Categorie archief: Mentaliteiten & gevoelens

Hoe arm zijn je eigen schuld werd

Gastblog door Hannelore Franck.

Drugsverslaafden die verplicht worden tot behandeling, langdurig werklozen die hun uitkering dreigen te verliezen, verplichte schoolgang voor kleuters indien de ouders kindergeld willen ontvangen. Deze recente politieke voorstellen hebben één gemeenschappelijk idee: de verantwoordelijkheid voor armoede ligt bij het individu en niet bij de samenleving. Het is een discours dat samengaat met de overtuiging dat besparingen noodzakelijk zijn voor de economische gezondheid van de samenleving. Het lijkt een recent fenomeen, maar het kernidee van dit beleid gaat terug op veranderingen in de zestiende eeuw.

De wil van God?

Het spijzen van de hongerigen, detail uit de zeven werken van barmhartigheid van de Meester van Alkmaar (1504)
Het spijzen van de hongerigen, detail uit de zeven werken van barmhartigheid van de Meester van Alkmaar (1504)

Vanaf de dertiende eeuw kreeg armenzorg in de sterk groeiende steden een nieuwe impuls. Nieuwe instellingen zoals stedelijke hospitalen vervingen kloosters als voornaamste verstrekkers van hulp. Vanaf de veertiende eeuw was het zielenheil hiervoor de belangrijkste motivatie. Want wie aan de armen gaf, gaf rechtstreeks aan God en zou hiervoor in het hiernamaals beloond worden. Het schilderij ‘De zeven werken van Barmhartigheid’ van de meester van Alkmaar verbeeldt dit zeer mooi door Jezus, die het publiek recht aankijkt, af te beelden tussen een groep bedelaars. Als er iets verwacht werd van de arme, was het dat hij zijn lot waardig droeg. Armen hadden immers hun eigen plaats in de schepping: zonder armen konden de rijken hun zielenheil niet veiligstellen.

Vanaf de veertiende en zeker in de vijftiende eeuw kwam er steeds meer aandacht voor de ontvangers van de hulp. De ‘ware armen’ waren goede christenen die recht hadden op hulp, zoals oude weduwen, invaliden of weeskinderen. Daartegenover werden de ‘valse armen’ geplaatst, mensen die vaak in zonde leefden. Meningen over het verstrekken van hulp aan zondige individuen, zoals prostituees, verschilden sterk. De veertiende-eeuwse Spiegel der sonden stelde het geven van aalmoezen aan zondaars gelijk met offeren aan de duivel. In de Dietsche doctrinale, ook uit de veertiende eeuw, benadrukte de auteur daarentegen dat wie echt de weg van God wilde volgen ook aalmoezen aan de ‘quaden lieden’ moest geven.

De valse bedelaar

Bevolkingsgroei en economische neergang zorgden in de zestiende eeuw voor een sterke toename van het aantal armen. De groeiende migratiestroom van het platteland naar de stad verhoogde de druk op de bestaande instellingen. De steeds zichtbaardere armoede in het straatbeeld was velen een doorn in het oog. De humanist Juan Luis Vives had het onder meer over bedelaars aan kerkportalen met etterende zweren die een onwelriekende geur verspreidden. De tweedeling tussen ware en valse armen werd steeds scherper gesteld en er ging steeds meer aandacht naar de valse arme. Er ontstond bovendien een nieuwe link tussen armoede, luiheid en moreel verval.

De twaalf bedelaars (1524).
De twaalf bedelaars (1524).

Vooral de rondtrekkende bedelaar werd gezien als het typevoorbeeld van een onbetrouwbaar individu. Het Liber Vagatorum (1504) onderscheidde 28 types bedelaars en hun technieken om goede burgers in de val te lokken. Het boek beweerde bovendien dat de bedelaars zich verenigd hadden in een soort van gilde, net zoals andere beroepen. Erasmus beschreef in een van zijn werken een gesprek tussen twee bedelaars. In een dialoog verhaalt Misoponus uitgebreid aan Irides hoe hij rijk werd door zich voor te doen als ziek en invalide om zo meer geld bij elkaar te bedelen. Bedelaars waren ook een geliefd visueel onderwerp. De twaalf bedelaars, een afbeelding van rond 1524, toont twaalf verschillende types bedelaars met een korte omschrijving.

Deze plaat illustreert nog een andere belangrijke evolutie. Van de twaalf verschillende types is er maar één persoon arm door geboorte. Alle andere zijn arm door hun eigen immoreel gedrag, zoals spilzucht, luiheid, naïviteit of hebzucht. Vanaf de zestiende eeuw werd persoonlijk (moreel) falen de belangrijkste oorzaak van armoede en was de arme zelf schuldig aan de situatie waarin hij of zij zich bevond.

Aan het werk!

De armen waren een geliefd onderwerp van Pieter Bruegel de Oude, zoals hier in de Parabel der blinden (ca. 1568).
De armen waren een geliefd onderwerp van Pieter Bruegel de Oude, zoals hier in de Parabel der blinden (ca. 1568).

Ook in de zestiende eeuw bleef het de plicht van elke christen om aan armenzorg te doen. Maar het dominante beeld van de arme was negatief en steevast gelinkt aan luiheid, bedrog en moreel verval. Dit harde discours bleef niet zonder gevolgen. De oplossing lag in de zestiende niet langer in liefdadigheid maar in verplichte arbeid. Via arbeid trachtte men de armen opnieuw op te voeden. In het Utopia van Thomas More was bedelen verboden en moest iedereen verplicht aan het werk. De verschillende werkhuizen vormden de concrete uitwerking van dit idee.

In 1526 pleitte Juan Luis Vives voor een zeer vernieuwende aanpak in armoedebestrijding: verplichte arbeid. Anno 2016 ligt de oplossing voor armoede opnieuw in het (verplicht) activeren van werklozen. Ondanks pogingen tot grote hervormingen bleef er in de zestiende eeuw veel bij het oude. Het enige wat echt veranderde, was het beeld dat leefde over de arme: die was onbetrouwbaar, lui en crimineel. Zijn erbarmelijke situatie was zijn eigen schuld. Het is nog af te wachten of de hervormingen anno 2016 meer effect zullen hebben dan toen.

Meer lezen

Anita Boele, Leden van één lichaam: Denkbeelden over armen, armenzorg en liefdadigheid in de Noordelijke Nederlanden 1300-1650, Hilversum, 2013.

Robert Jütte, Poverty and Deviance in Early Modern Europe, Cambridge, 1994.

Hannelore Franck is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven en doet onderzoek naar armen- en memoriezorg in het laatmiddeleeuwse Brugge.

Toen was astrologie nog booming business

Gastblog door Cara Janssen.

De wekelijkse horoscoop in Flair, Dame Fortuna en haar tarotkaarten, de sectie ‘Astrologie en Esoterie’ in de lokale boekhandel: ze worden vandaag de dag vaak lacherig onthaald. Wee o wee, de arme stakkers die nog durven geloven dat de stand van de sterren en planeten een invloed zou hebben op ons dagelijkse leven. In de zestiende eeuw genoten sterrenkijkers echter hoog aanzien.

Toekomstvoorspeller, dokter, wiskundige, hoveling 

Vroegmoderne astrologen waren professionele duizendpoten. Ze observeerden niet alleen de stand van sterren en planeten, ze bekleedden ook een zichtbare positie in de stedelijke samenleving – bijvoorbeeld in de geneeskunde. Op basis van de positie van de zon, de maan en de planeten werd immers bepaald op welke tijdstippen patiënten het best gangbare medische ingrepen (zoals het befaamde aderlaten) konden ondergaan. Een heel aantal astrologen was daarom actief als chirurgijn of als ‘stadsmedecijn’. Maar ook geografen, landmeters en mathematici deelden mee in de koek. De methode om de afstanden tussen de planeten, de zon, de maan en de sterren ten opzichte van de aarde te bereken, ontleende immers belangrijke elementen uit de wiskunde.

De ontmoeting tussen Catharina de Medici en Michiel Nostradamus op het kasteel van Blois in 1555: uit de gelijknamige film Nostradamus (1994). De figuur van Nostradamus spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding.
De ontmoeting tussen Catharina de Medici en Michiel Nostradamus op het kasteel van Blois in 1555: uit de gelijknamige film Nostradamus (1994). De figuur van Nostradamus spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding.

Ook aan het hof was het aangenaam vertoeven voor een gerenommeerd sterrenkundige. Daar vervulde hij vaak een dubbele functie. Aan het einde van zijn leven was de Franse arts Michiel Nostradamus bijvoorbeeld niet enkel lijfarts van de kroon, maar trad hij ook op als raadgever van Catharina de Medici, de vrouw van de Franse koning Hendrik II en regentes van Frankrijk tussen 1560 en 1563. Zij vroeg Nostradamus herhaaldelijk om horoscopen uit te tekenen om zo advies te kunnen inwinnen over de – politieke – toekomst van Frankrijk. Ook de geograaf en astroloog John Dee vertoefde in vorstelijke kringen en was een persoonlijke raadgever van Engelse koningin Elisabeth I, the Virgin Queen.

Een winstgevende business 

Titelpagina van de almanak en prognosticatie voor het jaar 1592 van de Gentse stadsgeometrist Jan Verniers, hier verbeeld als praktiserend astroloog.
Titelpagina van de almanak en prognosticatie voor het jaar 1592 van de Gentse stadsgeometrist Jan Verniers, hier verbeeld als praktiserend astroloog.

Het doen en laten van een zestiende-eeuws astroloog vonden nieuwsgierige tijdgenoten onder andere terug in gedrukte jaarkalenders of almanakken. Het was bijvoorbeeld dankzij deze kleine maar opvallende drukwerkjes dat Michiel Nostradamus zich liet opmerken bij Catharina de Medici. Deze jaarkalenders bevatten niet enkel praktische en tijdrekenkundige informatie over heiligendagen, maansverduisteringen of data van aankomende jaarmarkten. In elk van hen voegde de astroloog-auteur een zogenaamde prognosticatie of toekomstvoorspelling toe, die de lezer in staat stelde om een glimp op te vangen van wat hem te wachten stond in het volgende jaar. Verhalen over misoogsten, overstromingen, de dood van een koning, vrede of geluk kluisterden de lezers steeds weer aan hun stoel. De werkjes waren bovendien een zeer populair nieuwjaarsgeschenk en waren te verkrijgen in alle maten en kleuren.

Bij de uitgave en verkoop van profetieën en toekomstvoorspellingen, bepaalde de naam en faam van de auteur mee het commerciële succes van het drukwerk.  De werkjes van astrologen met een vlekkeloze reputatie verkochten als zoete broodjes. Het lezerspubliek aanzag hun voorspellingen immers als betrouwbaar en waarheidsgetrouw. Drukkers en uitgevers probeerden de jaarlijkse prognostica van zulke gerenommeerde auteurs zo lang mogelijk in omloop te houden om zo de winsten op het genre te maximaliseren. Zelfs de dood van de astroloog in kwestie hield hen niet tegen.

Leven na de dood 

Titelblad van de almanak van ‘Ian Franco’ voor het jaar 1614
Titelblad van de almanak van ‘Ian Franco’ voor het jaar 1614.

Rond het jaar 1611 stierf de befaamde Antwerpse astroloog-auteur Ian Franco Senior. Toch bleven zijn prognosticaties van de Antwerpse persen rollen tot 1638. Een vergissing? Zeker niet! In een brief uit 1612 aan de regering in Brussel vervormde de drukker Arnout Conincx deze rare kronkel tot een perfect legitieme motivatie. Volgens de drukker had de oude man vlak voor zijn dood zijn inzichten voor de volgende tien jaar nog samengebundeld en aan hem hoogst persoonlijk bezorgd. Samen met de zogenaamde zoon van Franco – Ian Franco Jr. – en een andere astroloog genaamd Johannes Regius, kon volgens Arnout Conincx in de volgende jaren de klus perfect opnieuw geklaard worden. Toch prijkte in 1614 enkel de naam van de oude Ian Franco op de voorpagina van de jaarlijkse prognosticatie. Franco was uitgegroeid tot een ‘merknaam’ en vormde een lucratieve bron van inkomsten voor drukker en uitgever.

De edele kunst van het sterrenkijken speelde een dus niet te onderschatten rol in in de zestiende- en zeventiende-eeuwse samenleving. De banden met het stedelijke netwerk, andere wetenschappen, het hof en de vitale drukkerswereld zorgden voor een grote invloed en zichtbaarheid van deze vermaerde consten der astrologien. Jawel, er zat meer in dít liedje dan je denkt.

Meer lezen

Brendan Dooley (red.), A Companion to Astrology in the Renaissance, Leiden, 2014.

Jeroen Salman, Populair drukwerk in de Gouden Eeuw: de almanak als lectuur en handelswaar, Zutphen, 1999.

Titelafbeelding: Detail uit de ‘School van Athene’. Astrologische werken uit de Nieuwe Tijd baseerden zich veelvuldig op de Tetrabiblos van Griekse wiskundige Ptolemaeus – hier met zijn rug naar de toeschouwer gekeerd en in het bezit van een aardbol.

Cara Janssen is gastblogger. Ze is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze werkt aan een proefschrift over de religieuze en politieke betekenis van Zuid-Nederlandse toekomstvoorspellingen en profetieën tijdens de Opstand in de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw.

Hoe de gevangenis van een droom in een nachtmerrie veranderde

De gevangenis is een mislukking. Ze moet criminelen op het rechte pad brengen, maar heeft veeleer een averechts effect: ze leidt steeds hardere criminelen op. De gevangenis is onleefbaar voor gevangenen, onwerkbaar voor personeel. Het gevangenisregime is volgens sommigen te hard en volgens anderen te zacht. Goed is het in alle geval niet. De gevangenis is vandaag een opbergruimte voor problemen, geen oplossing ervoor.

Critici menen meestal niet dat opsluiting een slecht idee is, maar dat de manier waarop dat vandaag gebeurt verkeerd is. Het probleem is volgens sommigen dat de gevangenis niet werkelijk verbeterend is, terwijl ze volgens anderen aan kracht verliest omdat ze door te willen verbeteren niet streng genoeg is. De gevangenis moet dus hervormd worden.

De oproep tot hervorming van de gevangenis is niet nieuw. Al twee eeuwen lang moet de gevangenis hervormd worden – en eigenlijk steeds op dezelfde manier: de gevangenis moet meer inzetten op verbetering van het individu, door opvoeding, arbeid, duidelijke classificaties en individueel aangepaste regimes. De Franse filosoof Michel Foucault heeft daaruit geconcludeerd dat het falen van de gevangenis deel uitmaakt van haar functioneren. Gevangenissen dienen niet om overtredingen te bestrijden, maar  om ze in te delen en politiek te gebruiken. De gevangenis is bij Foucault een nachtmerrie.

De droom van de gevangenis

Het Gentse correctiehuis, met een kenmerkende panopticum-structuur: vanuit een centraal punt konden bewakers de gevangenen in het oog houden.
Het Gentse correctiehuis, met een kenmerkende panopticum-structuur: vanuit een centraal punt konden bewakers de gevangenen in het oog houden.

Nochtans begon de gevangenis als een droom. Gevangenissen bestaan nog maar verrassend kort. Natuurlijk bestaan er wel al lang plaatsen waar verdachten vastgehouden werden in afwachting van hun proces. Maar tot het midden van de achttiende eeuw werden amper criminelen veroordeeld tot een langdurige opsluiting: lijfstraffen of boetes waren de norm. In de loop van die eeuw kwamen echter een aantal nieuwe ideeën op over misdaad en bestraffing. België – de Oostenrijkse Nederlanden – stond bij de uitvoering van die ideeën bij de Europese top.

Toonaangevende voorstanders van de gevangenis in België waren Jean Vilain XIIII en Goswin de Fierlant. Ze lazen Verlichte traktaten en stelden vast dat de bestaande straffen in België meer kwaad dan goed deden. Publieke lijfstraffen zorgden ervoor dat criminelen en ander gespuis helemaal geen kans meer hadden om nadien respectabel werk te vinden en werden zo dus veroordeeld tot een blijvend crimineel bestaan. Een correctiehuis, meenden Vilain en Fierlant, kon daar iets aan doen.

In het correctiehuis zouden gevangenen een stiel leren en discipline kweken. De gewoonte van werk zou de luiheid – de oorzaak van alle criminaliteit – uitroeien, het voortdurende toezicht zou zelfdiscipline bijbrengen. Een efficiënte gevangenis was immers zo geconstrueerd dat gevangenen voortdurend in de gaten konden worden gehouden. Slechts een probleem diende zich aan: de bouw en het onderhoud van de correctiehuizen kostte handenvol geld. Bijgevolg werden er in de achttiende eeuw maar twee geopend: een in Gent in 1774 en een in Vilvoorde in 1779.

De oostvleugel van de restanten van het Vilvoordse correctiehuis.
De oostvleugel van de restanten van het Vilvoordse correctiehuis.

De nieuwe gevangenissen waren meteen een daverend succes. Honderden criminelen, prostituees en landlopers werden erheen gestuurd. Het waren bovendien niet alleen de rechters die in de nieuwe vorm van bestraffing geloofden. Ook sommige kleine misdadigers zelf hoopten dat een verblijf in het correctiehuis tot een beter leven zou leiden. Sommigen verwachtten er een stiel te leren en zo uit de armoede te raken. Anderen zagen het gevangenisregime op zichzelf al als stichtend (of beweerden dat toch voor de rechtbank). Zo verzocht prostituee Marie Bielen haar rechters in 1777 om haar in het correctiehuis op te sluiten “om alsoo haer onbondigh leven te connen verlaeten”. De schepenen willigden haar verzoek in en lieten haar er vier jaar verblijven.

De nachtmerrie van de gevangenis

Buitenlandse waarnemers waren lovend. Een bezoek aan de Zuidelijke Nederlanden ging steevast gepaard met een kijkje in de gevangenissen. De Britse gevangenishervormer John Howard noemde het Gentse correctiehuis in 1775 een modelgevangenis. Zijn optimisme verdween echter een paar jaar later. In 1783 bracht hij opnieuw een bezoek aan de Gentse gevangenis en stelde vast dat niets er nog goed draaide.

Ook de criminelen zelf hadden al snel door dat ze van de gevangenis weinig heil te verwachten hadden. Na 1785 vroeg nog amper iemand zelf om opgesloten te worden. De gevangenisstraf werd steeds vaker uitgesproken, maar van de verbetering van de criminelen was nog weinig sprake. De arbeid van de gevangenen moest vooral opbrengen. Na de Franse annexatie van België in 1795 werd de uitbating van de Gentse gevangenis in handen van industriëlen gelegd. Uitbuiting tierde welig.

Edouard Ducpétiaux in 1871.
Portret van Edouard Ducpétiaux.

De gevangenis was een nachtmerrie geworden. Nieuwe hervormers klaagden wantoestanden aan en stelden maatregelen ter verbetering voor. Een van hen was Edouard Ducpétiaux, die in 1830 inspecteur-generaal van de Belgische gevangenissen werd. Hij was een grote pleitbezorger van het systeem van individuele cellen, die moesten verhinderen dat gevangenen met elkaar contact hadden. Opnieuw nam België het voortouw bij het hervormen van de gevangenissen.

Ook Ducpétiaux’ droom bleef niet duren. Zijn vele hervormingsplannen ten spijt bleef het recidivisme onder gevangenen schrikwekkend hoog. Steeds nieuwe hervormers stelden verbeteringen voor, die er eindelijk voor moesten zorgen dat de gevangene zijn of haar leven kon beteren. Het Gentse correctiehuis werd in 1937 afgebroken. In het correctiehuis van Vilvoorde huist vandaag een hotel. Nieuwe gebouwen moeten aloude dromen waarmaken. Intussen blijft de nachtmerrie voortduren.

Meer lezen

Michel Foucault, Discipline, toezicht en straf. De geboorte van de gevangenis, Groningen, 1989.

Marie-Sylvie Dupont-Bouchat, ‘Ducpétiaux ou le rêve cellulaire’, Déviance et société, 12 (1988), 1–27.

Elwin Hofman is als Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de veranderende zelfopvattingen van moordenaars, prostituees en sodomieten in de Zuidelijke Nederlanden tussen 1750 en 1830.

Toen het West-Vlaams nog barbaars was

‘Er wordt te veel West-Vlaams gesproken aan Kulak’, zo berichtte Albert Van Windekens, de decaan van de Leuvense faculteit Wijsbegeerte en Letteren, aan de Kortrijkse docenten in november 1966. Het taalgebruik van de studenten in de wandelgangen van de Leuvense afdeling deed hem pijn aan de oren. Hoezeer hij aan het begin van het eerste academiejaar van Kulak de toekomstige studenten ook had aangespoord hun ‘particularisme’ af te leggen zodat zij werkelijk als universitairen konden worden beschouwd, toch bleven de jongeren in Kortrijk zich uitdrukken in het dialect van hun streek. Zoals vele anderen was ook Van Windekens van mening dat dit niet alleen blijk gaf van een kortzichtige kerktorenmentaliteit van de West-Vlaamse jeugd, maar ook een blaam was voor de Katholieke Universiteit Leuven. Die maakte zich immers sterk met haar universitaire afdeling in Kortrijk de intellectuele ontplooiing van de kustprovincie te bevorderen.

Het wilde Westen

Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

Hoewel in de realiteit vooral politieke en katholieke druk de Katholieke Universiteit Leuven in het midden van vorige eeuw had overhaald om een afdeling in Kortrijk te stichten, werd het initiatief in de nationale en regionale pers voornamelijk voorgesteld als een ‘gunst’ van de Leuvense universiteit aan het ‘achtergestelde’ West-Vlaanderen. De universiteit bracht de kustprovincie de beschaving en creëerde er een ‘intellectueel en cultureel milieu’ waar niet alleen de West-Vlaamse jongeren maar de hele regionale bevolking van zou profiteren. Critici vroegen zich echter af of het schijnbaar grootmoedige gebaar wel zin had. Zou Kulak ooit een universitair onderwijsniveau halen, zo ver verwijderd van haar Leuvense Alma Mater?

Na zijn plaatsbezoek aan Kulak in november 1966 vreesde Van Windekens alvast even dat de criticasters het bij het rechte eind hadden. De studenten die hij aan Kulak had ontmoet, spraken volgens hem amper Algemeen Beschaafd Nederlands. Mochten zij zichzelf dan wel universitair geschoold, intellectueel ontplooid en ‘beschaafd’ noemen? Aan Kulak deelden de jonge docenten in de bezorgdheid van de Leuvense decaan. Velen van hen waren van buiten de West-Vlaamse provincie afkomstig, en vonden het taalgebruik van hun studenten ongepast. Herhaaldelijk spoorden zij hun pupillen aan correct te spreken: het zou niet alleen de studenten, maar ook het imago van Kulak ten goede komen.

ABN verheft het volk

P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

De opdracht tot taalkundige beschaving van de West-Vlaamse jeugd werd door niemand zo ernstig genomen als door de Nederlandse taalkundige Pieter Cornelis Paardekooper. De hoogleraar vormde jarenlang het gevreesde gezicht van de opleiding Germaanse filologie aan Kulak. Vóór hij in 1970 aan Kulak werd benoemd, was hij bij vakgenoten in Nederland en Vlaanderen al bekend door de introductie van zijn grammaticale ontleedmethode (de ‘methode Paardekooper’) op basis van een verzameling speciaal door hem ontworpen tekens. Bij het grote publiek in België en ook in Frans-Vlaanderen was hij dan weer beroemd en berucht als fervent voorvechter van de positie van het Nederlands in beide gebieden. Door zijn compromisloze uitspraken werd hem zelfs een tijdlang de toegang tot het Belgische grondgebied ontzegd – een verbod dat hij zorgeloos aan zijn laars lapte.

 Aan Kulak voerde Paardekooper een ware kruistocht tegen het ‘barbaarse’ West-Vlaamse dialect, dat de West-Vlamingen volgens hem beperkte in hun mogelijkheden en geloofwaardigheid. Zijn betoog vond een korte tijd gehoor bij zowel docenten als studenten uit de richting Germaanse filologie. Die laatsten hadden overigens al vóór de komst van Paardekooper een poging gedaan om het studentenblaadje ’t Kulakske om te dopen tot Het Kulakje, omdat dat nu eenmaal beter Nederlands was. Zij stootten echter op hevig verzet van hun collega-studenten uit andere, niet-filologische richtingen, die de germanisten een arrogant en betweterig gedrag verweten. Het studentenblaadje nam vrij vlug terug zijn vertrouwde naam in het dialect aan.

Een universitair onderwijsniveau

Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Het idee dat de verspreiding van het ABN tot ‘volksverheffing’ zou leiden, verloor in de loop van de jaren 1970 en verder in de jaren 1980 aan kracht. Taal werd minder gelinkt aan zware concepten als ‘beschaving’ of een ‘universitaire vorming’. Ook de Kortrijkse docenten bekommerden zich minder om taal als een exponent van het onderwijsniveau van de instelling: dat Kulak wel degelijk een universitair onderwijsniveau haalde, bewezen na verloop van tijd immers de goede slaagcijfers van de Kulakstudenten. De Katholieke Universiteit Leuven op haar beurt interpreteerde haar aanwezigheid in West-Vlaanderen niet langer als een beschavende opdracht, maar als een economische opportuniteit. Door de groeiende concurrentie tussen de universiteiten in de jaren 1980 en 1990 werd de Kortrijkse campus van voormalige ‘gunst’ van de Leuvense universiteit ten aanzien van de West-Vlaamse bevolking, steeds meer een Leuvense ‘rekruteringspost’ voor West-Vlaams talent.

Alleen Paardekooper bleef vergadering na vergadering aandringen bij zijn collega’s om de studenten te verplichten ABN te spreken. Zijn brieven en bedes werden meestal mondeling bevestigd, maar amper in de praktijk omgezet. De strenge en rechtlijnige gedachtegang van de Nederlander maakte hem tot een lastig figuur die men liever negeerde.  En ook zijn zonderlinge levensstijl droeg weinig bij aan zijn geloofwaardigheid. Zijn moestuin met worteltjes op de campusgronden, zijn onafscheidelijke fiets met zwarte tassen, de omvorming van zijn kantoor tot zijn quasi permanente verblijfplaats, en zijn gewoonte om met ontbloot bovenlijf te zonnen achter zijn kantoorraam: het reduceerde hem tot een klucht en een dankbaar onderwerp voor cartoons in ’t Kulakske.

Saartje Vanden Borre is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en verbonden aan de Lerarenopleiding Geschiedenis. In 2015 publiceerde ze naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de Kulak het boek Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.

En de boer, hij ploegde voort

Gastblog door Laura Eskens.

Het was ongezien. Na een staking in juli van de Mechelse aardappelboeren, trokken ook de melkboeren in de herfst van 1936 de straat op met de eis voor hogere prijzen, die de kosten zouden dekken. De socialistische volksvertegenwoordiger Jozef Chalmet sprak zijn verbazing uit in de parlementaire zitting van 12 november 1936: “de boeren zijn niet de menschen die zoo revolutionair zijn aangelegd, ze zijn diegenen die gewoonlijk heel lang alles verdragen en toch beleven wij den laatste tijd boerenstakingen”.

“De voorbeeldige wroeter”

De grijparmen van de industrie, schilderij van Jan Kiemeneij uit 1929 (Kunstcollectie Provincie Antwerpen).
De grijparmen van de industrie, schilderij van Jan Kiemeneij uit 1929 (Kunstcollectie Provincie Antwerpen).

Boeren die staakten, dat paste niet binnen het ideaaltype van de boer als plichtsbewuste en brave werker. “En de boer, die ploegde voort”, schreef Werumeus Buning (1935). Aan het eind van de negentiende eeuw won het geïdealiseerde beeld van de “voorbeeldige wroeter”, als tegenpool van de onstuimige arbeider, aan belang. De alsmaar uitbreidende industrialisering, de verstedelijking en de nog jonge socialistische partij vormden immers een gevaarlijke cocktail voor de sociale orde. De katholieke partij gebruikte de boer als symbool en instrument van stabiliteit.

De boer werkte hard, maar kreeg daarvoor vrijheid in de plaats. Dat ontbrak in het stadse arbeidersleven met vaste werkuren. Familiale waarden, verbondenheid met de natuur en de seizoenen, een sobere levensstijl, vrome christelijkheid en volkse tradities waren de deugden die over de partijgrenzen heen verbonden werden met “de boer”. Boer-zijn was niet louter een professionele bezigheid, maar een levenswijze. Hoe gaf die mythe van de voorbeeldige wroeter kleur aan het landbouwbeleid? En bestaat die mythe nog steeds?

Een typisch Belgische boer?

in 1935 bracht Felix Timmermans zijn Boerenpsalm uit.
in 1935 bracht Felix Timmermans zijn Boerenpsalm uit.

De romantisering van het boerenleven kende haar hoogdagen tijdens het Interbellum. Streek- en boerenromans à la Streuvels, Claes en Timmermans zijn overblijfselen van die populariteit. De stap naar het nationalisme was niet groot: de boer was de bewerker van het land in de meest directe betekenis en voorzag het volk van voedsel. Zo onderscheidde de boer zich eveneens van het internationale karakter van het socialisme. De mythe werkte ook omgekeerd: zonder de landbouwer, geen voedsel en dus geen stabiele natie. Volgens de katholieke partij moest de boer dus beschermd worden, zeker toen de crisis van de jaren ‘30 ook op het platteland voor miserie zorgde. De kleine boer – de meerderheid van de Belgische boeren had een bedrijfje van minder dan vijf hectare – was hét type bij uitstek dat van bescherming moest kunnen genieten.

Bij de verkiezingscampagne van 1936 mikte de Belgische Werkliedenpartij ook op stemmen van het platteland (Amsab – Instituut voor Sociale Geschiedenis).
Bij de verkiezingscampagne van 1936 mikte de Belgische Werkliedenpartij ook op stemmen van het platteland (Amsab – Instituut voor Sociale Geschiedenis).

Met die mythe als argument eisten katholieke boerenvertegenwoordigers beschermende economische maatregelen tegen buitenlandse concurrentie. Ook sociale bescherming voor de boer kwam op de politieke agenda.  Toch waren de stemmen voor kinderbijslag – boerengezinnen waren kroostrijk – , pensioenen of een betere pachtwet, binnen de katholieke partij beperkt. Het gepresenteerde ideaaltype van “de boer” deed tekort aan de grote diversiteit binnen de landbouwersstand, waarin de belangen van grote herenboeren, kleine pachters en landarbeiders erg verschilden. Overigens ontdekten tijdens de jaren ‘30 ook Vlaams-Nationalisten en socialisten de boeren als nieuw te veroveren electoraat. Ook zij integreerden het ideaalbeeld van de boer in hun eigen politieke discours.

Europese boerenbusiness

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was voedsel schaars en de boerenstand behield daardoor zijn symbolische rol als voedselverstrekker en fundament van de samenleving.  Het ieder-voor-zich-landbouwbeleid van de jaren ‘30 zou niet meer werken in een meer geglobaliseerde landbouwmarkt. Massale vlees- en graanimport uit Amerika was immers noodzakelijk om het land van voldoende voedsel te voorzien. De oplossing: een Europese gemeenschappelijke landbouwmarkt zonder interne handelsbarrières.

“Het Boerenfront”, een syndicale landbouworganisatie verbonden aan het VNV, vond zijn oorsprong in de vele boerenbetogingen aan het eind van de jaren ’30 (Ministerie van Economie, Archief Ministerie van Landbouw).
“Het Boerenfront”, een Vlaams-nationalistische syndicale landbouworganisatie, vond zijn oorsprong in de vele boerenbetogingen aan het eind van de jaren ’30 (Ministerie van Economie, Archief Ministerie van Landbouw).

Toch zou “alle Europese grenzen open” voor veel landbouwers rampzalig zijn: een exportland zoals Nederland zou in België haar producten aan veel lagere prijzen kunnen afzetten, met oneerlijke concurrentie voor de Belgische boeren als gevolg. Opnieuw gebruikten politici de agrarische mythe om een uitzonderlijke behandeling en bescherming van de boeren te bekomen. Niet alleen het lot van veel landbouwbedrijven stond op het spel, maar binnen de snel moderniserende maatschappij van de jaren ‘50 was ook een authentieke vorm van leven bedreigd.  De boer als symbool van traditionele waarden geraakte zo verweven met het Europese integratieproces, en zelfs met de Europese identiteit.

Die bescherming kregen de boeren door een mooi financieel duwtje in de rug. In tegenstelling tot andere economische sectoren, werden hun prijzen door de E.E.G. gegarandeerd.  Boeren werden dus deels onttrokken aan de wetten van het kapitalistische systeem. Toch knelde het schoentje. De emotionele gehechtheid aan de familieboerderij stond steeds verder af van de economische werkelijkheid: de Europese landbouwer moest in de eerste plaats efficiënt een winstgevende onderneming leiden. Ook in het Belgische parlement was dit dilemma tijdens de jaren ‘50 voelbaar: het kleine landbouwbedrijf redden of enkel de renderende bedrijven steunen?

Boer zoekt bezieling

Het waren vooral de grote boeren die konden overleven en aan de Europese eisen van specialisatie en schaalvergroting voldoen. De Europese subsidies zorgden echter aan het eind van de jaren ‘60 voor boterbergen, melkplassen en wijnzeeën. Ook de dioxine- en milieuschandalen van de jaren ‘80 en ‘90 deden de reputatie van de boer geen goed. Het ideaalbeeld van de boer leefde vooral voort in nostalgische folklore. Het Europese landbouwbudget verminderde en het aantal boeren nam drastisch af: tussen 1980 en 2010  verdween 63% van de Belgische landbouwbedrijven.

Ook vandaag is de boer sterk afhankelijk van Europese regelgeving en het familiale karakter van de boerderij staat onder druk. Aanvullende inkomsten uit externe loonarbeid helpen de boer en zijn gezin om rond te komen. De boer verliest daarmee veel van zijn ooit geïdealiseerde vrijheid. “Waarom blijft de boer dan verder ploegen?” was de vraag van verschillende journalisten tijdens het protest in Brussel van 7 september. Het antwoord:  “Het enige dat ons nog rechthoudt,  is de bezieling van de stiel”.  Leeft de mythe van de boer dan toch nog verder?

Meer lezen

Lorraine Bluche en Kiran Klaus Patel, ‘Der Europäer als Bauer. Das Motiv des bäuerlichen Familienbetriebs in Westeuropa nach 1945‘ in Lorraine Bluche, Veronika Lipphardt en Kiran Klaus Patel red., Der Europäer – Ein Konstrukt. Wissensbestände, Diskurse, Praktiken, Göttingen, 2007, 135-156.

Daniela Münkel en Frank Uekötter red., Das Bild des Bauern. Selbst- und Fremdwahrnehmungen vom Mittelalter bis ins 21. Jahrhundert, Göttingen, 2012.

Laura Eskens is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar landbouw en voedselpolitiek in België tussen 1918 en 1958.

Deel dit bericht over koffie

Wetenschappelijk onderzoek over de voor- en nadelen van koffie drinken verschijnt regelmatig in het nieuws. Zo is volgens een recente studie de ochtend eigenlijk het slechtste moment van de dag om een kop koffie te drinken. Aangezien de meeste koffieadepten nu nét hun dag niet goed kunnen beginnen zonder het drinken van koffie, werd deze studie volop gedeeld op sociale media. Dergelijke artikels over hoeveel koppen je per dag mag drinken en wanneer je die dan het beste drinkt, zijn niet nieuw. Koffie was samen met thee en chocolade één van de nieuwe producten in zeventiende-eeuws Europa die tegelijkertijd als drank en als medicijn werden geïntroduceerd. Koffie veroorzaakte echter het meeste controverse. In heel Europa werd over de gezondheid van koffie gedebatteerd in vlugschriften, medische traktaten en kranten.

De gezondste drank ter wereld

NinaLamal-Koffiehuizen-VirtuesOfCoffeeAan het einde van de zestiende eeuw bereikten, via gedrukte verslagen van reizigers, handelaars en ambassadeurs in het Ottomaanse rijk, de eerste berichten over het bestaan van een drank “coffa” de Europese steden. Nog voor het drinken van koffie populair werd in Europese steden, werd al gewag gemaakt van de medicinale effecten van dit gitzwarte goedje. Het was een nieuwe en exotische drank die geassocieerd werd met de Ottomanen. Om die reden stelde Pasqua Rosée, de eigenaar van het eerste Londense koffiehuis, dat de drank ‘eenvoudig en onschuldig was’.

Met het openen van de eerste koffiehuizen in de tweede helft van de zeventiende eeuw werden de geneeskrachtige kwaliteiten alleen maar sterker in de verf gezet. Koffie was– en het is dat nog steeds – een redelijk bittere drank die je eigenlijk moet leren drinken. Het waren dus vooral ondernemers en handelaars zoals Pasqua Rosée die de deugden van koffie aanprezen.

In 1652 liet Rosée een pamflet verschijnen met een overzicht van de voordelen van de drank. Het drinken van koffie bevorderde de spijsvertering en was goed tegen hoofdpijn, jicht en duizeligheid. Bovendien verhinderde koffie miskramen bij vrouwen. Verder was je door het drinken van koffie ‘fit for business’: je was klaar om zaken te doen. Verschillende artsen volgden in hun lofzang. De Nederlandse arts Cornelis Bontekoe schreef in 1686 dat koffie een ongekend geneeskrachtig effect had en één van de gezondste dranken te wereld was.

Medische controverses

NinaLamal-Koffiehuizen-AgainstCoffeeDe populariteit van koffie en koffiehuizen zorgde echter ook snel voor heel wat medische discussies. De effecten van koffie werden besproken aan de medische faculteiten van Montpellier en de Sorbonne. Artsen verbonden aan de universiteit van Montpellier, zoals Daniel Duncan, schreven traktaten waarin ze het consumeren van koffie aanmoedigden. Artsen aan de Sorbonne stonden echter zeer sceptisch tegenover de geneeskracht van koffie. De medische traktaten van deze geleerde heren verschenen in meerdere Europese talen en werden in de pers gretig samengevat.

Via een aantal Arabische teksten uit het Ottomaanse rijk raakten ook de negatieve effecten van koffieconsumptie bekend: zo veroorzaakte het impotentie en hoofdpijn. In andere media vonden deze ideeën hun weerslag. In een Engels satirisch pamflet weeklaagden vrouwen dat mannen impotent werden door hun veelvuldig koffiegebruik. Een ander pamflet reageerde hiertegen en beweerde net dat koffie een afrodisiacum was en mannen dus allesbehalve impotent maakte.

Het verderf van de samenleving

De kwestie boeide dus niet alleen artsen. Voor vele moralisten was het drinken van koffie en dan vooral het frequenteren van koffiehuizen een zorgwekkende ontwikkeling. Een anonieme Nederlandse auteur lamenteerde in 1701 dat de voorbije eeuw werd gekenmerkt door het ‘misbruik van koffie en thee’. Hij stelde bovendien vast dat steeds meer vrouwen ook koffie dronken, tot verderf van de samenleving. Volgens deze schrijver hadden vrouwen nog minder dan mannen controle over hun consumptiegedrag.

NinaLamal-Koffie-CantataDit idee is ook aanwezig in de ‘Koffiecantate’ van Johann Sebastiaan Bach waarin een vader probeert zijn dochter Liesje te overtuigen om te stoppen met koffie drinken. Zij belooft plechtig geen koffie meer te drinken als ze mag huwen maar ze is haar vader te slim af. Ze laat in haar huwelijkscontract bepalen dat ze nog steeds zoveel koffie mag drinken als ze zelf wil.

Het verslavende effect van koffie leidde volgens vele auteurs tot morele corruptie. Met emotioneel geladen taal probeerden deze auteurs hun lezers te overtuigen dat koffie schadelijk was voor de gezondheid van mens en samenleving. Anderen spoorden de lezers aan om met mate koffie te consumeren.

De moraliserende toon is grotendeels uit het hedendaagse wetenschappelijke debat over de voor- of nadelen van koffie drinken verdwenen. We blijven wel gretig de berichtgeving over het wetenschappelijk onderzoek lezen in kranten, online of op sociale media. De redenen waarom mensen koffie aanprijzen en drinken zijn immers grotendeels hetzelfde gebleven: het maakt immers ‘een mens vrolijk en belet dat men niet slaperig naer het middagmael word’.

Meer lezen

Cowan, The Social Life of Coffee (Londen, 2005).

Reinders, Th. Wijsenbeek, e.a.,Koffie in Nederland. Vier eeuwen cultuurgeschiedenis, Zutphen 1994.

Nina Lamal is gastblogger. Ze is als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd (KU Leuven). Ze doet onderzoek naar de circulatie van nieuws en de rol van media in vroegmodern Europa. Sinds 1 oktober 2015 is ze aan de slag als onderzoeksassistent bij Universal Short Title Catalogue aan de University of St Andrews.

Waar onttroonde koningen en koninginnen vertoeven

Spa, augustus 2015. In het informatiepunt voor toerisme bij de toegang tot de waterbron Pierre le Grand, staat de bezoeker meteen oog in oog met de badgasten van weleer. Hoewel er eeuwenlang enkel bronwater werd geschonken, verwierf Spa vanaf de zestiende eeuw de reputatie het “café van Europa” te zijn. Op het meterslange schilderij Livre d’Or de Spa van Antoine Fontaine uit 1894 poseren geduldig drieënnegentig beroemde historische figuren. Aan de rechterzijde, gekleed in een zalmroze jurk en luisterend naar de achttiende-eeuwse Franse filosoof Jean Jacques Rousseau, staat koningin Christina van Zweden. De pas afgetreden koningin zou het kuuroord in 1654 hebben bezocht op aanraden van een andere Franse filosoof en tijdgenoot, René Decartes. De herinnering aan de hoogdagen van het kuuroord imponeert en wordt in Spa nog steeds in leven gehouden, zelfs wanneer de lijn tussen feit en fictie stilaan vervaagt.

Netwerkstad

Portret van Karel II in 1653, met op de achtergrond de witte klifrotsen van Dover.
Portret van Karel II in 1653, met op de achtergrond de witte klifrotsen van Dover.

Spa, augustus 1654. De tussenstop van twee koninklijke gasten in het kuuroord zorgde voor heel wat media-aandacht in de zomermaanden van 1654. Een eerste bezoeker was Karel II van Engeland. Na de executie van zijn vader Karel I en enkele mislukte pogingen om de Engelse troon te heroveren op de republikein Oliver Cromwell, vluchtte de negentienjarige kroonprins naar het Europese vasteland. In de zomermaanden van 1654, vijf jaar na zijn vlucht uit Engeland, beschreven correspondenten in verschillende kranten nog steeds bijna dag op dag de omzwervingen van de verbannen prins en zijn gevolg.

Vanuit Parijs kwam op 11 juli het bericht dat Karel naar Spa was vertrokken in het gezelschap van de hertog van York, om er zijn zus Maria Stuart, echtgenote van Willem II van Oranje, te ontmoetten. Zijn bezigheden in het kuuroord waren volgens de Gazette de France echter voornamelijk van politieke aard. Hij zou er met de prins van Transsylvanië over een huwelijksovereenkomst met een prinses van Oranje onderhandelen. Via zijn zus Maria had Karel II reeds banden met het hof van Oranje, en ook Frederik Willem, keurvorst van Brandenburg en voogd van de minderjarige Willem III van Oranje, werd voor de besprekingen in Spa verwacht.

Christina op tocht

Christina, koningin van Zweden, Goten en Vandalen, enkele maanden voor haar troonsafstand.
Christina, koningin van Zweden, Goten en Vandalen, enkele maanden voor haar troonsafstand.

Op datzelfde moment veroorzaakte de plotse troonsafstand van de jonge Zweedse koningin Christina opschudding in Europa. Meteen na de kroning van haar opvolger en neef Karl Gustaaf vertrok Christina naar Denemarken. Het gerucht deed de ronde dat ze het protestantse Zweden achterliet om zich in Rome persoonlijk door de paus tot het rooms-katholicisme te laten bekeren. Europese diplomaten sloegen de gebeurtenissen met grote aandacht gade.

Christina was zonder reisschema vertrokken; het bleef niet enkel gissen naar haar eindbestemming maar eveneens naar haar reisroute. Engelse koningsgezinden hoopten op een tussenstop in Spa waar op dat moment Karel II nog steeds vertoefde. Beide koninklijke bannelingen waren immers niet alleen katholiek (in wording), maar tevens ongehuwd! Van beide geruchten, een bekering en een huwelijk, werd enkel het eerste waarheid. Christina bekeerde zich, in het geheim, op kerstnacht 1654 in Brussel tot het rooms-katholicisme. Van een Anglo-Zweedse huwelijksalliantie kwam nooit iets in huis, sterker nog, het is eigenlijk helemaal niet zeker of Christina van Zweden Spa ooit bezocht.

Rebelse mythes

Hoewel haar door verschillende vertrouwelingen werd aangeraden om in de Ardennen de rust op te zoeken na de abrupte machtswissel, getuigt niets of niemand over een bezoek aan het beroemde kuuroord. Biografen die haar verblijf in de Nederlanden bijna dag op dag reconstrueerden, merkten vooral op hoe de koningin haar tijd in de Zuidelijke Nederlanden spendeerde in het Antwerpse theater en op Brusselse bals. Ze was een van de meest gekende figuren uit haar tijd. Ze correspondeerde met familieleden, met diplomaten en geleerden uit binnen- en buitenland en haar bewegingen werden in de pers gretig opgevolgd, zodat historici voldoende bronnenmateriaal rest om haar verhaal te vertellen.

Queen Christina veroorzaakte controverse in het Hollywood van de jaren dertig, al werd de film het kassucces van het jaar.
Queen Christina veroorzaakte controverse in het Hollywood van de jaren dertig, al werd de film het kassucces van het jaar.

En toch vertroebelt de mythe van een rebelse jonge koningin tot op heden regelmatig de historische realiteit. Het bekendste voorbeeld blijft de film “Queen Christina” uit 1933 met in de hoofdrol Greta Garbo, waarin Christina aan de troon verzaakt om gehuld in mannenkleren haar geliefde Antonio, een Spaanse ambassadeur, achterna te reizen doorheen Europa. Of Christina van Zweden ooit voet zette in Spa, zal een raadsel blijven. Zeker is wel dat Karel II van Engeland Spa in het najaar van 1654 verliet – zonder echtgenote.

Hoewel er in Spa geen ontkomen is aan het indrukwekkend gastenboek, geven de verschillende monumentale vergulde namenlijsten die her en der in de stad staan opgesteld slechts weinig prijs over haar bezoekers. Zoals het voor een zeventiende-eeuwse diplomaat bleef gissen naar wat er zich in het Ardense kuuroord afspeelde, zo tast ook de hedendaagse historicus soms in het duister in een poging feit van fictie te onderscheiden. Spa houdt zo haar reputatie in ere een oase van rust voor Europese prinsen en prinsessen te zijn. De wereld mag dan wel een idee hebben van het komen en gaan van beroemdheden, de realiteit blijft meestal stilletjes verscholen achter gesloten deuren.

Sophie Verreyken is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven, waar ze onderzoek verricht naar Spaanse-Vlaamse elites in de zeventiende-eeuwse Habsburgse Nederlanden.

Waarom u van Cecil de leeuw hield

Er was wereldwijd grote verontwaardiging. De Zimbabwaanse leeuw Cecil – een lieveling van het safaritoerisme – was gedood. Een rijke tandarts uit Minnesota had hem het Hwange National Park uitgelokt met lokaas. Hij schoot de leeuw neer met een kruisboog, waarna hij het gewonde dier veertig uur lang achtervolgde, om hem uiteindelijk af te maken met een geweerschot. Cecils hoofd werd een trofee.

Eens de feiten bekend werden, was de ophef groot. Zowel de kwaliteitskranten als de tabloids hadden verschillende dagen na elkaar veel aandacht voor het voorval. De kruisboogjacht werd bediscussieerd in duidingsprogramma’s op tv en de sociale media ontploften. Het verhaal heeft dan ook alles. Er is een duidelijke schurk in het spel die het op slinkse wijze (met een kruisboog!) opneemt tegen een van de symbolen van de Afrikaanse wildernis, en die daarbij de gruwel niet schuwt. Een tandarts nota bene. Niemand, dat mag duidelijk zijn, houdt van tandartsen. En al helemaal niet als ze rijk zijn.

Sir Roger Moore – voormalig James Bond – noemde de man in kwestie publiekelijk ‘een lafaard’. Tientallen mensen verzamelden aan de tandartspraktijk met spandoeken waarop te lezen stond: ‘Love, not kill wildlife’. Aan de poort werden knuffelleeuwtjes achtergelaten.

Wat is het aan leeuwen dat zo fascineert? Wat maakt dat de beau monde van Minnesota grote sommen geld over heeft om er aan de andere kant van de wereld één neer te schieten? En waarom worden er tegelijkertijd op grote schaal knuffeldieren naar gemodelleerd? Waarom, ten slotte, krijgt een individuele leeuw in Zimbabwe een mensennaam en een internationale schare fans? De historische wortels van deze verschillende fenomenen voeren naar het eind van de negentiende eeuw.

Big Game

De vitale plaatsen om te treffen bij een leeuw (Uit: André Pilette, A travers l’Afrique Equatoriale, Brussel, Oscar Lamberty, 1914, 445).
De vitale plaatsen om te treffen bij een leeuw (uit: André Pilette, A travers l’Afrique Equatoriale, Brussel, Oscar Lamberty, 1914, 445).

De jacht op groot wild (big game hunting) heeft adellijke roots. Op het einde van de negentiende eeuw trokken Britse aristocraten, wier dure landerijen met jachtgronden in verval waren, steeds vaker naar de kolonie voor hun jachtpartijen. Al snel kwamen ook de Amerikaanse industriëlen die zich aan de Britse adel spiegelden. Jachtavonturen werden een populair genre in jeugd- en volwassenenliteratuur en een terugkerend thema in (vaak in scene gezette) films. Icoon van de Afrikaanse jager-avonturier werd Theodore Roosevelt – de voormalige Amerikaanse president die met zijn jachttrip naar Kenya in 1909 het fenomeen een ongekende populariteit bezorgde. Dezelfde man gaf ook zijn naam aan de teddybeer, die in dezelfde periode aan beide kanten van de Atlantische Oceaan een verkoopsucces werd.

De koloniale jacht ging om avontuur en mannelijkheid, maar ook om zelfbeheersing. Naarmate de tijd vorderde werd de jacht immers steeds meer aan allerlei gedragscodes onderworpen. Het ideaal was er een van sportsmanship. Echte sportsmen keken neer op jagers die grote aantallen dieren doodden om commerciële redenen. Er moest gejaagd worden op een selecte groep van dieren – waarmee een strijd van individu tot individu kon worden aangegaan. De tegenstander was bij voorkeur een groot mannetje op het toppunt van zijn kracht (zoals, inderdaad, Cecil). In jachtliteratuur werd gepostuleerd dat het dier ‘een eerlijke kans’ moest krijgen. Idealiter werd het daarenboven gedood met een enkel schot. Alvast daar ging het bij Cecil mis.

Penitent butchers

De koloniale jagers stonden ook mee aan de basis van de eerste Afrikaanse jachtreservaten en –later – nationale parken. Ze wilden het ‘wilde’ en ‘onaangetaste’ Afrika van hun avonturen bewaren. Daarbij hoopten ze vooral de ‘primitieve’ jachtmethoden van de lokale bevolking en de grootschalige commerciële jacht te laten verbieden. De Britse Society for the Preservation of the Fauna of the Empire, die met dat doel werd opgericht, bestond voor een groot deel uit big game hunters. Ze werden bekend als ‘the penitent butchers’. Hun invloed leeft ook vandaag nog voort. In vele Afrikaanse landen is de totale oppervlakte van jachtreservaten nog steeds groter dan die van nationale parken die niet voor de jacht openstaan.

Gradueel werd in de loop van de twintigste eeuw overgeschakeld van jacht met het geweer naar jacht met het fototoestel. Langzaam verdween daarbij big game hunting ook uit het (publiek uitgedragen) beeld van de natuurbescherming. De Britse prins Phillip, later voorzitter van het World Wildlife Fund (WWF), werd in de jaren 1960 door zijn eigen organisatie op de vingers getikt na een tijgerjacht in India. Hij werd – omwille van zijn voorbeeldfunctie – verzocht over te schakelen op de camera.

Simba –zowel bejaagd met het geweer als met de camera (Wikimedia commons).
Simba –zowel bejaagd met het geweer als met de camera (Wikimedia commons).

Het geweer mocht dan (gedeeltelijk) voor het fototoestel worden ingewisseld, maar aan de romantiek, gedragscodes en geprefereerde diersoorten van de safari veranderde weinig. De ‘big five’ (olifant, neushoorn, buffel, luipaard en leeuw) van de hedendaagse toeristenfolders waren al geprefereerde soorten van de sportsmen rond 1900. Hun aristocratische voorkeuren leven voort in het grootschalig Afrikatoerisme. Als Cecil een baviaan was geweest, was de morele verontwaardiging bij zijn dood vast veel minder geweest.

Zelfs het geven van namen aan individuele dieren (‘gewaardeerde tegenstanders’) was niet geheel ongebruikelijk in de jachtretoriek van een eeuw geleden. In 1928 brachten Martin en Osa Johnson al een jachtfilm uit onder de titel Simba: the King of Beasts. De titel verwijst naar het Swahili-woord voor leeuw en naar het individu dat op camera wordt neergeschoten. Niet toevallig is het ook de naam van de leeuw in Disney’s The Lion King. Hoewel jagers er ontbreken worden ook hier de traditionele thema’s van manwording, leiderschap en zelfbeheersing behandeld.

De protesterende mensen aan de tandartspraktijk zullen het niet graag horen, maar hun affectie voor de leeuw heeft gedeeltelijk dezelfde historische wortels als de jachtfantasieën van de tandarts. Gelukkig delen ze zijn voorkeur voor kruisbogen niet.

Raf De Bont is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en docent aan de Universiteit Maastricht.  Hij publiceerde onder meer over wetenschappelijke ecologie en natuurbescherming, degeneratie- en evolutietheorieën en de verbeelding van de wetenschap in de brede cultuur.

De vijf meest gebruikte scheldwoorden in middeleeuws Vlaanderen

Gastblog door Jelle Haemers.

Hoe vulgair was het middeleeuwse taalgebruik? Doorgaans associëren we ‘middeleeuws’ met primitief, ongeciviliseerd en zelfs instinctief als het over geweld gaat. Maar de middeleeuwers waren heus tot meer in staat dan enkel vechten. Geweldloos protest en verbaal verzet was eerder de norm dan de uitzondering in politieke conflicten in de laatmiddeleeuwse stad. Bovendien inspireerden politieke ideeën verontwaardigde burgers om in de eerste plaats de pen, en pas later het zwaard op te nemen. Maar natuurlijk werd er ook gescholden en geroepen. Een analyse van enkele van de meest populaire slogans en scheldwoorden toont echter aan dat ze geen naïeve kreten waren, maar vaak hun inspiratie vonden in een gesofisticeerd politiek discours. Zelfs op de meest ‘vulgaire’ momenten krijgen we dus toch bedachtzame middeleeuwers te horen.

Een quaet kiekin broedde

Een ‘kwaad kieken’ broedt op een kwaad ei, zoals Hiëronymus Bosch het schilderde in De aanbidding van de Heilige Antonius rond 1500 (Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon).
Een ‘kwaad kieken’ broedt op een kwaad ei, zoals Hiëronymus Bosch het schilderde in De aanbidding van de Heilige Antonius rond 1500 (Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon).

‘Een quaet kiekin broedde’ was een populaire uitdrukking om te waarschuwen dat een samenzwering op til was. ‘Kwade kiekens’ broedden namelijk op eieren waaruit veel onheil kon voortkomen, zoals ook Hiëronymus Bosch er schilderde. In Ieper in 1477 waren de leerjongens van het weversambacht in enkele herbergen op zo’n ‘kwaad ei’ aan het broeden. Ze spraken er af dat ze niet meer aan het werk zouden gaan totdat hun oude privileges in ere waren hersteld. Hun voorrechten waren namelijk volgens hen met de voeten getreden en daarom zouden ze staken tot dit onrecht voorbij was. Dit voorbeeld toont dus aan dat ook middeleeuwse arbeiders (geweldloze) stakingen op geheime plaatsen voorbereidden om politieke rechten te vrijwaren.

Hoerezuene

‘Hoerezoon’, ‘bastaard’, ‘overspelige’… enzovoort zijn scheldwoorden die het morele gedrag en de afkomst van personen in vraag stellen. Niet alleen rebellen maar ook welgestelde personen en gezagsdragers hanteerden dergelijk grof taalgebruik. In dit voorbeeld schold de gefortuneerde Brugse handelaar Reinier Houtmaerct in 1478 stadsontvanger Willem Moreel als ‘hoerezoon’ uit. Toespelingen op de onbetrouwbaarheid van het gedrag en de afkomst van machthebbers hadden de bedoeling om hen publiekelijk te vernederen, maar er is ook een meer fundamenteel principe aan het werk. Macht was in de middeleeuwen op status en privileges gebaseerd. Dikwijls oefende iemand een functie uit omdat hij van goede afkomst was of nobel gedrag etaleerde. Als iemand dus als een ‘zoon van een hoer’ uitgescholden werd, dan stelde men eigenlijk diens afkomst in vraag. Bijgevolg was het in dat geval niet langer gerechtvaardigd dat die persoon een bepaalde functie uitoefende of was hij althans zijn functie niet meer waardig. Vandaar dat Willem Moreel streng optrad. Zijn uitdager werd uit de stad verbannen.

Levereter

Deze metafoor kregen corrupte bewindvoerders naar het hoofd geslingerd. Middeleeuwers vergeleken de stedelijke gemeenschap graag met het lichaam, waarvan de lever natuurlijk een essentieel orgaan is. Onbetrouwbare bestuurders die bijvoorbeeld belastinggeld ‘opaten’, voor private doeleinden gebruikten, verminkten volgens die logica het stedelijke lichaam. Zonder de lever sterft de stad af, en dus moet de corrupte persoon verwijderd worden. Kortom, ‘levereters’ waren beter op hun hoede. Enkel vergelding of zelfs fysieke uitschakeling was een geschikte straf om de ‘gewonde stad’ te genezen. Eerder dan een bruut scheldwoord verbergt ‘levereter’ dus bijna een ideologisch programma: de stad verdient enkel bekwame bestuurders die de hele gemeenschap dienen en gezond houden.

‘Op de werelt schijten’ (‘Overal maling aan hebben’) was een populaire uitdrukking in de middeleeuwse Nederlanden. Pieter Bruegel de oude, De dwaasheid van de wereld, ca. 1559 (Gemäldegalerie Berlin).
‘Op de wereld schijten’ (‘Overal maling aan hebben’) was een populaire uitdrukking in de middeleeuwse Nederlanden. Pieter Bruegel de oude, De dwaasheid van de wereld, ca. 1559 (Gemäldegalerie Berlin).

Ic schyte in ulieden

‘Ic schyte in ulieden ende in scepenen, ende in al deghonne die my deeren moghen’, schreeuwde visverkoper Thomas Haghebaert in 1527 in Brugge naar de schepenen die hem zopas tot een ons onbekende straf veroordeeld hadden. Hier lijkt op het eerste gezicht weer een onbeschaafde middeleeuwer aan het woord, maar opnieuw had de scrabeuze praat een gericht doel: de autoriteit van de bestraffer in vraag stellen. Eerder dan de daad bij het woord te voegen, maakte Thomas vooral duidelijk dat de schepenen hem niet konden deren. Hij aanvaardde hun gezag niet en zou zijn activiteiten ongehinderd doorzetten. ‘De galg beschijten’ of ‘op de wereld schijten’ waren immers populaire uitdrukkingen om te stellen dat je je iets niet aantrok of dat je niet bang was (zoals ook Pieter Breugel deze spreekwoorden treffend schilderde). Dus ook hier horen we een subversieve middeleeuwer aan het werk die vooral een politiek statement maakte.

Slaet doot, Slaet doot!

‘Slaet doot! Slaet doot!’ scandeerde een volksmassa op de Grote Markt van Brugge in 1477. Is het een instinctieve strijdkreet van agressief gepeupel? Er is opnieuw meer aan de hand. Heel vaak riepen stedelingen om gewelddadige vergelding wanneer ze het oneens waren met het gevoerde beleid, maar zelden maakten ze slachtoffers. Het betreft dus een bedreiging aan het adres van bewindvoerders met de bedoeling beslissingen ongedaan te maken. Bovendien zijn dergelijke slogans een heel gerichte waarschuwing voor de ‘rotte appel’ uit het stadbestuur die van corruptie of wanbeheer verdacht werd. Eerder dan een aanval op de volledige bewindsploeg of een revolutionaire roep om een omwenteling betreft het hier de vraag om de bestraffing van de overtreders van geldende normen en waarden. En aangezien opstandelingen of criminelen soms de doodstraf kregen, riepen opstandelingen met enige zin voor overdrijving zelf om de terechtstelling van de ‘misdadiger’. Een gewaarschuwde middeleeuwer was er twee waard.

Verder lezen

Jelle Haemers en Jan Dumolyn, “‘A bad chicken was brooding’. Subversive speech in late medieval Flanders”,  Past and Present: a Journal of Historical Studies, 214 (2012), 45-86.

Jelle Haemers, “Filthy and indecent words. Insults, defamation, and urban politics in the southern Low Countries, 1300-1550”, in: Jan Dumolyn e.a. (red.), The voices of the people in late medieval Europe. Communication and popular politics, Turnhout, 2014, 247-267.

Titelafbeelding: fragment uit Ecce Homo van Hans Memling (National Gallery of Scotland, Edinburgh).

Jelle Haemers is gastblogger. Deze blog is gebaseerd op onderzoek dat Jelle Haemers en Jan Dumolyn voerden naar de politieke en sociale conflicten in de laatmiddeleeuwse Nederlanden. Beiden zijn hoofddocent, respectievelijk verbonden aan de KU Leuven en de UGent. Het is een bewerkte vertaling van een blog die op Oxford University Press Blog verscheen.

De liefdesbrieven van Michel Foucault

De Franse filosoof Michel Foucault is een van de meest geciteerde auteurs in de humane wetenschappen. Hoewel hij zich zelf verzette tegen dergelijke labels, wordt hij vaak als een belangrijk vertegenwoordiger van het poststructuralisme en postmodernisme opgevoerd. Hij schreef vernieuwende en controversiële werken over de geschiedenis van de waanzin, van ziekenhuizen, van de menswetenschappen, van de gevangenis en van de seksualiteit. Hij toonde aan hoe kennis en macht steeds samengaan en voor een groot deel bepalen hoe we grenzen trekken tussen waanzin en rede, tussen ziek en gezond,  tussen pervers en normaal. Foucault was vaak scherp,  meedogenloos voor zijn critici en had weinig geduld met wie hem niet begreep. Minder bekend is dat hij ook zelf op de rand van de waanzin balanceerde en bovendien een waar romanticus was.

Een getroebleerde jongeman

Foucault als koorknaap in Poitiers.
Foucault als koorknaap in Poitiers.

Paul-Michel Foucault, want dat is zijn eigenlijke naam, werd op 15 oktober 1926 geboren in Poitiers, een slaperig Frans provinciestadje. Hij groeide op in een welstellend gezin: zijn vader was een gereputeerd chirurg en zijn moeder kwam uit een rijke artsenfamilie. Foucaults schooljaren waren weinig bijzonder. Hij was geen zeer sterke leerling, maar werkte erg hard, zeker in zijn latere schooljaren. Hij wilde binnenraken in de Ecole Normale Supérieure in Parijs om er filosofie te studeren. Nadat hij een eerste keer niet door het ingangsexamen raakte, trok hij in de herfst van 1945 naar Parijs om er zich verder voor te bereiden.

In 1946 raakte Foucault door het toelatingsexamen, maar zijn tijd aan de ‘ENS’ was niet bepaald gelukkig. Het groepsleven, de ego’s en de ongetemperde ambities stonden hem fel tegen. Bovendien worstelde hij met zijn homoseksualiteit en voelde hij zich extreem lelijk. Zijn escapades in het Parijse homoleven bezorgden hem een enorm schuldgevoel. Hij zonderde zich af, kwam slechts uit zijn eenzaamheid om met anderen te spotten en vergat zich in zijn werk – dat hij overigens met verve verrichtte. Hij was bij momenten bezeten door pijn en geweld, behing zijn kamer met posters van marteltuigen en bewerkte zichzelf verschillende keren met een mes. Hij zocht heil in drank en drugs en werd meermaals bewusteloos van de drank teruggevonden. In 1948 en 1950 deed hij twee zelfmoordpogingen en kreeg psychiatrische hulp.

Lelijk als een luis

Jean Barraqué
Jean Barraqué.

In 1952 ontmoette Foucault voor het eerst Jean Barraqué. Foucault had intussen zijn Agrégation gehaald en mocht dus les geven in het middelbaar onderwijs. Daar had hij weinig interesse in en na een kort verblijf in een Parijs’ onderzoeksinstituut werd hij als deeltijds docent aangesteld aan de universiteit van Rijsel. Jean Barraqué, anderhalf jaar jonger dan Foucault, was een – toen nog niet erg succesvol – componist van vooral seriële muziek. Foucault en Barraqué ontmoetten elkaar op een concert en raakten bevriend en die vriendschap evolueerde al snel in een stormachtige, passionele liefdesrelatie. Foucault noemde Barraqué in een brief ‘schattig, maar lelijk als een luis’.

Barraqué introduceerde Foucault in de wereld van de ‘ondeugende jongens’. Het betekende een kantelpunt in Foucaults leven. Zijn relatie met Barraqué, weliswaar vaak overgoten met alcohol en sadomasochistische praktijken, hielp Foucault om vrede te nemen met zijn seksuele voorkeuren. Hij werd, misschien wel voor het eerst, echt gelukkig. Toen hij  in 1955 een aanstelling in Zweden kreeg, was Foucault nog steeds dolverliefd. Hij schreef zijn geliefde tal van brieven, die bol staan van de literaire verwijzingen, maar ook overgoten zijn met een dikke saus romantiek. Citeren uit de brieven is niet toegelaten, maar de teneur is als volgt:

We hebben maar één leven, en misschien hebben we het samen. Je afwezigheid is een leegte die slechts tot leven komt bij elke nieuwe brief. Mijn enige wens is jouw geluk, jouw vrijheid, jouw plezier. Soms, ’s nachts in mijn smalle bed geduwd tegen de muur vind ik je terug: ik ga binnen in de heerlijk samengebalde ruimte van lichaam tegen lichaam. Tegen je lig ik geduwd, als een bloem tegen een blad papier. Ik hoor alleen je stilte, glip zachtjes onder je slaap, voel alleen je adem. Jij bent mijn meest trouwe waanzin.

De roes van de waanzin

Foucault tijdens een etentje in Uppsala - met een opmerkelijke haardos.
Foucault tijdens een etentje in Uppsala – mét haardos.

Hoewel Foucault nog geregeld naar Parijs terugkeerde, deed de fysieke scheiding de relatie geen goed. In de herfst van 1955 stopte Barraqué met het beantwoorden van Foucaults brieven uit Zweden. Hij verkoos zijn werk boven ‘de val van de liefde’. In zijn laatste brieven klinkt Foucault erg verslagen. Barraqué was hem nog steeds dierbaar, maar hij gunde hem zijn leven en zijn keuzes. Barraqué schreef Foucault een laatste brief in het voorjaar van 1956. Hij had geen zin meer in een relatie die alleen maar achteruit kon gaan. ‘Ik wil geen deelnemer of toeschouwer zijn van deze aftakeling. De roes van de waanzin is voorbij.’ Foucault deed nog een laatste poging en vroeg Barraqué om toch samen de vakantie de nemen die ze al besproken hadden. Barraqué weigerde. Hun relatie was niet meer.

Foucault was aangedaan, maar hij viel niet terug in zijn crises van weleer. Hij had intussen, mede dankzij Barraqué, vrede genomen met zichzelf. Het excessieve alcoholgebruik verdween. Werk werd opnieuw Foucaults voornaamste bezigheid. Zijn jeugdjaren en zijn relatie met Barraqué hadden echter een blijvende invloed op de rest van zijn leven en werk. Barraqué had Foucault kritisch doen denken over Hegel en over de klassieke Franse filosofie. Barraqué was Foucaults kennismaking met de moderne wereld. Foucault, die balanceerde op de grens met de krankzinnigheid, werd de filosoof van de waanzin. Foucault, die moeite had met zijn eigen homoseksualiteit, werd de revolutionaire geschiedschrijver van de seksualiteit. Zijn jeugd had Foucault voor lastige problemen gesteld. Barraqué had hem geholpen een oplossing te vinden.

Meer lezen

Didier Eribon, Michel Foucault: een biografie, Amsterdam, 1990.

David Macey, Michel Foucault (Critical Lives), Londen, 2004.

Lynne Huffer, Mad for Foucault: Rethinking the Foundations of Queer Theory, New York, 2010.

Elwin Hofman is als aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de zelfopvattingen van moordenaars, prostituees en sodomieten in de laatachttiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden.