. Ze stuurde de opbrengst alvast naar Hendrik alvorens zelf de reis te maken. Eenmaal aangekomen in Leuven stond ze – letterlijk – voor een gesloten deur. Hendrik weigerde niet alleen zijn echtgenote te verwelkomen, hij woonde ook samen met een vriendin en hield Katlijnes geld voor zichzelf. Katlijne wist wat haar te doen stond: gesteund door vrienden trok ze naar de rechtbank, en vroeg hen “omme Godswille” om gerechtigheid te laten geschieden. Dat lukte ook: de Leuvense stadsraad strafte Hendrik en dwong hem om het geld dat hij met “listigher subtijlheyt” had ontvreemd terug te geven aan Katlijne. Eind goed, al goed voor Katlijne.

  1. Woyeken Hagen zegt neen tegen een gearrangeerd huwelijk

In 1500 ontving het Antwerpse stadsbestuur een klacht van de familieleden van Woyeken Hagen. Ze claimden dat een zekere Symoen het meisje tegen haar wil had geschaakt. De gerechtsofficier confronteerde Woyeken met de klacht, waarop ze ontkende dat Symoen haar ontvoerd had. Integendeel, Woyeken verklaarde prompt dat ze uit vrije wil was meegegaan en geen andere man wilde. Ze had namelijk vernomen dat haar familie haar aan een “leeliken man mit eenen baerde” wilde koppelen. Om dat te vermijden trouwde ze snel met Symoen, hoewel Woyeken eigenlijk minderjarig was (jonger dan 25 volgens het middeleeuws recht) en de goedkeuring van haar familie nodig had. De schepenen bestraften Symoen daarom met een boete. Toch was het huwelijk tussen Woyeken en Symoen geldig en onbreekbaar. Beide partners hadden namelijk ingestemd en dat was de enige voorwaarde om te trouwen in de middeleeuwen. Voor meisjes als Woyeken boden schakingen dus een mooie kans om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen.

De priester brengt de rechterhanden van de verloofden samen wat hun instemming en keuze voor elkaar symboliseert (British Library, catalogue of illuminated manuscripts, Royal 17 F IV, fol. 65v.).
  1. Liesbet van Keerbeke verzet zich tegen haar uitsluiting uit het slagersambacht

In 1564 besliste de Leuvense stadsraad, na aandringen van het slagersambacht, dat slagersweduwen de zaak van hun overleden echtgenoot in het Vleeshuys niet langer mochten uitbaten. Volgens de ambachtslieden tastte de aanwezigheid van gevestigde weduwen het inkomen van jongere gezellen van het ambacht aan. Die nieuwe regeling was echter buiten Liesbet van Keerbeke gerekend. Twee jaar na de verordening stapte deze slagersweduwe naar de stadsraad. Ze stelde dat ze als arme weduwe zonder de zaak van haar voormalige echtgenoot haar kinderen niet meer kon onderhouden. Daarnaast argumenteerde Liesbet dat weduwen in alle Leuvense ambachten steeds het beroep van de overleden echtgenoot hadden verdergezet. De stadsraad gaf gehoor aan haar argumenten en Liesbet kreeg toelating om de vleeskraam te blijven uitbaten totdat haar zoon meerderjarig was. Het bleef niet bij die uitzondering: vier jaar later schrapte de stadsraad de verordening in zijn geheel. Liesbet kende als ambachtsweduwe haar rechten en aarzelde niet om die af te dwingen voor de schepenbank.

  1. Cornelijken Barinagen laat zich niet doen door haar belager

Op 14 augustus 1480 viel het verdict in de rechtszaak die de Gentse Cornelijken Baringen samen met haar ouders had aangespannen. De schepenbank veroordeelde Colaert Roose tot een verbanning van vijftig jaar uit Gent. Colaert had Cornelijken het leven immers erg zuur gemaakt. Als jonge vrouw – vermoedelijk was ze een tiener – zocht ze al een tijdje naar een geschikte partner. Maar tot Cornelijkens grote frustratie hapte geen enkele man toe, en dat was de schuld van Colaert Roose. Deze man verspreidde immers kwalijke roddels over haar en zei dat hij met haar had geslapen. In de eergevoelige middeleeuwse maatschappij waren zo’n woorden niet onschuldig. Het seksueel gedrag van vrouwen bepaalde hun reputatie én die van hun familie. Voor jonge meisjes waren maagdelijkheid en eerbaarheid daarom erg belangrijk. Door Colaerts “blameerlijke ende afdraghelijke woorden” had Cornelijken dan ook “diverssche goede huwelijken” misgelopen die ze nochtans “gherne ghe(h)adt hadde”. Nu Colaert zwaar bestraft werd en het duidelijk was dat Cornelijken een “eerbaer maeghdekin” was, kon ze haar zoektocht naar een partner met goede moed hervatten.

Een visverkoopster in haar verkoopkraam (Ibn Butlân, Tacuinum sanitatis,BNF, Département des manuscrits, Latin 9333).
  1. Janne Schuts groeit uit tot een gerespecteerde zakenvrouw

Janne Schuts, een alleenstaande vrouw in vijftiende-eeuws Antwerpen, verstrekte op grote schaal leningen aan haar stadgenoten. Dat was een typische activiteit voor alleenstaande vrouwen in middeleeuwse steden, maar weinigen waren zo actief als Janne. Zij liet zo’n 158 transacties registeren voor de Antwerpse schepenbank – een enorm aantal. Dat waren voornamelijk leningen maar ook investeringen in vastgoed. Janne was daarmee een erg succesvolle geldschieter die de groeiende Antwerpse economie van krediet voorzag. Ze deed dat bovendien vanuit een allesbehalve evidente positie: ze was van bescheiden komaf en de alleenstaande moeder van een onwettig kind uit een affaire. Toch klom ze op van dienstmeisje naar een vishandelaarster met een eigen zaak, om vervolgens begijn te worden. In het begijnhof gaf ze les en breidde ze haar investeringsactiviteiten uit. Dankzij wat financiële meevallers en zakelijk talent kon ze een klein fortuin opbouwen, dat ze onder andere gebruikte om aan haar zus en dochter een mooie huwelijksgift mee te geven.

Meer lezen.

Haemers J., Bardyn A., Delameillieure C. (red.), Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad. Antwerpen, 2019.

Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Nena Vandeweerdt zijn gastbloggers. Andrea verricht postdoctoraal onderzoek naar de economische genderrollen, machtsverhoudingen, en taakverdeling binnen het middeleeuws huwelijk in de laatmiddeleeuwse Nederlanden. Het doctoraatsonderzoek van Chanelle richt zich op de controle van ouders en overheden op de partnerkeuze van jongeren in laatmiddeleeuws Gent, Leuven en Antwerpen. Nena vergelijkt in haar doctoraat de posities van vrouwen in de beroepenwereld van Noord- en Zuid-Europa in de vijftiende en zestiende eeuw. De drie onderzoeksters zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven.

Titelafbeelding: Fresco in het Castello di Issogne, Aosta, Italië.

Op bezoek in een middeleeuws bordeel in Leuven

Gastblog door Jelle Haemers.

Waar boden prostituees hun diensten aan in middeleeuws Leuven? We zoeken het even voor u uit, en bezoeken met een nieuwsgierige blik een bordeel. Prostituees waren geen ‘marginalen’ in de middeleeuwen, zoals soms gedacht wordt, want ze bevonden zich in het hart van de stad.

Waar kon je terecht?

Leuven kende twee rosse buurten. Ten eerste vond je ‘vrouwen van lichte levene’, zoals prostituees toen heetten, rond het Ladeuzeplein, waar nu de universiteitsbibliotheek gevestigd is. Die ligt immers op het tracé van de oude, twaalfde-eeuwse stadsomwalling. Aan de buitenkant van die muur tippelden prostituees, zoals in de Ravenstraat en Vlamingenstraat. Toen de muur gebouwd werd, bevond de rosse buurt zich dus buiten de stad, maar na verloop van tijd raakte deze buitenwijk volgebouwd. Toch bleven de prostituees er klanten lokken. Ze bevonden zich dus voortaan in het midden van de stad, en konden er relatief vrij hun gang gaan. Prostitutie was geen misdaad, maar wel een zonde. Het werd afgekeurd vanuit moreel oogpunt, maar strafbaar was het niet.

Een man leidt een vrouw binnen in een slaapkamer, een ander koppel eet er.

Ten tweede vond je in het noorden van Leuven enkele bordelen, langs de aanlegplaatsen op de Dijle, bij de abdij van Sint-Geertrui. De uitgeputte reiziger kon er bijvoorbeeld terecht in het pand ‘De Roose’ waar er gepast vermaak werd aangeboden. Ook vandaag nog zijn havenbuurten (of treinstations) een geliefkoosde plaats voor prostitutie – in Leuven daarentegen is de gentrificatie er nu doorgedrongen, en verdwenen de ‘quade herberghen’, zoals ze soms genoemd werden. Ook verder stroomopwaarts kwamen mannen aan hun trekken. In de Wieringstraat, dichtbij het paleis van de hertog van Brabant, lag namelijk een gerespecteerd bordeel. Maar ook de Halvestraat stond bekend om zijn seksueel vertier. Beide etablissementen waren aan de Dijle gelegen, want bordelen verbruikten veel water.

Hoe zag een bordeel er vanbinnen uit?

Bordelen waren bovenal badhuizen. De bezoeker betaalde er voor een duik in een badkuip, gevuld met heet water, want niet iedereen beschikte over de faciliteiten om zelf een verwarmd bad te nemen. Door middel van een buizenstelsel dat aan een kachel verbonden was, werd warme lucht door het gebouw vervoerd. Die kachel heette een stoof, en heeft zijn benaming aan het hele gebouw gegeven. Middeleeuwse ‘stoven’ zijn dus huizen waar je met het gezin terecht kon voor een verkwikkend bad. Op sommige dagen konden mannen of vrouwen er afwisselend terecht, op andere dagen baadden koppels of gezinnen er gezamenlijk. Niet alle badhuizen lieten dus prostituees toe.

Drie koppels hebben vertier in dezelfde kamer: ze drinken en tafelen er, en gaan er naar bed.

Waar dat wél het geval was, hadden de verschillende ruimtes in het pand toepasselijke namen. In het bordeel in de Wieringstraat kon je bijvoorbeeld de kamer ‘De Pauw’ boeken, ‘De Papegaai’, of ‘De Roos’. Vogel- en bloemennamen waren erg populair voor kamers in dergelijke stoven, want ze stonden symbool voor de activiteiten die er plaatsvonden. De papegaai met zijn felle kleuren, of de pauw met zijn uitbundig verenkleed om vrouwtjes te lokken, waren populaire erotische metaforen. In het bordeel ‘De Roose’ was er een zogenaamde ‘gevogelte kamer’, die tot de verbeelding sprak. In de Wieringstraat bood de eigenaar zelfs een ‘Hertogenkamer’ aan, een luxueus vertrek met een fauteuil, drie bedden en twee schrijnen.

De meeste kamers bevatten trouwens meerdere bedden. Je trof ze zowel in gewone badhuizen als bordelen aan: kamers waarin gezinnen of koppels terecht konden voor een verpozing. Privacy was relatief in de middeleeuwen. Schrijnen of gordijnen schermden je af, maar je begaf je met meerdere vrienden of familieleden naar hetzelfde vertrek. De iconografie spreekt boekdelen: koppels nemen in dezelfde ruimte een bad terwijl ze een maaltijd nuttigen. De tafel en het bed staan gedekt. Uit onlangs opgedoken inventarissen van bordelen weten we dat de prenten aan de werkelijkheid beantwoorden. De Wieringstraat had 42 bedden in totaal, met op één kamer (de ‘Vrouwenkamer’) zelfs zes bedden.

Wie kwam er over de vloer?

Voor zover geweten is, konden in de bordelen enkel hetero’s terecht, want homoseksualiteit was taboe. Er zijn wel verhalen bekend van vrouwen die zich in mannenkleren hulden, maar de zogenaamde ‘Donkere Kamer’ in het bordeel ‘De Roose’ was zeker geen dark room. ‘Vrouwen van lichte levene’ trof je er wel aan. Sommigen hadden faam gemaakt, anderen wilden snel iets bijverdienen.

Mannen en vrouwen feesten erop los in een gelagzaal van een bordeel.

De helft van de Leuvense bordelen werd overigens uitgebaat door vrouwen, misschien ‘prostituees op rust’ die het gemaakt hadden? Sommige van die bordeeluitbaatsters waren zelfs eigenares, hetgeen op een gefortuneerde positie wijst. Doorgaans waren badhuizen in het bezit van gegoede families. Zelfs Jan Ballinc, een priester van de Sint-Pieterskerk, bezat er één. In een huurcontract dat van zijn ‘stove’ bewaard bleef, stond wel de clausule dat de uitbater geen ‘oneerbare vrouwen’ mocht ontvangen. Het was duidelijk enkel een badhuis.

Een andere eigenaar had minder scrupules. In een huurovereenkomst van zijn bordeel in de Halvestraat uit 1456 liet Jan Van Udekem optekenen dat hij het wekelijks kosteloos mocht bezoeken. Geen clausule dit keer dat er geen prostituees actief mochten zijn. Uit andere bronnen weten we overigens dat buurtbewoners klaagden over het losbandige gedrag van de bezoekers. Bovendien, zo stond in het contract, zou de uitbaatster op de vier belangrijkste feestdagen de bezoekende eigenaar gratis een kan Rijnwijn aanbieden. Jan reserveerde zich dus het recht om er althans viermaal per jaar op gepaste wijze de feestdag te vieren.

Was de Leuvense situatie uniek? Je kan het lezen in:

Schoorens L. & Haemers J., Vogelvrije vrouwen? Prostitutie in laatmiddeleeuws Brabant, Leuven, 2018.

Haemers J., Bardyn A., Delameillieure C. (red.), Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad. Antwerpen, 2019.

Geïnteresseerden kunnen zich inschrijven voor de boekpresentatie van Wijvenwereld op donderdag 7 maart om 18 uur in het stadhuis van Leuven. Op woensdag 13 maart om 19 uur geeft Jelle Haemers een lezing over prostitutie in de middeleeuwen in het Leuvens stadsarchief.

Jelle Haemers is gastblogger. Hij is hoofd van de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar politieke conflicten in de late middeleeuwen en naar gendergeschiedenis in Europese steden.

Waarom Toots Thielemans niet graag aan het Vlaams Nationaal Zangfeest werd herinnerd

Een goede omkadering en, vooral, de expertise en toewijding van de medewerkers verzekeren dat het culturele erfgoed in de (erkende) archiefinstellingen in goede handen is. Net daarom verbaast het dat de rijke collecties over het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ), bewaard in het ADVN |archief voor nationale bewegingen, een wel erg beschadigd stuk bevatten: een handgeschreven muziekpartij met een grote scheur doorheen de zeven bladen. Wilde iemand deze Medley zangfeest misschien weggooien en bedacht hij/zij zich alsnog? Of was er verstrooidheid in het spel? De ware toedracht schuilt echter in een intrigerend incident.

Een fragment van de muziekpartij die Piet Van den Bergh voor Toots Thielemans’ ogen verscheurde (ADVN, D13120 (11/3)).

De uitvoerder van deze Medley van vijf Vlaamse volksliedjes, bedoeld voor het Vlaams Nationaal Zangfeest, was de wereldvermaarde Brusselse jazzmuzikant Toots Thielemans (1922-2016). Op 23 april 1978 was hij uitgenodigd om de eenenveertigste editie van het jaarlijkse evenement van een eigen muzikaal accent te voorzien. De gescheurde papieren blijken zo het restant van een beruchte episode uit het Vlaams nationalisme: volgens de overlevering stormde tijdens het optreden een man uit de tribunes het podium op en greep hij de papieren van Thielemans’ pupiter om ze aan stukken te trekken. Wellicht nam de geluidstechnicus de snippers later mee naar huis: het is alleszins via hem dat ze jaren later aan het ADVN werden overgedragen.

Onenigheid

De grote lijnen van het verhaal zijn dan wel gekend, over de details is er minder eensgezindheid. Zowel over de identiteit van de dader als over de aanleiding en het verloop van het tumult lopen de versies uiteen. Het begon meteen in de kolommen van de nationale pers, die met belangstelling – en doorgaans onbegrip – over het incident berichtte. Hugo Camps schreef in Het Belang van Limburg over ‘de ontmaskering van sommige Vlaamse zielepoten’, in andere kranten klonk het dat Thielemans van het podium was verjaagd of zelfs helemaal niet aan spelen toegekomen.

Het incident inspireerde de cartoonist van ’t Pallieterke (editie 27 april 1978).

Elders was het oordeel milder, en in flamingante hoek was er zelfs regelrecht begrip. Men nam het de jazzmuzikant kwalijk dat hij zich kort voordien op de radio als een Franstalige Brusselaar had geprofileerd. De Taktivist, het mededelingenblad van het Taal Aktie Komitee uit de Brusselse Rand, achtte Thielemans daarom zélf schuldig aan het incident. En het rechtse, satirische ’t Pallieterke, dat wekenlang over het zangfeest schreef, had het ronduit over ‘een moedige daad, door het hele Sportpaleis geapprecieerd’.

Uitzonderlijk was tumult op (of rond) het Vlaams Nationaal Zangfeest allerminst. Zeker in de jaren 1970 stelde het publiek zich vaak ongedisciplineerd op, en kregen onder meer Louis Neefs en Ann Christy een matig tot slecht onthaal. Nog in de jaren 90 zou Clouseau met boegeroep worden verwelkomd en werden de optredens van Ramses Shaffy en Hans de Booy zelfs in laatste instantie afgeblazen. Het ANZ wist na het radio-optreden van Toots Thielemans in 1978 dus waaraan zich te verwachten. De hoop dat diens jazzy arrangement van Sneeuwwit vogeltje en vier andere bekende volksliederen de sceptici zou overtuigen, bleek echter een misrekening.

Verrassende sporen

Wie was nu degene die de rechtstreekse confrontatie met Toots aanging? In online nieuwsgroepen en discussieforums viel meermaals de naam van advocaat Edwin Truyens, toenmalig leider en medeoprichter van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Hij zat tijdens het bewuste zangfeest inderdaad in het Sportpaleis en bracht zelfs sympathie op voor de protestactie. Toch was hij niet de dader: hij had in 1978 een plaats hoog in de zijtribune, van waar hij de echte verantwoordelijke goed kon zien: Piet van den Bergh (1920-ca. 2012), destijds uitbater van een radicaal flamingant café en later Antwerps provincieraadslid voor het Vlaams Blok. Hoewel onder meer ’t Pallieterke Van den Bergh, ook bekend onder de veelzeggende naam ‘Piet Kopstoot’, identificeerde, wordt de laatste jaren toch steevast Truyens met de vinger gewezen – en dit, niet geheel onbegrijpelijk, tot diens ergernis.

De Zangfeesten kenden in de jaren 70 een moeilijke periode. Onder meer door een onevenwichtige vernieuwing en ideologische geschillen taande de belangstelling (ADVN, VQT 9/78).

Getuigenissen spreken elkaar nog op andere punten tegen. Kwam Van den Bergh meteen in actie of pas tegen het einde van de medley? Speelde Thielemans voort of verliet hij het podium? Hoe reageerden de andere aanwezigen? En ook: in hoeverre was het incident racistisch geïnspireerd? Volgens sommigen klonk in het rumoer immers de kreet ‘Geen negermuziek op het zangfeest!’ Vast staat dat jazzmuziek, met haar Afro-Amerikaanse wortels, vaak op raciale gronden werd bekritiseerd. Bovendien huldigde menig flamingant in die jaren een radicaal antivreemdelingenstandpunt, dat in 1979 met de oprichting van het Vlaams Blok een politieke vertaling kreeg.

Vele vragen, kortom. Voor het zangfeest van 1978 is er echter een deur naar het verleden die voor historici meestal gesloten blijft: een integrale geluidsopname. Daarop valt te horen hoe de bekende volksliederen een grondige herwerking hadden gekregen, wat puristen ongetwijfeld stoorde. Aanvankelijk is er nog lauw applaus, maar vanaf het derde lied weerklinken kabaal en sporadisch tromgeroffel uit de tribunes. Diep in slotnummer De mosselman volgt dan de ontsporing: in een solopassage zwijgt de harmonica opeens vier maten, terwijl een hels gejoel losbarst. Thielemans valt echter snel opnieuw in – zij het aanvankelijk met enige aarzeling en onder aanhoudend rumoer. Wat de toeschouwers precies riepen, valt echter niet te onderscheiden, evenmin als tegen wie de verontwaardiging was gericht: de jazzmuzikant of de onverlaat?

Het eenenveertigste zangfeest was ontluisterend voor de Vlaamse beweging, maar confronteert ook historici met een ongemakkelijke waarheid. Zelfs al gaat het om een relatief recente gebeurtenis en zijn er tal van bronnen, van getuigen over archiefmateriaal tot geluidsopnames, dan nog ligt een eenduidige interpretatie buiten bereik.

Meer lezen.

A. Stynen, ‘Scheuren in het verleden. Getuigenissen van een bewogen Vlaams Nationaal Zangfeest’, in: ADVN-Mededelingen, nr. 48, 2015, 4-9.

P. Cordy, Wij zingen Vlaanderen vrij. Het verhaal achter 75 jaar Vlaams Nationaal Zangfeest, Leuven, 2012.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Wat je altijd al hebt willen weten over James Cook

In oktober 1770 naderde luitenant James Cook Batavia, het huidige Jakarta. Het belangrijkste deel van zijn reis met de Endeavour, die op 26 augustus 1768 begonnen was, was daarmee afgelopen. Anderhalf jaar lang was Cook in de Stille Oceaan van eiland naar eiland gevaren. Haast overal had hij de gastvrijheid genoten die hij verlangde, in weerwil van plaatselijke regels en gebruiken. De werkelijke machtsstructuren kon Cook niet doorgronden, aangezien hij steeds naar een koninklijk machthebber zocht. Op zijn derde reis kende die imperialistische houding uiteindelijk een fatale afloop: in februari 1779 kwam Cook op Hawaï om het leven. Het onbegrip tussen de Britten en de Hawaïanen was daar ontspoord.

James Cook, naar een schilderij uit 1776.

In het gebied rond Batavia kon Cook daarentegen zijn eigen regels niet opleggen. Daar oefende de Verenigde Oost-Indische Compagnie immers haar macht uit. De Nederlanders controleerden graag wie door de Straat Soenda – tussen Java en Sumatra – voer. Op 5 oktober 1770 overhandigde een Nederlandse officier Cook daarom een gedrukt, Engelstalig formulier met negen vragen over het schip en zijn reis. Cook koos ervoor alleen te antwoorden dat de Endeavour op weg was naar Groot-Brittannië, omdat hij zijn ontdekkingen niet wilde prijsgeven. Volgens hem was deze terughoudendheid gerechtvaardigd, aangezien het papier onmiddellijk naar Batavia zou worden gestuurd.

Deze anekdote herinnert aan het belang van de bureaucratie in de wereldgeschiedenis. Almaar groeiende administraties waren van groot belang bij het uitbouwen van de moderne Europese staten. Zelfs in de Straat Soenda doken bijgevolg formulieren op. Ook daar moest controle worden uitgeoefend door papierwerk. Maar wat gebeurde er met Cooks formulier? De meest omvangrijke editie van zijn journaal – geredigeerd door John Beaglehole – geeft er geen uitsluitsel over. Werd het inderdaad naar Batavia gestuurd? Zit het nog verscholen in de gigantische VOC-archieven? Dat wilde ik altijd al weten over James Cook.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Wat je altijd al hebt willen weten over wondontsmetting

Voor de ontsmetting van wonden wordt vandaag nog steeds de methode Carrel-Dakin gebruikt. Deze methode vindt haar oorsprong in de Eerste Wereldoorlog, en werd voor het eerst op grote schaal toegepast in een Belgisch fronthospitaal. Het was een uitvinding van de Franse arts Alexis Carrel, die in 1912 de Nobelprijs voor Geneeskunde had gekregen, en van zijn Britse collega Henry Dakin, die Carrel tijdens de oorlog in zijn laboratorium in Compiègne kwam assisteren. Ze hadden vastgesteld dat gasgangreen onvermijdelijk leidde tot de amputatie van het getroffen lichaamsdeel, en dat de bestaande ontsmettingsmiddelen hiertegen geen soelaas boden. Daarom ontwikkelden Carrel en Dakin een nieuwe methode voor de ontsmetting van wonden. Daarbij werden rubberen buisjes met daarin een oplossing van natriumhypochloriet in de wonde gebracht.

De Brusselse verpleegster Jane de Launoy (links op de foto) bij de toepassing van de Carrel-Dakin methode voor wondontsmetting in het fronthospitaal L’Océan in de De Panne (Cinematek, Brussel).

In maart 1915 lichtte Carrel zijn methode toe aan dokter Antoine Depage, geneesheer-directeur van L’Océan in De Panne, het grootste Belgische fronthospitaal. Depage beval de techniek onmiddellijk aan voor de gewonden in zijn hospitaal. De verpleegster Jane de Launoy schreef kort nadien in haar dagboek: “De gasgangreengevallen die in het begin nogal veel voorkwamen, worden zeldzamer sinds ze de Carrelmethode toepassen.” Ook onderluitenant Arthur Pasquier, die twee weken later op bezoek was in het hospitaal, schreef in zijn dagboek over de nieuwe methode: “Tegen wil en dank woon ik het reinigen bij van een wonde, waarin een soort glazen bevloeiingssysteem voortdurend de ontsmettende oplossing hypochloriet laat lopen. Naar het schijnt heeft dit systeem bij herhaalde toepassing uitstekende genezing teweeggebracht.”

Vanaf het najaar van 1915 werd de methode ‘op proef’ toegepast in het hospitaal. Omdat de techniek uitstekend werkte, werd ze vanaf 1916 systematisch gebruikt bij alle gangreenwonden in L’Océan. Hierdoor werden heel wat amputaties vermeden. De methode bleek zeer doeltreffend, en wordt daarom ook nu nog toegepast. Het gebruik ervan neemt de laatste jaren wel af vanwege het irriterend effect van chloor, de allergische verschijnselen die het soms veroorzaakt en het feit dat heel wat ziektekiemen er ondertussen resistent voor geworden zijn.

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Wat je altijd al hebt willen weten over de doopspuit

Negentiende-eeuwse schets van een doop in de baarmoeder (Thirion, Du baptême intra-utérin, 1846).

De doopspuit was een van de grote medisch-religieuze innovaties uit de achttiende en negentiende eeuw. De verspreiding ervan ging hand in hand met een groeiende theologische consensus over de onsterfelijke ziel van embryo’s en foetussen. Steeds meer katholieke denkers geloofden op basis van recente medische kennis over de menselijke voortplanting dat ongeboren leven vanaf de bevruchting bezield was. In tegenstelling tot wat men vroeger had geloofd, moesten foetussen volgens negentiende-eeuwse theologen nog geen menselijke vormen hebben om hun ziel te kunnen ontvangen. Als zelfs het kleinste, met het oog onzichtbare embryo begiftigd was met een ziel, betekende dat voor katholieken dat ze in elk stadium van de zwangerschap de doop moesten toedienen. In kerkelijke richtlijnen voor priesters, dokters en vroedvrouwen werd de doopspuit aangeraden als een eerste voorwaardelijke doop bij foetussen die zich nog in de baarmoeder bevonden. Zodra het kind geboren was, diende het opnieuw gedoopt te worden. Alleen zo kon men er zeker van zijn dat het water het hoofdje echt had bereikt, en het doopsel dus geldig was.

Tot in de twintigste eeuw gebruikten dokters en vroedvrouwen de doopspuit wanneer ze dachten dat een foetus de geboorte niet zou overleven. In zulke gevallen brachten ze de spuit in via de vagina, in de hoop dat het doopwater het hoofdje zou bereiken. Daarna gingen ze meestal over tot een risicovolle operatie die mogelijk of zeker zou leiden tot zijn dood. In de negentiende eeuw namen – vooral liberale – artsen bijvoorbeeld regelmatig hun toevlucht tot medische abortus wanneer zij vermoedden dat een vrouw met een smal bekken op het einde van haar zwangerschap tijdens een uitputtende bevalling zou bezwijken. Zo’n operatie was dan wel fataal voor het leven van de foetus, maar dankzij de doopspuit was zijn ziel in elk geval gered.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van levensbeschouwelijke diversiteit in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

De Marokkaanse fata morgana van Leopold II

Gastblog door Gert Huskens.

U heeft het misschien gemist, maar terwijl afgelopen week het gele hesjes-protest het nieuws domineerde, bezocht “de grootste Belgische economische missie ooit” Marokko. Zoals het hoort bij zulke handelsmissies stapte met prinses Astrid een lid van het Belgisch koningshuis op het vliegtuig. Wellicht zonder het te weten, trad de prinses hiermee in de voetsporen van haar illustere familielid koning Leopold II. Ook hij bracht ruim honderd jaar geleden ten bate van de Belgische economie een uitgebreid bezoek aan het land. De interesse van Leopold II in Marokko is ondertussen echter door de Spaanse en Franse kolonisatie van het land zo goed als volledig in de plooien van de geschiedenis verdwenen.

Nochtans stond het gebied in de nasleep van de Koloniale Conferentie in Berlijn in 1884-1885 expliciet op Leopolds imperialistische radar. Hij zou vooral geïnteresseerd zijn geweest in Marokko als tussenstop voor de schepen die heen en weer pendelden tussen de Congolese havenstad Matadi en Antwerpen. Bovendien wilde hij er Belgische posten neerpoten die moesten dienen als winterverblijf, sanatorium en zelfs quarantaine voor de kolonialen die pendelden tussen metropool en kolonie. Het is in deze sfeer dat het vertrek van koning Leopold II op 11 september 1897 met zijn luxejacht Clémentine richting Marokkaanse kusten moet gezien worden.

De reis naar Marokko als toeristische uitstap

Het Laatste Nieuws, 30 oktober 1897.

Vooraleer het jacht aanmeerde in een van de Marokkaanse havens, bezocht de vorst eerst nog de Canarische Eilanden en Madeira. Vooral Madeira kon hierbij op zijn interesse rekenen. De lokale inwoners bleken zeer behendige jagers te zijn en daardoor zag Leopold II in hen ‘excellente rekruten voor Congo Vrijstaat’. Vervolgens meerde de Clémentine aan in de havenstad Mogador, tegenwoordig Essouaira. Terwijl de koning de stad en nabije regio te paard verkende, draaide zijn imperialistische verbeelding op volle toeren. Eens hij er een luxe-hotel had neergepoot, kon Mogador volgens hem een soort Atlantische evenknie van het mondaine Oostende worden.

Na enkele korte tussenstops in noordelijker gelegen havens keerde hij terug naar Larache en trok met een heuse karavaan het Atlasgebergte in. Hoewel hij in eerste instantie voornamelijk prospectie deed voor mogelijke spoorweginvesteringen, kon hij op de lokale markten tot zijn grote verbazing ook vaststellen dat men er Belgische suiker en textiel uit Verviers verhandelde. Een kort bezoek aan Tanger betekende het einde van de reis. Verschillende passagiers hadden immers dysenterie opgelopen en begrijpelijkerwijs was de vorst in zo’n situatie liever vroeg dan laat terug thuis.

De reis naar Marokko als diplomatiek-economische missie

‘Le voyage du Roi au Maroc’, Le Petit Bleu du Matin, 25 september 1897.

Hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken en de koninklijke entourage er destijds alles aan gedaan hebben om de reis in de markt te zetten als een onverdachte, strikte persoonlijke en louter toeristisch onderneming, konden ze de ware toedracht van het bezoek van Leopold II niet geheim houden. Zo kon men in Het Laatste Nieuws lezen hoe de vorst van de Marokkaanse havens ‘koloniale tussenstops’ wilde maken. In Le Vingtième Siècle stonden dan weer geruchten dat er flessen water waren verzameld die in België zouden getest worden op hun drinkbaarheid. Stilaan werd zo duidelijk dat de reis niet enkel een toeristische uitstap was, maar wel degelijk ook economische motieven had.

Ook de buitenlandse pers berichtte destijds al dat de vorst met een stapel eigendomsakten onder zijn arm terug naar België was gekeerd. Concreet had hij in deze periode zijn geldbuidel opengetrokken voor de aankoop van percelen op de Canarische Eilanden, net buiten Tanger en in de regio nabij Kaap Juby en Tarfaya. Ook verwierf hij eigendommen bij de stad Ceuta aan de Middellandse Zee. Deze percelen moesten de vorst toelaten om handelsvestigingen te bouwen en zo een graantje mee te pikken van de handelsroutes in de Sahara en de lokale wolproductie. De Spaanse koloniale neergang had de koning immers duidelijk gemaakt dat er ook territoriaal iets te rapen viel in Spaans-Marokko.

Van Marokkaanse droom naar ontgoochelende fata morgana

Een overzicht van de koloniale claims in Marokko ten tijde van het bezoek van Leopold II.

De vele ambitieuze pogingen ten spijt, moest Leopold na zijn reis vaststellen dat zijn Marokkaanse project door de tegenkantingen van de andere kolonialen machten nooit echt van de grond kon komen. Toen in 1905 de Duitse keizer Wilhelm II tijdens een bezoek aan Tanger de onafhankelijkheid van Marokko vooropstelde, hield Leopold II zich dan ook opvallend afzijdig. In zijn officiële communicatie stond er hierbij één gedachte centraal: België uit de Eerste Marokkaanse Crisis houden en geen standpunt innemen in deze Duitse confrontatie met Frankrijk en Groot-Brittannië.

Achter de schermen gaf Leopold II zich echter nog niet helemaal gewonnen. De koloniale kaart van de vorst beperkte zich immers niet tot Congo. De ambitie was om de Belgische vlag wereldwijd te laten wapperen. Terwijl de diplomaten de Europese claims op Marokko bespraken, was Leopold II immers verwikkeld geraakt in een dynastieke soap in het opstandige Marokkaanse Rifgebergte, maar dat verhaal verdient een eigen blogpost.

Meer lezen.

A. Duchesne, Leopold II et le Maroc, Brussel, 1965.

Gert Huskens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de ULB en UGent binnen het EOS-project ‘Pyramids and Progress. Belgian Expansionism and the making of Egyptology. 1830-1952’. Hij onderzoekt hierbij de rol van de Belgische diplomatie in de handel in Egyptische antiquiteiten in de periode 1830-1914.