Fabelachtig archief en waar het te vinden

Natuurlijk sneeuwde het die nacht in Gent. Bij het haardvuur keuvelden drie oudheidkundigen over de geschiedenis van de stad, tot een van hen beweerde de vindplaats van de Koop van Vlaanderen te kennen. Had deze legendarische oorkonde, die belangrijke rechten toekende aan de Gentenaars, dan toch bestaan? IJlings trokken de heren naar het belfort. Daar werden ze verwelkomd door hels gelach, terwijl buiten de sneeuw overging in een woest onweer. In plaats van het charter vonden de geleerden de geest van Karel V, die hen vermanend toesprak: ‘Jullie wetenschappelijke begeerte maakt jullie blind en dwaas!’

Dit alles bleek maar een droom, in 1853 opgetekend door Philippe Kervyn de Volkaersbeke. Met zijn Le songe d’un antiquaire wilde hij zijn oudheidkundige kwaliteiten tonen, onder meer door een lange beschrijving van zijn eigen verzameling en van het Gentse belfort. Ook hield hij met zijn novelle zijn tijdgenoten een spiegel voor. Onderzoekers en verzamelaars joegen voortdurend op nieuwe archiefstukken. Kervyn de Volkaersbeke vond in deze jacht stof voor zijn verhaal, maar gewiekste figuren zagen andere mogelijkheden. Zij produceerden zelf de documenten waar erudieten zo naar verlangden. Deze fabricaten zijn nog altijd aantrekkelijk: ze helpen de negentiende-eeuwse historische cultuur te doorgronden.

De brieven van Rubens

In 1838 keken alle liefhebbers uit naar een uitgave van brieven van Peter Paul Rubens door Jean-François Boussard. In een omstandige inleiding diste deze leraar op hoe hij de stukken in handen had gekregen. Een oude monnik van de abdij van Gembloers schonk ze hem in 1814, in ruil voor Chateaubriands Génie du Christianisme. Groot was de teleurstelling van het lezerspubliek toen bleek dat de gedachten van de zeventiende-eeuwse schilder weinig verschilden van dergelijke recente katholieke publicaties. De erg verzorgde uitgave leek eerder een hedendaags pamflet dan een eeuwenoude briefwisseling.

Een aankondiging van Les leçons de P.P. Rubens uit Le Courrier belge van 9 februari 1838.

Verschillende erudieten besloten dat de Leçons de Rubens een vervalsing moest zijn. Anderen waren daar minder van overtuigd. Boussard gaf immers enkel ongedateerde fragmenten van brieven in het Latijn en Italiaans uit, die hij naar het Frans had vertaald, zodat het moeilijk leek hun authenticiteit te beoordelen. De Koninklijke Commissie voor Geschiedenis sprak daarom de hoop uit dat de oorspronkelijke teksten ook gepubliceerd zouden worden, want mogelijk waren ze enkel al te vrijelijk vertaald. Boussard weigerde echter de originelen te tonen. Bijgevolg kon hij alleen maar hopen dat niet elke lezer de fouten en anachronismen in zijn brieven zou opmerken.

Welgeleerd, maar spotachtig

De titelpagina van Aenteekening van verschillige merkwaerdigheden over de brillen en verdere zienglazen, zogezegd geschreven door Fr. Eug. De Caesemaeker.

Terwijl Boussard sukkelde met zijn Rubensbrieven, verrijkte Theodorus Schellinck met meer succes de Gentse geschiedenis. Deze dagbladschrijver speelde steeds weer in op de verlangens van de mensen rondom hem. Volgens een eigentijdse biograaf was Schellinck ‘vroegtijdig wel geleerd en spotagtig van aerd’. Onder een pseudoniem schreef hij bijvoorbeeld een geschiedenis van de bril, in opdracht van een opticien. Schellinck stelde in dat boekje dat het graafschap Vlaanderen een van de eerste brildragende streken ter wereld was, namelijk al sinds de veertiende eeuw. In de toonaangevende Messager des sciences historiques verscheen een lovende recensie.

Niet anoniem, maar even verbazingwekkend was Schellincks oordeel over de muurschildering die in 1855 werd ontdekt in het Groot Vleeshuis. Volgens hem was Nabur Martins de kunstenaar. Als bewijs citeerde Schellinck uit het geheugen een archiefstuk dat hij twaalf jaar eerder had gevonden. Hoewel het document intussen niet meer bestond (en dat nooit heeft gedaan), smulde Edmond De Busscher – eminent kenner van de Gentse kunstgeschiedenis – van Schellincks herinnering ervan. Zelfs zonder bewijs had hij het kunstwerk aan de bekende Nabur Martins willen toeschrijven. De kennis over het verleden leek weer een beetje uitgebreid, een belangrijk verlangen van negentiende-eeuwse historici.

Meer, meer, meer

Les leçons de P.P. Rubens: schone schijn.

De Busscher onderhield de Koninklijke Academie in Brussel in 1858 over de ontdekking van Schellinck. Dat geleerd genootschap liet zich in 1873 ook nog vangen aan de Leçons de Rubens van Boussard. Een biografie van Antoon van Dyck die er uitgebreid uit citeerde, werd bekroond. Gents stadsarchivaris Victor Vander Haeghen gaf aan het einde van de negentiende eeuw de Academie de kans deze misstappen recht te zetten. In een uitgebreide verhandeling bestudeerde hij verschillende vervalsingen. Toch zouden de negentiende-eeuwse fantasieën nog enkele keren opnieuw worden opgediept.

Het succes van de dwalingen van Boussard en Schellinck tonen dat de kritische zin van de erudieten tekortschoot. Het verlangen naar onbekend archiefmateriaal maakte hen erg kwetsbaar, zoals de geest van Karel V waarschuwde in Le songe d’un antiquaire. In dat boek eindigden de oudheidkundigen door hun nieuwsgierigheid in de hel. De negentiende-eeuwse dilettanten verdienen een beter lot. De fouten die zij maakten, helpen begrijpen wat de toenmalige historische cultuur zo bijzonder maakte. Hoewel Schellinck laagopgeleid en onbemiddeld was, kon hij toch naam maken. De historische wereld verwelkomde blijkbaar iedereen die de nodige vaardigheden bezat – of deze leek te bezitten.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: het belfort van Gent in de jaren 1820, door J.B.J. Wynantz (Stadsarchief Gent, detail uit AG_W_058)

Hoe echografie van de foetus een kindje maakte

Wat zie je wanneer je naar bovenstaande afbeelding kijkt? De kans is groot dat je dit wazig zwart-wit beeld meteen herkent als een echografie. Het is het resultaat van een medisch technisch onderzoek dat de gynaecoloog in staat stelt te kijken naar wat er zich afspeelt in de buik van zijn patiënte. Maar een echografie is veel meer dan een medisch instrument om de ontwikkelende foetus te onderzoeken. Sinds haar popularisering in de jaren tachtig zijn de echografische beelden buiten de muren van de praktijk van de gynaecoloog getreden en deel geworden van een bredere en persoonlijkere verbeelding van de foetus. De abstracte, zwart-witte vlekken werden gebruikt door aanstaande mama’s en papa’s om hun toekomstig kind in hun geest te portretteren.

‘Ons kindje’

Da Vinci’s onderzoek van het menselijke embryo. (Royal Collection, Londen)

Op zich is het verlangen om voorbij de baarmoederwand te kijken niets nieuws. Al in de vroege zestiende eeuw maakte Da Vinci uitgebreide schetsen van hoe hij zich het leven in de buik van een zwangere vrouw inbeeldde. Maar ook buiten de studiekamers van geleerden vormden aanstaande moeders en vaders zich een beeld van hun toekomstige baby. Wat de introductie van echografie echter bijzonder maakte, was dat ze de aanstaande ouders van persoonlijke beelden van de foetus voorzag.

Voor het eerst kwamen ouders dankzij de echografie tijdens de zwangerschap in contact met afbeeldingen van hun eigen ongeboren kind. Ze konden zijn of haar bewegingen onder begeleiding van de gynaecoloog meevolgen op een klein schermpje. Het aanwijzen van de ontwikkelende handjes en voetjes, het zien van de precieze ligging van de foetus in de baarmoeder en het geluid van het kloppend hart vormden allemaal een basis om verder op te fantaseren. De naamloze foetus uit de boeken werd op deze manier vervangen door beelden van ‘ons kindje’.

Spelen met de tenen

Voetjes van een menselijke foetus. (CC BY-SA 4.0 Juan Caparrós en Gustavocarra)

De mogelijkheid om visuele informatie over de foetus te bezitten veranderde de ervaring van de zwangerschap dan ook op verschillende manieren. Voor Nadine, die een echografie onderging in 1990, zorgde dit bijvoorbeeld voor een levendige verbeelding van wat er zich in haar buik afspeelde, op een manier die een paar decennia ervoor onmogelijk was. In een gesprek over haar zwangerschapservaringen vertelde ze hoe ze tijdens haar bezoek aan de gynaecoloog steeds haar best deed om de echografiebeelden in haar geheugen te prenten. Wanneer ze dan thuis in de zetel zat, probeerde ze zich op basis hiervan in te beelden wat haar ongeboren kindje allemaal aan het uitspoken was:

ik kon bij manier van spreken
bijna met haar tenen spelen

De vrouw gebruikte de beelden die ze bij de gynaecoloog zag om aan het stampen van de foetus betekenis te geven. Haar idee dat ze als het ware met de tenen ervan kon spelen, toont hoe de echografie aan het gevoel van verbondenheid met het leven in haar buik een nieuwe dimensie gaf. De foetus was voor haar al een dochtertje met wie ze kon ravotten.

Angst

Een echografie van Chris.

Maar de mogelijkheid om een foetus van dichtbij te bekijken, bracht ook een keerzijde met zich mee. Echografie werd immers ontwikkeld om misvormingen van de foetus voor de geboorte op te sporen en indien mogelijk te behandelen. Naast een gevoel van verbondenheid met het ongeboren kind boezemde echografie bijgevolg ook angst in. Angst dat het beeld van een toekomstige zoon of dochter niet overeen zou komen met de werkelijkheid, angst dat de gynaecoloog gebreken zou ontdekken. Dit gevoel sijpelde sterk door in de woorden van Chris, die als diabetes-patiënte meerdere echo’s liet nemen in 1988. Zij koesterde een irrationele angst dat de gynaecoloog haar zou vertellen dat haar kindje een hazenlip zou hebben:

want ik had
stom
(lacht)
heel mijn zwangerschap schrik voor een hazenlip

Uit haar woorden wordt duidelijk dat Chris niet alleen wist dat de gynaecoloog aan de hand van een echografie kon ontdekken of haar kindje de gevreesde hazenlip zou bezitten, maar ook hoe deze angst haar zwangerschapservaring tekende. In dit geval stimuleerde echografie dus de verbeelding op een meer negatieve wijze: het zette Chris aan tot doemdenken. De mogelijkheid om haar foetus van dichtbij te bekijken, betekende immers ook dat ze van dichtbij alles kon zien misgaan.

Beide voorbeelden tonen aan hoe de echografie op verschillende manieren de zwangerschapservaring veranderde in de jaren tachtig. Het abstracte leven in de zwangere buik kon dankzij deze nieuwe technologie de vorm van een kind aannemen in de verbeelding, met alle gevolgen van dien. Afhankelijk van de omstandigheden waarbinnen de zwangerschap verliep, lokte echografie zowel gevoelens van verbondenheid met de foetus als angst om de gezondheid ervan uit. De zwart-witte beelden waar we inmiddels allemaal mee vertrouwd zijn, hadden dus ook een grote impact op het leven buiten de praktijk van de gynaecoloog.

Samuel Vermote is student cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over de invloed van de echografie op de relatie tussen vrouwen en de medische wereld.

Titelafbeelding: Foto Nevit Dilmen (CC BY-SA 3.0).

5 alternatieven voor de dodelijke keizersnede in de negentiende eeuw

De keizersnede stelde negentiende-eeuwse artsen voor een groot dilemma. Gebrekkige hygiënische omstandigheden en hechtingstechnieken beperkten de overlevingskansen van vrouwen. Vooral in drukbevolkte stedelijke kraamklinieken stierven zij meestal aan een buikvliesontsteking of inwendige bloedingen. Het kind overleefde de operatietafel in het geval van een spoedige ingreep doorgaans wel.

Verschillende mogelijke keizersneden.

Het uitblijven van verbetering in de mortaliteitsstatistieken verdeelde de medische gemeenschap in een groep van voor- en tegenstanders naargelang hun religieuze overtuiging en morele principes. De medisch-ethische discussies over het al dan niet toepassen van de keizersnede vloeiden vooral voort uit een gebrek aan goede alternatieven. Artsen die vrouwen met een te smal bekken wilden behoeden voor een dodelijke keizersnede, hadden weinig andere keuze dan het ongeboren kind te doden.

  1. Therapeutische abortus

Bij sommige zwangere vrouwen konden dokters in een vroeg stadium al voorspellen dat hun smalle bekken een bevalling zonder keizersnede onmogelijk zou maken. In zulke gevallen probeerden bepaalde dokters vrouwen te overtuigen van een zwangerschapsonderbreking om medische redenen. In 1852 keurde de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België deze medische praktijk na lang beraad goed. Eensgezindheid was er evenwel niet. Aan de Katholieke Universiteit Leuven werden medische studenten ontraden om therapeutische abortussen uit te voeren.

  1. Embryotomie
Deze vorm van embryotomie stond bekend als céphalotomie: het doorboren van het hoofd van de foetus. De weergegeven perforator is ontworpen door de Franse dokter Hippolyte Blot.

Ook voldragen foetussen stond geregeld hetzelfde dodelijke lot te wachten bij een gecompliceerde bevalling. Embryotomie is een overkoepelende term voor verminkende operaties die het volume van de voldragen foetus in de baarmoederholte verkleinden, om het afvloeien van de foetus te vergemakkelijken. Artsen ontwikkelden tijdens hun loopbaan eigen instrumenten om onder meer het hoofd van het kind te doorboren, te verbrijzelen of los te maken van de rest van het lichaam. Dergelijke operaties werden probleemloos toegepast als de foetus geen teken van leven gaf. Bij een levend kind meenden voorstanders van embryotomie, waaronder een aantal professoren aan de ULB, dat ze er goed aan deden om te kiezen voor “het minste kwaad”: de opoffering van het kind in ruil voor het leven van de moeder.

  1. Kunstmatige bevalling

De kunstmatige bevalling in de zesde, zevende of achtste maand van de zwangerschap vormde een derde alternatief. Deze kinderen werden levensvatbaar geacht en konden door hun kleiner volume via het geboortekanaal ter wereld komen. De overlevingskansen van deze premature baby’s na de geboorte waren echter miniem. De eerste couveuses deden pas op het einde van de negentiende eeuw hun intrede in de Belgische ziekenhuizen.

  1. Amputatie van de baarmoeder
Een therapeutische abortus bij een foetus van 5 maanden.

In 1876 voerde de Italiaanse arts Eduardo Porro een succesvolle keizersnede uit waarbij heel de baarmoeder werd verwijderd. Deze operatieve ingreep beperkte niet alleen de kans op bloedingen, vrouwen konden na de operatie ook geen kinderen meer krijgen. Sommige artsen zoals de Luikse professor Adolphe Wasseige juichten de operatie toe aangezien “misvormde” vrouwen niet opnieuw zouden worden blootgesteld aan een operatie. Andere artsen meenden echter dat de amputatie een vrouw ontdeed van haar vrouwelijkheid.

  1. Postmortale keizersnede

In het slechtste geval konden dokters een postmortale keizersnede uitvoeren om het kind te redden. Negentiende-eeuwse dokters geloofden dat het na de dood van de moeder nog enkele momenten tot uren in de buik bleef leven. De keizersnede was een snelle maar daarom ook gevaarlijke manier om de foetus te bevrijden. Artsen hadden namelijk moeite met het vaststellen van de dood van de moeder. Medische denkbeelden over schijndood – iemand die dood lijkt, maar eigenlijk nog leeft – confronteerden artsen met een gelijkaardig dilemma als de gewone keizersnede: moest men wachten tot de dood van de vrouw met zekerheid was vastgesteld, of moest men een postmortale keizersnede uitvoeren op een vrouw die mogelijk nog leefde?

Het einde van het verloskundige dilemma

Op het einde van de negentiende eeuw was de cirkel weer rond. Kort na de experimenten van Porro ontwikkelde men in 1882 betere hechtingstechnieken om de baarmoederholte na afloop van een klassieke keizersnede volledig te sluiten. In combinatie met het gebruik van bacteriedodende middelen verhoogden de chirurgische praktijken de levenskansen van vrouwen. Tegelijkertijd verloren de dodelijke operaties op de foetus hun vanzelfsprekendheid in medische kringen. Na decennia van verhitte discussie kwam er een einde aan het verloskundige dilemma.

Tekst: Jolien Gijbels. Titelafbeelding: Illustratie van een methode voor keizersnede, uit J.M. Bourgery, Traité complet de l’anatomie de l’homme, dl. 7, Parijs, 1840.

Komt een paus bij Sint-Pieter

Gastblog door Jonas Roelens.

De Brugse Ezelpoort. (Foto Marc Reyckaert)

Op 17 februari 1591 uitte een groepje drinkebroers aan de Brugse Ezelpoort luid en duidelijk hun ongenoegen over de op handen zijnde vastenperiode. Vooral het tijdelijke verbod op het eten van vlees kon op heel wat onbegrip rekenen. De verantwoordelijke voor deze culinaire beproeving was volgens de oproerkraaiers duidelijk: niemand minder dan de paus. Vooral François van Oost, een lokale militair, nam het hoge woord: “den stoel van Rome is valsch en deucht niet.” Om zijn ongenoegen over het pausdom te ventileren, vertelde hij zijn toehoorders een mop:

Toen de paus stierf, ging hij bij de hemelpoort aankloppen en zei “laet my inne, ic ben den godt vanden aerden,” waarop Sint-Pieter antwoordde: “wij hebben maar één god in wie wij geloven, wij hebben geen nood aan nieuwe goden.” Hierop ging de paus naar de hel en herhaalde dat men hem binnen moest laten omdat hij de god van de aarde was. De duivel antwoordde dat er maar één god in de hemel was en dat hij aan die ene god genoeg had, waardoor de paus “noch inden hemel noch inden helle en conste gheraecken.”

Hoewel wij de mop van François vandaag de dag niet meteen als een dijenkletser ervaren, vond hij bij zijn tijdgenoten heel wat bijval. De impliciete betekenis was dan ook duidelijk: de Heilige Stoel was in moreel verval en het pausdom was nergens gewenst, in de hemel noch in de hel.

De trukendoos van Luther

Pausin Johanna.

Joos vande Capelle, een tamboerijn, trad de moppenverteller bij en begon te vertellen “van eene vrauwe die paus gheweest hadde.” Sindsdien, zo beweerde hij stellig, werd na elk conclaaf de nieuwe paus preventief betast aan “zyne mannelicheyt.” De muzikant verwees hiermee naar de beruchte pausin Johanna. De legende wil dat halfweg de negende eeuw een vrouw die zich als man vermomd had tot opvolger van de heilige Petrus verkozen werd. Dit ‘verraad’ werd pas ontdekt toen pausin Johanna tijdens een processie beviel van een kind. Hoewel het verhaal bijzonder twijfelachtig is, werd het in de zestiende eeuw dikwijls opgevist door protestantse hervormers die de vele wantoestanden in de Rooms-Katholieke Kerk aanklaagden, zoals Maarten Luther.

Maarten Luther.

Om de prille breuk met het Vaticaan te rechtvaardigen gebruikte Luther overigens een hele reeks retorische trucjes. Een vast element in dit repertoire was het verwijt dat de paus een sodomiet was. Die beschuldiging was niet min. Sodomie was in de vroegmoderne periode een containerterm om allerlei ‘tegennatuurlijke’ seksuele handelingen mee aan te duiden: masturbatie, pedofilie, bestialiteit, anale seks tussen man en vrouw, maar bovenal: homoseksuele daden. Dit misdrijf werd beschouwd als een zonde tegen de goddelijke orde. God zelf had immers ingegrepen toen de mannelijke inwoners van Sodom en Gomorra seks met elkaar hadden. Beide steden gingen in vlammen op. Zestiende-eeuwse mannen met homo-erotische verlangens wachtte daarom een gelijkaardig lot: de dood op de brandstapel.

Protestanten hadden vaak schijt aan de paus en waren niet te beroerd dit ook af te beelden in hun pamfletten.

In opruiende pamfletten wijdde Luther ganse passages aan de bewering dat seksuele uitspattingen schering en inslag waren in het Vaticaan. Deze kritiek miste zijn effect blijkbaar niet. Philippe Teghels wist in 1591 aan de Brugse Ezelpoort immers toe te voegen dat de paus zijn eigen hoeren onderhield met financiële bijdragen van “vremde hoeren.” Daarenboven was hij een “buggher,” een veelgebruikte term om sodomieten mee aan te duiden. Aan het pauselijk hof verbleven immers heel wat “bugghers,” die volgens Teghels bovendien voor heel wat pauselijke inkomsten zorgden.

Een mop met een baard

Gregorius XIV.

De passage is opmerkelijk. De timing is dan ook onverwacht. Toen het Brugse groepje in 1591 morde over de paus, zat de Reformatie min of meer op een dood spoor in hun stad. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), de Nederlandse opstand tegen het gezag van de Spaanse koning Filips II en een strijd tussen katholieken en protestanten, was in 1591 de facto voorbij in de Zuidelijke Nederlanden waartoe Brugge behoorde. Het verzet was zes jaar eerder definitief gebroken toen Antwerpen opnieuw in Spaanse handen viel in 1585. De Zuidelijke Nederlanden waren sindsdien terug officieel katholiek.

 

In 1591 was de toenmalige paus bovendien Gregorius XIV, een vrome man die de Heilige Stoel amper 315 dagen bezet hield. Tijdens zijn korte pontificaat stelde hij slechts één grote beleidsdaad: voortaan werd het Romeinen verboden om tijdens een conclaaf te gokken op wie de nieuwe paus zou worden. Gregorius stond, in tegenstelling tot sommige voorgangers, dan ook niet meteen bekend omwille van zijn zedeloze levenswandel.

Jan Luyken, Vernietiging van Sodom, 1712.

Sex sells

Toch koos men in 1591 sodomie als argument uit om het pausdom te beschimpen, wat illustreert dat het seksuele discours van Luther en aanverwanten wel degelijk een diepgaande en langdurige impact had. De boodschap dat de paus “een mensche es gelyck anderen,” zoals de mannen aan de Ezelpoort dachten, verhitte de gemoederen in het katholieke Brugge. Het gesprek schopte het tot in de registers van de juridische onderzoeken van de stad.  Of de mannen effectief bestraft werden voor hun “blasphemien vande paus” is onduidelijk, maar hun discussie biedt wel een zeldzame inkijk in de populaire perceptie van religieuze discussies in de zestiende eeuw. Bovendien bleek de protestantse strategie uitstekend te werken. Een vleugje seks zorgde voor een vlotte en langdurige verspreiding van hun ideeën.

Een trucje dat in de loop van de geschiedenis regelmatig herhaald zou worden.

Jonas Roelens is als aspirant van het FWO verbonden aan de vakgroep Geschiedenis van de Universiteit Gent. Hij doet onderzoek naar het stedelijk discours rond sodomie in de vroegmoderne Zuidelijke Nederlanden. Met Wannes Dupont en Elwin Hofman schreef en redigeerde hij Verzwegen verlangen. Een geschiedenis van homoseksualiteit in België.

Nederige nieuwjaarsbrieven en keurige kinderen

Op nieuwjaarsdag 1837 reciteerde Jean-Baptiste Bethune, toen vijftien jaar, voor zijn ouders zijn nieuwjaarswensen. Hij benadrukte hoeveel hij van hen hield en bedankte hen uitgebreid voor hun goedheid. Vervolgens deed hij zijn ouders een belofte: “Wij zullen, wees daar maar zeker van, alles doen wat we kunnen om u voor uw goedheid te bedanken. Wij weten wat wij daartoe moeten doen: ons toewijden aan onze taken en prompt gehoorzamen aan uw wensen. Dat is wat u van ons verwacht.” Afsluiten deed hij niet met ‘je kapoen’ of ‘je (b)engeltje’, maar met ‘uw zeer onderdanige en liefhebbende zoon, Jean’.

Kasteel Bethune, door Jean-Baptistes grootvader François van Ruymbeke gebouwd, was het zomerverblijf van de familie.

In de familie Bethune werd duidelijk niet gesold met nieuwjaarsbrieven. Voor de welgestelde burgerlijke kringen van de negentiende eeuw waarin de familie zich begaf, vormden deze een jaarlijkse herinnering aan de verwachtingen waaraan goede kinderen hoorden te voldoen. Ze werden voor het opdragen zorgvuldig nagelezen en bijgespijkerd door de huisleraar. Bij ernstige bedenkingen moesten de kinderen ze zelfs verschillende malen herschrijven, tot het resultaat voldoende aansloot bij de formele en inhoudelijke tradities waarvan nieuwjaarsbrieven doordrongen waren.

Veel van deze tradities blijven doorleven. Ook vandaag pennen vele kinderen in hun mooiste handschrift op school een sjabloonbrief over. Vandaag, net als in de negentiende eeuw, zijn deze sjablonen getuige van wat de maatschappij van kinderen verwacht en hoe ze hen bekijkt. Hoewel nieuwjaarsbrieven al ruim twee eeuwen die functie vervullen, was hun inhoud vroeger toch anders dan die van vandaag. Negentiende-eeuwse nieuwjaarsbrieven waren immers doordrongen van iets wat in de brieven van 1 januari 2017 amper te ontdekken valt: onderdanigheid.

Zondagskinderen

Een nieuwjaarsbrief van Jean-Baptiste aan zijn ouders.

Een goede nieuwjaarsbrief bevatte in de negentiende eeuw een flinke dosis dankbaarheid. Kinderen moesten hun ouders, maar ook grootouders, ooms en tantes bij elk nieuw jaar loven voor hun eindeloze goedheid en vrijgevigheid. “Mijn lieve oom”, schreef Jean-Baptiste bijvoorbeeld naar zijn oom Valery op diezelfde nieuwjaarsdag van 1837, “onder zij die het voorwerp van uw attenties en uw vrijgevigheid zijn of geweest zijn, ben ik niet de minst bedeelde geweest. Zonder nog duizend en een andere dingen mee te tellen, zijn mijn elektrische apparaten alleen al getuigen van mijn deel.”

Familiale zorg en steun kwam echter met verwachtingen. De familie rekende er alvast op uitgebreid bedankt te worden voor haar spontane giften en gestes. Vader Felix organiseerde bijvoorbeeld regelmatig studiereizen voor zijn kinderen. Daarop hoorden zij met plezier mee te gaan en hun vader verschillende malen te danken, of ze nu om die reizen hadden gevraagd of niet. De materiële afhankelijkheid van kinderen ten opzichte van hun vrijgevige ouders of grootouders zorgde ervoor dat ze bij hen in het krijt stonden. Op 1 januari 1836 betuigde Jean zo zijn eeuwige verschuldiging tegenover zijn grootouders: “Ik voel dat ik nooit zal kunnen voldoen aan de verplichting die uw tederheid en uw goedheden me opleggen.”

Vader moeder zult gij eren

Vader Bethune.

Het best konden kinderen hun dankbaarheid voor de goede zorgen en opvoeding van hun ouders tonen door de unieke kansen die hen werden toebedeeld niet te verspelen. Van jongsaf aan werd hen een werkethiek ingelepeld die hun burgerlijke familie nog een trapje hoger op de sociale ladder moest tillen. Een veertienjarige Jean-Baptiste verzekerde zijn vader in 1835 dat hij en zijn broertje Felix niet rondluierden in huis terwijl hij buitenshuis was: “Onze vakantie is nog niet helemaal voorbij […]. Toch verdoen we onze tijd niet, we werken gewoonlijk tot de middag en soms tot erna.” Vakantie of niet, er moest gestudeerd worden.

Moeder Bethune.

Daarmee was Jean-Baptistes en Felix’ schuld echter niet ingelost. De sociale druk die op kinderen werd uitgeoefend om respectvol, gehoorzaam en onderdanig te zijn tegenover hun ouders en hun wensen beïnvloedde ook hun volwassen leven. Zo vreesde bijvoorbeeld Jean-Baptistes moeder de toorn van zijn oma toen ze een andere jurk had gekocht dan degene die haar moeder had uitgekozen en betaald. Blijvende materiële afhankelijkheid vereiste dus ook van volwassen kinderen de nodige aandacht voor de wil en de verlangens van hun ouders. Negentiende-eeuwse nieuwjaarsbrieven hielpen kinderen daar al op jonge leeftijd bewust van te maken.

Nieuwe wijn in oude zakken

Jean-Baptiste Bethune op latere leeftijd.

Vandaag zijn nieuwjaarsbrieven net zo min als in de negentiende eeuw het spontane resultaat van kinderlijke hersenspinsels. Veel meer dan het zo perfect mogelijk overschrijven en memoriseren van een modelbrief voor de hele klas komt er niet bij aan te pas. Op 1 januari 2017 zouden echter meer dan een paar wenkbrauwen in de woonkamer opgetrokken zijn als een kind zijn brief had afgesloten met ‘je erg onderdanige zoon’. De karakteristieke hedendaagse afsluiter ‘je kapoen’ verraadt veel over de algemene sfeer waarin nieuwjaarsbrieven tegenwoordig voorgelezen worden.

De ideale nieuwjaarsbrief bulkt vandaag nog steeds van allerlei liefdesverklaringen en brave beloftes voor het nieuwe jaar, maar ook kinderlijk kattekwaad maakt in de hedendaagse maatschappij deel uit van wat ‘een kind’ is. Gehoorzaamheid mag dan wel nog steeds vereiste nummer een van een braaf kind zijn, de onderwerping die Jean-Baptiste in zijn nieuwjaarsbrieven aan zijn ouders, oom en grootouders beloofde, hoeft voor de meeste hedendaagse ouders niet meer. Een sterke patriarchale hiërarchie maakt dan ook niet langer deel uit van de hedendaagse variant van ‘het ideale gezin’.

Louise Deschryver is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over de constructie van het kind bij de negentiende-eeuwse Belgische bourgeoisie.

Van prostituee tot witte engel

‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’, stond er tijdens de Eerste Wereldoorlog op het speldje van de verpleegsters van het hospitaal L’Océan in De Panne. De zin vatte perfect de rol van Belgische verpleegsters in de oorlog samen. Ze waren met enkele duizenden, vaak nog maar net opgeleid, en aan het werk in moeilijke omstandigheden. Toch slaagden ze er geleidelijk in respect af te dwingen voor het verpleegkundig beroep, dat voor de oorlog geen gunstige reputatie had.

Een moeizame start

Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in een hospice in Gent (Archief Zusters van Liefde, Gent).

Tot het einde van de negentiende eeuw waren religieuzen verantwoordelijk voor het verschaffen van verpleegkundige zorgen. Professionele scholing was daarbij onbestaande. In 1882 kwam daar voor het eerst verandering in, toen de stad Luik een theoretische en praktische cursus voor lekenverpleegsters organiseerde. Bij gebrek aan leerlingen werd deze opleiding echter twee jaar later al stopgezet. Ook Brussel gaf in dezelfde periode een eerste aanzet: in 1883 stelde de liberale burgemeester Karel Buls tevergeefs voor om een verpleegstersschool op te richten, en vier jaar later startte de socialistische arts César De Paepe met de organisatie van een beperkte verpleegstersopleiding.

Deze eerste initiatieven hadden af te rekenen met heel wat tegenstand en vooroordelen: de kloosterorden vreesden voor de aantasting van hun monopoliepositie, terwijl het geneeskundig corps bang was voor een aantasting van zijn gezag. Ook de gegoede burgerij haalde de neus op voor het in haar ogen minderwaardige beroep van verpleegster. Verpleegsters hadden toen het statuut van dienstmeid en konden soms amper lezen en schrijven.

Vooroorlogse diploma’s

Kandidaat-verpleegsters in de school van dokter Depage (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Ondanks de weerstand ging in 1902 een eenjarige opleiding voor lekenverpleegsters van start in het Stuyvenberghospitaal in Antwerpen. De echte doorbraak kwam er in 1907: in dat jaar zagen in Brussel niet minder dan drie opleidingen het licht. Onder impuls van de Raad der Godshuizen – de voorloper van het huidige OCMW – startte in het Sint-Janshospitaal een tweejarige opleiding. De Brusselse chirurg Antoine Depage begon zelfs met een driejarige opleiding. Als reactie op deze beide opleidingen voor lekenverpleegsters, ging kort daarna ook de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus van start met een eenjarige opleiding.

De wetgever reageerde opvallend snel op de nieuwe opleidingen. Op 4 april 1908 werd een koninklijk besluit goedgekeurd, waardoor verpleegsters voortaan over een bekwaamheidsdiploma moesten beschikken om hun beroep te mogen uitoefenen. De bestaande provinciale medische commissies organiseerden vanaf dan tweemaal per jaar cursussen en examens voor dit diploma. Tussen 1909 en 1914 reikten de commissies niet minder dan 4250 diploma’s uit. Ook de verpleegstersscholen van Brussel en Antwerpen leidden in dezelfde periode 300 verpleegsters op.

Een stoomcursus in Londen

Belgische verpleegsters tijdens hun opleiding in Londen (Koninklijk Legermuseum, Brussel) .

Deze verschillende verpleegstersopleidingen liepen tijdens de Eerste Wereldoorlog gewoon door. Ze ondervonden verrassend genoeg weinig tot geen hinder vanwege de Duitse bezettende overheid. Heel wat jonge vrouwen voelden zich aangesproken door het perspectief om gewonden te verzorgen, maar ook het vooruitzicht op werkzekerheid speelde een rol. De provinciale medische commissies reikten in de oorlog 1500 diploma’s uit, terwijl de verpleegstersscholen in Brussel en Antwerpen 200 verpleegsters een meerjarige opleiding verschaften. Een aantal van hen kwam terecht in hospitalen in bezet België, anderen slaagden erin om hun druk gesolliciteerde diensten aan te bieden in de fronthospitalen.

In 1915 ging onder impuls van de Belgische dokter Charles Jacobs in het King Albert’s Hospital in Londen ook een stoomcursus van start voor Belgische vrouwen die naar Groot-Brittannië waren gevlucht. Er werden 150 verpleegsters opgeleid, die dan meteen naar hospitalen in niet-bezet België of Noord-Frankrijk werden gestuurd. Ze vervingen er Britse verpleegsters, die in het begin van de oorlog hun hulp hadden aangeboden aan poor little Belgium, maar nu terug in Groot-Brittannië gingen werken.

‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’

Portret van Maria Gruwez, die als verpleegster in een Belgisch hospitaal in het Noord-Franse Gravelines werkte  (In Flanders Fields Museum, Ieper).

Door de inzet van al die gediplomeerde Belgische verpleegsters veranderde het beeld van hun beroep in de loop van de oorlog. In de eerste oorlogsmaanden heerste er nog veel wantrouwen tegenover deze jonge vrouwen, die omgingen met naakte mannenlichamen en het aandurfden hen onder de gordel te verzorgen. Grote delen van de bevolking vonden hun gedrag aanstootgevend, ze werden soms zelfs als prostituees betiteld.

Door hun deskundige zorgen en de groeiende waardering voor hun werk maakte dit wantrouwen geleidelijk plaats voor het beeld van de witte engelen: goed opgeleide vrouwen die dag en nacht klaarstonden om de gewonden te genezen, verlichten en/of troosten. ‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’, schreef een gewonde soldaat op het einde van de oorlog in het poëziealbum van een Belgische verpleegster. Het was illustratief voor de sterk gewijzigde houding tegenover het verpleegstersberoep.

Luc De Munck is student Cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over het werk van Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Titelafbeelding: Een Belgische verpleegster aan het werk in het hospitaal L’Océan (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Hoe taal een instrument van bekering werd

Gastblog door Zanna Van Loon.

De Europese ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld in 1492 door Christoffel Columbus had verregaande gevolgen. Europese ontdekkingsreizigers kwamen vanaf het einde van de vijftiende eeuw voor het eerst in contact met een tot dan toe onbekende wereld, onbereisde landschappen en tot de verbeelding sprekende, nu grotendeels uitgeroeide culturen. 1492 was het startpunt van een eeuwenlange Europese kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Die kolonisatie zette een economische en culturele uitwisseling tussen beide werelddelen in. Van mensen, ideeën en goederen, maar ook van informatie over inheemse talen.

De bekering van de Nieuwe Wereld

Zestiende-eeuwse muurschildering in het klooster van San Miguel Arcángel (Huejotzingo, Puebla, Mexico) die de aankomst van de eerste franciscanen in de Nieuwe Wereld in 1524 portretteert.

De kolonisatie van de Nieuwe Wereld verliep hand in hand met de evangelisatie van plaatselijke volkeren. Missionarissen van rooms-katholieke orden, zoals de franciscanen en de dominicanen, werden vanaf het begin aangespoord om de oversteek te maken en de ‘onwetende’ bevolking te bekeren tot het christendom. Al snel realiseerden deze Europese missieorden zich dat zij hen efficiënter ‘tot inkeer’ konden brengen door het woord van God te verkondigen in de inheemse talen. Om hun boodschap te kunnen uitdragen, verdiepten ze zich daarom in de studie van Amerindiaanse talen en stelden ze vervolgens grammatica’s, woordenlijsten en algemene beschrijvingen op om hun verworven kennis door te spelen aan opvolgers. Vanaf de zeventiende eeuw reisden ook protestantse missionarissen naar de Nieuwe Wereld met hetzelfde doel: de plaatselijke bevolking bekeren. Deze missionarisactiviteiten resulteerden eveneens in taalstudies, hetzij op een kleinere schaal.

Door zich in te laten met de studie van deze talen, verwierven Europese geestelijken inzichten in de geschiedenis, samenleving en levensstijl van inheemse gemeenschappen en kregen zij vat op de ontmoeting met ‘het onbekende’. De overgeleverde taalbeschrijvingen bieden bijgevolg een inkijk in Europese visies op de taal en op de cultuur van de Amerikaanse volkeren.

A Key into the Language of America

De titelpagina van A Key into the Language of America (Providence, John Carter Brown Library – Indigenous Collection).

A key into the Language of America: or, An help to the Language of the Natives in that part of America, called New-England, in 1643 in Londen gedrukt door George Dexter, is een mooie illustratie van hoe Europeanen naar niet-Europese culturen keken. De auteur, puriteins predikant Roger Williams (1604-1683), vestigde zich in New England in de jaren 1630 en ontwikkelde al snel een bijzondere belangstelling voor de lokale bevolking aan de oostkust: de Narragansett-indianen. Hij bestudeerde lange tijd hun levensstijl, tradities en taal. Het resultaat van zijn onderzoek was A Key into the Language of America, een overzicht van hun taal, het Narragansett, ingedeeld in dertig hoofdstukken. Williams was de eerste die structuur probeerde te brengen in de onbekende Narragansett-taal door de oorspronkelijke betekenis van inheemse woorden op schrift te brengen. Iedereen die in contact zou komen met deze indianen was volgens hem gebaat bij zijn studie.

Williams wilde de Narragansett-taal doorgronden om inzicht te verwerven in een onbekende wereld. Hij zag zijn woorden- en zinnenboek als de sleutel die may unlocke some Rarities concerning the Natives themselves. Meer nog, zijn taalstudie zou kunnen leiden tot meer kennis, omdat “A little Key may open a Box, where lies a bunch of Keyes.” De ontmoeting met niet-Europese religies en samenlevingen wekte immers fascinatie op. Williams had de taak op zich genomen om als eerste een gestructureerd overzicht te bieden van hun taal, omdat hij besefte dat kennis van een taal essentieel was om toegang te verkrijgen tot informatie over niet eerder bestudeerde culturen, tradities en levenswijzen. Wie in staat was in contact te treden met Narragansett-sprekers, kon immers informatie verwerven over hoe hun samenleving en cultuur ineenzaten.

Civilitie and Christianitie

Portret van Ninigret, hoofd van de Narragansettindianen, 1681 (Museum of Art, Rhode Island School of Design).

Williams’ taalbeschrijving was echter niet neutraal; hij wilde zijn Engelstalig lezerspubliek immers een bepaalde boodschap meegeven. Hij bood hen een hulpinstrument aan, waarmee zij het gesprek konden aangaan met de natives: als zijn lezers de Narragansett-taal machtig waren, zouden zij de indianen kunnen leiden naar de ‘echte’ beschaving en het ‘ware’ geloof. Dit motief komt sterk naar voor in Williams’ voorwoord. De lezer zou met behulp van het woorden- en zinnenboek met duizenden indianen in heel New England een gesprek kunnen voeren en hierdoor “civilitie” en “Christianitie” helpen verspreiden. Het was immers de moedige taak van de Europeaan om het christelijke licht te brengen in de duisternis: “for one Candle will light ten thousand”.

Dat de Narragansett-indianen hier naar Williams’ mening nood aan hadden, was duidelijk. Zij konden geen aanspraak maken op een beschaafde cultuur, omdat ze niet over kleren, boeken of een schrift beschikten en omdat hun voorvaderen deze elementen bovendien nooit hadden gekend. Om die redenen, schreef Williams, waren zij er gemakkelijk van te overtuigen dat de Engelse bevolking een machtigere god kende: de Heer had immers de Engelsen boven hen geplaatst op de ladder van de beschaving. Hij beschreef hen dan ook geregeld als “Rude and Clownish”, “these wild Americans” of “Barbarians” en voegde tussendoor gedichten toe, waarin hij telkens wees op het belang van de evangelisatie: “How kindly flames of nature burne in wild humanitie? Naturall affections who wants, is sure Far from Christianity.”

Het voorbeeld van Roger Williams documenteert een van de houdingen van vroegmoderne Europeanen tegenover ‘nieuwe’ talen en culturen. Ondanks Williams’ sympathie voor de Narragansettindianen bleef het Europees superioriteitsgevoel en paternalisme sterk aanwezig doorheen zijn tekst. Hoewel missionarissen zoals hij een belangrijke bijdrage leverden aan de aangroeiende kennis van niet-Europese talen, stond de overdracht van de goddelijke boodschap centraal bij het schrijven van deze taalstudies. Deze kennis was niet neutraal en de taalbeschrijvingen hadden een instrumenteel karakter. De vroegmoderne aandacht voor niet-Europese talen uit missionarishoek stond steeds ten dienste van de evangelisatie.

Zanna Van Loon is gastblogger. Ze is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar veranderende visies op taal tussen de zestiende en de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Abraham Ortelius, Theatrum Orbis Terrarum, Gilles Coppens van Diest (Antwerpen), 1570. (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, A 3802).

5x de eerste vrouw in Leuven

Het is 8 maart, Internationale Vrouwendag. Overal ter wereld voeren vrouwen vandaag actie voor gelijke rechten. Aan de Gentse universiteit vindt bijvoorbeeld een Women’s Strike plaats voor meer gendergelijkheid in de academische wereld. Het kostte vrouwen tot nog toe bijzonder veel moeite om aan de Vlaamse universiteiten binnen te breken en er op te klimmen in de hiërarchie. Ook aan de Leuvense universiteit konden vrouwen nog maar met mondjesmaat doordringen tot het professorenkorps en de hogere beleidsfuncties. We goten de moeizame vrouwelijke opmars aan de grootste universiteit van Vlaanderen in een lijstje.

  1. De eerste vrouwelijke studenten
Vrouwelijke studenten in de jaren 20. (Universiteitsarchief KU Leuven)

Bijna honderd jaar geleden, in 1920, stelde de Leuvense universiteit voor het eerst haar deuren open voor vrouwelijke studenten. Dat was een stuk later dan de universiteiten van onder meer Brussel en Gent, waar vrouwelijke studenten zich vanaf de vroege jaren 1880 konden inschrijven. Dat de Leuvense universiteit aanvankelijk niet stond te springen om vrouwelijke studenten te ontvangen, kon u eerder al lezen in een blogtekst over de Amerikaanse uitwisselingsstudente Anne B.C. Hart.

Na de Tweede Wereldoorlog schreven vrouwen zich aan de Leuvense universiteit steeds massaler in als student. Vandaag stromen er jaarlijks ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke studenten in, maar bij heel wat opleidingen is er wel een serieus genderonevenwicht. Zo rekruteert de opleiding Ingenieurswetenschappen veel meer mannelijke dan vrouwelijke studenten. Bij de opleiding Logopedische en Audiologische Wetenschappen is de situatie precies omgekeerd.

  1. De eerste vrouwelijke hoogleraar
Marguerite Lefèvre, de eerste vrouwelijke hoogleraar in Leuven.

In 1960 werd de geografe Marguerite Lefèvre de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Leuvense universiteit. Ze was toen al 66 jaar oud. Hoewel ze de taken die bij het hoogleraarschap hoorden al jaren uitoefende, talmde de universiteit bijzonder lang om haar de titel toe te kennen. De decennia nadien nam het aantal vrouwelijke professoren aan de Leuvense universiteit eerder aarzelend toe. Vandaag is iets meer dan een kwart van het Leuvense professorenkorps vrouw.

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit kreeg in het interbellum Irène Van der Bracht (niet zonder tegenkanting) als eerste vrouw de titel van hoogleraar. Zij doceerde er aan de afzonderlijke meisjesafdeling van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding. Het aantal vrouwen in het huidige professorenkorps van de Gentse universiteit benadert procentueel gezien dat van de Leuvense universiteit.

  1. De eerste vrouwelijke decaan
Katlijn Malfliet werd in 2010 de eerste vrouwelijke decaan aan de KU Leuven. (Rob Stevens)

Vrouwen stootten aan de Leuvense universiteit maar met mondjesmaat door tot het professorenkorps en binnen dat korps maakten zij ook uiterst traag promotie. Het aantal vrouwelijke professoren met de graad van gewoon hoogleraar is vandaag nog steeds erg gering. Die graad was en is nodig om – bijvoorbeeld – tot decaan van een faculteit te kunnen worden verkozen. Pas in 2010 kreeg de Leuvense universiteit met Katlijn Malfliet voor het eerst een vrouwelijke decaan, aan de Faculteit Sociale Wetenschappen. Momenteel heeft de Leuvense universiteit twee vrouwelijke decanen (op vijftien).

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit zijn momenteel alle elf decanen mannen. De universiteit had eerder wel al vijf vrouwelijke decanen (de eerste van 1978 tot 1980). Aan de Universiteit Antwerpen is vandaag een van de negen decanen een vrouw, aan de Vrije Universiteit Brussel een van de acht.

  1. De eerste vrouwelijke vicerector
De Leuvense rector en vicerectoren in 2014. Twee van de acht vicerectoren zijn vrouwen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Een trap boven de decanen staan in de universitaire hiërarchie de vicerectoren. Zij maken deel uit van de bestuursploeg van de rector. De Leuvense universiteit telt vandaag twee vrouwen in haar team van acht vicerectoren. Eén van die twee vrouwen is de eerder genoemde Malfliet, die als vicerector onder meer bevoegd is voor het diversiteitsbeleid van de universiteit. De Germaniste Emma Vorlat was de eerste vrouw die aan de Leuvense universiteit in de bestuursploeg van de rector werd opgenomen. In 1985 werd zij door rector Roger Dillemans aangesteld als groepsvoorzitter Humane Wetenschappen (toen werd voor deze functie nog niet de term ‘vicerector’ gebruikt).

Emma Vorlat in 2015. Zij was in 1985 de eerste vrouw die in de bestuursploeg van de KU Leuven werd opgenomen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Ter vergelijking: zowel aan de Universiteit Antwerpen als aan de Vrije Universiteit Brussel zijn er momenteel twee mannelijke en twee vrouwelijke vicerectoren. Aan de Gentse universiteit is er altijd maar één vicerector en dat was tot nu toe nog nooit een vrouw.

  1. De eerste vrouwelijke rector

Bij de laatste rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit moest burgerlijk ingenieur Karen Maex in de tweede rond nipt de duimen leggen tegen kerkjurist Rik Torfs. Naast Maex was ook burgerlijk ingenieur Tine Baelmans kandidaat geweest – zij waren de allereerste vrouwen die zich in de strijd om het Leuvense rectorschap hadden gegooid. Geen van beiden haalde het echter en de Leuvense universiteit kreeg in 2013 dus niet voor het eerst een vrouw aan het hoofd. Maex is intussen wel aangesteld als rector van de Universiteit van Amsterdam.

Met arts Marie De Groodt-Lasseel en historica Els Witte hadden in Vlaanderen het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (een van de voorlopers van de Universiteit Antwerpen) en de Vrije Universiteit Brussel respectievelijk van 1977 tot 1981 en van 1994 tot 2000, wel al een eerste vrouwelijke rector. Sinds 2013 is ook de Gentse universiteit met arts Anne De Paepe aan haar eerste vrouwelijke rector toe. In 2016 verkoos de Vrije Universiteit Brussel communicatiewetenschapster Caroline Pauwels als haar tweede vrouwelijke rector.

De kandidaten voor de nakende rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit zijn nog niet officieel bekend. In de Verenigde Staten stellen na de nederlaag van Hillary Clinton als eerste vrouwelijke kandidaat bij de presidentsverkiezingen heel wat ontgoochelde kiezers hun hoop op Michelle Obama. Met de hashtag ‘#Michelle2020’ porren zij de voormalige First Lady aan om zich na de eerste termijn van Donald Trump in de kiesstrijd voor het presidentschap te werpen. Wat denkt u – waar zal het glazen plafond het eerst aan diggelen gaan: aan het hoofd van het machtigste land van de wereld of aan het hoofd van de grootste universiteit van Vlaanderen?

Tekst: Liesbet Nys. Titelafbeelding: Cherchez la femme: stoet der togati bij de opening van het academiejaar 2006-2007. Fragment uit foto KU Leuven – Rob Stevens.

De grootste bom ter wereld

‘Mag ik u erop wijzen, Monseigneur, dat wij momenteel beschikken over de grootste radiumbom ter wereld.’ De boodschap komt uit een brief uit 1943. De auteur was Joseph Maisin, directeur van het Leuvense Kankerinstituut. De ‘Monseigneur’ die hij aanschreef was Honoré Van Waeyenbergh, rector van de universiteit. En de vermelde ‘radiumbom’ was geen wapentuig, maar een geavanceerd toestel om tumoren mee te bestralen. In volle oorlogstijd was het nieuws van Maisin erg welkom. ‘Een deugddoende zonnestraal in tijden van diepe crisis’, zo feliciteerde Van Waeyenbergh zijn professor. De ingebruikname van de Leuvense radiumbom was inderdaad een onverwacht succes, zowel op humanitair als op wetenschappelijk vlak – een vergeten stukje medische geschiedenis uit de oorlogsjaren.

De strijd tegen kanker

Het Kankerinstituut te Leuven. (Universiteitsarchief Leuven)

In 1928 was in Leuven het Kankerinstituut feestelijk geopend. Het was het eerste gebouw van Sint-Rafaël, de medische campus die tussen de wereldoorlogen in het Leuvense stadcentrum verrees. Er was een intensieve fondsenwerving aan voorafgegaan. Adellijke dames en rijke industriëlen schonken grote bedragen. Maar ook vrome parochianen – want het nieuwe instituut werd gepromoot als een ‘katholiek werk’ – konden voor 1 frank een steen van het Kankerinstituut sponsoren. Het was de eerste keer dat de strijd tegen kanker zo sterk was gemediatiseerd. Dankzij lokale en nationale actiecomités haalden de plannen voor het nieuwe instituut regelmatig de pers. Daarbij speelden ook ideologische belangen. ‘De eer van de katholieke wetenschap en van de Katholieke Universiteit staat op het spel!’, zo riep Van Waeyenbergh bevriende journalisten ter hulp.

Het ingezamelde geld werd gebruikt voor de bouw van het instituut, maar ook voor de uitrusting ervan: zeventig hospitaalbedden, drie nieuwe operatiezalen, toestellen voor radiografieën en, niet onbelangrijk, de aankoop van radium. Bestraling met radium werd in die tijd als de meest vooruitstrevende behandeling beschouwd, in het bijzonder voor borstkanker. De radioactieve eigenschappen van de stof maakten het mogelijk dieper gelegen tumoren te bestralen. Maar radium was ook zeldzaam, gevaarlijk en buitengewoon duur. Maisin werkte nauw samen met fysici en ingenieurs om een veilige omgeving voor die radiumtherapie te bouwen: het radium werd in glazen tubes geplaatst in een speciaal daarvoor ontworpen apparaat (de ‘radiumbom’). De bestraling zelf ging door in een soort betonnen bunker.

Radium uit Congo

De ‘radiumbom’ waarin de 7 gram radium werd bewaard. (Universiteitsarchief Leuven)

België had in die tijd het wereldmonopolie op radium. Het werd gewonnen door de Union Minière du Haut-Katanga, een mijnbedrijf dat vooral in het ertsrijke zuiden van Congo actief was. Via de Nationale Stichting tegen Kanker stelde het bedrijf radium beschikbaar aan de Belgische universiteiten. Die verdeling verliep echter moeizaam. De Union Minière zag aanvankelijk meer in één prestigieus nationaal ‘radiuminstituut’ te Brussel. Dat de Leuvense universiteit zo sterk het katholieke karakter van haar instituten benadrukte, droeg bij tot de spanningen. Maisin geraakte er door gefrustreerd. ‘Waarom laat de overheid elk jaar zoveel burgers sterven?’, klonk het hard. Naast humanitaire motieven had hij ook wetenschappelijke ambities. Met de Stichting tegen Kanker, het radium uit Congo en de kankerinstituten had België, aldus Maisin, alle troeven in handen om een internationale pioniersrol te spelen in de cancerologie.

Onverwacht succes

In 1937 kwam er een doorbraak: de Union Minière gaf 7 gram radium (geschatte waarde circa negen miljoen Belgische frank) in bruikleen aan de Leuvense universiteit voor kankerbehandeling. De Duitse inval van 1940 legde die behandeling echter lam. In de chaos van de eerste oorlogsdagen namen de Duitse troepen het radium in beslag en transporteerden het naar Duitsland. Pas na lange onderhandelingen tussen de Union Minière, de universiteit, de Stichting tegen Kanker en de Duitse bezetter werd het radium in 1941 teruggeven. Maisin had daarvoor zijn Duitse collega’s gevraagd de teruggave van het Leuvense radium te bepleiten ‘in naam van de wetenschap’. Nog onverwachter was dat de Union Minière in 1943 bijkomend radium ter beschikking stelde. Zo kon een radiumbom van 11 gram worden samengesteld, op dat moment ‘de grootste ter wereld’.

De zaal voor patiënten die op bestraling wachtten. (Universiteitsarchief Leuven)

Terwijl de oorlog onverminderd voortging, bleven kankerbehandeling en wetenschappelijk onderzoek mogelijk in Leuven. Uiteraard verliep dat soms moeizaam. Bij bombardementen vluchtten de gehospitaliseerde patiënten bijvoorbeeld uit het instituut. Ondanks die moeilijke omstandigheden was radiumtherapie een prioriteit tijdens de oorlogsjaren. De behandeling van kanker was in korte tijd uitgegroeid tot een centrale bekommernis van de overheid en de universiteit. Ook na de Tweede Wereldoorlog zette die ontwikkeling zich door. De strijd tegen kanker werd een van de belangrijkste programmapunten van het internationaal medisch onderzoek en gezondheidsbeleid.

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen.

Ervandoor met je lief in de middeleeuwen

Gastblog door Chanelle Delameillieure.

In de vroege vijftiende eeuw ontmoetten Jan en Liesbeth elkaar voor het eerst op de kermis in Antwerpen. Het koppel werd verliefd en wilde zo snel mogelijk trouwen. Dat was helaas buiten Jans vader gerekend, die weigerde om toestemming te geven voor het huwelijk. Liesbeth kwam uit  een lager sociaal milieu en was daarom geen geschikte partner voor zijn zoon…

Toch werd het geen dramatisch verhaal over onmogelijke liefde en hartverscheurend verdriet à la Tristan en Isolde of Romeo en Julia. Na de afwijzing door Jans vader nam Liesbeth het heft vastberaden in eigen handen. Met de hulp van een aantal vrienden reed ze naar Jan toe en voerde ze hem mee op haar wagen, waarna het herenigde koppel alsnog in het huwelijk trad. Jans vader was hier uiteraard niet van gediend en klaagde de schaking van zijn zoon aan bij de Antwerpse autoriteiten. Omdat Jan meerderjarig was en vrijwillig met Liesbeth was meegegaan, konden die echter niet meer doen dan een boete vorderen. Met deze sluwe list had Liesbeth Jans vader buitenspel gezet.

Lelijke mannen met baarden

‘De ontvoering van Helena’, ca. 1450-1455, wellicht door Zanobi Strozzi. Dit houten paneel was waarschijnlijk een decoratiestuk voor een meubel. (Londen, The National Gallery, inv. nr. NG591.)

Deze aandoenlijke anekdote komt niet uit een oud sprookjesboek, maar wel uit een vijftiende-eeuws Antwerps strafregister. Bovendien was dit geen alleenstaand geval, maar kwamen er in de late middeleeuwen tal van gelijkaardige schakingen voor. In 1455 sloop een andere Liesbeth bijvoorbeeld stiekem uit het huis van haar vader in Leuven om naar haar geliefde te gaan. Hierover zei ze later dat dit haar eigen keuze geweest was, en dat ‘alles wat Hendrik met haar gedaan had’ met haar instemming was gebeurd.

Zo’n vijftig jaar later verklaarde Woyeken, een vrouw die eveneens met haar minnaar was weggelopen, dat ze dit gedaan had omdat ze bang was dat haar familie haar met ‘een lelijke echtgenoot met een baard’ zou opzadelen. Deze jonge vrouwen probeerden aan de controle van hun ouders te ontsnappen door er met hun geliefde vandoor te gaan. De schakingen waren strafbaar, maar het doel, namelijk een huwelijk, werd toch vaak bereikt.

Zonder consensus geen huwelijk

Deze voorbeelden staan in schril contrast met het stereotype beeld van de middeleeuwen als een periode waarin kinderen, en dan vooral meisjes, slachtoffers waren van gearrangeerde huwelijken die hun families sociaaleconomisch voordeel opleverden. Hoewel geheime huwelijken zonder de toestemming van ouders bestraft konden worden, bepaalde het kerkelijk recht dat ze geldig en dus onontbindbaar waren. Vanaf de twaalfde eeuw benaderde de Kerk het huwelijk immers verrassend individualistisch: consensus werd de enige voorwaarde om een geldig huwelijk aan te gaan. Dit betekent dat in principe enkel de wederzijdse instemming van beide huwelijkspartners – de uitwisseling van de woorden ‘Ja, ik wil’ – volstond om te trouwen. Dankzij dit consensusprincipe konden jongeren de invloed van hun ouders omzeilen; hun medeweten, noch hun instemming waren vereist. Dergelijke ‘stiekeme’ huwelijken staan bekend als clandestiene huwelijken.

Gehistorieerde initiaal ‘S (sponsum)’ van man die een ring rond de vinger van een vrouw plaatst, ca. 1360-1375. (Londen, British Library, Royal 6 E VI, fo. 104r.)

Het consensusprincipe botste sterk met de laatmiddeleeuwse praktijk. Huwelijken konden families en hun kapitaal met elkaar verbinden en dienden dus weloverwogen te gebeuren. Het waren politieke en socio-economische aangelegenheden met als doel de invloed en het bezit van de betrokken families uit te breiden. Hoe hoger hun positie op de sociale ladder was, hoe meer economische belangen meespeelden. Stedelijke elites gingen dan ook eisen dat de lacune van het kerkelijk recht werd opgevuld door de opname van de ouderlijke toestemming als voorwaarde in het seculier recht. Vanaf de dertiende eeuw vaardigden wereldlijke overheden verschillende wetten uit. Deze charters richtten zich niet op het clandestien huwelijk, maar op het middel om zo een huwelijk aan te gaan, namelijk de schaking. In de praktijk werden deze strenge wetten zelden uitgevoerd en werd de zaak vaak in den minne geregeld.

De spanning tussen het sociaaleconomische belang van een huwelijk en de nadruk op consensus resulteerde in tal van opmerkelijke rechtszaken over clandestiene huwelijken en schakingen, waarbij verliefde koppels er samen vandoor gingen tegen de wil van hun familie.  Niet alle schakingen waren echter een romantisch gebeuren zoals in het geval van Jan, Liesbeth en Woyeken. Schakingen konden ook de vorm van gewelddadige ontvoeringen aannemen en werden dan ingezet in de strijd van families om gunstige allianties te smeden die hen aanzien en bezit opleverden. In dit geval schaakten mannen, vaak met de hulp van hun familieleden, welstellende vrouwen in de hoop om zo een voordelig huwelijk af te dwingen. Het consensusprincipe verleende dus een zekere graad van vrijheid aan individuen, maar leidde ook tot misbruik en verwarring.

De schaking als achterpoortje?

‘Roman de la Rose’, Parijs, ca. 1405. (Los Angeles, The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig XV 7.)

Geruggesteund door de Kerk beschikten jongeren over een handig middel om hun eigen huwelijk te bepalen. Toch was de schaking geen romantisch redmiddel dat massaal werd aangewend door rebelse jongeren die met hun ouders ruzieden over hun partnerkeuze. Het strategische nut van huwelijken in de late middeleeuwen werd vaak niet in vraag gesteld en kinderen konden zelf ook sociaaleconomische belangen nastreven bij de keuze van hun partner. Bovendien hielden ouders soms ook rekening met de voorkeuren van hun kroost. Hoewel jongeren zich dus niet in grote getale verzetten tegen de zakelijke manier van huwen, waren ze geen marionetten in het strategische spel van hun families. De Kerk maakte huwelijken op basis van wederzijdse instemming mogelijk en Jan en Liesbeth maakten daar dankbaar gebruik van.

Chanelle Delameillieure is gastblogger. Ze is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar huwelijksvorming in de laatmiddeleeuwse Lage Landen.

Titelafbeelding: Een koppel in een landschap, Parijs, ca. 1440-1450 door de ‘Bedford-meester’. (Los Angeles, The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig IX 6, fol. 4.)