Een priester, een mes en een zwangere vrouw

Wat als een zwangere vrouw sterft voor haar baby is geboren? Zo’n scenario, waar we vandaag liever niet aan denken, was in de negentiende eeuw een reële angst. De postmortale keizersnede vormde voor artsen een laatste reddingsboei om een levensvatbaar kind uit de schoot van een overleden vrouw te bevrijden. Maar ook priesters en andere katholieken hadden zo hun redenen om het mes in eigen handen te nemen. Elke ongedoopte dode foetus betekende immers een verloren ziel.

Leve de foetus

Foetus in de baarmoeder (Wellcome Collection. CC BY).

De keizersnede bij een pas overleden vrouw was in het negentiende-eeuwse België een vrij uitzonderlijke noodoperatie. Meestal gingen artsen over tot de ingreep nadat een vrouw voor het einde van de bevalling haar laatste adem had uitgeblazen. Toch koesterden maar weinig dokters illusies over het succes van postmortale ingrepen. Als het kind de operatie al overleefde, dan stierf het meestal enkele ogenblikken later. Van de achttien gedocumenteerde postmortale keizersneden die tussen 1845 en 1889 in de Brusselse ziekenhuizen werden uitgevoerd, is er bijvoorbeeld slechts één succesvolle keizersnede gerapporteerd.

Vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk betreurden echter dat zulke keizersneden enkel in een vergevorderd stadium van de zwangerschap plaatsvonden. De Belgische aartsbisschop Engelbert Sterckx maakte zijn bezorgdheid duidelijk aan de bestuurders van de Brusselse ziekenhuizen. In een brief uitte hij zijn ongenoegen over de vele zieltjes die dreigden verloren te gaan: “Artsen en chirurgen weigeren een operatie uit te voeren als het kind niet levensvatbaar is of als het de termijn van 7 maanden niet heeft bereikt. Dit is een ernstig misbruik dat veel pijn heeft veroorzaakt, gezien het grote aantal kinderen dat niet werd gedoopt en daarom van de hemelse gelukzaligheid is beroofd.” Zijn pleidooi vond maar weinig gehoor bij het bestuur van de ziekenhuizen dat te kennen gaf dat alle keizersneden naar behoren waren gebeurd. Bovendien, zo kreeg de aartsbisschop te horen, waren ziekenhuizen geen religieuze instellingen maar plaatsen waar gezondheidszorg centraal stond.

Religieuze plichten

Een zeldzame visuele getuigenis van een postmortale keizersnede uit 1730, met links de overleden vrouw op een draagbaar, een dokter die de baby presenteert en rechts op de tafel het doopwater (Bayerisches Nationalmuseum, München).

Het pleidooi van de aartsbisschop voor het zielenheil van ongeboren leven is maar een voorbeeld van een bredere katholieke promotiecampagne die vanaf de achttiende eeuw werd gevoerd. Via dooprichtlijnen benadrukten priesters en theologen de noodzaak van de doop bij alle ongeboren kinderen die in levensgevaar verkeerden, zelfs al ging het om een voor het blote oog onzichtbare embryo. Die plicht om ieder levend wezen te ‘nooddopen’ kwam in de eerste plaats toe aan de ervaringsdeskundigen bij bevallingen: dokters en vroedvrouwen. Belgische kerkelijke richtlijnen uit 1851 gaven hen instructies mee over de verschillende manieren waarop ze de doop konden toedienen tijdens zwangerschappen en geboortes. Maar daar bleef het niet bij. Volgens diezelfde richtlijnen eiste de Katholieke Kerk een daad van katholieke naastenliefde van iedereen die zich in de buurt van een stervende zwangere vrouw bevond. Als er geen arts te bespeuren was, werden priesters en andere katholieken met andere woorden geacht om na haar overlijden zelf in actie te komen.

Enkelingen voegden ook effectief de daad bij het woord. Een aantal controversiële incidenten op het Belgische platteland haalden de Belgische kranten, zoals een voorval in Aartrijke in 1867. Een plaatselijke vroedvrouw, mevrouw Vandenbussche, werd er door een even plaatselijke priester overgehaald om met een zakmes een dubbele snede te maken in de buik van een overleden zwangere vrouw. Zonder de foetus eruit te halen, had de priester wat doopwater gegoten over de foetus, waarna de vroedvrouw meteen overging tot het hechten van de buik. De foetus werd geschat op een viertal maanden.

Voor de rechtbank, of toch niet

Diagram met verschillende mogelijke keizersneden (Wellcome Collection. CC BY).

Het incident in Aartrijke bracht een groot publiek debat op gang over de noodzaak van een wet om lijken te beschermen en de veiligheid van schijnbaar dode personen te garanderen. Want wat als een diepgelovige katholiek zonder een doodsverklaring het mes in een vrouw zette die dood leek, maar in feite nog leefde? Verschillende opeenvolgende rechtszaken maakten duidelijk dat er geen enkele Belgische wet bestond die wie dan ook ervan moest weerhouden om onbegraven lichamen open te snijden. Deze controversiële vaststelling was het startpunt van vurige publieke discussies tussen liberale antiklerikale voorstanders van zo’n wet en katholieke tegenstanders. Omstreeks 1870 werd er in het Belgische parlement effectief een wetsvoorstel ingediend, maar tot een wet is het uiteindelijk nooit gekomen.

Ook in de decennia na het parlementair debat bleef de bekommernis om de ziel van de foetus voor katholieken een dringende reden om postmortale keizersneden te doen. Kranten brachten enkele incidenten aan het licht waarbij priesters zelf keizersneden op gestorven vrouwen hadden uitgevoerd. Wanneer de laatste postmortale keizersnede door een onervaren katholiek in België plaatsgreep, is moeilijk in te schatten. In elk geval gaf de Heilige Stoel, het centrale bestuursorgaan van de Katholieke Kerk in Rome, in 1899 een officieel antwoord op de vraag of geestelijken zelf een keizersnede moesten uitvoeren bij overleden vrouwen. De nieuwe richtlijnen benadrukten nogmaals het belang van christelijke naastenliefde om foetussen uit de buik van de vrouw te halen. Van priesters werd verwacht dat zij hemel en aarde zouden bewegen om plaatselijke artsen zover te krijgen om een keizersnede te doen. Maar, zo stelde de Heilige Stoel, het was niet aan hen om zich te bemoeien met de eigenlijke operatie, laat staan deze zelf uit te voeren.

Meer lezen.

Gijbels, J. (2019). “Medical Compromise and Its Limits: Religious Concerns and the Postmortem Caesarean Section in Nineteenth-Century Belgium”. Bulletin of the History of Medicine, 93 (3), 305-334.

Jolien Gijbels is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van verloskundigen en gynaecologen in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Plate 78, Surgical technique for caesarean section. Credit: Wellcome Collection. CC BY.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.