Door Kaat Wils
In 1939 was de jonge Amerikaanse psycholoog Robert MacLeod te gast aan de Leuvense universiteit, met een onderzoeksbeurs van de Belgian American Educational Foundation (BAEF). In het verslag dat hij op het einde van het jaar voor de stichting schreef, klonk niets dan lof. Het labo van de vermaarde Albert Michotte, waar hij het hele jaar had gewerkt, was werkelijk uitstekend. Michotte was een gedreven, genereuze en betrokken mentor geweest. Hij had MacLeod voortdurend ondersteund bij zijn onderzoek en hem gestimuleerd om deel te nemen aan congressen in Engeland, Zweden en Frankrijk.
“Nu de grote Duitse instituten ingestort zijn”, zo rapporteerde MacLeod, “is het Leuvense instituut zonder twijfel een van de beste, en mogelijk zelfs het beste instituut in Europa.” En hij vervolgde: “Leuven is natuurlijk een katholieke universiteit en trekt daarom eerder Amerikaanse katholieken dan Amerikaanse niet-katholieken aan. Voor zover ik kon nagaan, was ik de enige Amerikaanse niet-katholiek aan de universiteit. Dit is, denk ik, een ongelukkige situatie. De algemene houding op de universiteit, en in het bijzonder in het psychologisch instituut, is zo liberaal dat een niet-katholiek op geen enkele manier in verlegenheid wordt gebracht en elke gedachtewisseling in een uiterst vriendelijke geest plaatsvindt.”
Reputatiemanagement
Het korte tekstfragment nodigt uit om even stil te staan bij de geschiedenis van academische vrijheid aan de Leuvense universiteit. Dat de Amerikaan MacLeod in zijn verslag benadrukte dat de sfeer aan de universiteit zo ‘liberaal’ was, vertelt veel over de verwachtingen die hij zelf had, of die hij bij zijn lezerspubliek, de Brusselse BAEF, vermoedde. Van een katholieke universiteit werd niet verwacht dat er een ‘liberale’ sfeer van vrije gedachtenuitwisseling heerste. De BAEF zelf was zeker niet vrij van vooroordelen op dat gebied. Zo was er eind jaren 1920 het voorstel om de Leuvense bioloog Victor Grégoire, het gezicht van het vermaarde Carnoy-instituut voor celbiologie, te selecteren als gasthoogleraar in de Verenigde Staten. Grégoire was een geestelijke, en zijn zwarte soutane maakte dat ook heel zichtbaar. De Amerikaanse stafleden van de stichting hadden zo hun twijfels: “Grégoire is first class, but a priest as Visiting Professor might be a bit drôle”, zo werd genoteerd. Een priester uitsturen als ambassadeur van de Belgische wetenschap bleek moeilijk te liggen; Grégoire werd niet geselecteerd.
Een geschiedenis van academische vrijheid is met andere woorden ook een geschiedenis van reputaties en van reputatiemanagement. Met name in de negentiende eeuw werd de Leuvense academische identiteit gevormd vanuit een gemediatiseerde strijd met de vrijzinnige Brusselse universiteit. Die claimde een monopolie op echt vrij onderzoek. Soms werd die externe, ietwat minachtende blik ook geïnternaliseerd in Leuven. Het leek dan alsof enkel niet-katholieken een wetenschappelijk oordeel over het werk van katholieken konden vellen. Toen de benoeming van Michotte in 1906 bij de rector moest worden bepleit, was bijvoorbeeld als argument aangehaald dat hij grote lof had ontvangen op een recent internationaal congres dat nagenoeg uitsluitend uit niet-katholieken bestond. Als zelfs niet-katholieken Michotte een goede wetenschapper vonden, moest het wel waar zijn, zo luidde de suggestie.
Autoritaire regimes
Keren we terug naar MacLeod in 1939. Dat het Leuvense labo voor psychologie kon worden omschreven als misschien wel het beste van Europa, was ook deels te ‘danken’ aan wat MacLeod de collapse van de grote Duitse centra noemde. De academische impact van de opkomst van fascisme en nazisme kan MacLeod niet zijn ontgaan: tijdens het jaar dat hij in Leuven te gast was, gaf Michotte in zijn labo onderdak aan een gevluchte joods-Italiaanse onderzoekster. Al in 1931 was aan Italiaanse universiteiten een eed van trouw aan het fascistische regime geëist. Van de 1250 geviseerde academici waren er 12 die weigerden de eed te zweren. Zij werden alle 12 ontslagen. De grote meerderheid van wie de eed wél aflegde, identificeerde zichzelf niet met het fascisme, maar zocht een manier om te overleven, zoekend naar een middenweg tussen lippendienst aan het regime en ‘normaal’ academisch werk.
Als we vandaag aan de geschiedenis van academische vrijheid denken, denken we wellicht niet in de eerste plaats aan de moeilijkheden van een katholieke universiteit om wetenschap en geloof met elkaar te verzoenen. We denken veeleer aan de beperkingen die totalitaire regimes aan universiteiten hebben opgelegd – en aan hoe zij dat vandaag opnieuw, in toenemende mate doen.
De geboorte van een begrip

Ik keer een laatste keer terug naar MacLeod, maar nu om te kijken naar wat er niet staat in zijn kleine lofrede op de wetenschappelijke en liberale geest in Leuven. Het woord ‘academische vrijheid’ valt niet in zijn tekst en dat is geen toeval. Zeker in de negentiende eeuw werd het concept academische vrijheid niet gebruikt voor discussies die we vandaag onder die noemer brengen. Dat begon pas te veranderen in de loop van de twintigste eeuw. In 1915 bracht de Amerikaanse vereniging van universiteitsprofessoren een eerste Declaration of Principles of Academic Freedom and Academic Tenure uit. In de decennia die volgden, begon academische vrijheid aan zijn opgang als een structurerend element in de zelf-definiëring van een academicus (aanvankelijk voornamelijk verbeeld als witte man), en vervolgens ook van een universiteit als geheel.
Archieven gezocht
Het is altijd een hachelijke onderneming om de geschiedenis te schrijven van een fenomeen dat zeer actueel is, maar waar geen eenduidige referent in het verleden aan beantwoordt. Het gevaar loert dan om de hoek om uit te komen bij een wat naïeve voorgeschiedenis van het heden – bijvoorbeeld in de vorm van een rechtlijnig verhaal over alsmaar toenemende academische vrijheid. Naast deze interpretatieve uitdaging is er ook een meer technisch-methodologische moeilijkheid: naar archiefdozen of documenten getiteld ‘academische vrijheid’ is het vruchteloos zoeken.
Het onderzoek kan niet anders dan via omtrekkende bewegingen te werk gaan, speurend naar momenten van conflict en dus explicitering enerzijds en naar kleine, meer alledaagse snippers zoals die van MacLeod anderzijds. Dat is bijzonder boeiend maar ook intensief werk, dat noodgedwongen steekproefsgewijs of op basis van al bestaand vooronderzoek verloopt.
Meer lezen?
Sarah Van Ruyskensvelde, Kaat Wils en Rajesh Heynickx (red.) Academische vrijheid. Een Leuvense geschiedenis, 1834-2024. Universitaire Pers Leuven, 2025. Met bijdragen van Nelleke Teughels, Bas De Roo, Stijn Knuts, Nienke Roelants, Helder de Schutter en Luc Sels.
Kaat Wils en Pieter Huistra (2021), ‘Scholarly Persona Formation and Cultural Ambassadorship: Female Graduate Students Travelling Between Belgium and the United States,’ In: Kirsti Niskanen and Michael Barany (eds.), Gender, Embodiment, and the History of the Scholarly Persona, Palgrave Macmillan, 2021, 83-111.
Kaat Wils, “Vier redenen om ondanks alles van Leuven en zijn universiteit te houden“, Cultuurgeschiedenis. be (15 januari 2020).
Pieter Huistra, “De eerste vrouw in Leuven“, Cultuurgeschiedenis.be (30 april 2014).
Kaat Wils is gewoon hoogleraar moderne Europese Cultuurgeschiedenis en hoofd van de Onderzoekseenheid Geschiedenis van de KU Leuven.
Titelafbeelding: Cover, Academische Vrijheid. Een Leuvense geschiedenis, 1834-2024 (Leuven: Leuven University Press, 2025).
Foto: © Karin Borghouts in het kader van 600 jaar KU Leuven.


