Een spuwende professor

Ik maak een vreselijke crisis door. Dat liet de Luikse hoogleraar psychologie Joseph Delboeuf tijdens de zomer van 1894 aan zijn Franse collega en vriend Gabriel Tarde weten. In zijn vorige brieven was Delboeufs ergernis over de middelmatigheid van het intellectuele leven in België al uitgebreid aan bod gekomen. La Belgique est le plus triste pays du monde pour les oeuvres scientifiques. Peuple de marchands, d’industriels et de buveurs de bière, nous n’avons pas une seule revue scientifique de valeur, zo had hij enkele jaren voordien ook aan de Zwitserse arts August Forel geschreven. In de ogen van de vrijzinnige Delboeuf was het katholicisme de belangrijkste verantwoordelijke voor die treurige toestand.  Vanuit het perspectief van het vrij onderzoek zijn we morsdood, zo verwoordde hij het aan een Franse correspondent.

Maar nu, in 1894, trof la terreur noire hem persoonlijk. Aangezien de katholieken in België sinds 1884 onafgebroken aan de macht waren, nam binnen zijn universiteit, die rechtstreeks van de overheid afhing, de greep van het katholicisme toe. Delboeuf begon zichzelf als lid van een bedreigde diersoort te beschouwen. Bestuursfuncties schenen onbereikbaar geworden en kleine pesterijen stapelden zich op. Tijdens vergaderingen leek zijn stem er niet meer toe te doen. Dat zorgde voor frustratie. En die liep wel eens uit de hand. Tijdens de examenzittijd van juli kwam het tot een aanvaring met zijn collega, de historicus Eugène Hubert (die, aldus Delboeuf, in 1884 handig van politieke kleur was veranderd, een jaar nadat hij zijn liberale leermeester Paul Fredericq was opgevolgd). Na Hubert tegen het raam van het vergaderlokaal te hebben geduwd, spuwde Delboeuf hem op het gezicht. Waarop Hubert klacht indiende bij de minister en in de katholieke pers liet aansturen op Delboeufs ontslag of een vervroegd emeritaat.

Lichaam en geest

Het was niet voor het eerst in zijn academische loopbaan dat Delboeuf in moeilijkheden geraakte. In 1863 was hij als doctor in de natuurwetenschappen en in de wijsbegeerte en letteren aan de universiteit van Gent aangesteld om wijsbegeerte te doceren. Hij ondernam in die periode onderzoek naar optische illusies en vond hiervoor steun en interesse bij de beroemde Gentse fysicus Joseph Plateau. Delboeuf hoopte op die manier de van oorsprong Duitse ‘psychofysica’ voet aan de grond in België te doen krijgen. In die nieuwe discipline werden de effecten van allerhande stimuli op menselijke gewaarwordingen en sensaties onderzocht. Dat was een benadering van de menselijke geest die brak met de traditie. De psychologie werd traditioneel immers gezien als een dochter van de wijsbegeerte veeleer dan als een experimentele natuurwetenschap. Psychofysisch onderzoek leek zo een bedreiging voor het abstract, spiritueel en verheven karakter van de wijsbegeerte. Een benadering die ervan werd verdacht het mysterie van de geest te willen reduceren tot een louter materiële kwestie.  Na drie jaar werd Delboeuf, wellicht omwille van het vermeende materialistisch karakter van zijn onderwijs, overgeplaatst naar de universiteit van Luik. Daar kreeg hij – tegen zijn zin – een onderwijsopdracht in het ‘ongevaarlijke’ domein van de klassieke talen.

Een vroegere vorm van hypnose, beoefend in de vroege negentiende eeuw
Een vroegere vorm van hypnose, beoefend in de vroege negentiende eeuw

Delboeufs nieuwe leeropdracht hield hem niet lang weg van de psychologie. In zijn werk stond het verlangen centraal de tegenstelling tussen materialisme en spiritualisme, tussen experiment en reflectie en tussen lichaam en geest te overstijgen. Dat leidde hem onder meer naar vergelijkende studies van mens en dier, naar onderzoek over slaap en dromen, en ten slotte naar het terrein van de hypnose. Vanaf de late jaren 1880 ontpopte Delboeuf zich op dat laatste domein als een internationaal erkend expert. Hij experimenteerde met hypnose als een vorm van anesthesie en als therapeutisch middel bij fysieke letsels en mentale problemen. Maar ook hier botste hij op grote tegenstand. Na drie jaar van publiek debat, keurde het Belgische parlement in 1892 een wet goed die de uitoefening van hypnose nagenoeg exclusief aan artsen voorbehield. Delboeuf bleef kwaad en teleurgesteld achter.

Polemiek en mannelijke eer

In zijn correspondentie toonde Delboeuf zich een emotioneel man, op een haast kinderlijke wijze op zoek naar zielsverwanten. Zijn leven ‘in de provincie’, zoals hij het zelf omschreef, leek hem steeds minder zielsverwanten te bieden. Het verdriet om zijn jonggestorven echtgenote zette zijn eenzaamheid nog meer in de verf.

Dat Delboeuf licht ontvlambaar was, bleek niet alleen uit het spuwincident. Op congressen en in de pers kon hij bijzonder fel uit de hoek komen. Wanneer hij zich intellectueel in het defensief voelde, spaarde hij de grove bewoordingen niet. Het kwam er daarbij op aan de tegenstander buiten de wetenschap te plaatsen, door hem – vrouwelijke discussiepartners waren er nauwelijks in de toenmalige academische wereld – als onbekwaam, dogmatisch of corporatistisch af te schilderen. Die polemische toon deelde Delboeuf met strijdend vrijzinnige publicisten en wetenschappers van zijn generatie. Zijn werk kreeg er een anti-academische toets door, parallel aan zijn associatie van de academische wereld (die hem zo vaak had teleurgesteld) met starheid, conformisme en een gebrek aan durf.

Joseph Delboeuf in 1891
Joseph Delboeuf in 1891

In een recent artikel toont wetenschapshistoricus Raf de Bont aan dat manners in dispute ertoe deden in het negentiende-eeuwse wetenschappelijke bedrijf. Zij hielpen de grenzen af te bakenen tussen het academische en het niet-academische, het wetenschappelijke en het buitenwetenschappelijke. Ook Delboeuf zette zijn discussiestijl strategisch in, al valt te betwijfelen of hij er binnen de academische wereld altijd zijn voordeel mee deed. Naast het hanteren van vaste, herkenbare uitdrukkingen om het met elkaar oneens te zijn, bleven ook oudere praktijken zoals mannelijke erecodes de wetenschappelijke omgangsvormen kleuren. Delboeufs spuwincident is daar een mooi voorbeeld van.

Wanneer hij in de wandelgangen van de universiteit en op vergaderingen merkte dat hij geen vanzelfsprekend gezag meer genoot onder jongere collega’s, voelde Delboeuf zich in zijn eer als ouderdomsdeken aangetast. Daarop onteerde hij een van de vrijpostige jongelingen, door publiekelijk op hem te spuwen. Hubert zocht op zijn beurt naar een manier om zijn eer te herstellen. Hij riep de hulp in van twee gezagvolle collega’s, de historici Godefroid Kurth en Henri Francotte – les deux plus grandes canailles catholiques de la faculté, aldus Delboeuf. Zij schakelden de katholieke pers in. De embryoloog Edouard Van Beneden en de jurist Fernand Thiry wierpen zich op als verdedigers van Delboeuf. Een pendeldiplomatie kwam op gang. Hubert toonde zich bereid zijn klacht terug te trekken. Delboeuf haastte zich zijn brief met excuses als eerste te schrijven, ook al had Hubert er zich toe verbonden zich als eerste te verontschuldigen. Nu was het nog zaak de pers een halt toe te roepen, en te hopen dat de koning – de man die een eventueel ontslag door de minister kon bezegelen – belangrijker zaken aan zijn hoofd had. Delboeuf was er niet gerust in.

Zijn opgeluchte terugblik op de hele zaak bij de start van het nieuwe academiejaar getuigde van de zelfoverschatting die hem eigen was: Je reste à l’université par un miracle.

Aanbevolen literatuur

Raf de Bont, ‘“Writing in Letters of Blood”: Manners in Scientific Dispute in nineteenth-century Britain and the German Lands’, History of Science, 2013, 309-335.

Coverafbeelding: Jean-Noël Chevron, Salle académique de l’Université de Liège, 1827, Collections artistiques ULg.

(Kaat Wils)

Kaat Wils is hoofd van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Haar onderzoek betreft de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen in de negentiende en twintigste eeuw, de geschiedenis van gender, lichamelijkheid en seksualiteit, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *