Middeleeuwse schaduwpremiers

Gastblog door Ben Eersels.

BenEersels-Schaduwpremier-Cartoon‘Ik heb geen behoefte aan een debat over bedrijfswagens,’ liet de Antwerpse burgemeester en N-VA-voorzitter Bart de Wever op 2 december 2014 weten. Daarmee floot hij Johan van Overtveld, minister van financiën en nota bene zijn eigen partijgenoot, terug. Die had een dag eerder de deur open gezet voor een discussie omtrent het gunsttarief van bedrijfswagens, in het kader van de veelbesproken tax shift.

Een tweetal weken later stond De Wever opnieuw in de spotlights toen hij uitgebreid zijn ongezouten mening over de stakingen in België uit de doeken deed. ‘Kom dan zelf in de regering zitten’,  reageerde een boze Kris Peeters, minister van Werk, CD&V-kopstuk en coalitiepartner van de N-VA. Waar bemoeide de Wever zich eigenlijk wel mee? Was zijn plaats niet op het Schoon Verdiep in Antwerpen, in plaats van op het nationale politieke toneel? De demarches van De Wever voedden daarnaast ook de kritiek op premier Michel, die volgens zijn criticasters slechts een stropop zou zijn van ‘schaduwpremier’ De Wever.

Middeleeuwse precedenten

Antwerpen, ca. 1557.
Antwerpen, ca. 1557.

Historisch gezien is De Wevers interventie in de nationale politiek minder opzienbarend dan de reactie van Peeters laat uitschijnen. In de middeleeuwen hielden de stadsbesturen van het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen – grosso modo het huidige Vlaanderen – zich met veel meer zaken bezig dan enkel de lokale stedelijke politiek. De bestuurders van de grote steden waren er immers in geslaagd zich enorm te verrijken dankzij de lucratieve lakenhandel. Met die grote financiële rijkdom kwam ook politieke macht: er bestond immers geen systeem van vaste belastingen, waardoor de hertog en de graaf telkens wanneer zij geld nodig hadden een akkoord moesten sluiten met de stadsbesturen.

De steden besloten vaak om hun bedelende vorst inderdaad financiële hulp te verlenen, maar lieten het niet na om ook zelf voordeel te halen uit de situatie. De steden eisten in ruil voor hun goodwill immers verregaande privileges van de vorst, waardoor zij meer en meer bestuurlijke autonomie verkregen, terwijl de macht van de vorsten zienderogen verminderde. De hertog en de graaf zagen die evolutie uiteraard met lede ogen aan, maar stonden niet sterk genoeg om aan de wil van de stedelijke leiders te weerstaan.

Het verdrag van 1339

Het Gentse exemplaar van het verdrag van 1347.
Het Gentse exemplaar van het verdrag van 1339.

Op 3 december 1339 gingen de steden echter nog een stap verder. Op die dag sloten het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen een alliantie af, op zich niets ongewoons, ware het niet dat de grote Brabantse en Vlaamse steden – waaronder Antwerpen – door de stipulaties van die alliantie op verschillende vlakken een bijzonder verregaande beslissingsmacht verkregen. Zo werd er een gemeenschappelijke Brabants-Vlaamse munt en een bijbehorende commissie opgericht, die er op moest toezien dat de waarde van die munt constant bleef. Hoewel de muntslag in de middeleeuwen een exclusief voorrecht van de vorst was, zouden in die commissie zes vertegenwoordigers van de steden zetelen, tegenover slechts vier afgevaardigden van de vorsten. Ook in het overkoepelende juridische orgaan dat opgericht werd om onderlinge geschillen te regelen, zou er een meerderheid van stedelijke vertegenwoordigers zetelen.

De belangrijkste bepaling was misschien wel dat de militaire politiek van beide gebieden op elkaar afgestemd zou worden, met de bijkomende voorwaarde dat indien de Vlaamse graaf of Brabantse hertog oorlog wilde voeren, hij daarvoor eerst de toestemming van de andere vorst en vooral van de steden van beide gebieden moest verkrijgen. Zelfs op het vlak van internationale politiek konden de Brabantse en Vlaamse stadsbesturen dus een hartig woordje meespreken. De Wevers invloed op het nationale en internationale beleid steekt dus al bij al bleek af ten opzichte van zijn middeleeuwse voorgangers.

Recyclage van het verdrag

Verschillende artikels van het verdrag werden zelfs eeuwen later, in een totaal andere context, nog talloze malen opnieuw gebruikt. Tijdens de Nederlandse Opstand, die zou leiden tot de creatie van de onafhankelijke Republiek der Nederlanden, drukte Willem van Oranje het verdrag zelfs enkele keren opnieuw. De leider van de Nederlandse opstandelingen probeerde op die manier om de Brabanders en de Vlamingen te herinneren aan hun roemrijke verleden van onderlinge samenwerking, zodat zij hem zouden steunen in zijn strijd tegen de Spanjaarden.

Een traditie was geboren, want ook in een latere periode zouden de bepalingen van het verdrag regelmatig gebruikt worden als historisch argument in politieke en economische discussies. Zo verwezen enkele dissidenten uit onze gewesten in 1782 naar het verdrag als argument tegen de hervormingsplannen van hun nieuwe heerser, de Oostenrijkse keizer Jozef II. En toen in die periode de Lierse brouwers vrijheid van handel eisten, deden zij dat door zich te beroepen op één van de bepalingen van het verdrag van 1339. De Wever liet dus een unieke kans liggen om zich in een eeuwenlange historische traditie in te schrijven.

Meer lezen

Piet Avonds, ‘Beschouwingen over het ontstaan en de evolutie van het samenhorigheidsbesef in de Nederlanden’, in Jozef Andriessen, August Keersmaekers en Piet Lenders red., Cultuurgeschiedenis in de Nederlanden van de Renaissance naar de Romantiek, Leuven, 1986, 45-58.

Ben Eersels is gastblogger. Hij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de manieren waarop mensen bestuur en wetgeving in late middeleeuwen op een vredevolle manier trachtten te beïnvloeden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *