Oorlog in tijden van vrede

Wie tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw op de schoolbanken zat, kon niet ontsnappen aan de alomtegenwoordigheid van de oorlog. Boeken en schriften, muren en speelplaatsen, spreekbeurten en schoolreizen stonden in het teken van het voorbije conflict.

Al in maart 1919, nauwelijks vier maanden na de wapenstilstand, had de Belgische katholieke minister van Kunsten en Wetenschappen Alphonse Harmignie aan alle openbare scholen een publicatie bezorgd waarin het verloop van de oorlog werd beschreven. Het werk, een uitgave van het ministerie van Oorlog, moest de leraren helpen ‘de enorme taak die ons leger verrichtte aan de jeugd uit te leggen.’  De publicatie legde de nadruk op het contrast tussen het goed geoliede, technisch en numeriek oppermachtige Duitse leger en het kleine, slecht uitgeruste en bijna amateuristische Belgische leger. Op pure wilskracht was het laatste er toch in geslaagd de Duitse oorlogsmachine af te remmen, tegen te werken, uit te dagen en uiteindelijk in de val te lokken, zo klonk het. Nog tijdens hetzelfde jaar stuurde Harmignies socialistische opvolger Jules Destrée een omzendbrief naar alle athenea. Daarin moedigde hij directie en lerarenkorps aan na te denken over de manier waarop de lessen die men had geleerd uit de oorlog konden worden aangewend voor het ‘œuvre de l’éducation patriottique’, de vaderlandslievende opvoeding.  Wie te jong was om eigen herinneringen aan de oorlog te hebben, zou leren herinneren op school.

Een schoolse herinneringsplicht

‘Patriottisch schoolschrift’ met koning Albert in militair uniform (Archief School van Toen, Gent)
‘Patriottisch schoolschrift’ met koning Albert in militair uniform (Archief School van Toen, Gent)

Zowel in de lagere school, waar sinds 1914 leerplicht gold, als in het middelbaar onderwijs, waar men de toekomstige elite van de natie opleidde, moest de herinnering aan de oorlog levend worden gehouden. Het geschiedenisonderwijs leek een evidente plaats om de thematiek aan bod te brengen en het patriottisme te voeden. In internationaal perspectief had het Belgische geschiedenisonderwijs nochtans geen uitgesproken nationalistisch profiel. Het onderwijs van een klein en bovendien neutraal land als België had zich minder dan in Frankrijk of Duitsland overgegeven aan een openlijk, tegen een externe vijand gericht nationalisme. Vaderlandse geschiedenis werd voornamelijk onderwezen in de lagere school. In het officieel en het vrij middelbaar onderwijs kreeg het nationale verleden maximaal een derde van de lessen geschiedenis toebedeeld.

De oorlog was nog maar pas voorbij, en toch meenden sommige leraren bij de jeugd reeds een hang naar plezier en amusement te bemerken die, wanneer het er op aan kwam, nefast zou blijken voor de vitaliteit van de natie.  De overheid beantwoordde deze bezorgdheid met het stimuleren van een cultus rond nationale oorlogshelden. Zo verplichtte zij in 1920 het ophangen in elk klaslokaal van de portretten van koning Albert in uniform met helm, en van koningin Elisabeth als verpleegster. Het jaar daarop kwamen daarbij nog twee extra portretten: dat van Léon Trésignies, de soldaat die in 1914 zijn leven had opgeofferd bij een militaire actie aan de Verbrande Brug te Grimbergen, en dat van Gabrielle Petit, de Brusselse verzetsheldin, die in 1916 was gefusilleerd op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek. De herinnering die hier werd vormgegeven, was gericht op het verbinden van verschillende generaties.  De doden dienden de levenden tot voorbeeld te zijn. Het was een herinnering die moest aanzetten tot daden, of toch minstens tot bereidheid vaderlandslievende, heldhaftige daden te stellen.

Op schoolreis naar het front

De straten van Nieuwpoort, voor de oorlog. Een beeld uit Ce qu’il faut voir sur les champs de bataille et dans les villes détruites de Belgique, een gids uit 1920 over de ruïnes en slagvelden uit de oorlog.
De straten van Nieuwpoort, voor de oorlog. Een beeld uit Ce qu’il faut voir sur
les champs de bataille et dans les villes détruites de Belgique, een gids uit
1920 over de ruïnes en slagvelden uit de oorlog.

Een heel andere invulling kreeg de herinnering in schoolreizen naar het front. Daar ging het niet om verbondenheid tussen de doden en de levenden, maar om afschuw over de materiële verwoestingen die de oorlog had aangericht. Hier kon het verleden onmogelijk model staan voor de toekomst. Leuven, Dinant, de kuststreek en de Westhoek: tijdens het hele interbellum lang trok men op schoolreis naar steden en streken die zwaar hadden geleden onder de Eerste Wereldoorlog. Maar stilaan was de herinnering aan de Grote Oorlog niet langer het enige doel. Niet alleen in de bezette gebieden, maar ook op het eigenlijke slagveld in de Westhoek hernam het leven zich. De wederopbouw dekte de wonden toe. Het conflict verwerd tot een bezienswaardigheid naast kathedralen, musea en natuurschoon. In juni 1925 omschreef de  reisverslaggever uit de Rijksnormaalschool te Gent Dinant als het ‘zo fijn gelegen en wreed geteisterde stadje.’ Vijf jaar later noteerde een leerling uit diezelfde school dat ze tijdens hun uitstap naar zee ook kennis maakten met ‘enige feitjes uit den oorlog.’

Niet alleen verloor de oorlog de alomtegenwoordigheid en de urgente religieuze zeggingskracht van het eerste moment. De zorgvuldig geconstrueerde en door de overheid ondersteunde nationaal-patriottische herinnering had wellicht ook nooit een volledig monopolie gekend. In colleges met een oudere flamingantische traditie en sympathie voor het activisme, liepen niet alle leraren warm voor een Belgisch-patriottisch discours over de oorlog. Vlaamse scholieren die aan de IJzertoren in Diksmuide halt hielden, herdachten niet noodzakelijk de helden die voor het Belgische vaderland waren gevallen. Een exclusief Vlaamse, anti-Belgische oorlogsherinnering kreeg er eveneens vorm.

De grenzen van de patriottische oorlogsherinnering

De straten van Nieuwpoort, na de oorlog.
De straten van Nieuwpoort, na de oorlog.

De voortschrijdende tijd en de communautaire barsten speelden in het nadeel van de patriottische oorlogsherinnering. Daarnaast kwam er ook kritiek op de militaristische logica die eigen was aan de schoolse herinneringscultuur en het onderwijs over de oorlog. Al meteen na de oorlog had de Belgische overheid de herinnering trachten te kanaliseren door het accent te leggen op vaderlandslievend onderwijs veeleer dan op haatdragende boodschappen. Dat kanaliseren was maar zeer ten dele gelukt. In internationale netwerken van intellectuelen – pacifisten, opvoedkundigen en in toenemende mate ook historici – groeide de kritiek. Geschiedenisonderwijs had bijgedragen tot nationalistische gevoelens, en die hadden de oorlog mede mogelijk gemaakt, zo luidde de redenering. Was het geen tijd om onderwijs over oorlog door vredesonderwijs te vervangen?

Onder meer de Volkenbond zou zich tijdens het interbellum opwerpen als een voorstander van vredesonderwijs. Deels in datzelfde kader kwam ook een  internationale beweging voor handboekrevisie op gang. Via een systeem van internationale aanbevelingen hoopte men handboeken te kunnen ‘zuiveren’ van al te vijandige portretteringen van andere naties.  In België leidde dit tot een voorzichtige bijstelling van het virulent anti-Duits karakter van leerboeken uit de onmiddellijke naoorlogse periode.  Patriottisme en de herdenking van de oorlogsslachtoffers mochten hun plaats behouden in het onderwijs, maar zij dienden te worden verrijkt door onderwijs over internationale samenwerking en onderlinge afhankelijkheid, zo luidden de aanbevelingen. In veel gevallen bleef het echter bij aanbevelingen. Vanaf 1950 – na nog een verwoestende oorlog – zou de UNESCO met meer succes aan diezelfde weg timmeren.

Kaat Wils is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de geschiedenis van gender en lichamelijkheid, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek. Ze werkte mee aan het recent verschenen boek Oorlog in tijden van vrede.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *