Midnight in Paris

Midnight in ParisWoody Allen is een stadsmens. In talloze films heeft hij New York liefdevol in beeld gebracht. De voorbije jaren draaide hij in Europa, in Londen, Barcelona en nu, voor zijn meest recente film, in Parijs. Ook Midnight in Paris is een eerbetoon aan de stad: de stad van de liefde en de nacht, van de verbeelding en het verleden.

De film opent met beelden van Parijs, de kleuren van de stad, het vallen van de avond, op het ritme van de jazz. Hoofdpersonage is Gil Pender, een Californische schrijver, die met zijn vrouw en zijn schoonouders een reisje naar de Franse hoofdstad maakt. Hij is gefascineerd door het Parijs van de jaren twintig. Heeft er zelfs heimwee naar, wil ‘terug’ naar wat hij uit de boeken en in zijn verbeelding kent. Zo anders dan zijn vrouw, die naar eigen zeggen niet buiten de Verenigde Staten zou kunnen leven, en totaal niet vatbaar is voor zijn vatbaarheid. Anders dan zijn schoonouders, aanhangers van de Tea Party en bepaald geen liefhebbers van de Fransen. Anders dan een vriend van zijn vrouw, die ze in Parijs tegen het lijf lopen, een pedante historicus en een onuitstaanbaremister know it all, die weetjes rondstrooit om indruk te maken, maar volstrekt ongevoelig en fantasieloos is.

Gil is dan ook alleen, als hij, dolend door de donkere straten, om klokslag middernacht, wordt opgepikt door een gezelschap in een oldtimer. Zo komt hij in de jaren twintig terecht en ontmoet er de kleurrijke figuren die zijn geliefde setting bevolken, onder wie heel watAmericans in Paris. Eerst Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Cole Porter, daarna Josephine Baker, Pablo Picasso, Henri Matisse, Salvador Dali, Luis Bunuel, Man Ray. Aan de surrealisten kan hij kwijt dat hij uit de toekomst komt, zij hebben daar geen moeite mee. Gertrude Stein is bereid het manuscript waaraan hij werkt, te lezen, en ze keurt het goed.

Elke nacht, om klokslag twaalf uur, wacht Gil de oldtimer op. Hij is verrukt. Met verstomming geslagen door wat hem overkomt, maar niet door wat hij ziet. Alles is zoals hij het zich had voorgesteld. Hoe zou het ook anders kunnen? Het is immers in zijn verbeelding dat hij rondloopt. En die is persoonlijk, dat wordt hem duidelijk gemaakt. Een jonge vrouw deelt zijn heimwee, maar voor haar zijn de jaren twintig het heden en (dus) saai. Ze neemt Gil mee naar nog vroeger, naar de Belle Epoque, het vrolijke Parijs van het einde van de negentiende eeuw. Daar ontmoeten ze Henri de Toulouse-Lautrec, Edgar Degas en Paul Gauguin, en die verlangen dan weer naar de Renaissance. Iedereen heeft zijn eigen gouden tijd. Het verleden voedt de verbeelding. Voor Gil voldoet het heden niet, omdat zijn leven niet voldoet. De ontmoeting met zijn geliefde verleden, inspireert hem om met zijn vroegere leven te breken. De pedante historicus is uit het beeld verdwenen. En de vrouw keert met haar ouders terug naar de Verenigde Staten en gaat in Malibu wonen. Gil blijft in Parijs – gelukkig.

(Tom Verschaffel)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *