Wanneer zotten profiteren van gesloten grenzen

Gastblog door Bram De Ridder.

Wat zijn de voor- en nadelen van een gesloten grens? In het zestiende-eeuwse pamflet Der mallen reden-kavel bogen twee zotten zich over deze kwestie. Bij hen geen praktische twijfel of morele verontwaardiging, maar angst en oprechte blijdschap over strengere grenscontroles. De tekst is dan ook het schoolvoorbeeld van hoe grenzen razendsnel het voorwerp worden van ideologische strijd.

De grenskwestie in een notendop

Frans Hals, De nar (ca. 1623-1624, Amsterdam, Rijksmuseum).

Het pamflet werd vermoedelijk geschreven door de Jezuïet Johannes David, een biechtvader en schrijver werkzaam in het Gentse. David beschreef een fictieve discussie tussen twee zelfverklaarde “zotte mutsen”, die ergens in de buurt van Den Haag als knechten aan de slag waren. Beide zotten bespraken het Plakkaat van 4 april 1596, een wettekst waarmee de Protestantse overheid van de ‘Noordelijke Nederlanden’ besloot om de grens met de katholieke ‘Zuidelijke Nederlanden’ een stuk strenger te controleren. Daarbij was het vooral de bedoeling om kwalijke katholieke invloeden buiten te houden, en dan in het bijzonder die van de Jezuïeten: leden van deze orde werden ervan verdacht om onder valse voorwendselen de Noordelijke Nederlanden binnen te komen en vervolgens moordaanslagen voor te bereiden.

Om zulke gevaarlijke aanslagplegers te weren, werd er een algemeen reisverbod uitgevaardigd, met uitzondering van wie een paspoort – een eenmalige reisvergunning – aankocht. De straf voor een illegale grensoverschrijding was niet mals: driehonderd ponden boete en, eventueel, tortuur. Geen enkele Jezuïet mocht het land nog binnen, en na twee maanden moesten ze allemaal het grondgebied verlaten hebben. Ook mocht geen enkele inwoner van de Noordelijke Nederlanden nog gaan studeren aan een Jezuïetencollege of aan de katholieke universiteiten van Leuven en Dowaai.

Een gesloten grens, een tevreden zot

Anoniem, Het Groote Tafereel der Dwaasheid ( 1720, Londen, British Museum).

Het pamflet van Johannes David vormde een sarcastisch geformuleerd commentaar bij de nieuwe wet. De tekst is opgebouwd als een dialoog, waarbij de zotten Iel-Sack en Moenen elkaar plechtig beloofden om alles te zeggen wat in hun hoofd opkwam. Vooral Iel-sack liet daarbij meteen zijn tevredenheid over de nieuwe wet blijken. De recente oprichting van de universiteit Leiden had hem namelijk zo bang gemaakt ““als een jouffrouwen hondeken [dat] vande couwe in een krimpt”. De universiteit zou de Hollanders zo verstandig maken dat er geen huis meer mee te houden viel, en arme zotten zoals zij zouden door de geleerden overstemd worden.

Maar nu het plakkaat het vrije verkeer van ideeën belemmerde, zouden de echte geleerden Leiden snel links laten liggen en zou de “bastaarduniversiteit” tevergeefs proberen om van de Hollandse ezels wijze paarden te maken. Volgens Iel-Sack kenden de Leidse studenten bijvoorbeeld niets van de roemrijke artes liberales, maar waren ze wel bekwaam in zeven andere kunsten: het vrije liegen, het vrije lasteren, de vrije meindeed, het vrije godslasteren, het vrije stelen, de vrije prostitutie, en het vrije moorden. Door de grenzen te sluiten was er met andere woorden een brain-drain ontstaan, en zouden Iel-Sack en Moenen nog vele jaren hun zotternij kunnen verkopen.

De zotste gevolgen van het Plakkaat?

Toch zou het Plakkaat volgens de zotten het einde kunnen betekenen van de welstand van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden: het edict was namelijk veel te streng en zou daardoor iedereen schaden. Iel-Sack dacht dat de verplichting om een paspoort aan te schaffen bedacht moest zijn door een pennenlikker, een “verschovene latijnschuimer”, of een slechte klerk.  Het was duidelijk dat de maatregel vooral geld uit de mensen hun zakken moest kloppen. De grenscontroles waren nu al zo streng dat er overal “magere weiden” werden gecreëerd en de nieuwe paspoorten waren het finale gewicht dat de nek van de Hollandse welstand zou breken.

Matthias Quad, Si credere fas est (1588, Londen, British Museum).

De zotten vergaten daarbij ook het veiligheidsaspect niet uit het oog. Iel-Sack en Moenen dachten dat de Noordelijke Nederlanden met hun Plakkaat zogenaamd spionage wilden vermijden, maar in werkelijkheid de gelegenheid aangrepen om zelf te spioneren. Iel-Sack zei bijvoorbeeld tegen zijn vriend dat de nieuwe wet de gezagsdragers toeliet om “honderd ogen” te hebben. De overheid trachtte  alle hoeken van de wereld te doorzien en te doorsnuffelen, totdat ze iets zou vinden dat een gevaar vormde voor haar macht.

Sociale rechtvaardigheid bleek dan weer ver te zoeken. Kinderen die naar een Jezuïetencollege waren weggelopen, mochten niet langer financieel ondersteund worden door hun ouders. Moenen en Iel-Sack vonden deze maatregel van een “Turkse wreedheid” getuigen en vonden ze zeer ongepast voor een land dat zichzelf als het toonbeeld van rechtvaardigheid beschouwde. Het was intriest dat ouders gedwongen werden hun kinderen van de honger te laten sterven, enkel en alleen omdat het kind zelf zijn geloof niet wilde afvallen. Iel-sack verwachtte dan ook dat deze maatregel bijzonder veel protest onder vrouwen zou veroorzaken: de dames zouden de opstellers van het Plakkaat verdrijven en hen de ogen uitkrabben.

Grenzen en ideologie: het besluit van de ware zot

Iel-Sack en Moenen zijn uiteraard fictieve personages en geen oprechte commentatoren van het zestiende-eeuwse grensbeleid in de Nederlanden. Niettemin klinken hun argumenten bekend in de oren. Een brain-drain, angst voor de economie, privacykwesties en vragen over het behoud van macht en identiteit maken ook vandaag integraal deel uit van debatten rond open en gesloten grenzen. Zowel toen als nu wordt het publieke debat gedomineerd door ideologische stemmingmakerij. Het pamflet waarin Iel-Sack en Moenen aan het woord komen, moet dan ook gelezen worden als bijtend sarcasme namens een overduidelijk katholieke schrijver en niet als een oprechte weergave van de toenmalige situatie. Het gaat om een strijdpamflet, doelbewust in het publiek domein binnengebracht om te provoceren. Het is dan ook de kunst om dergelijke documenten meteen als een vorm van propaganda te beschouwen, en ze los te koppelen van de situatie in de grensgebieden zelf. Want zoals Iel-Sack en Moenen namelijk zeer goed wisten, neemt enkel de echte zot zijn eigen retoriek voor waarheid aan.

Bram De Ridder is gastblogger. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar grenzen, historische vredesverdragen en religieuze tolerantie.

Een gedachte over “Wanneer zotten profiteren van gesloten grenzen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *