Waarom de Duitse bezetter in 1940 twee sterk verschillende Lage Landen aantrof

Gastblog door Marnix Beyen bij het verschijnen van De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag.

Op 29 mei 1940, daags na de capitulatie van het Belgische leger, verhuisde het slechts tien dagen eerder in Den Haag gevestigde Duitse militaire bestuur over België en Nederland naar Brussel. Nederland zelf kreeg een burgerlijk bestuur in de plaats onder leiding van de Oostenrijkse nazi Arthur Seyss-Inquart. In een terugblik op zijn tiendaagse bestuursperiode in Den Haag schreef de militaire bevelhebber Alexander von Falkenhausen dat hij er zorg voor had gedragen “het werk in Nederland op de vrijwillige medewerking van de Hollandse overheden te laten berusten”. En, zo voegde hij eraan toe, “het succes was verrassend groot”. De staatssecretarissen werkten als “een voorlopige en door ons niet erkende regering gewillig en loyaal mee. Een ingrijpen van onze kant was niet nodig; in enkele gevallen volstond een lichte druk”.

Politiek versus bestuur

Portiers in de Grand Casino in Limoges, waar de Verenigde Belgische Kamers stelling namen tegen de capitulatie door Leopold III (collectie RTBf).

Tegenstand van de parlementaire elites moest de conservatieve Pruisische aristocraat sowieso niet verwachten, want de Staten-Generaal (het Nederlandse parlement) hadden hun activiteiten meteen na de Duitse inval stopgezet. Dat was anders in België. Al een dag na de installatie van het militaire bestuur in Brussel stemde een groot aantal Belgische parlementairen tijdens een inderhaast geïmproviseerde bijeenkomst in het Franse Limoges tegen de beslissing van de Belgische koning Leopold III om te berusten in de Duitse overwinning. Daarmee legden zij de basis voor de Koningskwestie, die ook na de Tweede Wereldoorlog de politieke spanningen hoog zou doen oplopen en België zelfs even op de rand van de burgeroorlog zou brengen.

De inval van het Duitse leger bracht met andere woorden sterk verschillende reacties teweeg in de beide Lage Landen: waar hij in Nederland de politieke elites ertoe aanzette zichzelf (tijdelijk) buitenspel te zetten ten voordele van de administratie (en later ook van koningin Wilhelmina), daar deed hij in België integendeel hevige politieke passies ontbranden. De Duitse bezetters in België drukten er meer dan eens hun verwondering over uit. De “eigenaardige politieke, culturele en levensbeschouwelijke houding” van de Belgen werd in één van hun rapporten verklaard vanuit “de liberalistische opvoeding, die ze genoten hebben en die men hier als een wezenlijk kenmerk van de ‘vrijheid’ beschouwt”. Dat de Belgische bevolking weinig respect had voor “de staat” ondervonden ze zowel in hun voordeel als in hun nadeel. Het verzet én de collaboratie waren er radicaler, ideologischer en verdeelder dan in Nederland, waar de overheidsadministraties meer tot medewerking bereid bleken. Daarvan zou vooral de Joodse bevolking in Nederland het slachtoffer worden.

Mutaties van een politieke cultuur

Het Duitse militaire bestuur stootte daarmee op fundamentele verschillen tussen de politieke tradities van België en Nederland. Nochtans had tijdens de late middeleeuwen en de zestiende eeuw iets bestaan dat kan worden omschreven als een kenmerkende politieke cultuur van de Lage Landen. Die bood veel ruimte voor de erkenning van regionale verschillen en voor vormen van inspraak, en stond argwanend tegenover een te sterke staatsmacht. Ook vandaag leeft die traditie voort in België en Nederland. Sinds de zestiende-eeuwse scheiding tussen Noord en Zuid hebben zich echter twee zeer uiteenlopende varianten van dit grondpatroon ontwikkeld. De processen die daartoe hebben geleid waren allesbehalve rechtlijnig. In het afgescheiden Noorden vertaalde de argwaan tegenover een centraal staatsgezag zich in een unieke, federaal gestructureerde republiek. Daarin vestigde zich, met vallen en opstaan, een traditie van consensus zoeken door overleg en het gezag aanvaarden dat deze overlegcultuur respecteerde.

Spotprent uit 1830-1831 met de Nederlanders en de Belgen op een wip. Links hangen, boven een rivier van bloed, Willem I, prins Frederik, de kroonprins en minister Van Maanen. Aan de zwaardere rechterkant zitten de Vrijheid en de Belgische Maagd (collectie Rijksmuseum).

In het Zuiden bleef daarentegen een centraal staatsgezag bestaan, ook al situeerde de bron daarvan zich buiten de landsgrenzen. Ook deze buitenlandse vorsten werden aanvaard zolang ze maar de lokale tradities en vrijheden in ere hielden. Pas nadat vanaf de jaren 1780 verschillende opeenvolgende regimes deze voorwaarde schonden, nam ook in de Zuidelijke Nederlanden het wantrouwen tegenover sterke vormen van staatsgezag de bovenhand. Het mondde uit in een opstand tegen de Nederlandse vorst Willem I en in een onafhankelijke Belgische staat. De founding fathers van deze staat legden grondwettelijk vast dat hun nieuwe creatie nooit te machtig mocht worden, en schiepen zo veel ruimte voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en tegenstellingen. Compromissen tussen levensbeschouwelijke, sociale en taalkundige gemeenschappen werden weliswaar een haast spreekwoordelijk ingrediënt van de Belgische politiek, maar een op consensus gebaseerd bestuur bleef er een illusie.

In het Noorden deed zich intussen een omgekeerde evolutie voor. Precies als reactie tegen de opstandigheid van de Belgen schaarden vele Nederlanders zich achter hun Oranje-vorst, ook al hanteerde deze een autocratische en paternalistische bestuursstijl. Na Willems aftreden in 1840 verdween dit autocratische element, maar de Nederlandse politieke cultuur bleef de nadruk leggen op goed bestuur, eenheid en aanvaarding van het gezag. Haar Belgische tegenhanger zette die eenheid voortdurend onder druk door politieke tegenstellingen de publieke ruimte te laten beheersen, zonder een algemeen belang als richtsnoer of een sterk staatsgezag als scheidsrechter.

Een geschiedenis voor vandaag

Met de uitkomsten van die tegengestelde evoluties werd Von Falkenhausen geconfronteerd toen hij zijn militair bestuur van Den Haag naar Brussel verhuisde. Hij had ze misschien beter kunnen inschatten indien hij de kans had gehad het pas verschenen boek De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag te lezen. Hierin wordt immers veel uitvoeriger dan in deze blogtekst beschreven hoe zich in het deltagebied tussen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië een kenmerkende politieke cultuur kon ontwikkelen. Ook verklaart het boek hoe geopolitieke dynamieken en toevalligheden deze deed muteren tot twee weliswaar verwante, maar niettemin fundamenteel verschillende varianten. Deze processen historisch te duiden kan helpen om misverstanden te vermijden die ontstaan wanneer de vanzelfsprekende gelijkenissen het zicht op de structurele verschillen belemmeren. Dat is precies wat De Lage Landen beoogt.

Marnix Beyen is lid van Power in History. Centrum voor Politieke Geschiedenis (Universiteit Antwerpen) en doet onderzoek naar de politieke en culturele representatie van bevolkingsgroepen in het Europa van de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Samen met Judith Pollmann en Henk te Velde schreef hij De Lage Landen. Een geschiedenis voor vandaag (2020).

Titelafbeelding: Alexander von Falkenhausen en Arthur Seyss-Inquart naast elkaar in de Ridderzaal van het Binnenhof tijdens de installatie van het bezettingsbestuur in Den Haag op 29 mei 1940. Rechts op de foto zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid (uit: Utrechts Volksblad, 30 mei 1940).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.