Twee schilders en een betweter

Op 11 januari 1872 bezocht de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel het atelier van Alfred Stevens. Dat was een Belgische schilder die al jaren in Parijs woonde en werkte, en er succes boekte (en goed geld verdiende) met zijn kleurige genretaferelen van mooie vrouwen in prachtige jurken in luxueuze interieurs. In dat atelier zag Durand-Ruel twee schilderijen van Edouard Manet. Die was al jaren met Stevens bevriend.

Schildersvrienden in Parijs

Edouard Manet.

In de late jaren 1860 behoorden ze beiden tot een vast groepje, met ook de familie van Berthe Morisot, Edgar Degas en wat later Pierre Puvis de Chavannes. Ze zagen elkaar bijna dagelijks, op maandag op de muzikale soirées van de vader van Degas, op dinsdag bij de Morisots, op woensdag bij de Stevensen, op donderdag bij moeder Manet en op vrijdag in Café Guerbois, waar kunstenaars en schrijvers zich rond Manet verzamelen. Stevens, een kleine tien jaar ouder, hielp Manet waar nodig. In 1862 wilde die een Spaanse dansgroep op toernee in Parijs schilderen. Zijn eigen werkplaats was te klein om hen te laten poseren en dus gebeurde dat in het atelier van Stevens.

Tien jaar later had Manet nog geen representatief atelier waar critici en handelaars langskwamen en dus vroeg hij Stevens, op dat moment op het toppunt van zijn carrière, of hij in zijn atelier een paar werken mocht tonen, in de hoop dat ze daar zouden worden opgemerkt. Dat gebeurde dus ook. Durand-Ruel was onder de indruk en kocht de twee schilderijen. Bovendien zocht hij de volgende dag Manet meteen op, en kocht hij alles wat hij bij hem aantrof, 23 schilderijen, voor een totaal van 35.000 francs, en een paar dagen later nog een reeks werken, die Manet intussen haastig nog bij elkaar had gezocht.

Het was een belangrijk moment, een keerpunt, niet alleen voor Manet, maar ook voor de andere jonge en vernieuwende kunstenaars. Voor het eerst werd voor het werk van één van hen betaald, en nog royaal ook. Het bewees dat het kon en gaf allen hoop. Als Manet een handelaar en kopers vond, dan moest het anderen ook kunnen lukken. En dat allemaal dankzij Alfred Stevens.

Het “symbolisch kapitaal” van Alfred Stevens

Alfred Stevens.

Dit verhaal werd door Durand-Ruel zelf verteld in zijn Mémoires en het heeft ervoor gezorgd dat Stevens in zowat alle biografieën en studies over Manet voorkomt. En zo gebeurde het dat zelfs Pierre Bourdieu zich over de Belgische schilder heeft uitgesproken. In 1998-2000 heeft de beroemde socioloog zijn laatste lessenreeksen in het Collège de France aan Manet gewijd, en de tekst daarvan is samen met zijn voorbereidende notities postuum uitgegeven. Over Stevens zegt Bourdieu twee dingen. Eerst en vooral zet hij hem neer als een mondain en academisch kunstenaar (“couvert de médailles”), met andere woorden, als een perfecte vertegenwoordiger van het oude artistieke bestel dat door de moderne kunst – waarvan Manet de belichaming was – werd afgewezen en omvergeworpen.

Daarnaast was Stevens (ook dit past in de schema’s die de socioloog al vroeger ontwikkelde) een succesvol en gevestigd kunstenaar, die de mogelijkheden die zijn succes en status hem verleenden, gebruikte om ook Manet vooruit te helpen. Door hem zijn atelier ter beschikking te stellen, hem uit te nodigen in salons en hem op te nemen in zijn ruim vertakte netwerk, liet Stevens zijn jongere collega in zijn “symbolisch kapitaal” delen.

Edouard Manet, een conventioneel modernist

Pierre Bourdieu.

Dat Manet niet alleen door zijn vriendschap met Stevens, maar ook op andere manieren, tegen het academische establishment bleef aanschurken, vindt Bourdieu niet alleen onbegrijpelijk, maar ook jammer. Het lijkt immers afbreuk te doen aan zijn status als beeldenstormer en revolutionair modernist. Nadat op de salons een aantal schilderijen van Manet (waaronder het schandaleuze Le déjeuner sur l’herbe) werden geweigerd, groeide hij, in de ogen van velen, uit tot het prototype en chef de file van de overtuigde en zelfbewuste Refusés. Maar feit is dat Manet zich altijd op de officiële salons is blijven aanbieden. Meer nog, in 1876 wilde hij, ondanks heftig aandringen van Degas, niet exposeren op het onafhankelijke tweede salon van de impressionnisten. Hij verkoos het échte (officiële) Salon om zijn werk te tonen.

In zijn laatste jaren was zijn status zelfs zo groot dat hij “hors concours” deelnam (en dus niet meer geweigerd kón worden) en werd bekroond. Op 1 januari 1882 werd Manet zelfs ridder in het Légion d’Honneur, door toedoen van één van zijn beste vrienden (al sinds de middelbare school), Antonin Proust, op dat moment Ministre des Arts. In zijn herinneringen schrijft Théodore Duret, een andere goede vriend van Manet, dat die met deze onderscheiding zeer verguld was. Wat jammer toch, hoor je Bourdieu denken. Onbegrijpelijk! Hij laat het Légion d’Honneur onvermeld. Het past slecht bij de “révolution symbolique” uit de ondertitel van zijn boek.

Op de begrafenis van Manet, op 3 mei 1883, werd de kist gedragen door Emile Zola, Claude Monet, Philippe Burty, Théodore Duret, Antonin Proust en Alfred Stevens.

Meer weten.

Pierre Bourdieu, Manet. Une révolution symbolique (Parijs 2013).

Paul Durand-Ruel, Mémoires (ed. Parijs 2014).

Christiane Lefebvre,  Alfred Stevens, 1823-1906 (Parijs 2006).

Alfred Stevens, Brussel-Parijs, 1823-1906 (Brussel-Amsterdam 2009).

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *