Hoe taal een instrument van bekering werd

Gastblog door Zanna Van Loon.

De Europese ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld in 1492 door Christoffel Columbus had verregaande gevolgen. Europese ontdekkingsreizigers kwamen vanaf het einde van de vijftiende eeuw voor het eerst in contact met een tot dan toe onbekende wereld, onbereisde landschappen en tot de verbeelding sprekende, nu grotendeels uitgeroeide culturen. 1492 was het startpunt van een eeuwenlange Europese kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Die kolonisatie zette een economische en culturele uitwisseling tussen beide werelddelen in. Van mensen, ideeën en goederen, maar ook van informatie over inheemse talen.

De bekering van de Nieuwe Wereld

Zestiende-eeuwse muurschildering in het klooster van San Miguel Arcángel (Huejotzingo, Puebla, Mexico) die de aankomst van de eerste franciscanen in de Nieuwe Wereld in 1524 portretteert.

De kolonisatie van de Nieuwe Wereld verliep hand in hand met de evangelisatie van plaatselijke volkeren. Missionarissen van rooms-katholieke orden, zoals de franciscanen en de dominicanen, werden vanaf het begin aangespoord om de oversteek te maken en de ‘onwetende’ bevolking te bekeren tot het christendom. Al snel realiseerden deze Europese missieorden zich dat zij hen efficiënter ‘tot inkeer’ konden brengen door het woord van God te verkondigen in de inheemse talen. Om hun boodschap te kunnen uitdragen, verdiepten ze zich daarom in de studie van Amerindiaanse talen en stelden ze vervolgens grammatica’s, woordenlijsten en algemene beschrijvingen op om hun verworven kennis door te spelen aan opvolgers. Vanaf de zeventiende eeuw reisden ook protestantse missionarissen naar de Nieuwe Wereld met hetzelfde doel: de plaatselijke bevolking bekeren. Deze missionarisactiviteiten resulteerden eveneens in taalstudies, hetzij op een kleinere schaal.

Door zich in te laten met de studie van deze talen, verwierven Europese geestelijken inzichten in de geschiedenis, samenleving en levensstijl van inheemse gemeenschappen en kregen zij vat op de ontmoeting met ‘het onbekende’. De overgeleverde taalbeschrijvingen bieden bijgevolg een inkijk in Europese visies op de taal en op de cultuur van de Amerikaanse volkeren.

A Key into the Language of America

De titelpagina van A Key into the Language of America (Providence, John Carter Brown Library – Indigenous Collection).

A key into the Language of America: or, An help to the Language of the Natives in that part of America, called New-England, in 1643 in Londen gedrukt door George Dexter, is een mooie illustratie van hoe Europeanen naar niet-Europese culturen keken. De auteur, puriteins predikant Roger Williams (1604-1683), vestigde zich in New England in de jaren 1630 en ontwikkelde al snel een bijzondere belangstelling voor de lokale bevolking aan de oostkust: de Narragansett-indianen. Hij bestudeerde lange tijd hun levensstijl, tradities en taal. Het resultaat van zijn onderzoek was A Key into the Language of America, een overzicht van hun taal, het Narragansett, ingedeeld in dertig hoofdstukken. Williams was de eerste die structuur probeerde te brengen in de onbekende Narragansett-taal door de oorspronkelijke betekenis van inheemse woorden op schrift te brengen. Iedereen die in contact zou komen met deze indianen was volgens hem gebaat bij zijn studie.

Williams wilde de Narragansett-taal doorgronden om inzicht te verwerven in een onbekende wereld. Hij zag zijn woorden- en zinnenboek als de sleutel die may unlocke some Rarities concerning the Natives themselves. Meer nog, zijn taalstudie zou kunnen leiden tot meer kennis, omdat “A little Key may open a Box, where lies a bunch of Keyes.” De ontmoeting met niet-Europese religies en samenlevingen wekte immers fascinatie op. Williams had de taak op zich genomen om als eerste een gestructureerd overzicht te bieden van hun taal, omdat hij besefte dat kennis van een taal essentieel was om toegang te verkrijgen tot informatie over niet eerder bestudeerde culturen, tradities en levenswijzen. Wie in staat was in contact te treden met Narragansett-sprekers, kon immers informatie verwerven over hoe hun samenleving en cultuur ineenzaten.

Civilitie and Christianitie

Portret van Ninigret, hoofd van de Narragansettindianen, 1681 (Museum of Art, Rhode Island School of Design).

Williams’ taalbeschrijving was echter niet neutraal; hij wilde zijn Engelstalig lezerspubliek immers een bepaalde boodschap meegeven. Hij bood hen een hulpinstrument aan, waarmee zij het gesprek konden aangaan met de natives: als zijn lezers de Narragansett-taal machtig waren, zouden zij de indianen kunnen leiden naar de ‘echte’ beschaving en het ‘ware’ geloof. Dit motief komt sterk naar voor in Williams’ voorwoord. De lezer zou met behulp van het woorden- en zinnenboek met duizenden indianen in heel New England een gesprek kunnen voeren en hierdoor “civilitie” en “Christianitie” helpen verspreiden. Het was immers de moedige taak van de Europeaan om het christelijke licht te brengen in de duisternis: “for one Candle will light ten thousand”.

Dat de Narragansett-indianen hier naar Williams’ mening nood aan hadden, was duidelijk. Zij konden geen aanspraak maken op een beschaafde cultuur, omdat ze niet over kleren, boeken of een schrift beschikten en omdat hun voorvaderen deze elementen bovendien nooit hadden gekend. Om die redenen, schreef Williams, waren zij er gemakkelijk van te overtuigen dat de Engelse bevolking een machtigere god kende: de Heer had immers de Engelsen boven hen geplaatst op de ladder van de beschaving. Hij beschreef hen dan ook geregeld als “Rude and Clownish”, “these wild Americans” of “Barbarians” en voegde tussendoor gedichten toe, waarin hij telkens wees op het belang van de evangelisatie: “How kindly flames of nature burne in wild humanitie? Naturall affections who wants, is sure Far from Christianity.”

Het voorbeeld van Roger Williams documenteert een van de houdingen van vroegmoderne Europeanen tegenover ‘nieuwe’ talen en culturen. Ondanks Williams’ sympathie voor de Narragansettindianen bleef het Europees superioriteitsgevoel en paternalisme sterk aanwezig doorheen zijn tekst. Hoewel missionarissen zoals hij een belangrijke bijdrage leverden aan de aangroeiende kennis van niet-Europese talen, stond de overdracht van de goddelijke boodschap centraal bij het schrijven van deze taalstudies. Deze kennis was niet neutraal en de taalbeschrijvingen hadden een instrumenteel karakter. De vroegmoderne aandacht voor niet-Europese talen uit missionarishoek stond steeds ten dienste van de evangelisatie.

Zanna Van Loon is gastblogger. Ze is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar veranderende visies op taal tussen de zestiende en de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Abraham Ortelius, Theatrum Orbis Terrarum, Gilles Coppens van Diest (Antwerpen), 1570. (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, A 3802).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *