Het toilet van een archivaris

Victor Fris zat al meteen met zorgen, toen hij in april 1917 als stadsarchivaris van Gent aan de slag ging. Niet alleen moest hij het door de Eerste Wereldoorlog zonder personeel stellen, het archief was ook voortdurend in gevaar. De depots bevonden zich namelijk onder het (lekkende) dak van het stadhuis, wat een tijdige evacuatie bij brand onmogelijk zou maken. Op zijn archiefzolder ondervond de archivaris nog een urgent probleem: er was geen toilet!

De afhandeling van het sanitaire gebrek geeft een verrassend inzicht in de ervaring van de archivaris. In een klein dossier rond de toilettenkwestie – verscholen in een omvangrijke reeks over werken aan stedelijke gebouwen – geeft Fris zichzelf bloot. Samen met enkele brieven uit zijn personeelsdossier toont het hoe hij zijn werk in het archief beleefde.

Voorbeeldige archivaris

Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.
Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.

Fris wilde zichzelf een heroïsche archivarissenrol aanmeten. Zo schreef hij in 1918 aan het stadsbestuur dat hij maar al te graag aan zijn vakantie had verzaakt, maar overspanning dwong hem toch vrijaf te nemen. Deze ijver had ongetwijfeld de goedkeuring kunnen wegdragen van François Hye-Schoutheer, die honderd jaar eerder als eerste Gentse stadsarchivaris werd aangesteld. Al in 1814 had deze ambtenaar laten blijken dat hij maar al te goed wist hoe een archivaris zijn functie diende te vervullen.

Volgens Hye moest een archivaris integer, scherpzinnig en actief zijn en een vlekkeloze reputatie genieten. Bij het aanzicht van alle chaos in het archief mocht hij niet aan zijn plicht verzaken, zelfs als jaren van nooit aflatende en moeizame arbeid nodig zouden zijn, vooraleer de rijkdom van het archief in het licht zou zijn gesteld.

Een halve eeuw later stelde archiefliefhebber Jules Huyttens dat heroïsche beeld ietwat bij in zijn Mémoires d’un archiviste. Voor Huyttens vervulden archivarissen nog altijd belangrijk werk – ‘les erreurs leur sont inconnues,’ klinkt het – maar toch waren het vooral gelukzalige wezens. Ze baadden in rust en kalmte, hoewel ze het voortdurend vreselijk druk hadden. De archivaris stond immers altijd klaar om te helpen.

Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.
Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.

Veel archiefbezoekers merkten van die hulpvaardigheid soms wel maar weinig. Deze geïdealiseerde typeringen tonen dus niet noodzakelijk de alledaagse archiefpraktijk. Daarvoor is het nodig achter de schermen te duiken. De toiletklacht van de archivaris geeft daar de kans toe.

‘Pas de latrines!’

Fris was nog geen maand in dienst toen hij de stadsarchitect vroeg om een ‘water-closet hygiénique’ te installeren in het stadsarchief. In een van de archiefdepots was daar voldoende plaats voor; er was namelijk al een urinoir en een wastafel, verscholen in een hoek. Toch verkoos de architect een toilet te installeren in een ongebruikte liftschacht. De stadssecretaris herinnerde zich echter dat daar al eens een gelijkaardige installatie was ondergebracht, die een ondraaglijke stank had voortgebracht. Het project ging bijgevolg niet door.

Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.
Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.

De archivaris liet de kwestie niet rusten. Hij vond het niet kunnen dat hij, elke keer de nood zich liet voelen, het stadhuis uit moest om elders aan de ‘wetten der natuur’ te beantwoorden. De toiletten in het stadhuis waren immers verre van toereikend. Na meermaals aandringen werd uiteindelijk in september 1918 een andere oplossing gezocht. Een openbare aanbesteding werd uitgeschreven ‘voor het leveren en plaatsen van 2 gemakken, 2 pisbakken en een waschkom, in een te bouwen kabinet op het 1e verdiep ten stadhuize’. Als het einde van de oorlog de uitvoering van dit werk niet bemoeilijkt heeft, kon de archivaris op 1 december 1918 eindelijk naar een behoorlijk toilet.

Lief en leed

Hoe archiefbezoek in de negentiende eeuw eraan toeging, raakt langzaam ontsluierd. De belevenissen van Belgisch algemeen rijksarchivaris Louis-Prosper Gachard in het Spaanse Archivo General de Simancas zijn bijvoorbeeld niet onbekend. Een probleem stelt zich daarbij wel. Het perspectief van de (doortastende) archiefbezoeker reduceert archivarissen vaak tot levenloze poortwachters, die vooral hun archieven nauwlettend bewaakten. Dat beeld lijkt al te eenzijdig. Hoe voelde het archiefwerk aan voor de archivarissen zelf?

Victor Fris (1877-1925)
Victor Fris (1877-1925)

Wat Fris betreft, blijkt uit zijn loopbaan een grote beroepstrots, die hij met zijn verre voorganger deelde. Zo vond hij het niet kunnen dat het personeelsgebrek hem dwong zich te verlagen ‘tot het peil van den minste der bedienden’, zodat hij geen ‘wetenschappelijk’ werk kon verrichten. Na de oorlog zat het hem dwars dat hij ondanks zijn universitair diploma niet erg hoog stond op de ambtelijke ladder. Fris vond dat zijn bijzondere archivalische vaardigheden zich mochten vertalen in een goede positie, met een evenredig salaris.

Het sanitair gemis maakte het waarschijnlijk allemaal nog wat lastiger. Als archiefwerker diende Fris dan wel onverschrokken te zijn, het gebrek aan een toilet ging hem te ver. Uiteindelijk kon hij in 1925 – vlak voor zijn overlijden – het stadsbestuur overtuigen op zoek te gaan naar een andere archiefhuisvesting, als oplossing voor diverse problemen.

Tijdens zijn korte loopbaan probeerde Fris voortdurend het stadsarchief te verbeteren. Dit toiletverhaal was daar een eerste uiting van. Het toont ook dat niet enkel archiefbezoekers allerhande hindernissen moesten overwinnen. Alvast aan het begin van de twintigste eeuw hoefden archivarissen geen verstarde stoïcijnen te zijn. In Fris’ banale ongemak wordt dat maar al te duidelijk.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *