Door Els Minne

De voorbije maanden kwamen enkele academici in een mediastorm terecht omdat ze teksten publiceerden met foute of zelfs verzonnen citaten. Het publieke tribunaal, al snel bijgetreden door collega academici, veroordeelde zulke misstappen als een bedreiging voor de geloofwaardigheid van het hele universitaire instituut. Het debat ging al snel niet meer over de foutieve citaten, maar over wetenschappelijke integriteit en geloofwaardigheid.

Een blik op het verleden toont dat dergelijke controverse zeker geen nieuw fenomeen is. In de jaren tachtig van vorige eeuw, en dus lang voor artificiële intelligentie als medeplichtige werd aangewezen, groeide een citaten schandaal onder historici uit tot een identiteitscrisis van trans-Atlantische proporties. Ook toen vervelde een discussie over onjuiste verwijzingen al snel tot een bredere strijd over professionele ethiek, wetenschappelijke integriteit en de (grenzen aan) collegiale kritiek.

De “Abraham-affaire”

Princeton University German Department. Oud gebouw groen gras kale bomen
Het ‘German Department’ van Princeton University, waar David Abraham zijn doctoraat behaalde (opgehaald via Wikimedia Commons onder de licentie https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.en).

In 1981 verscheen David Abrahams boeklange studie over de ondergang van de Weimarrepubliek. Het werk van de jonge Princeton doctor kreeg aanvankelijk lovende recensies in zowat alle Amerikaanse en Duitse vakbladen, tot ook gerenommeerd Duitslandexpert Henry Turner zijn kritische oog liet vallen op het boek. Turner ontdekte vage verwijzingen, onvolledige voetnoten en zelfs “citaten” die in de originele bronnen niet terug te vinden waren. Hij schreef een kritische recensie die, tot zijn ongenoegen, onopgemerkt voorbij ging.

Toen collega historici Abrahams werk bleven prijzen in 1983, besloot Turner om zijn bevindingen over de “wirwar van misinformatie” te verspreiden. Dat deed hij via brieven gericht aan vakgenoten in de VS en Duitsland. Daarmee trad Turner buiten de geijkte paden van een wetenschappelijke discussie en kreeg zo kritiek te verduren van enkele prominente historici. Een van hen was de toenmalig president van de American Historical Association (AHA) – de beroepsgroep van Amerikaanse historici. Het was een eerste dominosteen in wat zou leiden tot een waar ethisch schisma onder historici.

Turner keerde zich weer naar de meer conservatieve kanalen en publiceerde een tweede, minstens even kritische recensie over Abrahams werk in het toonaangevende American Historical Review. In een antwoord in datzelfde tijdschrift erkende die laatste enkele onzorgvuldigheden, verklaarde die door gebrekkige archiefnotities en weerlegde hij enkele van Turners aantijgingen. Maar voor een groeiende groep historici was zo’n gedeeltelijke mea culpa onvoldoende. In wat zou volgen, moest niet alleen Abrahams werk, maar ook Abrahams carrière eraan geloven.

Gutehoffnungshütte, een insdustrieel complex in 1920 in Oberhausen, Duitsland. David Abraham gebruikte voor zijn studie naar de Waimarrepubliek heel wat archief van dit complex.

De kritiek verplaatste zich van het (semi-) publieke debat naar persoonlijke interventies. Toen Abrahams in 1983 op zoek ging naar een nieuwe academische aanstelling, contacteerde Gerald Feldman – opnieuw een gerenommeerd Duitslandexpert – selectiecommissies in de hele VS om te verhinderen dat Abraham een positie kreeg aan een Amerikaanse universiteit. Hij voelde zich gerechtvaardigd in zijn verregaande acties, omdat Abrahams fouten volgens hem verder gingen dan louter slordigheden maar ook fabricatie, misinformatie en verzinsels omvatten.

Verschillende leden van die selectiecomités vonden dat een brug te ver: ze voelden zich onder druk gezet door de acties van de critici, die ze “onethisch” en “onprofessioneel” noemden. Of de aantijgingen nu inhoudelijk klopten of niet, zo stelden zij, geen enkele onderzoeker mocht op die manier persoonlijk geviseerd worden. Zulke kritiek hoorde thuis in een open forum waar wederwoord mogelijk was, niet in private intimidatiecampagnes. Bovendien, zo klonk het, hadden eminente professoren aan topuniversiteiten een bijzondere verantwoordelijkheid: je mag scherp kritiseren, maar je schopt niet naar beneden.

Spelregels van kritiek

Op 14 januari 1984 berichtte Time verbaasd over de “Abraham Affaire” die historici tot in het buitenland beroerde. Tegen december haalde het debacle zelfs de voorpagina van de New York Times. Tegen dan leek het alsof alle Amerikaanse historici kleur hadden moeten bekennen. Over één punt was iedereen het roerend eens: dit ging over ethiek. Maar over de invulling van die ethiek liepen de meningen mijlenver uiteen. Voor Feldman, de felste criticus, was professionele ethiek onlosmakelijk verbonden met integriteit in brongebruik. “Wetenschappelijke communicatie,” schreef Feldman in een 32-paginalange uiteenzetting, “is immers voornamelijk gebaseerd op vertrouwen, en het schenden van dat vertrouwen [..] is de ernstigste overtreding die een wetenschapper kan begaan.” Richtlijnen over ethiek moesten dus op scherp stellen hoe je wetenschap beoefent. Wie die normen schond, moest uit de gemeenschap worden geweerd ter bescherming van alle historici. Door een “frauduleuze” voorstelling van het verleden te verspreiden, zo betoogde hij, had Abraham elke aanspraak op een collegiale behandeling verspeeld.

Abrahams verdedigers vulden professionele ethiek dan weer op een hele andere manier in. Niet de vermeende fraude stond voor hen centraal in de hele affaire, maar de manier waarop kritiek werd geuit. De “overdreven heftigheid” en het persoonlijke karakter van de aanvallen brak volgens hen met de grenzen van een eerlijke debat. Voor hen ging het ethische vraagstuk dus over het voeren van een wetenschappelijke discussie. Die “academic overkill” werkte bovendien averechts: ze vergrootte de sympathie voor Abraham en ondergroef het morele gezag van zijn critici.

“Stormy Weather in Academe. A scholar’s controversial work sets off a hail of criticism”

Kop uit Time, 14 januari 1985, p. 59.

Welke ethische code?

Voorblad van een eerste voorstel voor een gedragscode onder historici. Jamil s. Zainaldin, “Ethics and the Profession. Memorandum for the Professional Division,” [mei 1986]. Library of Congress, AHA, box 973.

Beide partijen riepen de American Historical Association op om de ethische normen van het beroep te bewaken. Het bestuur van de AHA reageerde zichtbaar ongemakkelijk: plots stond het midden in een storm over (on)collegialiteit, terwijl het moest toegeven dat er geen duidelijk handhavingsmechanisme bestond. Sterker nog, op enkele vuistregels uit 1974 na, bestond er helemaal geen ethische code die daartoe kon dienen. Daar moest snel verandering in komen. In 1985 maakte het Professional Division Committee van de AHA het haar taak om zo’n gedragscode op te stellen waarin zowel regels rond professionele integriteit als richtlijnen voor een professionele debatcultuur waren opgenomen. Zo hoopte de AHA te vermijden dat historici nogmaals eerder door “hysterische” dan door historische kwesties de krantenkoppen zouden halen.

Schanetzky, Tim. ‘Weimars Untergang, die Historiker und die Kapitalismuskritik. Zur Wirkungsgeschichte der „Abraham Affair“’. Historische Zeitschrift 320, no. 3 (2025): 602–35. https://doi.org/10.1515/hzhz-2025-0014.

Manning, David. ‘A History of Reviewing History Books: Post-Publication “Peer Review”, Historiography and Its Publics, c.1700–c.2000’. Minerva 63, no. 4 (2025): 747–71. https://doi.org/10.1007/s11024-025-09603-0.

Hajek, Kim M., Herman Paul, and Sjang Ten Hagen. ‘Objectivity, Honesty, and Integrity: How American Scientists Talked about Their Virtues, 1945–2000’. History of Science 62, no. 3 (2024): 442–69. https://doi.org/10.1177/00732753231206773.

Baldwin, Melinda. ‘Scientific Autonomy, Public Accountability, and the Rise of “Peer Review” in the Cold War United States’. Isis 109, no. 3 (2018): 538–58. https://doi.org/10.1086/700070.

Els Minne is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het ERC-project Global Academies, waar ze de invloed van wetenschappelijke genootschappen en academies op historici in Frankrijk en de Verenigde Staten tussen 1930 en 1990 onder de loep neemt.

Titelafbeelding: Briefhoofding van de American Historical Association (Box 976, folder “Professional, 1985-1986, Code of Ethics”, American Historical Association Records, Manuscript Division, Library of Congress, Washington, D.C).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.