Wachten op Viardot

‘Le Musée de Bruxelles vaut mieux que sa réputation’, schreef Louis Viardot in 1843 in een gids voor de Spaanse, Engelse en Belgische musea. De Parijse theaterdirecteur wilde het Brusselse nationale kunstmuseum duidelijk van zijn kwade faam ontdoen. Dit museum, dat enkele decennia voordien was opgericht, genoot tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw inderdaad geen al te beste reputatie. Bezoekers bekritiseerden de gebrekkige ordening van de kunstwerken, uitten hun ongenoegen over de afwezigheid van identificerende labels, krabden zich in de haren bij de lectuur van de weinig wetenschappelijke collectiecatalogi. Neen, het Brusselse kunstmuseum kon in die tijd slechts voor weinigen tippen aan – bijvoorbeeld – het museum van het Sint-Janshopitaal in Brugge, met zijn indrukwekkende collectie Memlings.

Louis Viardot
Louis Viardot

Maar Viardot sprong in de bres voor het Brusselse kunstmuseum en anderen traden hem nadien bij. De Franse kunstcriticus Théophile Thoré bijvoorbeeld. Die publiceerde in 1861 een gids voor kunstenaars die Belgische kerken, privéverzamelingen en musea wilden bezoeken. Daarin echode hij Viardots bewering dat het Brusselse museum voor schone kunsten een betere reputatie verdiende. Dat deed ook de Parijse landschapsschilder en kunstcriticus Eugène Fromentin, in zijn reisverslag Les Maîtres d’autrefois, verschenen in 1876. Fromentins enthousiasme voor het Brusselse museum was zelfs dermate groot dat hij het in de briefwisseling met zijn vrouw ‘mon musée’ doopte. Het museum had intussen – dat verklaart wellicht veel – een grondige herinrichtingsoperatie ondergaan.

Ondanks dit imago-offensief bleef het Brusselse kunstmuseum in de latere negentiende eeuw echter geenszins van kritiek gespaard. Begin jaren 1890 werd het zelfs nog eens het mikpunt van een bijzonder heftige aanval. In vlijmscherpe bewoordingen klaagden de schrijver Emile Verhaeren en enkele medestanders de volstrekte onbekwaamheid en het immobilisme van het personeel en de bestuurders van het museum aan. De presentatie van de kunstwerken miste er volgens de critici elke vorm van leven, in hun ogen was de instelling palliatief.

Vandaag, meer dan een eeuw later, ligt het Brusselse museum voor schone kunsten opnieuw sterk onder vuur. Op 23 november verscheen in De Standaard een stuk van cultuurjournalist Jan Van Hove, getiteld ‘De flaters van de Koninklijke Musea’. De dag nadien publiceerde cultuurjournalist Eric Rinckhout in De Morgen een stuk getiteld ‘Er is een surrealistisch lek in het Brusselse museum voor Schone Kunsten’. Aanleiding voor beide artikelen vormde de vroegtijdige sluiting van de tentoonstelling De erfenis van Roegier van der Weyden. Deze tentoonstelling, waarvoor kostbare kunstwerken uit de meest prestigieuze museumcollecties naar Brussel werden gehaald, moest enkele maanden eerder dan voorzien ontmanteld worden omdat er geen garantie was dat het dak boven de tentoonstellingsruimten wel degelijk waterdicht was.

Het was lang niet het enige onheilsbericht dat recent over de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel in de pers verscheen. In september 2011 pakten de kranten bijvoorbeeld uit met de mededeling dat de geplande grote voorjaarstentoonstellingen van zowel de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten als de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis werden afgelast. Geen Dalí, Magritte, Miró. Het surrealisme in Parijs in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, geen Klimt, Hoffmann en het Stocletpaleis in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis.

Beide genoemde musea staan onder leiding van Michel Draguet, wiens beleid niet onbesproken is. Hij zou – opnieuw volgens persberichten – een schrikbewind voeren, met onder meer een opgelegde zwijgplicht voor het personeel. Harde kritiek komt er vooral ook op de manier waarop hij de federale musea inhoudelijk invult. Een groep kunsthistorici verbonden aan verschillende Belgische en Franse universiteiten kantte zich in november 2012 in een open brief onder meer tegen Draguets abrupte sluiting van het Museum voor Moderne Kunst en tegen zijn keuze om de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten op te delen in thematische musea, zoals het Magritte Museum en het – recent geopende – Fin-de-Siècle Museum. Die op winstbejag gerichte thematische musea zijn volgens de academici slechts een manier om de echte problemen van Draguets musea te verhullen, zoals de verwaarlozing van de collecties. De herinnering aan de dramatische gevolgen van een manke klimaatregeling in 2009 voor een aanzienlijk aantal schilderijen in de depots van het Museum voor Oude Kunst is nog vers.

Neen, de Koninklijke Musea voor Schone kunsten hebben het momenteel niet onder de markt. Vraag is wie deze keer hun imago zal trachten te redden. Wie wordt de nieuwe Viardot?

(Liesbet Nys)

Liesbet Nys is postdoctoraal onderzoeker van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze verrichtte onderzoek over het degeneratiedenken, over universiteitsgeschiedenis, over de geschiedenis van het feestlokaal Vooruit in Gent en over de geschiedenis van het museumbezoek. Over dat laatste onderwerp verscheen in 2012 De intrede van het publiek. Museumbezoek in België 1830-1914. Ze werkt momenteel aan een publicatie over de geschiedenis van de faculteit Geneeskunde van de KU Leuven.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *