Door Esther Lamberts

De citaten die in deze blogtekst aan bod komen, zijn door de auteur vertaald uit het Engels.

18 september 1983 in de Franse stad Bordeaux. Het is twintig na negen. We bevinden ons op het International Symposium on Gender Dysphoria, dat aan zijn achtste editie toe is. De volgende presentatie is die van de Amerikaan Garrett Oppenheim. Hij begint meteen met een opvallende vergelijking:

“Hypnose is niet langer een vies woord. Net als de woorden transseksueel en travestiet heeft het een zekere mate van respectabiliteit verworven.”

Brochure 8th International Symposium on Gender Dysphoria. Afkomstig uit: George W. Henry Foundation / Canon Clinton Jones Archive (GLBTQ 2010.01). GLBTQ Archives. Central Connecticut State University, New Britain, Connecticut.

Veranderende visies

Dat openingscitaat, afkomstig van Oppenheim – zelf een hypnotiseur en counselor – geeft de positie weer die hypnose in de jaren tachtig in wetenschappelijke en medische kringen innam, waar het volgens hem als een experimentele methode werd gezien. Hij benadrukte dat die perceptie veranderd was. Net als “transseksueel” en “travestiet”, zo merkte hij op, werd het steeds meer gerespecteerd. Hypnose was niet louter een medische techniek, maar ook een cultureel beladen praktijk die moest vechten voor legitimiteit in de medische wereld, net als het opkomende domein van de transzorg.

Oppenheims lezing, getiteld ‘Some Uses of Hypnosis in Diagnosing and Treating Gender Dysphoria’, was de eerste kennismaking met hypnose op een symposium over genderdysforie. Door zijn positie – als hypnotiseur die met “travestieten” en “transseksuelen” werkt – bevond Oppenheim zich op het snijvlak van beide domeinen.

Een trans persoon die in de zaal zat, beschreef de lezing van Oppenheim in een tijdschrift als fascinerend en nuttig, en wees ook op de verschillende creatieve manieren waarop hij hypnose inzette. Dat roept meerdere vragen op: wanneer kwam Oppenheim bijvoorbeeld als hypnotiseur bij trans personen terecht? En wat zijn die creatieve manieren dan waarop hij hypnose bij de behandeling van trans personen inzette?

Garrett Oppenheim

Maar, allereerst: wie was die Oppenheim nu eigenlijk? Tot het einde van de jaren ’60 was hij actief als journalist en redacteur. Wanneer de krant waarvoor hij schreef ophield te bestaan werd hij counselor en raakte hij erg geïnteresseerd in hypnose. Vanaf de jaren zeventig ontwikkelde hij een bijzondere interesse in het begeleiden van trans- en genderdysfore personen met zijn organisatie CONFIDE, die hij in 1971 oprichtte  in New York.

Garrett Oppenheim en Fae Robin in een brochure van Confide. Foto door Allyn Z. Baum. Afkomstig uit: George W. Henry Foundation / Canon Clinton Jones Archive (GLBTQ 2010.01). GLBTQ Archives. Central Connecticut State University, New Britain, Connecticut.

Binnen CONFIDE trad Oppenheim op als directeur, en zijn vrouw, Fae Robin als adjunct-directeur. CONFIDE bood een uniek scala aan diensten aan, waaronder een driedelige interviewcasetteserie: “The Way of a Transsexual”. Het is in die reeks dat Oppenheim zijn interesse in hypnose zal verbinden aan trans.

In 1975 verscheen in die interviewserie namelijk de 41 minuten durende cassette “How the Doctor Can Help“. In die opname ging Oppenheim met Leo Wollman, een arts en hypnotiseur, in op de vraag:

“Hoe kan hypnose helpen bij de beslissing wie de [genderbevestigende] operatie wel of niet zou mogen ondergaan?”

Door toegang te krijgen tot het onderbewuste van de patiënt probeerden ze te achterhalen of de wil tot de operatie oprecht was. Hypnose, zo legden ze uit, kon helpen om vast te stellen wie “transseksueel” was, en hen onderscheiden van “travestieten” of “homoseksuelen”. Het kon dus worden ingezet als diagnostisch hulpmiddel, een beslissend instrument in het al dan niet toelaten van een ingreep.

Hypnose en trans: een veelheid aan therapeutische toepassingen

In haar hypnose-blog van vorige week toonde Kaat Wils dat in de late negentiende eeuw het geloof in de rol van hypnose in het “behandelen” van homoseksualiteit groot was. Hetzelfde patroon deed zich in de tweede helft van de twintigste eeuw voor met betrekking tot “transseksualiteit”.

Uit Oppenheims presentatie voor het symposium blijkt bovendien dat hij hypnose ook inzette om gedrag of gedachten te veranderen. Op die manier gebruikte hij het ook als hulpmiddel om conversie te ondersteunen:

Cassette: ‘The Way of a Transsexual: How The Doctor Can Help’. The ArQuives, Ruper Raj Fonds. Foto door de auteur.

“Hypnose heeft bepaalde zelfbenoemde transseksuelen ertoe gebracht af te stappen van hun verlangen naar geslachtsverandering.”

Net zoals hypnose bij conversietherapie voor homoseksualiteit tot ver in de twintigste eeuw werd ingezet, illustreert dit voorbeeld hoe het ook bij trans personen gebruikt werd. Niet alleen bij seksualiteit maar ook bij genderidentiteit zou het, aldus Oppenheim, succesvol ingezet kunnen worden om gedachten of gedrag bij te sturen.

Toch zien we hoe Oppenheim ook andere “vrijwel onbeperkte therapeutische toepassingen” bij hypnose plaatst.  Hij lijst ze één voor één op:

“Bij het opbouwen van zelfvertrouwen om in vrouwenkleding naar buiten te treden; bij het nemen van beslissingen, zoals aan wie en wanneer je het vertelt, of hoe je met kinderen omgaat; in het omgaan met angstige situaties zoals rechtszaken, sollicitatiegesprekken, examens of seksuele intimiteit; bij het verlichten van fysieke pijn tijdens elektrolyse of na een operatie; bij het afsluiten van oude relaties en het aangaan van nieuwe.”

In bovenstaande waaier aan voorbeelden positioneert Oppenheim hypnose dan weer duidelijk als een ondersteunende tool binnen genderbevestigende zorg. Door middel van progressiehypnose en suggesties focuste hij met zijn patiënten onder andere op het verbeteren van zelfvertrouwen en het verminderen van pijn in verschillende stappen van een sociale en/of medische transitie.

Terwijl conversietherapie in de jaren tachtig nog steeds wijdverbreid was, waren er sinds het midden van de jaren zestig in de Verenigde Staten steeds meer mogelijkheden voor trans personen die op zoek waren naar genderbevestigende zorg. Oppenheims werk toont hoe hypnose binnen transzorg meerdere, soms tegenstrijdige doelen kon dienen en dat er dus geen sprake was van een eenduidige aanpak. Hypnose kon fungeren als diagnostische tool, als middel tot normering, maar ook als ondersteuning bij een gendertransitie.

Het kon enerzijds binnen conversietherapie worden ingezet om iemand van het idee van een genderbevestigende ingreep af te helpen, maar anderzijds ook net als ondersteuning bij zo’n traject. Juist omwille van de veelzijdigheid en flexibiliteit vond hypnose een plek in een zorgcontext die getypeerd werd door veel discussies over hoe men trans personen moest begrijpen en behandelen.

Judith Pintar and Steven Jay Lynn, Hypnosis: A Brief History (New Jersey: Wiley-Blackwell, 2008).

Wie meer wil lezen over hypnose, kan ook terecht op de blogs die Kaat Wils daarover schreef in 2024 en 2026.

Esther Lamberts is als FWO-apirant verbonden aan de Onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Esthers onderzoek focust op transgendergeschiedenis in België, de Verenigde Staten en Canada tussen 1960 en 2000 onder de titel Transnationale trans geschiedenis: netwerken in een nieuw perspectief”.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.