Een kleine geschiedenis van het dankwoord

Het dankwoord is een bijzonder genre. Hoe onpersoonlijk een academisch boek verder ook is, in het dankwoord geven auteurs een stukje van hun ziel bloot. Tussen waslijsten van namen ontwaren we persoonlijke relaties en diepe gevoelens, blijken van erkenning en tekenen van humor. Maar ondanks die persoonlijke stijl staat in de meeste dankwoorden toch min of meer hetzelfde. In het dankwoord geven onderzoekers immers aan dat ze zich de normen en het zelfbeeld van hun beroepsgroep eigen hebben gemaakt. Samen met die normen en dat zelfbeeld zijn dankwoorden de afgelopen eeuw dan ook sterk veranderd.

Een aangename plicht

Het dankwoord zoals we het vandaag kennen, vooraan of tegenwoordig ook vaak achteraan in een boek, is nog vrij jong. De gewoonte om in België de term ‘dankwoord’ te gebruiken in bijvoorbeeld doctoraten – een tekstgenre waarbij dankwoorden heel gebruikelijk zijn – kwam pas op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Sinds de jaren zeventig was het echter al gebruikelijk om een ‘voorwoord’ te schrijven dat in veel gevallen ook enkel een dankwoord was. En nog daarvoor was het (al zeker sinds de negentiende eeuw) gebruikelijk om aan het einde van de inleiding een of twee alinea’s voor te behouden voor het betuigen van erkentelijkheid aan zij die tot het proefschrift bijdroegen.

Prof. Dr. Emile Lousse (1905-1986) werd al eens bedankt voor zijn ‘vriendelijke vingerwijzingen’.

De vorm en benaming van het dankwoord is niet zonder belang. Niet alleen is het dankwoord vooral in de jaren tachtig sterk in lengte toegenomen, de functie ervan is ook veranderd. De woorden van dank die tot de jaren vijftig werden geschreven, legden heel sterk de nadruk op ‘erkentelijkheid’. ‘Het is ons een aangename plicht onze erkentelijkheid te betuigen’, schreef zuster Marie Hereswitha in 1941, ‘aan allen die ons in meerdere of mindere mate behulpzaam waren bij het tot stand komen van ons werk.’ De onderzoekers vonden het hun plicht om aan te geven dat hun proefschrift niet alleen hun eigen werk was, maar ook dat van anderen. ‘Als ons werk enige verdienste heeft,’ klonk het nog in 1959, ‘dan danken wij dit aan de heren Professoren’. De jonge academici toonden dat ze zich de deugd van de bescheidenheid hadden eigen gemaakt.

Die nadruk op plicht en erkenning is sinds de jaren zestig op het achterplan geraakt. De deugd van bescheidenheid maakte plaats voor die van persoonlijke dankbaarheid. ‘Wij geloven niet dat onze boot zonder zijn vaste hand de eindhaven zou bereikt hebben’, schreef Klaas Maddens over de promotor van zijn proefschrift in 1975. De prille onderzoeker presenteerde het proefschrift veel meer als een eigen werk en sprak persoonlijk dank uit aan al wie daarbij geholpen had. Dat werd niet zozeer als een plicht voorgesteld, hoe aangenaam die ook mocht geweest zijn, maar als een quasi-spontane, hoogst individuele uiting van een gevoel. ‘Het eindpunt van een dissertatie is een moment van onversneden vreugde. Niet alleen omdat de tekst afgeleverd wordt, maar ook omdat ik dankbaar kan terugdenken aan al wie zijn fervente steun verleende’, klonk het in 1993. Een ideaal van plichtsgetrouwheid ruimde plaats voor een ideaal van oprechtheid.

Vereerde leermeesters

De geschiedenis van het dankwoord is er een van winnaars en verliezers. De enige vaste waarde in dankwoorden bij proefschriften is dat de promotoren die het proefschrift begeleidden genoemd worden – zelfs bij grote onvrede over die begeleiding. De manier waarop is evenwel ook veranderd: werden promotoren in de eerste helft van de twintigste eeuw nog wel eens voor hun ‘vriendelijke vingerwijzingen’ bedankt, dan werd het in het nieuwe millennium gebruikelijker om de promotor voor het vertrouwen en de steun te bedanken, welaan, zelfs te stellen dat de promotor een vriend was geworden.

Fragment uit het dankwoord van Lode Wils.

De grote verliezers zijn de andere professoren van de faculteit. Sinds de negentiende eeuw was het gebruikelijk om hen met name te bedanken. In 1954 liet Lode Wils nog weten dat het zijn ‘aangename plicht’ was om ‘hier onze dank te mogen uitdrukken tegenover onze vereerde leermeesters aan de Katholieke Universiteit te Leuven, aan wie wij onze wetenschappelijke opleiding verschuldigd zijn, en wier verheven voorbeeld in ons het verlangen gewekt heeft om naar mogelijkheden tot de wetenschap bij te dragen.’ Maar vanaf de jaren zestig verdwenen de vereerde leermeesters uit het beeld. Enkel als ze actief aan het proefschrift bijdroegen, bijvoorbeeld door hoofdstukken na te lezen, verdienden ze een vermelding. En die was zelden nog zo barok als bij Wils.

Gelukkig zijn er naast verliezers ook winnaars. Tot rond 1975 bestond het volledige bedankte publiek in een proefschrift uit zeergeleerde professoren en figuren in de marge van het academisch bedrijf: bibliothecarissen, proeflezers, financierende instellingen. Sindsdien verschenen er heel wat figuren die eigenlijk niets met het proefschrift te maken hadden, maar de auteur ervan moreel en emotioneel ondersteund hadden. Eerst kwamen de ouders en de echtgenotes. Ze werden al snel vergezeld door broers en zussen, grootouders, kinderen, huisgenoten, oude studievrienden, bureaugenoten en ex-lieven. Zij werden bedankt voor steun en verstrooiing en hen werd verontschuldiging gevraagd voor de vele afwezigheden tijdens de afwerking van het proefschrift (een tijdlang was er zelfs sprake van de ‘doctoraatsweduwe’). Academici tonen zo dat ze weliswaar menselijk zijn, maar dat het met hun arbeidsethos toch goed zit.

(CC-BY 3.0 Waov12)

Academische deugden

De geleerde van de eerste helft van de twintigste eeuw presenteerde zich als iemand die toegewijd, bescheiden en leergierig was en respect had voor hiërarchie en gebruiken. De geleerde bij het dagen van de eenentwintigste eeuw presenteerde zich als een mens van de wereld. Iemand die niet alleen met zijn of haar neus in de boeken zat, iemand die werk en persoonlijk leven in elkaar liet overvloeien. Het hoeft niet te verbazen dat net vanaf de jaren negentig de kwinkslag haar opgang maakte: plots doken in dankwoorden niet-bestaande personen, huisdieren of bekende zangers op. Tussen de bedankingen sloop al eens een speelse belediging. De onderzoeker van de eenentwintigste eeuw hecht belang aan oprechtheid, originaliteit en persoonlijkheid en schuwt verdenkingen van slaafs formalisme.

Elwin Hofman is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Momenteel schrijft hij aan het dankwoord van zijn proefschrift The Internalization of Man. Stigma, Criminal Justice and Self in the Southern Netherlands, 1750-1830.

Een gedachte over “Een kleine geschiedenis van het dankwoord

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *