Seks verkopen in negentiende-eeuws Antwerpen

Gastblog door Pieter Vanhees.

Het zal u misschien verbazen, maar in het negentiende-eeuwse België waren regels voor vrouwen in prostitutie duidelijker dan vandaag. Bijna elke stad en grote gemeente vaardigde een gedetailleerd prostitutiereglement uit. Vrouwen die leefden en werkten op de Antwerpse Rietdijk, een befaamd Red light district, konden hierover meespreken. Toch namen veel vrouwen het niet zo nauw met de regeltjes: ze zochten de grenzen ervan op in hun streven naar betere werk- en leefomstandigheden.  

Eerste stappen ‘op den trottoir’

De bordelen op de Haringvliet en op de Burchtgracht vormden de ruggengraat van de getolereerde prostitutie (© Felixarchief, 12#4202).

Het prostitutiereglement dat het Antwerpse stadsbestuur in 1852 uitvaardigde was een verregaande poging om de activiteiten en het leven van de voornaamste spelers in de sekssector te omkaderen. Het reglement stond prostitutie slechts toe binnen welbepaalde ruimtes. Huismeiskens woonden en werkten in door het stadsbestuur erkende publieke huizen. Zowel het eerste contact tussen vrouw en klant als de seksuele activiteiten en de betaling gebeurden er onder toezicht van een alwetende maîtresse de maison.

Afgezonderde meiskens, daarentegen, werkten op zelfstandige basis, maar ook zij werden geweerd uit de publieke ruimte. Ze konden klanten ontvangen in hun eigen woning, maar vaker gebeurde dit in erkende koppel- of rendez-voushuizen. Hier konden kamers worden gehuurd voor korte tijd of voor een hele nacht. In de praktijk hadden Afgezonderde meiskens echter geen andere keuze dan de straat op te gaan op zoek naar klanten. Het stadsreglement liet nochtans weinig ruimte voor tippelen. Artikel 28 verbood onder andere: het dragen van onzedige kleeding op straat, zichtbare verleidingspogingen aan de deur of in het raam van een woning, individueel of in groep drentelen en het aanspreken van mannen. In realiteit bleven deze verbodsbepalingen vaak dode letter. Niet alleen hielden prostituees er weinig rekening mee, de politie trad ook pas streng op wanneer hun gedrag aanleiding gaf tot buurtprotest.

Verhuizen, schrappen of ontsnappen?

Matrozen die aanmeerden ontvingen dit visitekaartje. Voor hen was het duidelijk dat er hier meer mogelijk was dan het verorberen van een hapje en een drankje (© Felixarchief, 731#383).

Vrouwen die volgens de regels seks binnenskamers wilden verkopen, konden niet anders dan zich laten registreren als publieke vrouwen. Bij inschrijving moesten ze hun identiteitspapieren (‘reispassen, geboortebrieven en andere stukken den burgerlyken stand der opgeschrevene vrouwen aenduidende’) achterlaten in het centrale politiebureau. Ook moesten ze hun verzoek zelf indienen om te vermijden dat ze tegen hun wil, bijvoorbeeld door een bordeelhoudster, werden ingeschreven. Vrouwen in prostitutie ervoeren zo’n registratie echter als vervelend. Tot ongenoegen van de zedenpolitie verkozen ze vaak illegale prostitutiehuizen, van waaruit ze zonder inschrijving konden werken, boven de erkende publieke huizen.

De documenten terugkrijgen en uit het register geschrapt worden, kon slechts op twee manieren. Ten eerste door toestemming aan de burgemeester te vragen om een punt te zetten achter een loopbaan als prostituee. Vaak werd een dergelijk verzoek ingediend door een vrouw die beweerde te willen stoppen met prostitutie, maar het kon evengoed van de hand van een familielid of partner zijn. In 1868 voerde de 36-jarige Catharina aan dat zij in het publieke huis, waar zij 13 jaar woonde, de laatste vier jaar enkel nog huishoudelijk werk deed. Nu vond ze het tijd om te trouwen en te gaan samenwonen met haar aanstaande, maar tegelijkertijd wilde ze aan de slag blijven als werkvrouw in publieke huizen. De politiecommissaris, die haar dossier behandelde, raadde de burgemeester aan in te gaan op haar verzoek. Dit betekende het einde van Catharina’s officiële carrière als prostituee.

In principe konden vrouwen ook uit het register verdwijnen door de stad te verlaten. Elders een nieuw leven beginnen werd hen echter niet gemakkelijk gemaakt. Ze kregen dan misschien wel hun identiteitspapieren terug, maar moesten ook een attest van domiciliewijziging meenemen. Dit document, waarop hun vorige beroep vermeld stond, moest worden afgegeven aan de politie van de nieuwe woonplaats. Het stigma van prostitutie verhuisde met andere woorden mee. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke verhuizende prostituee ‘den trottoir’ achter zich wilde laten. Veel sekswerkers in deze periode waren echte migratiepioniers, steeds op zoek naar nieuwe en betere carrièremogelijkheden binnen de sekssector.

Bij de dokter

Een nog belangrijkere reden om het officiële circuit te omzeilen, was het onontkoombare doktersbezoek. Antwerpse prostituees moesten zich om de 6 dagen melden bij een arts voor een gynaecologisch onderzoek. Vele vrouwen vonden deze controle bijzonder onaangenaam. Zij moesten zich blootstellen aan het oog van stedelijke artsen die met een speculum speurden naar sporen van geslachtsziektes zoals syfilis en gonorroe. Dit gebeurde aan de lopende band: dokters besteedden hoogstens enkele minuten aan elk onderzoek.

Het huidige Schipperskwartier, waar bepaalde vormen van prostitutie worden toegestaan, bevindt zich niet ver van de negentiende-eeuwse Rietdijk (© Pieter Vanhees).

Ook waren er financiële redenen om zulke doktersbezoeken te mijden. Niet alleen was het visiet betalend, ook liepen prostituees beroepsinkomsten mis. Ze werden namelijk gedwongen opgenomen in het Sint-Elisabeth gasthuis bij vaststelling van een ziekte, en mochten pas terug aan het werk als ze genezen verklaard waren. Dat overkwam bijvoorbeeld de 19-jarige serveuse Marie. Zij werd samen met haar bazin in de achterplaats van een café aangetroffen terwijl ze zich dronken liet voeren. Vervolgens werd ze aangehouden en opgesloten in de stadsgevangenis. Bij medisch onderzoek bleek ze ‘licht aangetast door syfilis’ waarna ze naar het ziekenhuis werd overgebracht.

Zulke verplichte ziekenhuisverblijven die lang konden duren, waren geen reclame voor het gereglementeerde sekscircuit. Het is moeilijk om een goede schatting te geven van het aantal vrouwen dat voor de officieuze sector koos, maar waarschijnlijk ging het om een veelvoud van het aantal dat in erkende huizen actief was.

Pieter Vanhees is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de sociale geschiedenis van prostitutie in de negentiende en twintigste eeuw.

Titelafbeelding: Het Antwerpse Prostitutiereglement van 1852 (© Felixarchief, 731#365).

Een priester, een mes en een zwangere vrouw

Wat als een zwangere vrouw sterft voor haar baby is geboren? Zo’n scenario, waar we vandaag liever niet aan denken, was in de negentiende eeuw een reële angst. De postmortale keizersnede vormde voor artsen een laatste reddingsboei om een levensvatbaar kind uit de schoot van een overleden vrouw te bevrijden. Maar ook priesters en andere katholieken hadden zo hun redenen om het mes in eigen handen te nemen. Elke ongedoopte dode foetus betekende immers een verloren ziel.

Leve de foetus

Foetus in de baarmoeder (Wellcome Collection. CC BY).

De keizersnede bij een pas overleden vrouw was in het negentiende-eeuwse België een vrij uitzonderlijke noodoperatie. Meestal gingen artsen over tot de ingreep nadat een vrouw voor het einde van de bevalling haar laatste adem had uitgeblazen. Toch koesterden maar weinig dokters illusies over het succes van postmortale ingrepen. Als het kind de operatie al overleefde, dan stierf het meestal enkele ogenblikken later. Van de achttien gedocumenteerde postmortale keizersneden die tussen 1845 en 1889 in de Brusselse ziekenhuizen werden uitgevoerd, is er bijvoorbeeld slechts één succesvolle keizersnede gerapporteerd.

Vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk betreurden echter dat zulke keizersneden enkel in een vergevorderd stadium van de zwangerschap plaatsvonden. De Belgische aartsbisschop Engelbert Sterckx maakte zijn bezorgdheid duidelijk aan de bestuurders van de Brusselse ziekenhuizen. In een brief uitte hij zijn ongenoegen over de vele zieltjes die dreigden verloren te gaan: “Artsen en chirurgen weigeren een operatie uit te voeren als het kind niet levensvatbaar is of als het de termijn van 7 maanden niet heeft bereikt. Dit is een ernstig misbruik dat veel pijn heeft veroorzaakt, gezien het grote aantal kinderen dat niet werd gedoopt en daarom van de hemelse gelukzaligheid is beroofd.” Zijn pleidooi vond maar weinig gehoor bij het bestuur van de ziekenhuizen dat te kennen gaf dat alle keizersneden naar behoren waren gebeurd. Bovendien, zo kreeg de aartsbisschop te horen, waren ziekenhuizen geen religieuze instellingen maar plaatsen waar gezondheidszorg centraal stond.

Religieuze plichten

Een zeldzame visuele getuigenis van een postmortale keizersnede uit 1730, met links de overleden vrouw op een draagbaar, een dokter die de baby presenteert en rechts op de tafel het doopwater (Bayerisches Nationalmuseum, München).

Het pleidooi van de aartsbisschop voor het zielenheil van ongeboren leven is maar een voorbeeld van een bredere katholieke promotiecampagne die vanaf de achttiende eeuw werd gevoerd. Via dooprichtlijnen benadrukten priesters en theologen de noodzaak van de doop bij alle ongeboren kinderen die in levensgevaar verkeerden, zelfs al ging het om een voor het blote oog onzichtbare embryo. Die plicht om ieder levend wezen te ‘nooddopen’ kwam in de eerste plaats toe aan de ervaringsdeskundigen bij bevallingen: dokters en vroedvrouwen. Belgische kerkelijke richtlijnen uit 1851 gaven hen instructies mee over de verschillende manieren waarop ze de doop konden toedienen tijdens zwangerschappen en geboortes. Maar daar bleef het niet bij. Volgens diezelfde richtlijnen eiste de Katholieke Kerk een daad van katholieke naastenliefde van iedereen die zich in de buurt van een stervende zwangere vrouw bevond. Als er geen arts te bespeuren was, werden priesters en andere katholieken met andere woorden geacht om na haar overlijden zelf in actie te komen.

Enkelingen voegden ook effectief de daad bij het woord. Een aantal controversiële incidenten op het Belgische platteland haalden de Belgische kranten, zoals een voorval in Aartrijke in 1867. Een plaatselijke vroedvrouw, mevrouw Vandenbussche, werd er door een even plaatselijke priester overgehaald om met een zakmes een dubbele snede te maken in de buik van een overleden zwangere vrouw. Zonder de foetus eruit te halen, had de priester wat doopwater gegoten over de foetus, waarna de vroedvrouw meteen overging tot het hechten van de buik. De foetus werd geschat op een viertal maanden.

Voor de rechtbank, of toch niet

Diagram met verschillende mogelijke keizersneden (Wellcome Collection. CC BY).

Het incident in Aartrijke bracht een groot publiek debat op gang over de noodzaak van een wet om lijken te beschermen en de veiligheid van schijnbaar dode personen te garanderen. Want wat als een diepgelovige katholiek zonder een doodsverklaring het mes in een vrouw zette die dood leek, maar in feite nog leefde? Verschillende opeenvolgende rechtszaken maakten duidelijk dat er geen enkele Belgische wet bestond die wie dan ook ervan moest weerhouden om onbegraven lichamen open te snijden. Deze controversiële vaststelling was het startpunt van vurige publieke discussies tussen liberale antiklerikale voorstanders van zo’n wet en katholieke tegenstanders. Omstreeks 1870 werd er in het Belgische parlement effectief een wetsvoorstel ingediend, maar tot een wet is het uiteindelijk nooit gekomen.

Ook in de decennia na het parlementair debat bleef de bekommernis om de ziel van de foetus voor katholieken een dringende reden om postmortale keizersneden te doen. Kranten brachten enkele incidenten aan het licht waarbij priesters zelf keizersneden op gestorven vrouwen hadden uitgevoerd. Wanneer de laatste postmortale keizersnede door een onervaren katholiek in België plaatsgreep, is moeilijk in te schatten. In elk geval gaf de Heilige Stoel, het centrale bestuursorgaan van de Katholieke Kerk in Rome, in 1899 een officieel antwoord op de vraag of geestelijken zelf een keizersnede moesten uitvoeren bij overleden vrouwen. De nieuwe richtlijnen benadrukten nogmaals het belang van christelijke naastenliefde om foetussen uit de buik van de vrouw te halen. Van priesters werd verwacht dat zij hemel en aarde zouden bewegen om plaatselijke artsen zover te krijgen om een keizersnede te doen. Maar, zo stelde de Heilige Stoel, het was niet aan hen om zich te bemoeien met de eigenlijke operatie, laat staan deze zelf uit te voeren.

Meer lezen.

Gijbels, J. (2019). “Medical Compromise and Its Limits: Religious Concerns and the Postmortem Caesarean Section in Nineteenth-Century Belgium”. Bulletin of the History of Medicine, 93 (3), 305-334.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van verloskundigen en gynaecologen in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Plate 78, Surgical technique for caesarean section. Credit: Wellcome Collection. CC BY.

Roze

Wie aan de Belgische kust voor een kleuter strandsandaaltjes wil kopen, heeft de keuze tussen roze en lichtblauw. Geen ouder die twijfelt: als het kind een meisje is, wordt het roze, als het een jongetje is blauw. Die vanzelfsprekendheid en de alomtegenwoordigheid van deze kleuren in de kleding en het speelgoed van jonge kinderen, kunnen doen vergeten dat de toepassing van deze genderkleuren een vrij recent gebruik is en pas in het midden van de twintigste eeuw helemaal is ingeburgerd.

Genderneutrale baby’s

De tweejarige Amerikaanse president Franklin Roosevelt in 1884 met genderneutrale kledij.

Tot de achttiende eeuw (en soms ook nog later) werden pasgeborenen stevig in doeken gewikkeld, die hen vooral onbeweeglijk moesten houden. Vanaf het einde van de achttiende eeuw werd deze maillot vervangen door het babykleed. Dit was een vrouwelijk kledingstuk (de kleine versie van een vrouwenjurk) en de kleur was wit. Dat was mogelijk gemaakt door de productie en veralgemening van goedkoper katoen en het bleken van textiel. Wit was een symbool van zuiverheid en onschuld, maar wellicht belangrijker waren praktische overwegingen: wit liet immers het frequent wassen met kokend water toe. Kleur was niet afwezig: de kleedjes konden worden voorzien van gekleurde linten en andere versierselen. Roze en (licht)blauw kwamen daarbij vaak voor, maar er zijn geen aanwijzingen dat deze kleuren werden gebruikt om jongens en meisjes te onderscheiden. Het zoontje van de Franse keizer Napoleon III werd bij zijn geboorte in 1856 gekleed in wit en blauw. Dat blauw verwees niet naar het feit dat het een jongetje was, maar naar de bescherming van de Maagd Maria.

Kleurverwarring

Rond 1900 deed er zich een kentering voor naar meer genderspecificiteit. Steeds meer werd al van bij de geboorte en in de kleding van jonge kinderen het onderscheid tussen jongens en meisjes (zichtbaar) gemaakt. De ‘binaire’ toepassing van roze en blauw werd daarvan een opvallend element. Dat de keuze van deze kleuren wezenlijk arbitrair was, blijkt uit het feit dat de toepassing lange tijd inconsistent bleef. In het Interbellum, zelfs binnen één stad als New York, werd de gendercode inconsequent toegepast. Zo werd bijvoorbeeld in 1927 in het grootwarenhuis Macy’s (in Manhattan) blauw aangeprezen voor jongetjes en roze voor meisjes, terwijl Best’s (ook in Manhattan) roze voorstelde voor jongetjes en blauw voor meisjes. Een klantenonderzoek van Lord & Taylor, ook in New York, bracht aan het licht dat driekwart van het publiek meende dat roze de meisjeskleur was en blauw de jongenskleur, terwijl de rest dacht dat het net omgekeerd was.

Een roze zijden overhemd voor jongens omstreeks 1890.

Dat de inconsistente toepassing van de genderkleuren lang aanhield, kan onder meer worden toegeschreven aan het feit dat met name voor baby’s en kleine kinderen, langer en meer dan voor oudere kinderen en volwassenen, kleren thuis door de moeders zelf werden gemaakt. Daardoor bleef de impact van de industrie en de retail-sector eerder beperkt. De industrie promootte het gebruik van de gegenderde kle(u)ren: als jongens en meisjes verschillende kleren droegen, kon er immers minder worden ‘afgedragen’ en dus meer worden verkocht.

Roze als meisjeskleur

Uiteindelijk was deze publiciteit succesvol en rond het midden van de twintigste eeuw lijken de kinderkleuren in de Verenigde Staten en West-Europa min of meer vast te liggen. Het uitgesproken ‘meisjesachtig’ karakter van roze en de associatie met traditionele vrouwelijkheid zorgden er echter al snel voor dat roze in de jaren zestig en zeventig als problematisch werd ervaren en zelfs in onbruik raakte. De culturele ‘opstand’ van de jaren zestig verzette zich tegen autoriteit en conformisme, en vocht de gangbare regels op seksueel vlak en de traditionele genderrollen aan. Feministische moeders weigerden hun dochters als stereotiepe meisjesachtige meisjes op te voeden en veel babyboomers opteerden voor ‘uniseks’ kinderkleding. Rond het midden van de jaren tachtig kwam er een einde aan dit unisekstijdperk en won gegenderde kinderkleding opnieuw terrein. Jongenskleren werden weer jongensachtiger, meisjeskleren meisjesachtiger. En het roze maakte zijn rentree.

Barbie, een pop die sinds 1959 gemaakt wordt door de Amerikaanse speelgoedfabrikant Mattel.

Eén van de mogelijke verklaringen voor de terugkeer van de genderkleuren is de ontwikkeling en verspreiding van prenatale tests, die het mogelijk maakten reeds voor de geboorte het geslacht van de baby te kennen. Veel ouders begonnen in het tweede trimester van de zwangerschap met babykleding te kopen. Als zij op dat moment het geslacht nog niet kenden, waren die kleedjes onvermijdelijk  genderneutraal, “neutral by necessity”. Als ouders wel het geslacht van de baby kenden, waren zij juist wel geneigd daar bij hun aankopen al rekening mee te houden. Een andere factor is wellicht dat (kleine) meisjes, mondiger en met meer overtuigingskracht dan voorheen, hun voorkeur als consumenten manifesteerden, en daarin ook werden gevolgd. Hun voorkeur en smaak was daarbij beïnvloed door de “pinkification of girl culture”, die zich vanaf de jaren zeventig heeft voltrokken, en waarvan Barbie het bekendste icoon is geworden. De pop dateert al van 1959, maar kreeg op het einde van de jaren zeventig en in de jaren tachtig een hele garderobe in de felroze kleur die sindsdien ‘Barbieroze’ wordt genoemd. De voorbije decennia is roze de meest dominante kleur geworden voor kleding, attributen en speelgoed voor kleine meisjes (tot pakweg zes jaar). Een “blueification” van de jongenscultuur heeft zich daarentegen niet voorgedaan. Blauw werd een code om in de speelgoedwinkels de rekken met het speelgoed voor (kleine) jongens aan te duiden, maar niet veel meer dan dat.

Meer lezen.

Scarlette Beauvalet-Boutouyrie en Emmanuelle Berthiaud, Le rose et le bleu: la fabrique du féminin et du masculin. Parijs, 2016.

Elizabeth Fischer, ‘Robe et culottes courtes: l’habit fait-il-le sexe?’, in Anne Daflon Novelle (ed.), Filles-garçons. Socialisation differenciée?, Grenoble, 2006, 241-266.

Jo B. Paoletti, Pink and blue. Telling the boys from the girls in America, Bloomington en Indianapolis, 2012. Valerie Steele (ed.), Pink. The history of a punk, pretty, powerful color, New York, 2018.

Tom Verschaffel is hoofd van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Vier redenen om ondanks alles van Leuven en zijn universiteit te houden

In de loop van het interbellum kwamen zo’n 200 Amerikaanse onderzoekers voor een of twee jaar naar België met een beurs van de Commission for Relief in Belgium Educational Foundation (de stichting die sinds 1938 Belgian American Educational Foundation of BAEF heet). Zij waren veel minder talrijk dan de Belgen die met hetzelfde beurzenprogramma naar de Verenigde Staten trokken. Dat was ook niet zo vreemd. Zeker in de eerste jaren na de oorlog lag de Belgische onderzoeksinfrastructuur er behoorlijk belabberd bij. Ook daarna bleef het moeilijk concurreren met de grote labo’s en bibliotheken van prestigieuze Amerikaanse universiteiten aan de Oost- of Westkust.

Als bestemming bleek Leuven met zijn 37 Amerikaanse fellows populairder dan de rijksuniversiteiten van Gent en Luik, maar heel wat minder populair dan de Brusselse universiteit, die bijna dubbel zo veel Amerikanen verwelkomde. Het katholieke karakter van de Leuvense universiteit schrok wellicht niet-katholieke kandidaten af. Het extreem strenge regime voor meisjesstudenten was ook niet meteen reclame voor Leuven. Toch blikte het overgrote deel van de Amerikaanse fellows tevreden terug op het Leuvense onderzoeksverblijf. Wat waren redenen om van Leuven te houden?

  1. Het Kankerinstituut

Groot wetenschappelijk enthousiasme was er over het gloednieuwe, in 1929 opgerichte kankerinstituut. In dit monumentale gebouw, het eerste van wat de Sint-Rafaël site zou worden, wist men met een combinatie van therapie en onderzoek een sterke internationale reputatie uit te bouwen. Het instituut maakte van radiotherapie zijn speerpunt. Met ‘Belgisch’ radium dat zijn oorsprong in Congolees uranium had, werden moeilijk bestraalbare of opereerbare tumoren behandeld. In de kelders van het instituut participeerden de buitenlandse gasten in experimenteel onderzoek naar, bijvoorbeeld, de groei van tumoren bij muizen en ratten. De universiteit mocht trots zijn op dit centrum, zo concludeerde een arts uit Boston na enkele Leuvense maanden: het behoorde tot de beste van Europa.

Bibliotheek van het Carnoy-Instituut in het Villerscollege.
  1. De maître-prêtre

Ook zonder monumentaal gebouw konden Leuvense laboratoria Amerikaanse onderzoekers enthousiasmeren. De figuur van de instituutsdirecteur – de maître – speelde een belangrijke rol bij dergelijke positieve appreciaties. Dat bleek bijvoorbeeld uit de liefdevolle beschrijvingen van de bioloog en priester Georges Grégoire, de directeur van het naar zijn eerste bezieler vernoemde Carnoy-instituut. Het instituut zelf, zo rapporteerde de Amerikaan Thomas Weier in 1929, was bij een eerste aanblik een teleurstelling: klein en nauwelijks uitgerust, met een bibliotheek in een oude kapel waar tijdschriftreeksen in 1914 definitief tot stilstand leken te zijn gekomen. Maar dat was buiten de dagelijkse verschijning van kanunnik Grégoire gerekend, in lang zwart priesterkleed: “Zijn leiding en persoonlijkheid … doen ons begrijpen hoe en waarom de reputatie van dit laboratorium zich wijd en zijd heeft verspreid.” Grégoires liefde voor de wetenschap, zo vervolgde Weier, had hem bevrijd van alle kleine dogma’s die het overgrote deel van de mensheid zo bekrompen maken. Belezen, ruimdenkend, stimulerend en altijd bereid om zijn binnen- en buitenlandse studenten te helpen, zo had ook onderzoekster Lenette Rogers Grégoire al eerder beschreven. Zij had het labo overigens, anders dan Weier, ‘uitstekend uitgerust’ genoemd, en wél recente tijdschriftnummers aangetroffen.

  1. De meisjespeda

Na de negatieve berichten over het strenge Leuvense regime voor meisjesstudenten die hun peda zelfs niet zonder begeleiding mochten verlaten om een gebakje in een nabijgelegen patisserie te eten, had Rogers beslist om een kamer te huren bij een Brusselse familie. Ze was tevreden over haar beslissing – “voor een vrouw zou het leven in Leuven erg saai zijn, en zelfs af te raden in het geval ze alleen is.” Toch had het leven in een meisjespeda voor anderen juist charme. In Brussel, Luik en Gent moesten vrouwelijke studenten op zoek naar een pension of een gezin waar ze konden logeren, en meer dan eens gebeurde het dat het gastgezin hen als gezelschapsdame of potentiële schoondochter, veeleer dan als onafhankelijke vrouw behandelde. De sociologe Ruth Reed blikte in 1931 tevreden terug op haar tijd in een Leuvense meisjespeda. Voor een Amerikaanse vrouw kwamen de vele regels inderdaad bekrompen over, maar het contact onder vrouwelijke doctorandi en assistenten was intellectueel stimulerend en warm geweest, en de gezamenlijke weekenduitstappen doorheen België talrijk. De eenzaamheid waarvan veel vrouwelijke fellows in België last hadden, kreeg er geen kans.

Vrijdagmarkt op de Volksplaats, vandaag bekend onder de naam Ladeuzeplein.
  1. Klompen op de markt

Het gebrek aan modern wooncomfort in België viel bijna alle Amerikaanse fellows op. Voor velen was het wennen aan een leven zonder stromend water. Dat je in Leuven naar een naburig hotel moest om een bad te kunnen nemen, versterkte het idee in een andere, oude wereld terecht te zijn gekomen. Weier viel het op dat het ‘dankzij’ de Duitse verwoestingen was dat sommige Leuvense stadsdelen over elektriciteit en centrale verwarming beschikten. Zijn collega Eugene Glover vergeleek de stad met zijn schaarse auto’s en zijn overvloed aan fietsen met het Amerika van twintig jaar voorheen. Maar precies die eenvoud leken sommige Amerikaanse fellows ook te waarderen. Belgen leefden sober. Ze leken het fenomeen van kopen op krediet bijvoorbeeld niet te kennen. En Leuven mocht dan een wat saaie provinciestad zijn die je liefst af en toe voor Brussel inruilde, je kon er ook oprecht van gaan houden. Zo geraakte Weier gefascineerd door “het tentenstadje dat één keer per week op de Place du Peuple opduikt voor de marktdag met zijn bont, klompen en boerenjurken.” Een fascinerend spektakel, zo besloot hij.

Meer lezen.

Over het kankerinstituut: Joris Vandendriessche, Zorg en wetenschap. Een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen in de twintigste eeuw, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2019.

Over het Carnoy-instituut: Geert Vanpaemel, Mark Derez, Jo Tollebeek (red.), Album van een wetenschappelijke wereld. De Leuvense universiteit omstreeks 1900, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2012.

Over het beurzenprogramma: Pieter Huistra en Kaat Wils, ‘Fit to Travel. The Exchange Programme of the Belgian American Educational Foundation: An Institutional Perspective on Scientific Persona Formation (1920-1940),’ Low Countries Historical Review), 131: 4 (2016), 112-134.

Kaat wils is gewoon hoogleraar aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Samen met Liesbet Nys en Kenneth Bertrams is zij auteur van het boek A Century of Transatlantic Scientific Exchange. The Belgian American Educational Foundation, 1920-2020 dat in 2020 zal verschijnen.

Een gids voor assertief mailverkeer

Bisschop Fulbert (rechts) in zijn kathedraal (Chartres, Bibliothèque municipale, nouv. acq. 004, fol. 34 recto).

Gastblog door Wannes Verstrepen.

Assertief optreden is vaak niet vanzelfsprekend. Uit angst om de ander teleur te stellen, neem je soms misschien een passieve houding aan en zeg je met tegenzin toe op allerlei verzoeken. Uiteraard wil je dat vermijden. Maar hoe maak je op een gepaste manier duidelijk dat iets ingaat tegen je eigen belangen? En hoe treed je assertief op als je iemand wil vragen om een gunst? Deze blogtekst leert je hoe jij assertiever kan optreden in je mails. De ervaringsdeskundige van dienst is bisschop Fulbert van Chartres uit de elfde eeuw.

  1. Een tegenstelling als opener

Een van de moeilijkste zaken bij problemen aankaarten in mails is het aansnijden en benoemen van het probleem. Doe je het omfloerst of val je met de deur in huis? Volgens Fulbert is hier maar één goede mogelijkheid. Hij opende steevast zijn brieven met een duidelijke tegenstelling tussen zijn verwachtingen en datgene wat volgens hem werkelijk gebeurde. De geadresseerde wist direct hoe laat het was: “Ik zeg dat je van het rechte pad afraakt. Je zou immers God moeten vrezen, de heiligen moeten eren en de Kerk moeten verdedigen, en niet God met minachting behandelen, schande brengen over de heiligen en ervandoor gaan met de bezittingen van de Kerk.”

De bestraffing van Korach (Charles Foster, The Story of the Bible, Hartford, 1873).
  1. Een waarschuwing

Nadat je de oorzaak van je ongenoegen aangekaart hebt, wil je natuurlijk dat de persoon in kwestie hier iets aan verandert. Fulbert spoorde mensen het liefst aan tot actie door hen te waarschuwen voor de mogelijke negatieve gevolgen van hun gedrag. Dé ideale manier om dit bereiken was om krachtige beelden uit bekende verhalen te gebruiken. Zo zinspeelde Fulbert bijvoorbeeld meermaals op het Bijbelse verhaal van Korach (Numeri 16-18) om ongehoorzame geestelijken tot de orde te roepen. Korach was een Leviet die ontevreden was met zijn ondergeschikte rol en tegen Moses in opstand kwam. De straf van God voor deze ongehoorzaamheid was niet min. Hij liet de aarde opensplijten waardoor Korach en zijn medestanders opgeslokt werden en zo rechtstreeks in de hel belandden.

  1. Een scherpe afsluiter

Een andere moeilijkheid is de afsluiter van je mail: sla je een verzoenende toon aan of niet? Fulbert vond de afsluiter de plaats bij uitstek om nogmaals zijn ongenoegen te laten blijken en met een lichte speldenprik opnieuw te waarschuwen voor negatieve gevolgen. Zo sloot hij een brief aan de paus op de volgende manier af: “Vaarwel, goede herder, en waak over ons zodat de kudde van de Heer geen kwaad ondervindt omdat jij haar verwaarloosde.” Maar verzoening heeft ook zijn nut. Op het einde van je mail kan je voorstellen om samen te komen voor een ‘constructief’ gesprek: “Maar ik onderdruk de golven van mijn gedachten, hoe woest ze ook zijn, totdat ik je in levenden lijve kan kastijden met weloverwogen uitbranders en kwellingen. Tot dan, vaarwel.”

Kathedraal van Chartres.
  1. De trappen van ellende

Als je je ongenoegen op een heldere manier kan overbrengen, dan sta je al ver. Maar nog moeilijker is het vragen van een gunst, waarbij je vooral de kansen op afwijzing wil beperken. Hier komen de trappen van ellende van pas. De bedoeling is om in je uiteenzetting te vertrekken vanuit een miserabele beginsituatie en dan trapje per trapje meer ellende toe te voegen zodat men niet anders kan dan ja zeggen. Fulbert paste deze techniek meesterlijk toe na de brand van de kathedraal van Chartres in 1020 om de Franse koning om schenkingen voor de heropbouw te vragen. Vertrekkende vanuit een slechte gezondheid en eindigend met de brand van de kathedraal bouwde hij stap voor stap een ellendige getuigenis op:

“Ooit vond ik het erg genoeg om belast te zijn met een slechte gezondheid. Dan vond ik het nog moeilijker om te verdragen dat ik gedwongen werd door de slechte gewoonten van mijn voorgangers om zoveel middelen van de Kerk te gebruiken om onnodige dienaren te ondersteunen dat ik niet meer in staat was om mijn plichten van gastvrijheid en liefdadigheid naar behoren te vervullen. Nu worden zelfs deze middelen, hoe weinig ook, geplunderd door vijanden aan de ene en de andere kant. Bij al deze problemen komt dan nog eens de brand van onze kerk; en aangezien ik niet de middelen heb om ze herop te bouwen zoals ik zou moeten, weiger ik iets te spenderen aan mezelf, zelfs niet voor het hoogstnoodzakelijke.”

De koning bleef niet onaangedaan bij Fulberts schrijnende pleidooi en hij schonk dan ook een genereus bedrag voor de heropbouw van de kathedraal. Fulberts unieke brievencollectie toont zo met andere woorden aan dat assertiviteit, althans voor Fulbert, succesvol was bij het beschermen van zijn eigen belangen en die van de Kerk.  

Disclaimer: de auteur van deze blogtekst kan niet aansprakelijk gesteld worden voor mogelijke (negatieve) gevolgen van het toepassen van de tips uit deze gids.

Meer lezen.

Fulbertus <Carnotensis>, The letters and poems of Fulbert of Chartres (Oxford Medieval Texts), Frederick Behrends (red.), Oxford, 1976.

Verstrepen, Wannes. “‘Suppressor of Plunderers and Robbers’. The Actions and Views of Bishop Fulbert of Chartres concerning Church Property (1006-1028)”. Revue d’histoire ecclésiastique 112 (2017): 619–63.

Wannes Verstrepen is gastblogger. Hij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar de werking van kerkbijeenkomsten in de lange tiende eeuw.

Titelafbeelding: bisschop Petrus Lombardus van Parijs aan zijn schrijftafel. Bloomington, Lilly Library, Ricketts 20, fol. 1 verso.

Blogreeks: Een geschiedenis van het orgasme (ook voor vrouwen)

Aflevering 3: De eeuw van het gespeelde orgasme (20ste eeuw).

In 1929 schreef de Britse schrijfster en feministe Virginia Woolf met verwondering enkele regels over een bezoek aan het British Museum. Ze deed onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit en was verrast over het aantal boeken dat ze vond, vooral geschreven door mannelijke auteurs:

Heb je er enig idee van hoeveel boeken er elk jaar over vrouwen worden geschreven? En hoeveel er daarvan door mannen worden geschreven? […] Seks en de natuur trekt niet alleen dokters en biologen aan, maar ook, meer verrassend en moeilijker te begrijpen: gerespecteerde essayisten, vingervlugge romanschrijvers, jonge mannen met een diploma of zonder diploma, mannen met schijnbaar geen enkele kwaliteit behalve dan dat ze geen vrouw zijn.

De weken in december draaien om de verwondering van Woolf. Aan de hand van het voorbeeld van het orgasme zoekt historica Tinne Claes voor u uit wat mannen zoal hebben geschreven over de vrouwelijke seksualiteit. Deze blogreeks van drie afleveringen vertelt een kleine geschiedenis van het (al dan niet) komen en legt tegelijkertijd hardnekkige clichés over mannen en vrouwen bloot. Vorige week: waarom het vrouwelijk orgasme verdween in de achttiende en negentiende eeuw. Vandaag: de eeuw van het gespeelde orgasme.

Sigmund Freud en de tirannie van het vaginale orgasme

Sigmund Freud, 1891 (Wellcome Collection).

Zoals de meeste slechte theorieën over vrouwelijke seksualiteit, begon de tirannie van het vaginaal orgasme met een man en zonder empirisch onderzoek. In 1905 verkondigde de psychoanalyticus Sigmund Freud dat volwassen vrouwen klaarkwamen door penetratie. Vrouwen die enkel een orgasme konden bereiken door clitorale stimulatie waren volgens hem gestoord, frigide of seksueel onrijp. De clitoris was voor meisjes en zwakzinnigen, de vagina voor echte vrouwen. Bovendien was er volgens Freud een kwalitatief verschil: een vaginaal orgasme was beter dan een clitoraal orgasme.

Het vaginale orgasme werd de heilige graal van de vrouwelijke seksualiteit in de twintigste eeuw. De populariteit en de invloed van het werk van Freud vallen niet te overschatten. Toen Alfred Kinsey (over wie later meer) voor het eerst kritiek durfde uiten in 1953, schoten zijn collega’s in een kramp. Edmund Bergler en William S. Kroger, twee voorname psychoanalytici, onderlijnden woedend dat voor hen frigiditeit gelijkstond aan ‘het onvermogen van een vrouw om een vaginaal orgasme te hebben tijdens betrekkingen’ (nadruk in het origineel). Het liet hen koud als dat betekende dat de meerderheid van de vrouwen frigide was.

De kritiek van Kinsey, Masters en Johnson

Inderdaad, de meerderheid. De Amerikaanse seksuoloog en bioloog Alfred Kinsey interviewde voor zijn studie Sexual Behavior in the Human Female (1953) meer dan tienduizend vrouwen: het gros van hen zei dat ze nog nooit een vaginaal orgasme hadden beleefd. 62 procent van de ondervraagde vrouwen masturbeerde, maar meer dan 80 procent van hen stimuleerde daarbij uitsluitend de clitoris. Blijkbaar was dat orgaan dan toch niet alleen iets voor kleine meisjes.

De Freudiaanse mythe werd verder ontkracht door de Amerikaanse seksuologen (en bedpartners) William Masters en Virginia Johnson. Zij bestudeerden het orgasme voor het eerst in het laboratorium. Koppels, waaronder Masters en Johnson zelf, hadden seks terwijl ze met draadjes aan machines hingen. Het onderzoek toonde aan dat er empirisch gezien geen verschil is tussen een clitoraal of vaginaal orgasme. Daarbij stelden ook Masters en Johnson vast dat de meeste vrouwen niet tot een hoogtepunt kwamen door penetratie alleen.

De seksuele revolutie: plezier voor iedereen?

Betrouwbare anticonceptie zette de deur open voor een vrijere seksuele beleving (Brochure van Dolle Mina, z.d., collectie RoSa).

In de jaren 1960 en 1970 bevrijdde de seksuele revolutie de maatschappij van schaamte en schuld. Grootschalige protesten tegen de oorlog in Vietnam of tegen kernraketten gingen hand in hand met pleidooien voor een lossere seksuele moraal: make love not war. De belangrijkste verandering was de komst van de anticonceptiepil, die op de Vlaamse markt kwam in 1961. Voor wie geen kinderen wilde, ging seks niet langer gepaard met stress en angst. Zeker in de periode voor de AIDS-crisis leefde het idee dat er dankzij de pil in alle vrijheid geëxperimenteerd kon worden met seks. De pil zette de deur open voor ongebreideld  seksueel plezier, ook voor vrouwen. Maar was dat wel zo?

In de jaren zeventig ontstond er een verhit debat over ‘de mythe van het vaginale orgasme’, naar het pamflet van de Amerikaanse feministe Anne Koedt. Feministes kwamen in opstand tegen wat zij ‘androcentrische seks’ noemden. Volgens hen kwam het mannen toch maar goed uit dat net het orgasme door penetratie (wat zij erg bevredigend vonden) de heilige graal van volwassen vrouwelijke seksualiteit was geworden. Vrouwen moesten hun best doen opdat mannen klaarkwamen, maar bleven door die belachelijke Freudiaanse mythe zelf gefrustreerd achter.

Masturbatie als emancipatie

De mannen wisten niet wat ze hoorden. De drukkende normen hadden immers geleid tot miljoenen gefakete orgasmes. Misschien deden vrouwen dit zelfs niet opzettelijk: ze voelden zich zo onder druk gezet om te komen tijdens penetratieseks dat ze zichzelf wijsmaakten dat ze kwamen. Vrouwen die reageerden op enquêtes over seks in de jaren 1920 waren vaak onzeker over wat er net bedoeld werd met de term ‘orgasme’. Ze hadden wel plezier, maar was dat ook een orgasme?

Het werk van Mette Eijlersen werd ook vertaald naar het Nederlands.

Feministes doorbraken de illusie met luide stem. Al in 1968 schreef de Deense feministe Mette Ejlersen over ‘het zielige komedietje’ dat vrouwen speelden tijdens de seks, een komedie die zij overigens allesbehalve amusant vond. In Europa en de Verenigde Staten stonden tientallen feministes op de barricaden voor het recht op een orgasme. Met de slogan ‘we have the right to our own bodies’ vierden vrouwen zoals Germaine Greer, Verena Stefan, Shere Hite en Betty Dodson de clitoris en riepen vrouwen op om te masturberen.

Veel mannen ervaarden de klachten van feministes als vernederende leugens. In de pers lieten ze optekenen dat feministen schadelijk waren voor heteroseksuele seks en dat hun pleidooien voor masturbatie gelijkstonden aan mannenhaat. Hoe durfden ze insinueren dat vrouwen geen penis nodig hadden om tot een hoogtepunt te komen?

En vandaag?

Wat een geluk dat het verleden voorbij is, denkt u misschien. Slecht nieuws: onze samenleving is doordrongen van ideeën uit het verleden. Denk maar aan het hardnekkige negentiende-eeuwse cliché dat mannen seksueel actiever zijn dan vrouwen. In de nasleep van #MeToo verklaarden journalisten het gedrag van mannen door te verwijzen naar hun ‘jagersverleden’, ‘libido’ of ‘seksueel instinct’. Vrouwen zouden daar minder last van hebben. In cartoons worden zij nog vaak neergezet als aseksuele wezens die ‘altijd hoofdpijn hebben’.

Ook de Freudiaanse mythe blijft slachtoffers maken. Vandaag nog denken 7 op 10 vrouwen dat het normaal is dat een vrouw klaarkomt bij penetratieseks. Nochtans kan 50 tot 70% van de vrouwen zo niet tot een hoogtepunt komen. Het resultaat is dat vrouwen zich onzeker voelen. En dat de meerderheid van hen (volgens de meeste onderzoeken tussen de 60 en 70%) af en toe een orgasme faket.

Ook vandaag is er nog een duidelijke rem op de vrouwelijke seksualiteit. Gelukkig toont deze blogreeks aan dat deze rem niet biologisch is, maar cultureel bepaald. Vrouwen zijn niet van nature braaf of ‘frigide’, net zo min als mannen jagers zijn. Wel verwachten we verschillend gedrag van vrouwen en mannen. Maar terwijl de biologie slechts traag kan veranderen, kan de cultuur dat snel. Op naar de toekomst?

Meer lezen.

Herzog, D. (2011). Sexuality in Europe: A Twentieth-Century History. Cambridge, Cambridge University Press.

Maines, R.P. (1999). The Technology of Orgasm: Hysteria, the Vibrator, and Women’s Sexual Satisfaction. Baltimore and London, John Hopkins University Press.

Slabbinck, W. (2016). “De orgasmekloof bestaat. Maar we kunnen er iets aan doen”, Charlie Magazine.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze onderzoekt hoe onvruchtbaarheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Titelafbeelding: Invocation à l’amour, ca. 1825, Wellcome Collection. CC BY.

Blogreeks: Een geschiedenis van het orgasme (ook voor vrouwen)

Aflevering 2: De verdwijning van het vrouwelijk orgasme (18e-19e eeuw).

In 1929 schreef de Britse schrijfster en feministe Virginia Woolf met verwondering enkele regels over een bezoek aan het British Museum. Ze deed onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit en was verrast over het aantal boeken dat ze vond, vooral geschreven door mannelijke auteurs:

Heb je er enig idee van hoeveel boeken er elk jaar over vrouwen worden geschreven? En hoeveel er daarvan door mannen worden geschreven? […] Seks en de natuur trekt niet alleen dokters en biologen aan, maar ook, meer verrassend en moeilijker te begrijpen: gerespecteerde essayisten, vingervlugge romanschrijvers, jonge mannen met een diploma of zonder diploma, mannen met schijnbaar geen enkele kwaliteit behalve dan dat ze geen vrouw zijn.

De weken in december draaien om de verwondering van Woolf. Aan de hand van het voorbeeld van het orgasme zoekt historica Tinne Claes voor u uit wat mannen zoal hebben geschreven over de vrouwelijke seksualiteit. Deze blogreeks van drie afleveringen vertelt een kleine geschiedenis van het (al dan niet) komen en legt tegelijkertijd hardnekkige clichés over mannen en vrouwen bloot. Vorige week: waarom dokters het vrouwelijk orgasme belangrijk vonden tot en met de Renaissance. Vandaag: waarom het vrouwelijk orgasme verdween in de achttiende en negentiende eeuw.

Vrouwen hebben toch geen testikels

De sekswolf Mr. B. ontdekt dat de brave Pamela haar worstelingen met zijn verleidingspogingen neerschrijft in brieven. (Gravure door C. Warren, 1801, naar R. Corbould, Wellcome Collection).

In de loop van de 18de en 19de eeuw gingen artsen anders nadenken over mannen en vrouwen. Ze geloofden niet langer dat ze dezelfde geslachtsorganen hadden, maar dan binnenstebuiten. Mannen en vrouwen hadden niet hetzelfde basisontwerp, maar waren fundamenteel verschillend. Ook het orgasme werd een voorbeeld van het verschil tussen de twee seksen. In tegenstelling tot bij mannen, was bij vrouwen een orgasme helemaal niet nodig voor reproductie. Artsen ontdekten dat vrouwen hoe dan ook ovuleren, of ze nu opgewonden zijn of niet. Het vrouwelijk zaad waar Hippocrates en Galenus van spraken, bestond niet langer. Artsen hadden het nu over eicellen, die ook zonder orgasme bevrucht konden worden. Een vrouw kon zwanger worden van saaie seks, zonder er enig plezier aan te beleven.

Niet toevallig gebeurde er tegelijkertijd een culturele omslag. In de burgerlijke cultuur die ontstond na de Verlichting en de Franse Revolutie, kregen alleen mannen politieke en burgerrechten. Vrouwen werden steeds meer in de huiselijke sfeer geduwd. Zij moesten vooral geschikte huismoeders zijn: lief, mooi, zachtaardig en meegaand. Mannen moesten daarentegen dominant, sterk en rationeel zijn.

Deze nieuwe ideeën over mannen en vrouwen vonden ook uiting in de slaapkamer. Vrouwen werden niet langer gezien als verleidsters met een onbegrensde sex drive, maar als passieve wezens met beperkte seksuele verlangens. Mannen waren voortaan de ladykillers. In talrijke romans werden brave heldinnen aangerand of zelfs verkracht door hitsige mannen. In Pamela: Virtue Rewarded van Samuel Richardson, bijvoorbeeld, valt een rijke man met een huizenhoog libido, Mr. B., zijn jonge dienstmeid Pamela herhaaldelijk lastig. Na verschillende onsuccesvolle pogingen om haar te verleiden, een reeks aanrandingen en zelfs een kidnapping, kan Pamela hem overtuigen om haar een eerbaar voorstel te doen. Het huwelijk met haar aanrander Mr. B. wordt in de roman voorgesteld als een ‘beloning’ voor de goede deugden van het arme, jonge meisje.

Frigiditeit, natuurlijk en aangeleerd

Vrouwen ondergingen de daad slechts lijdzaam, zo wilde het nieuwe ideaalbeeld. Sommigen beweerden zelfs dat vrouwen van nature frigide zijn. Zo liet de beroemde Duitse psychiater Richard von Krafft-Ebing optekenen dat de vrouw weinig seksuele verlangens heeft, wanneer ze ‘fysiek normaal en degelijk geschoold’ is. Zijn standpunt was niet uniek. Zelfs feministes zoals Mary Wollstonecraft en Anna Wheeler vierden het vrouwelijke gebrek aan passie, omdat vrouwen daarom moreler zouden zijn, wat hen geschikter maakte voor de politiek dan mannen.

In de strijd tegen zelfbevlekking werden er in de Eerste Wereldoorlog meer dan een miljoen sluitzegels onder de frontsoldaten verspreid (ADVN, VGCA36-39).

Al waren er ook andere stemmen. Sommige dokters spraken over ‘aangeleerde frigiditeit’. Vrouwen werden volgens hen frigide omdat ze de seks met hun echtgenoot maar saai vonden. Deze artsen dachten echter niet dat vrouwen ontevreden waren door een gebrek aan lichamelijke stimulatie (merk op dat de clitoris in deze periode uit de belangstelling verdween), maar wel omdat ze geen mannelijk zaad mochten ontvangen. Volgens hen was vooral anticonceptie –in het bijzonder condooms of coïtus interruptus– een bron van frustratie. Mannelijk zaad was volgens hen zowel deugddoend als gezond voor vrouwen. Sterker nog, vrouwen konden ziek of zwakzinnig worden als de geslachtsdaad niet tot ‘het natuurlijke einde’ werd gebracht. Zelfs in 1932 waarschuwde de Leuvense gynaecoloog Rufin Schockaert nog voor de kwalijke gevolgen van coïtus interruptus voor de vrouw, zoals lage rugpijn, vermoeide benen en pijn bij de ontlasting. Erger nog waren volgens hem de psychische gevolgen, gaande van moodswings tot zelfmoordgedachten.

Seksualiteit als ziekte

Dat dokters zoveel aandacht hadden voor de gezonde uitwerking van sperma op vrouwen, had te maken met het belang dat ze hechtten aan reproductie binnen het huwelijk. Seks deugde volgens de heersende katholieke normen alleen maar binnen het huwelijk, én als er kinderen van konden komen. Alle andere vormen van seks waren verwerpelijk: buitenhuwelijkse seks mocht niet, laat staan seks tussen mensen van hetzelfde geslacht. Ook masturbatie werd afgekeurd, zowel voor mannen als voor vrouwen. Artsen geloofden dat ‘zelfbevlekking’ zou leiden tot allerhande ziektes, gaande van buikpijn tot geheugenverlies. In een populair pamflet uit de Eerste Wereldoorlog sprak de Gentse gynaecoloog Frans Daels de masturberende soldaten aan de Ijzer dan ook streng toe: ‘Man zijn is zich beheerschen’. Zij die hun handen niet boven de lakens konden houden, verrichtten ‘een zonde voor de ziel en een kwaad voor het lichaam’. Daels richtte zich niet tot vrouwen. Dat zij aan het thuisfront zichzelf een handje konden helpen, kon hij zich blijkbaar zelfs niet voorstellen.

Vroeger was het slechter?

Masturbatie als ziekte, het orgasme dat overbodig wordt, vrouwen die frigide moeten zijn, … Het is weinig verwonderlijk dat historici de achttiende en negentiende eeuw hebben beschreven als het toppunt van seksuele repressie. Toch kunnen we hier enkele kanttekeningen bij maken. Zo beschreven feministes het vrouwelijke gebrek aan passie als een positieve kwaliteit. Omdat lust vaak in verband werd gebracht met irrationaliteit, was de verdwijning van het orgasme in zekere zin net een bewijs van de emancipatie van de vrouw. Dat dokters zich steeds meer met seksualiteit gingen bemoeien, kan je zien als een teken van onderdrukking. Maar omgekeerd zorgde de wetenschappelijke inmenging voor een nieuwe openheid over seksualiteit: seks werd een onderwerp waarover kon worden gepraat en gepubliceerd.

De volgende aflevering van deze blogreeks zal duidelijk maken dat artsen ook in de twintigste eeuw mateloos geboeid bleven door seks. Bovendien werd het vrouwelijk orgasme tijdens de seksuele revolutie het onderwerp van een verhit maatschappelijk debat.

Meer lezen.

De Keyzer, D. (2004). De schaamte en de schrik, goesting en genot: vier generaties vrouwen vertellen. Leuven, Van Halewyck.

Laqueur, T. (1990). Making Sex: Body and Gender from the Greeks to Freud. Cambridge MA, Harvard University Press.

Maines, R.P. (1999). The Technology of Orgasm: Hysteria, the Vibrator, and Women’s Sexual Satisfaction. Baltimore and London, John Hopkins University Press.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze onderzoekt hoe onvruchtbaarheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Titelafbeelding: Invocation à l’amour, ca. 1825, Wellcome Collection. CC BY.

Blogreeks: Een geschiedenis van het orgasme (ook voor vrouwen)

Aflevering 1: Over vrouwelijk zaad, verleidsters met een onstilbaar libido en geboren moeders.

In 1929 schreef de Britse schrijfster en feministe Virginia Woolf met verwondering enkele regels over een bezoek aan het British Museum. Ze deed onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit en was verrast over het aantal boeken dat ze vond, vooral geschreven door mannelijke auteurs:

Heb je er enig idee van hoeveel boeken er elk jaar over vrouwen worden geschreven? En hoeveel er daarvan door mannen worden geschreven? […] Seks en de natuur trekt niet alleen dokters en biologen aan, maar ook, verrassender en moeilijker te begrijpen: gerespecteerde essayisten, vingervlugge romanschrijvers, jonge mannen met een diploma of zonder diploma. Kortom, mannen met schijnbaar geen enkele kwaliteit behalve dan dat ze geen vrouw zijn.

De volgende weken draaien om de verwondering van Woolf. Aan de hand van het voorbeeld van het orgasme zoekt historica Tinne Claes voor u uit wat mannen zoal hebben geschreven over de vrouwelijke seksualiteit. Deze blogreeks van drie afleveringen vertelt een kleine geschiedenis van het (al dan niet) komen en legt tegelijkertijd hardnekkige clichés over mannen en vrouwen bloot. Vandaag: waarom dokters het vrouwelijk orgasme belangrijk vonden tot en met de Renaissance.

Ook vrouwen hebben testikels

De zestiende-eeuwse anatoom Andreas Vesalius tekende de baarmoeder nog erg gelijkend op een penis (Vesalius, “De humani (…)”, 1543, Wellcome Collection).

In de populaire verbeelding is de oudheid een periode van seksuele losbandigheid. We denken aan knapenliefde in het oude Griekenland. Of aan de populaire televisieserie Rome, waarin de ene seksscène de andere opvolgt, compleet met prostitutie, overspel en orgieën. De middeleeuwen stellen we ons daarentegen voor als een duistere periode, waarin het christendom seksualiteit naar het verdomhoekje verbande. Toch werd de geschiedenis van het orgasme tot en met de Renaissance vooral gekenmerkt door continuïteit. Eén vraag stond centraal. Moest de vrouw klaarkomen om zwanger te worden?

De meeste dokters geloofden dat een orgasme nodig was om een kind te verwekken. Daarvoor had je immers niet alleen mannelijk, maar ook vrouwelijk zaad nodig. Dat meende de Griekse arts Hippocrates al in de vijfde eeuw voor Christus. Galenus dacht meer dan 500 jaar later nog steeds dat een kind ontstond uit de versmelting van mannelijk en vrouwelijk zaad. Zijn werk bleef populair doorheen de hele middeleeuwen.

Waar kwam dit idee vandaan? Een veelgehoorde theorie verwijst naar de manier waarop artsen het mannelijk en vrouwelijk lichaam bekeken. Hippocrates en Galenus zagen de vrouw wellicht als een naar binnen gekeerde man. De geslachtsorganen van mannen en vrouwen waren volgens hen dezelfde: alleen waren die van de vrouwen minder goed ontwikkeld, waardoor ze langs de binnenkant waren blijven zitten. Simpel gesteld: de vrouw was een minderwaardige man, de man een deluxe uitvoering van de vrouw. Eierstokken waren testikels, de vagina en de baarmoeder vormden samen een soort van naar binnen gegroeide penis. Het idee dat mannen en vrouwen hetzelfde basisontwerp hadden, bleef in zwang tot de achttiende eeuw. Er bestonden doorheen de tijd verschillende varianten van: zo noemden artsen in de zestiende en zeventiende eeuw de clitoris de mentula muliebris, ofwel de vrouwelijke penis. In deze periode zagen artsen de clitoris als het centrum van vrouwelijk genot, net zoals de penis dat bij de man was.

Geheime delen en putjes

De verraderlijke Eva verleidt Adam tot de zondeval (Gravure van J. Massard, 1787, naar C. Cignani, Wellcome Collection).

Het vrouwelijk orgasme was belangrijk omdat zonder voortplanting onmogelijk was. Zonder orgasme, geen vrouwelijk zaad. Zonder vrouwelijk zaad, geen kinderen. Maar hoe je net tot een vrouwelijk orgasme moest komen, was een andere vraag. Volgens Galenus was de huid van de genitaliën gevoeliger, waardoor het ‘krabben’ ervan zeer deugddoend zou zijn voor de vrouw. Zin in seks beschreef hij als een soort van ‘jeuk’. Middeleeuwse schrijvers zoals Aegidius Romanus verkeerden dan weer in de illusie dat de ontvangst van het mannelijk zaad op zich al genoeg was om de vrouw in vervoering te brengen. Het mannelijk orgasme leidde volgens hem automatisch tot een hoogtepunt bij de vrouw.

Zeventiende-eeuwse artsen waren er van overtuigd dat vooral de clitoris leidde tot ‘een zeer groot plezier’. Populaire handboeken uit deze periode raadden mannen met een kinderwens niet alleen aan om hun vrouw op te hitsen met dirty talk, maar ook om ‘met haar geheime delen en putjes te spelen’. Toen de jonge prinses Maria Theresa van Oostenrijk in 1740 niet meteen na haar huwelijk zwanger werd, raadde haar arts aan om ‘de vulva van hare Heilige Majesteit te kietelen voor de coïtus’. Maria Theresia schonk na dit schijnbaar nuttige advies het leven aan meer dan zestien kinderen.

Verleidsters en moeders

Het vrouwelijk orgasme stond ten dienste van de vruchtbaarheid. Genot was niet alleen nodig om vrouwen hun ‘zaad’ te laten lossen, maar ook om hen de mogelijke gevolgen van seks te doen vergeten. Als vrouwen niet genoten van seks, zouden ze toch nooit het risico lopen om zwanger te worden? Volgens de Griekse mythologie was seks daarom tien keer lekkerder voor vrouwen dan voor mannen. Ook Renaissance-schrijvers zagen de vurige appetijt van de vrouw als een godsgeschenk. In een tijd waarin veel vrouwen stierven tijdens de bevalling, was het orgasme een bewijs van de perfectie van de schepping. Zonder genot zou de vrouw ‘de grote pijn en ondraaglijke angst’ nooit kunnen vergeten. Als God het vrouwelijk orgasme niet had geschapen, zou de mensheid binnen één generatie vergaan.

Meer nog, vrouwen werden gezien als het geslacht dat het meest op seks uit was. Hun jeukende baarmoeders en genitaliën maakten van hen gevaarlijke mannenverslindsters.  Griekse mythes zitten vol van vrouwelijke personages met een onstilbaar libido. Zo is er de tragedie Bacchae van Euripides, waarin twee vrouwen op het hoogtepunt van hun seksuele extase het hoofdpersonage Pentheus letterlijk verscheuren. In de Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius kunnen de jonge vrouwen Byblis en Myrrha hun handen zelfs niet van hun familieleden afhouden. Of nog een klassieker: het oerverhaal van het christendom. Het is Eva’s verlangen dat leidt tot de zondeval. De brave Adam wordt er slechts in meegesleept. De mannelijke casanova en sekswolf is een modern idee. Voor de achttiende eeuw overheersten vrouwelijke verleidsters en femmes fatales de literaire verbeelding.

Vroeger was het beter?

Omdat zowel de seksuele lust als het orgasme ook voor vrouwen als belangrijk werden aanzien, hebben vele historici en feministen beweerd dat het vroeger beter was: dat seksualiteit vroeger in meer vrijheid kon worden beleefd. Toch was het verre verleden geen grote orgie, noch een feministisch feest. Artsen en schrijvers waren meestal mannen die neerkeken op vrouwen. Dat vrouwen streefden naar genot stelden ze voor als een gevaar (dat onschuldige mannen zelfs hun leven kon kosten) en als een teken van hun irrationaliteit. Bovendien stond het orgasme haast uitsluitend in teken van het moederschap. In de volgende aflevering van deze reeks leert u alles over de achttiende en negentiende eeuw, een periode waarin vrouwen hun lustgevoel verloren en ook het vrouwelijke orgasme verdween … (of dat schreven de mannen toch).

Meer lezen.

Dabhoiwala, F. (2012). The Origins of Sex: A History of the First Sexual Revolution. Oxford, Oxford University Press.

Laqueur, T. (1990). Making Sex: Body and Gender from the Greeks to Freud. Cambridge MA, Harvard University Press.

Laqueur, T. (1986) “Orgasm, Generation, and the Politics of Reproductive Biology”, Representations 14: 1-41.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze onderzoekt hoe onvruchtbaarheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Titelafbeelding: Invocation à l’amour, ca. 1825, Wellcome Collection. CC BY.

70 jaar smullen op CM-kamp

Begin jaren 1950 met de Christelijke Mutualiteiten op vakantie naar Zwitserland betekende voor veel jongeren een avontuur, een eerste buitenlandse reis. De keuken was ‘van bij ons’ en Belgische vrijwilligers stonden achter de kookpotten. Met ‘goestingskes’ werd geen rekening gehouden. Het voedsel moest krachtig, overvloedig en gezond zijn, Toch zijn het vooral de Zwitserse chocolade en de geitenmelk, gedronken bij een geitenboer tijdens een bergwandeling, die bleven hangen in de herinneringen van de vakantiegangers. De toon voor de volgende zeventig jaar was gezet.

Met de ziekenkas op vakantie

De eerste jongeren reizen met CM naar Zwitserland in 1949.

Met een regentschapsbesluit uit 1946 kregen de mutualiteiten toelating om speciale bijdragen te innen voor het organiseren van preventieve luchtkuren. Doelstelling was de in de oorlog verzwakte jeugd een op gezondheid gerichte ontspanning aan te bieden. Binnen CM gingen enkele Mechelse pioniers aan de slag en in 1947 was de eerste binnenlandse vakantie voor 1400 dertien- en veertienjarigen een feit. Op 17 juli 1949 reisden dan voor het eerst 1100 veertienjarige jongens uit de regio’s Turnhout en Mechelen naar Zwitserland. In de Mechelse overdekte fruithal had CM een groots afscheidsfeest op touw gezet. Na afloop stapten de jongeren met de legendarische kartonnen dozen in stoet naar het station tussen een haag van ouders en honderden toeschouwers.

Een lange treinreis bracht de veertienjarigen naar hun kamp in het bergdorp Melchtal, waar de Zwitserse vlag, de Belgische driekleur en de Vlaamse Leeuw boven de gewezen legerpaviljoenen wapperden. De keuken en de refters namen samen drie paviljoenen in beslag. De inrichting van de verblijfs- en slaapkwartieren voor de jongeren en hun begeleiders was sober maar functioneel; er waren grote speel- en slaapzalen, stortbaden en waskamers. ‘s Morgens trokken de kinderen in rijen naar de mis en daarna naar de refter. Het activiteitenprogramma bestond voor het grootste deel uit openluchtspelen en bergwandelingen. Later die zomer kregen ook 1154 veertienjarige meisjes de kans om Melchtal te leren kennen.

Degelijke, gezonde kost van bij ons

Tafelbier stond standaard op tafel.

Op tafel moest degelijke, gezonde en betaalbare voeding komen, met gerechten die zo dicht mogelijk aanleunden bij de vertrouwde keuken van thuis. Dat was de filosofie achter de richtlijnen van de verantwoordelijken van de dienst Preventieve Luchtkuren. Aardappelen en brood vormden de hoofdbestanddelen van het menu. Zo verorberden de Belgische jongeren in de vakantiecentra in Zwitserland anno 1965 zevenhonderd tot twaalfhonderd kilo brood per dag. Maar ook fruit en groenten mochten niet ontbreken. De exploitanten en koks van de centra kregen regelmatig de opmerking dat ze voor de nodige afwisseling moesten zorgen. Het ontbijt bestond voornamelijk uit wit brood met kaas, charcuterie en confituur of siroop als beleg. Hierbij werd koffie of melk gedronken. Bij de warme middagmaaltijd kwam er soep op tafel, per persoon zo’n driehonderd gram aardappelen en groenten, zeventig tot honderd gram vlees of vis en een dessert. Eenmaal per vakantieperiode waren er frieten. Het aanbod van drank bestond uit water, limonade of grenadine en het licht alcoholisch tafelbier. Als vieruurtje was er afwisselend gebak en fruit. ’s Avonds werd een koude groenteschotel, vergezeld van aardappelen of brood, of een warm melkgerecht geserveerd.

Van Preventieve Luchtkuren tot Kazou

Zelf koken en smullen met Kazou.

In de nasleep van mei 1968 deed zich een koerswijziging voor in de tot dan toe strikt hiërarchische structuur van de dienst Preventieve Luchtkuren. De vrijwilligers vroegen en kregen meer inspraak en er ontstond meer ruimte voor experimenten. Met de nieuwe naam ‘Jeugd & Gezondheid’ kwam er vanaf 1971 een uitgebreider en themagericht vakantieaanbod. Vanuit culinair opzicht deed de grootste verandering zich voor in de jaren negentig. Niet alleen werden toen de vakanties gemengd, ze werden ook kleinschaliger. Formules met kookouders, technische kookploegen en hun eigen potje kokende vakantiegangers vonden vanaf dan hun plaats in het aanbod, naast het bestaande volpension en de massakeuken van de grote vakantiecentra.

In 2006 werd Jeugd & Gezondheid omgedoopt tot Kazou. Samen met de naamsverandering kwamen er nieuwe bestemmingen en formules zoals glamping, het met glamour kamperen in luxetenten. Waar in de jaren 1950 en 1960 het motto ‘eten wat de pot schaft’ gold, kwamen er nu keuzemenu’s met speciale aandacht voor vegetariërs, jongeren met allergieën of andere ziektebeelden. Tijdens vakanties in halfpension mochten de adolescenten kiezen wat ze aten in hun lunchpauze.

Gevarieerde menu’s, ongewijzigde doelstellingen

Het klassieke ‘Belgische’ maaltijdpatroon bestaande uit een ontbijt, een warme maaltijd met soep, aardappelen, groenten en vlees of vis, een versnapering als vieruurtje en een koude of warme avondmaaltijd, hield in de jongerenvakanties van CM lang stand. Nieuwe gerechten vonden slechts heel geleidelijk hun plaats in de menu’s.

Handleiding voor de technische kookploegen.

Tijdens een vakantieperiode in juli 1973 in het Nederlandse Ossendrecht kwamen naast de klassiekers een aantal ‘nieuwigheden’ op tafel zoals chocopasta, zalmsalade, rosbief, kroketten, ossenstaartsoep en een eerste ‘exotisch’ gerecht: Hongaarse goulash. Van pasta’s of frisdranken was hier nog geen spoor. Een kleine tien jaar later, in 1982 in Heer-sur-Meuse, vertoonde het culinair landschap al iets meer verandering. De spaghetti deed definitief zijn intrede en minstens eenmaal per vakantieperiode stond er een barbecue op het programma. Met hun zakgeld konden de vakantiegangers frisdranken zoals Cola, Fanta en Sprite aankopen in de bar.

De kleinschalige vakanties vanaf de jaren negentig, waar technische kookploegen of de jongeren zelf de maaltijden verzorgden, vertoonden een grotere culinaire variatie. Er waren nieuwe recepten zoals wokschotels en wraps; soep en pastagerechten bleven in de smaak vallen. Steeds vaker weken de menu’s af van het klassieke maaltijdpatroon. Ondanks al deze veranderingen verschillen de huidige basisrichtlijnen vanuit de leiding van Kazou weinig van de doelstellingen uit de beginperiode: zorgen voor evenwichtige, gevarieerde en gezonde maaltijden met veel fruit en groenten. Een bewijs te meer dat CM, naast haar verdiensten als grootste ziekenfonds, altijd al het DNA had van een gezondheidsfonds.

Gerda Broeckmans was in het academiejaar 2018-2019 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over de evolutie van de eetcultuur tijdens de jongerenvakanties van CM.

Een middeleeuwse handleiding voor (pre)formateurs

Gastblog door Minne De Boodt.

Zondag 26 mei 2019 trokken de meeste Belgen naar de stembus voor de regionale, federale en Europese verkiezingen. Na 164 dagen lijkt de vorming van een federale regering nog steeds veraf. De (pre)formateurs kunnen misschien de nodige inspiratie opdoen tijdens een bezoek aan het Brusselse stadhuis. In de plafondbalken van dit gotisch gebouw staan immers de versregels van het invloedrijke Hoemen ene stat regeren sal (Hoe men een stad zal besturen) gegrift. Dit laatmiddeleeuws gedicht herinnert bestuurders al 600 jaar aan hun verplichtingen.

‘Zij die (…) willen besturen, zullen deze regels naleven’

Stadhuis van Brussel.

Er is weinig geweten over de oorsprong van Hoemen ene stat regeren sal. Het gedicht kwam tot stand tussen 1330 en 1350, al valt niet te achterhalen wanneer het exact geschreven is. Ook de auteur kennen we niet. Hij was wellicht lid van de bestuurlijke elite of stond er in ieder geval nauw mee in contact. Hoemen ene stat regeren sal is dan ook voor de stadsbestuurders geschreven. Zo spreekt het gedicht ‘zij die willen besturen’ niet alleen letterlijk aan, het lijst ook hun verantwoordelijkheden op.

Hoemen ene stat regeren sal bevat verschillende centrale richtlijnen die bestuurders te allen tijde moeten naleven. Anders, zo schrijft de auteur, komt de toekomst van de stad in gevaar. Zijn waarschuwing bleef in de veertiende-eeuw niet onopgemerkt. Net als vandaag was het politieke landschap toen erg bewogen. De politieke macht was in handen van enkele elitaire families of geslachten. Vanaf de dertiende eeuw stelden groepen die uitgesloten werden van de politiek, zoals de ambachten, hun machtsmonopolie echter steeds meer in vraag. Ambachten waren beroepsverenigingen zoals de wevers, de schippers of de visverkopers. Ze protesteerden niet alleen tegen de gang van zaken maar eisten ook inspraak in het bestuur. De spanningen bereikten een kookpunt in de veertiende eeuw en mondden uit in een reeks van opstanden tegen het bestuur.

Middeleeuwse tips en tricks om te besturen

De oudste bewaarde versie van het gedicht (© de Koninklijke Bibliotheek van België, Der Leken Spieghel, circa 1350, ms. 15658, f. 122r).

Eerst benadrukt Hoemen ene stat regeren sal dat bestuurders moeten zorgen voor eensgezindheid. In de sterk gelaagde middeleeuwse samenleving liepen de spanningen tussen sociale groepen vaak hoog op. Zo bestonden er geschillen tussen de ambachten en elitaire families onderling, terwijl de bestuurders vaak in de clinch lagen met sociale groepen die geen zeggenschap hadden binnen de politiek. Eenheid en harmonie waren met andere woorden belangrijke politieke principes. Het was de taak van bestuurders om op zoek te gaan naar een gulden middenweg. Voor partijbelangen en kibbelkabinetten was er geen plaats in de late middeleeuwen.

Vervolgens moesten bestuurders regeren in functie van het algemeen belang. In de late middeleeuwen was het algemeen belang één van de meest gebruikte politieke concepten. Bestuurders moesten verantwoording afleggen aan hun onderdanen en het gevoerde beleid moest iedereen ten goede komen. Zowel bestuurders als onderdanen gebruikten het algemeen belang om hun daden te legitimeren. Wie kan er nu tegen iets zijn dat de hele gemeenschap ten goede komt?

Bestuurders traden in de late middeleeuwen niet alleen op als wetgevers maar ook als rechters. Hierbij is het volgens Hoemen ene stat regeren sal belangrijk dat ze zowel arm als rijk rechtvaardig behandelden, zich hielden aan de regels en de privileges van hun onderdanen en criminelen verbanden. Al bestond de scheiding der machten nog niet, toch waren bestuurders onderhevig aan de wetten van hun land. Deze wetten vormden bovendien een belangrijk onderdeel van de identiteit van laatmiddeleeuwse burgers. Het politieke idee van rechtvaardigheid is zo niet alleen vandaag, maar ook in de veertiende eeuw brandend actueel.

Laatmiddeleeuwse miniatuur van de opstand van de Cabochiens te Parijs in 1413 (© Bibliothèque nationale de France, Les Vigiles de Charles VII, circa 1475-1500, ms. fr. 5054, f. 8v).

Tot slot: net zoals de Europese Unie de Belgische regering regelmatig aanspoort om de begroting niet te laten ontsporen, benadrukt Hoemen ene stat regeren sal het belang van gezonde financiën. In de late middeleeuwen zag de belastingbetalende bevolking een gebalanceerde schatkist als een basisprincipe voor goed bestuur. Toch kwamen corrupte praktijken regelmatig voor. Rond 1300 konden zulke financiële wanpraktijken voor een groot deel van de Europese stadsbevolking niet meer door de beugel. Over het hele continent werden bestuurders aangeklaagd wegens verdenkingen van corruptie. Het financiële gesjoemel leidde zelfs regelmatig tot opstanden.

‘Het venster uit’

Neem nu 1378. In maart en augustus van dat jaar dienden de Leuvense ambachten twee petities of verzoekschriften in bij de landsheer en het stadsbestuur. Op de verlanglijst van de ambachten stonden eerlijke belastingen, een gezond schuldbeleid, controle op de financiën door middel van publieke rekeningen en vertegenwoordiging in het fiscale beleid. Zoals deze Leuvense petities duidelijk maken, gebruikten de ambachten politieke ideeën bovendien om concrete politieke veranderingen te verkrijgen. Ideeën speelden met andere woorden een actieve en strategische rol in hun tijd. Het mislopen van de onderhandelingen in 1378 zorgde ervoor dat de ambachten het Leuvense stadhuis bezetten, waarbij ze 16 schepenen het raam uitgooiden. Gelukkig voor de huidige (pre)formateurs veroorzaken vastgelopen onderhandelingen vandaag geen defenestraties. Al raad ik ze toch aan om tijdens hun bezoek aan het Brusselse stadhuis weg te blijven van de ramen.

Meer lezen.

M. De Boodt, ‘“How one shall govern a city”: the polyphony of urban political thought in the fourteenth-century duchy of Brabant’, Urban History, 46:4 (2019), 578-596.

Minne De Boodt is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar politieke ideeën in laatmiddeleeuwse Europese steden.