Categorie archief: Kunst & literatuur

5 manieren om beroemd te worden als negentiende-eeuws avant-gardekunstenaar

Roem, succes en erkenning waren streefdoelen van veel negentiende-eeuwse kunstenaars. Ook in Brusselse avant-gardekringen en genootschappen was dat op het einde van de negentiende eeuw vaak het geval. Ondanks hun strijd met het strenge academisme en hun cultivering van het ‘kunst-om-de-kunst’-principe, streefden ook zij binnen hun eigen alternatief netwerk naar erkenning en succes. Die strijd vond plaats achter de schermen, maar was daarom zeker niet minder intens.

De onbetwiste meester in het sturen van zijn eigen succes was de Oostendse kunstschilder James Ensor (1860-1949). Als lid van de Brusselse avant-gardegroep ‘Les XX’ ontwikkelde hij een beginnende markt tussen 1883 en 1893. Al in die beginfase van zijn carrière manipuleerde hij op voortreffelijke wijze zijn eigen weg naar erkenning en succes. Deze vijf strategieën plaveiden zijn weg naar het succes.

  1. Creëer een publiek imago
Zelfportet van James Ensor uit 1883.

Negentiende-eeuwse kunstenaars streefden niet louter roem na via hun werk, maar vooral via hun persoon en het imago dat ze aan zichzelf koppelden. Op het einde van de negentiende eeuw ruimde de interesse voor het werk van zowel beeldende kunstenaars als literatoren plaats voor de interesse in de individuele persoon. Ensor maakte voorbeeldig gebruik van die evolutie en profileerde zich in de media maar al te graag als een resolute avant-gardist. Hij hechtte een enorm belang aan perceptie en gaf het beeld van zichzelf als onbegrepen genie bewust en zorgvuldig vorm.

Dat hij dit beeld van zichzelf uitdroeg in de media betekende echter niet dat erkenning en succes voor hem niets betekenden. Zelfs integendeel, door zich in de media onverschillig op te stellen, kon hij er helemaal niet van verdacht worden zijn avant-garde principes opzij te hebben gezet en een aanhanger van het establishment te zijn geworden. Het was een welgekozen vorm van self-fashioning die hem de kans gaf zich achter de schermen wel degelijk – ongegeneerd – te focussen op het uitbouwen van zijn (commercieel) succes.

  1. Ga mee in een groep
Musique Russe, 1886.

Doelbewust stapte James Ensor vanaf 1883 mee in het uniek onafhankelijkheidsverhaal van ‘Les XX’. Door zich collectief te distantiëren van de officiële instanties en het academisme ontwikkelden de Vingtisten een groepsidentiteit, die ook een commercieel nut had. Het zorgde er namelijk voor dat er zich een specifiek publiek van geïnteresseerden aan de groep kon binden. Ensor en kompanen zetten dit verhaal kracht bij door een portretcultuur op te starten waarbij ze model stonden voor elkaars werken. Op die manier werd de collectieve identiteit van ‘Les XX’ duidelijk op de wanden van hun tentoonstellingen en streefden ze als groep naar prestige. Naast een puur institutionele groep werden ze zo ook een sociale groep. Ensor stond onder andere model voor een werk van Isidore Verheyden op het ‘Salon des XX’ van 1886 en Willy Finch stond op zijn beurt model voor Ensors Musique Russe (1886) op dezelfde tentoonstelling.

  1. Plaats je werk in de spotlights

Postkaart van Ensor aan Maus (25 december 1889) met bovenaan links een plattegrond met wandafmetingen van de expositieruimte van de tentoonstelling van het jaar voordien.

Ensor was altijd en overal bezig met het in de schijnwerpers zetten van zijn werken. Naar aanloop van de jaarlijkse tentoonstellingen van ‘Les XX’ werd telkens via een lotingsysteem bepaald hoeveel wandruimte een kunstenaar ter beschikking kreeg en welke kunstenaar welk stuk wand toegewezen kreeg. Telkens Ensor zich hier niet in kon vinden, verzocht hij Octave Maus, de secretaris van de groep, om daar verandering in te brengen. In 1888 zat hij er niet om verlegen Maus te adviseren de werken van Henri de Toulouse-Lautrec naar beneden te halen en te vervangen door de zijne. In 1889 pleitte hij dan weer voor meer wandruimte door zelfs een plattegrond te tekenen waarmee hij verwees naar de ruimte die enkele collega-Vingtisten het jaar voordien verkregen. Ook verzocht hij Maus geregeld om de namen door te geven van de kunstenaars wiens werken naast die van hem zouden worden opgehangen. Dat stelde hem in staat daarop in te spelen en zich te profileren tegenover hen. Door zich op te stellen als een veeleisende perfectionist ten opzichte van de presentatie van zijn werken, zocht hij letterlijk de spotlights op.

  1. Zoek een animateur d’art
Portret van Octave Maus door Theo Van Rysselberghe (1885).

Netwerken was een sleutel tot succes en dat realiseerde een jonge Ensor zich al snel. Hij zocht contacten in zowel burgerlijke als artistieke kringen en verbond zich met verschillende animateurs d’art. Een animateur d’art was een polyvalent kunstliefhebber die actief kunst verdedigde door als tussenpersoon op verschillende manieren bruggen te bouwen tussen kunstenaars en zijn eigen milieu. Binnen ‘Les XX’ kon Ensor rekenen op steun van secretaris en kunstanimateur Octave Maus die – vaak indirect – als tussenfiguur optrad bij het promoten en verhandelen van zijn werken. Zo gaf hij Ensor bijvoorbeeld goede referenties mee toen hij in 1892 in Londen wilde exposeren en verkopen.

Buiten ‘Les XX’ knoopte Ensor een opmerkelijke relatie aan met fysicus Ernest Rousseau en zijn vrouw Mariette. Ze wierpen zich op als managers, ‘pleegouders’, mecenassen en kunsthandelaars van de jonge kunstenaar; ze nodigden hem uit op intellectuele (netwerk)bijeenkomsten in hun salon, ze voorzagen hem van onderdak, ze kochten verschillende van zijn werken aan en brachten zijn gravurecollectie bij hen thuis onder, stelden die open en onderhandelden met potentiële kopers.

  1. Bespeel je biografen
Aankondiging van het verschijnen van Eugène Demolders biografie van Ensor in L’Art Moderne van 11 september 1892.

Kunstenaarsbiografieën hadden een grote invloed op de perceptie van negentiende-eeuwse avant-gardekunstenaars. Vanuit contacten die Ensor zelf opbouwde, schreven schrijver Eugène Demolder (1893) en criticus Pol De Mont (1895) beiden een biografische studie van de jonge kunstenaar. Ze bezorgden hem grote naambekendheid en het verschijnen ervan ging vaak nog eens gepaard met de nodige media-aandacht. In tegenstelling tot recensies van critici over zijn werken, beslist de kunstenaar bij een biografie in zekere zin zelf mee wat er over hem geschreven wordt. Ensor bespeelde dan ook zijn biografen en spoorde hen aan om zijn miskenning en gebrek aan waardering ten tijde van ‘Les XX’ in de verf te zetten. Die studies stelden hem dus in staat om zijn eigen beeldvorming mee vorm te geven.

Lees meer over Ensors zucht naar roem ten tijde van ‘Les XX’.

Tekst: Marjoleine Delva. Titelafbeelding: Henry De Groux, Portret van James Ensor 1907. MuZee, Oostende (PD).

De Belgische inspiratiebron voor Disneyland

Sinds 1966 omvat een bezoek aan Disneyland bijna onvermijdelijk een bezoekje aan de intussen iconische attractie ‘It’s a small world’, genoemd naar de gelijknamige oorwurm die er in eindeloze herhaling wordt afgespeeld. Een boottocht van een tiental minuten neemt er de bezoekers mee langs miniatuurversies van verschillende landen, bevolkt door vrolijke kinderen die tegen achtergronden zoals de Franse Eiffeltoren, Nederlandse windmolens of de Indische Taj Mahal uit volle borst ‘It’s a small world’ zingen. De muziek is gecomponeerd door The Sherman Brothers, maar het ontwerp voor de attractie is van de hand van Walt Disney zelf. Het is niet alleen Disneys pleidooi voor wereldvrede, maar ook een ode aan de wereldtentoonstellingen, die een belangrijke inspiratiebron vormden voor de moeder van het moderne themapark.

De wereld tentoongesteld

Het Pepsi Pavillon met 'It's a Small World' op de Wereldtentoonstelling in New York in 1964.
Het Pepsi Pavilion met ‘It’s a Small World’ op de New Yorkse wereldtentoonstelling in 1964.

‘It’s a small world’ kende haar eerste bijval op de wereldtentoonstelling van 1964 in het New Yorkse Flushing Meadows. Daar maakte ze deel uit van het Pepsi Pavilion, dat gecreëerd werd als een eerbetoon van de frisdrankgigant aan het werk van UNICEF. De attractie werd massaal bezocht: tien miljoen kinderen en volwassenen hesen zich enthousiast in één van de bootjes om een wereldreis te maken. Dat een succesnummer van op een wereldtentoonstelling een even glansrijk tweede leven kende nadat het internationale evenement definitief de deuren sloot, is uitzonderlijk. De meeste expopaviljoenen en –attracties werden ook bij hun ontwerp al als tijdelijk geconcipieerd en vervaardigd in weinig duurzame materialen. Bovendien bleken ze veelal hun magie enkel te kunnen bewaren in die heel specifieke context van de wereldtentoonstelling.

Drukte in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1933 in Chicago.
Drukte in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1933 in Chicago.

Zowel ‘It’s a small world’ als Disneyland trachtten net die context te recreëren en boden de bezoeker dat wat ook de wereldtentoonstellingen zo aantrekkelijk maakte: de mogelijkheid om op een hele korte tijd een hele nieuwe wereld te ontdekken, waar conventionele regels niet meer golden en plots alles mogelijk leek. Dat is beslist geen toeval: Walt Disney was een fervent bezoeker van wereldtentoonstellingen (hij bezocht er minstens vijf) en haalde er ook een flinke portie mosterd bij het creëren van zijn themapark Disneyland, dat in 1955 werd geopend als “a source of joy and inspiration to all the world.” Het zou met name een Belgische inzending zijn geweest die een belangrijke inspiratiebron vormde voor Disney’s sprookjesland. Bij zijn bezoek aan de wereldtentoonstelling in Chicago in 1933 raakte hij gefascineerd door ‘Picturesque Belgium’, volgens de officiële gids “een nauwgezette kopie van een ommuurde Vlaamse stad zoals die er mogelijk uitzag in 1800”.

Disneyland avant-la-lettre

Het ‘Belgische dorp’, het resultaat van een samenwerking tussen Amerikaanse en Vlaamse ondernemers, vormde het contrapunt van de moderniteit, vooruitgang en urbanisatie die zo centraal stonden op de wereldtentoonstelling. Dit universum van hout en plaaster omvatte meer dan honderd huizen en onder meer replica’s van het vijftiende-eeuwse Antwerpse Sint-Niklaasgodshuis en van twee middeleeuwse Brugse stadspoorten, omringd door een wijde gracht waarop witte zwanen dobberden. In de geplaveide straten ontmoette de bezoeker niet alleen melkmeisjes met hun door een hond getrokken kar, maar ook klompenmakers en glasblazers, kantklossters en smeden. Daarnaast waren er winkels, restaurants en cafés en aangepast entertainment in de vorm van volksdansende jonge meisjes in ‘traditionele’ Vlaamse kostuums.

Volksdansen in het Belgisch dorp in 1933.
Volksdansen in het Belgisch dorp in 1933.

Het hele concept was zeker niet nieuw. Dit soort themapark was voorafgegaan door Bruxelles-Kermesse in 1897 en 1910, Vieux Liège in 1905 en Oud Antwerpen uit 1894. Er waren ook internationale voorlopers, zoals Vieux Paris, dat een plek kreeg op de wereldtentoonstellingen van 1889 en die van 1900. Waren die eerste ‘tijdelijk oude’ dorpen, wijken of parken nog opgevat als archeologische reconstructies en bekrachtigd door de organiserende overheid als een soort visuele samenvatting van de hele natie, dan kwam vanaf 1910 de entertainmentwaarde op de eerste plaats. Net zoals het latere Disneyland zijn deze tegenpolen van het officiële programma van de wereldtentoonstelling pittoreske en zorgeloze oorden van plezier die een perfecte illusie creëren. Zowel Disney’s creatie als zijn inspiratiebronnen zijn universa tussen droom en werkelijkheid waar het gewone leven op zijn kop wordt gezet en waar bizarre paradoxen plots aannemelijk worden, zoals ‘authentieke, middeleeuwse’ steden die voor zes maanden verrijzen en toch als geloofwaardig worden beleefd.

Grote ambities

Brusselse wafels to koop in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1964 in New York.
Brusselse wafels to koop in het Belgisch dorp op de wereldtentoonstelling van 1964 in New York.

Deze voorlopers van themaparken verdwenen niet zodra hun succesvolle opvolgers op het toneel verschenen. Op de New York World’s Fair van 1964 waar Disney zijn ‘It’s a small world’ voorstelde, maakte het Belgische dorp dat hij in 1933 bezocht een gesmaakte comeback na een eerdere herneming voor Expo 58. Even zag het er naar uit dat de attractie wegens te grote ambities en daaruit volgend geldgebrek een ongetwijfeld niet onopgemerkte aanpassing zou ondergaan. De eigenaar van het dorp klopte in zijn zoektocht naar fondsen immers aan bij Hugh Hefner, met wie hij het idee uitwerkte om een Playboy Club te installeren in het stadhuis, met Playboy Bunnies gekleed in ‘Vlaamse kostuums uit de tijd van Breughel’. Dat plan stootte echter op een resoluut ‘nee’ vanuit de organisatie. Het geld werd alsnog elders gevonden, waardoor de editie van 1964 uiteindelijk herinnerd zou worden voor iets wat minder pikant was: de uitvinding en popularisering van de ‘Belgische wafel’.

Nelleke Teughels is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.  Ze doet onderzoek naar het voedsel dat werd gepresenteerd en geserveerd door de Belgische afvaardiging op de Wereldtentoonstellingen tussen 1851 en 2010.

KateKangaslahte-MulsCatalogueExposition de l’Art italien de Cimabue à Tiepolo, Tentoonstellingscatalogus.
Parijs, Petit Palais, 16 mei – 21 juli 1935.

Tijdens de gespannen jaren tussen de de Wererldoorlogen hielden veel Europese landen tentoonstellingen van hun nationale ‘scholen’ in het buitenland. De kunst diende een politiek doel. De Tentoonstelling van Italiaanse kunst van Cimabue tot Tiepolo in Parijs in 1935 was de grootste en indrukwekkendste van deze tentoonstellingen. Het was een triomf voor de bezieler ervan, Benito Mussolini. Sinds hij aan de macht was gekomen in 1922 waren de relaties tussen Frankrijk en Italië slecht geweest, maar in het midden van de jaren 1930 begonnen ze te verbeteren. De tentoonstelling opende vier maanden na het Frans-Italiaanse akkoord van januari 1935 en was de bekroning van een kort moment van toenadering. Er werden 490 schilderijen tentoongesteld, waaronder kleppers als De Geboorte van Venus van Botticelli, De Annunciatie van Leonardo de Vinci, De Heilige Familie van Michelangelo en De Storm van Giorgione.

Van de tentoonstelling zijn in de Leuvense Universiteitsbibliotheek een aantal catalogi bewaard. De catalogus die hierboven afgebeeld staat werd geschonken door de Vlaamse historicus en kunstcriticus Jozef Muls. Muls had de tentoonstelling in Parijs zelf bezocht, zo blijkt uit zijn bijgeschreven opmerkingen. Die private, spontane reacties op de schilderijen en hun tentoonstelling bieden – wanneer ze leesbaar zijn – een interessant contrast met de hyperbolische recensies die elders verschenen.

Het was voor het eerst dat de Sovjetunie werk uitgeleend had aan een buitenlandse hoofdstad, onder meer twee werken van Leonardo de Vinci, Madonna Benois en Madonna Litta. Er bestond enige twijfel of het laatste werk inderdaad van Da Vinci was. Hoewel het officieel aan hem toegeschreven werd – wat wellicht een voorwaarde was geweest voor de uitlening – werd het in de catalogus als laatste schilderij van Da Vinci opgesomd en werd gewaarschuwd dat ‘het werk altijd is doorgegaan voor een werk van Leonardo da Vinci’. Uit de notities van Muls blijkt dat hij betwijfelde of de Madonna Litta helemaal door Da Vinci geschilderd was. Hij meende dat er een ‘andere hand’ aan het werk was geweest, zoals ook vandaag algemeen aangenomen wordt.

Tekst: Kate Kangaslahti. Afbeeldingen: Universiteitsbibliotheek Leuven.

James Ensor, marketeer van het jaar

“Ensor is een artiest die niet verkoopt en erin toestemt om niet te verkopen”, berichtte La Gazette naar aanleiding van de tweede tentoonstelling van ‘les XX’ (‘les Vingt’) op 10 februari 1885. Niets was echter minder waar. Bij de Brusselse avant-garde groep ‘les XX’ (1883-1893) ontwikkelde er zich een beginnende markt voor de jonge Oostendse schilder.

James Ensor voor het huis van Ernest Rousseau (ca. 1888).
James Ensor voor het huis van Ernest Rousseau (ca. 1888).

Het populaire geloof dat avant-gardistische kunstenaars als James Ensor louter geïnteresseerd waren in een ‘kunst-om-de-kunst’ verlangt dan ook enige nuancering. Ten tijde van ‘les XX’ was Ensor actief bezig met het promoten en verkopen van zijn werken en ontpopte hij zich tot een veeleisend criticus en zelfpromotor. Hij verbond er zich zowel met burgerlijke figuren, als met collega-Vingtisten, zoals de leden van ‘les XX’ werden genoemd. Tijdens de jaarlijkse tentoonstellingen van de groep verkocht hij zo op regelmatige basis enkele van zijn werken aan personen uit zijn zorgvuldig opgebouwde netwerk.

Bruisend Brussel

“C’était au temps où Bruxelles bruxellait” zong Jacques Brel in 1962. Hij verwees ermee naar het bruisende fin-de-siècle Brussel dat zich op de kaart zette als culturele trekpleister van Europa, Parijs achterna. In die sfeer werd in 1883 de avant-garde kunstenaarsgroep ‘les XX’ opgericht. De centrale figuur was de advocaat en kunstkenner Octave Maus. Hij fungeerde als drijvende kracht van de groep en stond in voor de administratieve en organisatorische kant van de beweging. ‘Les XX’ kende een tienjarig bestaan (1883-1893) en telde een twintigtal leden. Onder andere de Gentse schilder Theo Van Rysselberghe, de Luikse beeldhouwer Achille Chainaye en de Oostendse schilder James Ensor behoorden tot de groep.

Affiche voor de jaarlijkse tentoonstelling van ‘les XX’ in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (1889).
Affiche voor de jaarlijkse tentoonstelling van ‘les XX’ in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (1889).

De Vingtisten maakten deel uit van een reeks Brusselse avant-garde groepen, maar onderscheidden zich doordat ze zich niet bonden aan enige vorm van regels. Ze organiseerden jaarlijks in februari een tentoonstelling waar er naast hun eigen werken ook werken van binnen- en buitenlandse genodigden werden tentoongesteld. De Vingtisten slaagden er in het Brusselse artistieke leven gedurende tien jaren volledig naar hun hand te zetten.

Veeleisende zelfpromotor

In de aanloop naar de tentoonstellingen moesten ieder jaar opnieuw heel wat praktische zaken worden geregeld.  Met het oog op de perfecte presentatie van zijn werken, liet Ensor zijn stem daarbij gelden. In zijn briefwisseling met Maus kwam dat sterk tot uiting. Ensor diende ieder jaar de titels door te geven van de werken die hij zou exposeren, zodat de tentoonstellingscatalogus kon worden opgesteld en bijschriften bij de werken konden worden geplaatst. Ensor besteedde hier veel aandacht aan. Hij gedroeg zich perfectionistisch en stelde het absoluut niet op prijs wanneer er ook maar iets veranderde aan de namen die hij doorgaf.

Brief van 14 januari 1888 van Ensor aan Maus waarin Ensor Maus erop wijst dat hij geen verplaatsingen, veranderingen en verknippingen van titels tolereert.
Brief van 14 januari 1888 van Ensor aan Maus waarin Ensor Maus erop wijst dat hij geen verplaatsingen, veranderingen en verknippingen van titels tolereert.

Niet enkel de formulering van zijn titels, maar ook de specifieke opstelling van zijn werken baarde hem zorgen. Zo berekende hij nauwkeurig hoeveel meter wand hij ter beschikking wou krijgen. In zijn brieven tekende hij zelfs plattegronden met wandafmetingen van de expositieruimtes. Via een lotingsysteem werd bepaald welke kunstenaar op welke plaats werd opgehangen. In functie van het volledig tot zijn recht komen van zijn eigen werken, drukte Ensor regelmatig zijn minachting uit over dat systeem. Zo maakte hij Maus in februari 1887 duidelijk dat het slechte nummer dat hij had getrokken hem verontruste. In februari 1888 vroeg hij Maus dan weer om de werken van Toulouse-Lautrec te vervangen door de zijne.

Vriendendiensten

Hoewel Ensor zich met zijn hoge eisen voor de opstelling van zijn werken niet altijd even populair maakte bij zijn collega-Vingtisten, smeedde hij er toch ook enkele vriendschapsbanden. Zo kreeg hij heel wat steun van zijn collega-Vingtiste Anna Boch. Zij verdedigde vaak doeken van Ensor die andere collega’s afkeurden. Op zo’n momenten gaf ze hem sterkte en wilskracht, zo verklaarde hij zelf. Op de tentoonstelling van 1886 bewees ze hem een ultieme vriendendienst met het aankopen van zijn Musique Russe (1881).

James Ensor – ‘Musique Russe’ (1881).
James Ensor – ‘Musique Russe’ (1881).

Ook buiten ‘les XX’ bouwde Ensor een netwerk uit. Zo verbond hij zich met de gerenommeerde kunstcriticus Emile Verhaeren, van wie hij in 1892 een portret tentoonstelde bij de Vingtisten. Verhaeren was de enige criticus geweest die het in 1884 had opgenomen voor Ensor, toen hij in de algemene pers werd afgeschilderd als té vooruitstrevend. Hij was het die op het salon van 1892 Ensors Le Domaine D’Arnheim (1890) aankocht.

Sinds de vroege jaren 1880 bouwde Ensor ook een hechte vriendschap op met de kunstliefhebber en kunstverzamelaar Ernest Rousseau en zijn familie. De familie Rousseau kocht op de negende expositie van ‘les XX’ in 1892 L’Intrigue (1890), één van Ensors meest spraakmakende schilderijen. Ensor slaagde erin zichzelf te vermarkten door enerzijds veel aandacht te vestigen op de presentatie van zijn werken en anderzijds een netwerk uit te bouwen. Alles samen verkocht hij gedurende de verschillende tentoonstellingen van ‘les XX’ een twintigtal werken. Voor Ensor bestond het kunstbedrijf niet enkel uit een zuiver ‘kunst-om-de-kunst’-principe, maar hield het ook een commerciële component in.

Meer lezen

Eric Min, De eeuw van Brussel: biografie van een wereldstad (1850-1914), Antwerpen, 2015.

Eric Min, James Ensor: een biografie, Antwerpen, 2008.

Titelafbeelding: James Ensor, L’Intrigue (1890).

Marjoleine Delva is student Cultuurgeschiedenis aan de KU Leuven. Ze schreef een masterproef over de kunstmarkt voor Les XX.

Don DeLillo's White Noise
De meeste gefotografeerde schuur in Amerika, uit Don DeLillo’s White Noise.

Several days later Murray asked me about a tourist attraction known as the most photographed barn in America. We drove twenty-two miles into the country around Farmington. There were meadows and apple orchards. White fences trailed through the rolling fields. Soon the signs started appearing. the most photographed barn in america. We counted five signs before we reached the site. There were forty cars and a tour bus in the makeshift lot. We walked along a cowpath to the slightly elevated spot set aside for viewing and photographing. All the people had cameras; some had tripods, telephoto lenses, filter kits. A man in a booth sold postcards and slides—pictures of the barn taken from the elevated spot. We stood near a grove of trees and watched the photographers. Murray maintained a prolonged silence, occasionally scrawling some notes in a little book.

“No one sees the barn,” he said finally.

A long silence followed.

“Once you’ve seen the signs about the barn, it becomes impossible to see the barn.”

He fell silent once more. People with cameras left the elevated site, replaced at once by others.

“We’re not here to capture an image, we’re here to maintain one. Every photograph reinforces the aura. Can you feel it, Jack? An accumulation of nameless energies.”

There was an extended silence. The man in the booth sold postcards and slides.

“Being here is a kind of spiritual surrender. We see only what the others see. The thousands who were here in the past, those who will come in the future. We’ve agreed to be part of a collective perception. This literally colors our vision. A religious experience in a way, like all tourism.”

Another silence ensued.

“They are taking pictures of taking pictures,” he said.

He did not speak for a while. We listened to the incessant clicking of shutter release buttons, the rustling crank of levers that advanced the film.

“What was the barn like before it was photographed?” he said. “What did it look like, how was it different from other barns, how was it similar to other barns? We can’t answer these questions because we’ve read the signs, seen the people snapping the pictures. We can’t get outside the aura. We’re part of the aura. We’re here, we’re now.”

He seemed immensely pleased by this.


Geen roman ademt zozeer de geest van het postmodernisme van de jaren zeventig en tachtig als White Noise van de Amerikaanse auteur Don DeLillo. De roman volgt de lotgevallen van Jack Gladney, een succesvolle professor in de Hitler Studies. Ondanks zijn gebrek aan kennis van het Duits wist Gladney de grote pionier van de Hitler Studies in de VS te worden. Zijn collega en vriend Murray heeft de ambitie hetzelfde te doen met Elvis. Gladney woont samen met zijn vierde of vijfde vrouw (na zijn derde huwelijk trouwde hij opnieuw met zijn eerste vrouw), Babette, en vier kinderen die ze uit allemaal verschillende eerdere huwelijken hebben.

Met een mengeling van afkerige ironie en verbaasde bewondering kijkt Gladney naar de wereld om zich heen, de populaire cultuur en de massaconsumptie, het academisch leven en de technologie. Gladney en zijn vrouw zijn bezeten door een allesverterende doodsangst. Niet de dood is echter hun grote vijand, maar de doodsangst zelf. Op briljante wijze geeft DeLillo de postmoderne condition humaine weer: steeds afstandelijk en ironisch, zelfs tegenover het eigen leven, maar tegelijk in continue angst voor het einde van dat leven.

Het fragment hierboven sluit aan bij een ander inzicht van het postmodernisme dat de cultuurgeschiedenis blijvend heeft getekend: de realiteit wordt door onze eigen blik tot stand gebracht. De meest gefotografeerde schuur van Amerika is geworden wat ze is, net door die vele foto’s, net door zijn reputatie als meest gefotografeerde schuur. We kunnen de schuur niet zien zonder ze als meest gefotografeerde schuur te zien. Op dezelfde manier is het onmogelijk het verleden te kennen, los van vroegere ideeën over dat verleden.

Tekstfragment: Don DeLillo, White Noise, Viking Press, 1985. Toelichting: Elwin Hofman.

Verliefd op Chris Lomme

In 1977 vierde de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) zijn honderdjarig bestaan. Centraal stond de ontstaansgeschiedenis van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, die de noodzakelijkheid van het voortbestaan van de KVS moest beklemtonen. Reden tot feestvreugde was er echter niet. Het theater kampte al jaren met financiële problemen en een slechte reputatie. Een nieuwe toekomstvisie ontbrak. Dat was ook de critici niet ontgaan. Theaterrecensent Carlos Tindemans uitte zijn ongenoegen naar aanleiding van het huldeboek in 1977: “Blijkbaar is het blote feit dat de KVS het honderd jaar heeft volgehouden voldoende om de maanzieke nostalgie van een kultureel bolwerk te verantwoorden”.

Noodzakelijke Vlaamse aanwezigheid

Affiche voor de herneming van de show ‘Waar is Charley?’ met Nand Buyl in de glansrol.
Affiche voor de herneming van de show ‘Waar is Charley?’ met Nand Buyl in de glansrol.

Een of twee decennia eerder was er van een crisis nog geen sprake. Het aantreden van theaterdirecteur Victor De Ruyter in 1956 luidde een bloeiperiode in voor de KVS. Vooral vanaf het begin van de jaren zestig zorgde zijn commerciële programmatiebeleid voor een toenemend aantal toeschouwers. Een productie moest volgens De Ruyter in de eerste plaats voldoende opbrengen. Voor risico’s was er tijd noch geld. Het gevolg was een inconsistent ‘voor elk wat wils’-repertoire. De Ruyter mikte vooral op ongenuanceerde blijspelen met herkenbare personages en toneelstukken met felle dramatische actie, intriges en logische plots om toeschouwers te lokken. Publiekslievelingen als Nand Buyl en Chris Lomme werden voortdurend gecast om de zalen te vullen.

De grotere publieksopkomst in de jaren zestig was niet alleen te danken aan de commerciële strategieën. Het succes van de KVS steunde op de consensus over de Vlaamse rol van het gezelschap. De Ruyter, de toeschouwers, Vlaamse pers en politiek waren het eens over het belang van de KVS in de hoofdstad. Als symbolisch referentiepunt vertegenwoordigde de KVS de “noodzakelijke Vlaamse aanwezigheid” in Brussel. In het theater konden Vlamingen elkaar ontmoeten, luisteren naar keurig Nederlands en zich deel voelen van een gemeenschap. Dialecten waren uit den boze. Brusselse of Vlaamse taalvarianten zouden enkel de Vlaamse minderwaardigheid versterken. Het kwam er voor de acteurs op aan om het taalgebruik te baseren op de gesproken taal in Nederland. Alleen zo zou uit de “platte dialectische uitspraak” in Vlaanderen een “beschaafde” taal ontstaan.

De KVS werd in de jaren zestig ook de inzet van een doelgericht cultuurbeleid. De christendemocratische ministers Renaat Van Elslande en Frans Van Mechelen richtten zich op de democratisering van de cultuur en cultuurspreiding. Ze investeerden in de oprichting van culturele centra en trachtten de bestaande infrastructuur te handhaven. Brussel was een ankerpunt in dat cultuurbeleid. Door de gestage verfransing was het voor Van Elslande en Van Mechelen uiterst belangrijk om er ontmoetingsplaatsen voor Vlamingen te creëren.

Legitimiteitscrisis

Directeur Victor De Ruyter circa 1950.
Directeur Victor De Ruyter circa 1950.

Na het revolutiejaar 1968 verloren de Vlaamse schouwburgen hun krediet. Voor het eerst werden er strenge eisen aan het theater an sich gesteld. Vernieuwing en engagement werden het nieuwe credo. Theaters moesten experimenteren en oog hebben voor de hedendaagse problemen in de maatschappij. Een nieuwe generatie journalisten stond op en gaf de schouwburgen, omwille van hun gebrek aan een duidelijke profilering, de volle laag. Bert Verhoye verpakte zijn cynisme in het liberaal culturele tijdschrift De Vlaamse Gids vanaf 1972 onder de toepasselijke titel ‘Theatritis’: “Theater houdt in dit land verband met gewrichtsontsteking in die zin dat een stram lichaam vaak de enige gewaarwording is die je na een avond toneelgenot doorzindert”.

Toch wijzigde de KVS niet van koers. Een besloten houding en een gebrek aan interactie met andere gezelschappen verhinderden de intrede van nieuwe ideeën of praktijken die sterk afweken van de vertrouwde gang van zaken. De Ruyter en zijn opvolgers hielden vast aan de aloude functie van de schouwburg als producent van gemeenschapstheater: verantwoord toneel voor een grote gemeenschap. Een traditioneel gezelschap mocht zich volgens De Ruyter “niet vergooien aan eksperimenten voor een auditorium van een paar snobs of twee”.

De nieuwe ideeën over theater hadden wél een grote invloed op de terugval van het schouwburgpubliek. In vier jaar tijd, van 1966 tot 1970, evolueerde de KVS van een goed draaiende onderneming naar een schouwburg in crisis. De toeschouwers haakten in groten getale af. De Ruyter stond er machteloos tegenover. Naar eigen zeggen kon hij de smaak van het publiek niet meer beoordelen. Het Brusselse stadstheater raakte verstrikt in een langgerekte legitimiteitscrisis.

Bedrukte feeststemming

Het bezoek van Leopold II in 1887 stond in het teken van de inhuldiging van het theatergebouw
Het bezoek van Leopold II in 1887 stond in het teken van de inhuldiging van het theatergebouw.

In die onzekere jaren vond het eeuwfeest van de KVS plaats. Attractie nummer één was de herneming van het negentiende-eeuwse stuk De Brusselse straatzanger van Julius Hoste, opgevoerd als een historische evocatie. Het toneelstuk bracht hulde aan Hoste en zijn betekenis voor de Vlaamse beweging. Ook refereerde het aan de symbolische Nederlandse toespraak van Leopold II in 1887, die zijn woorden naar aanleiding van de honderdvijfentwintigste opvoering van De Brusselse straatzanger door de schouwburg had laten galmen.

De boodschap was duidelijk, maar achterhaald. De ontstaansgeschiedenis moest tevergeefs het belang en de noodzakelijkheid van de KVS als ‘bolwerk’ van Vlaamse aanwezigheid in Brussel aantonen. Tevergeefs, want zulke verhalen hadden in 1977 veel van hun oorspronkelijke kracht verloren.

Meer lezen

Jolien Gijbels, ‘Van consensus naar crisis. Ambities en praktijken in en rond de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (1956-1977)’, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 45 (2015), 10-46.

Jolien Gijbels is als praktijkassistent en wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In 2013 studeerde ze af als Master in de Geschiedenis met een masterproef over de geschiedenis van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Ze deed nadien ook onderzoek naar de ervaringen van reizigers op het slagveld van Waterloo.

Kan men bloemen kweken in de hel?

Geweld, bloed, honger, ellende. Ons collectieve beeld van de Eerste Wereldoorlog laat weinig ruimte voor een bloeiende kunsthandel. Hippolyte Fierens-Gevaert, de hoofdconservator van de Belgische Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, stelde in 1919: “Qui parlait d’art, sinon pour pleurer sur des ruines?” Wie sprak nog over kunst, behalve om ruïnes te betreuren? 

Exposeren in een bezet land

Vluchten uit Antwerpen (1914).
Vluchten uit Antwerpen (1914).

Kunstenaars vluchtten naar Frankrijk, Engeland of Nederland, of gingen strijden aan het front. Musea staakten hun aankopen en de galerieën sloten hun deuren. Het leek een onpatriottisch gebaar om te genieten van kunst, terwijl zovele landgenoten sneuvelden. Maar toch viel de Belgische kunsthandel niet volledig stil. De Brusselse galeriehouder Georges Giroux had pas in 1912 zijn avant-garde galerie in de Koningsstraat 26 geopend en dacht er dus niet aan om in 1914 de boeken al neer te leggen. Bij het uitbreken van de oorlog schreef Giroux naar de kunstenaars die hij onder zijn hoede had genomen. Hij wilde met hun werken een expositie organiseren, zonder de galerie officieel te heropenen. Daarnaast zocht de handelaar ook actief naar onderdak voor gevluchte artiesten.

Portret van Georges Giroux.
Portret van Georges Giroux.

Jules Eslander, Giroux’ vennoot, schreef later in zijn memoires dat de galerie in 1915 amper 715 frank in kas had. Maar toen verschillende artiesten hun doeken kwamen aanbieden, dacht Eslander: “Waarom ook niet? Het zijn nu eenmaal vreemde tijden.” Hij kon Giroux overhalen om de zaak te heropenen en de galeriehouder begon voorzichtig met de expositie van werken die bij het bredere publiek in de smaak vielen. Al snel zou de galerie zich echter opnieuw richten op haar handelsmerk: de meer provocerende kunst.

AlexiaCoussement-BloemenHel-GGGVanaf 1916 organiseerde de Galerie Georges Giroux succesvolle veilingen waar er naast schilderijen en sculpturen ook meubels, tapijten en Oosters porselein onder de hamer gingen. De galerie bood bovendien de nodige inkomsten aan artiesten die nog in het bezette België verbleven en niet volledig afhankelijk wilden zijn van steunfondsen. Want hoe langer de oorlog aansleepte, hoe meer kunstenaars in financiële problemen geraakten. De galerie richtte zich tot een nieuwe groep van rijken die door de oorlog was ontstaan, de zogenaamde zeepbaronnen “die teren op de ellende van dezen tijd”. Het waren handelaars die door het najagen van woekerwinsten op de zwarte markt in korte tijd een fortuin wisten te vergaren. Door het aankopen van kunst hoopten ze tot de hogere kringen te gaan behoren. Giroux speelde hier slim op in.

De oorlog ondergaan  

De Galerie Georges Giroux in Koningstraat 26 in Brussel.
De Galerie Georges Giroux in
Koningstraat 26 in Brussel.

De Galerie Georges Giroux kwam er in de oorlogsperiode niet zonder kleerscheuren vanaf. De galerie huurde enkele kamers in het kasteel Eetveld en bracht er een groot deel van haar collectie in onder. Bij het uitbreken van de oorlog brandde het kasteel uit. De schade liep op tot 4.950 frank, wat in die tijd een klein fortuin was. Daarnaast kregen Georges Giroux en Eslander te maken met het verlies van kunstenaar en vriend Rik Wouters. In 1916 stierf hij in Nederland ten gevolge van een agressieve kanker aan de kaak. Wouters had sinds 1912 onder contract bij de GGG gestaan, wat inhield dat Giroux hem financieel en materieel ondersteunde. In ruil kreeg de galerie een monopolie op de verkoop van Wouters’ werken, waarbij ze doorgaans recht hadden op de helft van de winst. Wouters was overigens de eerste Belgische artiest die zich met een contract aan een galerie had verbonden.

Zelfportret van Rik Wouters.
Zelfportret van Rik Wouters.

Na Wouters’ dood raakte Giroux verwikkeld in een erfeniskwestie met de weduwe, Nel (Hélène) Duerinckx. Ze eiste dat Giroux het contract zou verscheuren, aangezien het niet meer gold na het overlijden van haar echtgenoot. Maar de galeriehouder weigerde op deze eis in te gaan, omdat hij nog altijd beschikte over een reeks niet-verkochte werken die onder deze contractvoorwaarde stonden. Het conflict werd door de oorlog op de lange baan geschoven, aangezien de twee partijen communiceerden via een stremmend gecensureerd postverkeer tussen Brussel en Nederland. Uiteindelijk kon Giroux zijn wil doordrijven en ontving hij de helft van de opbrengst. Hij bevestigde deze aanspraak in een nieuw contract dat hij door Nel in 1917 liet onderteken. Maar wanneer Georges Giroux in 1923 overleed, kwam Nel te weten dat er tijdens de oorlog geen bindende afspraken gemaakt konden worden, waardoor ze met een wrang gevoel achterbleef.

Kan men bloemen kweken in de hel? Kunstcriticus Karel Van De Woestijne vroeg het zich in 1915 af toen hij in zijn dagboek over de Brusselse kunsthandel schreef. De Galerie Georges Giroux slaagde er in elk geval in om ondanks de oorlogsperikelen kunst te verwerven, te exposeren en te verhandelen. De Belgische kunsthandel lag dus niet volledig lam lag tussen 1914 en 1918. De kunst vormde een aangename verademing voor Belgen met een toenemende oorlogsmoeheid.

Titelafbeelding: Flanders Fields by Kanza.

Alexia Coussement is student Cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over de Belgische kunsthandel tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Ettore Schmitz op twaalfjarige leeftijd (1874).
Ettore Schmitz op twaalfjarige leeftijd (1874).

Ettore (eigenlijk Aron Hector) Schmitz was twaalf toen hij naar een kostschool in Beieren werd gestuurd. Hij was geboren en had zijn kindertijd doorgebracht in Trieste, dat toen Oostenrijks was. Zijn moeder was joods-Italiaans, zijn grootvader aan vaderskant een Duitssprekende jood uit het Rijnland. Op de foto is de jongen te zien in zijn schooluniform. In 1878 keerde hij terug naar zijn geboortestad, die hij, op wat reizen na, niet meer zou verlaten. In 1896 huwde hij met Livia Veneziani en niet veel later trad hij, na zo’n twintig jaar voor een bank te hebben gewerkt, in dienst bij het bedrijf van zijn schoonouders, dat onderwaterverf voor schepen produceerde.

Schmitz leidde echter een soort van dubbelleven. Tot onbegrip van zijn omgeving schreef hij namelijk ook kortverhalen en drie romans: Una vita (‘Een leven’, 1892), Senilità (‘Ouderdom’, 1898) en La coscienza di Zeno (vertaald als ‘Bekentenissen van Zeno’, 1923). Hij koos daarvoor het pseudoniem Italo Svevo, waarmee hij zijn dubbele Duits-Italiaanse achtergrond expliciteerde: ‘Svevo’ is het Italiaans voor ‘Schwabisch’. Toen James Joyce in 1904 berooid in Trieste aanspoelde en met het geven van taallessen aan de kost probeerde te komen, was Svevo zijn steun en toeverlaat. Hij stond model voor Leopold Bloom, de protagonist van Ulysses (1922).

Kan een foto de tijd vastleggen? Het portret van de schooljongen krijgt betekenis als je weet wie hij is, of beter gezegd, wie hij zal worden. Die betekenis en de aantrekkelijkheid van het beeld liggen in the eye of the beholder, maar toch legt de foto meer vast dan één moment. Dit is de foto van een geniaal schrijver. Van iemand die een heel leven zal worstelen met een rookverslaving. Van een hoofd vol ambities en gedrevenheid, bewust van zijn eigen contradicties en zwakheid.

Tekst: Tom Verschaffel.

Aanbevolen-KateKangaslahti-Paviljoen
Het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling in Parijs, 1937.

Het Belgisch Paviljoen nam een prestigieuze plaats in op de Parijse gronden van de Exposition Internationale des arts et techniques dans la vie moderne in 1937. Die prominente plaats reflecteerde zowel de historische banden tussen beide landen als hun toenmalige politieke alliantie. Het lage bakstenen gebouw liep van de voet van de Eiffeltoren naar de Pont d’Iéna. Vanop de vele balkons en door de indrukwekkende ramen keken bezoekers uit op de Seine en de Jardins du Trocadéro, waar het Duitse en het Sovjetpaviljoen elkaar confronteerden.

De gelijkvormige oppervlakken en de horizontale lijnen van Henry Van de Veldes ontwerp onderscheidden de Belgische bijdrage niet alleen van de monolithische structuren van de totalitaire machten, maar ook van de Belgische paviljoenen van weleer. Die waren vaak gemodelleerd naar bestaande nationale monumenten: het stadhuis van Oudenaarde in 1900; het Brusselse justitiepaleis in 1925. De contouren van Van de Veldes gebouw waren in vergelijking strak en modern, en toch bijzonder door zijn keuze voor lokale materialen. De handgemaakte rode bakstenen onderscheidden het paviljoen van het landschap van witte constructies langs de Seine.

Van de Velde ontwierp ook het interieur van het paviljoen. Het werd een mengeling van luxueuze en populaire Belgische goederen, in lijn met het thema van de tentoonstelling: een modern huwelijk van kunst en technologie in het dagelijkse leven. Het was een idee dat de ouder wordende architect nauw aan het hart lag. Sinds 1926 promootte hij, vanuit het Institut Supérieur des Arts Décoratifs in Brussel, een modernistische benadering doorheen de verschillende artistieke disciplines, en trachtte hij een rol voor de kunstenaar te vrijwaren in het industriële productieproces. Hij hoopte dat het paviljoen na afloop van de tentoonstelling als een creatief centrum heropgebouwd zou worden in Brussel, maar het werd afgebroken in 1938. Het enige wat er vandaag van overblijft, zijn de originele tekeningen en enkele foto’s, zoals deze.

Tekst: Kate Kangaslahti. Foto: Photographies en couleurs. Exposition Internationale des arts et techniques appliqués à la vie moderne, Paris, 1937. Album officiel, Parijs, 1937. 

Hebben Amerikanen een ziel?

Marcel Florkin.
Marcel Florkin.

Tussen de wereldoorlogen gingen honderden, vaak jonge Belgische wetenschappers met een reisbeurs naar de Verenigde Staten. Van veel van deze reizen zijn verslagen bewaard gebleven, die een beeld geven van de Europese kijk op Amerika. In zijn verslag uit 1929 waarschuwde de Luikse biochemicus Marcel Florkin voor een al te gemakkelijk oordeel. De Belgen moesten zelf in contact treden met de Amerikanen en niet vervallen in de clichématige ophemeling of afwijzing. Niet alles was fantastisch in Amerika, maar evenmin vormden de Verenigde Staten ‘a nation of Babbitts, of soulless automatons’.

Ondanks Florkins waarschuwing was de waarneming van de Belgische wetenschappers gestandaardiseerd. Steeds weer kwamen de beelden van het dynamische Amerikaanse leven voorbij: de auto, de wolkenkrabber, de democratische omgangsvormen. Velen bewonderden de wetenschappelijke uitrusting en stand van zaken. Anderen maakten zich even clichématig zorgen over de oprukkende populaire cultuur en het gebrek aan originaliteit. Voor deze laatsten waren de bewoners van de Verenigde Staten wel degelijk ‘Babbitts’ – naar de door Sinclair Lewis geschapen romanfiguur.

BabbitCoverBabbitt, uit 1922, is dan ook een onweerstaanbare satire op het leven in de fictieve middelgrote stad Zenith. George Follansbee Babbit is een makelaar in immobiliën; hij bezit een modern huis in een buitenwijk dat van alle gemakken voorzien is; hij heeft een snelle auto en een elektronische sigarenaansteker, een degelijk ‘vrouwtje’ en drie opgroeiende kinderen. Babbitt is lid van de Boosters, een club van Zenithse heren die het erg met zichzelf hebben getroffen en die, even enthousiast als oppervlakkig, hun stad willen opstuwen in de vaart der volkeren.

 

Sinclair Lewis.
Sinclair Lewis.

Lewis’ beschrijving van Babbitt, zijn Werdegang en zijn soortgenoten bespot precies dat wat vele Europeanen in Amerika afwezen: het gebrek aan cultuur, de snelheidsgekte, de schreeuwerigheid, het materialisme. In 1930 kreeg Lewis als eerste Amerikaan de Nobelprijs voor de literatuur, ook voor zijn even scherpe romans Main Street (over een klein Amerikaans dorp) en Arrowsmith (over de Amerikaanse wetenschap). Het oordeel over de Verenigde Staten dat erin naar voren komt mag kort door de bocht zijn, het werd – ook getuige de verslagen van de Belgische wetenschappers – wél breed gedeeld. En het is heerlijk om te lezen, bijvoorbeeld als Babbitt in de trein in gesprek raakt met ‘het type mannen dat hij kwalificeerde als de Beste Kerels Die Je Ooit Zult Tegenkomen, Echt Geschikte Lui’:

‘Voor hen was de Romantische Held niet meer de ridder, de troubadour, de cowboy, de piloot of de dappere jonge officier van justitie, maar de geweldige verkoopdirecteur, die op zijn glazen bureaublad een Marktanalyse had liggen, die Doorzetter als adellijke titel voerde en die zich samen met al zijn jonge samoerai inzette voor het kosmische ideaal van Verkopen – niet het verkopen van iets specifieks, voor of aan iemand in het bijzonder, maar puur het Verkopen.’

Gelukkig is Babbitt sinds vorig jaar weer in Nederlandse vertaling beschikbaar.

Pieter Huistra is gastblogger. Hij is als universitair docent theorie van de geschiedenis verbonden aan de Universiteit Utrecht. Zijn onderzoek betreft de wetenschapsgeschiedenis in breedste zin, van de geesteswetenschappen tot de natuur- en biomedische wetenschappen.