De onschuld van de tong

Gastblog door Josephine Hoegaerts

De ‘refoule-langue’ (Colombat de L’Isère, 1833).
De ‘refoule-langue’ (Colombat de L’Isère, 1833).

Rond het midden van de negentiende eeuw gold James Hunt, een Brits arts, als één van de meest vooraanstaande experts op het vlak van spraakgebreken in Europa. En in 1861 verloor hij zijn geduld: in een verder nogal droge uiteenzetting over de ‘aard en genezing’ van het stotteren, haalde hij uit naar de kwakzalvers die zijn werkdomein bevolkten. Hunt leek zich amper te kunnen beheersen bij de gedachte aan de hulpmiddeltjes die aan onwetende, hopeloze, stotteraars werden verkocht. Hij maakte zich bijzonder boos over de vork van Itard, de bride-langue van Colombat en het walvisbeen van Malebouche – allemaal eenvoudige instrumenten die de tong tegen het gehemelte aan duwden en, volgens de uitgebreide reclamecampagnes, stotteren zo konden tegengaan. Het toppunt van zijn woede bewaarde hij echter voor chirurgen, die operaties aan de tongriem aanprezen als een permanente oplossing voor het veel voorkomende spraakgebrek. “De oorzaak van het stotteren bevindt zich niet in de tong”, sputterde hij, “en alle operaties aan dat onschuldige orgaan zijn dan ook nutteloos”.

Een nerveuze aandoening

Hunt was in goed gezelschap met zijn kritiek op de mechanische, louter op de tong gerichte therapieën voor het stotteren. Allerlei logopedisten en spraakdeskundigen begonnen zich in de negentiende eeuw te verzetten tegen het idee dat stotteren een eenvoudig fysiek probleem was. Waar het spraakgebrek dan wel vandaan kwam, was minder duidelijk. Vooral Britse deskundigen leken te denken dat stotteren een ‘nerveuze’ aandoening was, gerelateerd aan zwakte en angst. De stotteraar moest daarom zijn longen en spieren ontwikkelen, en “deelnemen aan zoveel manhaftige oefeningen als hij kan”, paardrijden, bijvoorbeeld, of roeien en boksen.

De verklaring van stotteren als een resultaat van nerveuze en fysieke zwakte had echter zijn beperkingen: heel wat therapeuten hadden in de negentiende eeuw statistische studies verricht naar het percentage stotteraars in lagere scholen, het leger en allerlei parochies. Uit hun overzichten bleek dat net dat deel van de bevolking dat zo gevoelig was aan nerveuze aandoeningen, immuun leek voor het spraakgebrek. Vrouwen stotterden, volgens de negentiende-eeuwse statistiek, nauwelijks of zelfs helemaal niet. Dat kon weliswaar sociaal verklaard worden – vrouwen stonden er immers om bekend erg (of: te) veel te praten, en die oefening kwam hun vlotte spraak ten goede – maar haalde de theorie van de zwakke, nerveuze en onvoldoende ‘manhaftige’ stotteraar onderuit.

Excessieve intelligentie

Benjamin Beasley (ca. 1900).
Benjamin Beasley (ca. 1900).

De oplossing van het probleem  bood zich aan toen neurologen in de jaren 1860  een ‘spraakcentrum’ in het brein identificeerden. Veeleer dan als een fysiek of moreel gebrek, kon het stotteren nu geïnterpreteerd worden als het gevolg van een soort kortsluiting in de hersenen. Om de aandoening begrijpelijk voor te stellen, beschreven specialisten het brein als een ‘telefooncentrale’, waar in alle chaos wel eens een verkeerde verbinding gemaakt werd, die dan tot haperingen kon leiden.

Dat stotteraars zo vaak haperden, zo werd langzaamaan de consensus, lag aan hun excessieve intelligentie. Omdat hun brein complexer was dan gemiddeld, konden kortsluitingen er gemakkelijker voorkomen. Of, zoals de therapeut en gewezen stotteraar Benjamin Beasley stelde: stotteraars dachten zo snel, dat hun spraak het tempo van hun gedachten niet kon volgen. Beasley kon gelden als model van het nieuwe denken over stotteren: hij had zelf onder het spraakgebrek ‘geleden’ en bood met zijn indrukwekkende lezingenreeksen het ultieme bewijs van het succes van de therapeutische methode die hij aanbood. Met zijn vloeiende spraak toonde hij niet alleen aan dat de stotteraar genezen kon worden, maar ook dat de stotteraar zelf een uitgelezen expert op gebied van spraakgebreken kon worden.

Stuttering songs

Beasley’s invulling van de identiteit van de stotteraar was beperkt in zijn succes. In de populaire cultuur van zijn tijd, en vooral in de muziek, werd stotteren veelal als beklagenswaardig of hilarisch voorgesteld. In het variététheater rond de eeuwwisseling waren ‘stuttering songs’ erg populair. Daarin leidde de gesyncopeerde spraak van stotteraars tot dubbelzinnige misverstanden of tot jazzy ritmes. Sommige Amerikaanse songs voerden (zwarte) stotteraars zelfs als de uitvinders van ragtime op.

Then Stammering Sam sang,
and the company sang “babababa! Babababe!”
Singing his stuttering song with glee
and that was the very first ragtime melody

(Weston, Barnes and Elton, Stammering Sam, 1913)

De nadruk op zelfhulp in de omgang met stotteren bleef wél populair: vanaf het begin van de negentiende eeuw hadden allerlei zelfverklaarde therapeuten stotteraars ertoe aangemoedigd zelf hun spraak te  beheren en te beheersen. Figuren als Beasley wakkerden die impulsen opnieuw aan. Doorheen de twintigste eeuw werd de focus van al die ‘zelfhulp’ verlegd. Activisten wezen er steeds vaker op dat het uitroeien van het stotteren een problematisch ideaal is. De modernistische reflex dat de wereld ‘beter’ zou zijn zonder handicaps of (spraak) gebreken, is eugenetisch van karakter: met het verwijderen van het stotteren, zou ook ‘de stotteraar’ verdwijnen.  Waar Benjamin Beasley een identiteit zocht als gewezen (of genezen) stotteraar, streven heel wat zelfhulpgroepen er nu naar ruimte te creëren voor stotteren in allerlei professionele en artistieke contexten. En dus ligt de nadruk van de ‘wereldstotterdag’ (die sinds 1998 jaarlijks op 22 oktober plaatsvindt) niet op het zoeken naar genezing, maar wel op sociale aanvaarding.

K-k-k-katy, 1918, werd één van de populairste ‘stotterliedjes’ van de vroege twintigste eeuw. (Geoffrey O’Hara, uitgevoerd door Bill Murray)

Meer lezen?

www.didistutter.org

(Josephine Hoegaerts)

Josephine Hoegaerts is gastblogger. Ze is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Haar huidige onderzoek richt zich op de evolutie van vocale praktijken in West-Europa in de lange negentiende eeuw.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *