Door Christiaan Engberts

Tijdens het feestjaar naar aanleiding van 600 jaar KU Leuven schrijft postdoctoraal onderzoeker Christiaan Engberts elke maand een blogtekst over de geschiedenis van de Leuvense universiteit in de wereld. Dit is de achtste blogtekst uit de reeks, zijn andere blogteksten kan je hier lezen.

Een nieuwe interesse in het Midden-Oosten

Westerse interesse in het Midden-Oosten is altijd sterk beïnvloed geweest door het feit dat het grootste deel van de Bijbel zich afspeelt in de regio. Tot halverwege de negentiende eeuw betekende dat dat Europese geleerden relatief weinig interesse toonden voor het contemporaine Midden-Oosten, en zich in hun onderzoek vooral op Bijbelse tijden richtten.  In de laatste decennia van de negentiende eeuw leidde dat religieuze uitgangspunt echter tot een toenemende interesse in de volkeren, geografie en natuur van het eigentijdse Midden-Oosten. Een betere kennis van het Heilige Land zelf zou namelijk ook het begrip van de Heilige Schrift kunnen bevorderen.

Die nieuwe Westerse interesse manifesteerde zich op verschillende manieren. Zo was er een sterke toename van Europees toerisme in Palestina. Daarnaast werden er verschillende organisaties opgericht om nieuw archeologisch onderzoek in het Heilige Land te stimuleren. Foto’s, kaarten en afgietsels van Bijbelse plaatsten bleken een gat in de markt: ze gingen als zoete broodjes over de toonbanken van Amerika en West-Europa. Tenslotte openden steeds meer musea tentoonstellingen die aan de archeologie en cultuur van het Heilige Land gewijd waren.

Een beroemde toerist in Jeruzalem: de Duitse keizer Wilhelm II bezoek de Tombe van David in 1898 (Bron: Wikimedia Commons)

Een Bijbels Museum in Leuven

Die ontwikkeling bleef in Leuven niet onopgemerkt. In 1910 besloot rector Paulin Ladeuze tot de oprichting van een Bijbels Museum binnen de muren van de Leuvense universiteit. Die laatste bezat op dat moment al een bescheiden collectie met voorwerpen uit het Heilige Land, die gebruikt werden ter ondersteuning van het onderwijs in de archeologie en de kunstgeschiedenis. Ladeuzes nieuwe museum zou echter in de eerste plaats theologiestudenten moeten dienen. Het moest hen een beter begrip van met name het Nieuwe Testament bijbrengen.

In Leuven besefte men dat het inrichten van een aantrekkelijke en representatieve collectie niet gemakkelijk was. Voorwerpen die licht konden doen schijnen op het Bijbels verleden waren zeer gewild in Europa en Noord-Amerika en dit leidde tot een oververhitte markt: kapitaalkrachtige kopers uit Engeland, Duitsland en – vooral – de Verenigde Staten stuwden de prijzen flink omhoog. De Leuvense universiteit had niet zulke diepe zakken als die kopers, maar ze had wel een strategisch voordeel: als Katholieke institutie had zij nauwe banden met een wijd netwerk van Katholieke instellingen in Palestina.

Katholieke steun in Palestina

Een van de eerste Palestijnse contacten van Ladeuze was Joseph Germer-Durand, een Franse Assumptionist die niet alleen lesgaf aan de École Biblique in Jeruzalem, maar ook de stichter was van een Bijbels Museum in het Notre-Dame de France gasthuis in diezelfde stad. Germer-Durand zou in de jaren tot aan de Eerste Wereldoorlog een belangrijke bemiddelaar voor de Leuvense universiteit zijn. Het Leuvense museum profiteerde van zijn kennis van de lokale antiekhandel en met name ook van zijn vertrouwdheid met de Bedoeïenen die hun vondsten uit de binnenlanden op de markten van Jeruzalem aanboden.

Het Notre-Dame de France gasthuis in Jerusalem (Bron: Library of Congress)

Daarnaast waren ook de Witte Paters van Jeruzalem bereid om bij te dragen aan Ladeuzes ambities. Onder leiding van Léon Cré waren zij al druk bezig met opgravingen onder hun eigen kerk in het Heilige Land, de Sainte-Anne de Jérusalem. Ze hadden zo een kleine collectie aan voorwerpen bijeen gegraven waaraan Cré refereerde als ‘ons kleine museum.’ Cré zou enkele jaren functioneren als coördinator van de Leuvense aankopen in Palestina. Hij werd daarbij geholpen door specialisten in zijn eigen orde. Zo was Pater Decloedt specialist in oude munten en struinde hij de lokale markten af op zoek naar koopjes. Pater Laurent had dan weer een brede biologische kennis en verzamelde gedroogde planten en opgezette vogels voor het Leuvense museum.

Een preparaat uit het herbarium van het Bijbels Museum (Bron: Blendeff)

De voordelen van lokale kennis

De contacten met religieuze specialisten waren om twee redenen belangrijk voor de Leuvense universiteit. In de eerste plaats maakte hun hulp het mogelijk om voor een relatief voordelige prijs voorwerpen te verwerven. Zonder steun van dergelijke netwerken zou de universiteit aangewezen zijn geweest op markten die gedomineerd werden door rijke concurrenten uit Europa en Amerika. De continue aanwezigheid in Jeruzalem van mensen als Germer-Durand en Cré maakte het echter mogelijk geduldig te wachten tot er koopjes op de markt verschenen. Zo hoefde het Leuvense museum met zijn beperkte budget nauwelijks te concurreren met de kapitaalkrachtige kopers die zo’n groot deel van de markt domineerden.

Daarnaast waren de contacten met de École Biblique en de Assumptionisten onmisbaar om de aangeschafte voorwerpen van Palestina naar België te krijgen. Palestina was in in de decennia voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deel van het Ottomaanse rijk, waar sinds de jaren 1870 strenge wetten bestonden over de uitvoer van antiek. Ladeuzes contacten waren echter behendig in het ontlopen van de Ottomaanse grenscontroles. In een brief die hij in 1911 aan de rector schreef, benadrukte Germer-Durand bijvoorbeeld dat “de uitvoer van antieke voorwerpen altijd verboden is voor de Turkse wet”, waarna hij in één adem de rector geruststelde: hij zou zoals altijd een manier weten te vinden om dergelijke moeilijkheden te omzeilen.

Maquette van de tombe van Jezus Christus uit het Bijbels Museum (Bron: Blendeff)

Het Heilige Land in de kelder

De collectie van het Bijbels Museum heeft de brandstichtingen en vernielingen van de Eerste Wereldoorlog grotendeels overleefd. Een deel van de zendingen die kort voor augustus 1914 uit Palestina verzonden waren, arriveerde in de vroege jaren twintig zelfs alsnog in Leuven. In de Tweede Wereldoorlog is echter wel een groot deel van de collectie verloren gegaan. Wat er van de collectie nog overbleef, is uiteindelijk kort daarna opgenomen in de Nabije-Oostencollectie van de universiteit.

Toch kan een deel van de oorspronkelijke verzameling van het Bijbels Museum ook vandaag de dag nog in Leuven bewonderd worden. Een deel van de opgezette dieren behoort bijvoorbeeld tegenwoordig tot de verzameling van het Museum voor Dierkunde. Enkele andere voorwerpen, zoals een gipsafgietsel van de tombe van Jezus, zijn dan weer te bezichtigen in het Didactisch Museum Archeologie in de kelder van het Erasmushuis.

Jonas Dancker and Bernard Van den Driessche, Boegbeeld in de kelder: Een geschiedenis van de archeologische collectie van de KU Leuven (Leuven: Leuven University Press: 2022), 21-24.

Michael Greenhalgh, Plundered Empire: Acquiring Antiquities from Ottoman Lands (Leiden, Brill: 2019).

Christiaan Engberts werkt als postdoctoraal onderzoeker aan de transnationale geschiedenis van de Leuvense universiteit in het kader van haar 600-jarige jubileum in 2025. In 2019 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden met een proefschrift over wetenschappelijke deugden en wederzijdse evaluatie onder Duitse geleerden in de late 19e en vroege 20e eeuw. In de jaren voorafgaand aan het onderzoek naar de transnationale geschiedenis van de Leuvense universiteit doceerde hij cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en publiceerde hij onder meer over de geschiedenis van de oriëntalistiek en de psychologie.

Titelafbeelding: Gustav Bauernfeind – Jerusalem from the Mount of Olives at Sunrise (1902) (Bron: Wikimedia Commons).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.