Door Tine De Keyser
Het was warm op 2 augustus 1884. Heel warm. Dat heeft de iguanodon in Brussel geweten. De dinosaurus stond er in een glazen kooi, in de volle zon, in de binnentuin van het natuurhistorisch museum. “[L]’iguanodon fond sur place comme un grand morceau de sucre qu’on aurait trempé dans l’eau”, las je in de kranten. Je vraagt je misschien af wat die dino daar stond te doen. Een glazen vitrine, buiten, is niet de meest ideale plek voor een dinofossiel, zou je denken. Wel, dat zit zo. Deze iguanodon en zijn confraters waren eregasten van het museum, zo belangrijk dat ze steeds hun eigen, speciale plek kregen. Door hen paste het museum zich aan, verhuisde en breidde uit. Die glazen kooi was nog maar het begin.
Van kerkhof tot kraamkamer

In 1878 botsten mijnwerkers in Bernissart, een mijndorp in België, op een merkwaardig stuk hout. Alleen, het bleek geen hout te zijn, maar een fossiel fragment van een dinosaurus: de Iguanodon. Het natuurhistorisch museum in Brussel werd op de hoogte gebracht en bekommerde zich om de beenderen. Uiteindelijk kwamen er een dertigtal iguanodonskeletten boven water – of liever gezegd, boven de grond. De Belgen waren fier, want het was de eerste keer ooit dat er volledige dinosaurusskeletten gevonden werden, en zoveel nog wel.
Het museum ontfermde zich over de reconstructie van de geraamtes. Beetje bij beetje herrees zo in Brussel een iguanodon schijnbaar uit de dood, tot er een volledig skelet van bijna vijf meter hoog boven het restauratieteam uit torende.
Een kooi van glas

Het publiek stond te popelen om die imposante dinosaurus van dichtbij te bewonderen. Alleen was er een probleem: het skelet was te groot en paste niet in de zalen van het museumgebouw. Alles werd uit de kast gehaald om de iguanodon toch een plekje te geven: balken, ijzeren stangen en veel glas. De dino kreeg in 1883 een hoogst persoonlijke glazen kooi op de binnenplaats van het museum. De iguanodon was zo belangrijk, dat de ruimte zich er maar naar moest schikken.
Het publiek kwam zich vergapen aan het majestueuze fossiel, maar Edouard Dupont, de museumdirecteur, en zijn personeel hadden het grootser voor ogen. De glazen kooi was goed en wel als tijdelijke oplossing, maar liefst lieten ze de hele familie iguanodons nog meer tot hun recht komen.
Een verhuis naar grotere oorden
Na wat gelobby in de Kamer, viel het besluit: het museum mocht verhuizen naar een kloostergebouw in het Leopoldpark, net buiten het Brusselse centrum. Dat gebeurde in 1891. De grotere lokalen daar maakten het mogelijk de collectie meer eer aan te doen. In het nieuwe gebouw konden de iguanodons zelfs aan gezinsuitbreiding doen: maar liefst vijf geraamtes werden er bij elkaar tentoongesteld. Dat was opmerkelijk, want in de meeste natuurhistorische musea van die tijd was het ongebruikelijk om fossielen van eenzelfde soort in veelvoud op te stellen. De trots voor deze iguanodons droop er dus van af. Toch was het niet genoeg. Het museum moest nog verder uitbreiden, zo oordeelde Dupont. De collectie verdiende nog meer plaats, nog meer luister.
Een nieuwe vleugel

Dupont wendde zich tot de Brusselse architect Emile Janlet om een nieuwe museumvleugel te ontwerpen. De effectieve uitbreiding van het gebouw kwam er in 1905. De collectiestukken – iguanodons incluis – kregen in de nieuwe Janlet-vleugel nog meer ruimte om te pronken.
Tussen de vitrines reisden bezoekers doorheen de tijd, want de fossielen stonden chronologisch opgesteld. Bij het binnenkomen stuitten de mensen meteen op de meest recente fossielen. Wanneer ze verder wandelden, de gangpaden door, werden de fossielen steeds ouder en ouder. Je zou bijna zeggen dat de bezoekers afdaalden in de tijd, maar niets is minder waar: ze stégen in de tijd.

Hier en daar moesten de bezoekers enkele treden omhoog in hun tocht naar het einde van de zaal. De vloer bestond namelijk uit meerdere niveaus, het laagste punt bij de ingang. Eens bezoekers hun volledige klim door dat diepe verleden gemaakt hadden, kwamen ze aan het letterlijke hoogtepunt van de hal. Aan de apotheose van de tijd die ze met hun stappen aan elkaar geschakeld hadden.
Je raadt het al. Op die hoogste tree, op de troon van het museum, prijkten de iguanodons. Welgeteld tien exemplaren stonden er als een horde bij elkaar. Indrukwekkend was het zeker. Dat zijn ze trouwens nog steeds. Ook al zijn de iguanodons niet meer met tien, ze vinden ook vandaag nog hun thuis in de Janlet-vleugel; een blijvend pronkstuk van het museum.
Dino’s van belang
De iguanodon die het eerst moest doen met een geïmproviseerd plekje in de binnentuin, kreeg uiteindelijk de meest prominente plaats in een prachtig stukje architectuur. Dat deze topexemplaren van dinosaurussen op Belgische bodem gevonden waren, wekte zoveel trots dat het museum er alles aan deed ze op de meest glorieuze manier tentoon te stellen: ze pasten de beschikbare ruimte aan, verhuisden naar grotere gebouwen en breidden die zelfs nog uit. Zo zie je maar. Ook dode dino’s hebben best wel wat te dicteren.
Meer lezen?
Godefroit, Pascal. Les iguanodons de Bernissart: des fossiles et des hommes. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 2024.
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Van Museum tot Instituut: 150 jaar natuurwetenschappen. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, 1996.
Tine De Keyser is als FWO-aspirant verbonden aan de Onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Tine’s onderzoek focust op de historische verbeelding van dinosauriërs onder de titel “Tussen feit en fictie: de verbeelding van dinosauriërs in de Belgische wetenschap en cultuur van 1854 tot 1914″.
Titelafbeelding: tekening (1882) van Gustave Lavalette, van een iguanodonskelet zoals het gevonden werd in Bernissart. Beeld gemaakt door KBIN.
