Waarom u van Cecil de leeuw hield

Er was wereldwijd grote verontwaardiging. De Zimbabwaanse leeuw Cecil – een lieveling van het safaritoerisme – was gedood. Een rijke tandarts uit Minnesota had hem het Hwange National Park uitgelokt met lokaas. Hij schoot de leeuw neer met een kruisboog, waarna hij het gewonde dier veertig uur lang achtervolgde, om hem uiteindelijk af te maken met een geweerschot. Cecils hoofd werd een trofee.

Eens de feiten bekend werden, was de ophef groot. Zowel de kwaliteitskranten als de tabloids hadden verschillende dagen na elkaar veel aandacht voor het voorval. De kruisboogjacht werd bediscussieerd in duidingsprogramma’s op tv en de sociale media ontploften. Het verhaal heeft dan ook alles. Er is een duidelijke schurk in het spel die het op slinkse wijze (met een kruisboog!) opneemt tegen een van de symbolen van de Afrikaanse wildernis, en die daarbij de gruwel niet schuwt. Een tandarts nota bene. Niemand, dat mag duidelijk zijn, houdt van tandartsen. En al helemaal niet als ze rijk zijn.

Sir Roger Moore – voormalig James Bond – noemde de man in kwestie publiekelijk ‘een lafaard’. Tientallen mensen verzamelden aan de tandartspraktijk met spandoeken waarop te lezen stond: ‘Love, not kill wildlife’. Aan de poort werden knuffelleeuwtjes achtergelaten.

Wat is het aan leeuwen dat zo fascineert? Wat maakt dat de beau monde van Minnesota grote sommen geld over heeft om er aan de andere kant van de wereld één neer te schieten? En waarom worden er tegelijkertijd op grote schaal knuffeldieren naar gemodelleerd? Waarom, ten slotte, krijgt een individuele leeuw in Zimbabwe een mensennaam en een internationale schare fans? De historische wortels van deze verschillende fenomenen voeren naar het eind van de negentiende eeuw.

Big Game

De vitale plaatsen om te treffen bij een leeuw (Uit: André Pilette, A travers l’Afrique Equatoriale, Brussel, Oscar Lamberty, 1914, 445).
De vitale plaatsen om te treffen bij een leeuw (uit: André Pilette, A travers l’Afrique Equatoriale, Brussel, Oscar Lamberty, 1914, 445).

De jacht op groot wild (big game hunting) heeft adellijke roots. Op het einde van de negentiende eeuw trokken Britse aristocraten, wier dure landerijen met jachtgronden in verval waren, steeds vaker naar de kolonie voor hun jachtpartijen. Al snel kwamen ook de Amerikaanse industriëlen die zich aan de Britse adel spiegelden. Jachtavonturen werden een populair genre in jeugd- en volwassenenliteratuur en een terugkerend thema in (vaak in scene gezette) films. Icoon van de Afrikaanse jager-avonturier werd Theodore Roosevelt – de voormalige Amerikaanse president die met zijn jachttrip naar Kenya in 1909 het fenomeen een ongekende populariteit bezorgde. Dezelfde man gaf ook zijn naam aan de teddybeer, die in dezelfde periode aan beide kanten van de Atlantische Oceaan een verkoopsucces werd.

De koloniale jacht ging om avontuur en mannelijkheid, maar ook om zelfbeheersing. Naarmate de tijd vorderde werd de jacht immers steeds meer aan allerlei gedragscodes onderworpen. Het ideaal was er een van sportsmanship. Echte sportsmen keken neer op jagers die grote aantallen dieren doodden om commerciële redenen. Er moest gejaagd worden op een selecte groep van dieren – waarmee een strijd van individu tot individu kon worden aangegaan. De tegenstander was bij voorkeur een groot mannetje op het toppunt van zijn kracht (zoals, inderdaad, Cecil). In jachtliteratuur werd gepostuleerd dat het dier ‘een eerlijke kans’ moest krijgen. Idealiter werd het daarenboven gedood met een enkel schot. Alvast daar ging het bij Cecil mis.

Penitent butchers

De koloniale jagers stonden ook mee aan de basis van de eerste Afrikaanse jachtreservaten en –later – nationale parken. Ze wilden het ‘wilde’ en ‘onaangetaste’ Afrika van hun avonturen bewaren. Daarbij hoopten ze vooral de ‘primitieve’ jachtmethoden van de lokale bevolking en de grootschalige commerciële jacht te laten verbieden. De Britse Society for the Preservation of the Fauna of the Empire, die met dat doel werd opgericht, bestond voor een groot deel uit big game hunters. Ze werden bekend als ‘the penitent butchers’. Hun invloed leeft ook vandaag nog voort. In vele Afrikaanse landen is de totale oppervlakte van jachtreservaten nog steeds groter dan die van nationale parken die niet voor de jacht openstaan.

Gradueel werd in de loop van de twintigste eeuw overgeschakeld van jacht met het geweer naar jacht met het fototoestel. Langzaam verdween daarbij big game hunting ook uit het (publiek uitgedragen) beeld van de natuurbescherming. De Britse prins Phillip, later voorzitter van het World Wildlife Fund (WWF), werd in de jaren 1960 door zijn eigen organisatie op de vingers getikt na een tijgerjacht in India. Hij werd – omwille van zijn voorbeeldfunctie – verzocht over te schakelen op de camera.

Simba –zowel bejaagd met het geweer als met de camera (Wikimedia commons).
Simba –zowel bejaagd met het geweer als met de camera (Wikimedia commons).

Het geweer mocht dan (gedeeltelijk) voor het fototoestel worden ingewisseld, maar aan de romantiek, gedragscodes en geprefereerde diersoorten van de safari veranderde weinig. De ‘big five’ (olifant, neushoorn, buffel, luipaard en leeuw) van de hedendaagse toeristenfolders waren al geprefereerde soorten van de sportsmen rond 1900. Hun aristocratische voorkeuren leven voort in het grootschalig Afrikatoerisme. Als Cecil een baviaan was geweest, was de morele verontwaardiging bij zijn dood vast veel minder geweest.

Zelfs het geven van namen aan individuele dieren (‘gewaardeerde tegenstanders’) was niet geheel ongebruikelijk in de jachtretoriek van een eeuw geleden. In 1928 brachten Martin en Osa Johnson al een jachtfilm uit onder de titel Simba: the King of Beasts. De titel verwijst naar het Swahili-woord voor leeuw en naar het individu dat op camera wordt neergeschoten. Niet toevallig is het ook de naam van de leeuw in Disney’s The Lion King. Hoewel jagers er ontbreken worden ook hier de traditionele thema’s van manwording, leiderschap en zelfbeheersing behandeld.

De protesterende mensen aan de tandartspraktijk zullen het niet graag horen, maar hun affectie voor de leeuw heeft gedeeltelijk dezelfde historische wortels als de jachtfantasieën van de tandarts. Gelukkig delen ze zijn voorkeur voor kruisbogen niet.

Raf De Bont is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en docent aan de Universiteit Maastricht.  Hij publiceerde onder meer over wetenschappelijke ecologie en natuurbescherming, degeneratie- en evolutietheorieën en de verbeelding van de wetenschap in de brede cultuur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *