Oog in oog met het slagveld van Waterloo

Op 19 juni 1815, een dag na de Slag bij Waterloo, kwamen de eerste bezoekers aan op het slagveld. In zijn memoires beschreef de Britse officier Alexander Cavalié Mercer zijn verbazing toen hij tijdens zijn middagmaal een reiskoets zag aankomen. In smetteloze kledij en met geparfumeerde zakdoeken om de stank te verdrijven verkenden enkele ramptoeristen het slagveld, terwijl ze zich behoedzaam en met afgrijzen een weg probeerden te banen tussen de doden en gewonden.

Tweehonderd jaar na de definitieve nederlaag van Napoleon verraadt het herinneringslandschap weinig van wat er zich heeft afgespeeld. De vernielingen, grafheuvels en militaire voorwerpen van gesneuvelde militairen zijn al lang verdwenen. Negentiende-eeuwse reizigers hadden meer geluk. Zij konden zich beroepen op tastbare sporen van de veldslag om zich een beeld te vormen van de strijd. Toch bleek dat ook voor hen allesbehalve een gemakkelijke oefening.

Het tastbare verleden

Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.
Reizigers vertrokken meestal vanuit Brussel met een reiskoets. Na een tocht door het Zoniënwoud kwamen ze aan bij de kerk van Waterloo.

Toeristen die in de eerste weken na de veldslag aankwamen, stonden oog in oog met de talloze lichamen die op en rondom het slagveld waren verspreid. Maar ook maanden en jaren later getuigde het slagveld nog van de strijd. Voor de beleving van de plaats waren tastbare sporen van het verleden onontbeerlijk. Bezoekers gingen er actief naar op zoek en beschreven de af- of aanwezigheid van materiële overblijfselen van de slag in brieven, dagboeken en reisverslagen. De kanonsporen in de aarde of de achtergelaten voorwerpen op het slagveld wakkerden de verbeelding aan en hielpen de bezoeker om zich te verplaatsen naar de bewuste slag van 18 juni 1815.

Toch gaf het verleden zich ook aan de vroegste bezoekers moeilijk bloot. De Britse schrijfster Charlotte Eaton, nog geen maand na de slag ter plaatse, beleefde het slagveld op een heel fysieke manier: ze liet de as van de overledenen door haar vingers glijden. Maar ook voor haar was het onmogelijk om de horror van Waterloo te beschrijven of het zich maar enigszins voor te stellen. De romantische poëet Robert Southey, die in 1816 op bezoek kwam, wist dan weer niet wat hij moest denken bij het zien van bloeiende maïsvelden, klaprozen en viooltjes op de plaats waar de natuur kort geleden helemaal was vernield door het strijdgewoel. Hij drukte zijn hoop uit dat de ruïnes onaangetast de tijd zouden doorstaan, zodat toekomstige pelgrims de plaats konden beleven in dezelfde toestand als bij de overwinning van 1815.

Voor velen was het moeilijk om de scheidingslijn tussen fictie en werkelijkheid te overbruggen. Op de ‘authentieke’ plaatsen waar de gevechten hadden plaatsgevonden lieten bezoekers hun verbeelding de vrije loop, maar dergelijke pogingen strandden continu op de breuk tussen heden en verleden. Hoewel het verleden dichtbij, tastbaar en zintuigelijk waarneembaar was, slaagde men er niet in om het ‘nu’ volledig achter zich te laten.

Misnoegde bezoekers

De hoeve van Hougoumont.
De hoeve van Hougoumont.

Omstreeks 1830 werd het moeilijker om zich voor de geest te halen wat er in 1815 had plaatsgevonden. In de tussenliggende periode waren de sporen en de meeste natuurlijke landschapskenmerken verdwenen. Alleen in de hoeve van Hougoumont vonden veel bezoekers tot ver in de negentiende eeuw waar ze naar op zoek waren. De verwilderde tuin, de bouwvallige staat en de muren met afdrukken van kogels bleven voor de bezoekers representatief voor de hevige gevechten die er hadden plaatsgevonden.

Al met al mondde de zoektocht naar sporen uit in teleurstelling. Reizigers waren zich in toenemende mate bewust van de toeristische industrie die er zich sinds 1815 had ontwikkeld. Bijgevolg namen ze een sceptische houding aan tegenover de aangeboden ‘Waterloo-ervaring’. Gidsen werd verweten steeds dezelfde verhaaltjes op te dreunen, een gekleurde versie van de feiten te geven en leugenachtige anekdotes te vertellen. Ook ontstond er een groot wantrouwen ten opzichte van plaatselijke reliekenverkopers die sinds 1815 allerhande militaire voorwerpen onder het mom van ‘authentiek’ aan de man brachten. Allerlei geruchten over de industriële productie van ‘Waterloo-objecten’ ondergroeven de geloofwaardigheid van handelaars die beweerden dat er ieder jaar nog talloze voorwerpen opdoken tijdens de grondbewerking.

Fictie en werkelijkheid

De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.
De leeuwenheuvel met er bovenop een stalen leeuw van 28 ton.

Zelfs het slagveld was niet meer te vertrouwen als historische bron. Onder het bewind van Willem I werd de kolossale leeuwenheuvel in 1826 opgericht op de plaats waar de Prins van Oranje – ‘de held van Waterloo’ –  gewond was geraakt. De constructiewerken zorgden echter voor de teloorgang van het oorspronkelijke herinneringslandschap. De veertig meter hoge kegel bestaat uit de aarde van de glooiing waarachter het Brits-Nederlandse leger zich tijdens de slag had verschanst. Van de glooiing zelf is niets meer te zien.

Fictie en werkelijkheid vloeiden meer dan ooit in elkaar over. De leeuwenheuvel bood weliswaar een uitzicht over het slagveld, maar datzelfde panorama was onwaarachtig, een visuele leugen. Negentiende-eeuwse reizigers tilden hier bijzonder zwaar aan. Een anonieme schrijver in het Nederlandse tijdschrift De Huisvriend meende dat er niets meer te beleven viel in Waterloo: ‘Wat men u tegenwoordig te Waterloo vertoont, heeft hoegenaamd niets van een slagveld. Het is opgegraven, omgewoeld, beplant en veranderd.’

Meer lezen

Jolien Gijbels, ‘Tangible Memories: Waterloo Relics in the Nineteenth Century’, The Rijksmuseum Bulletin, 63 (2015), 228-257.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze deed onder meer onderzoek naar de geschiedenis van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg en de ervaringen van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *