De vijf meest gebruikte scheldwoorden in middeleeuws Vlaanderen

Gastblog door Jelle Haemers.

Hoe vulgair was het middeleeuwse taalgebruik? Doorgaans associëren we ‘middeleeuws’ met primitief, ongeciviliseerd en zelfs instinctief als het over geweld gaat. Maar de middeleeuwers waren heus tot meer in staat dan enkel vechten. Geweldloos protest en verbaal verzet was eerder de norm dan de uitzondering in politieke conflicten in de laatmiddeleeuwse stad. Bovendien inspireerden politieke ideeën verontwaardigde burgers om in de eerste plaats de pen, en pas later het zwaard op te nemen. Maar natuurlijk werd er ook gescholden en geroepen. Een analyse van enkele van de meest populaire slogans en scheldwoorden toont echter aan dat ze geen naïeve kreten waren, maar vaak hun inspiratie vonden in een gesofisticeerd politiek discours. Zelfs op de meest ‘vulgaire’ momenten krijgen we dus toch bedachtzame middeleeuwers te horen.

Een quaet kiekin broedde

Een ‘kwaad kieken’ broedt op een kwaad ei, zoals Hiëronymus Bosch het schilderde in De aanbidding van de Heilige Antonius rond 1500 (Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon).
Een ‘kwaad kieken’ broedt op een kwaad ei, zoals Hiëronymus Bosch het schilderde in De aanbidding van de Heilige Antonius rond 1500 (Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon).

‘Een quaet kiekin broedde’ was een populaire uitdrukking om te waarschuwen dat een samenzwering op til was. ‘Kwade kiekens’ broedden namelijk op eieren waaruit veel onheil kon voortkomen, zoals ook Hiëronymus Bosch er schilderde. In Ieper in 1477 waren de leerjongens van het weversambacht in enkele herbergen op zo’n ‘kwaad ei’ aan het broeden. Ze spraken er af dat ze niet meer aan het werk zouden gaan totdat hun oude privileges in ere waren hersteld. Hun voorrechten waren namelijk volgens hen met de voeten getreden en daarom zouden ze staken tot dit onrecht voorbij was. Dit voorbeeld toont dus aan dat ook middeleeuwse arbeiders (geweldloze) stakingen op geheime plaatsen voorbereidden om politieke rechten te vrijwaren.

Hoerezuene

‘Hoerezoon’, ‘bastaard’, ‘overspelige’… enzovoort zijn scheldwoorden die het morele gedrag en de afkomst van personen in vraag stellen. Niet alleen rebellen maar ook welgestelde personen en gezagsdragers hanteerden dergelijk grof taalgebruik. In dit voorbeeld schold de gefortuneerde Brugse handelaar Reinier Houtmaerct in 1478 stadsontvanger Willem Moreel als ‘hoerezoon’ uit. Toespelingen op de onbetrouwbaarheid van het gedrag en de afkomst van machthebbers hadden de bedoeling om hen publiekelijk te vernederen, maar er is ook een meer fundamenteel principe aan het werk. Macht was in de middeleeuwen op status en privileges gebaseerd. Dikwijls oefende iemand een functie uit omdat hij van goede afkomst was of nobel gedrag etaleerde. Als iemand dus als een ‘zoon van een hoer’ uitgescholden werd, dan stelde men eigenlijk diens afkomst in vraag. Bijgevolg was het in dat geval niet langer gerechtvaardigd dat die persoon een bepaalde functie uitoefende of was hij althans zijn functie niet meer waardig. Vandaar dat Willem Moreel streng optrad. Zijn uitdager werd uit de stad verbannen.

Levereter

Deze metafoor kregen corrupte bewindvoerders naar het hoofd geslingerd. Middeleeuwers vergeleken de stedelijke gemeenschap graag met het lichaam, waarvan de lever natuurlijk een essentieel orgaan is. Onbetrouwbare bestuurders die bijvoorbeeld belastinggeld ‘opaten’, voor private doeleinden gebruikten, verminkten volgens die logica het stedelijke lichaam. Zonder de lever sterft de stad af, en dus moet de corrupte persoon verwijderd worden. Kortom, ‘levereters’ waren beter op hun hoede. Enkel vergelding of zelfs fysieke uitschakeling was een geschikte straf om de ‘gewonde stad’ te genezen. Eerder dan een bruut scheldwoord verbergt ‘levereter’ dus bijna een ideologisch programma: de stad verdient enkel bekwame bestuurders die de hele gemeenschap dienen en gezond houden.

‘Op de werelt schijten’ (‘Overal maling aan hebben’) was een populaire uitdrukking in de middeleeuwse Nederlanden. Pieter Bruegel de oude, De dwaasheid van de wereld, ca. 1559 (Gemäldegalerie Berlin).
‘Op de wereld schijten’ (‘Overal maling aan hebben’) was een populaire uitdrukking in de middeleeuwse Nederlanden. Pieter Bruegel de oude, De dwaasheid van de wereld, ca. 1559 (Gemäldegalerie Berlin).

Ic schyte in ulieden

‘Ic schyte in ulieden ende in scepenen, ende in al deghonne die my deeren moghen’, schreeuwde visverkoper Thomas Haghebaert in 1527 in Brugge naar de schepenen die hem zopas tot een ons onbekende straf veroordeeld hadden. Hier lijkt op het eerste gezicht weer een onbeschaafde middeleeuwer aan het woord, maar opnieuw had de scrabeuze praat een gericht doel: de autoriteit van de bestraffer in vraag stellen. Eerder dan de daad bij het woord te voegen, maakte Thomas vooral duidelijk dat de schepenen hem niet konden deren. Hij aanvaardde hun gezag niet en zou zijn activiteiten ongehinderd doorzetten. ‘De galg beschijten’ of ‘op de wereld schijten’ waren immers populaire uitdrukkingen om te stellen dat je je iets niet aantrok of dat je niet bang was (zoals ook Pieter Breugel deze spreekwoorden treffend schilderde). Dus ook hier horen we een subversieve middeleeuwer aan het werk die vooral een politiek statement maakte.

Slaet doot, Slaet doot!

‘Slaet doot! Slaet doot!’ scandeerde een volksmassa op de Grote Markt van Brugge in 1477. Is het een instinctieve strijdkreet van agressief gepeupel? Er is opnieuw meer aan de hand. Heel vaak riepen stedelingen om gewelddadige vergelding wanneer ze het oneens waren met het gevoerde beleid, maar zelden maakten ze slachtoffers. Het betreft dus een bedreiging aan het adres van bewindvoerders met de bedoeling beslissingen ongedaan te maken. Bovendien zijn dergelijke slogans een heel gerichte waarschuwing voor de ‘rotte appel’ uit het stadbestuur die van corruptie of wanbeheer verdacht werd. Eerder dan een aanval op de volledige bewindsploeg of een revolutionaire roep om een omwenteling betreft het hier de vraag om de bestraffing van de overtreders van geldende normen en waarden. En aangezien opstandelingen of criminelen soms de doodstraf kregen, riepen opstandelingen met enige zin voor overdrijving zelf om de terechtstelling van de ‘misdadiger’. Een gewaarschuwde middeleeuwer was er twee waard.

Verder lezen

Jelle Haemers en Jan Dumolyn, “‘A bad chicken was brooding’. Subversive speech in late medieval Flanders”,  Past and Present: a Journal of Historical Studies, 214 (2012), 45-86.

Jelle Haemers, “Filthy and indecent words. Insults, defamation, and urban politics in the southern Low Countries, 1300-1550”, in: Jan Dumolyn e.a. (red.), The voices of the people in late medieval Europe. Communication and popular politics, Turnhout, 2014, 247-267.

Titelafbeelding: fragment uit Ecce Homo van Hans Memling (National Gallery of Scotland, Edinburgh).

Jelle Haemers is gastblogger. Deze blog is gebaseerd op onderzoek dat Jelle Haemers en Jan Dumolyn voerden naar de politieke en sociale conflicten in de laatmiddeleeuwse Nederlanden. Beiden zijn hoofddocent, respectievelijk verbonden aan de KU Leuven en de UGent. Het is een bewerkte vertaling van een blog die op Oxford University Press Blog verscheen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *