Parlementairen als maatschappelijk consulenten

Gastblog door Karen Lauwers.

De brief die de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs op 7 december 1923 richtte tot Groussau (Archives départementales du Nord).
De brief die de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs op 7 december 1923 richtte tot Groussau (Archives départementales du Nord).

Op 7 december 1923 schreef de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs een brief naar Henri-Constant Groussau, die als onafhankelijke katholiek het Département du Nord in de Kamer van Afgevaardigden vertegenwoordigde. In de brief excuseerde zij zich, omdat ze samen met enkele zusters van de congregatie niet was komen opdagen op haar afspraak met Groussau in de Kamer. Blijkbaar waren ze wel degelijk in het Palais Bourbon aanwezig op het afgesproken tijdstip, maar werden ze afgeschrikt door de grote massa volk die er toen was. Omdat ze sterk opvielen in hun religieuze kledij, durfden ze niet verder te gaan en verkozen ze om via de binnenpost van het parlement een nieuwe afspraak vast te leggen, in een meer discrete omgeving. Dit keer verzochten ze expliciet om Groussau bij hem thuis te spreken, in zijn verblijf in Versailles.

Communicatie tussen het volk en zijn vertegenwoordigers

Het geschetste tafereel speelt zich af in het hart van de Derde Franse Republiek vlak na de Eerste Wereldoorlog, maar werpt ook een onverwacht licht op deze Republiek. Het druist eerst en vooral in tegen het klassieke beeld van de République des camarades – een republiek gedomineerd door een ontoegankelijke politieke elite, die ondanks haar interne meningsverschillen toch vooral haar eigen belangen trachtte veilig te stellen. Burgers, zo blijkt uit het tafereel, konden tot diep in het Palais Bourbon binnendringen en maakten ook gretig van die mogelijkheid gebruik.

Aan de hand van een voorgedrukte pneumatische kaart, konden gewone burgers bij hun aanwezigheid in het parlement snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid (Archives départementales du Nord).
Aan de hand van een voorgedrukte pneumatische kaart, konden gewone burgers bij hun aanwezigheid in het parlement snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid (Archives départementales du Nord).

De parlementaire diensten boden zelfs logistieke ondersteuning om deze toegang tot de Kamerleden te vergemakkelijken. Zo werd het parlementaire buizenpostsysteem, dat bedoeld was om de stenografische notities van de Kamerdebatten door te sturen naar de dienst die het Journal officiel drukte, ook ter beschikking gesteld van ‘gewone burgers’, van mannen en vrouwen uit gelijk welke klasse, zonder politiek ambt. Via dit systeem konden zij snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid, aan de hand van een voorgedrukt briefje.

Op het briefje diende de aanvrager de naam van het Kamerlid en het gewenste moment te noteren. Daaronder was plaats voorzien om meer informatie te geven over de reden van het persoonlijk onderhoud. De voorgedrukte formulering ‘pour lui demander…’ spoorde de bezoeker aan om een specifieke vraag te noteren, maar de aanvragers bleven hier meestal erg vaag over. Omdat het geen strikt persoonlijk document was, drukte de bezoeker doorgaans enkel de wens uit om raad te vragen of informatie door te geven.

Volksvertegenwoordigers en een rij wachtenden voor de ingang van het Palais Bourbon op 19 januari 1922 (Bibliothèque nationale de France).
Volksvertegenwoordigers en een rij wachtenden voor de ingang van het Palais Bourbon op 19 januari 1922 (Bibliothèque nationale de France).

Het briefje werd vervolgens naar de debatzaal van het Palais Bourbon gestuurd, waar portiers instonden voor de veiligheid in de Kamer. Zij dienden in te grijpen wanneer de gemoederen te verhit raakten, maar traden tegelijk ook op als bode. De aanvraagbriefjes van de burgers kwamen bij hen toe. Als de volksvertegenwoordiger wiens naam bovenaan het bericht stond, aanwezig was in het halfrond, kon de bode hem het kaartje overhandigen. Anders werd het teruggestuurd naar de aanvrager, die hiervoor zijn thuisadres op het document had moeten achterlaten.

Vaak werd het eerste contact vanop afstand gemaakt, via een gewone brief, verzonden vanaf het eigen adres van de ‘gewone burger’. Hij of zij hoefde dan geen verplaatsing te maken naar de Kamer en kon meer informatie kwijt over de reden van zijn of haar verzoek. Toch bleek dat burgers niet zelden de voorkeur gaven aan een persoonlijk onderhoud boven briefwisseling. Zo kon het in de gangen van het Palais Bourbon best druk worden.

Religieuze briefschrijvers en hun verwachtingen

Voor het advies en de expertise van Groussau schreven Franse burgers uit verschillende regio’s tijdens het interbellum een kaart of brief naar zijn adres in Versailles of naar de Kamer, zoals in dit postkaartfragment uit 1924, afkomstig uit Allier (Archives départementales du Nord).
Voor het advies en de expertise van Groussau schreven Franse burgers uit verschillende regio’s tijdens het interbellum een kaart of brief naar zijn adres in Versailles of naar de Kamer, zoals in dit postkaartfragment uit 1924, afkomstig uit Allier (Archives départementales du Nord).

Het geschetste tafereel past ook slechts ten dele in het klassieke beeld van de radicaal antiklerikale Derde Republiek. Of beter: het illustreert dat de grenzen tussen Kerk en Staat na de Eerste Wereldoorlog poreuzer werden dan zij tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw waren geweest. Het initiatief van Jezus’ Trouwe Gezellinen om Groussau in het Palais Bourbon op te zoeken, getuigde immers van de nieuwe hoop die verschillende Franse congregaties na de Eerste Wereldoorlog gingen koesteren. Aangezien zij tijdens de oorlog humanitaire hulp hadden geboden en de relaties tussen de Franse staat en het Vaticaan waren verbeterd, durfden vele paters en nonnen naar mogelijkheden te zoeken om hun activiteiten opnieuw uit te breiden en er officiële erkenning voor te krijgen.

Dat de nonnen op hun stappen terugkeerden toen zij de mismatch tussen hun kledij en de parlementaire omgeving beseften, toont meteen echter ook de grenzen van die groeiende toenadering tussen Republiek en Kerk. Ondanks de veranderde context bleef de regulering immers streng en kon het dragen van religieuze kledij de kansen van een congregatie op toestemming verkleinen. Ook Groussau zelf legde de nodige voorzichtigheid in dit opzicht aan de dag. Hij bood zijn briefschrijvers doorgaans eerst de kans om hem in de Kamer te ontmoeten, maar voor een bespreking van meer delicate, religieuze zaken, was hij eveneens bereid om hen in zijn verblijf in Versailles te ontvangen.

Groussau1923
Henri-Constant Groussau, ca. 1923 (Bibliothèque nationale de France).

In 1924 ontraadde Groussau de Ursulinen uit Pau, die na een lange periode van ballingschap hoopvol teruggekeerd waren naar Frankrijk, om een officiële aanvraag tot erkenning in te dienen. Via de documenten die ze hiervoor moesten indienen, zouden ze de overheid immers zelf de middelen aanreiken om hen te laten vervolgen. De beste optie leek hem nog om seculiere kledij te dragen en te doen alsof er niets aan de hand was. Eerder dan de belangen van ‘de katholieken’ luidruchtig in de Kamer te verdedigen, raadde de afgevaardigde uit Lille hen in dit geval dus aan in de clandestiniteit te opereren.

De brede maatschappelijke rol van een volksvertegenwoordiger

Met dat alles was Groussau alvast veel meer dan zomaar een lid van  een wereldvreemde politieke elite. Hij was ook een klankbord van maatschappelijke verzuchtingen, een onderhandelaar tussen overheid en samenleving, een maatschappelijk consulent van zijn achterban. Deze diversiteit aan functies werd door velen erkend en aangesproken – ook door burgers die zoals de Fidèles Compagnes de Jésus niet op hem konden stemmen. Groussau was (en is) zeker niet de enige die op die manier als interface tussen de samenleving en de staat fungeerde (en fungeert). Als we dit erkennen en bestuderen, kunnen we aan de geschiedenis van de parlementaire cultuur een vernieuwde maatschappijhistorische relevantie verlenen.

Meer lezen

Marnix Beyen, ‘De politieke kracht van het dienstbetoon. Interacties tussen burgers en volksvertegenwoordigers in Parijs, 1893-1914’, Stadsgeschiedenis, 7 (2012), 74-85.

Titelafbeelding: Het halfrond van de Franse Kamer van Afgevaardigden in 1922 (Bibliothèque nationale de France).

Karen Lauwers is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Power in History, Centre for Political History aan de Universiteit Antwerpen, waar ze onderzoek verricht naar de impact van de Eerste Wereldoorlog op de directe interacties tussen volksvertegenwoordigers en gewone burgers in België en Frankrijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *