Nederige nieuwjaarsbrieven en keurige kinderen

Op nieuwjaarsdag 1837 reciteerde Jean-Baptiste Bethune, toen vijftien jaar, voor zijn ouders zijn nieuwjaarswensen. Hij benadrukte hoeveel hij van hen hield en bedankte hen uitgebreid voor hun goedheid. Vervolgens deed hij zijn ouders een belofte: “Wij zullen, wees daar maar zeker van, alles doen wat we kunnen om u voor uw goedheid te bedanken. Wij weten wat wij daartoe moeten doen: ons toewijden aan onze taken en prompt gehoorzamen aan uw wensen. Dat is wat u van ons verwacht.” Afsluiten deed hij niet met ‘je kapoen’ of ‘je (b)engeltje’, maar met ‘uw zeer onderdanige en liefhebbende zoon, Jean’.

Kasteel Bethune, door Jean-Baptistes grootvader François van Ruymbeke gebouwd, was het zomerverblijf van de familie.

In de familie Bethune werd duidelijk niet gesold met nieuwjaarsbrieven. Voor de welgestelde burgerlijke kringen van de negentiende eeuw waarin de familie zich begaf, vormden deze een jaarlijkse herinnering aan de verwachtingen waaraan goede kinderen hoorden te voldoen. Ze werden voor het opdragen zorgvuldig nagelezen en bijgespijkerd door de huisleraar. Bij ernstige bedenkingen moesten de kinderen ze zelfs verschillende malen herschrijven, tot het resultaat voldoende aansloot bij de formele en inhoudelijke tradities waarvan nieuwjaarsbrieven doordrongen waren.

Veel van deze tradities blijven doorleven. Ook vandaag pennen vele kinderen in hun mooiste handschrift op school een sjabloonbrief over. Vandaag, net als in de negentiende eeuw, zijn deze sjablonen getuige van wat de maatschappij van kinderen verwacht en hoe ze hen bekijkt. Hoewel nieuwjaarsbrieven al ruim twee eeuwen die functie vervullen, was hun inhoud vroeger toch anders dan die van vandaag. Negentiende-eeuwse nieuwjaarsbrieven waren immers doordrongen van iets wat in de brieven van 1 januari 2017 amper te ontdekken valt: onderdanigheid.

Zondagskinderen

Een nieuwjaarsbrief van Jean-Baptiste aan zijn ouders.

Een goede nieuwjaarsbrief bevatte in de negentiende eeuw een flinke dosis dankbaarheid. Kinderen moesten hun ouders, maar ook grootouders, ooms en tantes bij elk nieuw jaar loven voor hun eindeloze goedheid en vrijgevigheid. “Mijn lieve oom”, schreef Jean-Baptiste bijvoorbeeld naar zijn oom Valery op diezelfde nieuwjaarsdag van 1837, “onder zij die het voorwerp van uw attenties en uw vrijgevigheid zijn of geweest zijn, ben ik niet de minst bedeelde geweest. Zonder nog duizend en een andere dingen mee te tellen, zijn mijn elektrische apparaten alleen al getuigen van mijn deel.”

Familiale zorg en steun kwam echter met verwachtingen. De familie rekende er alvast op uitgebreid bedankt te worden voor haar spontane giften en gestes. Vader Felix organiseerde bijvoorbeeld regelmatig studiereizen voor zijn kinderen. Daarop hoorden zij met plezier mee te gaan en hun vader verschillende malen te danken, of ze nu om die reizen hadden gevraagd of niet. De materiële afhankelijkheid van kinderen ten opzichte van hun vrijgevige ouders of grootouders zorgde ervoor dat ze bij hen in het krijt stonden. Op 1 januari 1836 betuigde Jean zo zijn eeuwige verschuldiging tegenover zijn grootouders: “Ik voel dat ik nooit zal kunnen voldoen aan de verplichting die uw tederheid en uw goedheden me opleggen.”

Vader moeder zult gij eren

Vader Bethune.

Het best konden kinderen hun dankbaarheid voor de goede zorgen en opvoeding van hun ouders tonen door de unieke kansen die hen werden toebedeeld niet te verspelen. Van jongsaf aan werd hen een werkethiek ingelepeld die hun burgerlijke familie nog een trapje hoger op de sociale ladder moest tillen. Een veertienjarige Jean-Baptiste verzekerde zijn vader in 1835 dat hij en zijn broertje Felix niet rondluierden in huis terwijl hij buitenshuis was: “Onze vakantie is nog niet helemaal voorbij […]. Toch verdoen we onze tijd niet, we werken gewoonlijk tot de middag en soms tot erna.” Vakantie of niet, er moest gestudeerd worden.

Moeder Bethune.

Daarmee was Jean-Baptistes en Felix’ schuld echter niet ingelost. De sociale druk die op kinderen werd uitgeoefend om respectvol, gehoorzaam en onderdanig te zijn tegenover hun ouders en hun wensen beïnvloedde ook hun volwassen leven. Zo vreesde bijvoorbeeld Jean-Baptistes moeder de toorn van zijn oma toen ze een andere jurk had gekocht dan degene die haar moeder had uitgekozen en betaald. Blijvende materiële afhankelijkheid vereiste dus ook van volwassen kinderen de nodige aandacht voor de wil en de verlangens van hun ouders. Negentiende-eeuwse nieuwjaarsbrieven hielpen kinderen daar al op jonge leeftijd bewust van te maken.

Nieuwe wijn in oude zakken

Jean-Baptiste Bethune op latere leeftijd.

Vandaag zijn nieuwjaarsbrieven net zo min als in de negentiende eeuw het spontane resultaat van kinderlijke hersenspinsels. Veel meer dan het zo perfect mogelijk overschrijven en memoriseren van een modelbrief voor de hele klas komt er niet bij aan te pas. Op 1 januari 2017 zouden echter meer dan een paar wenkbrauwen in de woonkamer opgetrokken zijn als een kind zijn brief had afgesloten met ‘je erg onderdanige zoon’. De karakteristieke hedendaagse afsluiter ‘je kapoen’ verraadt veel over de algemene sfeer waarin nieuwjaarsbrieven tegenwoordig voorgelezen worden.

De ideale nieuwjaarsbrief bulkt vandaag nog steeds van allerlei liefdesverklaringen en brave beloftes voor het nieuwe jaar, maar ook kinderlijk kattekwaad maakt in de hedendaagse maatschappij deel uit van wat ‘een kind’ is. Gehoorzaamheid mag dan wel nog steeds vereiste nummer een van een braaf kind zijn, de onderwerping die Jean-Baptiste in zijn nieuwjaarsbrieven aan zijn ouders, oom en grootouders beloofde, hoeft voor de meeste hedendaagse ouders niet meer. Een sterke patriarchale hiërarchie maakt dan ook niet langer deel uit van de hedendaagse variant van ‘het ideale gezin’.

Louise Deschryver is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over de constructie van het kind bij de negentiende-eeuwse Belgische bourgeoisie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *