De gedeporteerde arbeider: held of slachtoffer?

Gastblog door Sulotta De Clercq.

Tussen 7 en 10 oktober 1916 viel de Duitse bezetter tijdens nachtelijke razzia’s binnen in verschillende huizen in Merelbeke. Dat gebeurde ook in de Pontweg nummer 5. De 26-jarige Victor François werd op 12 oktober 1916 samen met 83 andere Merelbekenaars naar Gent gebracht. Na enkele dagen op water en brood werd hij naar Lemé in Frankrijk gestuurd. Hij werd er door een soldaat mishandeld, raakte verwond aan zijn been en moest een maand lang in het ziekenhuis verblijven. Op 3 oktober 1918 vluchtte de jonge hovenier naar huis. Hij had tijdens zijn verplichte tewerkstelling een spierreumatisme opgelopen waardoor hij voor de rest van zijn leven gedeeltelijk werkonbekwaam was. Maakte dat Victor dan tot een slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog? Of was hij toch ook een held?

De verplichte tewerkstelling

De opgeëisten in Merelbeke.
De opgeëisten in Merelbeke.

Het verhaal van Victor François is geen alleenstaand geval. Niet alleen in Merelbeke, maar in heel België werden jongemannen opgeëist. De oorlog woog namelijk zwaar op de economie en Duitsland kampte met een tekort aan arbeidskrachten. Op 3 oktober 1916 vaardigde het land een officieel opeisingsbevel uit dat als doel had Belgische burgers verplicht te werk te stellen in Duitsland of achter het front in Noord-Frankrijk.

Aan het front verbleven de opgeëisten in verlaten fabrieken of kapotgeschoten schoolgebouwen. Ze moesten er helpen met het graven van loopgraven, maar ook wegen aanleggen en herstellen. Indien ze weigerden, werden ze zwaar gestraft: uren in de kou staan, uithongering, mishandeling, soms zelfs executie. Gelukkig konden ze dankzij verschillende wetsbesluiten, die de organisatie van schadevergoedingen van burgerslachtoffers reglementeerden, na de oorlog een schadevergoeding aanvragen bij de Belgische regering.

De schadevergoedingsaanvraag van Victor François
De schadevergoedings-aanvraag van Victor François

Victor François diende op 4 augustus 1919 een schadevergoedingsaanvraag in, net zoals veel andere gedeporteerde arbeiders van Merelbeke. Verschillenden onder hen waren echter ongeletterd. Zij lieten hun aanvragen meestal optekenen door de bevoegde ambtenaar van de gemeente. De aanvragen zijn vrij stereotiep: ze vermelden de duur van de opeising, het dagloon en een opsomming van het aantal pakketten dat de arbeiders van het thuisfront kregen. De opgeëisten die wel konden schrijven, schetsten soms een beeld van de werkomstandigheden. Ze legden bovendien  de nadruk op het leed van henzelf en hun familie. Ze namen een duidelijke slachtofferrol op.

Compensaties

Hoewel de meeste opgeëisten zichzelf als slachtoffer van de bezetting zagen, was die erkenning op nationaal vlak geen evidentie. De Belgische regering had wel begrip voor de gedeporteerde arbeiders zoals Victor, maar tot voor de Eerste Wereldoorlog had het land geen wetgeving die een schadevergoeding voorzag voor haar burgers. Bovendien had België in de naoorlogse periode voornamelijk nood aan vaderlandse helden, zoals soldaten die gestreden hadden voor het vaderland, en minder aan slachtoffers.

Het erekruis voor gedeporteerden.
Het erekruis voor gedeporteerden.

Aanvankelijk kregen de gedeporteerde arbeiders een forfaitaire vergoeding van 150 frank. Na verschillende discussies in het parlement besloot de regering dit bedrag op te trekken. De opgeëisten kregen vanaf 1921 – net als de militairen en de verzetsstrijders – 50 frank per maand dat zij weggevoerd waren geweest. Na een grondig gerechtelijk en geneeskundig onderzoek verklaarde de Rechtbank voor Oorlogsschade Victors aanvraag ontvankelijk. Hij kreeg de forfaitaire vergoeding van 150 frank en later werden zijn geneeskundige kosten terugbetaald, ontving hij een jaarlijkse uitkering van 360 frank voor zijn gedeeltelijke werkonbekwaamheid én kreeg hij eenmalig het bedrag van 850 frank omdat hij 17 maanden weggevoerd was geweest.

Heldenroem

Het oorlogsmonument te Merelbeke.
Het oorlogsmonument te Merelbeke.

Naast financiële compensaties konden arbeiders ook een insigne in de vorm van een bronzen kruis krijgen of (tegen betaling) een diploma ontvangen. Tot slot kregen de gedeporteerde arbeiders vaak een plaats op verschillende lokale herdenkingsmonumenten. In Merelbeke bevat het oorlogsmonument een bas-reliëf waarop een dode man met een schop staat afgebeeld, ondersteund door een jonge man. De schop verwijst naar het lot van de opgeëiste burgers die aan het front te werk werden gesteld om loopgraven te graven. De namen van twaalf overleden arbeiders staan onder het opschrift ‘martelaren’ en niet onder het opschrift ‘helden’.

De nationale erkenning als vaderlandse helden is minder evident dan de wetgeving laat uitschijnen. België heeft geen nationaal monument voor de opgeëisten. Het zijn voornamelijk lokale initiatieven die ervoor zorgden dat de gedeporteerde arbeiders, als oorlogsslachtoffer en niet als held, een plaats kregen op monumenten. Dit spanningsveld is typisch voor post-conflictsituaties, maar voor de gedeporteerde arbeiders was het het belangrijkste dat de regering en hun naaste omgeving hun leed erkenden.

Meer lezen

S. Claisse, ‘Le déporté de la Grande Guerre : un ‘héros’ controversé. Le cas de quelques communes du Sud Luxembourg belge’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 7 (2000),  127-147.

T. Delplancq, ‘Une Chasse aux “Oisifs”. Les Déportations de Civils à Bruxelles en 1917’,  Archives et Bibliothèques de Belgique, 64 (2001), 513-539.

Sulotte De Clercq is gastblogger. Ze schreef aan de UGent een masterproef over  de erkenning van gedeporteerde arbeiders na de Eerste Wereldoorlog.

Een gedachte over “De gedeporteerde arbeider: held of slachtoffer?

  1. Beste Sulotta,
    Al enkele jaren bestudeer ik het lot van de Belgische opgeëisten van WOI. Af en toe kom ik mensen tegen die ook rond (aspecten van) deze problematiek werken. Uw blog: “De gedeporteerde arbeider: held of slachtoffer?” werd mij gesignaleerd door Saartje Vanden Borre. Op haar vraag leverde ik een artikel af over de civielarbeiders van Groot-Kortrijk, gepubliceerd in “De Leiegouw”. Ik zou het leuk vinden indien ik uw masterproef over de erkenning van de gedeporteerden zou kunnen inzien. Misschien nog leuker: … indien ik met u eens rond deze problematiek live van gedachten zou kunnen wisselen.
    Hartelijk,
    Donald Buyze, Wervik

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *