4 to-do’s bij de eerste zorg voor prille moeders

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele voorschriften voor toekomstige verloskundigen.

Eugène Hubert in 1884 (Archief UCL).

De taak van een verloskundige stopt niet bij de geboorte, zo sprak de Leuvense hoogleraar in de geneeskunde Eugène Hubert zijn medische studenten aan het einde van de negentiende eeuw toe. De voorschriften die de diepgelovige katholieke arts tijdens zijn colleges meegaf aan toekomstige verloskundigen, zijn veelzeggend over de harde realiteit van het kraambed. Studenten die ze anderhalve eeuw geleden moesten instuderen, werden in hun latere loopbaan gegarandeerd geconfronteerd met zwangerschapscomplicaties, moeilijke bevallingen en de dood. Maar meer dan alleen in de geschiedenis van het bevallen, bieden de voorschriften ook een unieke inkijk in de toenmalige dominante denkkaders en praktijken in België. Aan u om ze te ontdekken.

Onderstaande voorschriften van Eugène Hubert zijn afkomstig uit zijn laatste verloskundige handboek voor medische studenten, Accouchements: gynécologie et déontologie (1892). Ze zijn vrij letterlijk vertaald.

De moeder van deze eenogige baby met voorhoofdkwab kon wel wat troost gebruiken.
  1. Geef peptalk

Een geboorte kan veel verdriet veroorzaken bij de moeder. Het gebeurt dat ze teleurgesteld is over het geslacht van haar pasgeboren baby. Soms is hij lelijk of misvormd. In nog andere gevallen heeft het kind de bevalling niet overleefd. Op zo’n momenten moet je de vrouw troosten en haar pijn verzachten. Wanneer het doodgeboren kind gedoopt is, is dat gemakkelijk: vrome vrouwen kunnen zich hun arme kleine moeiteloos voorstellen met vleugeltjes!

  1. Houd de prille moeders niet wakker

Sta toe dat de pas bevallen vrouw zich overgeeft aan een heilzame slaap. Je moet haar niet wakker houden, zoals dat gebeurde in de tijd van Lodewijk XIV, zogenaamd omdat vrouwen die inslapen ongemerkt zouden kunnen sterven aan bloedingen. Als er reden is tot ongerustheid, volstaat het om aan de vroedvrouw te vragen om de moeder in het oog te houden.

  1. Verplicht (ongehoorzame) vrouwen tot bedrust

In de eerste negen dagen na de bevalling is bedrust absoluut noodzakelijk. Volkse vrouwen hebben de neiging om vroeger op te staan, en het is dan ook bij hen dat er vooral complicaties en, later, verzakkingen van de baarmoeder optreden. Velen geloven namelijk dat een negende dag rust ongeluk zou brengen, wat volgens ons een ongegronde overtuiging is. Om ongehoorzame vrouwen tot rust te brengen, kan je gerust een of ander vooroordeel uitbuiten.

Een vrouw die op het punt staat te bevallen (Wellcome Collection. CC BY).
  1. Stel de kerkgang uit

In de meeste katholieke landen is het gebruikelijk dat bevallen vrouwen zich voor het eerst aan de buitenwereld tonen in de kerk. Deze kerkgang in een vaak koude en vochtige kerk vindt best 3 tot 4 weken na de bevalling plaats als de kraamvloed – het verlies van bloed, slijm en resten van de moederkoek – is gestopt. Het is ontoelaatbaar voor de 10e of de 15e dag, vooral als de kerkgang de gelegenheid vormt voor het houden van een familiemaal. Daar wordt de moeder aan allerlei verleidingen blootgesteld, gaande van “Neem een beetje van dit, en een beetje van dat, zo goed dat het is!” Maar een beetje van dit, een beetje van dat, een beetje van alles betekent een indigestie! Er is ook nog een andere reden om de terugkeer naar de geloofsgemeenschap uit te stellen. Dit moment gaat gepaard met de terugkeer naar het gemeenschappelijk bed. Maar met een onstabiele en vochtafdrijvende baarmoeder doet de prille moeder er goed aan om in een afzonderlijk bed te slapen.

Aandachtige lezers hebben gezien dat Hubert een tipje van de sluier oplicht over de schrijnende gevolgen van sociale ongelijkheid voor de gezondheid van bevallen vrouwen. In tegenstelling tot vrouwen uit de middenklasse, die zich in alle rust aan hun herstel konden wijden, moesten arbeidersvrouwen hun werk na de bevalling – met alle gevolgen van dien – snel hervatten. Negentiende-eeuwse medische teksten geven echter amper blijk van interesse in de dieperliggende oorzaken van de hoge moeder- en zuigelingensterfte. In bovenstaande voorschriften besteedt Hubert bijvoorbeeld geen aandacht aan de relatie tussen complicaties na de bevalling en de erbarmelijke leefomstandigheden van vrouwen uit lagere klassen. Structurele oplossingen voor de hoge mortaliteit van arme vrouwen en hun kinderen in het kraambed kwamen er pas na de Eerste Wereldoorlog.

Meer lezen.

Hubert, E., Accouchements: gynécologie et déontologie. Cours professés à l’Université Catholique de Louvain (volume 1). Leuven, 1892, 473-482.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van katholieke en liberale artsen die in de negentiende eeuw actief waren als verloskundigen en gynaecologen.

Titelafbeelding: Vaginaal onderzoek. Uit Maygrier, Nouvelles, 1825. Wellcome Collection. CC BY.

7 keer komaf met slaapwandelen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Wie soms al eens last heeft van slaapwandelen, vindt hieronder een aantal tips van een negentiende-eeuwse huisarts.

“Och, dat is toch een eeuwigdurende onrust, dokter! Een mijner zooner verlaat bijna elken nacht zijn bed, loopt het huis rond en somtijds ook wel de straat op. Gisteren nacht zat hij omgekleed in de dakgoot, van waar hem de knecht, met gevaar beider leven, heeft weggehaald. Eenige dagen geleden, heeft hij zonder het te weten, heel den nacht zitten schrijven. Hij heeft in zijn slaap latijnsche verzen gemaakt, die een Vergilius zouden beschamen.”

Dr. Renier Snieders, 1812-1888 (KU Leuven collectie).

Klinkt bovenstaande verzuchting jou bekend in de oren? Dan deel je waarschijnlijk het huis met een slaapwandelaar. In tegenstelling tot de slaapwandelaar die zich de volgende dag van geen kwaad bewust is, kan dit gedrag bij huisgenoten wel eens resulteren in slapeloze nachten. Zo dus ook bij deze negentiende-eeuwse dame. Uit schrik dat haar zoon zich op een volgende nachtelijke omzwerving ernstig zou verwonden, ging ze te rade bij een plaatselijke arts. Dokter Snieders gaf haar enkele aanbevelingen en die deel ik graag met jou.

  1. Vermijd lichamelijke prikkels

Om te beginnen adviseerde dokter Snieders om niet met een al te verzadigde maag in bed te kruipen: “Ik zoude hem aanraden ‘s avonds zeer weinig of liever in het geheel niets te gebruiken, over het algemeen zeer matig te leven, weinig verhittend voedsel en vooral nooit geestrijke dranken te drinken. Vermijd een al te overvloedig en prikkelend avondmaal. Probeer misbruik van sterke dranken zeker op jonge leeftijd te vermijden: het zijn voornamelijk aankomende jongelingen bij wie men het nachtwandelen het meeste aantreft. Groote menschen zijn zelden en grijsaards bijna nooit daarmede behept.”

  1. Slaap op een harde matras

Volgens de dokter kan ook je bed invloed hebben op je slaapgedrag: “Overigens geve men den slaapwandelaar eerder een hard dan een zacht bed, hem tevens aanbevelende, zijn hoofd altijd tamelijk hoog op het hoofdkussen te leggen.”

Slaapwandelende Lady Macbeth door Artus Scheinder, omstreeks 1900.
  1. Maak het hoofd vrij (figuurlijk)

Een te grote hersenactiviteit vlak voor het slapengaan zou eveneens nefast zijn. “Nachtwandelen wordt ook wel eens bevorderd door de aanhoudende en tot laat in den avond gerekte studie, alsook door de werking der driften, zooals droefheid, gramschap, woede, wraak, nijd en anderen. Tracht uw moreel gestel zoveel mogelijk bedaard te houden, verwijder uit uwen geest elke oorzaak van verdriet en hevige aandoening, welke aanleiding zou kunnen geven tot de ontroering der zenuwen.”

  1. Maak het hoofd vrij (letterlijk)

Als we dokter Snieders mogen geloven, ligt de oorzaak van slaapwandelen mogelijks bij een overschot van bloed in de hersenen. Hij gaf daarbij volgend advies: “Bij een oplettende waarnemer blijkt het somtijds dat de nachtwandelaar het hoofd niet juist vrij heeft; in andere woorden, dat er zekere aandrang naar dat orgaan plaats heeft; in dit geval kunnen eene aderlating of een applicaat van bloedzuigers aan het hoofd, of liever somtijds aan den aarsdarm zeer dienstig wezen.”

  1. Neem een fris bad en een paar pilletjes

“Hebben wij te doen met eene bovenmatige prikkelbaarheid der zenuwen, welke hier als een aanleidende oorzaak moet beschouwd worden, zoo zullen frissche baden, en eenige zenuwstillende geneesmiddelen, uiteraard enkel door een geneesheer voorgeschreven, zeer ten pas komen”, aldus de dokter.

Een dokter brengt bloedzuigers aan bij een patiënt. Wellcome Collection. CC BY.
  1. Zoek een aangenaam verzetje

Ook gezonde verstrooiing overdag was volgens hem belangrijk voor het tot rust komen van lichaam en geest bij het slapengaan. “Reizen, jagen, visschen, groote wandelingen in de vrije lucht, in een woord al wat den zieke een aangenaam verzet, gepaard met lichaamsbeweging kan verschaffen, mag niet verwaarloosd worden.”

  1. In hoogste nood: laat je slaan op doktersadvies

Als al het voorgaande geen beterschap bracht, had dokter Snieders nog een laatste hulpmiddel achter de hand. Zo schreef hij een slaapwandelaar gekend te hebben die voor altijd genezen werd door “hem telkens een geducht pak slaag te geven”. Hij voegde er wel aan toe dit middel enkel aan te wenden “in het geval dat men met minder hevige middelen den gewenschten uitslag niet heeft verkregen.”

De opvattingen over de oorzaak en behandeling van slaapwandelen ondergingen doorheen de geschiedenis een aanzienlijke verandering. Slaapwandelaars werden lange tijd beschreven als personen die bezeten waren door de duivel, of die net gezegend waren met een goddelijke aanwezigheid. In het volksgeloof werd slaapwandelen ook lang beschouwd als een vloek of het openlijk gevolg van een of andere zonde. Die perceptie veranderde zeer geleidelijk naar een focus op de mentale toestand van de slaapwandelaar, al bleven metafysische speculaties nog lang doorleven.

Slaapwandelen werd vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gezien als een geestelijke ziekte, een psychosomatische klacht. De idee dat slaapwandelen een psychiatrische aandoening is, blijkt ook uit de beschrijvingen en raadgevingen van dokter Snieders. Zo spreekt hij over “den zieke” en legt hij meerdere malen een verband tussen slaapwandelen en iemands geestelijke gesteldheid. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw werd slaapwandelen helemaal losgemaakt van paranormale of psychiatrische connotaties en werd het geclassificeerd als een slaapstoornis.

Bovenstaande adviezen tegen slaapwandelen komen uit het boek Mentor van Jan Renier Snieders. Snieders, een gediplomeerde geneesheer wonende en werkende te Turnout (1812-1888), gaf in dit boek in de vorm van (fictieve) dialogen tussen dokter en patiënt gezondheidsadvies aan ‘gewone’ mensen. Zijn interesse in en bekommernis om volksgezondheid kwam tot uiting in dit werk waarin hij heel uiteenlopende onderwerpen besprak, van bloedneuzen tot indigesties en dus ook slaapwandelen.

Meer lezen.

Snieders, J. R., Mentor: verspreide aanteekeningen over volksgeneeskunde en gezondheidsleer, ’s-Hertogenbosch, 1870.

Umanath, S., Sarezky D. en Finger, S., ‘Sleepwalking through History: Medicine, Arts, and Courts of Law’, Journal of the History of the Neurosciences, 20 (2011), 253-276.

Linde Tuybens is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

5 koloniale gezondheidstips voor trips naar de tropen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele praktische tips voor reizen in ‘De Kongo’.

Verre reizen gaan vaak gepaard met een grondige medische voorbereiding. Vandaag komt men al erg ver met een handvol vaccins en een stevige voorraad malariatabletten. Op dergelijke preventieve maatregelen kon men zich echter nog niet beroepen ten tijde van het kolonialisme, toen Belgen naar Congo werden gestuurd om grondstoffen te ontginnen, ‘de beschaving’ te brengen of de staatsadministratie uit te bouwen. Gelukkig publiceerde het Ministerie van Koloniën geregeld medische handleidingen waarin allerlei tropische ziektes, symptomen en behandelingswijzen werden opgesomd. Op die manier kon de Belgische koloniaal toch met een rits praktische tips op zak naar ‘De Kongo’ afreizen. Niet al die adviezen waren echter altijd even nuttig en duidelijk. Hieronder vindt u 5 van de merkwaardigste gezondheidstips voor trips naar de tropen uit de Beknopte geneeskundige leidraad ten dienste van den reiziger in Congo uit 1929.

Voorpagina van “Reiziger in Congo”.
  1. Seksualiteit

“De venerische ziekten [seksueel overdraagbare aandoeningen] verminderen en vernietigen soms het productievermogen van den mensch. Zij verkorten het leven en dooden het geslacht. Vermijd ze, en verzorg ze indien zulk ongeluk U trof. […] De gemeenschap met personen van gewillige zeden eindigt gewoonlijk met bevlekking van venerische ziekten.”

  1. Voeding

“Ingemaakt goed is krachteloos voedsel. Gebruik dit zoo weinig mogelijk. In Congo is het gebruik van ingemaakte groenten een onzin.”

  1. Drank

“Vermijd het gebruik van eetlustwerkende dranken. Maak u gewoon weinig te drinken, uitgenomen als gij koorts hebt. Gebruik over dag nooit alcoholische dranken, als gij in het geval zoudt zijn u aan de zon te moeten blootstellen.”

Dit gezin kleedde zich zoals het hoorde.
  1. Kledij

“Over dag als ondergoed: een flanellen, zijden of katoenen hemd, nooit een lijnwaden. Tricots en singels, enz. dienen verworpen daar zij te veel prangen, tenzij ze geweven waren met breede mazen. Draag altijd den flanellen lendeband (breede band dien men driemaal rondt het lichaam windt). De bovenkleedij moet licht zijn en van heldere kleur (wit of khaki); zij moet daarenboven wijd zijn. […] Men moet het dragen van kleederen bij de negers bevorderen.”

  1. Arbeid

“Elke overdaad is schadelijk, zoals elke oorzaak overigens die het evenwicht der levensverrichtingen dreigt te verbreken. Overmatig werken kan zoo schadelijk zijn als overdaad in drank of geslachtsverkeer. […] Het visschen over dag is voor de inlanders.”

Het medische nut van deze richtlijnen kan op z’n minst ernstig in twijfel worden getrokken. Het beschermen van de fysieke gezondheid van de Belgische koloniaal vormde niet de essentie van deze tips. Ze moesten de industrieel, missionaris of koloniaal ambtenaar in eerste instantie een gedragsideaal ter ondersteuning van het koloniale project voorspiegelen. De adviezen met betrekking tot seksualiteit en alcoholische consumpties hadden dan ook een duidelijk moraliserend objectief. Net als in het moederland werden alcoholisme en geslachtziektes in de kolonie gezien als ernstige sociale kwalen. Door te verwijzen naar de “personen van gewillige zeden” werd de Congolese vrouw indirect op een heel geseksualiseerde manier voorgesteld.

Het racisme in de geselecteerde ‘gezondheidstips’ komt echter nog op andere manieren tot uiting. Zo werd het dragen van kledij voorgesteld als een teken van beschaving en was het een onderdeel van de beschavingsmissie om deze westerse norm aan Congolese volkeren op te leggen. Ook het afserveren van de Congolese keuken met de woorden “krachteloos voedsel” en “onzin”, kan als een vorm van cultureel geweld gelden. Ten slotte blijkt het raciale machtsonevenwicht uit de passage over arbeid. Van de koloniaal werd niet verwacht dat hij grote fysieke inspanningen zou leveren. Daarvoor mocht en moest hij gebruik maken van de “diensten” van de lokale bevolking. De beschreven richtlijnen lieten de “reiziger in Congo” dus al met de verschillende facetten van de koloniale ideologie kennismaken voordat hij er voet aan de grond zette.

Meer lezen.

Ministerie van Koloniën. Beknopte geneeskundige leiddraad ten dienste van den reiziger in Congo. Brussel: Drukerij Travaux publics, 1929.

Monaville, Pedro. “‘Conseils aux partants’: Une lecture politique des manuels d’hygiène coloniale publiés en Belgique (1895-1950)”, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 1–2, nr. 36 (2006): 97-125.

Reinout Vander Hulst is als doctorandus verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij bereidt een proefschrift voor over katholieke geneeskunde in België en Congo van 1900-1965.

4 manieren om van je blaasstenen af te komen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. We starten met enkele medische behandelingen voor mannen met pijnlijke blaasstenen.

Misschien denk je dat historici een vrij gemakkelijk beroep hebben. Dat wat ze onderzoeken is immers lang geleden gebeurd en zal ze dus niet persoonlijk raken. Niets is minder waar: tijdens hun onderzoek komen ze onder meer beschrijvingen van ziektegevallen tegen waarbij ze tijdens het lezen met almaar groeiend medelijden de lijdensweg van de patiënt volgen, in de hoop dat deze de helse beproevingen uiteindelijk toch heeft overleefd. Ze zien in negentiende-eeuwse periodieken allerlei ziektebeelden en de bijbehorende behandelingen voorbijkomen: van buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en amputaties zonder verdoving tot uit de hand gelopen worminfecties. Deze zomerblog biedt een overzicht van een viertal voorbeelden van de mogelijke behandeling van blaasstenen die worden vermeld in het Nederlandse Practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang (1822-1856). Deze blaasstenen kwamen het meeste voor bij mannen, en maakten het hen soms onmogelijk om te urineren – wat zonder behandeling de dood tot gevolg kon hebben.

Dertigdelige Lithotomieset, Parijs, Frankrijk, 1820-1860. Collectie: Science Museum, London. CC BY.
  1. Het gebruik van tangen

Als de patiënt geluk had, was de blaassteen door de krampen van het urinewegstelsel al zo ver op weg naar de uitgang gebracht, dat een arts deze makkelijk kon bereiken. In 1837 berichtte een arts bijvoorbeeld over de lotgevallen van een 38-jarige man, die plotseling erge moeite had gekregen met urineren. Na drie maanden zonder medische hulp had hij ‘gedurig koude rillingen, en hij bragt de nachten voor het grootste gedeelte slapeloos door.’ Het lukte de arts niet om de steen te pakken te krijgen, en er werden daarom warme baden, ‘verzachtende pappen’, amandelmelk, ‘slijmige dranken’ en ‘eene gepaste diëet’ voorgeschreven. Veertien dagen later lukte het alsnog om de blaassteen ‘onder geringe pijnen’ met een tang naar buiten te halen.

Chirurgische verwijdering van een blaassteen door middel van een snede boven de schaamstreek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De laterale lithotomie

Volgens een andere arts was de sectio lateralis de beste en meest gangbare methode voor het verwijderen van blaasstenen. Deze bestond eruit eerst via de urinebuis een sonde tot in de blaas in te brengen en vervolgens een lange incisie in het perineum te maken richting de punt van de sonde, om zo de blaashals te openen en vervolgens de steen weg te kunnen nemen. De arts beschreef twee operaties die hij op deze manier had uitgevoerd, en die beide goed waren afgelopen. Hij was zich erg van de risico’s van de operatie bewust: deze kon leiden tot cystevorming, ‘verettering van het celweefsel’ en stuipen die het succes van de operatie en zelfs het leven van de patiënt in gevaar konden brengen.

  1. De snede boven de schaamstreek

Een andere manier om de steen te bereiken als deze nog niet in de urineleider was afgedaald, was om de blaas als het ware van de voorkant te bereiken. Deze operatie werd bijvoorbeeld uitgevoerd op een oudere patiënt die vanwege een vergrote prostaat niet op een andere manier kon worden geopereerd. Hij werd in de juiste positie gebracht – en waarschijnlijk door een aantal potige helpers in bedwang gehouden – waarna er een incisie in het huid-, vet- en spierweefsel boven het schaambeen werd gemaakt om daarna de blaas open te snijden. ‘Oogenblikkelijk stroomde nu de urien uit de wonde , en de steen konde zonder groote moeite met eene tang weggenomen worden’. Tot de achttiende dag na de operatie lekte er nog urine uit de wond, maar uiteindelijk herstelde de patiënt volledig. ‘Het doorklieven der regte buikspieren heeft den lijder niets gehinderd; hij gaat regtop als bevorens en bevindt zich volkomen wèl.’

Drie manieren om de blaas te bereiken, afgebeeld in een negentiende-eeuws medisch handboek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De proctolithotomie

Voor het opereren bij grotere stenen werd aangeraden om de blaas via de achterkant te benaderen en dus via de anus te opereren, omdat deze aan grote stenen immers ‘eenen ruimen weg opent’. Een patiënt die ‘in geene positie voor zijne pijnen eenige verligting meer konde vinden’ ondernam zelfs een zesdaagse voetreis ‘die hij als ’t ware voortkruipend had moeten afleggen’ om de arts van zijn keuze te bereiken. Hij was dus erg verzwakt, maar omdat hij niet leek aan te sterken, ging de arts toch tot een operatie over. Het mocht niet baten. ‘Aanhoudend zonken de krachten, tot aan het gevoel van vernietiging toe klom de spierzwakte, en onder onwillekeurige ontlastingen, beven [en] deliria, gaf de lijder op den 11den dag na de operatie, den geest.’

De gevolgen van de hierboven beschreven operaties waren ingrijpend. Pas omstreeks het midden van de negentiende eeuw werd mondjesmaat met narcose gewerkt. De hier beschreven patiënten moesten de beschreven operaties hoogstwaarschijnlijk nog zonder anesthesie ondergaan. De ingreep kon tot bloedingen en ontstekingen leiden die de dood tot gevolg hadden. De wonden heelden bovendien meestal langzaam, en vaak bleven patiënten nog lange tijd incontinent. Tegenwoordig komen blaasstenen in de Westerse wereld nauwelijks nog voor dankzij verbeterde leefomstandigheden. Bovendien zijn ze, wanneer ze toch opduiken, beter op te sporen vanwege nieuwe technieken. Daarna worden ze met behulp van elektriciteit, schokgolven of ultrasoon geluid vergruisd. Van een helse marteling is hun behandeling daardoor veranderd in een pijnloze aangelegenheid.

Meer lezen.

Aschendorf, H., ‘Eenige opmerkingen over den steen in de blaas en de steensnede, d.i.  blaassnede’, Nieuw practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang 29 (1850), 290-296.

Tarler, H., ‘Drie gevallen van Steenen in de Pishuis’, Nieuw practisch tijdschrift 16 (1837), 223-229.

Keeman, J.N., ‘Blaasstenen en lithotomie, een verdwenen kwaal als fundament van de urologie’, Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 150 (2006), 2805-2812. Geraadpleegd via https://www.ntvg.nl/artikelen/blaasstenen-en-lithotomie-een-verdwenen-kwaal-als-fundament-van-de-urologie/volledig op 22 mei 2019.

Wouter Egelmeers is als doctoraatstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt de impact van het eerste visuele massamedium, de toverlantaarn, op het negentiende-eeuwse Belgische onderwijs. Vorig jaar was hij verbonden aan een project over redactiepraktijken in negentiende-eeuwse wetenschappelijke tijdschriften.

Wat je altijd al hebt willen weten over de Wardian case

Halverwege de negentiende eeuw opende de stedelijke burgerij haar deuren voor nieuwe huisgenoten: kamerplanten. Groen in huis herinnerde aan de landelijke, natuurlijke buitenwereld. In de slecht geïsoleerde woningen van destijds, met hun veelal sombere interieurs, was het houden van planten nochtans niet vanzelfsprekend. Enkel met erg precieze zorgen en controle konden ze overleven. Het betekende dat de natuur in een keurslijf werd gedwongen: dat gebeurde op grote schaal in tuinen en stadsparken, maar dus ook in de private sfeer. Kortom, de introductie van kamerplanten behelsde een paradox: ze dienden als tegengif voor een artificieel bestaan maar werden zelf van de natuur losgemaakt.

Bron: La Belgique Horticole (1855).

Een opvallend hulpmiddel bij in het ‘temmen’ van planten was de Wardian case. De Londense arts en tuinbouwer Nathaniel Bagshaw Ward had in 1829 toevallig ontdekt dat een klein, afgesloten glazen kistje voor vele soorten volstond om hen zonder verdere tussenkomsten in leven te houden: het vocht dat via de bladeren verloren ging, sloeg terug neer en werd door de wortels weer opgenomen. Als mobiel microklimaat bewezen de cases hun nut tijdens het vaak wekenlange transport van planten op zeeschepen. Ward besefte meteen ook die ándere toepassing, als decoratie in woningen. Hoewel hij in eerste instantie aan krappe arbeiderswoningen dacht, toonde vooral de middenklasse zich enthousiast: de miniatuurserres namen er de gedaante van soms opzichtige meubelstukken aan.

De cases boden een vrijbrief voor fantasie. Paradijselijke tableaux vivants de la nature waren gespeend van realisme, met combinaties van varens en andere planten uit binnen- en buitenland, van het Amazonebekken tot het Chinese hooggebergte. Een geslaagde mise-en-scène primeerde op authenticiteit: kamerplanten moesten vooral mooi om te zien zijn. Daarbij liet zich een toenemende visuele extravagantie optekenen. Wardian cases kwamen er in alle vormen: bekend is een exemplaar dat een stuk van de ruïne van Tintern Abbey nabootste, terwijl andere meubels voor planten aquariums en zelfs vogelkooien integreerden. Tegen het einde van de negentiende eeuw viel alle terughoudendheid weg en waren eclecticisme en overdaad de ordewoorden. Met een antigif tegen een stedelijk bestaan hadden de gekunstelde landschapjes nog maar weinig te maken.

Meer lezen.

M.F. Darby, ‘Unnatural histories: Ward’s glass cases’, in: Victorian Literature and Culture, 35 (2007), 635-647.

A. Stynen, ‘“Une mode charmante”: nineteenth-century indoor gardening between nature and artifice’, in: Studies in the History of Gardens and Designed Landscapes, 29 (2009), 217-234.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Cadeaus met een koloniaal reukje

Gastblog door Gert Huskens.

Zij die de politieke actualiteit op de voet volgen, moet het ook zijn opgevallen: afgelopen week leek het wel Sinterklaas in en rond de Wetstraat. Vergezeld van een of andere snedige opmerking of pientere dubbele bodem vlogen de cadeaus er in het rond.

Zo wisselden Bart De Wever en Tom Van Grieken flesjes ‘Paljas’-bier uit, verwijzend naar de binnensmondse ‘paljas’ aan het adres van Van Grieken die De Wever live op antenne ontglipt was. Om een heldere blik te garanderen kreeg Open VLD-voorzitster Gwendolyn Rutten een brillenpoetskit toegestopt, waarop zij een portie Maïzena uit haar handtas toverde om de politieke saus te doen pakken. Als zinspeling op hun slogan “De weg vooruit” kregen CD&V coryfeeën Hilde Crevits en Wouter Beke op hun beurt het nodige materiaal om de voorruit van een auto te poetsen. Kortom, afgelopen week werden geschenken volop ingezet om het politiek wantrouwen te overbruggen.

Abessijnse ambities

Ook de Belgische koloniale geschiedenis staat bol van zulke praktijken. Het verhaal van de expeditie van de Belgische diplomaat Edouard Blondeel Van Cuelebrouck naar Abessinië, het gebied dat het huidige Ethiopië omvat, is daar één van. Lang voordat er sprake was van het Belgisch imperialisme in centraal-Afrika, kon Abessinië onder het koningschap van Leopold I op de interesse van het Paleis rekenen. Interne dynastieke geschillen en de tanende invloed van de Kerk maakten van het land in deze periode een interessante prooi voor Europese inmenging. Daarbovenop zagen ook regionale heersers hun kans om hun macht gevoelig uit te breiden. In deze context werd de Gentse consul-generaal te Alexandrië Edouard Blondeel Van Cuelebroeck van september 1840 tot oktober 1842 op pad gestuurd om de imperialistische mogelijkheden in de regio af te toetsen.

De geopolitieke situatie in Abyssinië omstreeks 1850.

In het vooruitzicht van een mogelijke Belgische concessie in het land, besefte ook hij hoe geschenken konden dienen als bindmiddel tussen beide partijen. Vooraleer hij vertrok naar het zuiden bereidde Blondeel van Cuelebroeck zich grondig voor. Hij berichte hierover het volgende aan de koning:

“Als Uwe Excellentie van oordeel is me een expeditie naar Abessinië toe te vertrouwen, vraag ik u om me het volgende te bezorgen: een twaalftal musketten, enkele vuursteengeweren – maar het zou niet verstandig zijn om daar te veel over te laten weten –, een dertigtal scheermessen, vijftig paar scharen, enkele minderwaardige Doornikse tapijten, twintig pakjes naalden en twaalf paar pistolen.”

Het was echter niet de bedoeling om deze zaken vrijblijvend cadeau te doen. In de eerste plaats moesten ze interesse wekken voor de Belgische industriële producten. De zogenaamde “geschenken” waren in zijn ogen een imperialistisch en diplomatiek breekijzer om concessies te verkrijgen en markten open te breken.

Op bezoek bij Birru Goshu

Het is met deze ambities indachtig dat Blondeel Van Cuelebroeck in 1841 de lokale machthebber Birru Goshu bezocht. Enkele dagen na aankomst organiseerde hij een Tupperware-avond avant la lettre. Goshu werd overladen met al het moois dat de Belgische industrie te bieden had: een groot jachtgeweer, een sabel, luxe stoffen, Indisch mousseline-laken, een harmonica, een ring, een geurdoosje, een paternoster uit koraal, een Engelse zonnebril, een zilveren tabaksdoos, drie sjaals, een zadel en tot slot een mobiele reisapotheek inclusief het bijbehorende chirurgisch gereedschap.


Een fragment uit de Tarika Nagast van de Franse wetenschapper Antoine d’Abbadie (1810-1897). Blondeel Van Cuelebroeck ontving een gelijkaardig exemplaar.

Onder de indruk van de vrijgevigheid van zijn Belgische gast wilde Birru Goshu uiteraard niet onderdoen. Hij schonk Blondeel Van Cuelebroeck drie unieke manuscripten waarover deze laatste enkele dagen eerder duidelijk zijn bewondering had laten merken. Naast kopieën van een koningskroniek genaamd de Tarika Nagast en het burgerlijk en canoniek wetboek Fetha Nagast kreeg die zo ook een uniek en rijkelijk geïllustreerd exemplaar van het heiligenleven Dersan Mikaël in handen.

De kwaliteit van de Belgische geweren die hij cadeau had gekregen moet Birru Gosho klaarblijkelijk overtuigd hebben. Er werd overeengekomen dat tegen betaling van 100.000 Oostenrijkse thalers en 7000 Belgische geweren Birru Goshu het Tigray-gebied van de lokale concurrent Ras Oubye zou veroveren. Vervolgens zou hij de buitgemaakte regio aan de Belgen te schenken. Bovendien mocht er een katholieke missieschool in het zuiden van Gojjam worden gesticht. De “geschenken” hadden hun doel niet gemist.

De Abessijnse leeuw bijt terug

Tewodros II als de Abessijnse leeuw die het kolonialisme weet af te wenden. André Gill, ‘Théodoros, roi d’Abyssinie’, La Lune. Nouvelle série, 94, 22 december 1867.

Tot grote teleurstelling van Van Cuelebroeck zou er echter uiteindelijk weinig van de plannen in huis komen. In België konden de Ethiopische plannen amper op politieke bijval rekenen en werd het plan in oktober 1844 definitief opgeborgen. Bovendien raakte hij tijdens zijn reis al de waardevolle manuscripten kwijt waardoor dit Ethiopisch toperfgoed voorgoed verdween.

In Ethiopië zelf slaagde de latere keizer Tewodros II erin om de regionale machtshebbers onder zijn gezag te brengen en zo de Solomonitische dynastie in ere te herstellen. Bij een van diens veroveringsexpedities werd Birru Goshu tijdens de slag bij Amba Jebelli in maart 1854 gevangengenomen. Vijftien jaar lang leefde hij in gevangenschap totdat hij in 1869 door de opvolger van Tewodros II ter dood werd veroordeeld. Van Cuelebroeck kwam er iets beter vanaf. Hij keerde terug naar België en bouwde ondanks zijn geflopt avontuur nog een bloeiende diplomatieke carrière uit.

Meer weten?

Anckaer, Jan, ‘BLONDEEL VAN CUELEBROECK (Edouard)’, Biographical Dictionary of Overseas Belgians.

Bekele, Shiferaw, ‘Monarchical restoration and territorial expansion: the Ethiopian state in the second half of the nineteenth century’, Prunier, Gérard, en Éloi Ficquet (red.), Understanding contemporary Ethiopia. Londen, 2015.

Duchesne, Albert, A la recherche d’une colonie belge: le consul Blondeel en Abyssinie (1840-1842): contribution à l’histoire précoloniale de la Belgique. Brussel, 1953.

Gert Huskens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de ULB en UGent binnen het EOS-project “Pyramids and Progress. Belgian Expansionism and the making of Egyptology. 1830-1952”. Hij onderzoekt hierbij de rol van de Belgische diplomatie in totstandkoming van de Egyptologie in de periode 1830-1914.

Titelafbeelding: ‘Plantations de Musa Entete en Abyssinie’, Louis van Houtte red., Flore des serres et des jardins de l’Europe, XIV (1861), Gent, p. 67; ‘Édouard Blondeel Van Cuelebroeck (Gand, 14-12-1809 — Madrid, 18-9-1872)’, Cabinet des Estampes de la Bibliothèque Royale. (Lithographie de J. Schubert).

De man die een leugenmachine wilde

Op 29 december 1937 berichtte de Volksgazet dat op Times Square in New York in een klein kantoortje een politieagent zat die als taak had bezoekers alle mogelijke inlichtingen te geven. Onlangs, zo schreef de krant, kwam een klein mannetje met een bezorgd gezicht op die agent af en vroeg waar hij een ‘lie detector’ kon krijgen. Toen de politieman hem vroeg wat hij met die machine wilde uitspoken, vertrouwde het mannetje hem toe dat hij ‘een ontzettend jaloersche vrouw’ had, die meende dat hij een verhouding had met een ‘ultra-blonde vamp van Broadway’. Aangezien zijn onschuldbetuigingen ter zake niet mochten baten, wilde hij graag een leugendetector mee naar huis nemen om te bewijzen dat hij niets dan de waarheid sprak. ‘De agent zette een vreeselijk ernstig gezicht, bladerde in zijn boekje en vond ten slotte ook de firma, die dergelijke apparaten vervaardigt. Waarop het mannetje stralend van geluk er van door ging.’

Galvanometer, automatograaf, pneumograaf, sphygmograaf

In 1937 was de leugendetector nog een vrij jonge uitvinding. De eerste echte leugendetectors werden in de Verenigde Staten in gebruik genomen in de jaren 1920. Ze gebruikten wetenschappelijke instrumenten en technieken die in de late negentiende eeuw ontwikkeld waren. Toen gingen veel psychologen, psychiaters en criminologen er vanuit dat criminelen biologisch verschilden van ‘normale’ mensen. Ze ontwikkelden allerlei tests en toestellen die hen in staat moesten stellen om misdadigers te onderscheiden van onschuldigen. In Zwitserland combineerde Carl Jung bijvoorbeeld woordassociatietests met een ‘galvanometer’ die de elektrische activiteit van de huid en de hartslag mat om de ‘emotionele complexen’ bij criminelen vast te stellen. In de Verenigde Staten combineerde Hugo Münsterberg de galvanometer, automatograaf (bewegingen), pneumograaf (ademhaling) en sphygmograaf (polsslag) tot een machine die pathologische leugenaars kon ontmaskeren. Dat  kon ook voor de politie en de rechtbanken bijzonder nuttig zijn.

John Larson en August Vollmer testen hun leugendetector op een studente in 1922. Bron: Ken Alder.

In de jaren 1920 zorgden twee ontwikkelingen in de VS ervoor dat voor het eerst getracht werd een echte ‘leugendetector’ te bouwen. Ten eerste raakten zowel wetenschappers als politieagenten er steeds meer van overtuigd dat de criminele mens niet biologisch verschilde van de ‘gewone’ mens. Een aantal onder hen, zoals William Marston en John Larson, vatte daarom het plan op om de bestaande instrumenten niet langer te gebruiken om naar pathologische criminelen op zoek te gaan, maar wel om ‘normale’ mensen op leugens te betrappen. Ten tweede ondernamen politiehervormers rond dezelfde tijd verwoede pogingen om de kwalijke reputatie van de Amerikaanse politie te verbeteren. Ze wilden af van de zogenaamde ‘third degree’, de gewelddadige ondervragingstechnieken waar bepaalde politiekorpsen om bekend stonden. De leugendetector was een godsgeschenk: het wetenschappelijke toestel zou politieagenten in staat stellen om zonder enig geweld effectiever te verhoren dan ooit tevoren.

Eindelijk bewezen: the best a man can get

Ook Gilette maakte in 1937 gebruik van de reputatie van de leugendetector om de superieure kwaliteit van zijn mesjes in de verf te zetten. Bron: Antipolygraph.

Verschillende types leugendetectors kwamen al snel op de markt. Meestal waren het ‘polygrafen’ die verschillende instrumenten combineerden, bijvoorbeeld een galvanometer, een pneumograaf en een bloeddrukmeter. De ontwikkelaars, die vaak op de grens van de academische wereld, de politiepraktijk en het publieke debat actief waren, bejubelden de betrouwbaarheid van hun machines: tot wel 99% zekerheid of iemand loog of niet! De leugendetector werd vanaf de jaren 30 en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontzettend populair in de VS, bij de politie en daarbuiten – in de bedrijfswereld, in huwelijkstherapie, in reclames die moesten bewijzen dat Gillette echt wel de beste scheermesjes verkocht.

Buiten de VS werd het toestel echter slechts lauw onthaald. Het sprak – zoals het artikel in de Volkskrant toont – tot de verbeelding, maar werd niet als voldoende betrouwbaar beschouwd. De studies die ‘99%’ zekerheid beloofden, misten wetenschappelijke onderbouwing. Bovendien vonden velen het maar een verdacht toestel. Al in 1930 noemde de Gazet van Antwerpen het ‘een gevaarlijke proefneming’. Een leugen af en toe was noodzakelijk om goed te kunnen samenleven. Dat leken die puriteinse Amerikanen over het hoofd te zien.

Wetenschappelijk aura

In de nasleep van de zaak-Dutroux kwam in België echter verandering in die houding. De leugendetector had sinds de jaren 1920 nauwelijks technologische wijzigingen ondergaan. Toch moest het toestel met zijn wetenschappelijke aura in België net als in de VS tachtig jaar eerder het imago van politie en rechtbank opkrikken. Vanaf 1998 werd een polygraaf gebruikt in het beruchte onderzoek naar de Bende van Nijvel, vanaf 2000 werd het ook in andere zaken ingezet. Betrouwbaarder was het toestel tegen die tijd niet geworden – schattingen variëren tussen 60 en 90% correcte resultaten. Maar dat deed er niet zo toe. De kracht van de leugendetector ligt immers niet in zijn effectiviteit, maar in zijn reputatie. Al in 1946 wees Het Nieuws van de Dag erop dat ‘alleen de gedachte aan het feit dat zij met den leugenontdekker zullen behandeld worden, volstaat om sommige schuldige personen te doen bezwijken.’ De leugenmachine moet bekentenissen uitlokken, veeleer dan leugens detecteren.

Meer lezen.

Ken Alder, The Lie Detectors: The History of an American Obsession, New York: The Free Press, 2007.

Geoffrey C. Bunn, The Truth Machine: A Social History of the Lie Detector, Baltimore: Johns Hopkins University Press, 2012.

Elwin Hofman is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Als fellow van de Belgian American Educational Foundation doet hij momenteel aan New York University onderzoek naar psychologische ondervragingstechnieken in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: De polygraaf in werking, jaren 1970. (Bewerking van afbeelding FBI. Publiek domein).

Wat je altijd al hebt willen weten over overspelige katholieke dokters

Net zoals nu werd ook in het verleden overspel zelden op applaus onthaald, maar bepaalde lagen van de bevolking kregen het daarbij toch harder te verduren dan andere. In de eerste helft van de twintigste eeuw waren dokters vaandeldragers van de toenmalige burgerlijke normen en waarden. Zeker in de kolonie werden zij geacht hun patiënten niet alleen medisch te verzorgen, maar hen daarbij als het even kon ook op “moreel vlak te verheffen”. Een rimpelloos huwelijksleven hoorde hier uiteraard bij. Voor katholieke dokters, die veelal op een missiepost werkten, gold dit nog veel meer. Missionarissen verspreidden actief het geloof, maar ook deze artsen moesten in hun praktijk en levenswandel de inheemse bevolking overtuigen van de zegeningen van het katholicisme.

Een getrouwde missiedokter.

Strenge morele en religieuze eisen werden gesteld aan de artsen die op een missiepost in Congo werkten. Priesters en leraars uit hun omgeving werden gecontacteerd om te controleren dat de kandidaten niet gelogen hadden over hun overtuigingen en excellentie. Gretig werd zo een ideaalbeeld van de katholieke missiedokter gecultiveerd en verspreid in missionair propagandamateriaal zoals tijdschriften. Dit gold bijvoorbeeld voor een zekere dokter Callens, die in het begin van de jaren 30 een vijftal jaar actief was in de Belgische kolonie. Zijn oversten waren uitermate enthousiast over het werk van de arts en zijn vrouw in de kind- en zuigelingenzorg, hét medische domein bij uitstek om een katholiek familie-ideaal uit te dragen. Bij zijn terugkomst in het moederland in 1934 verkondigde de dokter zelf in een missietijdschrift dat “door katholiek te zijn, men automatisch door aanwezig te zijn de woorden en het onderricht van de missionarissen accentueert”.

Jammer genoeg voor de kerkelijke autoriteiten bleken schijnbaar brave katholieke zieltjes toch niet helemaal onvatbaar voor bepaalde verleidingen. Maar dokter Callens maakte het al snel na zijn terugkomst in België wel héél bont. Na enkele weken in zijn thuisland was de man alweer richting Biarritz vertrokken in het amoureuze gezelschap van nota bene zijn schoonzus, met het familiespaarpotje in zijn binnenzak. Dat mevrouw Callens ondertussen ernstig ziek was, pleitte ook niet bepaald in het voordeel van de voorheen nochtans voorbeeldige huisvader. “Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”, schreef Willem Elsschot ooit, maar daar dacht deze dokter toch duidelijk anders over. Het eindoordeel van zijn katholieke collega’s luidde dan ook onverholen dat de man “veranderd is in een schurk”. Hoewel dokter Callens eerder de uitzondering dan de regel was, bleek uit zijn levenswandel dat ook voor katholieke dokters de kloof tussen ideaal en werkelijkheid soms groot kon zijn.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.

Zes absolute must haves voor verveelde ‘landverraders’

Gastblog door Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts.

Verveling is een even banaal als herkenbaar spook. Of het je nu overkomt tijdens een dag met te veel regen en te weinig wifi, dan wel een door generatiekloven geteisterd communiefeest, iedereen is wel eens bang om in een plant te veranderen. Dat nagenoeg universele karakter van het lamlendige nietsdoen maakt het ook tot een boeiende, vaak onderschatte kracht in de geschiedenis. Neem nu bijvoorbeeld eind 1944, toen in België tussen de 55.000 en 70.000 verdachten van collaboratie werden opgesloten in gevangenissen en tijdelijke interneringscentra, zoals de gevangenis van Sint Gillis, het Klein Kasteeltje te Brussel en de interneringscentra van Lokeren en Sint-Kruis. In latere publicaties van collaborerende auteurs zoals Filip De Pillecyn werd de algemene stemming onder de geïnterneerden steevast voorgesteld als politieke rancune en verbittering aan het adres van een vijandelijke Belgische staat. Maar wat met dat veel alledaagser kwaad, genaamd verveling? “Gevangen zitten is de vervelendste stiel die er bestaat”, schreef een geïnterneerde aan zijn moeder.

Tekenen en portretschilderen was een populaire bezigheid in de interneringscentra, zoals mag blijken uit dit portret van een Nicolas Cage-lookalike. [ADVN, AC 422].

We mogen natuurlijk niet vergeten dat de meeste geïnterneerden zich niet zonder reden in hechtenis bevonden. Het gaat hier immers over zogeheten ‘landverraders’, verdachten van economische, politieke of culturele medewerking met de bezetter, die eerst moesten worden heropgevoed voor ze weer toegang kregen tot het maatschappelijke leven. Maar dat oeverloze verveling en monotonie niet bepaald de ideale voedingsbodem vormen voor een dergelijke herintegratie, besefte ook de overheid. Na verloop van tijd groeide de mogelijkheid om de uren binnen de kampuren te wijden aan iets nuttigs of iets leuks.

Hier volgt daarom een kleine handleiding voor de geïnterneerde, bestaande uit zes absolute must haves om de dagelijkse sleur van het kampleven door te komen: van sigaretten tot een patente advocaat.

  1. Sigaretten

In de eerste maanden zochten de geïnterneerden verstrooiing in de weinige activiteiten die op dat moment tot de mogelijkheden behoorden: kaarten, schaken, lezen en – last but not least – roken. Alles hielp in de strijd tegen de verveling, ook wanneer de longen erdoor werden aangetast en de kampleiding het ten strengste had verboden. Of zoals iemand later over zijn dagen in een interneringscentrum noteerde: “Gepakt worden bij het roken was een zware overtreding. Hiertegen zondigde iedereen de gehele dag. In ‘t begin was het een kat- en muisspel”.

  1. Werkgerief

Geleidelijk aan werden de geïnterneerden beter uitgerust in hun pogingen om het spook van de verveling te lijf te gaan. Uiteenlopende attributen kwamen tot hun beschikking te staan: penselen en tekenpotloden, maar ook timmergerief, gietvormen en zelfs soldeerbouten. Dankzij de oprichting van de Dienst voor Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij in november 1946 kon het culturele leven binnen de interneringscentra zich ten volle ontvouwen. Artistieke expressie en technische bedrijvigheid stimuleerden volgens het nieuwe interneringsbeleid immers de wederopvoeding van de geïnterneerden. Resultaat? Een outburst van soms verrassend vernuftige objecten, zoals een intrigerende lamp in de vorm van een waterpomp.

Een lamp vervaardigd in Merksplas rond 1950. Het opvallende aan de lamp is het waterpompmotief, waarbij de pomp fungeerde als de aan- en uitschakelaar. [ADVN, VVO 1109].
  1. Balvaardigheid

Clichés in de beeldvorming van collaboratie en repressie werden door het dagelijkse kampleven meestal tegengesproken. Maar andere stereotypen zagen zich er dan weer bevestigd: sluit honderden mannen op in een interneringscentrum en stel na verloop van tijd vast dat de zin van hun leven een vurig beleden sportcompetitie is geworden. Met de oprichting van de Welfare, de organisatie voor culturele bedrijvigheid in de interneringscentra, riepen de geïnterneerden zelf allerlei activiteiten in het leven om het vegeteren tegen te gaan: toneel, cabaret, zang en – niet het minst – sport. Dat de handbal- en volleybalcompetities op heel wat belangstelling konden rekenen, blijkt onder meer uit enkele bijzonder geestdriftige wedstrijdverslagen, zoals van deze handbalwedstrijd in het IC Merksplas: “Stan was flegmatisch zoals altijd, Nand stoer als een pantserwagen, den Djé bijtend als ‘n “peperbolleke”, […] zo zien we onze Pandoeren graag en we zijn zeker dat we met dit machtige zevental een kans hebben om de competitie te winnen.”

  1. Radiostem

Ook in de gevangenis van Sint-Gillis vond het nieuwe interneringsbeleid, gericht op herintegratie na de vrijlating, weerklank. Vanaf de lente van 1947 resoneerde tussen 11.00 en 21.00 uur zelfs een hoogst onverwacht geluid binnen de gevangenismuren: Radio Sint-Gillis, een initiatief van de gedetineerden zelf, wilde het monotone gevangenisleven opluisteren met muziek, sportkronieken, taal en literatuur, luisterspelen, educatieve en medische praatjes. De directie steunde het initiatief, al diende een van de gevangenen er wel over te waken dat de presentatoren zich niet voorbij de grenzen van het politiek wenselijke praatten.

B. Peleman vormde samen met O. Daem en F. De Pillecyn de kernredactie van Radio Sint-Gillis. Tekening van J. Vermeire, 1948. [ADVN, VB2696].
  1. Advocaat

405 493. Dat is het aantal gerechtelijke dossiers dat in de periode tussen 1944 en 1950 door de Belgische staat werd geopend tegen vormen van collaboratie met de Duitse bezetter. Het leven van de verdachten draaide volledig rond deze dossiers en een afspraak met de advocaat prijkte steeds bovenaan de agenda. Gedurende de interneringstijd wandelden dan ook geregeld dienaars van Vrouwe Justitia door de poorten van de gevangenis. Het valt allicht niet meer te achterhalen, maar het recordaantal van deze bewogen bezoekjes zou wel eens op naam kunnen staan van advocaat Frans Van der Elst. Zijn cliënten waren dan ook niet van de minste. Hendrik Elias bijvoorbeeld: voormalig leider van het VNV, een Vlaams-nationalistische politieke partij die een van de hoofdrolspelers was in de collaboratie.

  1. Good will

‘Al doende leert men’. Uiteindelijk vormen vooral arbeid en onderwijs de sleutel tot een succesvolle herintegratie in de maatschappij. Het was toch vanuit die optiek dat de Dienst Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij de geïnterneerden vanaf 1947 een goed gestoffeerd pakket cursussen en opleidingen aanbood, waaronder talen, handelswetenschappen, elektriciteit en automechanica. Menige gevangene zag zo’n nieuwe stiel wel zitten: niet alleen was er het vooruitzicht van werkzekerheid, het was ook de geknipte gelegenheid voor wie aan de staat wilde tonen dat hij bereid was om bij te dragen aan de maatschappij. Bij heel wat geïnterneerden ontstond de hoop om – met een vervroegde vrijlating – weer als een goede burger deel uit te maken van de samenleving. Ze ondergingen de intrigerende transformatie van ‘landverraders’ tot ‘vaderlanders’.

De interneringscentra en het overgeleverde erfgoed roepen dan ook vragen op die vandaag, gezien de recente debatten over de teruggekeerde IS-strijders, nog niet aan relevantie hebben ingeboet: wat is een effectief interneringsbeleid? Welke activiteiten bevorderen de wederopvoeding van de gevangenen? En zijn er manieren om de ongewenste idealen te verdrijven die door een mensenhoofd spoken?

Benieuwd naar sportverslagen, schilderijtjes, knutselwerken en ander erfgoed uit de interneringscentra?

De expo ‘Gemaakt achter prikkeldraad’ is te bezoeken van mei tot eind september in het ADVN | archief voor nationale bewegingen.

De lezing ‘Een lamp in een kamp? Nieuw licht op de interneringsperiode na WOII’ vindt plaats op 16 mei, om 19.30 uur in het ADVN. Inschrijven kan via publiekswerking@advn.be

Meer lezen.

Grevers, H., Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België: 1944-1950, Amsterdam, 2013.

ADVN-Mededelingen, 63, maart, 2019. [themanummer rond erfgoed uit interneringscentra][http://www.advn.eu/web/mededelingen/ADVN-Mededelingen-63.pdf]

Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts zijn gastbloggers. Aragorn behaalde een master in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen en werkt als onderzoeker aan het ADVN | archief voor nationale bewegingen. Hij publiceerde eerder al over de kritische verwerking van oorlog, collaboratie en repressie in de fictie van Hugo Claus. Kasper behaalde een doctoraat aan de University of Edinburgh, is verbonden aan het ADVN als onderzoeker, en verricht comparatief onderzoek naar nationalisme, nationale bewegingen, en historiografie.

Begraven in tijden van epidemieën

Gastblog door Oke Dorien Hendrickx.

In 1349 werden er veel sterfgevallen opgetekend. Een oorkonde van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male uit dat jaar vermeldt dat “een menichte van volke… dagehelicx van live ter doot commen”. Het tekstfragment is geschreven in de nasleep van het uitbreken van de eerste pestepidemie in Brugge. De pestepidemieën die de stad ook de volgende drie eeuwen bleven teisteren, zorgden voor de ontwrichting van eeuwenoude begrafenisgebruiken.

Religieuze begrafenissen in epidemieloze tijden

Giovanni Boccaccio, Livre appelé Decameron, autrement surnommé le Prince Galet (14de eeuw).

Als een zieke in de middeleeuwen op het punt stond om te sterven, werd hij of zij op zijn sterfbed omringd door familieleden, die gebeden voordroegen. Een priester diende de stervende het sacrament van de ziekenzalving toe en soms kwam er een dokter of notaris langs die de laatste wil noteerde. Na de dood werd de overledene meteen voorbereid op de begrafenis. Hierbij voerde men een toilet uit, een soort zuivering van het lichaam: het lichaam werd ontkleed en gewassen. Soms werd het lijk opnieuw gehuld in mooie kledij, waarna het werd gewikkeld in een lijkwade. Bij uitgestelde kerkelijke begrafenissen verwijderde men de ingewanden of balsemde men het lichaam, om het ontbindingsproces tijdelijk tegen te gaan.

Na deze begrafenisrituelen kwamen de overledenen terecht in een individueel graf in een kerk of op het kerkhof. Ze werden thuis in een kist of op een brancard gelegd en dan naar hun laatste rustplaats getransporteerd.

Miasmatheorie

Tijdens middeleeuwse epidemieën werd de praal van dergelijke religieuze begrafenisrituelen overbodig. De dood was een alomtegenwoordig gegeven geworden. Begravingen vonden dagelijks plaats en er heerste een voortdurend besmettingsgevaar.

De Augustinessen (of Cellezusters) in het Hôtel-Dieu hospitaal in Parijs (ca. 1482; onbekende miniatuur).

De maatregelen van stadsbesturen om dergelijke epidemieën te bestrijden, vloeiden voort uit een breed gedragen geloof in de miasmatheorie, die de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne samenleving in zijn greep hield. Deze leer stelt dat epidemieën zich verder verspreiden via ‘vervuilde’ lucht. Stank werd met andere woorden gezien als het uiterlijke kenmerk van onreine lucht. Miasma was toen al een oud begrip dat reeds opdook in het oude Griekenland. Hippocrates, de bekende Griekse arts, vormde naar verluidt de basis voor de gelijknamige leer. De theorie zou eeuwenlang, tot in de negentiende eeuw, overeind blijven.

Veranderde begrafenisrituelen

Door de miasmatheorie vond men het nodig om het begrafenisritueel grondig te veranderen tijdens pestepidemieën: het lichaam werd zo snel mogelijk uit de omgeving van gezonde mensen gehaald en zo weinig mogelijk aangeraakt, om besmetting te voorkomen. De gebruikelijke handelingen – het wassen en aankleden van het lichaam – werden grotendeels opzij geschoven, maar één element werd nooit overgeslagen: het wikkelen van het lichaam in een lijkwade. Tijdens epidemieën was de lijkwade namelijk belangrijk om het lichaam herkenbaar te maken tussen de andere overledenen in een massagraf. Ook kregen de meeste pestlijders nog een kerkelijke begrafenisdienst. Een hemels leven na de dood was ook voor hen natuurlijk nog steeds belangrijk.

Bij de pestuitbraken kwamen zogenaamde besorghers naar het huis van het slachtoffer om de uitvaart te verzorgen. De Cellezusters en Cellebroeders, lekencongregaties die focusten op ziekenzorg, waren bevoegd om deze taak uit te voeren. Pestlijken werden meestal ’s nachts getransporteerd naar het kerkhof, om zo weinig mogelijk gezonde mensen in contact te brengen met geïnfecteerden. Hierbij werden de lichamen in grote karren op elkaar gestapeld.

Michaël Wolgemut, The Dance of the Death (1493).

Naarmate de pest steden als Brugge vaker teisterde, kwam er een verbod op kerkelijke begrafenissen en raakten de kerkhoven overbelast. Nieuwe kerkhoven werden aangelegd buiten de stadsmuren, niet alleen om het grote aantal doden een plaats te kunnen geven, maar vooral om besmetting van de gezonde stadsbewoners zoveel mogelijk te vermijden. Mensen die aan een andere oorzaak dan de pest stierven, kregen wel nog een begraafplaats binnen de stadsmuren. Vanaf de zestiende eeuw ging men nog een stap verder. Men deed men afstand van individuele graven en legde gemeenschappelijke begraafputten aan, omdat het aantal pestdoden bleef toenemen.

En hoe verging het de Cellebroeders of –zusters? Na de uitvaart van de pestlijders bleven ze meestal nog een tijdje ter plaatse om een boedelinventaris op te stellen en om het huis grondig te verluchten, zodat alle ‘vuile’ lucht eruit verdween. Ze werden in de volksmond dan ook de pestdragers genoemd, niet enkel omdat ze de pestlijders naar hun laatste rustplaats droegen, maar ook omdat ze zelf veel risico liepen om drager van de ziekte te worden.

Meer lezen:

Boelaert, J.R., Zes eeuwen infectie in Brugge: 1200-1800, Leuven, 2012.

Balace, S. en De Poorter, A. (red.), Tussen hemel en hel: sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Brussel, 2010.

Oke Dorien Hendrickx is bachelorstudent geschiedenis. Ze schrijft in het academiejaar 2018-2019 een bachelorpaper over epidemieën in het middeleeuwse Brugge.