Door Maarten Langhendries

In 1906 zette Tongenaar Hyacinthe Vanderyst voet aan wal in de Congo Vrijstaat. Een jezuïet vers uit Rome met net vier jaar studie achter de kiezen. Maar geen broekventje: Vanderyst was al 46 wanneer hij als missionaris naar de kolonie trok, uitzonderlijk oud in die tijd. Hij had dan ook geen typische missionarissenachtergrond. Zijn roeping kwam pas op latere leeftijd en Vanderyst was meer wetenschappelijk geschoold dan veel van zijn collega’s. Zijn academische achtergrond zou de carrière van Vanderyst bepalen.

Portret van de missionaris als een jonge man

Buste van Alphonse Proost (1847-1931) (Foto: KU Leuven, digitaal labo)

Vanderyst was in de eerste plaats landbouwkundige. Hij studeerde agronomie aan de KU Leuven en werkte als jongeman in de jaren 1880 en ’90 voor het Ministerie van Landbouw. Vanderyst stond erg onder invloed van de notoire Alphonse Proost. Die katholieke hoge ambtenaar en professor had ambitieuze ideeën voor het landbouwonderwijs, waarin hij een groter belang voor de wetenschappen voorzag. Hij schreef polemische artikels over evolutieleer, materialisme en positivisme en mengde zich in het debat over de relatie tussen wetenschap en geloof met stellingen die hem in zijn eigen katholieke kringen niet altijd in dank werden afgenomen. Het verwijt dat hij te veel meeging in de positivistische hoerastemming over de exacte wetenschappen, leverde Proost zelfs een ticketje naar Rome op om daar zijn stellingen te verdedigen.

Vanderyst, die als landbouwkundige in België vooral veel bodemanalyses uitvoerde, had wel oren naar de ideeën van Proost over een rationele landbouwkunde. In één van zijn rapporten merkte hij op dat “het empirisme plaats moet maken voor wetenschappelijke en rationele methoden”. Hij trad zijn relschoppende leermeester bij dat de Europese landbouw maar economisch rendabel kon zijn als ze ook wetenschappelijk gegrond was. Vanderyst werd zo een sterke pleitbezorger van de wetenschappelijke methode en zag een belangrijke rol weggelegd voor actoren die wetenschap in de praktijk moesten omzetten.

In die jaren toonde Vanderyst al interesse in wat koloniaal avontuur. In 1890 trok hij naar de Congo Vrijstaat om voor de Zusters van Liefde van Gent een residentie te bouwen. Ziekte dwong hem tot terugkeer naar België. Pas anderhalf decennium later zou Vanderyst terugkeren, maar dit keer als missionaris. De congregatie had bedacht dat zijn achtergrond als agronoom van pas zou komen op de kapelhoeven van de Jezuïeten. In Kisantu, het missiegebied van de orde, runde pater Justin Gillet bovendien zijn bekende botanische tuin.

De arts-missionaris

Vanderyst deed inderdaad landbouwkundig werk in Congo, maar zijn hoofddomein werd uiteindelijk koloniale geneeskunde. Missionarissen voerden in de kolonie al medisch werk uit aangezien het medisch apparaat van de overheid er onderbemand was. Tot nu toe waren die geestelijken nauwelijks opgeleid als zorgverlener. Met hun nieuwe collega kwam daar verandering in. Vanderyst had voor zijn vertrek reeds een cursus bacteriologie gevolgd aan de KU Leuven. Bij aankomst werkte hij een tijdje in het befaamde laboratorium van Leopoldville, waar hij als eerste religieus een leerling was van Alphonse Broden en Jérôme Rodhain, de belangrijke Belgische tropische wetenschappers van die tijd.

Cover van het medische handboek ‘Notions élémentaires concernant les maladies tropicales’ door Vanderyst en Broden uit 1920 (uit Artes Universiteitsbibliotheek Leuven) (foto door auteur)

Vanderyst nam zelf ook initiatief om het missionair medisch apparaat te professionaliseren. De jezuïet zette een algemene introductiecursus in tropische geneeskunde op. Verder publiceerde hij in 1920 een medisch handboek van 260 pagina’s, Notions élémentaires concernant les maladies tropicales, bedoeld om te verspreiden over alle missiestations in Belgisch Congo. Het boek was breed opgevat en omvatte basisinformatie over bacteriën en ziektevectors, preventieve maatregelen tegen dysenterie, slaapziekte en gele koorts, etc. Het werk was gebaseerd op de cursussen die Vanderyst zelf gevolgd had en op de handboeken van belangrijke tropische artsen zoals Émile Van Campenhout, Charles Firket en zijn leermeester Broden. Die laatste verzorgde ook het voorwoord, wat het boek waarschijnlijk meer wetenschappelijke geloofwaardigheid moest geven. Broden had alleszins grote verwachtingen: “allen zullen voldoende kennis van hygiëne en tropische geneeskunde kunnen verwerven om aan hun taken als missionarissen die van een hygiënisch medewerker toe te voegen”.

Vanderyst voegde verder in de inleiding wel de waarschuwing toe dat mensen die geen medische kennis hadden, absoluut niet zelf patiënten – “même des indigènes” – mochten behandelen. Zusters en missionarissen moesten eerst een basiscursus aan de Tropische School in België of in het laboratorium in Leopoldville gevolgd hebben alvorens aan het experimenteren te slaan. Zelf focuste Vanderyst zich in de jaren 1910 en 1920 vooral op slaapziektecampagnes en het opzetten van zuigelingenzorg. Hij publiceerde hier ook meerdere wetenschappelijke artikels over. In 1925 stond hij mee aan de wieg van de Aide Médicale aux Missions, een organisatie die in België katholieke artsen rekruteerde om in Congo op missiestations te gaan werken.

De gelovige Darwinist

Naast agronoom en medisch hulpverlener werd Vanderyst in deze periode ook amateurarcheoloog. Hij publiceerde een artikelenreeks over “La population préhistorique du Congo belge”, gebaseerd op vondsten die hij in Kisantu deed. Opnieuw maande hij zijn collega-missionarissen aan om archeologische vindplaatsen te melden en objecten naar Tervuren te sturen voor verder onderzoek, om zo “een grote dienst te bewijzen aan de antropologische wetenschap”.

Stilstaande bij de vraag of de theorieën van Darwin en de kwestie van de prehistorische mens niet botsten met zijn religieuze overtuigen, schreef Vanderyst formeel: “tussen het christelijk geloof en de ware wetenschap kan er niet de minste tegenstrijdigheid bestaan”. Het citaat tekende deze curieuze jezuïet, die een hekel had aan de antiwetenschappelijke houding van sommige van zijn tijdgenoten – of het nu boeren of missionarissen waren. Voor hem was de tijd van “à l’improviste” voorbij. Hij nodigde zijn collega’s uit om samen te werken met wetenschappers of zich te verdiepen in een wetenschappelijk veld, praktische conclusies aan observaties te koppelen en de wetenschap mee te vulgariseren.

Een anonieme missionaris gebruikt een microscoop in Belgisch Congo, uit Bulletin de Aide Médicale aux Missions (15 juli 1929), 57, Artes Universiteitsbibliotheek Leuven (foto door auteur)

De laatste naturalist

Al had de aanpak van Vanderyst volgens sommigen ook zijn nadelen. Bij zijn overlijden in 1934 verscheen een lange necrologie in het Bulletin des séances d’Institut Royal Colonial Belge waarin hij geroemd werd als een zeer toegewijde wetenschapper met een rijke hoeveelheid publicaties in allerlei domeinen. “Met hem verdwijnt één van de laatste vertegenwoordigers van een groep naturalisten die in de vorige eeuw een sterke belangstelling had voor de studie van de verschillende takken van de natuurwetenschappen,” klonk het.

Vanderyst werd dus geprezen maar tegelijk ook een beetje geklasseerd als een ouderwetse amateurwetenschapper met een brede interesse maar soms weinig diepgang, dit in tegenstelling tot de ware wetenschappelijk specialist. Volgens de auteur verhinderde juist Vanderysts brede interesse en drukke agenda echt duurzaam wetenschappelijk werk. Hij betreurde dat hierdoor een groot aantal empirische observaties “dode letter voor de wetenschap zullen blijven”. Die kritiek focuste zich echter op Vanderysts ouderwetse manier om aan onderzoek te doen – als een algemeen geïnteresseerde naturalist – en niet op zijn achtergrond als missionaris. De religieuze overtuiging van Vanderyst stond blijkbaar niet in contrast met zijn wetenschappelijke honger, noch voor hemzelf, noch voor andere koloniale wetenschappers.

“Alphonse Proost,” in Bestor, laatst aangepast 18/02/2026, https://bestor.be/nl/alphonse-proost.

Harris, Patrick & Maxwell, David (eds.), The Spiritual in the Secular: Missionaries and Knowledge about Africa (Grand Rapids, Eerdmans, 2012).

Lachenal, Guillaume & Taithe, Bertrand, “Une généalogie missionnaire et coloniale de l’humanitaire: le cas Aujoulat au Cameroun, 1935-1973”, Le Mouvement Social 227.2 (2009), 45–63.

Mertens, Myriam, “Chemical Compounds in the Congo: Pharmaceuticals and the ‘Crossed History’ of Public Health in Belgian Africa (ca. 1905-1939)” (Ongepubliceerde doctoraatsthesis, UGent, 2014).

Taithe, Bertrand, “Pyrrhic Victories? French Catholic Missionaries, Modern Expertise, and Secularizing Technologies”, in Michael Barnett & Janice Stein (eds.), Sacred Aid: Faith and Humanitarianism (Oxford: Oxford University Press, 2012), 166-187.

Maarten Langhendries is wetenschaps- en koloniale historicus en werkt voor Bestor, een online platform voor Belgische wetenschapsgeschiedenis en -filosofie, dat recentelijk vernieuwd is. Daarnaast is hij Research Fellow bij de Onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Dit onderzoek naar Hyacinthe Vanderyst vond plaats binnen het onderzoeksproject ‘CAMEO: Katholieke geneeskunde in relatie tot andere visies op gezondheidszorg in België en Belgisch-Congo, 1900-1965’aan deze onderzoeksgroep, met als promotoren prof. Kaat Wils en prof. Joris Vandendriessche.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.