Publicatiedruk

De voorbije maanden was er veel aandacht voor de toenemende publicatiedruk bij jonge onderzoekers. Wie vandaag succesvol wil zijn in de wetenschap, kan inderdaad best veel artikels publiceren en liefst in prestigieuze tijdschriften. Blind peer review – het anoniem beoordelen van studies door vakgenoten of peers – is daarbij de algemeen aanvaarde norm. Toch is die algemene norm niet zo vanzelfsprekend. In de negentiende eeuw, toen de moderne wetenschap nog in volle ontwikkeling was, werden studies immers op diverse manieren geëvalueerd. Inzendingen van negentiende-eeuwse artsen, bijvoorbeeld, werden veel opener beoordeeld. Maar ook zij hadden te maken met ernstige publicatiedruk…

Public relations

Een van die negentiende-eeuwse artsen was de Oostendenaar Louis Verhaeghe. In 1854 besloot  Verhaeghe een wetenschappelijk artikel te schrijven over een – in zijn ogen – wel erg bijzondere ontwrichting van een schouder van een patiënt in zijn praktijk. Hij stuurde zijn beschrijving op naar het medische genootschap van Gent, dat een gerenommeerd tijdschrift uitgaf. Verhaeghe voegde een begeleidend briefje toe aan Charles Poelman, de secretaris van het genootschap: “Als die [beschrijving] gebruikt zou kunnen worden, […] dan zou me dat veel voldoening geven.” Verhaeghe haalde zijn voldoening: datzelfde jaar nog verscheen zijn artikel van slechts enkele pagina’s in het Gentse tijdschrift.

Verhaeghes artikel in het tijdschrift van het medische genootschap van Gent
Verhaeghes artikel in het tijdschrift van het medische genootschap van Gent

Verhaeghe was als publicerende arts in het midden van de negentiende eeuw zeker geen uitzondering. Vergeleken met de toestand een halve eeuw eerder was er veel veranderd. De Britse historicus Michael Brown toonde aan dat publiceren in de late achttiende eeuw vooral een zaak van de medische elite was. Gegoede artsen creëerden met werken, die niet alleen over geneeskunde, maar ook over landbouw, archeologie, geschiedenis en literatuur handelden, een imago van beschaafde en op alle gebieden getalenteerde gentlemen. Het ging om mooi uitgegeven boeken – vaak met vele illustraties – waarvan zowel de vorm als de inhoud het literaire talent van de auteur moesten weerspiegelen. In de achttiende eeuw was publiceren, aldus Brown, een manier voor artsen om zich te manifesteren in de stedelijke elite.

Portret van Pierre-Engelbert Wauters, 1840. De boeken op de achtergrond illustreren Wauters' eruditie
Portret van Pierre-Engelbert Wauters, 1840. De boeken op de achtergrond illustreren Wauters’ eruditie

Die traditie verdween zeker niet helemaal in de negentiende-eeuwse geneeskunde. Ook het Gentse genootschap ontving allerhande studies van welgestelde artsen, voor wie publicaties een belangrijk onderdeel vormden van hun publieke reputatie. In 1854 nog publiceerde dr. Jean Carolus een uitgave van een veertiende-eeuws chirurgisch manuscript. Hij liet zijn studie verfraaien met een (dure) tekening van enkele passages uit het middeleeuwse manuscript, die “de aandacht moest vestigen op de ouderdom van het werk”. De arts en botanicus Henri Bonnewijn bestelde van zijn farmaceutische studie een honderdtal extra exemplaren die “luxueus gebonden” moesten zijn, “met een mooie titelpagina, op mooi dik papier en op groot formaat.” Ook de Franse arts Mordret had bijkomende exemplaren besteld “om te verdelen onder vrienden en genootschappen”. Carolus, Bonnewijn en Mordret hadden zo heel wat geld over voor de verfraaiing van hun studies, die ze gebruikten als relatiegeschenken binnen wetenschappelijke kringen.

Tekening van enkele passages uit het middeleeuwse handschrift dat in 1854 door Jean Carolus werd uitgegeven
Tekening van enkele passages uit het middeleeuwse handschrift dat in 1854 door Jean Carolus werd uitgegeven

Tegenover die dure uitgaven lijken de kleine artikels – vaak slechts enkele pagina’s lang en zonder illustraties – van minder welgestelde artsen als Verhaeghe nogal bescheiden. Toch gebruikten ook de doorsnee artsen hun publicaties als geschenken. Dr. Dambré schreef bijvoorbeeld dat hij zijn losse exemplaren – iedere auteur kreeg er steeds 25 toegestuurd door het genootschap – “zou verdelen onder collega’s in de buurt; het zal een manier zijn om relaties m.b.t. het cliënteel tussen ons te vestigen”. Wetenschappelijke publicaties, waarin uitzonderlijke gevallen werden beschreven, sloten zo niet alleen qua inhoud, maar ook qua vorm – als geschenken – nauw aan bij de medische praktijk. Ze vormden een manier om een uitzonderlijk geval te delen met collega’s, en zo de onderlinge banden aan te halen.

Open wetenschap

Publicaties konden inderdaad de professionele positie van een arts versterken. Maar omgekeerd kon die positie er ook schade oplopen. Elke inzending diende immers een beoordelingsprocedure te doorlopen. Drie genootschapsleden vormden dan een commissie die een rapport over de studie opstelde dat tijdens de volgende genootschapzitting werd gepresenteerd en bediscussieerd. Tot slot werd er gestemd: een positief oordeel betekende de publicatie van de studie; een negatief besluit betekende dat de studie naar de archieven van het genootschap werd verwezen.

Op zichzelf waren die beoordelingsprocedures niets nieuws in de negentiende eeuw. Peer review – het beoordelen van studies door vakgenoten of peers – ontwikkelde zich in de geleerde academies van de achttiende eeuw: de Britse Philosophical Transactions, uitgegeven door de Royal Society, geldt als het eerste peer-reviewed journal. Maar toch waren de negentiende-eeuwse publicatieprocedures van medische genootschappen wel degelijk vernieuwend. Zij publiceerden immers het review rapport en de bijhorende discussies in hun tijdschriften. Het oordeel over elke inzending kon door de hele medische gemeenschap worden gelezen. Het ging dus om een open wetenschap, waarbij de lezer de kritiek van de referenten te zien kreeg. De achterliggende gedachte was dat de lezer zo als het ware deel werd van de genootschapsvergadering, als een virtuele getuige, en de gemeenschap van peers zo werd uitgebreid.

Portret van Charles Poelman (1815-1874), 1823 (UGent)
Portret van Charles Poelman (1815-1874), 1823

Het besef van die openbaarheid zorgde echter voor heel wat nervositeit bij de auteurs. Voor hij indiende, vroeg Carolus bijvoorbeeld om het advies van Poelman: “zeg het me alstublieft openlijk als u denkt dat ik dit werk te hoog heb ingeschat.” Gelukkig voor Carolus bleken zijn zorgen ongegrond: zijn manuscript werd aanvaard voor publicatie. In andere gevallen echter zorgde de publicatie van het referentenrapport voor hevige discussies tussen referenten en auteurs. Die laatste groep stuurde brieven waarin ze de referent van partijdigheid of oneerlijke kritiek beschuldigden – brieven die vervolgens in het medische tijdschrift werden gepubliceerd. Soms kon het gaan om details. Dr. Fallot beschuldigde zijn referent van een “gebrek aan nauwkeurigheid en rechtvaardigheid” omdat die hem verkeerd had geciteerd. Dr. Stacquez zag zijn reputatie geschaad door een drukfout: “Er is geen enkele manier om een auteur meer te ridiculiseren”. Er restte hem geen andere optie, zo schreef hij aan Poelman, dan zijn losse exemplaren “in de haard te gooien”. In de negentiende-eeuwse medische wereld bleef publiceren zo steeds een hachelijke onderneming, waarin de relaties tussen auteurs en referenten erg fragiel waren.

Sinds de negentiende eeuw is de wetenschappelijke publicatiecultuur zonder twijfel erg veranderd. De openlijke oordelen over publicaties werden vervangen door besloten redactievergaderingen, en de gepubliceerde discussies door anonieme rapporten. Wat in die evolutie vooral opvalt, is de toenemende anonimiteit van de wetenschappelijke kritiek. Beoordelaars traden in de negentiende eeuw inderdaad veel sterker op de voorgrond. Een terugkeer naar de persoonlijke twisten en mannelijke erecodes van de negentiende-eeuwse wetenschap is zeker niet aan de orde. Maar de oorsprongsfase van de moderne wetenschap toont wel het grote belang van het ‘beoordelen’, veeleer dan het ‘tellen’, als evaluatiemiddel in de wetenschap.

(Joris Vandendriessche)

Meer lezen

Michael Brown, Performing Medicine: Medical Culture and Identity in Provincial England,c.1760-1850 (Manchester: Manchester University Press, 2011).

Universiteitsbibliotheek Gent, Hs. 3012.4.1 en Hs. 3012.4.2, Société de Médecine de Gand.

Joris Vandendriessche is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn onderzoek richt zich op de wetenschappelijke praktijken en stedelijke inbedding van medische genootschappen in België tussen 1830 en 1914.

2 gedachten over “Publicatiedruk

  1. Wij hebben een portret van Pierre Englebert Wauters in crayon, hij was een oud ouder ,van mijn echtgenoot Henri Pierre Robert Maria Lambriex te Maastricht.
    Ook van zijn echtgenote Maria Anna Glorieux hebben wij een portret in crayon.
    Hun kleindochter Annais Wauters huwde te Gent met Jean Lambriex uit Maastricht.

    1. Hartelijk dank voor uw reactie. De tekening in de tekst hierboven werd gepubliceerd in het tijdschrift van het medische genootschap van Gent, bij het overlijden van Wauters. Uw bericht maakt me wel erg nieuwsgierig naar de portretten. Zou u misschien bereid zijn me, ter vergelijking, een foto van de portretten op te sturen? (Joris.Vandendriessche@kuleuven.be)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *