Hoe de Duitsers monumenten oprichtten, en de Belgen ze afbraken

Gastblog door Karla Vanraepenbusch.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bepaalden de Duitse bezetters vier jaar lang het dagelijkse leven in steden als Brussel, Antwerpen en Luik. Het gebrek aan bewegings- en persvrijheid, de voedselschaarste en de angst voor dwangarbeid, krijgsgevangenschap of erger wogen zwaar op de lokale bevolking. Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand afgekondigd werd, werd dat niet, zoals aan het front, ervaren als een staakt-het-vuren, maar als bevrijding. De oorlogsdreiging maakte dan ook langzaamaan plaats voor een bevrijdingsroes.

Tijdens die bevrijdingsroes van de eerste weken na de wapenstilstand zagen stadsbesturen zich geconfronteerd met de restanten van en de herinneringen aan de Duitse bezetting. Op stedelijke begraafplaatsen doorheen het land hadden de Duitsers bijvoorbeeld gedenktekens opgericht voor hun gesneuvelden. Tal van vooroorlogse straatnamen verwezen bovendien op een of andere manier naar Duitsland. Het was aan de stadsbesturen om te beslissen wat ze met deze herinneringen aan de voormalige vijand zouden doen. Uitwissen, of toch maar behouden?

Het monument dat de publieke opinie kwetste

De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.
De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.

In 1916 hadden de Duitse autoriteiten op de Luikse begraafplaats Robermont een monument ingehuldigd met het beeld van een Teutoonse ridder. Nog in 1918 lieten ze op het Antwerpse Schoonselhof en op de begraafplaats van Brussel nieuwe Duitse monumenten plaatsen. Al meteen na de wapenstilstand op 11 november besloten zowel het Brusselse als het Antwerpse stadsbestuur om het Duitse gedenkteken af te breken. In Luik bepaalde de waarnemende burgemeester Valère Hénault dat het beeld van de Teutoonse ridder van de sokkel gehaald zou worden. De stadsbesturen verantwoordden hun beslissing met het voorwendsel dat de Duitsers geen toestemming hadden gevraagd om de monumenten op te richten, een inbreuk op de gemeentewet. Uiteraard speelden ook patriottische beweegredenen. Het beeld van de Teutoonse ridder moest verdwijnen omdat het de publieke opinie kwetste. En in Antwerpen moest het Duitse gedenkteken plaatsmaken voor een nieuw monument ter ere van de militairen gesneuveld voor het vaderland.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.

Zowel het Antwerpse als het Brusselse stadsbestuur namen de beslissing om het Duitse gedenkteken op hun begraafplaats af te breken meteen tijdens de eerste bijeenkomst van het schepencollege na de ondertekening van de wapenstilstand. In Luik bekrachtigde de gemeenteraad het haastig genomen besluit van Hénault pas tijdens hun eerste bijeenkomst, een maand na de feiten. Het bijzonder korte tijdsbestek waarin de stadsbesturen de beslissing tot afbraak namen, toont hoe belangrijk ze deze symbolische actie vonden. Ze toonden zich bovendien bereid om in die moeilijke naoorlogse dagen de kosten ervan op zich te nemen. Enkel in Brussel bleef het monument uiteindelijk toch behouden. Dat komt omdat de Brusselaars de afbraakwerken niet meteen uitvoerden. Toen ze die eindelijk wilden realiseren in 1920, werden ze teruggefloten door de Minister van Buitenlandse Zaken, die vreesde dat de afbraak van het gedenkteken de nog broze diplomatieke relaties met Duitsland op het spel zou zetten.

Von Barystraat, ‘verfoeiden naam’

GvA1918“’t Was velen een ergernis dat de Albert von Barystraat nog altijd met haar verfoeiden naam prijkte. Eindelijk heeft de Stad de openbare meening voldaan en die straat herdoopt in Jan Blockxstraat”, kon men op 28 december 1918 in de Gazet van Antwerpen lezen. De Duitse magnaat Heinrich Albert von Bary had voor de oorlog zo’n grote economische en politieke invloed dat hij beschouwd werd als de “Duitse burgemeester van Antwerpen”. Hij kreeg in 1912 de ongebruikelijke eer dat een straatnaam naar hem werd vernoemd terwijl hij nog in leven was. Tijdens de oorlog had von Bary zich echter gecompromitteerd door de Duitse oorlogsinspanning financieel te ondersteunen. Hij verloor dan ook meteen na de oorlog zijn straatnaam aan de Antwerpse componist Jan Blockx.

Koningin-verpleegster Elisabeth.
Koningin-verpleegster Elisabeth.

Heel wat straatnamen in de bevrijde steden die op de één of andere manier naar Duitsland verwezen, werden in de weken onmiddellijk na de wapenstilstand hernoemd. De nieuwe straatnamen waren vaak niet toevallig gekozen. Zo werd, om de ‘koningin-verpleegster’ te eren die zich tijdens de oorlog zo had ingezet voor het fysieke welzijn van de soldaten, de Avenue d’Allemagne in Luik vervangen door Avenue Reine Elisabeth. Als dank aan de Engelse bodgenoten hernoemde het Luikse stadsbestuur de Rue de Berlin tot Rue de Londres. En de Place de Bavière werd Place de l’Yser, als verwijzing naar de stellingoorlog aan het IJzerfront. Zo verdwenen de Duits klinkende straatnamen uit het stadsplan, dat zich vulde met nieuwe straatnamen die hulde brachten aan de helden en bondgenoten van België.

De herovering van de stad

Wat met de verwijdering van de oorlogsmonumenten en de wijzigingen in straatnamen op het spel stond, was de symbolische herovering van de bezette stad op de Duitsers. De stadsbesturen probeerden de stadsbewoners te helpen om de spanningen en trauma’s van de bezetting te verwerken. Hun strategie was eenvoudig. Ze trachtten alle sporen van de Duitse bezetting uit het stadsbeeld te wissen en zuiverden zo de stedelijke ruimte van alles wat Duits was. De stadsbesturen heroverden als het ware de stad, zodat die eindelijk, na vier jaar, weer echt van hen werd.

Meer lezen

Karla Vanraepenbusch en Anne-Mie Havermans, ‘Omgaan met het erfgoed van de “vijand”. Duitse WO 1-monumenten op stedelijke begraafplaatsen in bezet België’, Volkskunde,  117 (2016), 1–20.

Laurence van Ypersele, Chantal Kesteloot en Emmanuel Debruyne, Brussel: De oorlog herdacht (1914-2014), Waterloo, 2014.

Antoon Vrints, ‘De Klippen des Nationalismus. De Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de Duitse kolonie in Anwerpen’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 10 (2002), 7–41.

Karla Vanraepenbusch is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) en aan de Université catholique de Louvain. Ze doet onderzoek naar de materiële herinneringssporen aan WO1 in Antwerpen en Luik.

Een gedachte over “Hoe de Duitsers monumenten oprichtten, en de Belgen ze afbraken

  1. Beste Karla,

    In deel 1 van het boek “Kortrijk tijdens WOII” jose Vanbossele D/1986/0222/2 Groeninge Drukkerij staat op pag 176 een foto van een gedenkteken in de kloostertuin van het St Niklaasgesticht te Kortrijk (Lazarett Jasta Manfred von Richtenhofen, Rode Baron). Het herinnerde aan depiloten en het ziekenhuispersoneel gevallen in WOI. Foto genomen nav bezoek in sept 1940 van hogere Luftwaffe officieren. Heb U daar documentatie van van oprichting en eventuele abraak ?

    Luc 056/218125

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *