Categorie archief: Historische cultuur & herinnering

Toeschouwers zijn indringers

Met ongeveer vijfduizend waren ze, de re-enactors die op 19 en 20 juni 2015 in (de buurt van) Waterloo de gelijknamige veldslag hebben nagespeeld. Ze kwamen naar verluidt uit meer dan vijftig landen en waren allerminst met elkaar in oorlog. Integendeel, het was een feest van verbroedering, een jamboree waar de re-enactors aller landen verzamelen hadden geblazen. Besloten was hun bijeenkomst niet, want zij was tegelijk ook een voorstelling, waarmee de re-enactors aan de buitenwereld wilden laten zien wat ze kunnen. En daar zijn blijkbaar velen nieuwsgierig naar. De kaartjes, nochtans bepaald prijzig, waren lang op voorhand uitverkocht en zowat honderdduizend toeschouwers, onder wie ook duizenden uit het buitenland, vulden de tribunes.

De voorstelling van het verleden

In vele opzichten was het spektakel indrukwekkend, met zijn enorme speelterrein, galopperende paarden, kanongebulder en rook. Maar toch ontbrak het gevoel naar iets échts te kijken of een idee te krijgen van wat het moet zijn geweest om toén op het slagveld te zijn. Op één of andere manier werkt het niet. Natuurlijk omdat je als toeschouwer weet dat je naar een voorstelling zit te kijken, en dat allerlei dingen niet kloppen. Vijfduizend soldaten is veel, maar veel minder dan het er in 1815 zijn geweest, de locatie is niet precies die van de slag, die duurde in werkelijkheid langer en het weer was veel slechter. Je ziet het ook: de boerderijen op het terrein zijn houten decorstukken, en als de rook optrekt blijven geen lijken op het slagveld achter.

Wat echter vooral de historische illusie verstoort, is de aanwezigheid van het publiek zelf en alles wat gedaan wordt om het spektakel voor dat publiek begrijpelijk te maken: de altijd zichtbare tribunes, de klankband met commentaar (in drie talen) en muziek (onder andere Orffs Carmina Burana). Het zou oneerlijk zijn dit de organisatoren of de re-enactors zelf aan te wrijven. Publieksgerichtheid hoort nu eenmaal bij de show. Maar het maakt wel duidelijk dat ‘voorstelling’ en ‘re-enactment’ niet goed samengaan.

De ervaring van het verleden

Napoleon overziet zijn slagveld.
Napoleon overziet zijn slagveld.

De essentie van re-enactment ligt immers in de ervaring van het verleden. Zeker, er wordt ook een didactische waarde aan toegekend, en die kan worden ingeroepen om deze hobby te legitimeren. Zonder twijfel kunnen toeschouwers er inderdaad iets van opsteken. Maar voor de re-enactor is dat bijzaak. Het is niet waar het hem om te doen is. (Of haar, maar de meeste re-enactors zijn mannen.) Re-enactors zijn geen acteurs, en omgekeerd worden acteurs die in een historische films of theaterstukken spelen, geen re-enactors genoemd.

Wat re-enactment maakt tot wat het is, is niet het tonen of kijken, maar het doen zelf. De website van de National Association of Re-enactment Societies (NARES) heeft het over ‘an absorbing experience’, over opwinding en adrenaline. Dat zijn geen hoedanigheden van re-enactment, maar de finaliteit ervan. En het doel wordt bereikt als de speler zich daadwerkelijk in het verleden waant en helemaal met zijn personages samenvalt. Dat is waar hij het voor doet, de ervaring die re-enactors van de Amerikaanse Burgeroorlog een ‘wargasm’ hebben genoemd. De beoogde suspension of disbelief is niet die van de toeschouwer, maar die van de speler zelf.

Zij veronderstelt medeplichtigheid. Re-enactment is immers een activiteit die niet individueel, maar in groep wordt beoefend. De rol die een speler opneemt, maakt deel uit van een groter geheel en kan niet zonder een setting waarin ook anderen optreden. Dat zijn medespelers en dus ingewijden. Re-enactors worden als een ‘community’ omschreven. Ze vormen een gemeenschap, een sociaal universum, waar eigen geplogenheden en regels gelden. De Standaard (17 juni 2015) citeert Gerd Hoad, een 54-jarige Brit, in het legerkamp waar de soldaten de reconstructie van de strijd afwachten: ‘Een echte re-enactor draagt zijn volledige uniform als hij het bivak verlaat. Zie je die kerels daar in hun hemdsmouwen? Dat hoort echt niet.’ Echte re-enactors zijn ingewijden, die de regels kennen en onderhouden. Ze onderscheiden zich van wat de NARES-website omschrijft als ‘those outside re-enactment’. Toeschouwers zijn per definitie buitenstaanders, maar ook indringers en stoorzenders.

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn onderzoek richt zich onder andere op geschiedschrijving en brede historische cultuur in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw.

Oog in oog met het slagveld van Waterloo

Op 19 juni 1815, een dag na de Slag bij Waterloo, kwamen de eerste bezoekers aan op het slagveld. In zijn memoires beschreef de Britse officier Alexander Cavalié Mercer zijn verbazing toen hij tijdens zijn middagmaal een reiskoets zag aankomen. In smetteloze kledij en met geparfumeerde zakdoeken om de stank te verdrijven verkenden enkele ramptoeristen het slagveld, terwijl ze zich behoedzaam en met afgrijzen een weg probeerden te banen tussen de doden en gewonden.

Tweehonderd jaar na de definitieve nederlaag van Napoleon verraadt het herinneringslandschap weinig van wat er zich heeft afgespeeld. De vernielingen, grafheuvels en militaire voorwerpen van gesneuvelde militairen zijn al lang verdwenen. Negentiende-eeuwse reizigers hadden meer geluk. Zij konden zich beroepen op tastbare sporen van de veldslag om zich een beeld te vormen van de strijd. Toch bleek dat ook voor hen allesbehalve een gemakkelijke oefening.

Het tastbare verleden

Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.
Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.

Toeristen die in de eerste weken na de veldslag aankwamen, stonden oog in oog met de talloze lichamen die op en rondom het slagveld waren verspreid. Maar ook maanden en jaren later getuigde het slagveld nog van de strijd. Voor de beleving van de plaats waren tastbare sporen van het verleden onontbeerlijk. Bezoekers gingen er actief naar op zoek en beschreven de af- of aanwezigheid van materiële overblijfselen van de slag in brieven, dagboeken en reisverslagen. De kanonsporen in de aarde of de achtergelaten voorwerpen op het slagveld wakkerden de verbeelding aan en hielpen de bezoeker om zich te verplaatsen naar de bewuste slag van 18 juni 1815.

Toch gaf het verleden zich ook aan de vroegste bezoekers moeilijk bloot. De Britse schrijfster Charlotte Eaton, nog geen maand na de slag ter plaatse, beleefde het slagveld op een heel fysieke manier: ze liet de as van de overledenen door haar vingers glijden. Maar ook voor haar was het onmogelijk om de horror van Waterloo te beschrijven of het zich maar enigszins voor te stellen. De romantische poëet Robert Southey, die in 1816 op bezoek kwam, wist dan weer niet wat hij moest denken bij het zien van bloeiende maïsvelden, klaprozen en viooltjes op de plaats waar de natuur kort geleden helemaal was vernield door het strijdgewoel. Hij drukte zijn hoop uit dat de ruïnes onaangetast de tijd zouden doorstaan, zodat toekomstige pelgrims de plaats konden beleven in dezelfde toestand als bij de overwinning van 1815.

Voor velen was het moeilijk om de scheidingslijn tussen fictie en werkelijkheid te overbruggen. Op de ‘authentieke’ plaatsen waar de gevechten hadden plaatsgevonden lieten bezoekers hun verbeelding de vrije loop, maar dergelijke pogingen strandden continu op de breuk tussen heden en verleden. Hoewel het verleden dichtbij, tastbaar en zintuigelijk waarneembaar was, slaagde men er niet in om het ‘nu’ volledig achter zich te laten.

Misnoegde bezoekers

De hoeve van Hougoumont.
De hoeve van Hougoumont.

Omstreeks 1830 werd het moeilijker om zich voor de geest te halen wat er in 1815 had plaatsgevonden. In de tussenliggende periode waren de sporen en de meeste natuurlijke landschapskenmerken verdwenen. Alleen in de hoeve van Hougoumont vonden veel bezoekers tot ver in de negentiende eeuw waar ze naar op zoek waren. De verwilderde tuin, de bouwvallige staat en de muren met afdrukken van kogels bleven voor de bezoekers representatief voor de hevige gevechten die er hadden plaatsgevonden.

Al met al mondde de zoektocht naar sporen uit in teleurstelling. Reizigers waren zich in toenemende mate bewust van de toeristische industrie die er zich sinds 1815 had ontwikkeld. Bijgevolg namen ze een sceptische houding aan tegenover de aangeboden ‘Waterloo-ervaring’. Gidsen werd verweten steeds dezelfde verhaaltjes op te dreunen, een gekleurde versie van de feiten te geven en leugenachtige anekdotes te vertellen. Ook ontstond er een groot wantrouwen ten opzichte van plaatselijke reliekenverkopers die sinds 1815 allerhande militaire voorwerpen onder het mom van ‘authentiek’ aan de man brachten. Allerlei geruchten over de industriële productie van ‘Waterloo-objecten’ ondergroeven de geloofwaardigheid van handelaars die beweerden dat er ieder jaar nog talloze voorwerpen opdoken tijdens de grondbewerking.

Fictie en werkelijkheid

De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.
De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.

Zelfs het slagveld was niet meer te vertrouwen als historische bron. Onder het bewind van Willem I werd de kolossale leeuwenheuvel in 1826 opgericht op de plaats waar de Prins van Oranje – ‘de held van Waterloo’ –  gewond was geraakt. De constructiewerken zorgden echter voor de teloorgang van het oorspronkelijke herinneringslandschap. De veertig meter hoge kegel bestaat uit de aarde van de glooiing waarachter het Brits-Nederlandse leger zich tijdens de slag had verschanst. Van de glooiing zelf is niets meer te zien.

Fictie en werkelijkheid vloeiden meer dan ooit in elkaar over. De leeuwenheuvel bood weliswaar een uitzicht over het slagveld, maar datzelfde panorama was onwaarachtig, een visuele leugen. Negentiende-eeuwse reizigers tilden hier bijzonder zwaar aan. Een anonieme schrijver in het Nederlandse tijdschrift De Huisvriend meende dat er niets meer te beleven viel in Waterloo: ‘Wat men u tegenwoordig te Waterloo vertoont, heeft hoegenaamd niets van een slagveld. Het is opgegraven, omgewoeld, beplant en veranderd.’

Meer lezen

Jolien Gijbels, ‘Tangible Memories: Waterloo Relics in the Nineteenth Century’, The Rijksmuseum Bulletin, 63 (2015), 228-257.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze deed onder meer onderzoek naar de geschiedenis van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg en de ervaringen van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

Hoe een Belgische spion een held werd in Frankrijk

Er ging een schok door Rijsel toen de Duitse gouverneur in november 1915 het bericht van de dood van een jonge Belgische student aan de stadsmuren liet plakken. Léon Trulin was amper 18 jaar oud. Op 8 november 1915, gisteren precies honderd jaar geleden, werd hij op beschuldiging van spionage door het vuurpeloton geëxecuteerd. Voor de Duitse bezetter was de terechtstelling een waarschuwing naar de bevolking: wie zich tegen het nieuwe bewind keert, hoeft niet op genade te rekenen. Bij het Verzet kwam het bericht van Trulins dood anders aan. Het liet de ware, barbaarse aard van de vijand zien.

Système Noël Lurtin

Foto van de achttienjarige Léon Trulin.
Foto van de achttienjarige Léon Trulin.

Trulin was één van de vele Belgische kinderen die aan het einde van de negentiende eeuw in Noord-Frankrijk opgroeide. Toen hij drie jaar oud was, was zijn familie van het arme Henegouwen naar Rijsel verhuisd, op zoek naar een beter bestaan. Als kind werd hij al gauw met de tegenslagen van het leven geconfronteerd. Hij verloor zijn vader en zijn oudere broer op jonge leeftijd, waardoor hij vanaf zijn veertiende aan de arbeid moest: eerst in de textielfabriek en daarna in de ijzergieterij. Een arbeidsongeval dat hem half-kreupel maakte, zou hem blijven achtervolgen.

Toen de oorlog in oktober 1914 Noord-Frankrijk bereikte, verheugde Trulin zich er zoals vele leeftijdsgenoten op om het vaderland te dienen. En voor Trulin was dit vaderland nog steeds België. Hij bood zich aan bij het Belgische leger, maar werd geweigerd. Te jong en vooral fysiek ongeschikt, zo luidde het oordeel. Het nieuws kwam hard aan. Toch was Trulin beslist zich niet bij de situatie neer te leggen. In het voorjaar van 1915 vluchtte hij via Nederland naar Engeland, in de hoop zo alsnog het Belgische leger te vervoegen. Toen een nieuwe weigering volgde, begaf hij zich naar Folkestone, waar hij de Britse legerleiding van zijn back-up plan wist te overtuigen: het spionagenetwerk Système Noël Lurtin of Léon 143.

Affiche met de officiële bekendmaking van de dood van Trulin.
Affiche met de officiële bekendmaking van de dood van Trulin.

Nog voor hij naar Engeland was afgereisd, had Trulin de vijandelijke loopgraven in de buurt van Rijsel bezocht. Hij had foto’s en aantekeningen over de positionering van de Duitse troepen meegenomen en beloofde het Britse leger nadere inlichtingen voor de hele regio in te winnen. Tijdens de zomer van 1915 richtte hij zijn netwerk op. Vanuit een tiental observatieposten die het spoorwegennet Wervik-Komen-Menen, Rijsel-Arras-Lens en Douai-Valenciennes in de gaten hielden, verzamelde hij met vijf leeftijdsgenoten informatie over de Duitse garnizoenen, hun staat van paraatheid en hun bevoorrading. Trulin nam zelf de gevaarlijke tocht op zich om de berichten over de Nederlandse grens naar Engeland te smokkelen. Hij slaagde hier wellicht twee keer in, tot het op 3 oktober 1915 mis liep.

Een tragisch einde

Dat Trulin na zijn dood tot een volksheld uitgroeide, had veel met de tragiek van zijn arrestatie en terechtstelling te maken. Met zijn metgezel, Raymond Derain, had hij vier lange nachten gemarcheerd (overdag hield hij zich schuil), toen hij op 3 oktober 1915 de Belgisch-Nederlandse grens nabij Putte bereikte. Daar wachtte de elektrische prikkeldraad als laatste hindernis. Volgens de overlevering waren beide vrienden al half onder de bedrading door, wanneer de Duitse grenspolitie hen plots halt toe riep. “Wer da”! Trulin en Derain werden op beschuldiging van spionage gearresteerd. Ze werden eerst naar Antwerpen en nadien naar Rijsel overgebracht, waar ze één maand later, op 7 november 1915, samen met de overige bendeleden hun vonnis te aanhoren kregen.

Executieplaats met gedenkplaat voor Trulin.
Executieplaats met gedenkplaat voor Trulin.

Voor Trulin was het verdict bijzonder zwaar. Hij kreeg als enige de doodstraf en had nog amper twaalf uur te leven. ’s Avonds nam hij afscheid van zijn zussen en mocht hij een laatste sigaret roken met zijn vrienden. Op 8 november volgde de terechtstelling in de bossen rond de citadel. De executie was niet publiek. Enkel een priester kreeg de toestemming om Trulin bij te staan. Na afloop verspreidden zich via de priester allerlei berichten over het contrast tussen de dappere houding van Trulin en de kleingeestige vernederingen van het Duitse vuurpeloton. Trulin zou de blinddoek hebben geweigerd, God om vergiffenis hebben gevraagd en gestorven zijn terwijl hij, zijn hemd openscheurend, ‘leve Frankrijk, leve België!’ riep. Toen de Duitse soldaten hem schrik probeerden aan te jagen door opzettelijk valse schoten af te vuren, gaf hij geen krimp.

In memoriam

Franse postzegel ter nagedachtenis aan Trulin.
Franse postzegel ter nagedachtenis aan Trulin.

Na de executie leidde de herinnering aan Trulin tot een gespannen relatie tussen enerzijds de familie en het Rijselse stadsbestuur, en anderzijds de Duitse Kommandantur.  De familie vroeg om een vrijgave van het lichaam en beriep zich hierbij op een schriftelijk verzoek dat Trulin tijdens zijn laatste levensuren aan de voorzitter van het oorlogstribunaal had opgesteld. Bij de Kommandantur zaten ze verveeld met dit verzoek. De soldaten van het vuurpeloton hadden Trulins lichaam immers in een put in de bossen rond de citadel begraven. Wanneer ook het stadsbestuur druk uitoefende, zwichtte de Kommandantur toch. Op zaterdag 13 november werd het lichaam in het vroegst van de ochtend door Duitse soldaten van de citadel naar het Cimetière de l’Est van de stad overgebracht.

Grafmonument Léon Trulin.
Grafmonument Léon Trulin.

Trulin werd op het kerkhof in de nabijheid van de eerder terechtgestelde spionnen begraven. Zolang de oorlog duurde, vormden hun graven een plek van ingetogen herdenkingen door zowel de familie als het Verzet. Uitingen van publieke appreciatie voor de terechtgestelden waren immers verboden. Dit veranderde na november 1918. De terechtgestelden kregen plots erkenning in de publieke ruimte. Met hun spionage-acties hadden zij hun leven gegeven voor de vrijheid van het vaderland. Onder hen bekleedde Trulin in Rijsel de belangrijkste plaats. Hij werd gehuldigd in het monument voor de gefusilleerden, kreeg een eigen standbeeld, straatnaam en twee gedenkplaten, en ontving postuum Britse, Franse en Belgische oorlogsonderscheidingen. Dat was niet alleen omdat hij de jongste geëxecuteerde spion van de Eerste Wereldoorlog was: in een stad met vele Belgische migranten symboliseerde zijn dood dat de Fransen én de Belgen dezelfde wreedheden van de Duitse agressor hadden moeten ondergaan.

Meer lezen

Robert Vandenbussche (red.), La résistance en France et en Belgique occupées (1914-1918), IRHiS-CEGES, n° 51, Rijsel, 2010.

In de herfst van 2016 opent in het Musée de la Résistance de Bondues (nabij Rijsel) een tentoonstelling over Léon Trulin.

Matthias Meirlaen is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en beleidsmedewerker onderzoek aan de faculteit Letteren van de KU Leuven. Hij deed onder meer onderzoek naar het geschiedenisonderwijs in de achttiende en negentiende eeuw en naar de herinneringscultuur van de Eerste Wereldoorlog.

Oorlog in tijden van vrede

Wie tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw op de schoolbanken zat, kon niet ontsnappen aan de alomtegenwoordigheid van de oorlog. Boeken en schriften, muren en speelplaatsen, spreekbeurten en schoolreizen stonden in het teken van het voorbije conflict.

Al in maart 1919, nauwelijks vier maanden na de wapenstilstand, had de Belgische katholieke minister van Kunsten en Wetenschappen Alphonse Harmignie aan alle openbare scholen een publicatie bezorgd waarin het verloop van de oorlog werd beschreven. Het werk, een uitgave van het ministerie van Oorlog, moest de leraren helpen ‘de enorme taak die ons leger verrichtte aan de jeugd uit te leggen.’  De publicatie legde de nadruk op het contrast tussen het goed geoliede, technisch en numeriek oppermachtige Duitse leger en het kleine, slecht uitgeruste en bijna amateuristische Belgische leger. Op pure wilskracht was het laatste er toch in geslaagd de Duitse oorlogsmachine af te remmen, tegen te werken, uit te dagen en uiteindelijk in de val te lokken, zo klonk het. Nog tijdens hetzelfde jaar stuurde Harmignies socialistische opvolger Jules Destrée een omzendbrief naar alle athenea. Daarin moedigde hij directie en lerarenkorps aan na te denken over de manier waarop de lessen die men had geleerd uit de oorlog konden worden aangewend voor het ‘œuvre de l’éducation patriottique’, de vaderlandslievende opvoeding.  Wie te jong was om eigen herinneringen aan de oorlog te hebben, zou leren herinneren op school.

Een schoolse herinneringsplicht

‘Patriottisch schoolschrift’ met koning Albert in militair uniform (Archief School van Toen, Gent)
‘Patriottisch schoolschrift’ met koning Albert in militair uniform (Archief School van Toen, Gent)

Zowel in de lagere school, waar sinds 1914 leerplicht gold, als in het middelbaar onderwijs, waar men de toekomstige elite van de natie opleidde, moest de herinnering aan de oorlog levend worden gehouden. Het geschiedenisonderwijs leek een evidente plaats om de thematiek aan bod te brengen en het patriottisme te voeden. In internationaal perspectief had het Belgische geschiedenisonderwijs nochtans geen uitgesproken nationalistisch profiel. Het onderwijs van een klein en bovendien neutraal land als België had zich minder dan in Frankrijk of Duitsland overgegeven aan een openlijk, tegen een externe vijand gericht nationalisme. Vaderlandse geschiedenis werd voornamelijk onderwezen in de lagere school. In het officieel en het vrij middelbaar onderwijs kreeg het nationale verleden maximaal een derde van de lessen geschiedenis toebedeeld.

De oorlog was nog maar pas voorbij, en toch meenden sommige leraren bij de jeugd reeds een hang naar plezier en amusement te bemerken die, wanneer het er op aan kwam, nefast zou blijken voor de vitaliteit van de natie.  De overheid beantwoordde deze bezorgdheid met het stimuleren van een cultus rond nationale oorlogshelden. Zo verplichtte zij in 1920 het ophangen in elk klaslokaal van de portretten van koning Albert in uniform met helm, en van koningin Elisabeth als verpleegster. Het jaar daarop kwamen daarbij nog twee extra portretten: dat van Léon Trésignies, de soldaat die in 1914 zijn leven had opgeofferd bij een militaire actie aan de Verbrande Brug te Grimbergen, en dat van Gabrielle Petit, de Brusselse verzetsheldin, die in 1916 was gefusilleerd op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek. De herinnering die hier werd vormgegeven, was gericht op het verbinden van verschillende generaties.  De doden dienden de levenden tot voorbeeld te zijn. Het was een herinnering die moest aanzetten tot daden, of toch minstens tot bereidheid vaderlandslievende, heldhaftige daden te stellen.

Op schoolreis naar het front

De straten van Nieuwpoort, voor de oorlog. Een beeld uit Ce qu’il faut voir sur les champs de bataille et dans les villes détruites de Belgique, een gids uit 1920 over de ruïnes en slagvelden uit de oorlog.
De straten van Nieuwpoort, voor de oorlog. Een beeld uit Ce qu’il faut voir sur
les champs de bataille et dans les villes détruites de Belgique, een gids uit
1920 over de ruïnes en slagvelden uit de oorlog.

Een heel andere invulling kreeg de herinnering in schoolreizen naar het front. Daar ging het niet om verbondenheid tussen de doden en de levenden, maar om afschuw over de materiële verwoestingen die de oorlog had aangericht. Hier kon het verleden onmogelijk model staan voor de toekomst. Leuven, Dinant, de kuststreek en de Westhoek: tijdens het hele interbellum lang trok men op schoolreis naar steden en streken die zwaar hadden geleden onder de Eerste Wereldoorlog. Maar stilaan was de herinnering aan de Grote Oorlog niet langer het enige doel. Niet alleen in de bezette gebieden, maar ook op het eigenlijke slagveld in de Westhoek hernam het leven zich. De wederopbouw dekte de wonden toe. Het conflict verwerd tot een bezienswaardigheid naast kathedralen, musea en natuurschoon. In juni 1925 omschreef de  reisverslaggever uit de Rijksnormaalschool te Gent Dinant als het ‘zo fijn gelegen en wreed geteisterde stadje.’ Vijf jaar later noteerde een leerling uit diezelfde school dat ze tijdens hun uitstap naar zee ook kennis maakten met ‘enige feitjes uit den oorlog.’

Niet alleen verloor de oorlog de alomtegenwoordigheid en de urgente religieuze zeggingskracht van het eerste moment. De zorgvuldig geconstrueerde en door de overheid ondersteunde nationaal-patriottische herinnering had wellicht ook nooit een volledig monopolie gekend. In colleges met een oudere flamingantische traditie en sympathie voor het activisme, liepen niet alle leraren warm voor een Belgisch-patriottisch discours over de oorlog. Vlaamse scholieren die aan de IJzertoren in Diksmuide halt hielden, herdachten niet noodzakelijk de helden die voor het Belgische vaderland waren gevallen. Een exclusief Vlaamse, anti-Belgische oorlogsherinnering kreeg er eveneens vorm.

De grenzen van de patriottische oorlogsherinnering

De straten van Nieuwpoort, na de oorlog.
De straten van Nieuwpoort, na de oorlog.

De voortschrijdende tijd en de communautaire barsten speelden in het nadeel van de patriottische oorlogsherinnering. Daarnaast kwam er ook kritiek op de militaristische logica die eigen was aan de schoolse herinneringscultuur en het onderwijs over de oorlog. Al meteen na de oorlog had de Belgische overheid de herinnering trachten te kanaliseren door het accent te leggen op vaderlandslievend onderwijs veeleer dan op haatdragende boodschappen. Dat kanaliseren was maar zeer ten dele gelukt. In internationale netwerken van intellectuelen – pacifisten, opvoedkundigen en in toenemende mate ook historici – groeide de kritiek. Geschiedenisonderwijs had bijgedragen tot nationalistische gevoelens, en die hadden de oorlog mede mogelijk gemaakt, zo luidde de redenering. Was het geen tijd om onderwijs over oorlog door vredesonderwijs te vervangen?

Onder meer de Volkenbond zou zich tijdens het interbellum opwerpen als een voorstander van vredesonderwijs. Deels in datzelfde kader kwam ook een  internationale beweging voor handboekrevisie op gang. Via een systeem van internationale aanbevelingen hoopte men handboeken te kunnen ‘zuiveren’ van al te vijandige portretteringen van andere naties.  In België leidde dit tot een voorzichtige bijstelling van het virulent anti-Duits karakter van leerboeken uit de onmiddellijke naoorlogse periode.  Patriottisme en de herdenking van de oorlogsslachtoffers mochten hun plaats behouden in het onderwijs, maar zij dienden te worden verrijkt door onderwijs over internationale samenwerking en onderlinge afhankelijkheid, zo luidden de aanbevelingen. In veel gevallen bleef het echter bij aanbevelingen. Vanaf 1950 – na nog een verwoestende oorlog – zou de UNESCO met meer succes aan diezelfde weg timmeren.

Kaat Wils is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de geschiedenis van gender en lichamelijkheid, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek. Ze werkte mee aan het recent verschenen boek Oorlog in tijden van vrede.

Geschiedenis voor de rechter

Paul Fredericq nam in zijn dagboek geen blad voor de mond. ‘Welke hatelijke gekke smeerlap is die Van Even!’ schreef hij op 23 oktober 1900. Edward Van Even, sinds 1853 aan het werk in het stadsarchief van Leuven, had immers een proces aangespannen tegen een oud-leerling van Fredericq, Herman Vander Linden. De oude archivaris beschuldigde de jonge academicus van plagiaat. Het conflict groeide uit tot een symbolische strijd tussen een oude autodidact en een nieuwe generatie van professoren en hun leerlingen. De inzet? De historische methode.

24 gestolen feiten

Een pagina uit de Geschiedenis van de stad Leuven, met afbeelding van Dirk Bouts.
Een pagina uit de Geschiedenis van de stad Leuven, met afbeelding van Dirk Bouts.

In 1899 publiceerde de 31-jarige Vander Linden zijn Geschiedenis van de stad Leuven. De kritieken waren lovend. Een recensent merkte bijvoorbeeld op dat de auteur niet alleen zijn wetenschappelijke vorming toonde, maar ook op de hoogte leek van de laatste ontwikkelingen in de historiografie. In die nieuwe geschiedschrijving kon echter niet iedereen zich vinden. De 77-jarige Van Even vond dat Vander Linden zijn magnum opus Louvain dans le passé et dans le présent had geplagieerd.

Volgens de archivaris had Vander Linden ‘24 faits historiques ignorés’, die door Van Even waren ontdekt, overgenomen.  Van Even zag dat als plagiaat. Wat hem onder meer strafbaar leek was de lijst van werken van Dirk Bouts die Vander Linden had opgenomen in zijn boek.  Was het immers niet Van Even die erin was geslaagd het auteurschap van deze schilderijen definitief vast te stellen? Volgens de stadsarchivaris kwam deze wetenschap hem dan ook toe.

Wauters vs. Van Even

Portret van Alphonse Wauters, Brussels stadsarchivaris.
Portret van Alphonse Wauters, Brussels stadsarchivaris.

Van Even hield vast aan de opvattingen die enkele decennia eerder gemeengoed waren geweest. Archivarissen lieten toen niet iedereen toe in het archief. Enkel wie het vertrouwen van de archivaris kon winnen, was er welkom. Het meedelen van onbekende historische gegevens was slechts een gunst. Zij behoorden slechts toe aan het archief en zijn archivaris.

Deze opvattingen bezorgden Van Even al eerder zorgen. In 1863 vond Brussels stadsarchivaris Alphonse Wauters het nodig via de krant kenbaar te maken dat de ‘particularités inédites’ over Dirk Bouts die Van Even kort tevoren had gepubliceerd, al eerder door hem in het licht waren gesteld. Door zijn ontdekkingen publiek op te eisen, wilde Wauters mogelijke plagiaatbeschuldigingen bij voorbaat ontkrachten.

De impliciete beschuldigingen een ‘copiste’, een ‘plagiaire’ te zijn, troffen Van Even erg hard. Om zijn naam te zuiveren, publiceerde hij zes brieven aan zijn Brusselse collega. Hoe kon immers iemand die altijd uitgebreid archiefonderzoek had verricht, nu voor een plagiator worden gehouden?  De studie van Wauters bleek bovendien gebaseerd op zijn werk! Met zijn repliek aan Wauters kon Van Even zijn eigen kunnen als archivaris in de verf zetten. Tezelfdertijd wilde hij wel de goede vrede bewaren. Wauters bleef voor hem nog altijd een van de meest onderlegde archivarissen in België.

Van Even vs. Vander Linden

Het justitiepaleis van Leuven, op een prent uit Louvain dans le passé et dans le présent.
Het justitiepaleis van Leuven, op een prent uit Louvain dans le passé et dans le présent.

36 jaar later wilde Van Even de nieuwe plagiaatskwestie voor de rechtbank uitvechten. De Archives belges oordeelde daarop voorzichtig dat de twee auteurs hun verdiensten hadden – Vander Linden als grondlegger van wetenschappelijk onderzoek naar de Leuvense gemeente-instellingen, Van Even als beschrijver van de monumenten waarin het stedelijke leven zich had afgespeeld  – maar het blad kwam tot de conclusie dat het een onhoudbaar of zelfs ronduit absurd proces zou worden.

Fredericq en Vander Linden stelden samen een ‘plan de bataille’ op. Eminente collega’s werden aangeschreven om voor Vander Linden te getuigen. Die keur aan historici had volgens de rechtbank echter te weinig oog voor de juridische kant van de zaak, zodat met hen geen rekening werd gehouden. In plaats daarvan werd een driekoppig team aangesteld dat zich over de twee werken moest buigen. Op basis van hun rapport volgde de uitspraak op 31 december. De klacht werd ongegrond verklaard en Van Even moest opdraaien voor de gerechtskosten. De Archives belges oordeelde dat beide partijen het nieuwjaarsgeschenk kregen dat ze verdienden.

Bevrijd archiefmateriaal

In 1903 werkte Van Even vijftig jaar in het stadsarchief. Om hem te huldigen, werd hem dit portret van Omer Dierickx aangeboden.
In 1903 werkte Van Even vijftig jaar in het stadsarchief. Om hem te huldigen, werd hem dit portret van Omer Dierickx aangeboden.

De moderne historiografie ontving inderdaad een prachtig geschenk. De rechtbank wees de geschiedschrijving van erudiete autodidacten als Van Even af. In de uitspraak werd vastgesteld dat ‘feiten of wetenschappelijke materie’ eigendom waren van iedereen. Dit gold ook voor nog onbekende of vergeten feiten. Zij mochten dan ook, na hun onthulling, door iedereen worden gebruikt en gepubliceerd.

Dit vonnis zorgde er wel niet voor dat Van Even na 1900 een historische paria werd. Uit dit voorval blijkt vooral dat niet langer de archivaris, maar wel de professor de Belgische historiografie overheerste. En voor hem was toegang tot archief van het grootste belang. In het expertenrapport werd daarom de conclusie gestoeld op ‘de autoriteit van Langlois en Seignobos’.  ‘De geschiedenis wordt met documenten gemaakt,’ luidt de befaamde openingszin van hun Introduction aux études historiques uit 1898.

De archivaris werkte niet langer voor zichzelf, maar moest zijn archief aan alle bezoekers aanbieden. Het verleden dat er gevonden werd, was geen ‘ontdekking’, maar slechts een ‘in herinnering brengen’. Deze herinneringen behoorden aan iedereen toe. ‘Anders zou wetenschappelijke vooruitgang niet meer mogelijk zijn en zou men al van plagiaat beschuldigd kunnen worden, door te schrijven dat Hannibal over de Alpen trok of dat Karel V in 1500 is geboren,’ vatte de Revue de l’instruction publique en Belgique het samen.

Titelafbeelding: detail uit de triptiek met de marteling van de H. Erasmus van Dirk Bouts (Sint-Pieterskerk, Leuven).

Timo Van Havere is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn onderzoek focust op de geschiedenis van archieven en archivarissen in de negentiende eeuw.

Een roadtrip in oorlogstijd

Gastblog door Karel Strobbe.

Geen van ons had het al  gedaan: een reis maken om een geschiedenisboek te schrijven. Bij eerdere schrijfopdrachten hadden onze verplaatsingen zich beperkt tot archief- en bibliotheekbezoeken en autoritten naar getuigen, steeds in België. Maar sommige onderwerpen smeken om een meer ruimtelijke methode van historisch onderzoek. Het verhaal van de rekruteringsreserve van het Belgische leger, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, is er zo een. Met dagboeken en memoires als voornaamste bronnenmateriaal, die van hun auteurs titels meekregen als ‘Odyssee’  en ‘Exodus’, weet je dat je het verleden oneer aandoet als je niet zelf op pad gaat.

Een vergeten verhaal

Foto CegeSomaOp 10 mei 1940, 75 jaar geleden, lanceerde Adolf Hitler Fall Gelb, het offensief tegen België, Nederland, Luxemburg en Frankrijk. In het collectieve geheugen worden de meidagen van 1940 geassocieerd met de Duitse blitzkrieg en de enorme stromen burgervluchtelingen die de furor teutonicus hoopten te ontvluchten. Minder bekend is dat er tussen die massa  burgers ook tienduizenden jongemannen liepen die niet uit vrije wil waren vertrokken, maar op bevel. De jongsten waren 16 jaar, de oudsten 35. De Belgische regering wilde hen uit de handen van de vijand houden en reservesoldaten van hen maken.

Minderjarigen verplichten om pardoes hun woonplaats te verlaten: het klinkt choquerend. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren echter veel weerbare mannen in bezet België achtergebleven en de Duitsers hadden daar dankbaar gebruik van gemaakt. Daarom kregen net na de Duitse inval in 1940 alle jonge mannen die hun legerdienst nog niet hadden gedaan – de leden van de zogenaamde rekruteringsreserve – het bevel om zich naar verzamelplaatsen in West-Vlaanderen en Henegouwen te spoeden. Er werd hen in afwachting van een militaire opleiding een goede omkadering en tewerkstelling beloofd.

Foto CegeSomaAlleen ging de Duitse opmars veel sneller dan voorzien. In tegenstelling tot de verwachting kwam er geen  stellingenoorlog en raasde de Duitse blitz op tien dagen naar de Kanaalkust. De plannen met de rekruteringsreserve liepen daardoor compleet in de soep. De jongens werden in allerijl naar Frankrijk gestuurd, waar geen voorzieningen waren om hen op te vangen. Wat volgde was een levensgevaarlijke trip door Noord-Frankrijk. Zij die vóór 20 mei de Somme konden oversteken, werden op treinen naar Zuid-Frankrijk gezet. De anderen werden ingehaald door het Duitse leger en konden na het einde van de Achttiendaagse Veldtocht naar huis terugkeren.

In Zuid-Frankrijk wachtte hen niet de voorgespiegelde militaire opleiding, maar honger, slechte hygiëne, ziekte, verveling en heimwee. Maar ook zuiderse steden, pittoreske dorpjes, de Middellandse Zee, Franse wijn en Zuid-Franse schoonheden. Het werd voor velen de meest bijzondere zomer uit hun jonge leven. In augustus, twee maanden nadat ook het Franse leger de wapens had neergelegd, mochten ze terug naar huis, in een bezet land.

Het verleden achterna

Foto Ingrid LeonardIn 2011 kwamen wij per toeval in contact met deze vergeten episode uit de meidagen van 1940. We concludeerden al gauw dat er een goed boek in zat. We zouden in België en Frankrijk op zoek gaan naar de sporen van het oorlogsavontuur van een generatie waar onder meer ‘Nonkel Bob’ Davidse, Leo Tindemans, acteur Nand Buyl en stripauteur Marc Sleen toe behoorden.

In de lente van 2014 was het dan zover: met onze fietszakken gevuld met tientallen gekopieerde dagboeken en memoires sprongen we op de fiets. We trokken van oost naar west door België, staken de grens over nabij Poperinge en eindigden onze fietstocht in Rouen. We namen de TGV naar Toulouse om een drietal weken in het Franse Zuiden te vertoeven. We bezochten er de plaatsen waar de jongens in de zomer van 1940 verbleven en spraken met mensen die zich die gebeurtenissen nog herinnerden. We volgden de sporen van het verleden, in al hun verschijningsvormen – landschappen, gebouwen, vage herinneringen, Franse kranten en archiefdocumenten.

Foto Ingrid LeonardHet was bevrijdend om met ons bronnenmateriaal naar buiten te komen, weg uit een leeszaal, weg van ons bureau, mee de fiets op. Dagboekschrijvers werden medereizigers en gidsen. Onderweg hielpen oude Franse vrouwen en mannen om onze bronnen mee te interpreteren, aan te vullen en te corrigeren. De confrontatie tussen het verleden en het heden was bevreemdend en verrijkend. Bevreemdend was ze bijvoorbeeld in het Parc des Sports in Toulouse, een plek die voor de jongens van de rekruteringsreserve gelijk stond aan de hel. Zelf zijn we er heerlijk gaan zwemmen in het openluchtzwembad. Verrijkend ook, omdat ze ons inzicht verschafte in de feilbaarheid en selectiviteit van het collectieve geheugen. In Zuid-Frankrijk bleek iedereen goede herinneringen te hebben overgehouden aan de Belgische aanwezigheid in 1940, terwijl we maar al te goed wisten dat er ook conflicten waren geweest.

Een dwalende en speurende omgang met het verleden levert een eerlijke manier van geschiedschrijving op. Het verhaal van de rekruteringsreserve presenteren we niet als vaststaande feiten, maar als iets waar we zelf actief naar op zoek zijn gegaan. Daar horen dode sporen bij, en nutteloze uren in de broeierige Zuid-Franse zon. Het was echter een unieke kans om te tonen hoe verhalen over en in het verleden tot stand komen.

KarelStrobbe-Roadtrips-CoverVanOnzeJongensKarel Strobbe is historicus en werkt als wetenschappelijk assistent in het CegeSoma (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en hedendaagse Maatschappij). Samen met Pieter Serrien en Hans Boers schreef hij het boek Van onze jongens geen nieuws. De dwaaltocht van 300.000 Belgische rekruten aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (Manteau, 2015).

Wereldrijken komen uit het Westen

Gastblog door Bram Fauconnier.

Alexander de Grote veroverde Indische gebieden en bracht het weinig ontwikkelde Oosten in contact met de Westerse beschaving. Hij introduceerde er een hogere staatsvorm: een op rede gestoeld wereldrijk. Zo was hij de rechtstreekse voorloper van het British Empire. Klinkt dat wat kolonialistisch? Klopt. Het is het verhaal dat heel wat Britse historici in de negentiende en twintigste eeuw hebben opgehangen rond Alexander de Grote.

Februari 326 v.C. Alexander van Macedonië begint aan de laatste fase van zijn veroveringstochten. Na een snelle campagne verovert hij een deel van Noordwest-India, in de ogen van de Grieken een land van wonderen en fabelachtige rijkdom. Alexanders ambities reiken nog verder, maar zijn troepen blijven uitgeput staan aan de oevers van een van de vele lokale rivieren. Muiterij dreigt. Tegen zijn zin geeft Alexander toe aan zijn soldaten en vat hij de lange terugtocht aan. Na zijn dood is het verre India voor zijn opvolgers geen prioriteit. Rond 317 v.C. verlaat de laatste Macedonische commandant het subcontinent. Daarna sticht een jonge Indiër een rijk dat een groot deel van India omvat: ‘Sandrocottus’.

 De ontdekking van Sir William Jones

Sir William Jones (1746-1794)
Sir William Jones (1746-1794)

Februari 1793. Al tien jaar woont Sir William Jones in Calcutta, de hoofdstad van de Britse East India Company. Jones is een briljant filoloog en bestudeert de klassieke talen van het oude India. In enkele sanskrietteksten leest hij oude verhalen over een jongeman die een groot rijk in het noorden van India stichtte. De jongeman heette Candragupta Maurya. Jones, die zijn Grieks-Romeinse bronnen kent, verbindt de naam meteen met Sandrocottus. Het belang van zijn ontdekking kan niet onderschat worden. De indologie krijgt eindelijk een chronologisch ankerpunt: Candragupta stichtte het Mauryarijk kort na de veroveringstocht van Alexander.

De geschiedschrijving van het Mauryarijk komt na die mijlpaal snel op dreef. De Britse onderzoekers leggen de Indische en Grieks-Romeinse bronnen naast elkaar en ontdekken daardoor veel details. Toch is het niet vanzelfsprekend om de bronnen met elkaar te verzoenen. Alexander wordt bijvoorbeeld nergens vermeld in de Indische teksten. Om een coherent verhaal te kunnen vertellen, vormen de moderne geschiedschrijvers dus heel wat onwaarschijnlijke hypotheses, waarbij ze niet zelden uit hun fantasie putten. Hun interpretaties van het verhaal van Alexander en Candragupta worden bovendien sterk beïnvloed door de Britse kolonisatie van India.

In de sociale kringen van William Jones is er nog niet veel arrogant Eurocentrisme te bespeuren. Op het einde van de achttiende eeuw zijn veel Britten oprecht geïnteresseerd in de Indiase cultuur. Sommigen gaan hier erg ver in. Zo doet Charles ‘Hindoo’ Stuart (1758-1828) zijn bijnaam eer aan door elke ochtend in de Ganges te baden. En wanneer de onderzoekers van Jones’ Asiatic Society over Candragupta schrijven, doen zij dat min of meer onbevooroordeeld: zij willen in de eerste plaats de verwarrende Indische chronologie op orde zetten.

Groeiend Eurocentrisme

Retribution van E. Armitage, een allegorie op het neerslaan van de Indische opstand van 1857. Brittania is op Grieks-Romeinse wijze uitgedost.
Retribution van E. Armitage, een allegorie op het neerslaan van de Indische opstand van 1857. Britannia is op Grieks-Romeinse wijze uitgedost.

Rond de eeuwwisseling beginnen de Britse opvattingen te veranderen. Evangelische bekeringsijver en industriële vooruitgang zorgen voor een toenemend cultureel en zelfs raciaal superioriteitsgevoel. Het geloof in Westerse superioriteit is niet geheel nieuw. De Europese elite raakte sinds de Verlichting doordrongen van de idee dat zij de erfgenamen waren van de Grieks-Romeinse beschaving. Alexander, de eerste ‘Europeaan’ die Azië veroverde, werd dan ook een uiterst relevant voorbeeld.

In 1857 wordt een grote Indische opstand brutaal onderdrukt, wat wederzijdse haat en vooroordelen alleen maar versterkt. De Britse Kroon krijgt rechtstreekse controle over een groot deel van India, en de Grieks-Romeinse oudheid wordt een van de ideologische steunpilaren van het Britse bewind.

Alexander, brenger van beschaving

Bij geschiedschrijvers neemt de fascinatie voor Alexander toe. In hun visie wordt hij het prototype van een koloniale held die Azië opende voor Westerse vooruitgang en beschaving. Over Candragupta zijn de meningen enigszins verdeeld. Voor sommigen is hij een Oriëntaalse despoot die met geluk de troon bemachtigde. Anderen zien hem als iemand die geïnspireerd werd door Alexander en zo zijn eigen rijk stichtte. Het geloof in Westerse superioriteit blijft echter de gemeenschappelijke factor. Dat wordt door niemand beter verwoord dan door de koloniale ambtenaar H.H. Risley: “Ex Occidente Imperium: de genialiteit van een wereldrijk is steeds vanuit het Westen naar India gekomen, en kan alleen in stand worden gehouden door een constante invoer van bloed vanuit dezelfde bron.” Kortom, de veroveringen van Alexander waren een perfecte legitimatie voor het Britse koloniale project.

Heroïsch portret van Alexander in het jongerentijdschrift Chatterbox van 1880.
Heroïsch portret van Alexander in het jongerentijdschrift Chatterbox van 1880.

In de jaren dertig en veertig, wanneer het Britse Rijk op zijn laatste benen loopt, bereikt de verering van Alexander een hoogtepunt. In een periode waarin Indische nationalisten de figuur van Candragupta voor hun eigen doeleinden beginnen op te eisen, benadrukken Britse geschiedschrijvers de invloed van Alexander op het Mauryarijk. Zij zien de Macedoniër bovendien als een grote verzoener die de verschillende volkeren in broederschap deed samenleven. Brits imperialisme in een nieuw jasje, dat de onafhankelijkheid van India in 1947 allerminst kan verhinderen.

Alexander de Grote veroverde een deel van Noordwest-India, bleef zelf slechts twee jaar daar en nauwelijks enkele jaren later was er geen Macedonische soldaat meer te bespeuren. Lang voor de komst van Alexander was er aan de Ganges een rijk ontstaan dat onophoudelijk groeide. Candragupta wist de troon over te nemen en breidde zijn territorium spectaculair uit. Het Mauryarijk was in de eerste plaats het resultaat van een eeuwenlang proces van staatsvorming in India zelf, eerder dan het gevolg van een kortstondige Macedonische invasie. Dat is een verhaal dat zelfs vandaag de dag weinig verteld wordt. Want grootse mannen en grootse daden spreken nog altijd meer tot de verbeelding dan onzichtbare, trage evoluties.

Meer lezen

C. Hagerman, ‘In the Footsteps of the ‘Macedonian Conqueror’: Alexander the Great and British India’, International Journal of the Classical Tradition, 16 (2009), 344-392.

K. Karttunen, India and the Hellenistic World, Helsinki, 1997.

P. Vasunia, The Classics and Colonial India, Oxford, 2013.

Bram Fauconnier is gastblogger. Hij is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis van de KU Leuven en wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Mannheim. Hij doet onderzoek naar globaliseringsprocessen in de Oudheid.

Bedienden van het geschiedbedrijf

Niet iedere historicus zal het toegeven, maar werken in het archief is repetitief, saai en zwaar. Eindeloze reeksen bronnen blijven zich maar aandienen om te worden bestudeerd, geëxcerpeerd en gekopieerd. De Nederlandse historicus (en politicus) Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) was eerlijk: ‘het overschrijven is een somtijds bijna ondragelijke last’, noteerde hij na een archiefreis in Frankrijk en Duitsland. In Besançon had hij voor het kopiëren wel de hulp gekregen van twee mannen, maar veel leverde dat niet op. Zij hadden nochtans alles ‘wat den volmaakten copist vormt’, op slechts twee gebreken na: ‘zij konden niet lezen en niet schrijven’.

Groen van Prinsterer klaagde over zijn kopiisten en dat was voor een negentiende-eeuwse historicus niet ongewoon. Maar, wat deden die kopiisten? En waarom werden zij zo vaak bespot? Over het treurig lot van het lager personeel van de negentiende-eeuwse geschiedbeoefening.

Caesar van de archieven

Kopieën waren een secundaire levensbehoefte van negentiende-eeuwse historici. Wat zij eigenlijk wilden was the real thing, de echte archiefstukken. Om bij die documenten te geraken, ondernamen historici avontuurlijke tochten langs lastig toegankelijke archieven. Hoe lang die archiefreizen ook duurden – soms wel jaren – ze waren nooit genoeg om de historicus alle documenten volledig te laten bestuderen. Daarom wilde de historicus ook stukken voor thuisgebruik: de kopieën. En omdat voor archiefstukken het tijdperk van mechanische reproduceerbaarheid nog niet was aangebroken, was kopiëren handwerk. De armlastigen onder de geschiedbeoefenaars schreven zelf over, de kapitaalkrachtigen huurden daarvoor mensen in: de kopiisten.

Portret van Louis Prosper Gachard.
Louis-Prosper Gachard (1800-1885).

Een van de kapitaalkrachtigen was de tot Belg genaturaliseerde Fransman Louis-Prosper Gachard (1800-1885). Hij was een van de onvermoeibare werkers van de negentiende-eeuwse geschiedbeoefening. Meer dan een halve eeuw, van 1831 tot 1885, stond hij aan het hoofd van het Rijksarchief en zorgde hij bijna eigenhandig voor de uitbouw van het Belgische archiefwezen. Daarnaast werkte Gachard onstuitbaar aan een almaar uitdijend oeuvre van machtige bronnenpublicaties. Niet voor niets noemden ze hem ‘le prince des archivistes’ of de ‘César’ van de archieven.

Steeds was Gachard op zoek naar nieuwe interessante archiefstukken ter uitgave, in ‘zijn’ Brusselse archief maar ook elders in België en daarbuiten. Voor de historische zaak reisde Gachard – met financiële ondersteuning van de Belgische regering – naar Nederland, naar Frankrijk, naar Duitsland, naar Oostenrijk, naar Italië. Zijn grootste triomf vormden zijn twee verblijven in de Spaanse archiefburcht van Simancas in de jaren 1843-1846. In dat stadje dichtbij Valladolid bevond zich al sinds de tijd van keizer Karel V het archief van de Spaanse kroon. Gachard wist als eerste buitenlandse onderzoeker toegang te krijgen tot dit heiligdom.

Het probleem met kopiisten

Gachard werd vergezeld door een kopiist van dienst: Victor Hanssens, een voormalig klerk op het Rijksarchief. Dat was echter buiten de waard gerekend. De Spanjaarden pasten zeer goed op hun (historische) staatsgeheimen. In Simancas gold daarom een streng archiefreglement, dat stelde dat buitenstaanders geen kopieën mochten maken. Gachard en Hanssens stonden onder voortdurend toezicht en moesten hun toevlucht nemen tot een systeem van gedwongen winkelnering. Enkel de klerken van het archief mochten documenten kopiëren. Gachard en Hanssens spendeerden dus hun dagen met het bekijken en lezen van stukken, er soms samenvattingen van te maken en vaak een opdracht tot overschrijven aan de Spaanse kopiisten te geven.

De archiefburcht van Simancas zoals Gachard haar aantrof.
De archiefburcht van Simancas zoals Gachard haar aantrof.

Op zich had dit een prima systeem van arbeidsdeling kunnen zijn, maar Gachard was niet tevreden. Het probleem was niet enkel dat de kopiisten van Simancas zich per stuk lieten betalen, waardoor de kosten van de archiefreis opliepen. Zij waren vooral lui en onbekwaam. Ze hadden weinig paleografische kunde, lazen nauwelijks Frans en ze lieten de kans om wat meer dan de voorgeschreven vier uur te werken en zo wat extra te verdienen, lopen: ‘Maar nee: ze moeten siësta houden, een wandeling maken & daarna uitrusten’.

De vrije markt van Madrid, waar Gachard in verschillende bibliotheken werkte, was niet veel beter. Daar wist hij maar met de grootste moeite iemand te vinden die een handschrift uit de zeventiende eeuw of ouder kon lezen. Met die kopiisten, kortom, was het nooit goed of het deugde niet.

Bedienden van het geschiedbedrijf

De vele kritiek op kopiisten toont het systeem van dienst- en gunstbetoon dat de geschiedbeoefening reguleerde. Kopiisten kregen niet, zoals de archivaris van Simancas en een zeer behulpzame hoge ambtenaar in Madrid, de Leopoldsorde voor hun hulp. Zij kregen evenmin een vermelding in het dankwoord van de uitgave van de brieven van Filips II – het imposante vijfdelige resultaat van Gachards verblijf in Simancas.

Een onwillige kopiist (naar: Bartleby the Scrivener van Herman Melville).
Een onwillige kopiist
(naar: Bartleby the Scrivener van Herman Melville).

De kopiisten werden niet in eer, maar in geld betaald. Dat weerspiegelde hun positie in de coulissen van het geschiedbedrijf: niet in dankwoorden en al helemaal niet op titelbladen, maar naamloos en achteraf, in de brieven en de facturen van Gachard. Die onzichtbaarheid kwam ook voort uit de aard van hun werk. De waarde van een kopie berust immers op de overeenkomst tussen origineel en reproductie. Een kopiist die zijn werk goed deed, bleef per definitie onzichtbaar. Pas als er iets mis ging, als een kopie ondeugdelijk was, pas dan kwam de kopiist in beeld.

De kopiist leek daarmee op een bediende: onzichtbaar maar onmisbaar voor veel negentiende-eeuwse historici. Hij werd nauwelijks erkend om wat hij goed deed, maar juist om wat hij misdeed. Dat we de kopiist vandaag enkel nog kunnen kennen via zijn fouten, die door boze historici zijn overgeleverd, bevestigt zijn positie onderaan de hiërarchie van het geschiedbedrijf.

(Pieter Huistra)

Meer lezen over Gachard en zijn reis naar Simancas:

Gustaaf Janssens, “L.-P. Gachard en de ontsluiting van het Archivo General de Simancas”, Liber amicorum dr. J. Scheerder. Tijdingen uit Leuven over de Spaanse Nederlanden, de Leuvense universiteit en Historiografie, ed. A. Jans (Leuven, 1987), 313-341.

Erik Aerts en Lieve de Mecheleer, “‘Le César des Archives’. Archivistiek en historiografie in de eeuw van Gachard”, Bibliotheek- & archiefgids 79, 3, (2003).

Pieter Huistra is postdoctoraal onderzoeker van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In 2013 behaalde hij de doctorstitel op het proefschrift Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830 en 1870. Zijn onderzoek betreft de geschiedenis van de geesteswetenschappen, de sociale en biomedische wetenschappen.

Kaarten tegen het Nazisme

Het is augustus 1994. Zoals overal in Europa, lijkt ook in België de herinnering aan de wereldoorlogen de bevolking steeds minder te beroeren. De jaarlijkse herdenkingsplechtigheden rond de vele oorlogsmonumenten worden wel nog georganiseerd, maar ze verliezen stilaan aan belang. Nu ook de jongste oud-strijders van ’40-’45 de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, raakt de betekenis van deze plechtigheden schijnbaar uitgehold. Voor vele Belgen betekent wapenstilstandsdag sinds enige jaren vooral een welgekomen extra vrije dag. Oorlog wordt steeds meer geassocieerd met iets ver weg; met iets wat zich buiten de Europese grenzen afspeelt, bijvoorbeeld in Joegoslavië, Somalië of Rwanda.

MatthiasMeirlaen-KaartenNazisme-DoosjeDie vaststelling blijkt de overheden te verontrusten. Hoe kan een vreedzame samenleving worden gewaarborgd, als de verschrikking van de oorlog uit de herinnering dreigt te verdwijnen? Het is een vraag die de stad Namen die zomer tot een kleinschalig, maar bijzonder initiatief noopt. Om te vermijden dat de inwoners hun oorlogsgeschiedenis zouden vergeten, wordt in samenwerking met de plaatselijke toeristische dienst een project opgezet ter inventarisatie van de verschillende herdenkingsmonumenten in de regio. Merkwaardig genoeg leiden de resultaten niet tot een informatiebrochure, een toeristische gids of een toegankelijke publicatie. De resultaten worden verwerkt in een serie prentkaarten, die in kleine kartonnen doosjes met de Belgische driekleur op de markt worden gebracht.

Passant, souviens-toi!

MatthiasMeirlaen-KaartenNazisme-Kaart1De prentkaarten vormen niet zomaar een curiositeit. Ze wekken belangstelling, omdat ze laten zien hoe de herwaardering in het oorlogsverleden in de jaren ’90 een belangrijk educatief karakter had. Op een uiterst aanschouwelijke manier willen de prentkaarten de Naamse bevolking terug kennis doen maken met hun oorlogsverleden. Elke kaart bevat de beeltenis van een monument of een gedenkplaat: een rouwende vrouw op het militair kerkhof in Champion, een soldatenbeeld op de Place du 13e de Ligne in Namen of een groot kruisbeeld in de Rue de la Converterie in Daussoulx. Meer dan honderd foto’s brengen zo in herinnering hoe groot de opofferingen van de Namenaars tijdens beide wereldoorlogen zijn geweest. Namen heeft geleden, en de voorbijganger mag dit niet vergeten. De kaartendoosjes dragen de toepasselijke titel ‘passant souviens-toi’!

MatthiasMeirlaen-KaartenNazisme-Kaart3In deze opdracht ligt een duidelijke morele boodschap. De prentkaartenverzameling wil de Namenaars en toeristen niet alleen het uitgebreide oorlogspatrimonium in de streek leren (her)ontdekken. Ze wil ook nadrukkelijk de gruwel van de oorlog aanklagen en waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van rechts nationalisme. In het voorwoord stelt de nieuwe PS-schepen Marcel Maaskant enigszins onthutst dat 8 % van de Namenaars het oorlogsverleden ‘onbenullig’ vindt en zelfs de ‘rechtmatigheid van het nazisme’ erkent. Zijn dochter en medeverantwoordelijke voor de inventarisatie – het betreft evengoed een klein familieproject – verwijst naar de vreselijke wederopkomst van onveiligheid, intolerantie, racisme en geweld in de grote steden. De prentkaarten moeten de toekomstige generatie eraan herinneren dat hun vaders, grootvaders en overgrootvaders hun leven hebben gegeven voor die waarden die in de eigentijdse samenleving op het spel komen te staan: de vrijheid en de democratie.

Om deze boodschap kracht bij te zetten, worden de prentkaarten bedrukt met uitspraken van bekende wereldleiders en geleerden. Een vreemd amalgaam van figuren passeert de revue: van Voltaire en Cervantes, over Einstein en Marx, tot Napoleon, Churchill en Hitler. Hun uitspraken moeten de toeschouwer tot ‘meditatie’ uitnodigen. Of ze de oorlog rechtvaardigen dan wel openlijk afkeuren, de achterliggende les van de uitspraken op de prentkaarten is echter helder: de oorlog is een vreselijk onzinnig beest.

MatthiasMeirlaen-KaartenNazisme-SetKaarten

Twintig jaar later

Vandaag noopt het doosje met prentenkaarten vooral tot nostalgie. Het doet terugdenken aan een vervlogen tijd waarin verzamelaars Artis prentenboeken vol kleefden, de geschiedenis met wandkaarten werd onderwezen en het kwartetspel razend populair was. Of het roept het beeld op van fotozoektochten, waarbij mensen met de prentkaarten in de hand op zoek gaan naar de vergeten monumenten in hun eigen stad. Tot dit laatste wilde het Naamse inventarisatieproject zeer nadrukkelijk aansporen. ‘Pour une agréable découverte de ce petit patrimoine (…), nous vous conseillons, directement sur le terrain’, zo sloot het voorwoord af.

MatthiasMeirlaen-KaartenNazisme-Kaart2Niettemin lijkt onze hedendaagse omgang met het oorlogsverleden minder veraf te staan van dat uit de vroege jaren ’90 dan de nostalgie doet vermoeden. Honderd jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt het oorlogsverleden meer dan ooit ingeschakeld voor morele en politieke doeleinden. Net als de ontwerpers van de Naamse prentkaartenverzameling zijn politici er vandaag van overtuigd dat de herdenking aan beide wereldoorlogen dient bij te dragen tot het bevorderen van de westerse burgerzin. Het ontbreekt in hun discours ook zelden aan historisch sentiment. Referenties aan de gruwel en het menselijke leed moeten de kostbaarheid van de democratische waarden vandaag op een gelijkaardige manier onderlijnen als de befaamde citaten op de prentkaarten.

MatthiasMeirlaen-KaartenTegenNazisme-1418MusicalMaar de parallel gaat uiteindelijk nog meer op wanneer ook gekeken wordt naar het format. De prentkaarten hebben naast een educatief karakter ook een speels gehalte. Ze moeten de geïnteresseerden op een leuke manier het verleden doen (her)ontdekken. Dit idee om geschiedenis, burgerzin en vertier te koppelen, vinden we ook in de huidige herdenkingsprogramma’s terug. Een musical, een audiovisueel spektakel of een sluiptocht door (her)aangelegde loopgraven: de kiem voor de ‘verleuking’ van ons oorlogsverleden lijkt in de jaren ’90 gelegd.

(Matthias Meirlaen)

Matthias Meirlaen is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In 2014 verscheen zijn boek Revoluties in de klas. Secundair geschiedenisonderwijs in de Zuidelijke Nederlanden, 1750-1850. Momenteel verricht hij als postdoctoraal onderzoeker aan de Université Lille 3 onderzoek naar de herinneringscultuur van de Eerste Wereldoorlog. Hij werkt onder meer aan een digitaliseringsproject van Franse en Belgische oorlogsmonumenten. Wie graag gegevens aanlevert van herdenkingsmonumenten uit zijn/haar streek, kan contact opnemen via matthias.meirlaen@univ-lille3.fr.

Born in the USA: de Italiaanse renaissance

Gastblog door Christophe Schellekens

Wie door het stadscentrum van Firenze wandelt, begrijpt dat de Renaissance, de periode die ongeveer de veertiende tot de zeventiende eeuw beslaat, meer is dan een historisch tijdvak uit een ver verleden. Bekende beeldhouwwerken en schilderijen van Michelangelo, Botticelli en andere klinkende namen blijven tot de verbeelding spreken en trekken hordes toeristen aan. In die hordes zijn opvallend veel Amerikanen herkenbaar en vooral hoorbaar: in ware Astrid Bryan-stijl vinden ze al dat Renaissancistisch erfgoed ‘amazing and great’.

Een horde Amerikanen in het Uffizi.
Een horde Amerikanen in het Uffizi.

Het zijn echter niet alleen de toeristen die in groten getale Firenze aandoen. De stad huisvest ook vele Amerikaanse studenten die een semester of een academiejaar doorbrengen in een vaak prachtig gehuisvest Florentijns bijhuis van hun Amerikaanse universiteit. Hun nachten slijten ze vaak al even hoorbaar in de vele bars en clubs die op dit cliënteel en hun gevulde portefeuilles gericht zijn. Talloze Amerikaanse historici brengen hun zomerdagen door in het Florentijns Staatsarchief. Revolutionaire interpretaties van de Italiaanse Renaissance, die voor Europeanen overdreven provocatief lijken, worden vaak door precies deze onderzoekers in het Engels gepubliceerd. Waar vandaan komt deze opvallende populaire én academische interesse voor de geschiedenis van een stad op een ander continent, een half millennium geleden?

Europese meesters

Hans Baron
Hans Baron

Voor de jaren 1920 besteedden Amerikaanse historici amper aandacht aan de Italiaanse Renaissance. Daar kwam vanaf de jaren 1930 verandering in door de instroom van Europese, voornamelijk Duitse onderzoekers, in de Verenigde Staten. Eén van hen was de Berlijnse joodse historicus Hans Baron (1900-1988). Baron was opgegroeid in het keizerrijk Duitsland, dat tijdens zijn jeugd steeds autoritairder en militaristischer werd. De Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en chaos van de Weimarrepubliek waren voor Baron geen aanleiding om, zoals veel van zijn tijdgenoten, heil te zoek in autoritair gedachtegoed. Hij greep integendeel terug naar negentiende-eeuwse Duitse idealen over actief burgerschap.

Toen de Nazipartij in 1933 aan de macht kwam, begreep Baron dat zijn persoonlijke veiligheid en zijn intellectuele vrijheid in Hitlers Duitsland werden bedreigd. Hij verhuisde eerst naar Engeland en maakte in 1938 de oversteek naar de Verenigde Staten. Daar publiceerde hij in 1955 zijn belangrijkste werk, The Crisis of the Early Italian Renaissance. In dat boek stelde hij dat een politiek-militaire crisis rond 1400 voor Florentijnse denkers een drijfveer waren om nieuwe ideeën over burgerschap en de rol van de (stads)staat te formuleren. Volgens Baron stond de wieg van negentiende-eeuwse opvattingen over actief burgerschap, opvattingen die hem zo dierbaar waren geworden, in het Firenze van een half millennium voordien.

Amerikaanse leerlingen

Barons boek werd al snel als erg belangrijk beschouwd. In de context van de Koude Oorlog sprak zijn werk en zijn nadruk op de uitzonderlijke rol van Renaissancistisch Firenze immers tot de verbeelding in zijn nieuwe thuisland. Dat leende zich immers uitstekend als denkbeeldige bakermat en broedplaats van eigenschappen die de Verenigde Staten in die periode kenmerkten: een sterke retoriek over vrijheid en actief burgerschap, een agressief internationaal grootkapitalisme en een prestigeslag van culturele investeringen onder rijken.

Tegelijk kenden de Amerikaanse universiteiten in die tijd een erg sterke groei. Een nieuwe generatie historici werd er opgeleid en maakte kennis met het werk van Baron en de andere Europese immigranten die over de Renaissance publiceerden. Geïnspireerd en uitgedaagd door die publicaties trokken deze jonge Amerikaanse historici naar Italië, en in het bijzonder naar de rijke en goed bewaarde Florentijnse archieven.

Zo werden vanaf de jaren 1960 stapels Engelstalige boeken gepubliceerd over uiteenlopende aspecten van de Renaissance. Vele van de Amerikaanse bijhuizen van universiteiten werden in deze periode opgezet. Elk ambitieus Amerikaans geschiedenisdepartement stelde minstens één ‘Italianist’ aan. De oudere generatie Europese gemigreerde onderzoekers verging het doorgaans minder goed. Vaak kregen ze geen vaste positie als professor te pakken en moesten ze zich tevreden stellen met posities in de marge. Baron eindigde na een reeks tijdelijke aanstellingen als bibliothecaris. Zijn moeizame aanpassing aan de Amerikaanse samenleving en zijn doofheid waren belangrijke belemmeringen voor een meer succesvolle carrière.

Voorbij de Amerikaanse dominantie

De laatste jaren is er meer samensmelting van Amerikaanse en Europese invloeden.
De laatste jaren is er meer interactie tussen Amerikaanse en Europese invloeden.

De jonge generatie Amerikaanse historici uit de jaren 1960 is inmiddels op pensioen. Enkelen onder hen verhuisden naar Italië om zich daar, vrij van andere verplichtingen, uitsluitend aan onderzoek te wijden. Ze zijn vertrouwde gezichten in de Florentijnse archieven en bibliotheken. De dominante positie van Amerikanen in het schrijven van de geschiedenis van de Renaissance raakt echter over zijn hoogtepunt. Het einde van de Koude Oorlog, de globalisering en de emancipatie van bevolkingsgroepen van niet-Europese origine in de Verenigde Staten zorgen ervoor dat de Renaissance tegenwoordig een minder centrale plaats heeft in het Amerikaans geschiedenisonderwijs en in het onderzoek. Bovendien is er nu meer interactie tussen Amerikaanse, Italiaanse en andere buitenlandse historici. De blijvende stroom dollars naar bibliotheekcollecties, digitalisatieprogramma’s en beurzen voor onderzoek in Firenze, die ook voor niet-Amerikanen toegankelijk zijn, blijven echter een ander ‘amazing and great’ aspect van de Amerikaanse voorliefde voor de Italiaanse Renaissance.

(Christophe Schellekens)

Christophe Schellekens is gastblogger. Aan het Europees Instituut in Firenze bereidt hij een proefschrift voor over Italiaanse handelsgemeenschappen in het vroegmoderne Antwerpen.