En de boer, hij ploegde voort

Gastblog door Laura Eskens.

Het was ongezien. Na een staking in juli van de Mechelse aardappelboeren, trokken ook de melkboeren in de herfst van 1936 de straat op met de eis voor hogere prijzen, die de kosten zouden dekken. De socialistische volksvertegenwoordiger Jozef Chalmet sprak zijn verbazing uit in de parlementaire zitting van 12 november 1936: “de boeren zijn niet de menschen die zoo revolutionair zijn aangelegd, ze zijn diegenen die gewoonlijk heel lang alles verdragen en toch beleven wij den laatste tijd boerenstakingen”.

“De voorbeeldige wroeter”

De grijparmen van de industrie, schilderij van Jan Kiemeneij uit 1929 (Kunstcollectie Provincie Antwerpen).
De grijparmen van de industrie, schilderij van Jan Kiemeneij uit 1929 (Kunstcollectie Provincie Antwerpen).

Boeren die staakten, dat paste niet binnen het ideaaltype van de boer als plichtsbewuste en brave werker. “En de boer, die ploegde voort”, schreef Werumeus Buning (1935). Aan het eind van de negentiende eeuw won het geïdealiseerde beeld van de “voorbeeldige wroeter”, als tegenpool van de onstuimige arbeider, aan belang. De alsmaar uitbreidende industrialisering, de verstedelijking en de nog jonge socialistische partij vormden immers een gevaarlijke cocktail voor de sociale orde. De katholieke partij gebruikte de boer als symbool en instrument van stabiliteit.

De boer werkte hard, maar kreeg daarvoor vrijheid in de plaats. Dat ontbrak in het stadse arbeidersleven met vaste werkuren. Familiale waarden, verbondenheid met de natuur en de seizoenen, een sobere levensstijl, vrome christelijkheid en volkse tradities waren de deugden die over de partijgrenzen heen verbonden werden met “de boer”. Boer-zijn was niet louter een professionele bezigheid, maar een levenswijze. Hoe gaf die mythe van de voorbeeldige wroeter kleur aan het landbouwbeleid? En bestaat die mythe nog steeds?

Een typisch Belgische boer?

in 1935 bracht Felix Timmermans zijn Boerenpsalm uit.
in 1935 bracht Felix Timmermans zijn Boerenpsalm uit.

De romantisering van het boerenleven kende haar hoogdagen tijdens het Interbellum. Streek- en boerenromans à la Streuvels, Claes en Timmermans zijn overblijfselen van die populariteit. De stap naar het nationalisme was niet groot: de boer was de bewerker van het land in de meest directe betekenis en voorzag het volk van voedsel. Zo onderscheidde de boer zich eveneens van het internationale karakter van het socialisme. De mythe werkte ook omgekeerd: zonder de landbouwer, geen voedsel en dus geen stabiele natie. Volgens de katholieke partij moest de boer dus beschermd worden, zeker toen de crisis van de jaren ‘30 ook op het platteland voor miserie zorgde. De kleine boer – de meerderheid van de Belgische boeren had een bedrijfje van minder dan vijf hectare – was hét type bij uitstek dat van bescherming moest kunnen genieten.

Bij de verkiezingscampagne van 1936 mikte de Belgische Werkliedenpartij ook op stemmen van het platteland (Amsab – Instituut voor Sociale Geschiedenis).
Bij de verkiezingscampagne van 1936 mikte de Belgische Werkliedenpartij ook op stemmen van het platteland (Amsab – Instituut voor Sociale Geschiedenis).

Met die mythe als argument eisten katholieke boerenvertegenwoordigers beschermende economische maatregelen tegen buitenlandse concurrentie. Ook sociale bescherming voor de boer kwam op de politieke agenda.  Toch waren de stemmen voor kinderbijslag – boerengezinnen waren kroostrijk – , pensioenen of een betere pachtwet, binnen de katholieke partij beperkt. Het gepresenteerde ideaaltype van “de boer” deed tekort aan de grote diversiteit binnen de landbouwersstand, waarin de belangen van grote herenboeren, kleine pachters en landarbeiders erg verschilden. Overigens ontdekten tijdens de jaren ‘30 ook Vlaams-Nationalisten en socialisten de boeren als nieuw te veroveren electoraat. Ook zij integreerden het ideaalbeeld van de boer in hun eigen politieke discours.

Europese boerenbusiness

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was voedsel schaars en de boerenstand behield daardoor zijn symbolische rol als voedselverstrekker en fundament van de samenleving.  Het ieder-voor-zich-landbouwbeleid van de jaren ‘30 zou niet meer werken in een meer geglobaliseerde landbouwmarkt. Massale vlees- en graanimport uit Amerika was immers noodzakelijk om het land van voldoende voedsel te voorzien. De oplossing: een Europese gemeenschappelijke landbouwmarkt zonder interne handelsbarrières.

“Het Boerenfront”, een syndicale landbouworganisatie verbonden aan het VNV, vond zijn oorsprong in de vele boerenbetogingen aan het eind van de jaren ’30 (Ministerie van Economie, Archief Ministerie van Landbouw).
“Het Boerenfront”, een Vlaams-nationalistische syndicale landbouworganisatie, vond zijn oorsprong in de vele boerenbetogingen aan het eind van de jaren ’30 (Ministerie van Economie, Archief Ministerie van Landbouw).

Toch zou “alle Europese grenzen open” voor veel landbouwers rampzalig zijn: een exportland zoals Nederland zou in België haar producten aan veel lagere prijzen kunnen afzetten, met oneerlijke concurrentie voor de Belgische boeren als gevolg. Opnieuw gebruikten politici de agrarische mythe om een uitzonderlijke behandeling en bescherming van de boeren te bekomen. Niet alleen het lot van veel landbouwbedrijven stond op het spel, maar binnen de snel moderniserende maatschappij van de jaren ‘50 was ook een authentieke vorm van leven bedreigd.  De boer als symbool van traditionele waarden geraakte zo verweven met het Europese integratieproces, en zelfs met de Europese identiteit.

Die bescherming kregen de boeren door een mooi financieel duwtje in de rug. In tegenstelling tot andere economische sectoren, werden hun prijzen door de E.E.G. gegarandeerd.  Boeren werden dus deels onttrokken aan de wetten van het kapitalistische systeem. Toch knelde het schoentje. De emotionele gehechtheid aan de familieboerderij stond steeds verder af van de economische werkelijkheid: de Europese landbouwer moest in de eerste plaats efficiënt een winstgevende onderneming leiden. Ook in het Belgische parlement was dit dilemma tijdens de jaren ‘50 voelbaar: het kleine landbouwbedrijf redden of enkel de renderende bedrijven steunen?

Boer zoekt bezieling

Het waren vooral de grote boeren die konden overleven en aan de Europese eisen van specialisatie en schaalvergroting voldoen. De Europese subsidies zorgden echter aan het eind van de jaren ‘60 voor boterbergen, melkplassen en wijnzeeën. Ook de dioxine- en milieuschandalen van de jaren ‘80 en ‘90 deden de reputatie van de boer geen goed. Het ideaalbeeld van de boer leefde vooral voort in nostalgische folklore. Het Europese landbouwbudget verminderde en het aantal boeren nam drastisch af: tussen 1980 en 2010  verdween 63% van de Belgische landbouwbedrijven.

Ook vandaag is de boer sterk afhankelijk van Europese regelgeving en het familiale karakter van de boerderij staat onder druk. Aanvullende inkomsten uit externe loonarbeid helpen de boer en zijn gezin om rond te komen. De boer verliest daarmee veel van zijn ooit geïdealiseerde vrijheid. “Waarom blijft de boer dan verder ploegen?” was de vraag van verschillende journalisten tijdens het protest in Brussel van 7 september. Het antwoord:  “Het enige dat ons nog rechthoudt,  is de bezieling van de stiel”.  Leeft de mythe van de boer dan toch nog verder?

Meer lezen

Lorraine Bluche en Kiran Klaus Patel, ‘Der Europäer als Bauer. Das Motiv des bäuerlichen Familienbetriebs in Westeuropa nach 1945‘ in Lorraine Bluche, Veronika Lipphardt en Kiran Klaus Patel red., Der Europäer – Ein Konstrukt. Wissensbestände, Diskurse, Praktiken, Göttingen, 2007, 135-156.

Daniela Münkel en Frank Uekötter red., Das Bild des Bauern. Selbst- und Fremdwahrnehmungen vom Mittelalter bis ins 21. Jahrhundert, Göttingen, 2012.

Laura Eskens is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar landbouw en voedselpolitiek in België tussen 1918 en 1958.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *