Niet geschikt voor zwangere vrouwen

Een van ’s werelds meest geliefde kunststromingen is het impressionisme, vertegenwoordigd door alom bekende kunstenaars als Monet, Renoir en Degas. Maar terwijl nu veel van hun werken, dankzij de stortvloed aan paraplu’s, koffiemokken, pennen en andere prullaria bedrukt met werken van hun hand, verheven zijn tot het niveau van – durf ik het zeggen – commerciële kitsch, was dit tijdens de begindagen van het impressionisme wel anders. De werken werden gezien als pure avant-gardistische, choquerende kunst waartegen zwangere vrouwen en kinderen beschermd moesten worden. De naam die nu synoniem staat voor dure schilderijen met thema’s die inmiddels zo bekend zijn dat niemand er nog van opkijkt, laat staan erdoor geschoffeerd wordt, was aanvankelijk dan ook bedoeld als een scheldwoord.

Impressionisme, ongeschikt voor zwangere vrouwen.
Impressionisme, ongeschikt voor zwangere vrouwen.

We bevinden ons in het Parijs van de tweede helft van de negentiende eeuw, in een kunstwereld waar de smaak gedomineerd werd door de officiële Académie en de door haar georganiseerde Salons. In deze Salons werden vooral kunstenaars toegelaten die ‘brave’ werken maakten, zeker niets te uitdagend. Een groot historiestuk werd bijvoorbeeld altijd geapprecieerd, zowel door de jury die de werken selecteerde, als door het steeds talrijk opkomende publiek. De leden van de impressionistengroep werden echter zelden toegelaten om op het Salon tentoon te stellen. Wanneer ze wel toegelaten werden, werden hun schilderijen op een dusdanig slechte plaats opgehangen – bijvoorbeeld volledig bovenaan in een hoek – dat hun aanwezigheid nauwelijks werd opgemerkt, tenzij om uitgelachen te worden. Als reactie daarop organiseerden bevriende kunstenaars of kunsthandelaars private tentoonstellingen, om zo de werken toch bij het publiek te brengen, in zo goed mogelijke omstandigheden.

Het ontstaan van een ‘groep’

Aankondiging van de eerste groepstentoonstelling.
Aankondiging van de eerste groepstentoonstelling.

Het idee voor een groepstentoonstelling met werken van hun vrienden en collega’s ontstond in de hoofden van Claude Monet en Frédéric Bazille in 1867. Deze ‘vrienden en collega’s’ kenden elkaar doordat ze in dezelfde ateliers hadden gestudeerd, elkaar tegen het lijf waren gelopen in het Louvre of in één van de talrijke cafés die de avant-garde veelvuldig frequenteerde. Het zou nog zes jaar duren vooraleer Monet het idee nieuw leven in zou blazen, weliswaar zonder Bazille, die inmiddels was gesneuveld in de Frans-Pruisische Oorlog.

Het officiële oprichtingshandvest dateert van 27 december 1873 en na veel discussie – zo gaat dat bij de avant-garde – werd de groep de Société anonyme des artistes, peintres, sculpteurs, graveurs, etc. gedoopt. De vage naam was vooral te wijten aan Degas, die aandrong op het innemen van een zo neutraal mogelijke positie vis-à-vis de Franse kunstscène. De conservatieve houding van Degas is een rode draad doorheen het verhaal van de groep, aangezien hij bijvoorbeeld ook protest aantekende tegen de aansluiting van Paul Cézanne omdat hij hem ‘te extravagant’ vond. Hij stond hier niet alleen in: Manet besloot immers, onder andere omwille van de aansluiting van Cézanne, om zich niet aan de groep te verbinden.

Dé naam

De eerste tentoonstelling van de Société anonyme des artistes, peintres, sculpteurs, graveurs etc. opende in de ateliers van de fotograaf Félix Tournachon Nadar op 15 April 1874 met 165 werken van 30 artiesten, waaronder één vrouw, Berthe Morisot. Het is duidelijk dat de officiële naam van de groep allesbehalve ‘sexy’ was en critici vonden het een fijn tijdverdrijf om op allerhande manieren te verwijzen naar de groep: Indépendants, Impressionnistes, Intransigeants, Impressionalists, phalangisten, radicalen, gekken en een scala aan andere nog minder flaterende bijnamen passeerden de revue. Het was vooral de term impressionisten die bleef hangen.

Claude Monet, Impression, soleil levant, 1873.
Claude Monet, Impression, soleil levant, 1873.

De nu welbekende geuzennaam is afgeleid van de titel van Joseph Leroy’s satirische kritiek over zijn bezoek aan de eerste groepstentoonstelling, die hij “L’exposition des impressionnistes” noemde. Zijn inspiratie voor deze titel vond hij in één van de werken die Monet had ingediend voor de tentoonstelling, namelijk Impression, soleil levant. Monet had dit schilderij een jaar eerder geschilderd in de haven van Le Havre, maar aanvankelijk had het werk helemaal geen titel. Het was pas nadat Edmond Renoir – broer van en verantwoordelijk voor de catalogus – had aangedrongen om wat creatiever te zijn in het verzinnen van een titel, dat Monet het woord ‘impression’ toevoegde.

Acht tentoonstellingen, geen impressionisten

Hoewel de naam aanvankelijk het voorwerp van spot en minachting was, werd hij al snel aangenomen door het brede publiek. De groep zelf kwam niet tot een consensus over het gebruik. Het lijkt wel zo dat ze de term ‘impressionisten’ niet enkel accepteerden, maar ook op deze manier naar zichzelf gingen verwijzen. De naam gebruiken op de posters of de officiële catalogi van de tentoonstellingen was echter een brug te ver. De Société anonyme was immers een eerder losse samenscholing van avant-garde kunstenaars die wensten, of verplicht waren, om buiten de Salon om tentoon te stellen. Er zijn grote stijlverschillen tussen de werken die werden ingediend voor de tentoonstelling, niet alleen tussen de schilders onderling, maar ook binnen het oeuvre van eenzelfde kunstenaar. Er lijkt geen samenhang te zijn in visie, techniek, genre noch design. Zo kon van Gogh in 1888 claimen dat hijzelf eigenlijk ook in de categorie ‘impressionist’ paste, “parce que cela ne dit rien et n’engage à rien”.

De zeven tentoonstellingen die nog volgden op de initiële show van 1874 waren verspreid over een tijdsbestek van twaalf jaar, en gingen niet alleen door zonder officiële naam, maar brachten ook nooit meer zoveel schilders samen. Na hun laatste tentoonstelling in 1886, die voorafgegaan werd door vier jaren van inactiviteit van de Société door hun onophoudelijke esthetische discussies, loste de groep op. Sommige kunstenaars bleven vrienden en organiseerden zich zelfs in nieuwe sociétés, anderen keerden de groep de rug toe en gingen alleen verder.

(Lies De Strooper)

Lies De Strooper is als vrijwillig medewerker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 verbonden. Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam werkt ze aan een proefschrift over de markt voor (post)impressionistische schilderkunst en het ontstaan van de categorie (post)impressionisme vanuit kunsthistorisch perspectief.

Titelafbeelding: Camille Pissarro, Boulevard Montmartre, la nuit, 1897. The National Gallery, London.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *