Categorie archief: Lijsten

5x de eerste vrouw in Leuven

Het is 8 maart, Internationale Vrouwendag. Overal ter wereld voeren vrouwen vandaag actie voor gelijke rechten. Aan de Gentse universiteit vindt bijvoorbeeld een Women’s Strike plaats voor meer gendergelijkheid in de academische wereld. Het kostte vrouwen tot nog toe bijzonder veel moeite om aan de Vlaamse universiteiten binnen te breken en er op te klimmen in de hiërarchie. Ook aan de Leuvense universiteit konden vrouwen nog maar met mondjesmaat doordringen tot het professorenkorps en de hogere beleidsfuncties. We goten de moeizame vrouwelijke opmars aan de grootste universiteit van Vlaanderen in een lijstje.

  1. De eerste vrouwelijke studenten
Vrouwelijke studenten in de jaren 20. (Universiteitsarchief KU Leuven)

Bijna honderd jaar geleden, in 1920, stelde de Leuvense universiteit voor het eerst haar deuren open voor vrouwelijke studenten. Dat was een stuk later dan de universiteiten van onder meer Brussel en Gent, waar vrouwelijke studenten zich vanaf de vroege jaren 1880 konden inschrijven. Dat de Leuvense universiteit aanvankelijk niet stond te springen om vrouwelijke studenten te ontvangen, kon u eerder al lezen in een blogtekst over de Amerikaanse uitwisselingsstudente Anne B.C. Hart.

Na de Tweede Wereldoorlog schreven vrouwen zich aan de Leuvense universiteit steeds massaler in als student. Vandaag stromen er jaarlijks ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke studenten in, maar bij heel wat opleidingen is er wel een serieus genderonevenwicht. Zo rekruteert de opleiding Ingenieurswetenschappen veel meer mannelijke dan vrouwelijke studenten. Bij de opleiding Logopedische en Audiologische Wetenschappen is de situatie precies omgekeerd.

  1. De eerste vrouwelijke hoogleraar
Marguerite Lefèvre, de eerste vrouwelijke hoogleraar in Leuven.

In 1960 werd de geografe Marguerite Lefèvre de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Leuvense universiteit. Ze was toen al 66 jaar oud. Hoewel ze de taken die bij het hoogleraarschap hoorden al jaren uitoefende, talmde de universiteit bijzonder lang om haar de titel toe te kennen. De decennia nadien nam het aantal vrouwelijke professoren aan de Leuvense universiteit eerder aarzelend toe. Vandaag is iets meer dan een kwart van het Leuvense professorenkorps vrouw.

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit kreeg in het interbellum Irène Van der Bracht (niet zonder tegenkanting) als eerste vrouw de titel van hoogleraar. Zij doceerde er aan de afzonderlijke meisjesafdeling van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding. Het aantal vrouwen in het huidige professorenkorps van de Gentse universiteit benadert procentueel gezien dat van de Leuvense universiteit.

  1. De eerste vrouwelijke decaan
Katlijn Malfliet werd in 2010 de eerste vrouwelijke decaan aan de KU Leuven. (Rob Stevens)

Vrouwen stootten aan de Leuvense universiteit maar met mondjesmaat door tot het professorenkorps en binnen dat korps maakten zij ook uiterst traag promotie. Het aantal vrouwelijke professoren met de graad van gewoon hoogleraar is vandaag nog steeds erg gering. Die graad was en is nodig om – bijvoorbeeld – tot decaan van een faculteit te kunnen worden verkozen. Pas in 2010 kreeg de Leuvense universiteit met Katlijn Malfliet voor het eerst een vrouwelijke decaan, aan de Faculteit Sociale Wetenschappen. Momenteel heeft de Leuvense universiteit twee vrouwelijke decanen (op vijftien).

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit zijn momenteel alle elf decanen mannen. De universiteit had eerder wel al vijf vrouwelijke decanen (de eerste van 1978 tot 1980). Aan de Universiteit Antwerpen is vandaag een van de negen decanen een vrouw, aan de Vrije Universiteit Brussel een van de acht.

  1. De eerste vrouwelijke vicerector
De Leuvense rector en vicerectoren in 2014. Twee van de acht vicerectoren zijn vrouwen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Een trap boven de decanen staan in de universitaire hiërarchie de vicerectoren. Zij maken deel uit van de bestuursploeg van de rector. De Leuvense universiteit telt vandaag twee vrouwen in haar team van acht vicerectoren. Eén van die twee vrouwen is de eerder genoemde Malfliet, die als vicerector onder meer bevoegd is voor het diversiteitsbeleid van de universiteit. De Germaniste Emma Vorlat was de eerste vrouw die aan de Leuvense universiteit in de bestuursploeg van de rector werd opgenomen. In 1985 werd zij door rector Roger Dillemans aangesteld als groepsvoorzitter Humane Wetenschappen (toen werd voor deze functie nog niet de term ‘vicerector’ gebruikt).

Emma Vorlat in 2015. Zij was in 1985 de eerste vrouw die in de bestuursploeg van de KU Leuven werd opgenomen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Ter vergelijking: zowel aan de Universiteit Antwerpen als aan de Vrije Universiteit Brussel zijn er momenteel twee mannelijke en twee vrouwelijke vicerectoren. Aan de Gentse universiteit is er altijd maar één vicerector en dat was tot nu toe nog nooit een vrouw.

  1. De eerste vrouwelijke rector

Bij de laatste rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit moest burgerlijk ingenieur Karen Maex in de tweede rond nipt de duimen leggen tegen kerkjurist Rik Torfs. Naast Maex was ook burgerlijk ingenieur Tine Baelmans kandidaat geweest – zij waren de allereerste vrouwen die zich in de strijd om het Leuvense rectorschap hadden gegooid. Geen van beiden haalde het echter en de Leuvense universiteit kreeg in 2013 dus niet voor het eerst een vrouw aan het hoofd. Maex is intussen wel aangesteld als rector van de Universiteit van Amsterdam.

Met arts Marie De Groodt-Lasseel en historica Els Witte hadden in Vlaanderen het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (een van de voorlopers van de Universiteit Antwerpen) en de Vrije Universiteit Brussel respectievelijk van 1977 tot 1981 en van 1994 tot 2000, wel al een eerste vrouwelijke rector. Sinds 2013 is ook de Gentse universiteit met arts Anne De Paepe aan haar eerste vrouwelijke rector toe. In 2016 verkoos de Vrije Universiteit Brussel communicatiewetenschapster Caroline Pauwels als haar tweede vrouwelijke rector.

De kandidaten voor de nakende rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit zijn nog niet officieel bekend. In de Verenigde Staten stellen na de nederlaag van Hillary Clinton als eerste vrouwelijke kandidaat bij de presidentsverkiezingen heel wat ontgoochelde kiezers hun hoop op Michelle Obama. Met de hashtag ‘#Michelle2020’ porren zij de voormalige First Lady aan om zich na de eerste termijn van Donald Trump in de kiesstrijd voor het presidentschap te werpen. Wat denkt u – waar zal het glazen plafond het eerst aan diggelen gaan: aan het hoofd van het machtigste land van de wereld of aan het hoofd van de grootste universiteit van Vlaanderen?

Tekst: Liesbet Nys. Titelafbeelding: Cherchez la femme: stoet der togati bij de opening van het academiejaar 2006-2007. Fragment uit foto KU Leuven – Rob Stevens.

Negen middeleeuwse helden

De middeleeuwse mens hield van lijstjes maken. Er waren tal van lijsten van geleerden uit de klassieke oudheid. Er werden lijsten opgesteld om de diverse deugden te illustreren. Ook de bekende bestiaria zijn eigenlijk niet meer dan een opsomming van diersoorten. De meeste lijsten werden telkens door de auteur zelf samengesteld. De lijst van ‘de negen besten’ was echter ander type. De vorm ervan lag al op voorhand vast.

Koning Arthur als lid van de negen besten, detail wandtapijt (ca. 1400). Metropolitan Museum of Art.

‘De negen besten’ is een lijst van negen heersers en ridders uit de geschiedenis en mythologie. Ze moesten het ideaalbeeld van de ideale heerser tonen. De negen heersers zijn ingedeeld in drie groepen: de heidense, de joodse en de christelijke. De lijst zou rond 1300 ontstaan zijn in de Nederlanden met het anonieme gedicht Van neghen den besten dat door sommigen aan Jacob van Maerlant wordt toegewezen. Vanuit onze gewesten verspreidde de lijst zich razendsnel doorheen Europa. In de loop van de zeventiende eeuw verloor de lijst aan populariteit om in de achttiende eeuw volledig te verdwijnen. Vandaag zijn weliswaar enkele individuen uit de lijst nog wel bekend, de lijst zelf is al lang geen gemeengoed meer.

De negen besten waren ontzettend populair aan het hof en in aristocratische kringen. Zo schreef Jean Molinet in 1467 een lofdicht voor de pas overleden Bourgondische hertog Filips de Goede waarbij hij liet uitschijnen dat de gestorven hertog de eervolle lijst van helden vervoegde. Maar ook in het stedelijke milieu was het een bekend thema. Zo werden de negen besten afgebeeld in het oudste deel van het stadhuis van Keulen (1330) waar ze als prototype van rechtvaardige heersers het goede voorbeeld gaven. Ze werden ook vaak opgevoerd tijdens Blijde Intredes en andere processies. Maar ook in kerkelijke milieus werd de lijst vernoemd. Deze teksten stelden aan de lezer de retorische vraag waar de helden gebleven waren. Door de dood van deze helden centraal te stellen, wezen deze teksten vooral op de sterfelijkheid van de mens.

Godfried van Bouillion, detail fresco I Nove Prodi in Castello della Manta, Italië, ca. 1420

Ook alternatieve lijsten zagen al snel het licht. Zo werden de negen helden soms vergezeld door negen beste vrouwen, hoewel er discussie was over de samenstelling van deze lijst. Geen andere lijst werd echter zo populair of was zo wijdverspreid. Zowel in de literatuur als in de kunst was hun invloed enorm. De volgende keer dat je dus enkele heerschappen uit de lijst tegenkomt, is het nu op een schilderij, in een boek of op een gevel, besef dan dat het gaat om een (gedeeltelijke) weergave van de populairste lijst uit de late middeleeuwen.

De negen besten

  1. Hector

Hector was de zoon van Priamos, koning van Troje. Tijdens de Trojaanse oorlog was hij de belangrijkste verdediger van de stad tegen de Griekse aanvallers. Uiteindelijk werd hij door Achilles in een duel gedood, waarna de goden zijn lichaam beschermden tegen de mishandelingen van Achilles.

  1. Alexander de Grote

Alexander de Grote was koning van Macedonië en bouwde via zijn veroveringstochten een rijk uit van aan de Ionische Zee tot aan de Himalaya. Uiteindelijk stierf hij op 32-jarige leeftijd aan een onbekende ziekte.

  1. Julius Caesar

Julius Caesar was generaal en alleenheerser van Rome en vooral bekend van zijn verovering van Gallië. Hij werd door zijn politieke tegenstanders vermoord.

Houtsnede met daarop de drie heidense helden: Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar.
  1. Jozua

Jozua was een vertrouweling van Mozes en nam het leiderschap van Israël over na diens overlijden. Hij veroverde verschillende gebieden voor de joden en verspreidde zo mee het Jodendom.

  1. David

David was koning van Israël en stond bekend als een goed en rechtvaardig heerser. Hij versloeg Goliath in een heldhaftig duel. In de middeleeuwen geloofde men dat hij een voorvader was van Jozef, de stiefvader van Jezus.

  1. Judas Maccabeüs
Judas Maccabeüs.

Judas Maccabeus of Judas de Makkabeeër was een van de leiders van de Makkabese opstand. Hij veroverde de tempel en liet hem reinigen. Hij zou uiteindelijk sterven op het slagveld en het einde van de opstand niet meemaken.

  1. Arthur

Arthur was de legendarische koning van Brittannië en aanvoerder van de ridders van de ronde tafel. Hij was een populair figuur in de middeleeuwse literatuur.

  1. Karel de Grote

Karel de Grote was een Frankisch heerser die in 800 door de paus tot Keizer werd gekroond. Hij veroverde nieuwe gebieden en volkeren die hij vervolgens liet bekeren tot het christendom. Na zijn dood ontstonden al snel verschillende verhalen en legenden over hem.

  1. Godfried van Bouillon

Godfried van Bouillon was een held van de eerste kruistocht. Hij speelde een sleutelrol bij de verovering van Jeruzalem en verwierf zo faam bij zijn tijdgenoten. Hij kreeg de titel beschermer van Heilig Graf en zou ook in Jeruzalem sterven.

Meer lezen

De transcriptie van het Middelnederlandse gedicht Van neghen den besten.

W. Anrooij, Helden van weleer: de Negen Besten in de Nederlanden (1300-1700), Amsterdam, 1997.

Tekst: Hannelore Franck. Titelafbeelding: De negen besten op het stadhuis van Keulen, Elke Wetzig, Wikimedia Commons.

5 revolutionaire uitvindingen waar niemand in geloofde

In de negentiende en vroege twintigste eeuw oefenden wereldtentoonstellingen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Het waren feesten van vooruitgang, waar je kennis kon maken met nieuwe vormen van entertainment maar ook met de allerlaatste technologieën. Bovenal waren het manifestaties van het industriële kapitalisme. Een groeiend aantal (massa)producenten zocht internationale afzetmarkten voor hun producten en de wereldtentoonstellingen boden hen een manier om miljoenen potentiële klanten te bereiken.

De wereldtentoonstelling bracht echter niet voor alle fabrikanten het verhoopte succes. Dit is een lijst van uitvindingen die op een wereldtentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond werden en daar maar weinig succes kenden. Na technologische verbeteringen konden ze toch een belangrijke plaats in onze moderne samenleving veroveren.

  1. De ritssluiting (Chicago World’s Fair, 1893)

Het vroegste idee voor een ritssluiting kwam van de Amerikaan Elias Howe, die er in 1851 een patent op nam. Verdere stappen ondernam Howe echter niet, vermoedelijk omdat hij het te druk had met het op punt stellen van een andere uitvinding, de naaimachine.

Pas 44 jaar later bedacht Withcomb Judson, een mechanisch ingenieur uit Chicago, een sluiting gelijkaardig aan wat Howe had beschreven in zijn patent. Hij ontwierp een metalen treksluiting bestaande uit twee rijen, eentje met ogen en eentje met haken, die in elkaar konden grijpen. Nadat hij in 1891 een patent op zijn uitvinding had verkregen, startte hij een bedrijfje op in Hoboken, New Jersey, om de sluiting te commercialiseren. In 1893 toonde hij de meest recente versie op de Wereldtentoonstelling in Chicago. Er was helaas één fundamenteel probleem: de sluiting ging steeds vanzelf terug open. Het mag dan ook niet verbazen dat onder de 20 miljoen bezoekers aan de Chicago World’s Fair er maar één geïnteresseerde koper gevonden werd: de U.S. Postal Service  kocht 20 exemplaren om er hun postzakken mee af te sluiten.

De ritssluiting werd niettemin nog niet afgeschreven. Na jaren van studie werd in 1913 binnen het inmiddels overgenomen bedrijf van Judson, de Universal Fastener Company, alsnog een goedwerkende rits ontworpen. Het was de Zweeds-Amerikaanse ingenieur Gideon Sundback die dit voor elkaar kreeg door de haken en ogen te vervangen door tandjes en inkepingen. De timing zat goed: de ritssluiting stond net voor de Eerste Wereldoorlog op punt en vond een gretige afnemer in het Amerikaanse leger.

Het duurde nog twintig jaar om de mode-industrie te overtuigen van het nut van een ritssluiting. Er waren immers voldoende en prima alternatieven voorhanden. De producenten van ritsen en hun marketingafdelingen wisten rond het midden van de jaren 30 ten slotte toch een brede markt aan te boren, in eerste instantie door handig in te spelen op het (imaginaire) probleem van wat in het Engels ‘gaposis’ wordt genoemd, namelijk de ongewenste inkijk via de gaten tussen de knoopsluiting van strak zittende kledij. Ritssluitingen werden gepromoot als de oplossing voor dit gênante fenomeen. Een ander verkoopargument, namelijk dat de ritssluiting het uitkleden aanzienlijk versnelde, wist dan weer de meer warmbloedige consumenten te overtuigen.

  1. De zelfrijdende auto (New York World’s Fair, 1964)

Al in 1939 werd op de wereldtentoonstelling in New York gedroomd van zelfrijdende auto’s, die via radiobesturing vanuit een centrale toren veilig en vlot over de autostrade zouden geleid worden. In 1964 konden bezoekers aan het paviljoen van General Motors op de New York World’s Fair een prototype van een zelfrijdende auto bewonderen, de Firebird IV. Net als zijn eerdere naamgenoten was het ontwerp van deze auto geïnspireerd door de vormgeving van vliegtuigen en straaljagers in het bijzonder. Ondanks zijn aerodynamische uiterlijk haalde de Firebird IV geen hoge snelheden, want de auto was nog niet operationeel. Met het ontwerp wilde GM hun toekomstbeeld presenteren van een auto die zijn passagiers zelf doorheen het verkeer op de autosnelweg zou loodsen en dit tegen tweemaal de toen gangbare snelheid. De bestuurder zou zelf terug controle over het voertuig krijgen zodra hij de snelweg verliet.

Maar verder dan het prototype geraakte General Motors niet en het idee werd in de vroege jaren 1980 naar de prullenmand verwezen. Twee decennia later werd het terug opgepikt en de droom van GM is intussen bijna werkelijkheid.

  1. De faxmachine (Great Exhibition, Londen, 1851)
Image Courtesy of Old School Ads (via BizTech)

Het concept van de faxmachine  bestaat al sinds 1843, toen de Schotse uurwerkmaker Alexander Bain een patent nam op een ‘kopieertelegraaf’. Het principe behelst een elektrische machine met twee slingers, één in de verzender en één in de ontvanger, die gesynchroniseerd bewegen. Het lukte Bain echter niet meteen dit principe ook succesvol in de praktijk te brengen. De Brit Frederick Bakewell slaagde hier, dankzij zijn technologische verbeteringen aan Bains ontwerp, wel in. Hij demonstreerde zijn werkende machine op de Great Exhibition in Londen in 1851, tot grote ergernis van Bain, die gelijktijdig met een verbeterde versie kwam.

Ondanks verdere aanpassingen die toelieten om niet enkel handgeschreven berichten maar ook afbeeldingen over grote afstanden verzenden en ontvangen, bleef de grote doorbraak van de faxmachine uit. Er bleven immers teveel praktische problemen mee verbonden, zoals synchronisatie en de hoge kost voor de gebruikers. Het publiek dat op de New Yorkse wereldtentoonstelling van  1939 de eerste echt commercieel levensvatbare versie van de fax te zien kreeg, was zich er dan ook niet van bewust dat de uitvinding toen al bijna 100 jaar oud was. Grootschalig succes en zelfs een hip imago kende de fax uiteindelijk pas in de jaren 1970 en 1980, tijdens het yuppie –tijdperk.

  1. Een drijvende stad (Okinawa Ocean Expo, 1975)

Lang voor het Seasteading Institute in 2008 haar onderzoek startte naar de mogelijkheden van permanente, op zee drijvende steden, tekenden Japanse architecten al plannen voor drijvende luchthavens. Op de Expo’75 in Okinawa, een thematische wereldtentoonstelling gewijd aan oceanen en oceanografie, stelden ze bovendien hun plannen voor om delen van de oceaan te urbaniseren. De blikvanger van de tentoonstelling was Aquapolis, een drijvende stad ontworpen door de Japanse architect Kiyonori Kikutake en een prototype voor woongemeenschappen op zee.

  1. Humanoïde robots (New York World’s Fair, 1939)

Elektro, de robot die werd ontworpen en gerealiseerd door de Westinghouse Electric Corporation tussen 1937 en 1938, was zeker niet de eerste humanoïde robot. Al in 1495 bijvoorbeeld realiseerde Leonardo da Vinci een mechanische ridder die verschillende maar zeer eenvoudige handelingen kon uitvoeren zoals zitten, staan en de armen bewegen. Ook Elektro had buiten zijn amusementswaarde weinig te bieden – hij kon geen huishoudelijke taken op zich nemen of mensen anderszins assisteren. Bij zijn publieke debuut op de wereldtentoonstelling van 1939 was hij echter voor zowat alle bezoekers de eerste ontmoeting met een menselijk uitziende robot en met zijn lengte van 210cm en goudkleurige aluminium aankleding was hij een indrukwekkende verschijning. Hoewel Westinghouse honderdduizenden dollars investeerde in Elektro, beknotte de rudimentaire technologie van de dag echter letterlijk zijn bewegingsruimte. Hij kon 26 simpele handelingen uitvoeren, zoals wandelen, ballonnen opblazen en roken(!) en 700 woorden zeggen dankzij de 78-toerenplaat in zijn massieve borstkas.

Ondanks dit bescheiden repertoire werd hij de ster van de expo. Bezoekers waren diep onder de indruk van zijn spraakvermogen en van hoe hij in staat was orders te begrijpen en uit te voeren. Bij zijn verschijning op het balkon waar hij zijn kunsten aan het publiek toonde, overschouwde Elektro dan ook in de regel een massa mensen zoals enkel de grootsten der volksmenners die op de been konden brengen. Hij belichaamde het eindeloze vooruitgangsoptimisme dat de wereldtentoonstellingen zo graag wilden uitdragen.

Helaas voor Elektro was de wereld een heel andere plaats na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe tijdperk leek hij hopeloos verouderd, een restant uit eerdere, naïevere tijden. Hij werd dan ook enkel nog als onschuldig entertainment ingezet in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Toen hij ook daar de stempel ‘oubollig’ kreeg, moest Elektro elders aan de bak. Zijn ‘carrière’ bereikte in 1960 een dieptepunt met een rol in de film Sex Kittens Go to College (1960).

Terwijl humanoïde robots vandaag de dag een belangrijke rol spelen in allerhande soorten wetenschappelijk onderzoek, wordt ook de amusementswaarde van dergelijke robots weer geapprecieerd en worden ze vanuit die optiek meer en meer ingezet in de zorgsector. Een comeback van Elektro is dus nog niet uitgesloten.

Tekst: Nelleke Teughels. Titelafbeelding: Hall of Inventions, New York World’s Fair, 1940.

4 manieren om embryo’s te bemachtigen in de negentiende eeuw

De vroege stadia van de zwangerschap waren in het begin van de negentiende eeuw een medisch mysterie. De menselijke eicel werd pas ontdekt in 1827; Oscar Hertwig beschreef het principe van de bevruchting voor het eerst correct in 1876. In populaire voorstellingen werd het ongeboren leven veelal weergegeven als een kind in klein formaat: zwangerschap was in deze reeksen geen proces van ontwikkeling, maar louter van groei.

Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.
Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.

In een periode waarin studies over vrouwelijke anatomie frequent verschenen en de vergelijkende embryologie een hoge vlucht nam, bleef de kennis over de menselijke bevruchting en over de ontwikkeling van het menselijke embryo beperkt. Hoewel dit vandaag eigenaardig lijkt, is er een logische verklaring voor de trage ontwikkeling van de menselijke embryologie. In een tijdperk waarin er geen in-vitro technologie bestond, was het niet evident om zicht te krijgen op de eerste dagen en weken van de zwangerschap. Om embryo’s onder hun microscoop te krijgen, waren anatomen aangewezen op hun creativiteit – en op een flinke portie geluk.

  1. Miskramen

In de negentiende eeuw was de meest voorkomende ‘bron’ van embryo’s het miskraam. Wanneer vrouwen in het ziekenhuis onverwacht bloed verloren, grepen medici naar de microscoop in de hoop een embryo te ontdekken. Ook gewone vrouwen leerden om een arts te raadplegen bij abnormaal bloedverlies. De ontwikkeling van de embryologie ging zo hand in hand met een medicalisering van het miskraam, dat niet langer ‘afval’ of ‘klonters bloed’ maar een belangrijk medisch object produceerde: het embryo. Dit had gevolgen voor de ervaring van de zwangerschap: door de ontwikkeling van de embryologie werd het ongeboren leven vroeger als mens (h)erkend.

  1. Per post

In de tweede plaats waren embryologen afhankelijk van hun netwerk om ‘onderzoeksmateriaal’ te verkrijgen. Studenten en alumni werden aangemoedigd om bij interessante gevallen hun professor te contacteren. Dit was aantrekkelijk voor hen, omdat het gepaard ging met professioneel prestige. Een schenking van een interessant preparaat aan het anatomische museum betekende immers een vermelding van hun naam in wetenschappelijke genootschappen en tijdschriften. Om deze reden werden embryo’s en foetussen soms zelfs opgestuurd per post.

  1. Geluk bij autopsie

Miskramen brachten voornamelijk embryo’s voort met een lichamelijke beperking of pathologie, waardoor embryologen moeilijk zicht kregen op de normale ontwikkeling van het ongeboren leven. Daarom spoorden ze pathologen die een autopsie uitvoerden aan om steeds de inhoud van de baarmoeder te bekijken. Je wist immers nooit of de vrouw op de autopsietafel zwanger was geweest. In 1871 zwijmelde een Brusselse embryoloog van blijdschap:

“Een foetus van de eerste maand, integer en omringd door alle relevante organen… Deze vondst leidt tot een zeldzame vorm van geluk bij een oplettende arts.”

  1. Kweekprogramma’s
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.

Om hun kans op dit ‘zeldzame geluk’ te vergroten, gingen embryologen in de jaren 1930 over tot geplande programma’s. De Boston Egg Hunt, georganiseerd door het Carnegie instuut, is vandaag het bekendst. In dit project hoopten embryoloog John Rock en patholoog Arthur Hertig door middel van gynaecologische operaties embryo’s jonger dan veertien dagen oud te vinden. Hiertoe rekruteerden ze getrouwde vrouwen van minder dan 45 jaar oud met minstens twee kinderen, die een hysterectomie (een verwijdering van de baarmoeder) moesten ondergaan. Ze werden gevraagd om een dagboek bij te houden over hun menstruatiecyclus, lichaamstemperatuur en seksleven. Deze data bepaalden de planning van hun operatie, die meestal plaatsvond vlak na de eisprong om zo de kans op wetenschappelijk succes te vergroten. De 34 embryo’s die Rock en Hertig vonden bij 211 onwetende vrouwen, vormen nog steeds de basis voor onze voorstelling van de vroegste 17 dagen – of ‘Carnegie stages’ 1 tot 5 – van het menselijke leven.

Het resultaat

Dankzij deze vier methoden werd de menselijke ontwikkeling in kaart gebracht. In populaire voorstellingen werden de gevonden embryo’s en foetussen gerangschikt van klein naar groot – van bevruchting tot bevalling. Deze reeksen gingen steeds meer de schoonheid en het vernuft van het ongeboren leven belichamen. Toch berustten de eerste representaties van het zich ontwikkelende embryo op miskramen, doodgeboortes en abortus. In een tijdperk zonder in-vitro technologie kon kennis over het leven slechts verkregen worden via de omweg van de dood.

Tekst: Tinne Claes. Titelafbeelding: Hermann Friedrich Kilian, Geburtshülflicher Atlas in 48 Tafeln und erklärendem Texte (Dusseldorf 1835-44). Wellcome Library, London (CC-BY-4.0).

De 7 grootste wijsheden uit meer dan 38 miljoen boeken

In 1897 opende de nieuwe Library of Congress in Washington, DC. Al wie zich in dat gebouw waagt, moet zich meteen bewust zijn van het belang van de collectie, die intussen meer dan 38 miljoen boeken omvat. Daarom werden de muren van de ‘Great Hall’ onder meer versierd met de grootste boekenwijsheden. De zeven opmerkelijkste zijn:

  1. Science is organized knowledge
  2. There is but one temple in the universe and that is the body of man
  3. The true university of these days is a collection of books
  4. Only the actions of the just smell sweet and blossom in the dust
  5. The history of the world is the biography of great men
  6. Knowledge comes, but wisdom lingers
  7. Ignorance is the curse of God, knowledge the wing wherewith we fly to heaven

De citaten komen uit een weinig universele canon. Ze zijn vooral ontleend aan Britse schrijvers als Shakespeare en Carlyle, aangevuld met antieke en Bijbelse zinsneden. Steeds wordt de mens centraal geplaatst, met een alomvattende kennis om hem heen. Die kennis was direct toegankelijk – tegenwoordig is de bibliotheek wel uitgerust met veiligheidspoortjes – en bruikbaar.

Een deel van de decoratie van de ‘Great Hall’, met onder andere het drukkersmerk van ‘Harper & Brothers’ uit New York.
Een deel van de decoratie van de ‘Great Hall’, met onder andere het drukkersmerk van ‘Harper & Brothers’ uit New York.

Zoals dat hoort in Amerika, was de instelling ondergebracht in het ‘grootste, duurste en veiligste’ bibliotheekgebouw ter wereld. Dat mocht ook wel, want voor de bibliotheek in 1897 in het huidige gebouw terechtkwam, was al twee keer een groot deel van de collectie in vlammen opgegaan. In haar nieuwe huisvesting kon de bibliotheekverzameling werkelijk omvangrijk en universeel worden. De opmerkelijke ‘Beaux Arts’-decoratie moest in woord en beeld duidelijk maken dat de Amerikaanse cultuur aan de Europese kon tippen, en deze zelfs overtrof. Baseball en football werden er op het plafond op dezelfde hoogte geplaatst als de oude Olympische sporten.

Marnix Gijsen, de stem uit Amerika, stelde in de jaren 1920 vast dat de Amerikaanse bibliotheken zich ‘dichter bij het hart des volks’ bevonden dan de Europese. Maar de ‘ontzaggelijk rijke’ Library of Congress, die vond hij maar lelijk.

Meer lezen?

John Y. Cole, On These Walls. Inscriptions and Quotations in the Buildings of the Library of Congress, Washington, DC, 1995.

Marnix Gijsen, Ontdek Amerika, Brussel en Bussum, 1927.

Tekst: Timo Van Havere. Afbeeldingen: Library of Congress, LC-DIG-npcc-30429 en LC-DIG-highsm-02218.

Vijf redenen waarom we lijsten posten

Met cultuurgeschiedenis.be willen we het verleden naar buiten brengen. De blog is een etalage van open wetenschap. Een blog is echter een medium met een oneindigheid aan mogelijkheden. Om steeds een nieuw publiek aan te spreken en ons bestaande publiek te blijven boeien, experimenteren we geregeld met nieuwe formats. Vanaf vandaag starten we daarom met lijsten. Vanaf nu brengen we daarom om de twee weken – afwisselend met onze langere stukken in lopende tekst – een lijst met cultuurgeschiedenis. Daar hebben we vijf redenen voor.

  1. Lijsten zijn een cultureel fenomeen

eco-betoveringlijstenLijsten maken we al de hele geschiedenis lang. Het is haast onmogelijk de menselijke geschiedenis te bestuderen zonder een lijst te ontmoeten. Een van de grote pleitbezorgers van de lijst was de dit jaar overleden Italiaanse schrijver en semioticus Umberto Eco. “De lijst is de oorsprong van de cultuur”, zei Eco in een interview. “Hij is deel van de geschiedenis van de kunst en literatuur. Wat wil cultuur? Oneindigheid begrijpelijk maken. Orde creëren – niet altijd, maar vaak. En hoe, als mensen, gaan we om met oneindigheid? Hoe proberen we het onbegrijpelijke te begrijpen? Door lijsten, door catalogi, door collecties in musea, door encyclopedieën en woordenboeken.”  Er zijn lijsten bij Homeros, bij Thomas Mann en bij James Joyce; bij Perec, Prévert en Whitman; bij Galileo, Borges en Warhol. Lijsten zijn een onontkoombaar deel van de cultuur.

  1. Lijsten hebben de geschiedenis veranderd
De stellingen van Luther.
De stellingen van Luther.

In 1517 spijkerde Luther een lijst 95 controversiële religieuze stellingen aan een kerkdeur in Wittenberg. Het debat dat hij daarmee opende wordt algemeen aanvaard als een van de aanleidingen voor het ontstaan van het protestantisme. Met zijn lijst legde Luther de basis van een enorme breuk in de christelijke geloofsgemeenschap. Ze leidde tot hernieuwde geloofsijver en religieuze oorlogen. De lijst van Luther heeft de wereldgeschiedenis veranderd.

De stellingen van Luther is zeker niet enige lijst die een enorme impact heeft gehad. De Tien Geboden legden de basis van een nog steeds nazinderende christelijke moraal. De Veertien Punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson hebben het leven na de Eerste Wereldoorlog bepaald en leidden onder meer tot de oprichting van de Volkenbond. De lijst met de rechten van de mens, in vele vormen aangenomen van de achttiende tot de twintigste eeuw, heeft de basis gelegd van heel wat nationaal en internationaal beleid.

Niet alleen op hoog niveau, maar ook in het alledaagse leven spelen lijsten een niet te onderschatten rol. De boodschappenlijst, de bucket list, de to-do lijst, de Ultratop – het zijn stuk voor stuk lijsten die ons dagelijks leven sterk beïnvloeden. Als de lijst zo’n grote invloed heeft, dan mag ze niet op onze blog ontbreken.

  1. Lijsten dwingen ons tot nadenken

Lijsten zijn dus belangrijke historische en culturele fenomenen. Maar ook voor historici is het interessant om zelf lijsten te maken, net omdat we het niet gewoon zijn. We denken meestal in zinnen en paragrafen, in delen en hoofdstukken. Het formaat van de lijst dwingt ons onze gedachten en onze materialen op een andere manier te ordenen – een manier die misschien tot nieuwe inzichten kan leiden, zowel voor de schrijver als voor de lezer.

  1. Lijsten trekken mensen aan

We willen er ook niet flauw over doen: we maken ook lijsten omdat ze erg populair lijken te zijn. Ons met stip meest gelezen bericht ooit is meteen onze enige (vroegere) lijst: De vijf meest gebruikte scheldwoorden in middeleeuws Vlaanderen. Er zijn al tal van wetenschappelijke en minder wetenschappelijke studies naar gebeurd: mensen houden van lijsten. Ze suggereren een omschreven, bevatbare realiteit. Ze suggereren informatie de gemakkelijk en snel te verwerken is. Net omdat de informatie op het internet zo onbegrensd is, spreekt de lijst, met haar illusie van begrensdheid, ons zo aan.

We hopen dan ook met onze lijsten een nieuw publiek te kunnen aanboren, dat zo misschien ook de weg kan vinden naar onze langere, lopende teksten. Tegelijk hopen we ons bestaande publiek – u, beste lezer – met dit nieuwe format te kunnen blijven boeien. De lijst past zo in onze doelstellingen om cultuurgeschiedenis naar een zo breed mogelijk publiek te verspreiden.

  1. Cultuurpessimisme is passé

Er wordt wel eens meewarig gedaan over de vele onnozele lijstjes die het internet rijk is. Ze herleiden de mens tot hersenloze klikmachines. Ze bieden sensatie zonder inhoud, oppervlakkige weetjes zonder diepgang. Het internet met al haar lijstjes en fragmenten zorgt ervoor dat we ons niet meer op een langere diepgaande tekst kunnen concentreren.
(lees verder onder de afbeelding)

Cartoon van XKCD - http://xkcd.com/1283/
Cartoon van XKCD.

Aan dergelijke cultuurkritiek – misschien zelfs cultuurpessimisme – willen we niet meedoen. Op gezette tijden weerklinken kritieken op nieuwe media en nieuwe genres. De roman werd bij haar opkomst verketterd, neergesabeld. De televisie was een ramp voor de jeugd. De komst van de tabloid is nog altijd niet verteerd. Daarmee willen we niet beweren dat kritiek op die nieuwe genres en media altijd onterecht is. Er zijn inderdaad veel lijstjes die te onnozel voor woorden zijn. Misschien zijn online lijstjes vaak te oppervlakkig en te fragmentarisch. Maar de kunst is niet om kritiek te geven op een populair genre. De kunst is om het genre naar je hand te zetten. Dat willen we doen met cultuurgeschiedenis.be. Met de nodige humor, uiteraard. Sensatie, ook. Maar steevast ook met een cultuurhistorische meerwaarde.

En jullie?

Wat denken jullie? Zijn lijsten een zinvol medium op deze blog? Hebben we argumenten over het hoofd gezien?