Fabelachtig archief en waar het te vinden

Natuurlijk sneeuwde het die nacht in Gent. Bij het haardvuur keuvelden drie oudheidkundigen over de geschiedenis van de stad, tot een van hen beweerde de vindplaats van de Koop van Vlaanderen te kennen. Had deze legendarische oorkonde, die belangrijke rechten toekende aan de Gentenaars, dan toch bestaan? IJlings trokken de heren naar het belfort. Daar werden ze verwelkomd door hels gelach, terwijl buiten de sneeuw overging in een woest onweer. In plaats van het charter vonden de geleerden de geest van Karel V, die hen vermanend toesprak: ‘Jullie wetenschappelijke begeerte maakt jullie blind en dwaas!’

Dit alles bleek maar een droom, in 1853 opgetekend door Philippe Kervyn de Volkaersbeke. Met zijn Le songe d’un antiquaire wilde hij zijn oudheidkundige kwaliteiten tonen, onder meer door een lange beschrijving van zijn eigen verzameling en van het Gentse belfort. Ook hield hij met zijn novelle zijn tijdgenoten een spiegel voor. Onderzoekers en verzamelaars joegen voortdurend op nieuwe archiefstukken. Kervyn de Volkaersbeke vond in deze jacht stof voor zijn verhaal, maar gewiekste figuren zagen andere mogelijkheden. Zij produceerden zelf de documenten waar erudieten zo naar verlangden. Deze fabricaten zijn nog altijd aantrekkelijk: ze helpen de negentiende-eeuwse historische cultuur te doorgronden.

De brieven van Rubens

In 1838 keken alle liefhebbers uit naar een uitgave van brieven van Peter Paul Rubens door Jean-François Boussard. In een omstandige inleiding diste deze leraar op hoe hij de stukken in handen had gekregen. Een oude monnik van de abdij van Gembloers schonk ze hem in 1814, in ruil voor Chateaubriands Génie du Christianisme. Groot was de teleurstelling van het lezerspubliek toen bleek dat de gedachten van de zeventiende-eeuwse schilder weinig verschilden van dergelijke recente katholieke publicaties. De erg verzorgde uitgave leek eerder een hedendaags pamflet dan een eeuwenoude briefwisseling.

Een aankondiging van Les leçons de P.P. Rubens uit Le Courrier belge van 9 februari 1838.

Verschillende erudieten besloten dat de Leçons de Rubens een vervalsing moest zijn. Anderen waren daar minder van overtuigd. Boussard gaf immers enkel ongedateerde fragmenten van brieven in het Latijn en Italiaans uit, die hij naar het Frans had vertaald, zodat het moeilijk leek hun authenticiteit te beoordelen. De Koninklijke Commissie voor Geschiedenis sprak daarom de hoop uit dat de oorspronkelijke teksten ook gepubliceerd zouden worden, want mogelijk waren ze enkel al te vrijelijk vertaald. Boussard weigerde echter de originelen te tonen. Bijgevolg kon hij alleen maar hopen dat niet elke lezer de fouten en anachronismen in zijn brieven zou opmerken.

Welgeleerd, maar spotachtig

De titelpagina van Aenteekening van verschillige merkwaerdigheden over de brillen en verdere zienglazen, zogezegd geschreven door Fr. Eug. De Caesemaeker.

Terwijl Boussard sukkelde met zijn Rubensbrieven, verrijkte Theodorus Schellinck met meer succes de Gentse geschiedenis. Deze dagbladschrijver speelde steeds weer in op de verlangens van de mensen rondom hem. Volgens een eigentijdse biograaf was Schellinck ‘vroegtijdig wel geleerd en spotagtig van aerd’. Onder een pseudoniem schreef hij bijvoorbeeld een geschiedenis van de bril, in opdracht van een opticien. Schellinck stelde in dat boekje dat het graafschap Vlaanderen een van de eerste brildragende streken ter wereld was, namelijk al sinds de veertiende eeuw. In de toonaangevende Messager des sciences historiques verscheen een lovende recensie.

Niet anoniem, maar even verbazingwekkend was Schellincks oordeel over de muurschildering die in 1855 werd ontdekt in het Groot Vleeshuis. Volgens hem was Nabur Martins de kunstenaar. Als bewijs citeerde Schellinck uit het geheugen een archiefstuk dat hij twaalf jaar eerder had gevonden. Hoewel het document intussen niet meer bestond (en dat nooit heeft gedaan), smulde Edmond De Busscher – eminent kenner van de Gentse kunstgeschiedenis – van Schellincks herinnering ervan. Zelfs zonder bewijs had hij het kunstwerk aan de bekende Nabur Martins willen toeschrijven. De kennis over het verleden leek weer een beetje uitgebreid, een belangrijk verlangen van negentiende-eeuwse historici.

Meer, meer, meer

Les leçons de P.P. Rubens: schone schijn.

De Busscher onderhield de Koninklijke Academie in Brussel in 1858 over de ontdekking van Schellinck. Dat geleerd genootschap liet zich in 1873 ook nog vangen aan de Leçons de Rubens van Boussard. Een biografie van Antoon van Dyck die er uitgebreid uit citeerde, werd bekroond. Gents stadsarchivaris Victor Vander Haeghen gaf aan het einde van de negentiende eeuw de Academie de kans deze misstappen recht te zetten. In een uitgebreide verhandeling bestudeerde hij verschillende vervalsingen. Toch zouden de negentiende-eeuwse fantasieën nog enkele keren opnieuw worden opgediept.

Het succes van de dwalingen van Boussard en Schellinck tonen dat de kritische zin van de erudieten tekortschoot. Het verlangen naar onbekend archiefmateriaal maakte hen erg kwetsbaar, zoals de geest van Karel V waarschuwde in Le songe d’un antiquaire. In dat boek eindigden de oudheidkundigen door hun nieuwsgierigheid in de hel. De negentiende-eeuwse dilettanten verdienen een beter lot. De fouten die zij maakten, helpen begrijpen wat de toenmalige historische cultuur zo bijzonder maakte. Hoewel Schellinck laagopgeleid en onbemiddeld was, kon hij toch naam maken. De historische wereld verwelkomde blijkbaar iedereen die de nodige vaardigheden bezat – of deze leek te bezitten.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: het belfort van Gent in de jaren 1820, door J.B.J. Wynantz (Stadsarchief Gent, detail uit AG_W_058)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *