Door Antje Van Kerckhove
Sinds de negentiende eeuw geldt het lichaam als een terrein waarop hypnotherapie wordt ingezet om seksualiteit te sturen en te reguleren. Zoals Kaat Wils en Esther Lamberts al aantoonden in hun hypnoseblogs van de afgelopen twee weken, gebruikten artsen hypnose bij ‘de behandeling’ van homoseksualiteit en transseksualiteit – zowel in pogingen tot conversie als bij het onderscheiden van wie ‘echt’ trans was. Maar ook heteroseksuele personen kwamen in de loop van de twintigste eeuw met de methode in aanraking: niet hun geaardheid, maar wel hun seksueel gedrag werd onderwerp van interventie.
Dat gold ook voor vrouwen met vaginisme, voor wie penetratieseks pijnlijk en vaak onmogelijk is. In de jaren 1960 en 1970 zetten zorgverleners hypnose steeds vaker in bij de behandeling van de aandoening. Wat onthullen hun hypnosetechnieken over de seksuele verwachtingen die aan vrouwen werden opgelegd? En in hoeverre behielden zij zeggenschap over hun lichaam en geest in een hypnosetraject?
“Er is niets vies aan seks…”
Een van de vroege pleitbezorgers voor de introductie van hypnotherapie in de gynaecologie was de Schotse gynaecoloog Hamilton Leckie. In 1964 beschreef hij in een artikel dat het voor hem buiten kijf stond dat emoties – zoals angst of afkeer voor seks – een impact hadden op het lichaam, en dat hypnose een middel kon zijn om die gevoelens te corrigeren. Hypnose vormde geen alternatief voor een gynaecologische behandeling, maar diende als aanvullend instrument om het lichaam van vrouwen met vaginisme te laten doen waar het, volgens hem, voor bestemd was: ontvankelijk zijn voor penetratie.
Leckies aanpak bestond uit een reeks opeenvolgende sessies. Het traject begon met een gesprek over de seksuele ervaringen en attitudes van de patiënte, gevolgd door een uitleg aan het koppel over de anatomie van hun geslachtsorganen. In de daaropvolgende sessies zette Leckie hypnose in om suggesties over seks en het huwelijk over te brengen. Zo werd de patiënte ingeprent dat “het huwelijk een normale instelling is” en dat er aan seks binnen dat kader “niets vies of verkeerds” is. Gaandeweg werden de instructies concreter: er volgden richtlijnen voor “een algemene techniek van het liefdesspel”. De vrouw kreeg te horen dat ze “alle angst had verloren”, waarna in de laatste fase werd gesuggereerd dat ze “volledige bevrediging zou ervaren wanneer haar man tot een climax kwam.”

Het doel van de behandeling was duidelijk: de angst voor seks moest plaatsmaken voor verlangen. Maar wat als een ‘succesvolle’ uitkomst gold, weerspiegelde vooral een huwelijksideaal dat gericht was op voortplanting en mannelijk genot. Niet het verdwijnen van angst of het toenemen van plezier bij de vrouw stond centraal, wel de seksuele tevredenheid van de echtgenoot en het realiseren van een zwangerschap. Dat alle vijftien vrouwen die Leckie behandelde (volgens hem) volledig genazen, bracht hem ertoe suggestieve hypnose als de methode bij uitstek voor de behandeling van vaginisme te beschouwen.
“… binnen het huwelijk”
Ook de Amerikaanse psychiater Jerome Schneck was daarvan overtuigd. In een casus uit 1965 beschreef hij een jonge ongehuwde vrouw die “niet geïnteresseerd is in het huwelijk, omdat ze het zag als een inbreuk op de onafhankelijkheid die ze voor zichzelf voor ogen had”. Ze had verschillende seksuele ervaringen, maar was er nooit in geslaagd penetratieseks te hebben. Schneck vermoedde dat haar vaginisme mogelijk een “symptomatische uiting was van een diepgewortelde wens om zich van mannen af te zonderen”, en haalde terloops ook aan dat kennissen van de vrouw zich afvroegen of ze “homoseksuele neigingen” had.
Schneck begreep de wens van de vrouw om een (seksueel) autonoom leven te leiden niet als een vanzelfsprekende keuze, maar als iets dat om een verklaring vroeg. Volgens de psychiater legde het vaginisme van de vrouw een conflict bloot: enerzijds wilde zij haar onafhankelijkheid behouden, anderzijds bracht penetratieseks volgens hem het vooruitzicht op een huwelijk onvermijdelijk dichterbij – iets wat ze net wilde vermijden. Toen de patiënte zich, in zijn woorden, “gedwongen voelde” om de therapie stop te zetten, zag hij dat niet als een bewuste beslissing, maar als het gevolg van een conflict waarin ze geen uitweg vond. Schnecks analyse laat zien dat seks buiten het huwelijk voor vrouwen in de jaren 1960 wel denkbaar, maar niet voor iedereen aanvaardbaar was.
Van suggestie naar verbeelding
Vanaf de jaren 1970 verloor suggestieve hypnotherapie geleidelijk aan terrein. Die verandering hing samen met een bredere verschuiving binnen de seksuologie. Zo begonnen seksuologen William Masters en Virginia Johnson vaginisme niet langer te zien als een psychosomatisch probleem, maar als een gedragsmatig fenomeen dat behandelbaar was via wat zij systematische desensitisatie noemden. Hun aanpak bestond uit zogenaamde sensate focus-oefeningen, waarbij koppels leerden om elkaar aan te raken zonder de verwachting dat daar penetratieseks op moest volgen. Daarnaast gebruikten vrouwen dilatoren van oplopende grootte, zodat het lichaam zich geleidelijk kon aanpassen aan penetratie.

Bron: Marielle Leroy, Dilatateurs vaginaux à tailles graduées (2018), via Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0):https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Dilatateurs_vaginaux_%C3%A0_tailles_gradu%C3%A9es,_pour_agrandir_le_vagin_en_cas_de_syndrome_MRKH._.jpg
Ook binnen de hypnotherapie vond een heroriëntatie plaats. In plaats van directe suggesties kwam de nadruk te liggen op visualisering en verbeelding. Hypnose werd niet langer ingezet om ideeën over seksualiteit op te leggen, maar om het desensitisatieproces te ondersteunen. Binnen dat kader ontwikkelde Karl Fuchs een methode waarbij patiënten in een ontspannen, gehypnotiseerde toestand geleidelijk werden blootgesteld aan steeds intiemere scenario’s. Ze werden gevraagd om aangename, aanvankelijk niet-seksuele, beelden op te roepen, zoals een wandeling op het strand. Gaandeweg moesten ze zich voorstellen dat hun partner dichterbij kwam, tot uiteindelijk ook seksuele handelingen deel uitmaakten van het visualisatieproces. Hoewel die oefeningen ruimte leken te bieden voor een veilige verkenning van seksualiteit, bleven ze sterk gestuurd: de scenario’s volgden een vast traject waarbij penetratie het einddoel bleef.
Zeggenschap over lichaam en geest
In lijn met het denken van William Masters en Virginia Johnson benaderde ook Fuchs het koppel in het tweede deel van zijn behandelplan als één therapeutische eenheid. Dat deel van de sessie begon met de patiënte die zichzelf in een gehypnotiseerde toestand bracht. Vervolgens voerde de gynaecoloog een lichamelijk onderzoek uit zonder penetratie, waarna zij werd gevraagd haar vagina zelf aan te raken. Daarna introduceerde Fuchs dilatoren van toenemende grootte, die eerst door de arts en later door de partner werden ingebracht. Deze laatste deed dit“…terwijl hij tegelijkertijd haar schaamstreek en clitoris masseerde (tot ze verder ontspande).”
Fuchs’ aanpak roept vragen op over de zelfbeschikking van de patiënte. Zelfhypnose leek haar een gevoel van autonomie te moeten bieden, maar vond plaats binnen een context waarin de arts en echtgenoot de richting en het tempo van het proces bepaalden. Dat Fuchs zich daar nauwelijks van bewust leek, bleek ook uit zijn opmerking dat hij “moet vermelden dat zij verschillende afspraken annuleerde (mogelijk omdat ze bang was voor het succes van de hypnose)”. Dat de situatie voor de patiënte eenvoudigweg ongemakkelijk of grensoverschrijdend kon aanvoelen, leek niet in hem op te komen. Zo weerklinkt in zijn aanpak een al langer bestaande zorg over het mogelijke machtsmisbruik van artsen die hypnose toepasten.

Bron: Fotografie door Hiro, ca. 1978, National Portrait Gallery, Smithsonian Institution (NPG.99.55).
Beschikbaar via: https://npg.si.edu/object/npg_NPG.99.55.
Hoewel de hypnosetechnieken veranderden – van suggestie naar verbeelding – bleef het onderliggende ideaal opvallend stabiel. Net als Hamilton Leckie en Jerome Schneck ging ook Karl Fuchs ervan uit dat een succesvol behandelingstraject uitmondde in penetratieseks binnen het huwelijk. Wat veranderde, was vooral de weg ernaartoe. Pas vanaf de jaren 1980, toen meer vrouwelijke therapeuten expliciet begonnen te luisteren naar wat vrouwen zelf wilden, ontstond er ruimte om dat traject in vraag te stellen.
Meer lezen?
Steven Jay Lynn and Judith Pintar, Hypnosis: A Brief History., Blackwell Brief Histories of Psychology (Wiley-Blackwell, 2008).
Hannah Srajer, “Imperfect Intercourse: Sexual Disability, Sexual Deviance, and the History of Vaginal Pain in the Twentieth-Century United States,” Journal of American History 109, no. 4 (2023): 782–803.
Alix Garin, Impénétrable, Illustrated edition (Le Lombard, 2024).
Antje Van Kerckhove is als FWO aspirant verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Haar onderzoek richt zich op de recente geschiedenis van vaginisme in België en de Verenigde Staten. Concreet onderzoekt ze hoe zorgverleners, vrouwenbewegingen en vrouwen met vaginisme sinds de jaren 1950 met de aandoening zijn omgegaan.
Titelafbeelding: uit Alix Garin, Impénétrable, Illustrated edition (Le Lombard, 2024).
