Categorie archief: Historische cultuur & herinnering

De gedeporteerde arbeider: held of slachtoffer?

Gastblog door Sulotta De Clercq.

Tussen 7 en 10 oktober 1916 viel de Duitse bezetter tijdens nachtelijke razzia’s binnen in verschillende huizen in Merelbeke. Dat gebeurde ook in de Pontweg nummer 5. De 26-jarige Victor François werd op 12 oktober 1916 samen met 83 andere Merelbekenaars naar Gent gebracht. Na enkele dagen op water en brood werd hij naar Lemé in Frankrijk gestuurd. Hij werd er door een soldaat mishandeld, raakte verwond aan zijn been en moest een maand lang in het ziekenhuis verblijven. Op 3 oktober 1918 vluchtte de jonge hovenier naar huis. Hij had tijdens zijn verplichte tewerkstelling een spierreumatisme opgelopen waardoor hij voor de rest van zijn leven gedeeltelijk werkonbekwaam was. Maakte dat Victor dan tot een slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog? Of was hij toch ook een held?

De verplichte tewerkstelling

De opgeëisten in Merelbeke.
De opgeëisten in Merelbeke.

Het verhaal van Victor François is geen alleenstaand geval. Niet alleen in Merelbeke, maar in heel België werden jongemannen opgeëist. De oorlog woog namelijk zwaar op de economie en Duitsland kampte met een tekort aan arbeidskrachten. Op 3 oktober 1916 vaardigde het land een officieel opeisingsbevel uit dat als doel had Belgische burgers verplicht te werk te stellen in Duitsland of achter het front in Noord-Frankrijk.

Aan het front verbleven de opgeëisten in verlaten fabrieken of kapotgeschoten schoolgebouwen. Ze moesten er helpen met het graven van loopgraven, maar ook wegen aanleggen en herstellen. Indien ze weigerden, werden ze zwaar gestraft: uren in de kou staan, uithongering, mishandeling, soms zelfs executie. Gelukkig konden ze dankzij verschillende wetsbesluiten, die de organisatie van schadevergoedingen van burgerslachtoffers reglementeerden, na de oorlog een schadevergoeding aanvragen bij de Belgische regering.

De schadevergoedingsaanvraag van Victor François
De schadevergoedings-aanvraag van Victor François

Victor François diende op 4 augustus 1919 een schadevergoedingsaanvraag in, net zoals veel andere gedeporteerde arbeiders van Merelbeke. Verschillenden onder hen waren echter ongeletterd. Zij lieten hun aanvragen meestal optekenen door de bevoegde ambtenaar van de gemeente. De aanvragen zijn vrij stereotiep: ze vermelden de duur van de opeising, het dagloon en een opsomming van het aantal pakketten dat de arbeiders van het thuisfront kregen. De opgeëisten die wel konden schrijven, schetsten soms een beeld van de werkomstandigheden. Ze legden bovendien  de nadruk op het leed van henzelf en hun familie. Ze namen een duidelijke slachtofferrol op.

Compensaties

Hoewel de meeste opgeëisten zichzelf als slachtoffer van de bezetting zagen, was die erkenning op nationaal vlak geen evidentie. De Belgische regering had wel begrip voor de gedeporteerde arbeiders zoals Victor, maar tot voor de Eerste Wereldoorlog had het land geen wetgeving die een schadevergoeding voorzag voor haar burgers. Bovendien had België in de naoorlogse periode voornamelijk nood aan vaderlandse helden, zoals soldaten die gestreden hadden voor het vaderland, en minder aan slachtoffers.

Het erekruis voor gedeporteerden.
Het erekruis voor gedeporteerden.

Aanvankelijk kregen de gedeporteerde arbeiders een forfaitaire vergoeding van 150 frank. Na verschillende discussies in het parlement besloot de regering dit bedrag op te trekken. De opgeëisten kregen vanaf 1921 – net als de militairen en de verzetsstrijders – 50 frank per maand dat zij weggevoerd waren geweest. Na een grondig gerechtelijk en geneeskundig onderzoek verklaarde de Rechtbank voor Oorlogsschade Victors aanvraag ontvankelijk. Hij kreeg de forfaitaire vergoeding van 150 frank en later werden zijn geneeskundige kosten terugbetaald, ontving hij een jaarlijkse uitkering van 360 frank voor zijn gedeeltelijke werkonbekwaamheid én kreeg hij eenmalig het bedrag van 850 frank omdat hij 17 maanden weggevoerd was geweest.

Heldenroem

Het oorlogsmonument te Merelbeke.
Het oorlogsmonument te Merelbeke.

Naast financiële compensaties konden arbeiders ook een insigne in de vorm van een bronzen kruis krijgen of (tegen betaling) een diploma ontvangen. Tot slot kregen de gedeporteerde arbeiders vaak een plaats op verschillende lokale herdenkingsmonumenten. In Merelbeke bevat het oorlogsmonument een bas-reliëf waarop een dode man met een schop staat afgebeeld, ondersteund door een jonge man. De schop verwijst naar het lot van de opgeëiste burgers die aan het front te werk werden gesteld om loopgraven te graven. De namen van twaalf overleden arbeiders staan onder het opschrift ‘martelaren’ en niet onder het opschrift ‘helden’.

De nationale erkenning als vaderlandse helden is minder evident dan de wetgeving laat uitschijnen. België heeft geen nationaal monument voor de opgeëisten. Het zijn voornamelijk lokale initiatieven die ervoor zorgden dat de gedeporteerde arbeiders, als oorlogsslachtoffer en niet als held, een plaats kregen op monumenten. Dit spanningsveld is typisch voor post-conflictsituaties, maar voor de gedeporteerde arbeiders was het het belangrijkste dat de regering en hun naaste omgeving hun leed erkenden.

Meer lezen

S. Claisse, ‘Le déporté de la Grande Guerre : un ‘héros’ controversé. Le cas de quelques communes du Sud Luxembourg belge’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 7 (2000),  127-147.

T. Delplancq, ‘Une Chasse aux “Oisifs”. Les Déportations de Civils à Bruxelles en 1917’,  Archives et Bibliothèques de Belgique, 64 (2001), 513-539.

Sulotte De Clercq is gastblogger. Ze schreef aan de UGent een masterproef over  de erkenning van gedeporteerde arbeiders na de Eerste Wereldoorlog.

Het toilet van een archivaris

Victor Fris zat al meteen met zorgen, toen hij in april 1917 als stadsarchivaris van Gent aan de slag ging. Niet alleen moest hij het door de Eerste Wereldoorlog zonder personeel stellen, het archief was ook voortdurend in gevaar. De depots bevonden zich namelijk onder het (lekkende) dak van het stadhuis, wat een tijdige evacuatie bij brand onmogelijk zou maken. Op zijn archiefzolder ondervond de archivaris nog een urgent probleem: er was geen toilet!

De afhandeling van het sanitaire gebrek geeft een verrassend inzicht in de ervaring van de archivaris. In een klein dossier rond de toilettenkwestie – verscholen in een omvangrijke reeks over werken aan stedelijke gebouwen – geeft Fris zichzelf bloot. Samen met enkele brieven uit zijn personeelsdossier toont het hoe hij zijn werk in het archief beleefde.

Voorbeeldige archivaris

Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.
Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.

Fris wilde zichzelf een heroïsche archivarissenrol aanmeten. Zo schreef hij in 1918 aan het stadsbestuur dat hij maar al te graag aan zijn vakantie had verzaakt, maar overspanning dwong hem toch vrijaf te nemen. Deze ijver had ongetwijfeld de goedkeuring kunnen wegdragen van François Hye-Schoutheer, die honderd jaar eerder als eerste Gentse stadsarchivaris werd aangesteld. Al in 1814 had deze ambtenaar laten blijken dat hij maar al te goed wist hoe een archivaris zijn functie diende te vervullen.

Volgens Hye moest een archivaris integer, scherpzinnig en actief zijn en een vlekkeloze reputatie genieten. Bij het aanzicht van alle chaos in het archief mocht hij niet aan zijn plicht verzaken, zelfs als jaren van nooit aflatende en moeizame arbeid nodig zouden zijn, vooraleer de rijkdom van het archief in het licht zou zijn gesteld.

Een halve eeuw later stelde archiefliefhebber Jules Huyttens dat heroïsche beeld ietwat bij in zijn Mémoires d’un archiviste. Voor Huyttens vervulden archivarissen nog altijd belangrijk werk – ‘les erreurs leur sont inconnues,’ klinkt het – maar toch waren het vooral gelukzalige wezens. Ze baadden in rust en kalmte, hoewel ze het voortdurend vreselijk druk hadden. De archivaris stond immers altijd klaar om te helpen.

Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.
Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.

Veel archiefbezoekers merkten van die hulpvaardigheid soms wel maar weinig. Deze geïdealiseerde typeringen tonen dus niet noodzakelijk de alledaagse archiefpraktijk. Daarvoor is het nodig achter de schermen te duiken. De toiletklacht van de archivaris geeft daar de kans toe.

‘Pas de latrines!’

Fris was nog geen maand in dienst toen hij de stadsarchitect vroeg om een ‘water-closet hygiénique’ te installeren in het stadsarchief. In een van de archiefdepots was daar voldoende plaats voor; er was namelijk al een urinoir en een wastafel, verscholen in een hoek. Toch verkoos de architect een toilet te installeren in een ongebruikte liftschacht. De stadssecretaris herinnerde zich echter dat daar al eens een gelijkaardige installatie was ondergebracht, die een ondraaglijke stank had voortgebracht. Het project ging bijgevolg niet door.

Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.
Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.

De archivaris liet de kwestie niet rusten. Hij vond het niet kunnen dat hij, elke keer de nood zich liet voelen, het stadhuis uit moest om elders aan de ‘wetten der natuur’ te beantwoorden. De toiletten in het stadhuis waren immers verre van toereikend. Na meermaals aandringen werd uiteindelijk in september 1918 een andere oplossing gezocht. Een openbare aanbesteding werd uitgeschreven ‘voor het leveren en plaatsen van 2 gemakken, 2 pisbakken en een waschkom, in een te bouwen kabinet op het 1e verdiep ten stadhuize’. Als het einde van de oorlog de uitvoering van dit werk niet bemoeilijkt heeft, kon de archivaris op 1 december 1918 eindelijk naar een behoorlijk toilet.

Lief en leed

Hoe archiefbezoek in de negentiende eeuw eraan toeging, raakt langzaam ontsluierd. De belevenissen van Belgisch algemeen rijksarchivaris Louis-Prosper Gachard in het Spaanse Archivo General de Simancas zijn bijvoorbeeld niet onbekend. Een probleem stelt zich daarbij wel. Het perspectief van de (doortastende) archiefbezoeker reduceert archivarissen vaak tot levenloze poortwachters, die vooral hun archieven nauwlettend bewaakten. Dat beeld lijkt al te eenzijdig. Hoe voelde het archiefwerk aan voor de archivarissen zelf?

Victor Fris (1877-1925)
Victor Fris (1877-1925)

Wat Fris betreft, blijkt uit zijn loopbaan een grote beroepstrots, die hij met zijn verre voorganger deelde. Zo vond hij het niet kunnen dat het personeelsgebrek hem dwong zich te verlagen ‘tot het peil van den minste der bedienden’, zodat hij geen ‘wetenschappelijk’ werk kon verrichten. Na de oorlog zat het hem dwars dat hij ondanks zijn universitair diploma niet erg hoog stond op de ambtelijke ladder. Fris vond dat zijn bijzondere archivalische vaardigheden zich mochten vertalen in een goede positie, met een evenredig salaris.

Het sanitair gemis maakte het waarschijnlijk allemaal nog wat lastiger. Als archiefwerker diende Fris dan wel onverschrokken te zijn, het gebrek aan een toilet ging hem te ver. Uiteindelijk kon hij in 1925 – vlak voor zijn overlijden – het stadsbestuur overtuigen op zoek te gaan naar een andere archiefhuisvesting, als oplossing voor diverse problemen.

Tijdens zijn korte loopbaan probeerde Fris voortdurend het stadsarchief te verbeteren. Dit toiletverhaal was daar een eerste uiting van. Het toont ook dat niet enkel archiefbezoekers allerhande hindernissen moesten overwinnen. Alvast aan het begin van de twintigste eeuw hoefden archivarissen geen verstarde stoïcijnen te zijn. In Fris’ banale ongemak wordt dat maar al te duidelijk.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, eind negentiende eeuw.
Bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, eind negentiende eeuw.

Vandaag ligt in vele musea bij de uitgang een album waarin het publiek persoonlijke bedenkingen kan neerschrijven. Musea peilen op die manier naar de beleving van hun bezoekers. In de negentiende-eeuwse musea waren ook al bezoekersalbums in gebruik, maar die hadden toen nog een ander doel. Bezoekers werden verzocht om er hun naam, beroep en woonplaats in te noteren. De albums waren nog geen instrument om de appreciatie van het publiek te achterhalen, maar dienden in de eerste plaats om de internationale uitstraling van de museumcollecties aan te tonen.

Van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, vandaag bekend als het Memlingmuseum, is een uitzonderlijke reeks bezoekersalbums bewaard gebleven. Die albums bestrijken de periode van 1843 tot 1920 en illustreren treffend hoe het museumbezoek, dat aanvankelijk vrijwel uitsluitend een culturele activiteit van de intellectuele en sociale elite was, in de loop van de negentiende eeuw geleidelijk ingang vond bij een groter en gedifferentieerder publiek. Terwijl het museum van het Sint-Janshospitaal tot circa 1860 overwegend werd bezocht door onder meer schrijvers, notarissen, advocaten, artsen en bankiers, vonden nadien geleidelijk ook sociaal lagere bevolkingsgroepen de weg naar het museum. Steeds vaker registreerden bijvoorbeeld bakkers, landbouwers, kachelmakers en kruideniers zich in de albums. De pleidooien voor de democratisering van het museumbezoek, die in de tweede helft van de negentiende eeuw almaar luider weerklonken, leken dus een zeker succes te ressorteren.

Sommige bezoekers meenden de albums ook voor hun eigen doeleinden te kunnen aanwenden. Op bovenstaande foto is bijvoorbeeld te zien hoe de fabrikant Carl Knorr uit Heilbronn het bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in augustus 1890 gebruikte om zijn ‘Suppen’ aan te prijzen.

Tekst: Liesbet Nys. Foto: Brugge, OCMW-archief, Registre des personnes qui ont visité le Cabinet de tableaux de l’hôpital St. Jean à Bruges, renfermant les chefs d’œuvre de Jean Memling.

Toeschouwers zijn indringers

Met ongeveer vijfduizend waren ze, de re-enactors die op 19 en 20 juni 2015 in (de buurt van) Waterloo de gelijknamige veldslag hebben nagespeeld. Ze kwamen naar verluidt uit meer dan vijftig landen en waren allerminst met elkaar in oorlog. Integendeel, het was een feest van verbroedering, een jamboree waar de re-enactors aller landen verzamelen hadden geblazen. Besloten was hun bijeenkomst niet, want zij was tegelijk ook een voorstelling, waarmee de re-enactors aan de buitenwereld wilden laten zien wat ze kunnen. En daar zijn blijkbaar velen nieuwsgierig naar. De kaartjes, nochtans bepaald prijzig, waren lang op voorhand uitverkocht en zowat honderdduizend toeschouwers, onder wie ook duizenden uit het buitenland, vulden de tribunes.

De voorstelling van het verleden

In vele opzichten was het spektakel indrukwekkend, met zijn enorme speelterrein, galopperende paarden, kanongebulder en rook. Maar toch ontbrak het gevoel naar iets échts te kijken of een idee te krijgen van wat het moet zijn geweest om toén op het slagveld te zijn. Op één of andere manier werkt het niet. Natuurlijk omdat je als toeschouwer weet dat je naar een voorstelling zit te kijken, en dat allerlei dingen niet kloppen. Vijfduizend soldaten is veel, maar veel minder dan het er in 1815 zijn geweest, de locatie is niet precies die van de slag, die duurde in werkelijkheid langer en het weer was veel slechter. Je ziet het ook: de boerderijen op het terrein zijn houten decorstukken, en als de rook optrekt blijven geen lijken op het slagveld achter.

Wat echter vooral de historische illusie verstoort, is de aanwezigheid van het publiek zelf en alles wat gedaan wordt om het spektakel voor dat publiek begrijpelijk te maken: de altijd zichtbare tribunes, de klankband met commentaar (in drie talen) en muziek (onder andere Orffs Carmina Burana). Het zou oneerlijk zijn dit de organisatoren of de re-enactors zelf aan te wrijven. Publieksgerichtheid hoort nu eenmaal bij de show. Maar het maakt wel duidelijk dat ‘voorstelling’ en ‘re-enactment’ niet goed samengaan.

De ervaring van het verleden

Napoleon overziet zijn slagveld.
Napoleon overziet zijn slagveld.

De essentie van re-enactment ligt immers in de ervaring van het verleden. Zeker, er wordt ook een didactische waarde aan toegekend, en die kan worden ingeroepen om deze hobby te legitimeren. Zonder twijfel kunnen toeschouwers er inderdaad iets van opsteken. Maar voor de re-enactor is dat bijzaak. Het is niet waar het hem om te doen is. (Of haar, maar de meeste re-enactors zijn mannen.) Re-enactors zijn geen acteurs, en omgekeerd worden acteurs die in een historische films of theaterstukken spelen, geen re-enactors genoemd.

Wat re-enactment maakt tot wat het is, is niet het tonen of kijken, maar het doen zelf. De website van de National Association of Re-enactment Societies (NARES) heeft het over ‘an absorbing experience’, over opwinding en adrenaline. Dat zijn geen hoedanigheden van re-enactment, maar de finaliteit ervan. En het doel wordt bereikt als de speler zich daadwerkelijk in het verleden waant en helemaal met zijn personages samenvalt. Dat is waar hij het voor doet, de ervaring die re-enactors van de Amerikaanse Burgeroorlog een ‘wargasm’ hebben genoemd. De beoogde suspension of disbelief is niet die van de toeschouwer, maar die van de speler zelf.

Zij veronderstelt medeplichtigheid. Re-enactment is immers een activiteit die niet individueel, maar in groep wordt beoefend. De rol die een speler opneemt, maakt deel uit van een groter geheel en kan niet zonder een setting waarin ook anderen optreden. Dat zijn medespelers en dus ingewijden. Re-enactors worden als een ‘community’ omschreven. Ze vormen een gemeenschap, een sociaal universum, waar eigen geplogenheden en regels gelden. De Standaard (17 juni 2015) citeert Gerd Hoad, een 54-jarige Brit, in het legerkamp waar de soldaten de reconstructie van de strijd afwachten: ‘Een echte re-enactor draagt zijn volledige uniform als hij het bivak verlaat. Zie je die kerels daar in hun hemdsmouwen? Dat hoort echt niet.’ Echte re-enactors zijn ingewijden, die de regels kennen en onderhouden. Ze onderscheiden zich van wat de NARES-website omschrijft als ‘those outside re-enactment’. Toeschouwers zijn per definitie buitenstaanders, maar ook indringers en stoorzenders.

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn onderzoek richt zich onder andere op geschiedschrijving en brede historische cultuur in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw.

Oog in oog met het slagveld van Waterloo

Op 19 juni 1815, een dag na de Slag bij Waterloo, kwamen de eerste bezoekers aan op het slagveld. In zijn memoires beschreef de Britse officier Alexander Cavalié Mercer zijn verbazing toen hij tijdens zijn middagmaal een reiskoets zag aankomen. In smetteloze kledij en met geparfumeerde zakdoeken om de stank te verdrijven verkenden enkele ramptoeristen het slagveld, terwijl ze zich behoedzaam en met afgrijzen een weg probeerden te banen tussen de doden en gewonden.

Tweehonderd jaar na de definitieve nederlaag van Napoleon verraadt het herinneringslandschap weinig van wat er zich heeft afgespeeld. De vernielingen, grafheuvels en militaire voorwerpen van gesneuvelde militairen zijn al lang verdwenen. Negentiende-eeuwse reizigers hadden meer geluk. Zij konden zich beroepen op tastbare sporen van de veldslag om zich een beeld te vormen van de strijd. Toch bleek dat ook voor hen allesbehalve een gemakkelijke oefening.

Het tastbare verleden

Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.
Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.

Toeristen die in de eerste weken na de veldslag aankwamen, stonden oog in oog met de talloze lichamen die op en rondom het slagveld waren verspreid. Maar ook maanden en jaren later getuigde het slagveld nog van de strijd. Voor de beleving van de plaats waren tastbare sporen van het verleden onontbeerlijk. Bezoekers gingen er actief naar op zoek en beschreven de af- of aanwezigheid van materiële overblijfselen van de slag in brieven, dagboeken en reisverslagen. De kanonsporen in de aarde of de achtergelaten voorwerpen op het slagveld wakkerden de verbeelding aan en hielpen de bezoeker om zich te verplaatsen naar de bewuste slag van 18 juni 1815.

Toch gaf het verleden zich ook aan de vroegste bezoekers moeilijk bloot. De Britse schrijfster Charlotte Eaton, nog geen maand na de slag ter plaatse, beleefde het slagveld op een heel fysieke manier: ze liet de as van de overledenen door haar vingers glijden. Maar ook voor haar was het onmogelijk om de horror van Waterloo te beschrijven of het zich maar enigszins voor te stellen. De romantische poëet Robert Southey, die in 1816 op bezoek kwam, wist dan weer niet wat hij moest denken bij het zien van bloeiende maïsvelden, klaprozen en viooltjes op de plaats waar de natuur kort geleden helemaal was vernield door het strijdgewoel. Hij drukte zijn hoop uit dat de ruïnes onaangetast de tijd zouden doorstaan, zodat toekomstige pelgrims de plaats konden beleven in dezelfde toestand als bij de overwinning van 1815.

Voor velen was het moeilijk om de scheidingslijn tussen fictie en werkelijkheid te overbruggen. Op de ‘authentieke’ plaatsen waar de gevechten hadden plaatsgevonden lieten bezoekers hun verbeelding de vrije loop, maar dergelijke pogingen strandden continu op de breuk tussen heden en verleden. Hoewel het verleden dichtbij, tastbaar en zintuigelijk waarneembaar was, slaagde men er niet in om het ‘nu’ volledig achter zich te laten.

Misnoegde bezoekers

De hoeve van Hougoumont.
De hoeve van Hougoumont.

Omstreeks 1830 werd het moeilijker om zich voor de geest te halen wat er in 1815 had plaatsgevonden. In de tussenliggende periode waren de sporen en de meeste natuurlijke landschapskenmerken verdwenen. Alleen in de hoeve van Hougoumont vonden veel bezoekers tot ver in de negentiende eeuw waar ze naar op zoek waren. De verwilderde tuin, de bouwvallige staat en de muren met afdrukken van kogels bleven voor de bezoekers representatief voor de hevige gevechten die er hadden plaatsgevonden.

Al met al mondde de zoektocht naar sporen uit in teleurstelling. Reizigers waren zich in toenemende mate bewust van de toeristische industrie die er zich sinds 1815 had ontwikkeld. Bijgevolg namen ze een sceptische houding aan tegenover de aangeboden ‘Waterloo-ervaring’. Gidsen werd verweten steeds dezelfde verhaaltjes op te dreunen, een gekleurde versie van de feiten te geven en leugenachtige anekdotes te vertellen. Ook ontstond er een groot wantrouwen ten opzichte van plaatselijke reliekenverkopers die sinds 1815 allerhande militaire voorwerpen onder het mom van ‘authentiek’ aan de man brachten. Allerlei geruchten over de industriële productie van ‘Waterloo-objecten’ ondergroeven de geloofwaardigheid van handelaars die beweerden dat er ieder jaar nog talloze voorwerpen opdoken tijdens de grondbewerking.

Fictie en werkelijkheid

De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.
De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.

Zelfs het slagveld was niet meer te vertrouwen als historische bron. Onder het bewind van Willem I werd de kolossale leeuwenheuvel in 1826 opgericht op de plaats waar de Prins van Oranje – ‘de held van Waterloo’ –  gewond was geraakt. De constructiewerken zorgden echter voor de teloorgang van het oorspronkelijke herinneringslandschap. De veertig meter hoge kegel bestaat uit de aarde van de glooiing waarachter het Brits-Nederlandse leger zich tijdens de slag had verschanst. Van de glooiing zelf is niets meer te zien.

Fictie en werkelijkheid vloeiden meer dan ooit in elkaar over. De leeuwenheuvel bood weliswaar een uitzicht over het slagveld, maar datzelfde panorama was onwaarachtig, een visuele leugen. Negentiende-eeuwse reizigers tilden hier bijzonder zwaar aan. Een anonieme schrijver in het Nederlandse tijdschrift De Huisvriend meende dat er niets meer te beleven viel in Waterloo: ‘Wat men u tegenwoordig te Waterloo vertoont, heeft hoegenaamd niets van een slagveld. Het is opgegraven, omgewoeld, beplant en veranderd.’

Meer lezen

Jolien Gijbels, ‘Tangible Memories: Waterloo Relics in the Nineteenth Century’, The Rijksmuseum Bulletin, 63 (2015), 228-257.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze deed onder meer onderzoek naar de geschiedenis van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg en de ervaringen van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

Hoe een Belgische spion een held werd in Frankrijk

Er ging een schok door Rijsel toen de Duitse gouverneur in november 1915 het bericht van de dood van een jonge Belgische student aan de stadsmuren liet plakken. Léon Trulin was amper 18 jaar oud. Op 8 november 1915, gisteren precies honderd jaar geleden, werd hij op beschuldiging van spionage door het vuurpeloton geëxecuteerd. Voor de Duitse bezetter was de terechtstelling een waarschuwing naar de bevolking: wie zich tegen het nieuwe bewind keert, hoeft niet op genade te rekenen. Bij het Verzet kwam het bericht van Trulins dood anders aan. Het liet de ware, barbaarse aard van de vijand zien.

Système Noël Lurtin

Foto van de achttienjarige Léon Trulin.
Foto van de achttienjarige Léon Trulin.

Trulin was één van de vele Belgische kinderen die aan het einde van de negentiende eeuw in Noord-Frankrijk opgroeide. Toen hij drie jaar oud was, was zijn familie van het arme Henegouwen naar Rijsel verhuisd, op zoek naar een beter bestaan. Als kind werd hij al gauw met de tegenslagen van het leven geconfronteerd. Hij verloor zijn vader en zijn oudere broer op jonge leeftijd, waardoor hij vanaf zijn veertiende aan de arbeid moest: eerst in de textielfabriek en daarna in de ijzergieterij. Een arbeidsongeval dat hem half-kreupel maakte, zou hem blijven achtervolgen.

Toen de oorlog in oktober 1914 Noord-Frankrijk bereikte, verheugde Trulin zich er zoals vele leeftijdsgenoten op om het vaderland te dienen. En voor Trulin was dit vaderland nog steeds België. Hij bood zich aan bij het Belgische leger, maar werd geweigerd. Te jong en vooral fysiek ongeschikt, zo luidde het oordeel. Het nieuws kwam hard aan. Toch was Trulin beslist zich niet bij de situatie neer te leggen. In het voorjaar van 1915 vluchtte hij via Nederland naar Engeland, in de hoop zo alsnog het Belgische leger te vervoegen. Toen een nieuwe weigering volgde, begaf hij zich naar Folkestone, waar hij de Britse legerleiding van zijn back-up plan wist te overtuigen: het spionagenetwerk Système Noël Lurtin of Léon 143.

Affiche met de officiële bekendmaking van de dood van Trulin.
Affiche met de officiële bekendmaking van de dood van Trulin.

Nog voor hij naar Engeland was afgereisd, had Trulin de vijandelijke loopgraven in de buurt van Rijsel bezocht. Hij had foto’s en aantekeningen over de positionering van de Duitse troepen meegenomen en beloofde het Britse leger nadere inlichtingen voor de hele regio in te winnen. Tijdens de zomer van 1915 richtte hij zijn netwerk op. Vanuit een tiental observatieposten die het spoorwegennet Wervik-Komen-Menen, Rijsel-Arras-Lens en Douai-Valenciennes in de gaten hielden, verzamelde hij met vijf leeftijdsgenoten informatie over de Duitse garnizoenen, hun staat van paraatheid en hun bevoorrading. Trulin nam zelf de gevaarlijke tocht op zich om de berichten over de Nederlandse grens naar Engeland te smokkelen. Hij slaagde hier wellicht twee keer in, tot het op 3 oktober 1915 mis liep.

Een tragisch einde

Dat Trulin na zijn dood tot een volksheld uitgroeide, had veel met de tragiek van zijn arrestatie en terechtstelling te maken. Met zijn metgezel, Raymond Derain, had hij vier lange nachten gemarcheerd (overdag hield hij zich schuil), toen hij op 3 oktober 1915 de Belgisch-Nederlandse grens nabij Putte bereikte. Daar wachtte de elektrische prikkeldraad als laatste hindernis. Volgens de overlevering waren beide vrienden al half onder de bedrading door, wanneer de Duitse grenspolitie hen plots halt toe riep. “Wer da”! Trulin en Derain werden op beschuldiging van spionage gearresteerd. Ze werden eerst naar Antwerpen en nadien naar Rijsel overgebracht, waar ze één maand later, op 7 november 1915, samen met de overige bendeleden hun vonnis te aanhoren kregen.

Executieplaats met gedenkplaat voor Trulin.
Executieplaats met gedenkplaat voor Trulin.

Voor Trulin was het verdict bijzonder zwaar. Hij kreeg als enige de doodstraf en had nog amper twaalf uur te leven. ’s Avonds nam hij afscheid van zijn zussen en mocht hij een laatste sigaret roken met zijn vrienden. Op 8 november volgde de terechtstelling in de bossen rond de citadel. De executie was niet publiek. Enkel een priester kreeg de toestemming om Trulin bij te staan. Na afloop verspreidden zich via de priester allerlei berichten over het contrast tussen de dappere houding van Trulin en de kleingeestige vernederingen van het Duitse vuurpeloton. Trulin zou de blinddoek hebben geweigerd, God om vergiffenis hebben gevraagd en gestorven zijn terwijl hij, zijn hemd openscheurend, ‘leve Frankrijk, leve België!’ riep. Toen de Duitse soldaten hem schrik probeerden aan te jagen door opzettelijk valse schoten af te vuren, gaf hij geen krimp.

In memoriam

Franse postzegel ter nagedachtenis aan Trulin.
Franse postzegel ter nagedachtenis aan Trulin.

Na de executie leidde de herinnering aan Trulin tot een gespannen relatie tussen enerzijds de familie en het Rijselse stadsbestuur, en anderzijds de Duitse Kommandantur.  De familie vroeg om een vrijgave van het lichaam en beriep zich hierbij op een schriftelijk verzoek dat Trulin tijdens zijn laatste levensuren aan de voorzitter van het oorlogstribunaal had opgesteld. Bij de Kommandantur zaten ze verveeld met dit verzoek. De soldaten van het vuurpeloton hadden Trulins lichaam immers in een put in de bossen rond de citadel begraven. Wanneer ook het stadsbestuur druk uitoefende, zwichtte de Kommandantur toch. Op zaterdag 13 november werd het lichaam in het vroegst van de ochtend door Duitse soldaten van de citadel naar het Cimetière de l’Est van de stad overgebracht.

Grafmonument Léon Trulin.
Grafmonument Léon Trulin.

Trulin werd op het kerkhof in de nabijheid van de eerder terechtgestelde spionnen begraven. Zolang de oorlog duurde, vormden hun graven een plek van ingetogen herdenkingen door zowel de familie als het Verzet. Uitingen van publieke appreciatie voor de terechtgestelden waren immers verboden. Dit veranderde na november 1918. De terechtgestelden kregen plots erkenning in de publieke ruimte. Met hun spionage-acties hadden zij hun leven gegeven voor de vrijheid van het vaderland. Onder hen bekleedde Trulin in Rijsel de belangrijkste plaats. Hij werd gehuldigd in het monument voor de gefusilleerden, kreeg een eigen standbeeld, straatnaam en twee gedenkplaten, en ontving postuum Britse, Franse en Belgische oorlogsonderscheidingen. Dat was niet alleen omdat hij de jongste geëxecuteerde spion van de Eerste Wereldoorlog was: in een stad met vele Belgische migranten symboliseerde zijn dood dat de Fransen én de Belgen dezelfde wreedheden van de Duitse agressor hadden moeten ondergaan.

Meer lezen

Robert Vandenbussche (red.), La résistance en France et en Belgique occupées (1914-1918), IRHiS-CEGES, n° 51, Rijsel, 2010.

In de herfst van 2016 opent in het Musée de la Résistance de Bondues (nabij Rijsel) een tentoonstelling over Léon Trulin.

Matthias Meirlaen is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en beleidsmedewerker onderzoek aan de faculteit Letteren van de KU Leuven. Hij deed onder meer onderzoek naar het geschiedenisonderwijs in de achttiende en negentiende eeuw en naar de herinneringscultuur van de Eerste Wereldoorlog.

Oorlog in tijden van vrede

Wie tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw op de schoolbanken zat, kon niet ontsnappen aan de alomtegenwoordigheid van de oorlog. Boeken en schriften, muren en speelplaatsen, spreekbeurten en schoolreizen stonden in het teken van het voorbije conflict.

Al in maart 1919, nauwelijks vier maanden na de wapenstilstand, had de Belgische katholieke minister van Kunsten en Wetenschappen Alphonse Harmignie aan alle openbare scholen een publicatie bezorgd waarin het verloop van de oorlog werd beschreven. Het werk, een uitgave van het ministerie van Oorlog, moest de leraren helpen ‘de enorme taak die ons leger verrichtte aan de jeugd uit te leggen.’  De publicatie legde de nadruk op het contrast tussen het goed geoliede, technisch en numeriek oppermachtige Duitse leger en het kleine, slecht uitgeruste en bijna amateuristische Belgische leger. Op pure wilskracht was het laatste er toch in geslaagd de Duitse oorlogsmachine af te remmen, tegen te werken, uit te dagen en uiteindelijk in de val te lokken, zo klonk het. Nog tijdens hetzelfde jaar stuurde Harmignies socialistische opvolger Jules Destrée een omzendbrief naar alle athenea. Daarin moedigde hij directie en lerarenkorps aan na te denken over de manier waarop de lessen die men had geleerd uit de oorlog konden worden aangewend voor het ‘œuvre de l’éducation patriottique’, de vaderlandslievende opvoeding.  Wie te jong was om eigen herinneringen aan de oorlog te hebben, zou leren herinneren op school.

Een schoolse herinneringsplicht

‘Patriottisch schoolschrift’ met koning Albert in militair uniform (Archief School van Toen, Gent)
‘Patriottisch schoolschrift’ met koning Albert in militair uniform (Archief School van Toen, Gent)

Zowel in de lagere school, waar sinds 1914 leerplicht gold, als in het middelbaar onderwijs, waar men de toekomstige elite van de natie opleidde, moest de herinnering aan de oorlog levend worden gehouden. Het geschiedenisonderwijs leek een evidente plaats om de thematiek aan bod te brengen en het patriottisme te voeden. In internationaal perspectief had het Belgische geschiedenisonderwijs nochtans geen uitgesproken nationalistisch profiel. Het onderwijs van een klein en bovendien neutraal land als België had zich minder dan in Frankrijk of Duitsland overgegeven aan een openlijk, tegen een externe vijand gericht nationalisme. Vaderlandse geschiedenis werd voornamelijk onderwezen in de lagere school. In het officieel en het vrij middelbaar onderwijs kreeg het nationale verleden maximaal een derde van de lessen geschiedenis toebedeeld.

De oorlog was nog maar pas voorbij, en toch meenden sommige leraren bij de jeugd reeds een hang naar plezier en amusement te bemerken die, wanneer het er op aan kwam, nefast zou blijken voor de vitaliteit van de natie.  De overheid beantwoordde deze bezorgdheid met het stimuleren van een cultus rond nationale oorlogshelden. Zo verplichtte zij in 1920 het ophangen in elk klaslokaal van de portretten van koning Albert in uniform met helm, en van koningin Elisabeth als verpleegster. Het jaar daarop kwamen daarbij nog twee extra portretten: dat van Léon Trésignies, de soldaat die in 1914 zijn leven had opgeofferd bij een militaire actie aan de Verbrande Brug te Grimbergen, en dat van Gabrielle Petit, de Brusselse verzetsheldin, die in 1916 was gefusilleerd op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek. De herinnering die hier werd vormgegeven, was gericht op het verbinden van verschillende generaties.  De doden dienden de levenden tot voorbeeld te zijn. Het was een herinnering die moest aanzetten tot daden, of toch minstens tot bereidheid vaderlandslievende, heldhaftige daden te stellen.

Op schoolreis naar het front

De straten van Nieuwpoort, voor de oorlog. Een beeld uit Ce qu’il faut voir sur les champs de bataille et dans les villes détruites de Belgique, een gids uit 1920 over de ruïnes en slagvelden uit de oorlog.
De straten van Nieuwpoort, voor de oorlog. Een beeld uit Ce qu’il faut voir sur
les champs de bataille et dans les villes détruites de Belgique, een gids uit
1920 over de ruïnes en slagvelden uit de oorlog.

Een heel andere invulling kreeg de herinnering in schoolreizen naar het front. Daar ging het niet om verbondenheid tussen de doden en de levenden, maar om afschuw over de materiële verwoestingen die de oorlog had aangericht. Hier kon het verleden onmogelijk model staan voor de toekomst. Leuven, Dinant, de kuststreek en de Westhoek: tijdens het hele interbellum lang trok men op schoolreis naar steden en streken die zwaar hadden geleden onder de Eerste Wereldoorlog. Maar stilaan was de herinnering aan de Grote Oorlog niet langer het enige doel. Niet alleen in de bezette gebieden, maar ook op het eigenlijke slagveld in de Westhoek hernam het leven zich. De wederopbouw dekte de wonden toe. Het conflict verwerd tot een bezienswaardigheid naast kathedralen, musea en natuurschoon. In juni 1925 omschreef de  reisverslaggever uit de Rijksnormaalschool te Gent Dinant als het ‘zo fijn gelegen en wreed geteisterde stadje.’ Vijf jaar later noteerde een leerling uit diezelfde school dat ze tijdens hun uitstap naar zee ook kennis maakten met ‘enige feitjes uit den oorlog.’

Niet alleen verloor de oorlog de alomtegenwoordigheid en de urgente religieuze zeggingskracht van het eerste moment. De zorgvuldig geconstrueerde en door de overheid ondersteunde nationaal-patriottische herinnering had wellicht ook nooit een volledig monopolie gekend. In colleges met een oudere flamingantische traditie en sympathie voor het activisme, liepen niet alle leraren warm voor een Belgisch-patriottisch discours over de oorlog. Vlaamse scholieren die aan de IJzertoren in Diksmuide halt hielden, herdachten niet noodzakelijk de helden die voor het Belgische vaderland waren gevallen. Een exclusief Vlaamse, anti-Belgische oorlogsherinnering kreeg er eveneens vorm.

De grenzen van de patriottische oorlogsherinnering

De straten van Nieuwpoort, na de oorlog.
De straten van Nieuwpoort, na de oorlog.

De voortschrijdende tijd en de communautaire barsten speelden in het nadeel van de patriottische oorlogsherinnering. Daarnaast kwam er ook kritiek op de militaristische logica die eigen was aan de schoolse herinneringscultuur en het onderwijs over de oorlog. Al meteen na de oorlog had de Belgische overheid de herinnering trachten te kanaliseren door het accent te leggen op vaderlandslievend onderwijs veeleer dan op haatdragende boodschappen. Dat kanaliseren was maar zeer ten dele gelukt. In internationale netwerken van intellectuelen – pacifisten, opvoedkundigen en in toenemende mate ook historici – groeide de kritiek. Geschiedenisonderwijs had bijgedragen tot nationalistische gevoelens, en die hadden de oorlog mede mogelijk gemaakt, zo luidde de redenering. Was het geen tijd om onderwijs over oorlog door vredesonderwijs te vervangen?

Onder meer de Volkenbond zou zich tijdens het interbellum opwerpen als een voorstander van vredesonderwijs. Deels in datzelfde kader kwam ook een  internationale beweging voor handboekrevisie op gang. Via een systeem van internationale aanbevelingen hoopte men handboeken te kunnen ‘zuiveren’ van al te vijandige portretteringen van andere naties.  In België leidde dit tot een voorzichtige bijstelling van het virulent anti-Duits karakter van leerboeken uit de onmiddellijke naoorlogse periode.  Patriottisme en de herdenking van de oorlogsslachtoffers mochten hun plaats behouden in het onderwijs, maar zij dienden te worden verrijkt door onderwijs over internationale samenwerking en onderlinge afhankelijkheid, zo luidden de aanbevelingen. In veel gevallen bleef het echter bij aanbevelingen. Vanaf 1950 – na nog een verwoestende oorlog – zou de UNESCO met meer succes aan diezelfde weg timmeren.

Kaat Wils is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de geschiedenis van gender en lichamelijkheid, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek. Ze werkte mee aan het recent verschenen boek Oorlog in tijden van vrede.

Geschiedenis voor de rechter

Paul Fredericq nam in zijn dagboek geen blad voor de mond. ‘Welke hatelijke gekke smeerlap is die Van Even!’ schreef hij op 23 oktober 1900. Edward Van Even, sinds 1853 aan het werk in het stadsarchief van Leuven, had immers een proces aangespannen tegen een oud-leerling van Fredericq, Herman Vander Linden. De oude archivaris beschuldigde de jonge academicus van plagiaat. Het conflict groeide uit tot een symbolische strijd tussen een oude autodidact en een nieuwe generatie van professoren en hun leerlingen. De inzet? De historische methode.

24 gestolen feiten

Een pagina uit de Geschiedenis van de stad Leuven, met afbeelding van Dirk Bouts.
Een pagina uit de Geschiedenis van de stad Leuven, met afbeelding van Dirk Bouts.

In 1899 publiceerde de 31-jarige Vander Linden zijn Geschiedenis van de stad Leuven. De kritieken waren lovend. Een recensent merkte bijvoorbeeld op dat de auteur niet alleen zijn wetenschappelijke vorming toonde, maar ook op de hoogte leek van de laatste ontwikkelingen in de historiografie. In die nieuwe geschiedschrijving kon echter niet iedereen zich vinden. De 77-jarige Van Even vond dat Vander Linden zijn magnum opus Louvain dans le passé et dans le présent had geplagieerd.

Volgens de archivaris had Vander Linden ‘24 faits historiques ignorés’, die door Van Even waren ontdekt, overgenomen.  Van Even zag dat als plagiaat. Wat hem onder meer strafbaar leek was de lijst van werken van Dirk Bouts die Vander Linden had opgenomen in zijn boek.  Was het immers niet Van Even die erin was geslaagd het auteurschap van deze schilderijen definitief vast te stellen? Volgens de stadsarchivaris kwam deze wetenschap hem dan ook toe.

Wauters vs. Van Even

Portret van Alphonse Wauters, Brussels stadsarchivaris.
Portret van Alphonse Wauters, Brussels stadsarchivaris.

Van Even hield vast aan de opvattingen die enkele decennia eerder gemeengoed waren geweest. Archivarissen lieten toen niet iedereen toe in het archief. Enkel wie het vertrouwen van de archivaris kon winnen, was er welkom. Het meedelen van onbekende historische gegevens was slechts een gunst. Zij behoorden slechts toe aan het archief en zijn archivaris.

Deze opvattingen bezorgden Van Even al eerder zorgen. In 1863 vond Brussels stadsarchivaris Alphonse Wauters het nodig via de krant kenbaar te maken dat de ‘particularités inédites’ over Dirk Bouts die Van Even kort tevoren had gepubliceerd, al eerder door hem in het licht waren gesteld. Door zijn ontdekkingen publiek op te eisen, wilde Wauters mogelijke plagiaatbeschuldigingen bij voorbaat ontkrachten.

De impliciete beschuldigingen een ‘copiste’, een ‘plagiaire’ te zijn, troffen Van Even erg hard. Om zijn naam te zuiveren, publiceerde hij zes brieven aan zijn Brusselse collega. Hoe kon immers iemand die altijd uitgebreid archiefonderzoek had verricht, nu voor een plagiator worden gehouden?  De studie van Wauters bleek bovendien gebaseerd op zijn werk! Met zijn repliek aan Wauters kon Van Even zijn eigen kunnen als archivaris in de verf zetten. Tezelfdertijd wilde hij wel de goede vrede bewaren. Wauters bleef voor hem nog altijd een van de meest onderlegde archivarissen in België.

Van Even vs. Vander Linden

Het justitiepaleis van Leuven, op een prent uit Louvain dans le passé et dans le présent.
Het justitiepaleis van Leuven, op een prent uit Louvain dans le passé et dans le présent.

36 jaar later wilde Van Even de nieuwe plagiaatskwestie voor de rechtbank uitvechten. De Archives belges oordeelde daarop voorzichtig dat de twee auteurs hun verdiensten hadden – Vander Linden als grondlegger van wetenschappelijk onderzoek naar de Leuvense gemeente-instellingen, Van Even als beschrijver van de monumenten waarin het stedelijke leven zich had afgespeeld  – maar het blad kwam tot de conclusie dat het een onhoudbaar of zelfs ronduit absurd proces zou worden.

Fredericq en Vander Linden stelden samen een ‘plan de bataille’ op. Eminente collega’s werden aangeschreven om voor Vander Linden te getuigen. Die keur aan historici had volgens de rechtbank echter te weinig oog voor de juridische kant van de zaak, zodat met hen geen rekening werd gehouden. In plaats daarvan werd een driekoppig team aangesteld dat zich over de twee werken moest buigen. Op basis van hun rapport volgde de uitspraak op 31 december. De klacht werd ongegrond verklaard en Van Even moest opdraaien voor de gerechtskosten. De Archives belges oordeelde dat beide partijen het nieuwjaarsgeschenk kregen dat ze verdienden.

Bevrijd archiefmateriaal

In 1903 werkte Van Even vijftig jaar in het stadsarchief. Om hem te huldigen, werd hem dit portret van Omer Dierickx aangeboden.
In 1903 werkte Van Even vijftig jaar in het stadsarchief. Om hem te huldigen, werd hem dit portret van Omer Dierickx aangeboden.

De moderne historiografie ontving inderdaad een prachtig geschenk. De rechtbank wees de geschiedschrijving van erudiete autodidacten als Van Even af. In de uitspraak werd vastgesteld dat ‘feiten of wetenschappelijke materie’ eigendom waren van iedereen. Dit gold ook voor nog onbekende of vergeten feiten. Zij mochten dan ook, na hun onthulling, door iedereen worden gebruikt en gepubliceerd.

Dit vonnis zorgde er wel niet voor dat Van Even na 1900 een historische paria werd. Uit dit voorval blijkt vooral dat niet langer de archivaris, maar wel de professor de Belgische historiografie overheerste. En voor hem was toegang tot archief van het grootste belang. In het expertenrapport werd daarom de conclusie gestoeld op ‘de autoriteit van Langlois en Seignobos’.  ‘De geschiedenis wordt met documenten gemaakt,’ luidt de befaamde openingszin van hun Introduction aux études historiques uit 1898.

De archivaris werkte niet langer voor zichzelf, maar moest zijn archief aan alle bezoekers aanbieden. Het verleden dat er gevonden werd, was geen ‘ontdekking’, maar slechts een ‘in herinnering brengen’. Deze herinneringen behoorden aan iedereen toe. ‘Anders zou wetenschappelijke vooruitgang niet meer mogelijk zijn en zou men al van plagiaat beschuldigd kunnen worden, door te schrijven dat Hannibal over de Alpen trok of dat Karel V in 1500 is geboren,’ vatte de Revue de l’instruction publique en Belgique het samen.

Titelafbeelding: detail uit de triptiek met de marteling van de H. Erasmus van Dirk Bouts (Sint-Pieterskerk, Leuven).

Timo Van Havere is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn onderzoek focust op de geschiedenis van archieven en archivarissen in de negentiende eeuw.

Een roadtrip in oorlogstijd

Gastblog door Karel Strobbe.

Geen van ons had het al  gedaan: een reis maken om een geschiedenisboek te schrijven. Bij eerdere schrijfopdrachten hadden onze verplaatsingen zich beperkt tot archief- en bibliotheekbezoeken en autoritten naar getuigen, steeds in België. Maar sommige onderwerpen smeken om een meer ruimtelijke methode van historisch onderzoek. Het verhaal van de rekruteringsreserve van het Belgische leger, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, is er zo een. Met dagboeken en memoires als voornaamste bronnenmateriaal, die van hun auteurs titels meekregen als ‘Odyssee’  en ‘Exodus’, weet je dat je het verleden oneer aandoet als je niet zelf op pad gaat.

Een vergeten verhaal

Foto CegeSomaOp 10 mei 1940, 75 jaar geleden, lanceerde Adolf Hitler Fall Gelb, het offensief tegen België, Nederland, Luxemburg en Frankrijk. In het collectieve geheugen worden de meidagen van 1940 geassocieerd met de Duitse blitzkrieg en de enorme stromen burgervluchtelingen die de furor teutonicus hoopten te ontvluchten. Minder bekend is dat er tussen die massa  burgers ook tienduizenden jongemannen liepen die niet uit vrije wil waren vertrokken, maar op bevel. De jongsten waren 16 jaar, de oudsten 35. De Belgische regering wilde hen uit de handen van de vijand houden en reservesoldaten van hen maken.

Minderjarigen verplichten om pardoes hun woonplaats te verlaten: het klinkt choquerend. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren echter veel weerbare mannen in bezet België achtergebleven en de Duitsers hadden daar dankbaar gebruik van gemaakt. Daarom kregen net na de Duitse inval in 1940 alle jonge mannen die hun legerdienst nog niet hadden gedaan – de leden van de zogenaamde rekruteringsreserve – het bevel om zich naar verzamelplaatsen in West-Vlaanderen en Henegouwen te spoeden. Er werd hen in afwachting van een militaire opleiding een goede omkadering en tewerkstelling beloofd.

Foto CegeSomaAlleen ging de Duitse opmars veel sneller dan voorzien. In tegenstelling tot de verwachting kwam er geen  stellingenoorlog en raasde de Duitse blitz op tien dagen naar de Kanaalkust. De plannen met de rekruteringsreserve liepen daardoor compleet in de soep. De jongens werden in allerijl naar Frankrijk gestuurd, waar geen voorzieningen waren om hen op te vangen. Wat volgde was een levensgevaarlijke trip door Noord-Frankrijk. Zij die vóór 20 mei de Somme konden oversteken, werden op treinen naar Zuid-Frankrijk gezet. De anderen werden ingehaald door het Duitse leger en konden na het einde van de Achttiendaagse Veldtocht naar huis terugkeren.

In Zuid-Frankrijk wachtte hen niet de voorgespiegelde militaire opleiding, maar honger, slechte hygiëne, ziekte, verveling en heimwee. Maar ook zuiderse steden, pittoreske dorpjes, de Middellandse Zee, Franse wijn en Zuid-Franse schoonheden. Het werd voor velen de meest bijzondere zomer uit hun jonge leven. In augustus, twee maanden nadat ook het Franse leger de wapens had neergelegd, mochten ze terug naar huis, in een bezet land.

Het verleden achterna

Foto Ingrid LeonardIn 2011 kwamen wij per toeval in contact met deze vergeten episode uit de meidagen van 1940. We concludeerden al gauw dat er een goed boek in zat. We zouden in België en Frankrijk op zoek gaan naar de sporen van het oorlogsavontuur van een generatie waar onder meer ‘Nonkel Bob’ Davidse, Leo Tindemans, acteur Nand Buyl en stripauteur Marc Sleen toe behoorden.

In de lente van 2014 was het dan zover: met onze fietszakken gevuld met tientallen gekopieerde dagboeken en memoires sprongen we op de fiets. We trokken van oost naar west door België, staken de grens over nabij Poperinge en eindigden onze fietstocht in Rouen. We namen de TGV naar Toulouse om een drietal weken in het Franse Zuiden te vertoeven. We bezochten er de plaatsen waar de jongens in de zomer van 1940 verbleven en spraken met mensen die zich die gebeurtenissen nog herinnerden. We volgden de sporen van het verleden, in al hun verschijningsvormen – landschappen, gebouwen, vage herinneringen, Franse kranten en archiefdocumenten.

Foto Ingrid LeonardHet was bevrijdend om met ons bronnenmateriaal naar buiten te komen, weg uit een leeszaal, weg van ons bureau, mee de fiets op. Dagboekschrijvers werden medereizigers en gidsen. Onderweg hielpen oude Franse vrouwen en mannen om onze bronnen mee te interpreteren, aan te vullen en te corrigeren. De confrontatie tussen het verleden en het heden was bevreemdend en verrijkend. Bevreemdend was ze bijvoorbeeld in het Parc des Sports in Toulouse, een plek die voor de jongens van de rekruteringsreserve gelijk stond aan de hel. Zelf zijn we er heerlijk gaan zwemmen in het openluchtzwembad. Verrijkend ook, omdat ze ons inzicht verschafte in de feilbaarheid en selectiviteit van het collectieve geheugen. In Zuid-Frankrijk bleek iedereen goede herinneringen te hebben overgehouden aan de Belgische aanwezigheid in 1940, terwijl we maar al te goed wisten dat er ook conflicten waren geweest.

Een dwalende en speurende omgang met het verleden levert een eerlijke manier van geschiedschrijving op. Het verhaal van de rekruteringsreserve presenteren we niet als vaststaande feiten, maar als iets waar we zelf actief naar op zoek zijn gegaan. Daar horen dode sporen bij, en nutteloze uren in de broeierige Zuid-Franse zon. Het was echter een unieke kans om te tonen hoe verhalen over en in het verleden tot stand komen.

KarelStrobbe-Roadtrips-CoverVanOnzeJongensKarel Strobbe is historicus en werkt als wetenschappelijk assistent in het CegeSoma (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en hedendaagse Maatschappij). Samen met Pieter Serrien en Hans Boers schreef hij het boek Van onze jongens geen nieuws. De dwaaltocht van 300.000 Belgische rekruten aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (Manteau, 2015).

Wereldrijken komen uit het Westen

Gastblog door Bram Fauconnier.

Alexander de Grote veroverde Indische gebieden en bracht het weinig ontwikkelde Oosten in contact met de Westerse beschaving. Hij introduceerde er een hogere staatsvorm: een op rede gestoeld wereldrijk. Zo was hij de rechtstreekse voorloper van het British Empire. Klinkt dat wat kolonialistisch? Klopt. Het is het verhaal dat heel wat Britse historici in de negentiende en twintigste eeuw hebben opgehangen rond Alexander de Grote.

Februari 326 v.C. Alexander van Macedonië begint aan de laatste fase van zijn veroveringstochten. Na een snelle campagne verovert hij een deel van Noordwest-India, in de ogen van de Grieken een land van wonderen en fabelachtige rijkdom. Alexanders ambities reiken nog verder, maar zijn troepen blijven uitgeput staan aan de oevers van een van de vele lokale rivieren. Muiterij dreigt. Tegen zijn zin geeft Alexander toe aan zijn soldaten en vat hij de lange terugtocht aan. Na zijn dood is het verre India voor zijn opvolgers geen prioriteit. Rond 317 v.C. verlaat de laatste Macedonische commandant het subcontinent. Daarna sticht een jonge Indiër een rijk dat een groot deel van India omvat: ‘Sandrocottus’.

 De ontdekking van Sir William Jones

Sir William Jones (1746-1794)
Sir William Jones (1746-1794)

Februari 1793. Al tien jaar woont Sir William Jones in Calcutta, de hoofdstad van de Britse East India Company. Jones is een briljant filoloog en bestudeert de klassieke talen van het oude India. In enkele sanskrietteksten leest hij oude verhalen over een jongeman die een groot rijk in het noorden van India stichtte. De jongeman heette Candragupta Maurya. Jones, die zijn Grieks-Romeinse bronnen kent, verbindt de naam meteen met Sandrocottus. Het belang van zijn ontdekking kan niet onderschat worden. De indologie krijgt eindelijk een chronologisch ankerpunt: Candragupta stichtte het Mauryarijk kort na de veroveringstocht van Alexander.

De geschiedschrijving van het Mauryarijk komt na die mijlpaal snel op dreef. De Britse onderzoekers leggen de Indische en Grieks-Romeinse bronnen naast elkaar en ontdekken daardoor veel details. Toch is het niet vanzelfsprekend om de bronnen met elkaar te verzoenen. Alexander wordt bijvoorbeeld nergens vermeld in de Indische teksten. Om een coherent verhaal te kunnen vertellen, vormen de moderne geschiedschrijvers dus heel wat onwaarschijnlijke hypotheses, waarbij ze niet zelden uit hun fantasie putten. Hun interpretaties van het verhaal van Alexander en Candragupta worden bovendien sterk beïnvloed door de Britse kolonisatie van India.

In de sociale kringen van William Jones is er nog niet veel arrogant Eurocentrisme te bespeuren. Op het einde van de achttiende eeuw zijn veel Britten oprecht geïnteresseerd in de Indiase cultuur. Sommigen gaan hier erg ver in. Zo doet Charles ‘Hindoo’ Stuart (1758-1828) zijn bijnaam eer aan door elke ochtend in de Ganges te baden. En wanneer de onderzoekers van Jones’ Asiatic Society over Candragupta schrijven, doen zij dat min of meer onbevooroordeeld: zij willen in de eerste plaats de verwarrende Indische chronologie op orde zetten.

Groeiend Eurocentrisme

Retribution van E. Armitage, een allegorie op het neerslaan van de Indische opstand van 1857. Brittania is op Grieks-Romeinse wijze uitgedost.
Retribution van E. Armitage, een allegorie op het neerslaan van de Indische opstand van 1857. Britannia is op Grieks-Romeinse wijze uitgedost.

Rond de eeuwwisseling beginnen de Britse opvattingen te veranderen. Evangelische bekeringsijver en industriële vooruitgang zorgen voor een toenemend cultureel en zelfs raciaal superioriteitsgevoel. Het geloof in Westerse superioriteit is niet geheel nieuw. De Europese elite raakte sinds de Verlichting doordrongen van de idee dat zij de erfgenamen waren van de Grieks-Romeinse beschaving. Alexander, de eerste ‘Europeaan’ die Azië veroverde, werd dan ook een uiterst relevant voorbeeld.

In 1857 wordt een grote Indische opstand brutaal onderdrukt, wat wederzijdse haat en vooroordelen alleen maar versterkt. De Britse Kroon krijgt rechtstreekse controle over een groot deel van India, en de Grieks-Romeinse oudheid wordt een van de ideologische steunpilaren van het Britse bewind.

Alexander, brenger van beschaving

Bij geschiedschrijvers neemt de fascinatie voor Alexander toe. In hun visie wordt hij het prototype van een koloniale held die Azië opende voor Westerse vooruitgang en beschaving. Over Candragupta zijn de meningen enigszins verdeeld. Voor sommigen is hij een Oriëntaalse despoot die met geluk de troon bemachtigde. Anderen zien hem als iemand die geïnspireerd werd door Alexander en zo zijn eigen rijk stichtte. Het geloof in Westerse superioriteit blijft echter de gemeenschappelijke factor. Dat wordt door niemand beter verwoord dan door de koloniale ambtenaar H.H. Risley: “Ex Occidente Imperium: de genialiteit van een wereldrijk is steeds vanuit het Westen naar India gekomen, en kan alleen in stand worden gehouden door een constante invoer van bloed vanuit dezelfde bron.” Kortom, de veroveringen van Alexander waren een perfecte legitimatie voor het Britse koloniale project.

Heroïsch portret van Alexander in het jongerentijdschrift Chatterbox van 1880.
Heroïsch portret van Alexander in het jongerentijdschrift Chatterbox van 1880.

In de jaren dertig en veertig, wanneer het Britse Rijk op zijn laatste benen loopt, bereikt de verering van Alexander een hoogtepunt. In een periode waarin Indische nationalisten de figuur van Candragupta voor hun eigen doeleinden beginnen op te eisen, benadrukken Britse geschiedschrijvers de invloed van Alexander op het Mauryarijk. Zij zien de Macedoniër bovendien als een grote verzoener die de verschillende volkeren in broederschap deed samenleven. Brits imperialisme in een nieuw jasje, dat de onafhankelijkheid van India in 1947 allerminst kan verhinderen.

Alexander de Grote veroverde een deel van Noordwest-India, bleef zelf slechts twee jaar daar en nauwelijks enkele jaren later was er geen Macedonische soldaat meer te bespeuren. Lang voor de komst van Alexander was er aan de Ganges een rijk ontstaan dat onophoudelijk groeide. Candragupta wist de troon over te nemen en breidde zijn territorium spectaculair uit. Het Mauryarijk was in de eerste plaats het resultaat van een eeuwenlang proces van staatsvorming in India zelf, eerder dan het gevolg van een kortstondige Macedonische invasie. Dat is een verhaal dat zelfs vandaag de dag weinig verteld wordt. Want grootse mannen en grootse daden spreken nog altijd meer tot de verbeelding dan onzichtbare, trage evoluties.

Meer lezen

C. Hagerman, ‘In the Footsteps of the ‘Macedonian Conqueror’: Alexander the Great and British India’, International Journal of the Classical Tradition, 16 (2009), 344-392.

K. Karttunen, India and the Hellenistic World, Helsinki, 1997.

P. Vasunia, The Classics and Colonial India, Oxford, 2013.

Bram Fauconnier is gastblogger. Hij is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis van de KU Leuven en wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Mannheim. Hij doet onderzoek naar globaliseringsprocessen in de Oudheid.