Categorie archief: Historische cultuur & herinnering

Celebrities spotten op het slagveld

In de nasleep van de Slag bij Waterloo in 1815 groeide het slagveld uit tot een toeristische trekpleister. Doordrongen van vaderlandsliefde trokken reizigers naar Waterloo om de plaatsen te aanschouwen waar landgenoten voor de natie hadden gestreden. Tot de ergernis van Pruisische, Nederlandse en Franse bezoekers vielen vooral de Britse helden op in het herinneringslandschap. De aanspraak van Groot-Brittannië op de overwinning weerspiegelde zich in de herinnering aan toonaangevende officieren in de slag.

Jonge en oude ‘John Bulls’

De buste van Wellington in de Sint-Jozefkerk.
De buste van Wellington in de Sint-Jozefkerk.

Als bezoeker kon je in de negentiende eeuw niet ontkomen aan de Britse reiskoetsen en reizigers die overal schenen op te duiken. Volgens een Duitse reisgids waren de voertuigen vanuit Brussel volgepropt met jonge en oude ‘John Bulls’. Britten bezochten Waterloo om de macht en glorie van Groot-Brittannië te aanschouwen op het ‘great field for mighty deeds’. Na een aantal jaren leek de pelgrimstocht naar Waterloo zelfs te zijn uitgegroeid tot een onontkoombare vaderlandse daad. Britten die voor het eerst in Brussel vertoefden, voelden zich verplicht om hun vaderland te eren door een bezoek aan het slagveld.

Behalve de kolossale Nederlandse leeuwenheuvel ter ere van de heldenmoed van de Prins van Oranje (1826) en het Pruisisch monument in Plancenoit (1818) waren het de Britse helden die werden vereeuwigd in het herinneringslandschap. Vooral in de kerk van Waterloo zorgden de Britse regering en een aantal adellijke families voor de oprichting van verschillende gedenktekens ter ere van Britse officieren. In 1855 financierde de regering de restauratie en uitbreiding van de kerk met een subsidie van 25,000 frank op voorwaarde dat de Britse helden er een prominente plaats kregen. Vooraan sierde voortaan een buste van de Hertog van Wellington de koninklijke kapel.

Britse strijders

De Hertog van Wellington.
De Hertog van Wellington.

Wellington, de Britse held bij uitstek, was vanaf het begin goed vertegenwoordigd in het herinneringslandschap. Zo bestond er in de nasleep van de veldslag veel interesse in de ‘Wellingtonboom’, gelegen op de heuvelkam van Mont St. Jean vanwaar de hertog het slagveld had overschouwd. Voorbijgangers namen graag een stukje van de boom mee naar huis, zodat de boom een jaar na de strijd op mensenhoogte al helemaal was ontdaan van bladeren en takken. Uiteindelijk verdween de boom in 1818 uit het landschap, nadat een Brit bereid was geweest te betalen voor het resterende gedeelte van de boom.

De meeste bezoekers namen ook een kijkje in de kamer waar het been van Lord Uxbridge was geamputeerd. De Britse held had de amputatie van zijn been overleefd en stierf pas in 1854 op hoge leeftijd. Aan geïnteresseerden toonde de huiseigenares de stoel waarop Uxbridge was geopereerd en de laars van het afgezette been. Tegen goede betaling was ze bereid een stuk van de laars ter nagedachtenis aan bezoekers mee te geven. De gastvrouw schrok er ook niet voor terug om goedgelovige Britse bezoekers te plezieren met extravagante legenden over het been en de laars. Zo vertelde ze dat Uxbridge na de Slag bij Waterloo ieder jaar op pelgrimstocht naar Waterloo was teruggekeerd om het graf van zijn been in de aangrenzende tuin te zien. De oud-strijder zou zelfs met zijn zonen aan zijn operatietafel hebben gedineerd.

In de voetsporen van beroemdheden

Na verloop van tijd begon Waterloo, behalve als plaats van herinnering van de befaamde veldslag, ook aantrekkingskracht uit te oefenen als de plaats waar eigentijdse beroemdheden bijzondere ervaringen hadden meegemaakt. De romantische schrijvers Walter Scott, Lord Byron en Robert Southey bezochten Waterloo vrij kort na de slag en brachten vervolgens hun reisverslagen en poëtische werken over het slagveld op de markt. Hun exemplarische bezoeken zorgden voor een vergroting van de attractiewaarde van Waterloo voor landgenoten. Bij de rondgang op het slagveld zochten Britse toeristen dezelfde plaatsen op en imiteerden hun handelingen. Volgens reisgidsen waren de oorspronkelijke handtekeningen van Byron en Southey nog steeds te bezichtigen op de muur van de kapel van het fort Hougoumont. Veel bezoekers deden het hen na. Na verloop van tijd sierden ontelbare namen, data en adressen de gehele witte wand, waardoor de eigenaar de kapel elke vijf jaar opnieuw moest witten.

Het balkon waarop Victor Hugo uitkeek over het slagveld, momenteel opgesteld in de achtertuin van de hoeve van Caillou.
Het balkon waarop Victor Hugo uitkeek over het slagveld, momenteel opgesteld in de achtertuin van de hoeve van Caillou.

Uiteindelijk trokken de ‘verliezers’ toch aan het langste eind. De beroemdheid die de grootste impact had op het negentiende-eeuwse Waterlootoerisme was de Fransman Victor Hugo. Van 7 mei tot en met 30 juni 1861 had hij in Hôtel des Colonnes te Waterloo gelogeerd om er zich volledig te wijden aan het hoofdstuk over Waterloo in Les misérables. Kort daarna doken er geregeld bezoekers op om de levensstijl van de schrijver te herbeleven. Georges Barral en Charles Baudelaire begonnen hun bezoek aan het slagveld in 1863 met een rondgang in dit hotel. Aan de tafel waar Hugo regelmatig had gedineerd, kozen ze voor diens doorsnee lunch die door de grote vraag van reizigers was uitgegroeid tot een traditionele specialiteit van het hotel. Hugo’s middagmaal bestond uit drie eieren, zwarte boter, vinaigrette, peper en zout, knapperige frieten, een groot stuk gruyèrekaas en een tas koffie. Ook de hotelkamer van Hugo was een wezenlijk onderdeel van de toeristische attractie. Met Les misérables in het achterhoofd keek menig Fransman vanop het aangrenzende balkon uit over het slagveld. De komst van beroemdheden als Hugo zorgde voor een vergroting van de attractiewaarde van Waterloo, al bleven ook de nationale helden uit de veldslag de bezoeken van negentiende-eeuwse reizigers inspireren.

Meer lezen?

Jolien Gijbels, ‘Beleven en herinneren op het slagveld van Waterloo: een adellijk perspectief (1815-1870)’, Virtus: Journal of Nobility Studies, 22 (2015), 125-146.

Jolien Gijbels, ‘Oog in oog met het slagveld van Waterloo: het herinneringslandschap in de beleving van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers (1815-1870)’, De Negentiende Eeuw, 40 (2016), 104-121.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de omgang met dode lichamen in de negentiende eeuw. Eerder deed ze ook onderzoek naar reizigerservaringen op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

Hoe de Duitsers monumenten oprichtten, en de Belgen ze afbraken

Gastblog door Karla Vanraepenbusch.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bepaalden de Duitse bezetters vier jaar lang het dagelijkse leven in steden als Brussel, Antwerpen en Luik. Het gebrek aan bewegings- en persvrijheid, de voedselschaarste en de angst voor dwangarbeid, krijgsgevangenschap of erger wogen zwaar op de lokale bevolking. Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand afgekondigd werd, werd dat niet, zoals aan het front, ervaren als een staakt-het-vuren, maar als bevrijding. De oorlogsdreiging maakte dan ook langzaamaan plaats voor een bevrijdingsroes.

Tijdens die bevrijdingsroes van de eerste weken na de wapenstilstand zagen stadsbesturen zich geconfronteerd met de restanten van en de herinneringen aan de Duitse bezetting. Op stedelijke begraafplaatsen doorheen het land hadden de Duitsers bijvoorbeeld gedenktekens opgericht voor hun gesneuvelden. Tal van vooroorlogse straatnamen verwezen bovendien op een of andere manier naar Duitsland. Het was aan de stadsbesturen om te beslissen wat ze met deze herinneringen aan de voormalige vijand zouden doen. Uitwissen, of toch maar behouden?

Het monument dat de publieke opinie kwetste

De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.
De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.

In 1916 hadden de Duitse autoriteiten op de Luikse begraafplaats Robermont een monument ingehuldigd met het beeld van een Teutoonse ridder. Nog in 1918 lieten ze op het Antwerpse Schoonselhof en op de begraafplaats van Brussel nieuwe Duitse monumenten plaatsen. Al meteen na de wapenstilstand op 11 november besloten zowel het Brusselse als het Antwerpse stadsbestuur om het Duitse gedenkteken af te breken. In Luik bepaalde de waarnemende burgemeester Valère Hénault dat het beeld van de Teutoonse ridder van de sokkel gehaald zou worden. De stadsbesturen verantwoordden hun beslissing met het voorwendsel dat de Duitsers geen toestemming hadden gevraagd om de monumenten op te richten, een inbreuk op de gemeentewet. Uiteraard speelden ook patriottische beweegredenen. Het beeld van de Teutoonse ridder moest verdwijnen omdat het de publieke opinie kwetste. En in Antwerpen moest het Duitse gedenkteken plaatsmaken voor een nieuw monument ter ere van de militairen gesneuveld voor het vaderland.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.

Zowel het Antwerpse als het Brusselse stadsbestuur namen de beslissing om het Duitse gedenkteken op hun begraafplaats af te breken meteen tijdens de eerste bijeenkomst van het schepencollege na de ondertekening van de wapenstilstand. In Luik bekrachtigde de gemeenteraad het haastig genomen besluit van Hénault pas tijdens hun eerste bijeenkomst, een maand na de feiten. Het bijzonder korte tijdsbestek waarin de stadsbesturen de beslissing tot afbraak namen, toont hoe belangrijk ze deze symbolische actie vonden. Ze toonden zich bovendien bereid om in die moeilijke naoorlogse dagen de kosten ervan op zich te nemen. Enkel in Brussel bleef het monument uiteindelijk toch behouden. Dat komt omdat de Brusselaars de afbraakwerken niet meteen uitvoerden. Toen ze die eindelijk wilden realiseren in 1920, werden ze teruggefloten door de Minister van Buitenlandse Zaken, die vreesde dat de afbraak van het gedenkteken de nog broze diplomatieke relaties met Duitsland op het spel zou zetten.

Von Barystraat, ‘verfoeiden naam’

GvA1918“’t Was velen een ergernis dat de Albert von Barystraat nog altijd met haar verfoeiden naam prijkte. Eindelijk heeft de Stad de openbare meening voldaan en die straat herdoopt in Jan Blockxstraat”, kon men op 28 december 1918 in de Gazet van Antwerpen lezen. De Duitse magnaat Heinrich Albert von Bary had voor de oorlog zo’n grote economische en politieke invloed dat hij beschouwd werd als de “Duitse burgemeester van Antwerpen”. Hij kreeg in 1912 de ongebruikelijke eer dat een straatnaam naar hem werd vernoemd terwijl hij nog in leven was. Tijdens de oorlog had von Bary zich echter gecompromitteerd door de Duitse oorlogsinspanning financieel te ondersteunen. Hij verloor dan ook meteen na de oorlog zijn straatnaam aan de Antwerpse componist Jan Blockx.

Koningin-verpleegster Elisabeth.
Koningin-verpleegster Elisabeth.

Heel wat straatnamen in de bevrijde steden die op de één of andere manier naar Duitsland verwezen, werden in de weken onmiddellijk na de wapenstilstand hernoemd. De nieuwe straatnamen waren vaak niet toevallig gekozen. Zo werd, om de ‘koningin-verpleegster’ te eren die zich tijdens de oorlog zo had ingezet voor het fysieke welzijn van de soldaten, de Avenue d’Allemagne in Luik vervangen door Avenue Reine Elisabeth. Als dank aan de Engelse bodgenoten hernoemde het Luikse stadsbestuur de Rue de Berlin tot Rue de Londres. En de Place de Bavière werd Place de l’Yser, als verwijzing naar de stellingoorlog aan het IJzerfront. Zo verdwenen de Duits klinkende straatnamen uit het stadsplan, dat zich vulde met nieuwe straatnamen die hulde brachten aan de helden en bondgenoten van België.

De herovering van de stad

Wat met de verwijdering van de oorlogsmonumenten en de wijzigingen in straatnamen op het spel stond, was de symbolische herovering van de bezette stad op de Duitsers. De stadsbesturen probeerden de stadsbewoners te helpen om de spanningen en trauma’s van de bezetting te verwerken. Hun strategie was eenvoudig. Ze trachtten alle sporen van de Duitse bezetting uit het stadsbeeld te wissen en zuiverden zo de stedelijke ruimte van alles wat Duits was. De stadsbesturen heroverden als het ware de stad, zodat die eindelijk, na vier jaar, weer echt van hen werd.

Meer lezen

Karla Vanraepenbusch en Anne-Mie Havermans, ‘Omgaan met het erfgoed van de “vijand”. Duitse WO 1-monumenten op stedelijke begraafplaatsen in bezet België’, Volkskunde,  117 (2016), 1–20.

Laurence van Ypersele, Chantal Kesteloot en Emmanuel Debruyne, Brussel: De oorlog herdacht (1914-2014), Waterloo, 2014.

Antoon Vrints, ‘De Klippen des Nationalismus. De Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de Duitse kolonie in Anwerpen’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 10 (2002), 7–41.

Karla Vanraepenbusch is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) en aan de Université catholique de Louvain. Ze doet onderzoek naar de materiële herinneringssporen aan WO1 in Antwerpen en Luik.

Helden voor de jeugd

L’héroïsme de la jeunesse, zo luidde het thema van de schrijfwedstrijd die de Belgische minister van Openbaar Onderwijs François Bovesse op 18 januari 1936 lanceerde. Net als zijn voorgangers was Bovesse van mening dat leerlingen heldenmoed konden leren, zolang ze maar de juiste voorbeelden hadden. De tien laureaten van de wedstrijd zouden worden beloond met de biografie van Léon Trulin, een jonge Rijselse spion van Belgische afkomst uit de Eerste Wereldoorlog, en de winnaar mocht een jaar lang pronken met een replica van het Rijselse standbeeld van de verzetsheld. De prijzen werden voorzien door Les Amis de Lille, een Rijselse belangenvereniging die zich bekommerde om het imago van de Franse grensstad in binnen- en buitenland.

Officiële herdenking van de executie van Trulin, datum onbekend.
Officiële herdenking van de executie van Trulin, datum onbekend.

Belgische kinderen hadden tijdens het interbellum geen tekort aan exempels van heldhaftige vaderlandsliefde: zij bewonderden het koningspaar boven het schoolbord, schreven opstelletjes over de Brusselse spionne Gabrielle Petit, leerden over de Engelse verpleegster Edith Cavell en de moedige soldaat Léon Trésignies. Met de schrijfwedstrijd voegde Bovesse nog een figuur toe aan het toch al goed gevulde pantheon: dat van een Frans-Belgische jongen dan nog wel. Waarom voelde  Bovesse daar de nood toe?

Ere wie ere toekomt

Als zoon van Belgische migranten groeide Trulin op in Rijsel. Samen met enkele vrienden verzamelde hij tijdens de Wereldoorlog inlichtingen over de Duitse vijand en smokkelde hij die via Nederland naar Engeland. Op 3 oktober 1915 werd hij tijdens zo’n tocht gearresteerd en later gefusilleerd. In Rijsel werd de achttienjarige Trulin vrij vlug na zijn dood een geliefde volksheld.

Zoals andere steden herdacht ook Rijsel na de oorlog zijn verzetslieden met een groots opgezet monument. De stad wilde tonen dat zij de bezetting niet lijdzaam had ondergaan en de collectieve zelfwaarde van de bevolking enigszins opkrikken. De beeldengroep van Felix-Alexandre Desruelles werd ingehuldigd op 31 maart 1929. Maar de manier waarop de kunstenaar de verzetslieden in beeld had gebracht, werd niet door iedereen geapprecieerd. De familie Trulin was geschokt toen bleek dat van de vijf figuren die de beeldengroep vormden, vier onverschrokken de dood in de ogen keken, terwijl hun Léon roerloos op de grond lag. De moed van Léon werd tekort gedaan, zo klaagde zij in een brief aan de Rijselse vereniging Les Amis de Lille. De familie vroeg een rechtzetting.

Les Amis de Lille

Publicatie L’adolescent chargé de gloire uit 1932 van Philippe Kah.
Publicatie L’adolescent chargé de gloire uit 1932 van Philippe Kah.

De belangengroep Les Amis de Lille was gesticht in 1909 en had als doel Rijsel als toeristische en economische bestemming te promoten. De leden van de vereniging beschikten samen over heel wat prestige, financiële middelen en het oor van belangrijke politici. Het maakte van Les Amis de Lille een invloedrijke speler in het politieke, economische en sociale leven van de regio. In de loop van de jaren 1920 steunde de vereniging de oprichting van verschillende oorlogs- en herinneringsmonumenten in Rijsel. Dat de misnoegde familie Trulin zich tot Les Amis de Lille richtte, hoeft dus weinig te verwonderen. Toch kon ook Les Amis de Lille niets meer veranderen aan de beeldengroep. Daarom gooiden de leden van de vereniging het over een andere boeg.

In de jaren na de inhuldiging van het officiële monument voor de Rijselse verzetshelden, creëerde Les Amis de Lille een parallelle heldencultus rond de figuur van Léon Trulin. Op 8 november 1931 werd een gedenkplaat opgericht op de executieplaats van Trulin. Een jaar later verscheen een boekje van de hand van de voorzitter van de vereniging, de advocaat Philippe Kah, waarin het korte leven van Trulin met een aureool werd omgeven: hij was l’adolescent chargé de gloire. In 1933 werd een standbeeld van Léon Trulin ingehuldigd op diens begraafplaats op de cimetière de l’Est, en nog een jaar later werd een standbeeld van de jonge held ingehuldigd aan het Rijselse justitiepaleis. Elk jaar, op 8 november, werd de executie van Trulin officieel herdacht door leden van het stadsbestuur en door de leerlingen van de École Léon Trulin.

Rijselse heldhaftigheid

Programma van de fêtes de l’amitié franco-belges in 1921 met op de voorpagina een foto van de Belgische koninklijke familie (Collectie Damien Top).
Programma van de fêtes de l’amitié franco-belges in 1921 met op de voorpagina een foto van de Belgische koninklijke familie (Collectie Damien Top).

Voor Les Amis de Lille was het doel van een schrijfwedstrijd over Trulin in de Belgische scholen veel meer dan louter de bekendheid van Trulin te vergroten. De jonge verzetsheld met Belgische roots vormde voor de leden van de vereniging een zoveelste voorbeeld van wat zij typische ‘Rijselse heldhaftigheid’ noemden. Rijsel vormde voor hen de eerste, belangrijke verdediger van de Franse waarden liberté, égalité et fraternité tegen de buitenlandse ‘barbaren’: tijdens de jaarlijkse Semaine Glorieuse in oktober werd de rol van moedige en onverschrokken Franse verdediger uitgebreid gevierd door de stad.

Les Amis de Lille breidde het idee van Rijsel als verdediger van moderne waarden zonder al te veel moeite ook uit naar België. Immers, na de Wereldoorlog werd de Franse leuze van liberté, égalité et fraternité steeds meer universeel gewaardeerd als basis voor een echte democratie. Als stad op de grens beschouwde Rijsel zichzelf op bijna evidente wijze als de verbindende kracht tussen Frankrijk en België tégen de gezamenlijke vijand Duitsland. De schrijfwedstrijd over Trulin, maar ook de fêtes de l’amitié franco-belge die Les Amis de Lille eerder ondersteunde in Rijsel, vormden exponenten van deze visie.

Trulin ter inspiratie

Wellicht was het imago van de Franse grensstad niet de hoofdreden waarom de minister van Openbaar Onderwijs Bovesse akkoord ging met de inrichting van een schrijfwedstrijd over een Frans-Belgische held. Dat hij de lieveling van Les Amis de Lille toch promootte in de Belgische scholen, had meer te maken met zijn groeiende bekommernis om een gebrek aan vaderlandsliefde bij de Belgische jeugd: een kwalijke ontwikkeling die, zeker in het licht van de toenemende spanningen op het internationale toneel, moest worden bijgestuurd. De figuur van Léon Trulin herinnerde aan vroegere bondgenootschappen en vormde een extra voorbeeld van vaderlandsliefde. En daar had geen enkel land ooit voldoende van.

Meer lezen

Tine Hens, Saartje Vanden Borre en Kaat Wils. Oorlog in tijden van vrede. De Eerste Wereldoorlog in de klas, 1919-1940, Kalmthout: Pelckmans, 2015.

Kevin Labiausse, ‘Un syndicat d’initiative durant l’entre-deux-guerres: les Amis de Lille’, Revue du Nord 85.349 (2003), 117-138.

Titelafbeelding: Monument voor de gefusilleerden in Rijsel.

Saartje Vanden Borre is verbonden aan de Specifieke Lerarenopleiding geschiedenis. Zo promoveerde in 2012 op een proefschrift over Belgische migranten in Noord-Frankrijk. In 2015 verscheen van haar hand Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.

Pronken met archief in het stadhuis te Gent, eind negentiende eeuw.
Pronken met archief in het stadhuis te Gent, eind negentiende eeuw.

Toen in 1794 de Franse Revolutie Gent bereikte, leken alle overblijfselen van de afgeschafte feodaliteit in gevaar. In het stadhuis lieten revolutionairen hun oog vallen op de ‘Staten van Goederen’ –  de boedelbeschrijvingen die werden opgemaakt om de erfenis van minderjarige kinderen te verzekeren. Op de banden van deze registers stonden immers de wapenschilden van de opeenvolgende voorschepenen en als tekenen van de oude machthebbers konden die niet getolereerd worden. Om hun behoud te verzekeren, werden deze blazoenen door een plichtsbewuste ambtenaar overschilderd.

Deze verminking deed geen afbreuk aan de waarde van de ‘Staten van Goederen’. Al sinds de jaren 1790 werden ze namelijk beschouwd als ancien-régimeaanvulling op de registers van de nieuwe burgerlijke stand. Genealogen maakten er gedurende de negentiende eeuw dan ook graag gebruik van, tot grote ergernis van de stadsarchivaris, die meende dat het stadsarchief slechts voor ‘historische’ – in tegenstelling tot ‘persoonlijke’ – opzoekingen mocht dienen.

Vanaf de jaren 1840 werd getracht de overschilderde wapenschilden weer bloot te leggen. Dit lukte uiteindelijk in 1888. Het resultaat werd meteen tentoongesteld in de Arsenaalzaal in het stadhuis. Bovenstaande foto toont een dergelijke opstelling. De archiefstukken waren sindsdien niet enkel administratief belangrijk en historisch interessant, maar bezaten ook (weer) esthetische kwaliteiten.

De Arsenaalzaal was de geschikte plaats voor deze tentoonstelling. Zij was eveneens pas gerestaureerd. De banken waar de ‘Staten van Goed’ op rustten, waren speciaal voor de gelegenheid aangebracht. De nieuwe beschildering van de muren was een ontwerp van Eugène Viollet-le-Duc. In dat decor maakten de registers ‘eenen kolossalen indruk’, zoals Paul Fredericq later schreef.

De vernielzucht van de Franse Revolutie had meteen ook het verlangen opgeroepen om de restanten van het verleden te bewaren, wat zich onder meer uitte in de oprichting van archieven en de zorg voor monumenten. Deze foto herinnert aan beide bewegingen, net als aan de voortdurende veranderingen in het gebruik en de betekenisgeving van archief.

Tekst: Timo Van Havere. Foto: Stadsarchief Gent, Detail uit SCMS_FO_6346.

De gedeporteerde arbeider: held of slachtoffer?

Gastblog door Sulotta De Clercq.

Tussen 7 en 10 oktober 1916 viel de Duitse bezetter tijdens nachtelijke razzia’s binnen in verschillende huizen in Merelbeke. Dat gebeurde ook in de Pontweg nummer 5. De 26-jarige Victor François werd op 12 oktober 1916 samen met 83 andere Merelbekenaars naar Gent gebracht. Na enkele dagen op water en brood werd hij naar Lemé in Frankrijk gestuurd. Hij werd er door een soldaat mishandeld, raakte verwond aan zijn been en moest een maand lang in het ziekenhuis verblijven. Op 3 oktober 1918 vluchtte de jonge hovenier naar huis. Hij had tijdens zijn verplichte tewerkstelling een spierreumatisme opgelopen waardoor hij voor de rest van zijn leven gedeeltelijk werkonbekwaam was. Maakte dat Victor dan tot een slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog? Of was hij toch ook een held?

De verplichte tewerkstelling

De opgeëisten in Merelbeke.
De opgeëisten in Merelbeke.

Het verhaal van Victor François is geen alleenstaand geval. Niet alleen in Merelbeke, maar in heel België werden jongemannen opgeëist. De oorlog woog namelijk zwaar op de economie en Duitsland kampte met een tekort aan arbeidskrachten. Op 3 oktober 1916 vaardigde het land een officieel opeisingsbevel uit dat als doel had Belgische burgers verplicht te werk te stellen in Duitsland of achter het front in Noord-Frankrijk.

Aan het front verbleven de opgeëisten in verlaten fabrieken of kapotgeschoten schoolgebouwen. Ze moesten er helpen met het graven van loopgraven, maar ook wegen aanleggen en herstellen. Indien ze weigerden, werden ze zwaar gestraft: uren in de kou staan, uithongering, mishandeling, soms zelfs executie. Gelukkig konden ze dankzij verschillende wetsbesluiten, die de organisatie van schadevergoedingen van burgerslachtoffers reglementeerden, na de oorlog een schadevergoeding aanvragen bij de Belgische regering.

De schadevergoedingsaanvraag van Victor François
De schadevergoedings-aanvraag van Victor François

Victor François diende op 4 augustus 1919 een schadevergoedingsaanvraag in, net zoals veel andere gedeporteerde arbeiders van Merelbeke. Verschillenden onder hen waren echter ongeletterd. Zij lieten hun aanvragen meestal optekenen door de bevoegde ambtenaar van de gemeente. De aanvragen zijn vrij stereotiep: ze vermelden de duur van de opeising, het dagloon en een opsomming van het aantal pakketten dat de arbeiders van het thuisfront kregen. De opgeëisten die wel konden schrijven, schetsten soms een beeld van de werkomstandigheden. Ze legden bovendien  de nadruk op het leed van henzelf en hun familie. Ze namen een duidelijke slachtofferrol op.

Compensaties

Hoewel de meeste opgeëisten zichzelf als slachtoffer van de bezetting zagen, was die erkenning op nationaal vlak geen evidentie. De Belgische regering had wel begrip voor de gedeporteerde arbeiders zoals Victor, maar tot voor de Eerste Wereldoorlog had het land geen wetgeving die een schadevergoeding voorzag voor haar burgers. Bovendien had België in de naoorlogse periode voornamelijk nood aan vaderlandse helden, zoals soldaten die gestreden hadden voor het vaderland, en minder aan slachtoffers.

Het erekruis voor gedeporteerden.
Het erekruis voor gedeporteerden.

Aanvankelijk kregen de gedeporteerde arbeiders een forfaitaire vergoeding van 150 frank. Na verschillende discussies in het parlement besloot de regering dit bedrag op te trekken. De opgeëisten kregen vanaf 1921 – net als de militairen en de verzetsstrijders – 50 frank per maand dat zij weggevoerd waren geweest. Na een grondig gerechtelijk en geneeskundig onderzoek verklaarde de Rechtbank voor Oorlogsschade Victors aanvraag ontvankelijk. Hij kreeg de forfaitaire vergoeding van 150 frank en later werden zijn geneeskundige kosten terugbetaald, ontving hij een jaarlijkse uitkering van 360 frank voor zijn gedeeltelijke werkonbekwaamheid én kreeg hij eenmalig het bedrag van 850 frank omdat hij 17 maanden weggevoerd was geweest.

Heldenroem

Het oorlogsmonument te Merelbeke.
Het oorlogsmonument te Merelbeke.

Naast financiële compensaties konden arbeiders ook een insigne in de vorm van een bronzen kruis krijgen of (tegen betaling) een diploma ontvangen. Tot slot kregen de gedeporteerde arbeiders vaak een plaats op verschillende lokale herdenkingsmonumenten. In Merelbeke bevat het oorlogsmonument een bas-reliëf waarop een dode man met een schop staat afgebeeld, ondersteund door een jonge man. De schop verwijst naar het lot van de opgeëiste burgers die aan het front te werk werden gesteld om loopgraven te graven. De namen van twaalf overleden arbeiders staan onder het opschrift ‘martelaren’ en niet onder het opschrift ‘helden’.

De nationale erkenning als vaderlandse helden is minder evident dan de wetgeving laat uitschijnen. België heeft geen nationaal monument voor de opgeëisten. Het zijn voornamelijk lokale initiatieven die ervoor zorgden dat de gedeporteerde arbeiders, als oorlogsslachtoffer en niet als held, een plaats kregen op monumenten. Dit spanningsveld is typisch voor post-conflictsituaties, maar voor de gedeporteerde arbeiders was het het belangrijkste dat de regering en hun naaste omgeving hun leed erkenden.

Meer lezen

S. Claisse, ‘Le déporté de la Grande Guerre : un ‘héros’ controversé. Le cas de quelques communes du Sud Luxembourg belge’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 7 (2000),  127-147.

T. Delplancq, ‘Une Chasse aux “Oisifs”. Les Déportations de Civils à Bruxelles en 1917’,  Archives et Bibliothèques de Belgique, 64 (2001), 513-539.

Sulotte De Clercq is gastblogger. Ze schreef aan de UGent een masterproef over  de erkenning van gedeporteerde arbeiders na de Eerste Wereldoorlog.

Het toilet van een archivaris

Victor Fris zat al meteen met zorgen, toen hij in april 1917 als stadsarchivaris van Gent aan de slag ging. Niet alleen moest hij het door de Eerste Wereldoorlog zonder personeel stellen, het archief was ook voortdurend in gevaar. De depots bevonden zich namelijk onder het (lekkende) dak van het stadhuis, wat een tijdige evacuatie bij brand onmogelijk zou maken. Op zijn archiefzolder ondervond de archivaris nog een urgent probleem: er was geen toilet!

De afhandeling van het sanitaire gebrek geeft een verrassend inzicht in de ervaring van de archivaris. In een klein dossier rond de toilettenkwestie – verscholen in een omvangrijke reeks over werken aan stedelijke gebouwen – geeft Fris zichzelf bloot. Samen met enkele brieven uit zijn personeelsdossier toont het hoe hij zijn werk in het archief beleefde.

Voorbeeldige archivaris

Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.
Archiefchaos in de garage van het Witte Huis (Washington, D.C.) in 1935: hier mocht een archivaris niet voor terugdeinzen.

Fris wilde zichzelf een heroïsche archivarissenrol aanmeten. Zo schreef hij in 1918 aan het stadsbestuur dat hij maar al te graag aan zijn vakantie had verzaakt, maar overspanning dwong hem toch vrijaf te nemen. Deze ijver had ongetwijfeld de goedkeuring kunnen wegdragen van François Hye-Schoutheer, die honderd jaar eerder als eerste Gentse stadsarchivaris werd aangesteld. Al in 1814 had deze ambtenaar laten blijken dat hij maar al te goed wist hoe een archivaris zijn functie diende te vervullen.

Volgens Hye moest een archivaris integer, scherpzinnig en actief zijn en een vlekkeloze reputatie genieten. Bij het aanzicht van alle chaos in het archief mocht hij niet aan zijn plicht verzaken, zelfs als jaren van nooit aflatende en moeizame arbeid nodig zouden zijn, vooraleer de rijkdom van het archief in het licht zou zijn gesteld.

Een halve eeuw later stelde archiefliefhebber Jules Huyttens dat heroïsche beeld ietwat bij in zijn Mémoires d’un archiviste. Voor Huyttens vervulden archivarissen nog altijd belangrijk werk – ‘les erreurs leur sont inconnues,’ klinkt het – maar toch waren het vooral gelukzalige wezens. Ze baadden in rust en kalmte, hoewel ze het voortdurend vreselijk druk hadden. De archivaris stond immers altijd klaar om te helpen.

Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.
Dit plan voor de uitbreiding van het urinoir in een van de archiefdepots werd niet uitgevoerd. De wastafel was er al, vlak naast een archiefkast.

Veel archiefbezoekers merkten van die hulpvaardigheid soms wel maar weinig. Deze geïdealiseerde typeringen tonen dus niet noodzakelijk de alledaagse archiefpraktijk. Daarvoor is het nodig achter de schermen te duiken. De toiletklacht van de archivaris geeft daar de kans toe.

‘Pas de latrines!’

Fris was nog geen maand in dienst toen hij de stadsarchitect vroeg om een ‘water-closet hygiénique’ te installeren in het stadsarchief. In een van de archiefdepots was daar voldoende plaats voor; er was namelijk al een urinoir en een wastafel, verscholen in een hoek. Toch verkoos de architect een toilet te installeren in een ongebruikte liftschacht. De stadssecretaris herinnerde zich echter dat daar al eens een gelijkaardige installatie was ondergebracht, die een ondraaglijke stank had voortgebracht. Het project ging bijgevolg niet door.

Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.
Op 10 september 1918 tekende de stadsarchitect dit plan voor een ‘sanitaire inrichting’ op de eerste verdieping van het stadhuis.

De archivaris liet de kwestie niet rusten. Hij vond het niet kunnen dat hij, elke keer de nood zich liet voelen, het stadhuis uit moest om elders aan de ‘wetten der natuur’ te beantwoorden. De toiletten in het stadhuis waren immers verre van toereikend. Na meermaals aandringen werd uiteindelijk in september 1918 een andere oplossing gezocht. Een openbare aanbesteding werd uitgeschreven ‘voor het leveren en plaatsen van 2 gemakken, 2 pisbakken en een waschkom, in een te bouwen kabinet op het 1e verdiep ten stadhuize’. Als het einde van de oorlog de uitvoering van dit werk niet bemoeilijkt heeft, kon de archivaris op 1 december 1918 eindelijk naar een behoorlijk toilet.

Lief en leed

Hoe archiefbezoek in de negentiende eeuw eraan toeging, raakt langzaam ontsluierd. De belevenissen van Belgisch algemeen rijksarchivaris Louis-Prosper Gachard in het Spaanse Archivo General de Simancas zijn bijvoorbeeld niet onbekend. Een probleem stelt zich daarbij wel. Het perspectief van de (doortastende) archiefbezoeker reduceert archivarissen vaak tot levenloze poortwachters, die vooral hun archieven nauwlettend bewaakten. Dat beeld lijkt al te eenzijdig. Hoe voelde het archiefwerk aan voor de archivarissen zelf?

Victor Fris (1877-1925)
Victor Fris (1877-1925)

Wat Fris betreft, blijkt uit zijn loopbaan een grote beroepstrots, die hij met zijn verre voorganger deelde. Zo vond hij het niet kunnen dat het personeelsgebrek hem dwong zich te verlagen ‘tot het peil van den minste der bedienden’, zodat hij geen ‘wetenschappelijk’ werk kon verrichten. Na de oorlog zat het hem dwars dat hij ondanks zijn universitair diploma niet erg hoog stond op de ambtelijke ladder. Fris vond dat zijn bijzondere archivalische vaardigheden zich mochten vertalen in een goede positie, met een evenredig salaris.

Het sanitair gemis maakte het waarschijnlijk allemaal nog wat lastiger. Als archiefwerker diende Fris dan wel onverschrokken te zijn, het gebrek aan een toilet ging hem te ver. Uiteindelijk kon hij in 1925 – vlak voor zijn overlijden – het stadsbestuur overtuigen op zoek te gaan naar een andere archiefhuisvesting, als oplossing voor diverse problemen.

Tijdens zijn korte loopbaan probeerde Fris voortdurend het stadsarchief te verbeteren. Dit toiletverhaal was daar een eerste uiting van. Het toont ook dat niet enkel archiefbezoekers allerhande hindernissen moesten overwinnen. Alvast aan het begin van de twintigste eeuw hoefden archivarissen geen verstarde stoïcijnen te zijn. In Fris’ banale ongemak wordt dat maar al te duidelijk.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, eind negentiende eeuw.
Bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, eind negentiende eeuw.

Vandaag ligt in vele musea bij de uitgang een album waarin het publiek persoonlijke bedenkingen kan neerschrijven. Musea peilen op die manier naar de beleving van hun bezoekers. In de negentiende-eeuwse musea waren ook al bezoekersalbums in gebruik, maar die hadden toen nog een ander doel. Bezoekers werden verzocht om er hun naam, beroep en woonplaats in te noteren. De albums waren nog geen instrument om de appreciatie van het publiek te achterhalen, maar dienden in de eerste plaats om de internationale uitstraling van de museumcollecties aan te tonen.

Van het museum van het Sint-Janshospitaal in Brugge, vandaag bekend als het Memlingmuseum, is een uitzonderlijke reeks bezoekersalbums bewaard gebleven. Die albums bestrijken de periode van 1843 tot 1920 en illustreren treffend hoe het museumbezoek, dat aanvankelijk vrijwel uitsluitend een culturele activiteit van de intellectuele en sociale elite was, in de loop van de negentiende eeuw geleidelijk ingang vond bij een groter en gedifferentieerder publiek. Terwijl het museum van het Sint-Janshospitaal tot circa 1860 overwegend werd bezocht door onder meer schrijvers, notarissen, advocaten, artsen en bankiers, vonden nadien geleidelijk ook sociaal lagere bevolkingsgroepen de weg naar het museum. Steeds vaker registreerden bijvoorbeeld bakkers, landbouwers, kachelmakers en kruideniers zich in de albums. De pleidooien voor de democratisering van het museumbezoek, die in de tweede helft van de negentiende eeuw almaar luider weerklonken, leken dus een zeker succes te ressorteren.

Sommige bezoekers meenden de albums ook voor hun eigen doeleinden te kunnen aanwenden. Op bovenstaande foto is bijvoorbeeld te zien hoe de fabrikant Carl Knorr uit Heilbronn het bezoekersalbum van het museum van het Sint-Janshospitaal in augustus 1890 gebruikte om zijn ‘Suppen’ aan te prijzen.

Tekst: Liesbet Nys. Foto: Brugge, OCMW-archief, Registre des personnes qui ont visité le Cabinet de tableaux de l’hôpital St. Jean à Bruges, renfermant les chefs d’œuvre de Jean Memling.

Toeschouwers zijn indringers

Met ongeveer vijfduizend waren ze, de re-enactors die op 19 en 20 juni 2015 in (de buurt van) Waterloo de gelijknamige veldslag hebben nagespeeld. Ze kwamen naar verluidt uit meer dan vijftig landen en waren allerminst met elkaar in oorlog. Integendeel, het was een feest van verbroedering, een jamboree waar de re-enactors aller landen verzamelen hadden geblazen. Besloten was hun bijeenkomst niet, want zij was tegelijk ook een voorstelling, waarmee de re-enactors aan de buitenwereld wilden laten zien wat ze kunnen. En daar zijn blijkbaar velen nieuwsgierig naar. De kaartjes, nochtans bepaald prijzig, waren lang op voorhand uitverkocht en zowat honderdduizend toeschouwers, onder wie ook duizenden uit het buitenland, vulden de tribunes.

De voorstelling van het verleden

In vele opzichten was het spektakel indrukwekkend, met zijn enorme speelterrein, galopperende paarden, kanongebulder en rook. Maar toch ontbrak het gevoel naar iets échts te kijken of een idee te krijgen van wat het moet zijn geweest om toén op het slagveld te zijn. Op één of andere manier werkt het niet. Natuurlijk omdat je als toeschouwer weet dat je naar een voorstelling zit te kijken, en dat allerlei dingen niet kloppen. Vijfduizend soldaten is veel, maar veel minder dan het er in 1815 zijn geweest, de locatie is niet precies die van de slag, die duurde in werkelijkheid langer en het weer was veel slechter. Je ziet het ook: de boerderijen op het terrein zijn houten decorstukken, en als de rook optrekt blijven geen lijken op het slagveld achter.

Wat echter vooral de historische illusie verstoort, is de aanwezigheid van het publiek zelf en alles wat gedaan wordt om het spektakel voor dat publiek begrijpelijk te maken: de altijd zichtbare tribunes, de klankband met commentaar (in drie talen) en muziek (onder andere Orffs Carmina Burana). Het zou oneerlijk zijn dit de organisatoren of de re-enactors zelf aan te wrijven. Publieksgerichtheid hoort nu eenmaal bij de show. Maar het maakt wel duidelijk dat ‘voorstelling’ en ‘re-enactment’ niet goed samengaan.

De ervaring van het verleden

Napoleon overziet zijn slagveld.
Napoleon overziet zijn slagveld.

De essentie van re-enactment ligt immers in de ervaring van het verleden. Zeker, er wordt ook een didactische waarde aan toegekend, en die kan worden ingeroepen om deze hobby te legitimeren. Zonder twijfel kunnen toeschouwers er inderdaad iets van opsteken. Maar voor de re-enactor is dat bijzaak. Het is niet waar het hem om te doen is. (Of haar, maar de meeste re-enactors zijn mannen.) Re-enactors zijn geen acteurs, en omgekeerd worden acteurs die in een historische films of theaterstukken spelen, geen re-enactors genoemd.

Wat re-enactment maakt tot wat het is, is niet het tonen of kijken, maar het doen zelf. De website van de National Association of Re-enactment Societies (NARES) heeft het over ‘an absorbing experience’, over opwinding en adrenaline. Dat zijn geen hoedanigheden van re-enactment, maar de finaliteit ervan. En het doel wordt bereikt als de speler zich daadwerkelijk in het verleden waant en helemaal met zijn personages samenvalt. Dat is waar hij het voor doet, de ervaring die re-enactors van de Amerikaanse Burgeroorlog een ‘wargasm’ hebben genoemd. De beoogde suspension of disbelief is niet die van de toeschouwer, maar die van de speler zelf.

Zij veronderstelt medeplichtigheid. Re-enactment is immers een activiteit die niet individueel, maar in groep wordt beoefend. De rol die een speler opneemt, maakt deel uit van een groter geheel en kan niet zonder een setting waarin ook anderen optreden. Dat zijn medespelers en dus ingewijden. Re-enactors worden als een ‘community’ omschreven. Ze vormen een gemeenschap, een sociaal universum, waar eigen geplogenheden en regels gelden. De Standaard (17 juni 2015) citeert Gerd Hoad, een 54-jarige Brit, in het legerkamp waar de soldaten de reconstructie van de strijd afwachten: ‘Een echte re-enactor draagt zijn volledige uniform als hij het bivak verlaat. Zie je die kerels daar in hun hemdsmouwen? Dat hoort echt niet.’ Echte re-enactors zijn ingewijden, die de regels kennen en onderhouden. Ze onderscheiden zich van wat de NARES-website omschrijft als ‘those outside re-enactment’. Toeschouwers zijn per definitie buitenstaanders, maar ook indringers en stoorzenders.

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn onderzoek richt zich onder andere op geschiedschrijving en brede historische cultuur in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw.

Oog in oog met het slagveld van Waterloo

Op 19 juni 1815, een dag na de Slag bij Waterloo, kwamen de eerste bezoekers aan op het slagveld. In zijn memoires beschreef de Britse officier Alexander Cavalié Mercer zijn verbazing toen hij tijdens zijn middagmaal een reiskoets zag aankomen. In smetteloze kledij en met geparfumeerde zakdoeken om de stank te verdrijven verkenden enkele ramptoeristen het slagveld, terwijl ze zich behoedzaam en met afgrijzen een weg probeerden te banen tussen de doden en gewonden.

Tweehonderd jaar na de definitieve nederlaag van Napoleon verraadt het herinneringslandschap weinig van wat er zich heeft afgespeeld. De vernielingen, grafheuvels en militaire voorwerpen van gesneuvelde militairen zijn al lang verdwenen. Negentiende-eeuwse reizigers hadden meer geluk. Zij konden zich beroepen op tastbare sporen van de veldslag om zich een beeld te vormen van de strijd. Toch bleek dat ook voor hen allesbehalve een gemakkelijke oefening.

Het tastbare verleden

Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.
Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.

Toeristen die in de eerste weken na de veldslag aankwamen, stonden oog in oog met de talloze lichamen die op en rondom het slagveld waren verspreid. Maar ook maanden en jaren later getuigde het slagveld nog van de strijd. Voor de beleving van de plaats waren tastbare sporen van het verleden onontbeerlijk. Bezoekers gingen er actief naar op zoek en beschreven de af- of aanwezigheid van materiële overblijfselen van de slag in brieven, dagboeken en reisverslagen. De kanonsporen in de aarde of de achtergelaten voorwerpen op het slagveld wakkerden de verbeelding aan en hielpen de bezoeker om zich te verplaatsen naar de bewuste slag van 18 juni 1815.

Toch gaf het verleden zich ook aan de vroegste bezoekers moeilijk bloot. De Britse schrijfster Charlotte Eaton, nog geen maand na de slag ter plaatse, beleefde het slagveld op een heel fysieke manier: ze liet de as van de overledenen door haar vingers glijden. Maar ook voor haar was het onmogelijk om de horror van Waterloo te beschrijven of het zich maar enigszins voor te stellen. De romantische poëet Robert Southey, die in 1816 op bezoek kwam, wist dan weer niet wat hij moest denken bij het zien van bloeiende maïsvelden, klaprozen en viooltjes op de plaats waar de natuur kort geleden helemaal was vernield door het strijdgewoel. Hij drukte zijn hoop uit dat de ruïnes onaangetast de tijd zouden doorstaan, zodat toekomstige pelgrims de plaats konden beleven in dezelfde toestand als bij de overwinning van 1815.

Voor velen was het moeilijk om de scheidingslijn tussen fictie en werkelijkheid te overbruggen. Op de ‘authentieke’ plaatsen waar de gevechten hadden plaatsgevonden lieten bezoekers hun verbeelding de vrije loop, maar dergelijke pogingen strandden continu op de breuk tussen heden en verleden. Hoewel het verleden dichtbij, tastbaar en zintuigelijk waarneembaar was, slaagde men er niet in om het ‘nu’ volledig achter zich te laten.

Misnoegde bezoekers

De hoeve van Hougoumont.
De hoeve van Hougoumont.

Omstreeks 1830 werd het moeilijker om zich voor de geest te halen wat er in 1815 had plaatsgevonden. In de tussenliggende periode waren de sporen en de meeste natuurlijke landschapskenmerken verdwenen. Alleen in de hoeve van Hougoumont vonden veel bezoekers tot ver in de negentiende eeuw waar ze naar op zoek waren. De verwilderde tuin, de bouwvallige staat en de muren met afdrukken van kogels bleven voor de bezoekers representatief voor de hevige gevechten die er hadden plaatsgevonden.

Al met al mondde de zoektocht naar sporen uit in teleurstelling. Reizigers waren zich in toenemende mate bewust van de toeristische industrie die er zich sinds 1815 had ontwikkeld. Bijgevolg namen ze een sceptische houding aan tegenover de aangeboden ‘Waterloo-ervaring’. Gidsen werd verweten steeds dezelfde verhaaltjes op te dreunen, een gekleurde versie van de feiten te geven en leugenachtige anekdotes te vertellen. Ook ontstond er een groot wantrouwen ten opzichte van plaatselijke reliekenverkopers die sinds 1815 allerhande militaire voorwerpen onder het mom van ‘authentiek’ aan de man brachten. Allerlei geruchten over de industriële productie van ‘Waterloo-objecten’ ondergroeven de geloofwaardigheid van handelaars die beweerden dat er ieder jaar nog talloze voorwerpen opdoken tijdens de grondbewerking.

Fictie en werkelijkheid

De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.
De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.

Zelfs het slagveld was niet meer te vertrouwen als historische bron. Onder het bewind van Willem I werd de kolossale leeuwenheuvel in 1826 opgericht op de plaats waar de Prins van Oranje – ‘de held van Waterloo’ –  gewond was geraakt. De constructiewerken zorgden echter voor de teloorgang van het oorspronkelijke herinneringslandschap. De veertig meter hoge kegel bestaat uit de aarde van de glooiing waarachter het Brits-Nederlandse leger zich tijdens de slag had verschanst. Van de glooiing zelf is niets meer te zien.

Fictie en werkelijkheid vloeiden meer dan ooit in elkaar over. De leeuwenheuvel bood weliswaar een uitzicht over het slagveld, maar datzelfde panorama was onwaarachtig, een visuele leugen. Negentiende-eeuwse reizigers tilden hier bijzonder zwaar aan. Een anonieme schrijver in het Nederlandse tijdschrift De Huisvriend meende dat er niets meer te beleven viel in Waterloo: ‘Wat men u tegenwoordig te Waterloo vertoont, heeft hoegenaamd niets van een slagveld. Het is opgegraven, omgewoeld, beplant en veranderd.’

Meer lezen

Jolien Gijbels, ‘Tangible Memories: Waterloo Relics in the Nineteenth Century’, The Rijksmuseum Bulletin, 63 (2015), 228-257.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze deed onder meer onderzoek naar de geschiedenis van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg en de ervaringen van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

Hoe een Belgische spion een held werd in Frankrijk

Er ging een schok door Rijsel toen de Duitse gouverneur in november 1915 het bericht van de dood van een jonge Belgische student aan de stadsmuren liet plakken. Léon Trulin was amper 18 jaar oud. Op 8 november 1915, gisteren precies honderd jaar geleden, werd hij op beschuldiging van spionage door het vuurpeloton geëxecuteerd. Voor de Duitse bezetter was de terechtstelling een waarschuwing naar de bevolking: wie zich tegen het nieuwe bewind keert, hoeft niet op genade te rekenen. Bij het Verzet kwam het bericht van Trulins dood anders aan. Het liet de ware, barbaarse aard van de vijand zien.

Système Noël Lurtin

Foto van de achttienjarige Léon Trulin.
Foto van de achttienjarige Léon Trulin.

Trulin was één van de vele Belgische kinderen die aan het einde van de negentiende eeuw in Noord-Frankrijk opgroeide. Toen hij drie jaar oud was, was zijn familie van het arme Henegouwen naar Rijsel verhuisd, op zoek naar een beter bestaan. Als kind werd hij al gauw met de tegenslagen van het leven geconfronteerd. Hij verloor zijn vader en zijn oudere broer op jonge leeftijd, waardoor hij vanaf zijn veertiende aan de arbeid moest: eerst in de textielfabriek en daarna in de ijzergieterij. Een arbeidsongeval dat hem half-kreupel maakte, zou hem blijven achtervolgen.

Toen de oorlog in oktober 1914 Noord-Frankrijk bereikte, verheugde Trulin zich er zoals vele leeftijdsgenoten op om het vaderland te dienen. En voor Trulin was dit vaderland nog steeds België. Hij bood zich aan bij het Belgische leger, maar werd geweigerd. Te jong en vooral fysiek ongeschikt, zo luidde het oordeel. Het nieuws kwam hard aan. Toch was Trulin beslist zich niet bij de situatie neer te leggen. In het voorjaar van 1915 vluchtte hij via Nederland naar Engeland, in de hoop zo alsnog het Belgische leger te vervoegen. Toen een nieuwe weigering volgde, begaf hij zich naar Folkestone, waar hij de Britse legerleiding van zijn back-up plan wist te overtuigen: het spionagenetwerk Système Noël Lurtin of Léon 143.

Affiche met de officiële bekendmaking van de dood van Trulin.
Affiche met de officiële bekendmaking van de dood van Trulin.

Nog voor hij naar Engeland was afgereisd, had Trulin de vijandelijke loopgraven in de buurt van Rijsel bezocht. Hij had foto’s en aantekeningen over de positionering van de Duitse troepen meegenomen en beloofde het Britse leger nadere inlichtingen voor de hele regio in te winnen. Tijdens de zomer van 1915 richtte hij zijn netwerk op. Vanuit een tiental observatieposten die het spoorwegennet Wervik-Komen-Menen, Rijsel-Arras-Lens en Douai-Valenciennes in de gaten hielden, verzamelde hij met vijf leeftijdsgenoten informatie over de Duitse garnizoenen, hun staat van paraatheid en hun bevoorrading. Trulin nam zelf de gevaarlijke tocht op zich om de berichten over de Nederlandse grens naar Engeland te smokkelen. Hij slaagde hier wellicht twee keer in, tot het op 3 oktober 1915 mis liep.

Een tragisch einde

Dat Trulin na zijn dood tot een volksheld uitgroeide, had veel met de tragiek van zijn arrestatie en terechtstelling te maken. Met zijn metgezel, Raymond Derain, had hij vier lange nachten gemarcheerd (overdag hield hij zich schuil), toen hij op 3 oktober 1915 de Belgisch-Nederlandse grens nabij Putte bereikte. Daar wachtte de elektrische prikkeldraad als laatste hindernis. Volgens de overlevering waren beide vrienden al half onder de bedrading door, wanneer de Duitse grenspolitie hen plots halt toe riep. “Wer da”! Trulin en Derain werden op beschuldiging van spionage gearresteerd. Ze werden eerst naar Antwerpen en nadien naar Rijsel overgebracht, waar ze één maand later, op 7 november 1915, samen met de overige bendeleden hun vonnis te aanhoren kregen.

Executieplaats met gedenkplaat voor Trulin.
Executieplaats met gedenkplaat voor Trulin.

Voor Trulin was het verdict bijzonder zwaar. Hij kreeg als enige de doodstraf en had nog amper twaalf uur te leven. ’s Avonds nam hij afscheid van zijn zussen en mocht hij een laatste sigaret roken met zijn vrienden. Op 8 november volgde de terechtstelling in de bossen rond de citadel. De executie was niet publiek. Enkel een priester kreeg de toestemming om Trulin bij te staan. Na afloop verspreidden zich via de priester allerlei berichten over het contrast tussen de dappere houding van Trulin en de kleingeestige vernederingen van het Duitse vuurpeloton. Trulin zou de blinddoek hebben geweigerd, God om vergiffenis hebben gevraagd en gestorven zijn terwijl hij, zijn hemd openscheurend, ‘leve Frankrijk, leve België!’ riep. Toen de Duitse soldaten hem schrik probeerden aan te jagen door opzettelijk valse schoten af te vuren, gaf hij geen krimp.

In memoriam

Franse postzegel ter nagedachtenis aan Trulin.
Franse postzegel ter nagedachtenis aan Trulin.

Na de executie leidde de herinnering aan Trulin tot een gespannen relatie tussen enerzijds de familie en het Rijselse stadsbestuur, en anderzijds de Duitse Kommandantur.  De familie vroeg om een vrijgave van het lichaam en beriep zich hierbij op een schriftelijk verzoek dat Trulin tijdens zijn laatste levensuren aan de voorzitter van het oorlogstribunaal had opgesteld. Bij de Kommandantur zaten ze verveeld met dit verzoek. De soldaten van het vuurpeloton hadden Trulins lichaam immers in een put in de bossen rond de citadel begraven. Wanneer ook het stadsbestuur druk uitoefende, zwichtte de Kommandantur toch. Op zaterdag 13 november werd het lichaam in het vroegst van de ochtend door Duitse soldaten van de citadel naar het Cimetière de l’Est van de stad overgebracht.

Grafmonument Léon Trulin.
Grafmonument Léon Trulin.

Trulin werd op het kerkhof in de nabijheid van de eerder terechtgestelde spionnen begraven. Zolang de oorlog duurde, vormden hun graven een plek van ingetogen herdenkingen door zowel de familie als het Verzet. Uitingen van publieke appreciatie voor de terechtgestelden waren immers verboden. Dit veranderde na november 1918. De terechtgestelden kregen plots erkenning in de publieke ruimte. Met hun spionage-acties hadden zij hun leven gegeven voor de vrijheid van het vaderland. Onder hen bekleedde Trulin in Rijsel de belangrijkste plaats. Hij werd gehuldigd in het monument voor de gefusilleerden, kreeg een eigen standbeeld, straatnaam en twee gedenkplaten, en ontving postuum Britse, Franse en Belgische oorlogsonderscheidingen. Dat was niet alleen omdat hij de jongste geëxecuteerde spion van de Eerste Wereldoorlog was: in een stad met vele Belgische migranten symboliseerde zijn dood dat de Fransen én de Belgen dezelfde wreedheden van de Duitse agressor hadden moeten ondergaan.

Meer lezen

Robert Vandenbussche (red.), La résistance en France et en Belgique occupées (1914-1918), IRHiS-CEGES, n° 51, Rijsel, 2010.

In de herfst van 2016 opent in het Musée de la Résistance de Bondues (nabij Rijsel) een tentoonstelling over Léon Trulin.

Matthias Meirlaen is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en beleidsmedewerker onderzoek aan de faculteit Letteren van de KU Leuven. Hij deed onder meer onderzoek naar het geschiedenisonderwijs in de achttiende en negentiende eeuw en naar de herinneringscultuur van de Eerste Wereldoorlog.